8
2.2.1 - Transport
Zie hoofdstuk 1.1 ‘Veiligheidsinstructies voor montage’.
2.2.2 - Plaatsen
Zie onder ‘Afmetingen en benodigde vrije ruimte’ om er zeker
van te zijn dat er voldoende ruimte is voor alle aanslui-
tingen en voor onderhoudswerkzaamheden. Zie voor zwaarte-
punten, de plaats van de bevestigingsgaten en de gewichts-
verdeling de met de unit meegeleverde officiële maatschetsen.
Deze units zijn bestemd voor toepassing in koelsystemen en
hoeven niet bestand te zijn tegen aardbevingen. Bestendig-
heid tegen aardbevingen is niet geverifieerd.
In het geval de machine is opgesteld op een verhoging moet
deze gemakkelijke toegankelijk zijn voor onderhoud.
WAARSCHUWING: Breng de hijsstroppen alleen aan op
de punten die op de unit zijn aangegeven.
Controleer voordat de unit wordt geplaatst:
• dat de gebouwconstructie sterk genoeg is om het
gewicht van de unit te dragen.
• dat het oppervlak waterpas, vlak en niet beschadigd is.
De unit moet op de X en Y assen waterpas worden
geplaatst (maximaal 1,5 mm afwijking per meter).
• Geen enkel materiaal of voorwerp dat kan worden
beïnvloed door condensaat (zelfs al is het een kleine
hoeveelheid) mag onder de machine of in de water-
stroomrichting blijven.
WAARSCHUWING: Controleer, voordat de unit naar de
plaats van opstelling wordt gehesen, dat alle panelen goed
zijn bevestigd. De unit moet voorzichtig wordt gehesen en
rustig worden neergezet.
LET OP: Gestapelde units mogen niet worden verplaatst.
Als 61WG/30WG units naar de plaats van opstelling
worden gehesen moet de omkasting (zij, voor- en achter-
panelen tegen beschadiging worden beschermd). Gebruik
hijsbalken om de hijsstroppen boven de unit te spreiden.
De unit mag niet meer dan 15° overhellen, of 5° voor units
met de stapeloptie (nr. 273). Volg altijd de met de unit
meegeleverde instructies.
Als een unit beschikt over een hydromodule (opties 116
of 270), moeten de hydromodule en pompleidingen zodanig
worden geïnstalleerd dat ze niet aan spanningen worden
blootgesteld. De leidingen van de hydromodule moeten
zodanig worden aangebracht dat het gewicht van de
leidingen niet wordt gedragen door de pomp.
Oefen nooit druk uit op de panelen van de omkasting.
Alleen het basisframe van de unit is daartegen bestand.
Als de unit op zijn definitieve plaats staat, verwijder dan
de skids en ander transportmateriaal. Zorg dat de unit
waterpas staat en zet hem met bouten vast op de vloer. De
werking van de unit kan nadelig worden beïnvloed als hij
niet waterpas staat en niet goed is bevestigd.
Controles voorafgaand aan de inbedrijfstelling
Vóór de opstart van het koelsysteem moet de gehele instal-
latie, inclusief het koelsysteem worden vergeleken met de
installatietekeningen, maatschetsen, systeem leidingwerk
en instrumentatie tekeningen en de elektrische schema’s.
Neem tijdens deze controles alle nationale voorschriften in
acht. Raadpleeg de norm EN 378-2 als volgt indien de
nationale voorschriften geen details bevatten:
Externe visuele installatiecontroles:
• Vergelijk de totale installatie met de koelsysteem- en
elektrische schema’s.
• Controleer dat alle componenten voldoen aan de ont-
werpspecificaties.
• Controleer dat alle documenten en apparatuurbevei-
ligingen, verstrekt door de fabrikant (maatschetsen,
P&ID, verklaringen, etc.) om te voldoen aan de voor-
schriften, aanwezig zijn.
• Verifieer dat alle beveiligingen en milieubeschermende
appendages en maatregelen, verstrekt door de fabrikant,
voldoen aan de lokale voorschriften.
• Verifieer dat alle documenten voor drukvaten, certifi-
caten, naamplaten, dossiers, handleidingen, verstrekt
door de fabrikant om te voldoen aan de voorschriften,
aanwezig zijn.
• Verifieer dat de toegangsroute tot de unit en de vlucht-
wegen vrij zijn.
• Controleer dat de machinekamer voldoende wordt
geventileerd.
• Controleer dat er koudemiddel detectors aanwezig zijn.
• Verifieer de instructies en richtlijnen ter voorkoming
van het opzettelijk verwijderen van koudemiddel-
gassen die schadelijk zijn voor het milieu.
• Verifieer dat alle aansluitingen zijn gemaakt.
• Controleer steunen en bevestigingsmateriaal (mate-
rialen, route en bevestiging).
• Controleer de kwaliteit van lassen en andere verbin-
dingen.
• Controleer de beveiliging tegen mechanische schade.
• Controleer de beveiliging tegen hitte.
• Controleer de beveiliging van bewegende delen.
• Controleer of er voldoende vrije ruimte is voor onder-
houd of reparatie.
• Controleer de status van de afsluiters.
• Controleer de status van de thermische- en dampdichte
isolatie.
• Zorg dat de condensaatafvoerleiding zodanig is
gepositioneerd dat afvoer mogelijk is en zorg dat de
aansluitingen correct zijn voor het gebruikte water.
• Vermijd aanleg van kabeltracé’s van de klant tezamen
met andere machinebedrading, in het bijzonder over
grotere afstanden (> 200 mm).