558424
43
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/394
Next page
Installatie -en
bedieningsvoorschriften
Nederlands
Date: 04-2014
Document nummer: 81337-10-NL
© 2014 Raymarine UK Limited
a Series
c Series
e Series
R
elease 10
a Series / c Series / e Series
Mededeling over handelsmerken en octrooien
Handelsmerken en gedeponeerde handelsmerken
Autohelm, hsb
2
, RayTech Navigator, Sail Pilot, SeaTalk, SeaTalk
NG
, SeaTalk
HS
en Sportpilot zijn gedeponeerde handelsmerken
van Raymarine UK Limited. RayTalk, Seahawk, Smartpilot, Pathnder en Raymarine zijn gedeponeerde handelsmerken van
Raymarine Holdings Limited.
FLIR is een gedeponeerd handelsmerk van FLIR Systems, Inc. en/of haar dochtermaatschappijen.
Alle andere handelsmerken, handelsnamen of bedrijfsnamen die hierin worden vermeld worden alleen gebruikt ten behoeve van
identicatie en zijn eigendom van hun respectieve eigenaren.
Dit product is beschermd door octrooien, ontwerpoctrooien, aanhangige octrooien en aanhangige ontwerpoctrooien.
“Fair use”-verklaring
U mag voor eigen gebruik niet meer dan drie (3) exemplaren van deze handleiding afdrukken. U mag niet meer exemplaren
afdrukken of verspreiden en u mag de handleiding niet op enige andere manier gebruiken, waaronder zonder beperking het
commercieel uitbaten van de handleiding of het geven of verkopen van exemplaren hiervan aan derden.
Software-updates
Ga naar de website www.raymarine.com voor de nieuwste softwareversie voor uw product.
Producthandleidingen
De nieuwste versies van alle Engelse en vertaalde handleidingen kunnen als PDF worden gedownload op www.raymarine.com.
Controleert u alstublieft de website om te zien of u de meest recente handleiding hebt.
Copyright ©2014 Raymarine UK Ltd. Alle rechten voorbehouden.
DUTCH
Document number: 81337-10
Date: 04-2014
Inhoud
Hoofdstuk 1 Belangrijke informatie..................... 9
Gecerticeerde installatie ............................................. 9
Reinigen ................................................................... 10
TFT-displays ............................................................. 10
Binnendringen van water............................................ 10
Disclaimers ............................................................... 10
Geheugen- en cartograekaarten ............................... 10
EMC-installatierichtlijnen ............................................ 11
RF-blootstelling ......................................................... 11
FCC.......................................................................... 11
Compliance-verklaring (deel 15.19)............................. 11
FCC Interferentieverklaring (Deel 15.105 (b)) .............. 11
Industry Canada ........................................................ 11
Industry Canada (Français) ........................................ 11
Japanse goedkeuringen ............................................. 12
Licentieovereenkomsten voor software van
derden ...................................................................... 12
Ontstoringsferrieten ................................................... 12
Aansluitingen aan andere apparatuur.......................... 12
Conformiteitsverklaring .............................................. 12
Verwijdering van het product ...................................... 12
Beleid pixel-defecten.................................................. 12
Registratie garantie.................................................... 12
IMO en SOLAS.......................................................... 12
Technische nauwkeurigheid........................................ 12
Hoofdstuk 2 Document- en productinforma-
tie .......................................................................... 13
2.1 Informatie over de handleiding .............................. 14
2.2 Productoverzicht .................................................. 15
2.3 Illustraties in de handleiding.................................. 17
2.4 Gebruikte regels voor de handleiding .................... 18
Hoofdstuk 3 De installatie plannen.................... 21
3.1 Systeemintegratie ................................................ 22
3.2 Installatiechecklist ................................................ 27
3.3 Systeemlimieten .................................................. 27
3.4 Overzicht Multipele gegevensbronnen
(MDS)....................................................................... 28
3.5 Het type van uw display vaststellen ....................... 28
3.6 Beperkingen voor netwerken................................. 29
3.7 Typische systemen............................................... 30
3.8 Protocollen .......................................................... 32
3.9 Datamaster.......................................................... 33
3.10 Meegeleverde onderdelen bij Nieuwe
a-serie ...................................................................... 33
3.11 Meegeleverde e7 / e7D-onderdelen..................... 34
3.12 Meegeleverde onderdelen Nieuwe c-serie en
Nieuwe e-serie .......................................................... 34
3.13 Benodigd gereedschap voor de installatie ............ 35
3.14 Een locatie selecteren ........................................ 35
Hoofdstuk 4 Kabels en aansluitingen................ 39
4.1 Algemene kabelleiding ......................................... 40
4.2 Overzicht aansluitingen ........................................ 41
4.3 Voedingsaansluiting Nieuwe a-serie .................. 42
4.4 Voedingsaansluiting Nieuwe c-serie en
Nieuwe e-serie .......................................................... 44
4.5 Netwerkverbindingen............................................ 46
4.6 GPS-verbinding ................................................... 53
4.7 AIS-verbinding ..................................................... 53
4.8 Verbinding voor snelle koersbepaling .................... 54
4.9 SeaTalk
ng
-verbindingen ........................................ 54
4.10 NMEA 2000-aansluiting ...................................... 55
4.11 SeaTalk-verbinding ............................................. 55
4.12 NMEA 0183-aansluiting ...................................... 56
4.13 a-serie naar NMEA 0183 DSC-
marifoonverbinding .................................................... 57
4.14 Camera-/videoverbinding.................................... 57
4.15 Camera/video in-uit-verbinding............................ 58
4.16 Aansluiting mediaspeler...................................... 59
4.17 Aansluiting Bluetooth-afstandsbediening.............. 60
4.18 Functies van de afstandsbediening...................... 62
4.19 WiFi-verbindingen .............................................. 64
Hoofdstuk 5 Montage .......................................... 65
5.1 Montage - Nieuwe a-serie..................................... 66
5.2 Montage - Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie........... 68
Hoofdstuk 6 Beginnen ........................................ 71
6.1 Voeding van het display........................................ 72
6.2 Bediening Nieuwe a-serie ..................................... 72
6.3 e7 / e7D-bediening............................................... 73
6.4 Bedieningen c95 / c97 / c125 / c127 / e95 / e97 /
e125 / e127 / e165..................................................... 73
6.5 Overzicht Home-venster displays met alleen
touchscreen .............................................................. 75
6.6 Overzicht Home-venster c-serie/e-serie............. 75
6.7 Pagina's .............................................................. 77
6.8 Toepassingen ...................................................... 79
6.9 Regelaars voor gesplitst scherm ........................... 80
6.10 Overzicht scherm ............................................... 81
6.11 Basisbediening touchscreen................................ 84
6.12 Multi-Touch-gebaren........................................... 85
6.13 Procedures voor eerste instelling......................... 85
6.14 Stuurautomaatbediening inschakelen .................. 87
6.15 Motoridenticatie................................................ 88
6.16 AIS-functies inschakelen..................................... 90
6.17 Software-updates ............................................... 90
Hoofdstuk 7 Systeemcontroles.......................... 93
7.1 GPS-controle ...................................................... 94
7.2 Radarcontrole ...................................................... 95
7.3 Sonarcontrole ...................................................... 96
7.4 Instellen en controleren van de thermische
camera ..................................................................... 97
Hoofdstuk 8 Displaygegevens beheren ............ 99
5
8.1 Geheugen- en cartograekaarten........................ 100
8.2 a-serie............................................................... 100
8.3 c- en e-serie ...................................................... 101
8.4 Gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen
opslaan................................................................... 102
8.5 Screenshots ...................................................... 106
8.6 Resetten van uw systeem................................... 106
Hoofdstuk 9 Document-viewer-
toepassing.......................................................... 107
9.1 Overzicht document-viewer................................. 108
Hoofdstuk 10 Stuurautomaatbediening ...........111
10.1 Stuurautomaatbediening....................................112
10.2 Stuurautomaabalk .............................................114
10.3 Instellingen stuurautomaat .................................115
10.4 Instellingen stuurautomaat .................................115
10.5 Statussymbolen voor stuurautomaat.................. 120
10.6 Alarmmeldingen stuurautomaat......................... 121
Hoofdstuk 11 Alarmmeldingen en Man
overboord-functies............................................ 123
11.1 Functie MOB (Man overboord) activeren............ 124
11.2 Alarmmeldingen ............................................... 125
Hoofdstuk 12 Integratie van DSC
VHF-radio ........................................................... 129
12.1 DSC-marifoon-integratie .................................. 130
12.2 DSC-marifoon-integratie inschakelen................. 130
Hoofdstuk 13 Brandstofmanager..................... 131
13.1 Overzicht brandstofmanager ............................ 132
Hoofdstuk 14 AIS-functie.................................. 135
14.1 Overzicht AIS................................................... 136
14.2 AIS-vereisten ................................................... 137
14.3 AIS-contextmenu.............................................. 137
14.4 AIS inschakelen ............................................... 138
14.5 Tonen van AIS-vectoren.................................... 138
14.6 AIS-statussymbolen ......................................... 139
14.7 AIS stille modus ............................................... 139
14.8 AIS-objectsymbolen ......................................... 140
14.9 Gedetailleerde AIS-objectinformatie
weergeven .............................................................. 141
14.10 Alle AIS-objecten bekijken............................... 141
14.11 AIS gebruiken om aanvaringen te
vermijden ................................................................ 142
14.12 Objectopties................................................... 143
14.13 AIS-alarmmeldingen ....................................... 144
14.14 Buddy's volgen............................................... 144
Hoofdstuk 15 Waypoints, Routes en
Tracks ................................................................. 147
15.1 Overzicht waypoints ........................................ 148
15.2 Routes............................................................. 156
15.3 Tracks ............................................................. 159
15.4 Importeren en exporteren ................................. 161
15.5 Opslagcapaciteit voor waypoints, routes en
tracks...................................................................... 161
Hoofdstuk 16 Kaarttoepassing......................... 163
16.1 Overzicht Kaart-toepassing............................... 164
16.2 Overzicht elektronische kaarten ........................ 165
16.3 Navigatie-opties ............................................... 168
16.4 Kaartbereik en draaiing..................................... 170
16.5 Kaart-selectie................................................... 170
16.6 Scheepspositie op de kaartweergave ................ 171
16.7 Kaartrichting .................................................... 171
16.8 Kaartbewegingsmodus ..................................... 172
16.9 Kaartweergaven............................................... 173
16.10 Kaartweergave............................................... 175
16.11 Lagen ............................................................ 176
16.12 Kaartvectoren ................................................ 181
16.13 Cartograsche objecten .................................. 182
16.14 Objectinformatie ............................................. 184
16.15 Diepte- & lijnopties ......................................... 187
16.16 Opties van Mijn gegevens............................... 189
16.17 Synchronisatie van meerdere kaarten.............. 189
16.18 Het meten van afstanden en peilingen ............. 190
Hoofdstuk 17 Fishnder-toepassing ............... 191
17.1 Hoe werkt de shnder ..................................... 192
17.2 Sonar-technologieën ........................................ 192
17.3 Raymarine sonarmodules ................................. 194
17.4 Overzicht Fishnder ......................................... 194
17.5 Ondersteuning voor meerdere
sonarmodules.......................................................... 195
17.6 Aangepaste kanalen......................................... 197
17.7 Het sonarbeeld ................................................ 198
17.8 Bereik.............................................................. 199
17.9 Scrollen van shnder ...................................... 200
17.10 Weergavemodi van de shnder ..................... 200
17.11 Opties presentatiemenu .................................. 202
17.12 Diepte en afstand ........................................... 203
17.13 Waypoints in de Fishnder-toepassing............. 204
17.14 Gevoeligheidsinstellingen ............................... 204
17.15 Fishnder-alarmmeldingen.............................. 208
17.16 Frequentie-afstemming ................................... 209
17.17 Menu-opties instellen echolood ........................211
17.18 Menu-opties voor transducer-
instellingen.............................................................. 212
17.19 De sonar resetten........................................... 213
Hoofdstuk 18 Radartoepassing........................ 215
18.1 Overzicht radar ................................................ 216
18.2 Statussymbolen radarscanner .......................... 217
18.3 Overzicht Radar-display.................................... 218
18.4 Kwaliteit radarbereik en -beeld .......................... 219
18.5 Objecten volgen ............................................... 221
18.6 Afstanden, bereik en peiling.............................. 224
18.7 Radarmodus en oriëntatie................................. 226
18.8 Menu-opties radarpresentatie............................ 228
6 a Series / c Series / e Series
18.9Afstemmen radar: versterkingsregelaars
op het scherm ......................................................... 231
18.10 Radaraanpassingen HD en SuperHD ............. 232
18.11 Aanpassingen non-HD digitale radomes........... 234
18.12 Radar gebruik bij Dual Range.......................... 236
18.13 Scansnelheid radar ........................................ 237
18.14 Radarinstellingenmenu ................................... 238
18.15 De radar resetten ........................................... 240
Hoofdstuk 19 Gegevenstoepassing................. 241
19.1 Overzicht gegevenstoepassing.......................... 242
19.2 Gegevenspagina's selecteren met behulp
van het Touchscreen................................................ 244
19.3
Gegevenspagina's selecteren..................... 244
19.4 De gegevenstoepassing aanpassen .................. 245
19.5 Motoridenticatie.............................................. 247
19.6 Scheepsgegevens instellen............................... 249
19.7 De maximale motor-RPM instellen..................... 249
19.8 Kleurthema ...................................................... 250
19.9 Eenheidsinstellingen ........................................ 251
19.10 Lijst met gegevensitems ................................. 252
19.11 De minimum en maximum metingen
resetten .................................................................. 259
19.12 Alle gegevenspagina's resetten ....................... 259
Hoofdstuk 20 Toepassing van de thermische
camera draai/kantel-camera's...................... 261
20.1 Overzicht van de toepassing thermische
camera. .................................................................. 262
20.2 Beeld van de thermische camera ...................... 262
20.3 Overzicht bediening.......................................... 263
20.4 Camerabesturing.............................................. 264
20.5 Beeldinstellingen.............................................. 266
20.6 Draai/kantel-camera nieuwe
camera-interface ..................................................... 268
20.7 Modi Hoog vermogen en Hoog koppel ............... 271
20.8 Draai/kantel-camera oude camera-
interface.................................................................. 272
Hoofdstuk 21 Toepassing van de thermische
camera vast gemonteerde camera's ........... 275
21.1 Overzicht van de toepassing thermische
camera. .................................................................. 276
21.2 Beeld van de thermische camera ...................... 276
21.3 Overzicht bediening.......................................... 277
21.4 Camerabesturing.............................................. 278
21.5 Beeldinstellingen.............................................. 278
21.6 Menu vast gemonteerde camera's..................... 280
Hoofdstuk 22 Cameratoepassing..................... 283
22.1 Overzicht cameratoepassing............................. 284
22.2 Camera roteren................................................ 285
22.3 Camera-/video-invoerkanalen een naam
geven ..................................................................... 286
22.4 Het videobeeld aanpassen................................ 286
22.5 De beeldverhouding selecteren......................... 287
22.6 Een locatie selecteren om opnamen op te
slaan....................................................................... 287
22.7 Opnemen en afspelen ...................................... 288
22.8 Foto's maken ................................................... 289
Hoofdstuk 23 Fusion link-toepassing.............. 291
23.1 Overzicht Fusion link ....................................... 292
23.2 Mediabronnen.................................................. 293
23.3 Door muziek bladeren ...................................... 295
23.4 De functies Willekeurige volgorde en Herhalen
selecteren. .............................................................. 295
23.5 Het volume voor iedere zone aanpassen ........... 296
23.6 De te bedienen zone selecteren ........................ 296
23.7 De toonregelaars instellen ................................ 297
23.8 Het te bedienen systeem selecteren .................. 297
23.9 Menuopties...................................................... 298
Hoofdstuk 24 Weertoepassing (alleen
Noord-Amerika). ................................................ 299
24.1 Overzicht weertoepassing................................. 300
24.2 Instellingen weertoepassing .............................. 300
24.3 Overzicht weertoepassingsweergave................. 301
24.4 Weerkaartnavigatie .......................................... 304
24.5 Weercontextmenu ............................................ 304
24.6 Weerinformatie................................................. 305
24.7 Weerrapporten................................................. 305
24.8 Bewegende weerbeelden ................................. 306
24.9 menu-opties van de weertoepassing.................. 307
24.10 Woordenlijst met weertermen .......................... 308
Hoofdstuk 25 Sirius Audio-toepassing
(alleen Noord-Amerika) ..................................... 311
25.1 Overzicht Sirius Audio ..................................... 312
Hoofdstuk 26 Mobiele toepassingen .............. 313
26.1 Raymarine mobiele apps .................................. 314
26.2 Wi-Fi inschakelen............................................. 315
26.3 Mobiele apps inschakelen................................. 315
26.4 Wi-Fi-beveiliging instellen ................................. 316
26.5 Een Wi-Fi-kanaal selecteren ............................. 316
Hoofdstuk 27 Uw display aan uw wensen
aanpassen.......................................................... 317
27.1 Taalkeuze ........................................................ 318
27.2 Scheepsgegevens............................................ 319
27.3 Eenheidsinstellingen ........................................ 320
27.4 Tijd- en datuminstellingen ................................. 321
27.5 Display-voorkeuren .......................................... 322
27.6 Overzicht gegevensbalk en gegevenska-
der.......................................................................... 324
27.7 Lijst met gegevensitems ................................... 325
27.8 Menu systeeminstellingen................................. 332
Hoofdstuk 28 Uw display onderhouden........... 345
28.1 Service en onderhoud ...................................... 346
28.2 Reinigen .......................................................... 346
7
Hoofdstuk 29 Probleemoplossing ................... 347
29.1 Probleemoplossing........................................... 348
29.2 Probleemoplossing inschakelen ........................ 349
29.3 Probleemoplossing radar .................................. 350
29.4 Probleemoplossing GPS................................... 351
29.5 Probleemoplossing sonar ................................. 352
29.6 Probleemoplossing thermische camera ............. 353
29.7 Probleemoplossing systeemgegevens ............... 354
29.8 Probleemoplossing video.................................. 355
29.9 Probleemoplossing WiFi ................................... 356
29.10 Probleemoplossing Bluetooth.......................... 357
29.11 Probleemoplossing Touchscreen ..................... 358
29.12 Uitlijning van het Touchscreen ......................... 359
29.13 Probleemoplossing diversen ........................... 360
Hoofdstuk 30 Technische ondersteu-
ning..................................................................... 361
30.1 Raymarine-klantenservice................................. 362
30.2 Ondersteuning voor producten van andere
fabrikanten .............................................................. 362
Hoofdstuk 31 Technische specicaties........... 363
31.1 a-serie............................................................. 364
31.2 c- en e-serie..................................................... 366
Hoofdstuk 32 Reserveonderdelen en
accessoires........................................................ 371
32.1 Transducer-accessoires.................................... 372
32.2 DownVision-transducers en -accessoires........... 372
32.3 Netwerkhardware ............................................. 373
32.4 Typen netwerkkabelconnectoren ...................... 373
32.5 Netwerkkabels ................................................. 374
32.6 Typen netwerkkabels........................................ 374
32.7 SeaTalk
ng
-kabelcomponenten ........................... 375
32.8 SeaTalk
ng
kabels en accessoires ....................... 375
32.9 SeaTalk-accessoires......................................... 376
32.10 Videokabels ................................................... 377
32.11 Reserveronderdelen a65 / a67 ........................ 377
32.12 Reserveonderdelen e7 e7D ............................ 378
32.13 Reserveonderdelen e95 / e97 / c95 /
c97 ......................................................................... 378
32.14 Reserveonderdelen e125 / e127 / c125 /
c127 ....................................................................... 379
32.15 Reserveonderdelen e165................................ 379
Annexes A NMEA 0183-regels.......................... 381
Annexes B NMEA-gegevensbridging .............. 382
Annexes C NMEA 2000-zinnen......................... 383
Annexes D Connectoren en pinverbindin-
gen ...................................................................... 385
Annexes E Schakelpaneeltoepassing ............. 386
Annexes F Softwareversies.............................. 388
8 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 1: Belangrijke
informatie
Gecerticeerde installatie
Raymarine beveelt een gecerticeerde installatie aan
door een door Raymarine goedgekeurde installateur.
Gecerticeerde installatie geeft het recht op uitgebreide
productgarantievoordelen. Raadpleeg voor verdere informatie
uw Raymarine-dealer en raadpleeg de aparte garantiekaart die
bij uw product ingesloten is.
Waarschuwing: Productinstallatie
en -bediening
Deze apparatuur dient geïnstalleerd en bediend te
worden volgens de verschafte richtlijnen. Worden
deze niet in acht genomen, dan kan dat leiden
tot persoonlijk letsel, schade aan uw schip en/of
slechte productprestaties.
Waarschuwing: Potentiële
ontstekingsbron
Dit product is NIET goedgekeurd voor gebruik in
een gevaarlijke/brandbare omgeving. Installeer
dit product NIET in een gevaarlijke/brandbare
omgeving (zoals een machinekamer of in de buurt
van brandstoftanks).
Waarschuwing: Hoogspanning
Dit product bevat hoogspanning. U mag de
behuizing van het display NIET verwijderen om bij
interne componenten te komen, tenzij dat in deze
handleiding uitdrukkelijk gevraagd wordt.
Waarschuwing: Productaarding
Voordat u dit product aansluit op de voeding, moet
u zich ervan verzekeren dat het op de juiste manier
is geaard, in overeenstemming met de instructies
in deze handleiding.
Waarschuwing: Uitschakelen van
de voeding
Zorg ervoor dat de voeding van het schip UIT is
geschakeld voordat u begint met het installeren
van dit product. Verbind of ontkoppel apparatuur
NIET wanneer het is ingeschakeld, tenzij anders
wordt geïnstrueerd in het document.
Waarschuwing: FCC-waarschuwing
(Deel 15.21)
Wijzigingen of aanpassingen aan deze apparatuur
die niet uitdrukkelijk zijn goedgekeurd door
Raymarine Incorporated kunnen een overtreding
vormen van de FCC-richtlijnen en de vergunning
van de gebruiker om de apparatuur te gebruiken
ongeldig maken.
Waarschuwing: Veiligheid
radarscanner
Voordat u de radarscanner laat draaien, dient alle
personeel daar uit de buurt te zijn.
Waarschuwing: Veiligheid
radartransmissie
De radarscanner geeft elektromagnetische energie
af. Zorg dat al het personeel uit de buurt van de
scanner is als de radar aan het werk is.
Waarschuwing: Sonargebruik
Gebruik de sonar NOOIT wanneer het schip niet
in het water ligt.
Raak de voorkant van de transducer NOOIT aan
wanneer de sonar is ingeschakeld.
SCHAKEL de sonar UIT als er kans is op duikers
binnen een afstand van 7,6 m (25 ft) van de
transducer.
Waarschuwing: Temperatuur van
het touchscreen-display
Als het display bovendeks is gemonteerd, op een
plaats waar hij langdurig is blootgesteld aan direct
zonlicht, kan het touchscreen erg heet worden.
Raymarine adviseert in dergelijke omstandigheden
geen gebruik te maken van het touchscreen:
Voor HybridTouch-displays gebruikt u in plaats
daarvan de fysieke knoppen van de unit.
Voor displays met alleen touchscreen gebruikt
u in plaats daarvan een extern toetsenbord
(bijvoorbeeld de RMK-9).
Waarschuwing: Touchscreen-
display
Blootstelling aan langdurige regen kan ertoe leiden
dat het touchscreen niet meer correct werkt,
beperk daarom het gebruik van het touchscreen in
dergelijke situaties tot het minimum en veeg het
scherm af met een droge, niet schurende doek
voordat u het gebruikt.
Let op: Transducerkabel
U mag de transducerkabel NIET onderbreken,
inkorten of splitsen.
U mag de connector NIET verwijderen.
Als de kabel is onderbroken kan hij niet meer
worden gerepareerd. Door het onderbreken van de
kabel komt ook de garantie te vervallen.
Let op: Zekering energievoorzie-
ning
Zorg bij de installatie van dit product dat de
voedingsbron afdoende gezekerd is door
middel van een zekering of automatische
stroomonderbreker met het geschikte vermogen.
Belangrijke informatie
9
Let op: Onderhoud van cartograe-
en geheugenkaarten
Om onherstelbare schade aan en/of verlies van
gegevens van de cartograe- en geheugenkaarten
te voorkomen:
Sla GEEN gegevens of bestanden op naar een
kaart die cartograebestanden bevat, omdat
deze kunnen worden overschreven.
Zorg ervoor dat de cartograe- en
geheugenkaarten op de juiste manier zijn
geplaatst. Probeer een kaart NIET met kracht
op zijn plaats te duwen.
Gebruik GEEN metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier of pincet om een cartograe-
of geheugenkaart te plaatsen of te verwijderen.
Let op: Zorg ervoor dat het
cartograeklepje goed dicht zit.
Om te voorkomen dat er water in het product komt
en deze daardoor beschadigd raakt dient u het
klepje goed te sluiten.
Let op: Zonnekappen
Om uw product te beschermen tegen de
schadelijke effecten van ultraviolette (UV-)
straling dient u altijd de zonnekappen te plaatsen
wanneer u uw product niet gebruikt.
Verwijder de zonnekappen wanneer u met
hoge snelheid vaart, of dit nu op het water is of
wanneer het schip over de weg wordt vervoerd.
Reinigen
Goed reinigingsgewoontes.
Als u dit product reinigt:
Veeg het displayscherm NIET af met een droge doek,
aangezien dit krassen kan veroorzaken op de coating.
Gebruik GEEN schurende of op zuren of ammonia gebaseerde
producten.
Gebruik GEEN hogedrukspuit.
TFT-displays
Het kan lijken alsof de kleuren van het display veranderen
tegen een gekleurde achtergrond of in gekleurd licht. Dit is
een absoluut normaal effect dat kan optreden bij alle Thin Film
Transistor (TFT)-displays.
Binnendringen van water
Disclaimer voor binnendringen van water
Hoewel de waterbestendigheidsclassicatie van dit product
conform de vermelde IPX-norm is (raadpleeg de Technische
specicaties van het product), kan water indringen en vervolgens
de apparatuur onklaar maken wanneer het product met een
hogedrukreiniger wordt schoongemaakt. Raymarine staat
niet garant voor producten die onder hoge druk worden
schoongemaakt.
Disclaimers
Dit product (met inbegrip van de elektronische kaarten)
is alleen bedoeld als hulpmiddel bij het navigeren. Het
is ontworpen als hulpmiddel bij het gebruik van ofciële
overheidskaarten, niet als vervanging daarvan. Alleen ofciële
overheidskaarten en mededelingen voor zeevarenden bevatten
alle actuele informatie die nodig is voor veilige navigatie. De
kapitein is verantwoordelijk voor zorgvuldig gebruik hiervan.
De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het gebruik van
ofciële overheidskaarten, mededelingen aan zeevarenden,
voorzichtigheid en deskundigheid op het gebied van navigatie
bij de bediening van dit of enig ander Raymarine-product.
Dit product ondersteunt elektronische kaarten van andere
leveranciers die kunnen zijn opgenomen of opgeslagen op een
geheugenkaart. Op het gebruik van dergelijke kaarten is de
Eindgebruikersovereenkomst van de leverancier van toepassing,
vervat in de documentatie voor dit product of meegeleverd met
de geheugenkaart (zoals van toepassing).
Raymarine garandeert niet dat dit product vrij is van fouten of
dat deze te combineren is met producten die gefabriceerd zijn
door personen of entiteiten anders dan Raymarine.
Dit product gebruikt digitale-kaartgegevens en elektronische
informatie van het Global Positioning System (GPS), welke
fouten kunnen bevatten. Raymarine kan de nauwkeurigheid van
dergelijke informatie niet garanderen; u dient te weten dat fouten
in dergelijke informatie de oorzaak kunnen zijn dat het product
niet of niet correct werkt. Raymarine is niet aansprakelijk voor
schade of letsel veroorzaakt door uw gebruik of onbekwaamheid,
door interactie van het product met producten die door anderen
gefabriceerd zijn of voor fouten in kaartgegevens of informatie
die door het product gebruikt worden en door derden verstrekt
zijn.
Geheugen- en cartograekaarten
U kunt MicroSD-geheugenkaarten gebruiken om een
back-up/archiefbestand te maken (bijv. waypoints en tracks).
Nadat een back-up van gegevens is opgeslagen op een
geheugenkaart, kunnen de oude gegevens van het systeem
worden gewist, waardoor ruimte wordt vrijgemaakt voor nieuwe
gegevens. De gearchiveerde gegevens kunnen op ieder
moment worden teruggezet. Cartograsche kaartmodules geven
aanvullende of bijgewerkte cartograsche informatie.
Aanbevolen wordt regelmatig een back-up van uw gegevens te
maken op een geheugenkaart. Sla GEEN gegevens op op een
geheugenkaart die cartograegegevens bevat.
Compatibele kaarten
De volgende soorten MicroSD-kaarten zijn compatibel met uw
display:
Micro Secure Digital Standard-Capacity (MicroSDSC)
Micro Secure Digital High-Capacity (MicroSDHC)
Opmerking:
De maximale geheugenkaartcapaciteit die wordt
ondersteund is 32 GB.
MicroSD-kaarten moeten zijn geformatteerd voor het FAT-
of FAT 32-bestandssysteem om met uw MFD te kunnen
worden gebruikt.
Snelheidsklasse
Voor de beste prestaties wordt u geadviseerd geheugenkaarten
van klasse 10 of UHS (Ultra High Speed) te gebruiken.
Cartograe
Uw product is voorgeladen met elektronische cartograe
(wereldwijde basiskaart). Als u andere cartograegegevens wilt
gebruiken, kunt u compatibele kaarten met cartograe in de
geheugenkaartlezer van de unit plaatsen.
Gebruik alleen cartograe- en geheugenkaarten van
bekende merken
Wanneer u gegevens archiveert of een elektronische
cartograekaart maakt adviseert Raymarine gebruik te maken
van geheugenkaarten van kwaliteitsmerken. Het kan zijn dat
sommige geheugenkaartmerken niet werken in uw unit. Neemt
u alstublieft contact op met de klantenservice voor een lijst met
aanbevolen kaarten.
10 a Series / c Series / e Series
EMC-installatierichtlijnen
Apparatuur en accessoires van Raymarine voldoen aan de
toepasselijke regels voor Elektromagnetische Compatibiliteit
(EMC) om elektromagnetische interferentie tussen apparatuur
en het effect daarvan op de prestaties van uw systeem te
minimaliseren.
Correcte installatie is vereist om te garanderen dat
EMC-prestaties niet nadelig worden beïnvloed.
Opmerking: In gebieden met extreme EMC-interferentie,
kan enige lichte interferentie worden waargenomen op het
product. Wanneer dit gebeurt, dient de afstand tussen het
product en de bron van de interferentie te worden vergroot.
Voor optimale EMC-prestaties adviseren wij waar mogelijk om:
Raymarine-apparatuur en daaraan aangesloten kabels:
ten minste 1 m (3 ft) verwijderd te houden van apparatuur
of kabels die radiosignalen verzenden of dragen, zoals
marifoons, kabels en antennes. In het geval van SSB-radio's
dient u de afstand te vergroten tot 2 m (7 ft).
meer dan 2 m (7 ft) verwijderd te houden van de baan van
een radarstraal. Een radarstraal wordt normaal gesproken
tot 20 graden boven en onder het stralingselement
verspreid.
Het product te voeden via een andere accu dan de accu die
wordt gebruikt voor het starten van de motor. Dit is van belang
voor het voorkomen van fouten en verlies van gegevens,
hetgeen kan optreden als de motor niet met een aparte accu
wordt gestart.
Kabels te gebruiken volgens specicaties van Raymarine.
Kabels niet af te snijden of te verlengen, tenzij dit in de
installatiehandleiding nauwkeurig wordt beschreven.
Opmerking: Waar beperkingen met betrekking tot de
installatie een van de bovenstaande aanbevelingen
belemmeren, dient u altijd de grootst mogelijke afstand
tussen verschillende elektronische apparaten te garanderen
om zodoende de best mogelijke omstandigheden voor
EMC-prestaties te creëren in de gehele installatie.
RF-blootstelling
Deze zender met antenne is ontworpen conform de FCC / IC
RF-blootstellingslimieten voor menselijke / niet gecontroleerde
blootstelling. De WiFi-/Bluetooth-antenne is gemonteerd achter
de afdekplaat aan de voorkant, aan de linkerkant van het
scherm. Aanbevolen wordt een veilige afstand aan te houden
van minimaal 1 cm vanaf de linkerkant van het scherm.
FCC
Compliance-verklaring (deel 15.19)
Dit apparaat voldoet aan deel 15 van de FCC-richtlijnen.
Het mag alleen worden gebruikt onder de volgende twee
voorwaarden:
1. Dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken.
2. Het apparaat moet alle eventuele ontvangen interferentie
accepteren, waaronder interferentie die ongewenste werking
veroorzaakt.
FCC Interferentieverklaring (Deel
15.105 (b))
Deze apparatuur is getest en voldoet aan de normen voor
een digitaal apparaat klasse B, conform deel 15 van de
FCC-richtlijnen.
Deze normen zijn vastgesteld om een redelijke mate van
bescherming te bieden tegen schadelijke interferentie bij
installatie in woningen. Dit apparaat genereert en gebruikt
radiofrequenties en kan deze uitstralen en kan, wanneer het
niet is geïnstalleerd overeenkomstig de instructies, schadelijke
interferentie veroorzaken. Er is echter geen garantie dat er
geen sprake zal zijn van interferentie in een bepaalde installatie.
Als dit apparaat schadelijke interferentie veroorzaakt aan
radio- of televisieontvangst, wat kan worden vastgesteld door
het apparaat uit en in te schakelen, wordt aanbevolen dat de
gebruiker probeert de interferentie te corrigeren met één van de
volgende maatregelen:
1. Richt de ontvangstantenne anders of zet hem op een
andere plek.
2. Verhoog de afstand tussen het apparaat en de ontvanger.
3. Verbind het apparaat met een uitgang van een ander
elektrisch circuit dan die waarop de ontvanger is
aangesloten.
4. Raadpleeg de dealer of een ervaren radio-/TV-technicus
voor advies.
Industry Canada
Dit apparaat voldoet aan de Industry Canada License-exempt
RSS standard(s).
Het mag alleen worden gebruikt onder de volgende twee
voorwaarden:
1. Het apparaat mag geen interferentie veroorzaken en
2. Het apparaat moet alle eventuele ontvangen interferentie
accepteren, waaronder interferentie die ongewenste werking
van het apparaat veroorzaakt.
Dit digitale apparaat klasse B voldoet aan Canadian ICES-003.
Industry Canada (Français)
Cet appareil est conforme aux normes d'exemption de licence
RSS d'Industry Canada.
Son fonctionnement est soumis aux deux conditions suivantes:
1. cet appareil ne doit pas causer d'interférence, et
2. cet appareil doit accepter toute interférence, notamment les
interférences qui peuvent affecter son fonctionnement.
Cet appareil numérique de la classe B est conforme à la norme
NMB-003 du Canada.
Belangrijke informatie
11
Japanse goedkeuringen
Binnen de voor dit apparaat gebruikte frequentieband worden ook
campusradiostations (radiostations waarvoor een licentie vereist is) en
gespeciceerde laag vermogen-radiostations (radiostations waarvoor
geen licentie vereist is) voor mobiele identicatie en amateurradiostations
(radiostations waarvoor een licentie vereist is) gebruikt in sectoren zoals
magnetronovens, wetenschap, medische apparatuur en productielijnen
van andere fabrieken.
1. Voordat u dit apparaat gebruikt, dient u ervoor te zorgen dat
er in de buurt geen campusradiostations en gespeciceerde
laag vermogen-radiostations voor mobiele identicatie en
amateurradiostations worden gebruikt.
2. Wanneer er sprake van is dat dit apparaat schadelijke interferentie
voor campusradiostations voor mobiele identicatie veroorzaakt,
wijzig dan alstublieft direct de gebruikte frequentie of stop met het
uitzenden van radiogolven en vraag advies over maatregelen voor het
voorkomen van interferentie (bijvoorbeeld het installeren van partities)
via de hieronder vermelde contactinformatie.
3. Daarnaast dient u in het geval van problemen, bijvoorbeeld wanneer
er sprake van is dat dit apparaat schadelijke interferentie voor
gespeciceerde laag vermogen-radiostations voor mobiele identicatie
of amateurradiostations veroorzaakt, advies te vragen via de
onderstaande contactinformatie.
Contactinformatie: neemt u alstublieft contact op met uw plaatselijke
geautoriseerde Raymarine-dealer.
Licentieovereenkomsten voor
software van derden
Dit product valt onder bepaalde licentieovereenkomsten voor
software van derden, zoals hieronder wordt opgesomd:
GNU LGPL/GPL
JPEG-bibliotheken
OpenSSL
FreeType
De licentieovereenkomstigen voor de bovenstaande onderdelen
kunt u terugvinden op de website www.raymarine.com en
wanneer meegeleverd op de begeleidende documentatie-CD.
Ontstoringsferrieten
Raymarine-kabels kunnen zijn voorzien van ontstoringsferrieten.
Deze zijn belangrijk voor correcte EMC-werking. Als een ferriet
om welke reden dan ook dient te worden verwijderd (bijv.
installatie of onderhoud), moet hij op zijn oorspronkelijke plaats
worden teruggezet voordat het product wordt gebruikt.
Gebruik alleen ferrieten van het juiste type, geleverd door
geautoriseerde Raymarine-dealers.
Wanneer er voor een installatie meerdere ferrieten moeten
worden geplaatst op een kabel, dan moeten extra kabelklemmen
worden gebruikt om te voorkomen dat de connectoren te zwaar
worden belast door het extra gewicht van de kabel.
Aansluitingen aan andere apparatuur
Vereiste voor ferrieten op niet-Raymarine-kabels
Als Raymarine-apparatuur aangesloten moet worden op andere
apparatuur met een kabel die niet door Raymarine geleverd is,
MOET altijd een ontstoringsferriet geplaatst worden op de kabel
bij het Raymarine-apparaat.
Conformiteitsverklaring
Raymarine UK Ltd. verklaart dat dit product voldoet aan de
essentiële vereisten van R&TTE-richtlijn 1999/5/EG.
De originele Conformiteitsverklaring kunt u bekijken op de
betreffende productpagina op www.raymarine.com.
Verwijdering van het product
Verwijder dit product in overeenstemming met de
AEEA-richtlijnen.
De richtlijn Afval van Elektrische en Elektronische
Apparatuur (AEEA) vereist de recycling van afval van elektrische
en elektronische apparaten. Hoewel de AEEA Richtlijn niet van
toepassing is op een aantal Raymarine producten, steunen
wij dit beleid en verzoeken u dit product in overeenstemming
hiermee te verwijderen.
Beleid pixel-defecten
Zoals bij alle TFT-units kan het scherm een paar verkeerd
verlichte ("dode") pixels vertonen. Deze zien eruit als zwarte
pixels in een lichte omgeving op het scherm of als gekleurde
pixels in een zwarte omgeving.
Wanneer uw display MEER dan het toegestane aantal verkeerd
verlichte pixels weergeeft (raadpleeg de Technische specicaties
van het product voor informatie) verzoeken wij u contact op te
nemen met uw plaatselijke Raymarine-servicecentrum voor
advies.
Registratie garantie
Om uw Raymarine-product te registreren gaat u naar
www.raymarine.com en registreert u online.
Het is van belang dat u uw product registreert om volledig
gebruik te kunnen maken van alle garantievoordelen. In uw
verpakking zit een barcode-etiket waarop het serienummer van
de unit vermeld staat. U hebt dit serienummer nodig om uw
product online te registreren. U dient het etiket voor later gebruik
te bewaren.
IMO en SOLAS
De apparatuur die in dit document beschreven wordt, is bedoeld
voor recreatieve maritieme- en werkvaartuigen welke niet vallen
onder de International Maritime Organization (IMO) en Safety of
Life at Sea (SOLAS) Carriage regelgeving.
Technische nauwkeurigheid
De informatie in dit document was bij het ter perse gaan
naar ons beste weten correct. Raymarine is echter niet
aansprakelijk voor eventuele onnauwkeurigheden of omissies.
Daarnaast kunnen specicaties volgens ons principe van
continue productverbetering zonder voorafgaande opgave
gewijzigd worden. Raymarine kan daarom niet aansprakelijk
worden gesteld voor eventuele verschillen tussen het
product en dit document. Raadpleeg de Raymarine website
(www.raymarine.com) om na te gaan of u de meest recente
versie(s) hebt van de documentatie voor uw product.
12
a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 2: Document- en productinformatie
Inhoudsopgave
2.1 Informatie over de handleiding op pagina 14
2.2 Productoverzicht op pagina 15
2.3 Illustraties in de handleiding op pagina 17
2.4 Gebruikte regels voor de handleiding op pagina 18
Document- en productinformatie
13
2.1 Informatie over de handleiding
Deze handleiding bevat belangrijke informatie over uw
multifunctionele display.
De handleiding is van toepassing op de volgende derde
generatie Raymarine multifunctionele displays:
a-serie
c-serie
e-serie
Over deze handleiding
In deze handleiding wordt de bediening van uw multifunctionele
display beschreven, in combinatie met compatibele elektronische
cartograe en randapparatuur.
Er wordt vanuit gegaan uit dat alle randapparatuur die moet
worden bediend, compatibel is en correct is geïnstalleerd. Deze
handleiding is bedoeld voor gebruikers met uiteenlopende
ervaring, maar gaat uit van een algemeen kennisniveau voor
wat betreft gebruik van het display, nautische terminologie en
ervaring.
Softwareversie
Raymarine brengt regelmatig nieuwe versies uit de van de
productsoftware met nieuwe functies en verbeteringen voor de
bestaande functies.
Release 10
Deze handleiding heeft betrekking op multifunctionele
display met softwareversie LightHouse II versie 10.
Raadpleeg het hoofdstuk Softwareversies voor meer
informatie over softwareversies.
Ga naar de Raymarine-website om er zeker van te zijn dat
u de meest recente software en gebruikershandleidingen
hebt. www.raymarine.nl.
Handleidingen
De volgende handboeken hebben betrekking op uw
multifunctionele display:
Handleidingen
Alle documenten kunnen als PDF worden gedownload via
www.raymarine.nl
Handleidingen a-serie
Omschrijving Artikelnummer
Montagehandleiding en startersgids
a-serie
88012
Installatie- en gebruikshandleiding
a-serie/c-serie/e-serie
81337
Montagemal a6x 87165
Montagemal a7x 87191
Handleidingen c-serie
Omschrijving Artikelnummer
Montagehandleiding en startersgids
c-serie/e-serie
88001
Installatie- en gebruikshandleiding
a-serie/c-serie/e-serie
81337
Montagemal e95 / e97 / c95 / c97
87144
Montagemal e125 / e127 / c125 /
c127
87145
Handleidingen e-serie
Omschrijving Artikelnummer
Montagehandleiding en startersgids
e7/e7D
88011
Montagehandleiding en startersgids
c-serie/e-serie
88001
Installatie- en gebruikshandleiding
a-serie/c-serie/e-serie
81337
Montagemal e7 / e7D
87137
Montagemal e95 / e97 / c95 / c97
87144
Montagemal e125 / e127 / c125 /
c127
87145
Montagemal e165 87166
Aanvullende handleidingen
Omschrijving Artikelnummer
SeaTalk
ng
-gebruikershandleiding
81300
Print Shop voor gebruikershandleidingen
Raymarine heeft een Print Shop-service, waar u een
professioneel afgedrukte gebruikershandleiding van hoge
kwaliteit van uw Raymarine-product kunt aanschaffen.
Gedrukte handleidingen zijn ideaal om aan boord van uw schip
te bewaren, als handig referentiemateriaal wanneer u hulp nodig
hebt bij uw Raymarine-product.
Breng een bezoek aan http://www.rayma-
rine.co.uk/view/?id=5175 om een gedrukte handleiding
te bestellen en bij u te laten aeveren.
Voor meer informatie over de Print Shop gaat u naar
de FAQ-pagina's van de Print Shop: http://www.rayma-
rine.co.uk/view/?id=5751.
Opmerking:
U kunt voor de gedrukte handleidingen betalen met
creditcard en PayPal.
Gedrukte handleidingen kunnen wereldwijd worden
verstuurd.
Er worden de komende maanden steeds meer
handleidingen toegevoegd aan de Print Shop, zowel van
nieuwe producten als van oudere producten.
Raymarine-gebruikershandleidingen kunnen ook gratis
worden gedownload vanaf de Raymarine-website, in het
populaire PDF-formaat. Deze PDF-bestanden kunt u
openen op een PC/laptop, tablet, smartphone, of op de
nieuwste generatie Raymarine multifunctionele displays.
14
a Series / c Series / e Series
2.2 Productoverzicht
a6x-displaymodellen
a6x multifunctionele displays zijn beschikbaar in de volgende
modellen:
Model zonder
sonar
a65
(E70076)
a65 WiFi
(E70162)
Model met sonar a67
(E70077)
a67 WiFi
(E70163)
DownVision-
model
a68
(E70206)
a68 WiFi
(E70207)
Kenmerken Bluetooth
Interne GPS
Bluetooth
Interne GPS
WiFi
Bediening
Multi-Touch-
touchscreen
(HybridTouch wanneer
gekoppeld met een
toetsenbord op afstand.)
Multi-Touch-
touchscreen
(HybridTouch wanneer
gekoppeld met een
toetsenbord op afstand.)
a7x-displaymodellen
a7x multifunctionele displays zijn beschikbaar in de volgende
modellen:
Model zonder
sonar
a75
(E70164)
a75 WiFi
(E70166)
Model met sonar
a77
(E70165)
a77 WiFi
(E70167)
DownVision-
model
a78
(E70208)
a78 WiFi
(E70209)
Kenmerken Bluetooth
Interne GPS
Bluetooth
Interne GPS
WiFi
Bediening
Multi-Touch-
touchscreen
(HybridTouch wanneer
gekoppeld met een
toetsenbord op afstand.)
Multi-Touch-
touchscreen
(HybridTouch wanneer
gekoppeld met een
toetsenbord op afstand.)
Document- en productinformatie
15
c-serie en e serie display-modellen
De volgende c-serie en e-serie multifunctionele displaymodellen zijn beschikbaar:
Zonder
sonar Sonar Serie Bediening Kenmerken
e7
(E62354)
e7D
(E62355)
e-serie
HybridTouch
(Touchscreen en fysieke
knoppen)
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Interne GPS.
Video-ingang.
c95
(E70011)
c97
(E70012)
c-serie
Alleen fysieke
knoppen
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Interne GPS.
Video-ingang.
e95
(E70021)
e97
(E70022)
e-serie
HybridTouch
(Touchscreen en fysieke
knoppen)
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Interne GPS.
Video-ingang x2.
Video-uitgang.
c125
(E70013)
c127
(E70014)
c-serie
Alleen fysieke
knoppen
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Interne GPS.
Video-ingang.
e125
(E70023)
e127
(E70024)
e-serie
HybridTouch
(Touchscreen en fysieke
knoppen)
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Interne GPS.
Video-ingang x2.
Video-uitgang.
e165
(E70025)
NVT e-serie
HybridTouch
(Touchscreen en fysieke
knoppen)
Bluetooth.
WiFi
NMEA 0183
NMEA 2000 (via SeaTalk
ng
)
Video-ingang x2.
Video-uitgang.
Overzicht HybridTouch
Als uw multifunctionele display beschikt over HybridTouch,
kunt u de unit bedienen met behulp van het touchscreen en de
fysieke knoppen.
Een HybridTouch-display heeft fysieke knoppen die naast het
touchscreen kunnen worden gebruikt. Multifunctionele displays
met alleen touchscreen (die geen fysieke knoppen hebben)
kunnen worden aangesloten met HybridTouch-functionaliteit.
U kunt alle functies starten met behulp van het touchscreen.
Er zijn echter situaties (bijvoorbeeld ruwe zee) waarin u het
touchscreen liever niet gebruikt. In dergelijke omstandigheden
adviseert Raymarine de Touch-vergrendeling in te schakelen en
de fysieke knoppen te gebruiken om uw multifunctionele display
te bedienen.
16 a Series / c Series / e Series
Overzicht Touchscreen
Het touchscreen biedt een alternatief voor het gebruik van de
fysieke knoppen voor het bedienen van uw multifunctionele
display.
U kunt alle functies starten met behulp van het touchscreen
Opmerking: Raymarine beveelt u ten zeerste aan dat
u zichzelf vertrouwd maakt met het bedienen van het
Touchscreen wanneer uw schip voor anker of aangemeerd
ligt. U kunt in dergelijke situaties gebruik maken van de
simulatormodus (toegankelijk vanuit het Home-venster >
Instellingen > Systeeminstellingen).
2.3 Illustraties in de handleiding
De illustraties en screenshots in deze handleiding kunnen
enigszins afwijken van uw display-model.
De illustratie van het multifunctionele display hieronder wordt
in de hele handleiding gebruikt en kan, tenzij anders vermeld,
worden toegepast op alle 3de generatie modellen Raymarine
multifunctionele displays (d.w.z. a-serie, c-serie en e-serie).
D12596-1
Document- en productinformatie
17
2.4 Gebruikte regels voor de handleiding
De volgende regels zijn in deze handleiding gebruikt wanneer wordt gerefereerd aan:
Type Voorbeeld Regel
PictogrammenDe term "selecteren" wordt gebruikt voor acties met pictogrammen en
heeft betrekking op het selecteren van een pictogram op het scherm, óf
door deze aan te raken, óf met behulp van fysieke knoppen.
Aanraken druk met uw vinger op het pictogram om hem te
selecteren.
Fysieke knoppen gebruik de Joystick om het pictogram te
markeren en druk op de OK-knop.
De term "selecteren" wordt gebruikt voor acties met menu's en heeft
betrekking op het selecteren van een menu-item, óf door deze aan te
raken, óf met behulp van fysieke knoppen.
Aanraken druk met uw vinger op het pictogram om hem te
selecteren.
Fysieke knoppen gebruik de Joystick om het pictogram te
markeren en druk op de OK-knop.
Menu's
De term "scroll" wordt gebruikt voor acties met menu's en dialoogvensters
en heeft betrekking op het scrollen door een lijst of menu, óf door deze aan
te raken, óf met behulp van fysieke knoppen.
Aanraken druk met uw vinger op het menu en beweeg naar boven
of naar beneden om te scrollen.
Fysieke knoppen draai met de klok mee of tegen de klok in om
te scrollen.
.
Toepassingen
De term "selecteren" wordt gebruikt voor acties met toepassingen en heeft
betrekking op het selecteren van een locatie of object op het scherm, óf
door deze aan te raken, óf met behulp van fysieke knoppen.
Aanraken druk met uw vinger op een locatie en houd hem vast om
te selecteren, of
Aanraken druk met uw vinger op een object en laat hem los.
Fysieke knoppen gebruik de Joystick om de locatie of het object te
markeren en druk op de OK-knop.
Numerieke regelaarsDe term aanpassen wordt gebruikt in procedures met numerieke
regelaars en heeft betrekking op het veranderen van de numerieke waarde
met behulp van het touchscreen of fysieke knoppen:
Aanraken druk met uw vinger op de pijl naar boven of naar beneden
om de numerieke waarde te verhogen of te verlagen.
Fysieke knoppen gebruik de Draaiknop om de numerieke waarde
te verhogen of te verlagen.
Wanneer de numerieke regelaar wordt weergegeven kunt u ook het
toetsenbord-pictogram selecteren of op de OK-knop drukken en deze
vast te houden om een numeriek toetsenbord te openen en een nieuwe
waarde voor de instelling in te voeren.
SchuifbalkregelaarsDe term aanpassen wordt gebruikt in procedures met schuifbalkregelaars
en heeft betrekking op het veranderen van de bijbehorende numerieke
waarde met behulp van het touchscreen of fysieke knoppen:
Aanraken druk met uw vinger op de pijl naar boven of naar beneden
om de numerieke waarde te verhogen of te verlagen.
Fysieke knoppen gebruik de Draaiknop om de numerieke waarde
te verhogen of te verlagen.
18 a Series / c Series / e Series
Waypoint (MOB)-knop/-pictogram
Afhankelijk van het model multifunctionele display heeft u een
Waypoint (MOB)-knop of een pictogram op het scherm.
WPT-knop c-serie
e-serie
RMK-9-toetsenbord
WPT-picto-
grammen
a-serie
gS-serie
In deze handleiding staat de term: Selecteer WPT voor het
indrukken van de fysieke WPT-knop of het indrukken van het
WPT-pictogram op het scherm.
Bediening met en zonder touchscreen
Deze handleiding is van toepassing op zowel touchscreen-
bediening als bediening zonder touchscreen.
Deze handleiding maakt gebruik van pictogrammen om te
laten zien of een bepaalde actie speciek betrekking heeft op
touchscreen of niet. Wanneer een taak niet voorzien is van een
touch- of non-touch-pictogram, kan de actie met beiden worden
uitgevoerd
Touch (touchscreen-bediening) touch-acties
zijn van toepassing op multifunctionele displays
die een touchscreen hebben.
Non-touch (bediening met fysieke knoppen)
non-touch-acties zijn van toepassing op
multifunctionele displays met fysieke knoppen
of multifunctionele displays waarop een
toetsenbord op afstand is aangesloten en
gekoppeld.
Document- en productinformatie
19
20 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 3: De installatie plannen
Inhoudsopgave
3.1 Systeemintegratie op pagina 22
3.2 Installatiechecklist op pagina 27
3.3 Systeemlimieten op pagina 27
3.4 Overzicht Multipele gegevensbronnen (MDS) op pagina 28
3.5 Het type van uw display vaststellen op pagina 28
3.6 Beperkingen voor netwerken op pagina 29
3.7 Typische systemen op pagina 30
3.8 Protocollen op pagina 32
3.9 Datamaster op pagina 33
3.10 Meegeleverde onderdelen bij Nieuwe a-serie op pagina 33
3.11 Meegeleverde e7 / e7D-onderdelen op pagina 34
3.12 Meegeleverde onderdelen Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie op pagina 34
3.13 Benodigd gereedschap voor de installatie op pagina 35
3.14 Een locatie selecteren op pagina 35
De installatie plannen
21
3.1 Systeemintegratie
Uw multifunctionele display is compatibel met een groot aantal maritieme elektronica-apparaten.
1 2 8
5 6
73
16
109 11 12 13 15
4
1817
19
20
21 22
23
24
D12244-4
14
0
0
0
0
0
0
AUDIO
0
0
0
ANTENNA
0
NETWORK
0
0
POWER
0
0
00
TackTrue/AppDisplay VMG
00
INTCM
Het display gebruikt een aantal protocollen voor het verzenden van gegevens tussen de verschillende apparaten in uw systeem.
De onderstaande tabel geeft informatie over welk apparaat op uw display kan worden aangesloten en de soorten verbindingen
(wat betreft protocollen en fysieke interfaces):
Arti-
kel Apparaattype Maximum aantal Geschikte apparaten Verbindingen
1
Afstandsbediening 1 per multifunctioneel
display.
Raymarine RCU-3
Bluetooth
2
Smartphone/tablet 1 per multifunctioneel
display.
Voor Raymarine draadloze
video-streaming en apps voor
afstandbediening:
Apple iPhone 4 (of hoger) of iPad 2 (of
hoger)
Android-apparaat met minimaal
1GHz-processor en met android 2.2.2
(of hoger)
Amazon Kindle Fire
Voor synchronisatie tussen kaartplotter en
Navionics Marine app:
Apple iPhone of iPad
Android-compatibele smartphone of
tablet
Voor besturing van de mediaspeler (alleen
a-, e- en gS-serie):
Ieder apparaat met Bluetooth dat
Bluetooth 2.1+ EDR power class 1.5
ondersteunt (ondersteund proel:
AVRCP 1.0)
Voor synchronisatie tussen kaartplotter
en Navionics Marine app: WiFi
Video-streaming en afstandsbediening:
WiFi
Mediaspelerbediening: Bluetooth 2.1+
EDR power class 1.5 (ondersteund
proel: AVRCP 1.0) of hoger
3
Scheepstanksensoren
van een andere fabrikant
Tot 5 x brandstof.
1 x drinkwater.
1 x grijswater.
1 x zwartwater.
1 x aas / vis.
NMEA 2000-interfaces van andere
fabrikanten
NMEA 2000 (via optionele
DeviceNet-adapterkabels)
22
a Series / c Series / e Series
Arti-
kel Apparaattype Maximum aantal Geschikte apparaten Verbindingen
4
GPS (extern) Raymarine
1 Iedere combinatie van de onderstaande
componenten:
RS130
Raystar125 GPS
Raystar125+ GPS (via optionele
SeaTalk naar SeaTalk
ng
-converter)
SeaTalk, SeaTalk
ng
, of NMEA 0183
5
Instrumenten Raymarine Bepaald door de
busbandbreedte en de
voedingsbelasting van
SeaTalk
ng
.
SeaTalk
ng
:
i50 wind, snelheid of tridata
i60 wind, CH wind
i70
ST70+
ST70
SeaTalk (via optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter):
i40 wind, snelheid, diepte of bidata
ST60+ wind, snelheid, diepte, roer of
kompas
ST40 wind, snelheid, diepte, roer of
kompas
SeaTalk, SeaTalk
ng
6
Stuurautomaatbedieningen
Raymarine
Bepaald door de
busbandbreedte en de
voedingsbelasting van
SeaTalk of SeaTalk
ng
,
welke van toepassing.
SeaTalk
ng
:
p70
p70R
ST70 (alleen SeaTalk
ng
-
koerscomputer.)
ST70+ (alleen SeaTalk
ng
-
koerscomputer.)
SeaTalk (via optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter):
ST6002
ST7002
ST8002
SeaTalk, SeaTalk
ng
7
Stuurautomaten
Raymarine
1
SeaTalk
ng
:
Evolution-stuurautomaten
Alle SPX-koerscomputers
SeaTalk (via optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter):
ST1000
ST2000
S1000
S1
S2
S3
SeaTalk, SeaTalk
ng
, of NMEA 0183
8
AIS Raymarine
1
AIS 350
AIS 650
AIS 950
AIS 250
AIS 500
SeaTalk
ng
, of NMEA 0183
8
AIS andere fabrikanten
1
NMEA 0183–compatibele AIS klasse A- of
klasse B-ontvanger/-zendontvanger van
andere fabrikanten
NMEA 0183
9
Scheepstrimtabs andere
fabrikanten
1 paar
NMEA 2000-interfaces van andere
fabrikanten
NMEA 2000 (via optionele
DeviceNet-adapterkabels)
De installatie plannen
23
Arti-
kel Apparaattype Maximum aantal Geschikte apparaten Verbindingen
10
Video/camera
a-serie = 0
e7-, e7D-, c-serie = 1
e-serie (met
uitzondering van e7
en e7D) = 2
Composite PAL- of NTSC-videobron BNC-connectoren
10 IP-camera andere
fabrikanten
Meerdere
Opmerking: Er kan
slechts 1 IP-camera
tegelijkertijd worden
bekeken.
IP-camera van derden
Opmerking: IP-camera's moeten
een IP-adres kunnen toewijzen via
DHCP niet-geverieerde anonieme
ONVIF-toegang toestaan.
Via SeaTalk
hs
-netwerk.
11
Lifetag (Man
overboord-alarm)
1 basisstation
Alle Raymarine Lifetag-basisstations SeaTalk (via optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter)
12
Motorinterface
Raymarine
1 unit voor iedere
motor-CAN-bus
ECI-100 SeaTalk
ng
12
Motorinterface andere
fabrikanten
1
NMEA 2000-interfaces van andere
fabrikanten
NMEA 2000 (via optionele
DeviceNet-adapterkabels)
13 Transducers en sensoren
Raymarine
1 Analoge transducers:
Wind
Snelheid
Diepte
Roerstandterugmelder
SeaTalk
ng
(via optionele iTC-5-converter)
13 Transducers en sensoren
Airmar
1
DT800 Smart Sensor
DST800 Smart Sensor
PB200 weerstation
SeaTalk
ng
(via optionele iTC-5-converter)
14 Extern display
e-serie (met uitzondering
van e7 en e7D) = 1
Extern display
15-pins D-type connector (VGA-stijl)
15
Sonartransducer
1 Directe verbinding met displays met sonar
Raymarine P48
Raymarine P58
Raymarine P74
Raymarine B60 20º
Raymarine B60 12º
Raymarine B744V
; OF:
Een 600 watt/1Kw-compatibele
transducer (via optionele
E66066-adapterkabel)
; OF:
Een Minn Kota-transducer (via optionele
A62363-adapterkabel)
Aansluiting via externe Raymarine
sonarmodule:
Een sonarmodule-compatibele
transducer
Raymarine-transduceraansluiting, OF
Minn Kota-transduceraansluiting
16
DSC-marifoon
Raymarine
1
SeaTalk
ng
:
Ray260
Ray260 AIS
NMEA 0183:
Ray49
Ray55
Ray218
Ray240
Opmerking: Voor a-serie is een
NMEA 0183 naar SeaTalk
ng
-converter
vereist.
24
a Series / c Series / e Series
Arti-
kel Apparaattype Maximum aantal Geschikte apparaten Verbindingen
17
Raymarine Sirius maritieme
weer-/satellietradio-
ontvanger (alleen
Noord-Amerika)
1
SeaTalk
hs
:
SR150
SR100
SR6
SeaTalk
ng
:
SR50
SeaTalk
hs
, SeaTalk
ng
.
18
Extra multifunctionele
display(s) Raymarine
9
3de generatie Raymarine multifunctionele
displays
SeaTalk
hs
(aanbevolen):
a-serie
c-serie
e-serie
gS-serie
Opmerking: U kunt Raymarine
multifunctionele displays aansluiten met
behulp van NMEA 0183 of SeaTalk
ng
,
maar niet alle functies worden dan
ondersteund.
Opmerking: Bezoek
www.raymarine.nl om de meest
recente softwareversie voor uw display
te downloaden.
SeaTalk
hs
.
18
Extra multifunctionele
display(s) andere
fabrikanten
Aantal verbindingen
met NMEA-uitgangen
op multifunctioneel
display: 4
Aantal verbindingen
met NMEA-ingangen
op multifunctioneel
display: 2.
Opmerking: a-serie
multifunctionele
displays ondersteunen
geen directe
aansluiting van NMEA
0183-apparaten.
NMEA 0183–compatibele kaartplotters en
multifunctionele displays
NMEA 0183
19
Sonarmodules (Fishnder)
Raymarine
Meerdere
CP450C
CP300
CP100
Multifunctionele displays met sonar
SeaTalk
hs
20 Radar Raymarine 1 Alle Raymarine non-HD digitale Radomes
en HD- of SuperHD-radarscanners.
Opmerking: Zorgt u ervoor dat
uw radarscanner de meest recente
softwareversie heeft.
SeaTalk
hs
21 Thermische camera
Raymarine
1
Opmerking: a-serie
multifunctionele
displays ondersteunen
geen thermische
camera's.
T200-serie
T300-serie
T400-serie
T800-serie
T900-serie
SeaTalk
hs
(voor bediening),
BNC-connector (voor video)
22
Toetsenbord op afstand
Meerdere RMK-9
SeaTalk
hs
De installatie plannen
25
Arti-
kel Apparaattype Maximum aantal Geschikte apparaten Verbindingen
23 Fusion-entertainmentsyste-
men
Meerdere Fusion 700-entertainmentsystemen:
MS-IP700
MS-AV700
SeaTalk
hs
24
PC / laptop
1
Windows-compatibele PC of laptop met
Raymarine Voyager-planningsoftware.
SeaTalk
hs
26 a Series / c Series / e Series
3.2 Installatiechecklist
Installatie omvat de volgende werkzaamheden:
Installatietaak
1 Plan uw aanpak
2 Verzamel alle vereiste apparatuur en gereedschappen
3 Zet alle apparatuur op hun toekomstige plaats
4 Leg alle kabels uit.
5
Boor kabel- en montagegaten.
6 Maak alle aansluitingen op de apparatuur.
7
Zet alle apparatuur vast op zijn plaats.
8 Zet het systeem aan en test het.
3.3 Systeemlimieten
De volgende limieten zijn van toepassing op het aantal
systeemcomponenten dat kan worden aangesloten in een
Raymarine multifunctioneel display-systeem.
Component Maximum
Maximum aantal SeaTalk
hs
-
apparaten
25
Maximum aantal SeaTalk
ng
-
apparaten
50
Raymarine multifunctionele
displays.
10
De installatie plannen
27
3.4 Overzicht Multipele gegevensbron-
nen (MDS)
Installaties met meerdere gegevensbronnen kunnen
gegevensconicten veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een
installatie met meer dan één bron met GPS-gegevens.
MDS helpt u bij het beheren van conicten met de volgende
soorten gegevens:
GPS-positie.
Koers.
Diepte.
Snelheid.
Wind.
Normaal gesproken wordt deze handeling uitgevoerd tijdens
de eerste installatie, of wanneer nieuwe apparatuur wordt
toegevoegd.
Als deze handeling NIET is uitgevoerd, dan probeert het
systeem automatisch gegevensconicten op te lossen. Dit kan
er echter toe leiden dat het systeem een gegevensbron kiest
die u niet wilt gebruiken.
Als MDS beschikbaar is, kan het systeem een lijst geven
met de beschikbare gegevensbronnen waaruit u de bron van
uw voorkeur kunt selecteren. MDS is alleen beschikbaar
als alle producten in het systeem dat de bovengenoemde
gegevensbronnen MDS-compliant zijn. Het systeem kan een
lijst geven met producten die NIET compliant zijn. Het kan nodig
zijn de software van deze niet-compliant producten te upgraden,
om ze compliant te maken. Bezoek de Raymarine-website
(www.raymarine.com) voor de meest recente software voor uw
producten. Als er geen MDS-compliant software beschikbaar
is en u wilt NIET dat het systeem automatisch probeert
gegevensconicten op te lossen, kunnen alle niet-compliant
producten worden verwijderd of vervangen zodat het hele
systeem MDS-compliant is.
3.5 Het type van uw display vaststellen
Om te bepalen welk model uw display is volgt u de onderstaande
stappen:
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Onderhoud.
3. Selecteer Diagnose.
4. Selecteer Selecteer apparaat.
5. Zoek in de kolom Netwerk naar de regel 'Dit apparaat'.
6. In de kolom Apparaat wordt in dit record het model van uw
display weergegeven.
28 a Series / c Series / e Series
3.6 Beperkingen voor netwerken
De 3
de
generatie LightHouse-ondersteunde multifunctionele
displays van Raymarine (a-serie, c-serie, e-serie en gS-serie)
kunnen via een netwerk worden gekoppeld.
Algemeen
Multifunctionele displays dienen te worden aangesloten met
behulp van SeaTalk
hs
.
Multifunctionele displays kunnen ook worden aangesloten via
SeaTalk
ng
of NMEA 0183, maar dan worden niet alle functies
ondersteund.
Alle via een netwerk aangesloten a-serie, c-serie en e-serie
displays dienen te beschikken over softwareversie 4.xx of
hoger.
Alle via het netwerk aangesloten gS-serie displays moeten
softwareversie 7.xx of hoger hebben.
Opmerking: De a-serie kan niet op een netwerk worden
aangesloten met behulp van NMEA 0183.
Toewijzing master/repeater
In ieder netwerk met meer dan één multifunctioneel display
dient één van de displays aangewezen te zijn als de
datamaster.
Het datamaster-display ontvangt de gegevens via NMEA 0183
en/of SeaTalk
ng
en stuurt de gegevens via SeaTalk
hs
naar de
andere op het netwerk aangesloten displays.
Delen van het Home-venster
Wanneer multifunctionele displays via een netwerk zijn
verbonden, kunnen ze een Home-venster delen.
Delen van cartograe
De cartograe op SD-kaartmodules wordt altijd gebruikt met
voorrang boven de geïntegreerde cartograe wanneer een
SD-kaartmodule in een modulesleuf wordt gestoken.
Kaart-cartograe wordt gedeeld tussen multifunctionele
displays.
Bediening van de radar
Multifunctionele displays ondersteunen het gebruik van 1
radarscanner tegelijk.
De door een aangesloten radarscanner geleverde gegevens
worden herhaald op alle op het netwerk aangesloten displays.
Gebruik van de sonar/DownVision
TM
U kunt een externe sonarmodule aansluiten op het
multifunctionele display via het SeaTalk
hs
-netwerk.
Multifunctionele displays met sonar of DownVision
TM
beschikken over een interne sonarmodule voor directe
verbinding met een compatibele transducer.
U kunt meerdere actieve sonarmodules (interne en externe) in
een netwerk hebben. U dient de sonarmodule/het kanaal te
selecteren dat u wilt gebruiken in het toepassingsmenu van
Fishnder.
De door de sonarmodule geleverde gegevens worden
herhaald op alle op het netwerk aangesloten displays.
Opmerking: Alle multifunctionele displays moeten
softwareversie LightHouse II 10.xx of hoger hebben om
meerdere sonars te ondersteunen.
Incompatibele displays
Als u een multifunctioneel display dat niet compatibel is aansluit
op uw systeem, wordt een waarschuwing weergegeven totdat u
het incompatibele apparaat loskoppelt van uw netwerk.
3
de
generatie multifunctionele displays zijn niet compatibel met
de volgende Raymarine-displays:
Productafbeelding
Multifunctioneel
display Generatie
G-serie
2
de
generatie
E-Wide-serie 2
de
generatie
C-Wide-serie
2
de
generatie
PAGE
ACTIVE
WPTS
MOB
MENU
DATA
CANCELOK
RANGE
IN
OUT
E-serie Classic
1
ste
generatie
PAGE
ACTIVE
WPTS
MOB
MENU
DATA
CANCELOK
RANGE
IN
OUT
C-serie Classic
1
ste
generatie
De installatie plannen
29
3.7 Typische systemen
De onderstaande illustraties laten voorbeelden zien van mogelijke systeemconguraties, voor meer informatie over compatibele
Raymarine-apparaten kunt u de sectie Systeemintegratie raadplegen.
Opmerking: In de onderstaande voorbeelden kunnen de multifunctionele displays alle 3de generatie multifunctionele displays
van Raymarine zijn, bijv. a-serie, c-serie, e-serie of gS-serie.
Voorbeeld: basissysteem
SeaTalk
ng
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
6
00
D12245-3
1
2
3 4 5
1. Multifunctioneel display
2. Netwerkswitch
3. Radarscanner
4. Bedieningsunit roeraandrijving (ACU)
5. Evolution-stuurautomaat
6. SeaTalk
ng
-stuurautomaatbediening (optioneel)
Opmerking: Er is alleen een netwerkswitch vereist wanneer er meer dan één apparaat is aangesloten via SeaTalk
hs
/ RayNet.
Voorbeeld: basissysteem met display met sonar
SeaTalk
ng
SeaTalk
hs
/ RayNet
00
D12589-2
1 2 3 4 5
1. Multifunctioneel display
2. Sonartransducer
3. Radarscanner
4. Evolution-stuurautomaat
5. SeaTalk
ng
-stuurautomaatbediening (optioneel)
30 a Series / c Series / e Series
Voorbeeld: basissysteem met display zonder sonar
SeaTalk
ng
SeaTalk
hs
/ RayNet
00
D12590-2
1
2
3 4 5
1. Multifunctioneel display
2. Sonarmodule
3. Sonartransducer
4. Evolution-stuurautomaat
5. SeaTalk
ng
-stuurautomaatbediening
Voorbeeld: uitgebreid systeem
D12247-2
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
DeviceNet
SeaTalk
ng
SeaTalk
ng
SeaTalk
ng
SeaTalk
ng
5
1
812
11
12 12
14
9
15
2 3 4
6
13
10
7
1. Radarscanner
2. Weersensor
3. Sirius-weerontvanger
4. Sonarmodule
5. SeaTalk
ng
-stuurautomaatbediening
6. SeaTalk
ng
-instrumentdisplay
7. AIS-ontvanger/zender
8. Audio-systeem
9. Smartphone/tablet
10. DeviceNet-spur (voor NMEA 2000-apparaten)
11. Netwerkswitch
12. Multifunctionele displays
13. GPS-ontvanger
14. Thermische camera
15. Draadloze verbinding
De installatie plannen
31
3.8 Protocollen
Uw Breedbeeld Multifunctionele Display kan worden aangesloten
op diverse instrumenten en displays om informatie te delen
en zo de functionaliteit van het systeem te vergroten. Deze
aansluitingen kunnen met een aantal verschillende protocollen
gemaakt worden. Snelle en nauwkeurige verzameling en
verzending van data wordt bereikt door het gebruik van een
combinatie van de volgende dataprotocollen:
SeaTalk
hs
SeaTalk
ng
NMEA 2000
SeaTalk
NMEA 0183
Opmerking: Het kan zijn dat uw systeem niet alle in deze
sectie beschreven aansluitingstypen of instrumenten gebruikt.
SeaTalk
hs
SeaTalk
hs
is een op ethernet gebaseerd maritiem netwerk. Dit
hogesnelheidsprotocol maakt het hogesnelheidsapparatuur
mogelijk snel te communiceren en grote hoeveelheden
gegevens te delen.
Informatie die met behulp van het SeaTalk
hs
netwerk gedeeld
wordt is o.a.:
Gedeelde cartograe (tussen op elkaar aansluitbare displays).
Digitale radargegevens.
Sonargegevens.
SeaTalk
ng
SeaTalk
ng
(Next Generation) is een uitgebreid protocol voor
de verbinding van aansluitbare maritieme instrumenten
en apparatuur. Het vervangt de oudere SeaTalk- en
SeaTalk
2
-protocollen.
SeaTalk
ng
gebruikt een enkele backbone waaraan compatibele
instrumenten worden aangesloten met een verbindingskabel.
Data en stroomvoorziening lopen door de backbonekabel.
Apparatuur die weinig stroom trekt, kan worden gevoed vanuit
het netwerk, maar apparatuur met hoge stroom dient een aparte
voedingsaansluiting te hebben.
SeaTalk
ng
is een gedeponeerde uitbreiding van NMEA 2000 en
de bewezen CAN-bustechnologie. Aansluitbare NMEA 2000 en
SeaTalk- / SeaTalk
2
-apparatuur kan tevens naar wens worden
aangesloten met de juiste interfaces of adapterkabels.
NMEA 2000
NMEA 2000 biedt belangrijke verbeteringen op NMEA 0183,
vooral wat betreft snelheid en aansluitbaarheid. Maximaal 50
units kunnen tegelijkertijd op een enkele fysieke bus zenden
en ontvangen, waarbij iedere node fysiek adresseerbaar is.
De norm was speciek bedoeld om een compleet netwerk
van maritieme elektronica van willekeurig welke fabrikant te
laten communiceren op een gemeenschappelijke bus via
gestandaardiseerde meldingstypes en formaten.
SeaTalk
SeaTalk is een protocol om compatibele instrumenten aan elkaar
te kunnen aansluiten en zodoende gegevens te kunnen delen.
Het SeaTalk-kabelsysteem wordt gebruikt om compatibele
instrumenten en apparatuur te verbinden. De kabel draagt de
stroomvoorziening en data en maakt het mogelijk verbindingen
te maken zonder dat er een centrale processor nodig is.
Aan het SeaTalk-systeem kunnen aanvullende instrumenten
en apparatuur worden toegevoegd door deze eenvoudigweg
in het netwerk te pluggen. SeaTalk-apparatuur kan ook met
andere niet-SeaTalk-apparatuur communiceren via de NMEA
0183-norm, mits er een geschikte interface gebruikt wordt.
NMEA 0183
De NMEA 0183-norm voor gegevensinterfaces is ontwikkeld
door de National Marine Electronics Association of America. Het
is een internationale norm waarmee apparaten van verschillende
fabrikanten met elkaar kunnen worden verbonden en informatie
kunnen delen.
De NMEA 0183-norm draagt vergelijkbare informatie over naar
SeaTalk. Het belangrijkste verschil is echter dat één kabel alleen
informatie overdraagt in één richting. Daarom wordt NMEA 0183
over het algemeen gebruikt om een gegevensontvanger en een
zender met elkaar te verbinden, bijv. een kompassensor die
koersgegevens verstuurt naar een radardisplay. Deze informatie
wordt verstuurd in ‘zinnen’, die allemaal een code hebben van
drie letters. Het is daarom als u compatibiliteit tussen items
controleert belangrijk dat dezelfde zincodes worden gebruikt.
Enkele voorbeelden hiervan zijn:
VTG - bevat gegevens over grondkoers en grondsnelheid.
GLL - bevat latitude en longitude.
DBT - bevat de waterdiepte.
MWV - bevat gegevens over relatieve windhoek en
windsnelheid.
NMEA-transmissiesnelheden
De NMEA 0183-norm werkt met een aantal verschillende
snelheden, afhankelijk van de specieke vereisten of kenmerken
van de apparatuur. Typische voorbeelden zijn:
Transmissiesnelheid 4800. Gebruikt voor algemene
communicatie, waaronder FastHeading-gegevens (snelle
koersbepaling).
Transmissiesnelheid 38400. Gebruik voor AIS en andere
toepassingen met hoge transmissiesnelheid.
32 a Series / c Series / e Series
3.9 Datamaster
Ieder systeem met meer dan één via een netwerk aangesloten
multifunctioneel display moet een datamaster toegewezen
hebben gekregen.
De datamaster is het display dat fungeert als primaire
gegevensbron voor alle displays, het handelt ook alle externe
informatiebronnen af. De displays kunnen bijvoorbeeld
koersinformatie nodig hebben van de stuurautomaat- en
GPS-systemen, die normaal gesproken wordt ontvangen via een
SeaTalk
ng
- of NMEA-verbinding. De datamaster is het display
waarmee de SeaTalk-, NMEA- en andere gegevensverbindingen
worden gemaakt, het brengt de gegevens vervolgens over naar
het SeaTalk
hs
-netwerk en alle compatibele repeat-displays.
Gegevens die door de datamaster worden gedeeld zijn onder
andere:
Cartograe
Routes en waypoints
Radar
Sonar
Gegevens ontvangen van de stuurautomaat, instrumenten, de
motor en andere externe bronnen.
Het kan zijn dat uw systeem is verbonden voor redundantie met
gegevensverbindingen naar repeat-displays. Deze verbindingen
worden echter alleen actief in het geval van een storing en/of
opnieuw toewijzen van een datamaster.
In een stuurautomaatsysteem zonder speciale
stuurautomaatbediening, werkt de datamaster ook als
bediening voor de stuurautomaat.
3.10 Meegeleverde onderdelen bij
Nieuwe a-serie
De volgende items worden meegeleverd met uw multifunctionele
display.
D12583-2
1
4
7
5 6
8
2 3
x4
1 Instrumentrand voorzijde
2
Multifunctioneel display
3 Montagepakking
4 Zonnekap
5
Flensbeugelset
6 Documentatiepakket
7
Voedingskabel
8
4 moeren, bouten, borgringen en ringen (kunnen
worden gebruikt voor zowel paneelmontage als voor
beugelmontage.)
De installatie plannen
33
3.11 Meegeleverde e7 / e7D-onderdelen
De hieronder getoonde onderdelen worden meegeleverd met
het e7/e7D multifunctionele display.
D12170-4
x4
x4
x4
1
2
8
3
4
5
7
9
6
1. Zonnekap.
2. Instrumentrand voorzijde.
3. Multifunctioneel display.
4. Instrumentrand achterzijde (vereist voor montage met
ensbeugel).
5. Pakking (vereist voor vlakke inbouwmontage).
6. Schroevenset, bevat:
4 bevestigingsschroeven voor instrumentrand achterzijde.
4 sets bevestigingen (voor paneelmontage).
4 sets bevestigingen (voor ensbeugelmontage).
7. Documentatiepakket, bevat:
Meertalige CD.
Montagehandleiding en meertalige startersgids
Montagemal.
Garantiebeleid
8. Voedings- en gegevenskabel.
9. Flensbeugelset.
3.12 Meegeleverde onderdelen Nieuwe
c-serie en Nieuwe e-serie
De hieronder getoonde onderdelen worden meegeleverd met de
Nieuwe c-serie en de Nieuwe e-serie multifunctionele displays
(met uitzondering van e7 en e7D).
D12248-2
7
1
2
3
4
6
5
1. Zonnekap.
2. Instrumentrand voorzijde.
3. Multifunctioneel display.
4. Pakking (vereist voor paneelmontage).
5. 4 x sets bevestigingen (voor paneelmontage).
6. Documentatiepakket, bevat:
Meertalige CD.
Montagehandleiding en meertalige startersgids
Montagemal.
Garantiebeleid
7. Voedings- en gegevenskabel.
34 a Series / c Series / e Series
3.13 Benodigd gereedschap voor de
installatie
D12171-2
1
4
5
3
876
2
1. Boormachine.
2. Decoupeerzaag.
3. Kruiskopschroevendraaier.
4. Plakband.
5. Steeksleutel voor de bevestigingen voor paneel- of
beugelmontage.
6. Vijl.
7. Gatenboor voor vlakke inbouwmontage (voor de afmeting
van de gatenboor raadpleegt u de montagemal van uw
product).
8. Boortje voor paneel- of beugelmontage.
3.14 Een locatie selecteren
Waarschuwing: Potentiële
ontstekingsbron
Dit product is NIET goedgekeurd voor gebruik in
een gevaarlijke/brandbare omgeving. Installeer
dit product NIET in een gevaarlijke/brandbare
omgeving (zoals een machinekamer of in de buurt
van brandstoftanks).
Algemene vereisten voor plaatsing
Bij het kiezen van een plaats voor uw product dient u een aantal
factoren in overweging te nemen.
Belangrijke factoren die van invloed kunnen zijn op de werking
van het product zijn:
Ventilatie
Om voldoende ventilatie te garanderen:
Zorg ervoor dat het product in een compartiment van de
juiste omvang is gemonteerd.
Zorg ervoor dat de ventilatiegaten niet zijn geblokkeerd.
Zorg voor voldoende afstand tussen alle apparaten.
Specieke vereisten voor de verschillende systeemcompo-
nenten worden later in dit hoofdstuk gegeven.
Montageoppervlak
Zorg ervoor dat het product voldoende steun heeft op een
stevig oppervlak. De unit mag niet worden gemonteerd en
er mogen geen gaten worden geboord op plaatsen die de
constructie van het schip kunnen beschadigen.
Kabels
Zorg ervoor dat het product is gemonteerd op een plaats
waar kabels correct kunnen worden gelegd, ondersteund en
aangesloten:
Minimale bochtradius van 100 mm (3,94 in) tenzij anders
aangegeven.
Gebruik kabelklemmen om spanning op de aansluitingen te
voorkomen.
Als er voor uw installatie meerdere ferrieten moeten worden
geplaatst op een kabel, dan moeten extra kabelklemmen
worden gebruikt om te garanderen dat het extra gewicht
van de kabel wordt ondersteund.
Binnendringen van water
Dit product is geschikt voor montage zowel bovendeks als
onderdeks. Hoewel de unit waterdicht is, is het beter het op
een beschermde plaats te monteren, zodat het niet langdurig
wordt blootgesteld aan directe regen en opspattend zout
water.
Elektrische interferentie
Kies een plaats die zich op voldoende afstand bevindt
van apparaten die interferentie kunnen veroorzaken, zoals
motoren, generatoren en radiozenders/-ontvangers.
Stroomvoorziening
Kies een plaats zo dicht mogelijk in de buurt van de
DC-stroomvoorziening van het schip. Dit helpt de
kabellengten tot een minimum te beperken.
Veilige afstand tot kompas
Om mogelijke interferentie met de magnetische kompassen
van het schip te voorkomen dient u te zorgen voor voldoende
afstand vanaf het display.
Bij het kiezen van een geschikte plaats voor het multifunctionele
display zou u moeten proberen een zo groot mogelijke afstand
te houden tussen het display en eventuele kompassen. Normaal
gesproken moet deze afstand minimaal 1 m (3 ft) zijn in alle
richtingen. In kleinere schepen is het echter soms niet mogelijk
het display zo ver van een kompas verwijderd te plaatsen. In dat
geval laten de onderstaande cijfers de minimale veilige afstand
zien die moet worden aangehouden tussen het display en de
kompassen.
De installatie plannen
35
D12203-1
200 mm
(7.87 in)
350 mm
(13.8 in)
300 mm
(11.8 in
)
700 mm
(27.5 in)
500 mm
(19.7 in)
250 mm
(9.84 in)
1
2
3
4
5
6
Artikel
Kompaspositie ten
opzichte van het
display
Minimale veilige
afstand vanaf het
display
1 Bovenkant
200 mm (7,87 in.)
2 Achterkant
500 mm (19,7 in.)
3 Rechterkant
350 mm (13,8 in.)
4
Onderkant 300 mm (11,8 in.)
5
Voorkant
700 mm (27,5 in.)
6 Linkerkant
250 mm (9,84 in.)
Vereisten voor plaatsing GPS
Naast de algemene richtlijnen voor de plaatsing van maritieme
elektronicasystemen dient rekening te worden gehouden met
een aantal omgevingsfactoren bij het installeren van apparatuur
met een interne GPS-antenne.
Plaats van de montage
Montage bovendeks:
Zorgt voor optimale GPS-prestaties. (Voor apparatuur met de
juiste waterbestendigheidsclassicatie.)
Montage onderdeks:
GPS-prestaties kunnen minder zijn en het kan nodig zijn
bovendeks een externe GPS-antenne te monteren.
D11537-2
1
2
3
1
2
3
1.
Deze plaats levert de beste GPS-prestaties (bovendeks).
2.
Op deze plaats kunnen de GPS-prestaties minder zijn.
3.
Deze plaats wordt NIET aanbevolen voor GPS-antennes.
Scheepsconstructie
De constructie van uw schip kan van invloed zijn op de
GPS-prestaties. De nabijheid van zware contructies zoals een
constructieplaat, of de binnenkant van grotere schepen kunnen
bijvoorbeeld zorgen voor een verminderd GPS-signaal. Voordat
u apparatuur met een interne GPS-antenne onderdeks plaatst,
adviseren wij u professioneel advies in te winnen en het gebruik
van een externe GPS-antenne bovendeks te overwegen.
Weersomstandigheden
Het weer en de locatie van het schip kunnen van invloed zijn
op de GPS-prestaties. Normaal gesproken bieden kalme en
heldere weersomstandigheden een meer nauwkeurige GPS-x.
Schepen op extreem noordelijke of zuidelijke breedtegraden
kunnen ook een zwakker GPS -signaal ontvangen. Een
onderdeks gemonteerde GPS-antenne is gevoeliger voor
problemen met de signaalontvangst als gevolg van de
weeromstandigheden.
Overwegingen met betrekking tot kijkhoek
De kijkhoek beïnvloedt het displaycontrast, de kleur en de
nachtmodus. Daarom raadt Raymarine aan het display tijdelijk
op te starten bij het plannen van de installatie om ervoor te
zorgen dat u het beste kunt bepalen welke locatie de optimale
kijkhoek oplevert.
Productafmetingen a-serie
D12579-2
A
DC
F
B
E
Nummer a6x
a7x
A
163,6 mm (6,4 in.) 205,1 mm (8 in.)
B
143,5 mm (5,6 in.) 147,1 mm (5,8 in.)
C 17,5 mm (0,7 in.) 14,5 mm (0,57 in.)
D
56,6 mm (2,2 in.) 59,1 mm (2,3 in.)
E
162,4 mm (6,4 in.) 163,3 mm (6,4 in.)
F
150 mm (5,9 in.) 150 mm (5,9 in.)
Productafmetingen c-serie en e-serie
D12269-3
A
D C
F
B
E
36 a Series / c Series / e Series
e7 / e7D
e95 / e97 /
c95 / c97
e125 / e127 /
c125 / c127
e165
A 233 mm
(9,17 in.)
289,6 mm
(11,4 in.)
353,6 mm
(13,92 in.)
426 mm
(16,8 in.)
B 144 mm
(5,67 in.)
173,1 mm
(6,81 in.)
222 mm
(8,74 in.)
281,4 mm
(11,1 in.)
C
30 mm
1,18 in.)
31,4 mm
(1,24 in.)
31,9 mm
(1,26 in.)
31,4 mm
(1,24 in.)
D 63,5 mm
(2,5 in.)
63,9 mm
(2,5 in.)
68,9 mm
(2,71 in.)
69,8 mm
(2,75 in.)
E 177 mm
(6,97 in.)
212 mm
(8,35 in.)
256,5 mm
(10,1 in.)
292 mm
(11,5 in.)
F 160 mm
(6,29 in.)
160 mm
(6,29 in.)
160 mm
(6,29 in.)
160 mm
(6,29 in.)
De installatie plannen
37
38 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 4: Kabels en aansluitingen
Inhoudsopgave
4.1 Algemene kabelleiding op pagina 40
4.2 Overzicht aansluitingen op pagina 41
4.3 Voedingsaansluiting Nieuwe a-serie op pagina 42
4.4 Voedingsaansluiting Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie op pagina 44
4.5 Netwerkverbindingen op pagina 46
4.6 GPS-verbinding op pagina 53
4.7 AIS-verbinding op pagina 53
4.8 Verbinding voor snelle koersbepaling op pagina 54
4.9 SeaTalk
ng
-verbindingen op pagina 54
4.10 NMEA 2000-aansluiting op pagina 55
4.11 SeaTalk-verbinding op pagina 55
4.12 NMEA 0183-aansluiting op pagina 56
4.13 a-serie naar NMEA 0183 DSC-marifoonverbinding op pagina 57
4.14 Camera-/videoverbinding op pagina 57
4.15 Camera/video in-uit-verbinding op pagina 58
4.16 Aansluiting mediaspeler op pagina 59
4.17 Aansluiting Bluetooth-afstandsbediening op pagina 60
4.18 Functies van de afstandsbediening op pagina 62
4.19 WiFi-verbindingen op pagina 64
Kabels en aansluitingen
39
4.1 Algemene kabelleiding
Kabeltypen en -lengtes
Het is belangrijk kabels te gebruiken van het juiste type en met
de juiste lengte.
Tenzij anders aangegeven, dient u alleen standaardkabels
van het correcte type te gebruiken, die zijn geleverd door
Raymarine.
Zorg dat eventuele kabels die niet van Raymarine zijn, de
juiste kwaliteit en kabeldikte hebben. Het kan bijvoorbeeld
zijn dat voor een langere loop van de voedingskabel dikkere
kabels nodig zijn om eventuele spanningsval in de kabelloop
te minimaliseren.
Leiden van kabels
Kabel dienen correct geleid te worden voor optimale prestaties
en een lange levensduur.
Buig de kabels NIET te ver door. Zorg wanneer mogelijk
voor een minimale buigdiameter van 200 mm (8 in)/minimale
buigradius van 100 mm (4 in).
100 mm (4 in)
200 mm (8 in)
Bescherm alle kabels tegen fysieke schade en blootstelling
aan hitte. Gebruik waar mogelijk verbindingsstukken of
kabelbuizen. Leid kabels NIET door bilges of deuren, of dicht
langs bewegende of hete objecten.
Zet kabels vast met tiewraps of afbindkoord. Rol eventuele
extra kabel op en zet deze elders vast.
Gebruik een geschikte waterdichte doorvoer wanneer kabels
door een open schot of dek gevoerd worden.
Leid kabels NIET vlak langs motoren of TL-verlichting.
Leid kabels altijd zo ver mogelijk weg van:
andere apparatuur en kabels,
hoge stroom voerende AC- en DC-voedingskabels,
antennes.
Trekontlasting
Zorg voor een goede trekontlasting. Bescherm connectoren
tegen trekbelasting en zorg dat deze tijdens extreme
omstandigheden niet losgetrokken kunnen worden.
Stroomkringisolatie
Voor installaties die zowel AC- als DC-stroom gebruiken, is een
goede stroomkringisolatie vereist.
Gebruik altijd scheidingstransformatoren of een aparte
voedingsomzetter voor het laten werken van PC's,
processoren, displays en andere gevoelige elektronische
instrumenten of apparaten.
Gebruik altijd een scheidingstransformator voor Weather Fax
audiokabels.
Gebruik altijd een RS232/NMEA-converter met optische
isolatie op de signaallijnen.
Zorg altijd dat PC's of andere gevoelige elektronische
apparatuur een daarvoor bestemd voedingscircuit hebben.
Kabelafscherming
Zorg dat alle datakabels correct zijn afgeschermd en dat de
kabelafscherming intact is (d.w.z. niet geschaafd doordat deze
door een nauwe ruimte getrokken is).
40 a Series / c Series / e Series
4.2 Overzicht aansluitingen
Informatie over de aansluitingen die beschikbaar zijn op Raymarine multifunctionele displays wordt hieronder gegeven.
D12249-7
e7
e7D
e95 / e125 / e165
e97 / e127
c95 / c125
c97 / c127
a65 / a75
a67 / a68 / a7 7 / a78
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Voeding/gegevens
Transducer
DownVision-
transducer SeaTalk
ng
SeaTalk
hs
/ RayNet-
netwerk 1
SeaTalk
hs
/ RayNet-
netwerk 2 Video in/uit
AAN/UIT-
knop
Video / NMEA
0183
a65
a65 WiFi
a67
a67 WiFi
a68
a68 WiFi
a75
a75 WiFi
a77
a77 WiFi
a78
a78 WiFi
e7
e7D
e95
e97
e125
e127
e165
c95
c97
c125
c127
Kabels en aansluitingen
41
4.3 Voedingsaansluiting Nieuwe
a-serie
0
0
0
0
0
1
6
2
4
5
3
D12581-2
1. Aansluitingen achterpaneel multifunctioneel display.
2. Voedingskabel.
3. Aansluiting op 12 V-voeding
4. Rode kabel (plus).
5. Afgeschermde (Aarde) draad (dunne zwarte draad, dient te
worden aangesloten op een RF-aardingspunt).
6. Zwarte kabel (min).
Voedingsdistributie
Raymarine adviseert alle voedingsverbindingen aan te leggen
via een distributiepaneel.
Alle apparatuur dient te worden gevoed via een
stroomonderbreker of schakelaar, met de juiste
stroomkringbeveiliging.
Alle apparatuur dient zo mogelijk te worden voorzien van
afzonderlijke stroomonderbrekers.
Waarschuwing: Productaarding
Voordat u dit product aansluit op de voeding, moet
u zich ervan verzekeren dat het op de juiste manier
is geaard, in overeenstemming met de instructies
in deze handleiding.
Aarden speciale afvoerdraad
De voedingskabel die met dit product is meegeleverd beschikt
over een speciale afgeschermde (verstevigde) draad voor
aansluiting op het RF-aardingspunt van het schip.
Het is van belang dat er een een doeltreffende RF-aarding is
aangesloten op het systeem. Er moet één aardingspunt worden
gebruikt voor alle apparatuur. De unit kan worden geaard door
de afgeschermde (afvoer-) draad van de voedingskabel aan
te sluiten op het RF-aardingspunt van het schip. Op schepen
zonder een RF-aardingssysteem dient de afgeschermde
(afvoer-) draad direct te worden aangesloten op de negatieve
accupool.
Het gelijkspanningssysteem dient één van de volgende te zijn:
Negatief geaard, met de negatieve accupool aangesloten op
de massa van het schip.
Bufferaarde, waarbij geen van beide accupolen zijn
verbonden met de massa van het schip.
Waarschuwing: Systemen met
positieve aarding
Sluit deze unit niet aan op systemen met positieve
aarding.
Voedingskabel
Het display wordt geleverd met een voedingskabel die indien
nodig kan worden verlengd.
Beschikbare voedingskabels
Voor vlakke inbouwmontage is er een haakse voedingskabel
beschikbaar (niet meegeleverd).
Kabel Artikelnummer Opmerkingen
Haakse voedingskabel A80221
Kabelverlenging
De volgende beperkingen zijn van toepassingen op het
verlengen van de voedingskabel:
De kabel dient een geschikte kabeldikte te hebben voor de
stroomkringbelasting.
Elke unit dient met zijn eigen specieke voedingskabel op het
distributiepaneel te worden aangesloten.
Totale lengte (max.) Voedingsspanning Kabeldikte (AWG)
0–5m (0–16,4ft)
12 V 18
5–10m (16,4–32,8ft)
12V 14
10–15m (32,8–49,2ft)
12V 12
15–20m (49,2–65,5ft)
12V 12
Opmerking: Deze afstanden gelden voor de 2-draads voedingskabel
van de accu naar het display (ongeveer de afstand van de accu naar het
display). Om de volledige afstand te berekenen dient u de genoemde
waarden te verdubbelen.
Stroomonderbrekers, zekeringen en
stroomkringbeveiliging
De onderstaande informatie is bedoeld als richtlijn om u te helpen
uw product te beschermen. De voorbeeldillustraties hebben
betrekking op de meest voorkomende voedingssystemen op
schepen. Als u niet weet hoe u het juiste beveiligingsniveau
kunt vaststellen, neem dan contact op met een geautoriseerde
Raymarine-dealer voor hulp.
Aansluiting distributiepaneel
Aanbevolen wordt uw product aan te sluiten via de thermische
stroomonderbreker of zekering van het distributiepaneel van
uw schip.
D13017-1
2 31
4 5
6 7
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Inline zekering (het kan zijn dat er al een zekering is
geïntegreerd in de voedingskabel van uw product.)
3. Voedingskabel van het product
4. Min (-) van de voeding van het schip
5. * Aardingsdraad
6. Distributiepaneel van het schip
7. * Aansluiting RF-aardingspunt van het schip
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Waarde thermische stroomonderbreker
5 A (wanneer slechts één apparaat wordt aangesloten)
42
a Series / c Series / e Series
Aansluiting accu met RF-aarde
Als uw schip geen distributiepaneel heeft, dan kan uw product
direct worden aangesloten op de accu waarbij de aardingsdraad
wordt aangesloten op het RF-aardingspunt van het schip.
D13018-1
2 4 51 3
6 7
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Min (-) van de voeding van het schip
3. Inline zekering (als de voedingskabel van uw product geen
geïntegreerde zekering heeft, dan moet een inline zekering
worden geplaatst.)
4. * Aardingsdraad
5. Voedingskabel van het product
6. Scheepsaccu
7. * Aansluiting RF-aardingspunt van het schip
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Aansluiting accu zonder RF-aarde
Als uw schip geen distributiepaneel en geen RF-aardingspunt
heeft, dan kan uw product direct worden aangesloten op de
accu waarbij de aardingsdraad eveneens wordt aangesloten op
de negatieve pool van de accu
D13019-1
2 4 51 3
6
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Min (-) van de voeding van het schip
3. Inline zekering (als de voedingskabel van uw product geen
geïntegreerde zekering heeft, dan moet een inline zekering
worden geplaatst.)
4. * Aardingsdraad aangesloten op de negatieve pool van de
voeding van het schip.
5. Voedingskabel van het product
6. Scheepsaccu
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Een stroomonderbreker delen
Wanneer meerdere apparaten een stroomonderbreker delen
dient u een bescherming in te bouwen voor de afzonderlijke
stroomkringen. Bijv. door het aansluiten van een in-line zekering
voor iedere stroomkring.
D11637-2
2
4 4
1
3
+
-
1
Positieve (+) pin
2
Negatieve (-) pin
3
Stroomonderbreker
4 Zekering
U wordt geadviseerd waar mogelijk afzonderlijke apparaten aan
te sluiten op afzonderlijke stroomonderbrekers. Wanneer dit niet
mogelijk is gebruikt u in-line zekeringen om voor de benodigde
beveiliging te zorgen.
Kabels en aansluitingen
43
4.4 Voedingsaansluiting Nieuwe
c-serie en Nieuwe e-serie
D12250-1
1
2
4
5
7
3
8
6
9
1. Aansluitingen multifunctioneel display.
2. Voedings- en gegevenskabel.
3. Aansluiting voor 12/24 V-voeding (e7/e7D is alleen 12V).
4. Rode kabel (plus).
5. Zekering.
6. Zwarte kabel (min).
7. Video-invoerkabel.
8. NMEA 0183-gegevenskabels.
9. Afgeschermde (afvoer-) draad (dunne zwarte draad, dient te
worden aangesloten op een RF-aardingspunt).
Voedingsdistributie
Raymarine adviseert alle voedingsverbindingen aan te leggen
via een distributiepaneel.
Alle apparatuur dient te worden gevoed via een
stroomonderbreker of schakelaar, met de juiste
stroomkringbeveiliging.
Alle apparatuur dient zo mogelijk te worden voorzien van
afzonderlijke stroomonderbrekers.
Waarschuwing: Productaarding
Voordat u dit product aansluit op de voeding, moet
u zich ervan verzekeren dat het op de juiste manier
is geaard, in overeenstemming met de instructies
in deze handleiding.
Aarden speciale afvoerdraad
De voedingskabel die met dit product is meegeleverd beschikt
over een speciale afgeschermde (verstevigde) draad voor
aansluiting op het RF-aardingspunt van het schip.
Het is van belang dat er een een doeltreffende RF-aarding is
aangesloten op het systeem. Er moet één aardingspunt worden
gebruikt voor alle apparatuur. De unit kan worden geaard door
de afgeschermde (afvoer-) draad van de voedingskabel aan
te sluiten op het RF-aardingspunt van het schip. Op schepen
zonder een RF-aardingssysteem dient de afgeschermde
(afvoer-) draad direct te worden aangesloten op de negatieve
accupool.
Het gelijkspanningssysteem dient één van de volgende te zijn:
Negatief geaard, met de negatieve accupool aangesloten op
de massa van het schip.
Bufferaarde, waarbij geen van beide accupolen zijn
verbonden met de massa van het schip.
Waarschuwing: Systemen met
positieve aarding
Sluit deze unit niet aan op systemen met positieve
aarding.
Voedingskabel
Het display wordt van spanning voorzien met een gecombineerde
voedings- en datakabel die indien nodig kan worden verlengd.
Beschikbare voedingskabels
Kabel Artikelnummer Opmerkingen
1,5 m (4,9 ft) Rechte
voedings- en datakabel
R62379
1,5 m (4,9 ft) Haakse
voedings- en datakabel
R70029
Kabelverlenging
De volgende beperkingen zijn van toepassingen op het
verlengen van de voedingskabel:
De kabel dient een geschikte kabeldikte te hebben voor de
stroomkringbelasting.
Elke unit dient met zijn eigen specieke voedingskabel op het
distributiepaneel te worden aangesloten.
Totale lengte (max.) Voedingsspanning Kabeldikte (AWG)
12V 18
0–5m (0–16,4ft)
24 V 20
12V 14
5–10m (16,4–32,8ft)
24 V 18
12V 12
10–15m (32,8–49,2ft)
24 V 16
12V 12
15–20m (49,2–65,5ft)
24 V 14
Opmerking: Deze afstanden gelden voor de 2-draadse
voedingskabel van de accu naar het display (ongeveer de afstand van
de accu naar het display). Om de volledige afstand te berekenen dient u
de genoemde waarden te verdubbelen.
Stroomonderbrekers, zekeringen en
stroomkringbeveiliging
De onderstaande informatie is bedoeld als richtlijn om u te helpen
uw product te beschermen. De voorbeeldillustraties hebben
betrekking op de meest voorkomende voedingssystemen op
schepen. Als u niet weet hoe u het juiste beveiligingsniveau
kunt vaststellen, neem dan contact op met een geautoriseerde
Raymarine-dealer voor hulp.
Waarde zekering en stroomonderbreker
Waarde zekering
Waarde thermische
stroomonderbreker
7 A inline zekering geplaatst in de
voedingskabel.
5 A (wanneer slechts één apparaat
wordt aangesloten)
De juiste waarde voor de thermische stroomonderbreker is
afhankelijk van het aantal apparaten dat u aansluit. Wanneer u
de te gebruiken waarde niet zeker weet, kunt u contact opnemen
met een geautoriseerde Raymarine-dealer.
Opmerking: Er is mogelijk al een inline zekering geplaatst in
de voedingskabel van uw product, als dat niet het geval is
dient u een inline zekering aan te brengen op de positieve
draad van de voedingsaansluiting van uw product.
Aansluiting distributiepaneel
Aanbevolen wordt uw product aan te sluiten via de thermische
stroomonderbreker of zekering van het distributiepaneel van
uw schip.
44
a Series / c Series / e Series
D13017-1
2 31
4 5
6 7
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Inline zekering. (Als de voedingskabel van uw product geen
geïntegreerde zekering heeft, dan dient een inline zekering
te worden geplaatst.)
3. Voedingskabel van het product
4. Min (-) van de voeding van het schip
5. * Aardingsdraad
6. Distributiepaneel van het schip
7. * Aansluiting RF-aardingspunt van het schip
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Aansluiting accu met RF-aarde
Als uw schip geen distributiepaneel heeft, dan kan uw product
direct worden aangesloten op de accu waarbij de aardingsdraad
wordt aangesloten op het RF-aardingspunt van het schip.
D13018-1
2 4 51 3
6 7
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Min (-) van de voeding van het schip
3. Inline zekering (als de voedingskabel van uw product geen
geïntegreerde zekering heeft, dan dient een inline zekering
te worden geplaatst.)
4. * Aardingsdraad
5. Voedingskabel van het product
6. Scheepsaccu
7. * Aansluiting RF-aardingspunt van het schip
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Aansluiting accu zonder RF-aarde
Als uw schip geen distributiepaneel en geen RF-aardingspunt
heeft, dan kan uw product direct worden aangesloten op de
accu waarbij de aardingsdraad eveneens wordt aangesloten op
de negatieve pool van de accu
D13019-1
2 4 51 3
6
1. Plus (+) van de voeding van het schip
2. Min (-) van de voeding van het schip
3. Inline zekering (als de voedingskabel van uw product geen
geïntegreerde zekering heeft, dan dient een inline zekering
te worden geplaatst.)
4. * Aardingsdraad aangesloten op de negatieve pool van de
voeding van het schip.
5. Voedingskabel van het product
6. Scheepsaccu
Opmerking: * Alleen van toepassing op producten waarvan
de voedingskabel beschikt over een aardingsdraad.
Een stroomonderbreker delen
Wanneer meerdere apparaten een stroomonderbreker delen
dient u een bescherming in te bouwen voor de afzonderlijke
stroomkringen. Bijv. door het aansluiten van een in-line zekering
voor iedere stroomkring.
D11637-2
2
4 4
1
3
+
-
1
Positieve (+) pin
2
Negatieve (-) pin
3
Stroomonderbreker
4 Zekering
U wordt geadviseerd waar mogelijk afzonderlijke apparaten aan
te sluiten op afzonderlijke stroomonderbrekers. Wanneer dit niet
mogelijk is gebruikt u in-line zekeringen om voor de benodigde
beveiliging te zorgen.
Kabels en aansluitingen
45
4.5 Netwerkverbindingen
U kunt compatibele apparaten aansluiten op uw multifunctionele
display met behulp van de netwerkconnector(en) aan de
achterkant van de unit.
Een typisch netwerk met digitale apparaten kan de volgende
componenten bevatten:
Tot 6 Raymarine multifunctionele displays.
Digitale Raynet- of SeaTalk
hs
-apparaten zoals een
sonarmodule en radarscanner.
Thermische of IP-camera's.
Opmerking: Uw multifunctionele display beschikt over de
volgende netwerkconnectoren:
e7-, e7D- en a-serie = 1 x RayNet-netwerkconnector.
c-serie en e-serie (met uitzondering van e7 en e7D) = 2 x
RayNet-netwerkconnectoren.
Voor netwerken waarvoor extra aansluitingen nodig zijn hebt
u een Raymarine-netwerkswitch nodig.
Raadpleeg Hoofdstuk 32 Reserveonderdelen en accessoires
voor meer informatie over de beschikbare netwerkhardware en
kabels.
Typen netwerkkabelconnectoren
Er zijn 2 soorten netwerkkabelconnectoren SeaTalk
hs
en
RayNet.
SeaTalk
hs
-connector gebruikt voor het
aansluiten van SeaTalk
hs
-apparaten op
een Raymarine-netwerkschakelaar via
SeaTalk
hs
kabels.
RayNet-connector gebruikt voor het
aansluiten van Raymarine-netwerkschakelaars
en SeaTalk
hs
-apparaten op het multifunctionele
display met RayNet-kabels. Dit is ook
vereist voor het aansluiten van een
crossover-koppeling wanneer er slechts
één apparaat wordt aangesloten op de
netwerkconnector van het display.
Aansluiten van het toetsenbord
Er kan een toetsenbord op afstand, bijvoorbeeld een RMK-9,
direct worden aangesloten op de netwerkconnector van het
multifunctionele display of via een netwerkswitch. Er kunnen
meerdere toetsenborden worden aangesloten op een systeem.
Ieder toetsenbord kan worden gebruikt om tot 4 multifunctionele
displays te bedienen.
Directe aansluiting
D12694-2
2
3
1
1. Multifunctioneel display.
2. Toetsenbord.
3. Haakse voedingskabel.
Wanneer u het toetsenbord direct aansluit op een Nieuwe
a-serie, Nieuwe c-serie of Nieuwe e-serie multifunctioneel
display, dient het toetsenbord afzonderlijk van voeding te worden
voorzien via de alternatieve voedingsconnector.
Netwerkverbinding
D12697-3
4
1
2
3
4
1. Netwerkswitch.
2. Toetsenbord.
3. Haakse voedingskabel.
4. Via netwerk aangesloten multifunctionele displays.
Wanneer u het toetsenbord aansluit via een netwerkswitch,
dient het toetsenbord afzonderlijk te worden gevoed via een
alternatieve voedingsconnector.
Nadat het toetsenbord is aangesloten dient het te worden
gekoppeld met ieder multifunctioneel display dat u met het
toetsenbord wilt aansturen.
Radarverbinding
Het multifunctionele display is compatibel met Raymarine
Non-HD digitale radomes en HD/SuperHD-radarscanners. De
scanner wordt aangesloten met behulp van SeaTalk
hs
.
Opmerking:
Op Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie displays
(met uitzondering van e7 en e7D) kunnen 2
SeaTalk
hs
/RayNet-apparaten direct op het display worden
aangesloten.
Op Nieuwe a-serie en e7- en e7D-displays kan 1
SeaTalk
hs
/RayNet-apparaat direct op het display worden
aangesloten.
De radar wordt normaal gesproken aangesloten via een
Raymarine-netwerkswitch. Op kleinere systemen (met slechts
één display en geen andere digitale apparaten) kan de radar
direct op het display worden aangesloten.
46 a Series / c Series / e Series
Radar aangesloten via een Raymarine-netwerkswitch
Dxxxxx-x
3
4
2
1
5
6
1. Radarscanner.
2. Raymarine-netwerkswitch.
3. RayNet-kabel.
4. RayNet-radarkabel.
5. VCM (Voltage Converter Module) vereist voor Open
Arrays.
6. Voedingsaansluiting.
Radar direct aangesloten op het display
D12253-2
2
4
3
1
1. Radarscanner
2. Aansluitingenpaneel achterzijde multifunctioneel display.
3. RayNet-radarkabel.
4. Voedingsaansluiting Voor Open Array-scanners is een
VCM (Voltage Converter Module) vereist.
RJ45 SeaTalk
hs
-radarkabelverbinding
Om een radar aan te sluiten met behulp van een RJ45
SeaTalk
hs
-radarkabel zijn aanvullende onderdelen vereist.
1
2
3
D12884-1
1. RJ45 SeaTalk
hs
-radarkabel.
2. RayNet naar RJ45 SeaTalk
hs
-adapterkabel.
3. SeaTalk
hs
-crossover-koppeling.
Radarverlengkabel
Voor langere kabelafstanden is een verlengkabel nodig voor de voeding en digitale gegevens.
Kabels en aansluitingen
47
D12254-1
1 42
3
1. Radarverlengkabel.
2. Digitale radarkabel voor voeding en gegevens.
3. Raymarine-netwerkswitch (of crossover-koppeling wanneer de radar direct op het display wordt aangesloten).
4. RayNet-kabel (of RayNet naar SeaTalk
hs
-kabel wanneer aangesloten via crossover-koppeling).
Opmerking: De verlengkabel wordt aangesloten op de radarscanner.
Opmerking: De voedingsaansluiting wordt NIET getoond in het schema. Wanneer u een Open Array-scanner gebruikt dient een
VCM (Voltage Converter Module) te worden aangesloten tussen de scanner en de voeding.
Kabels digitale radar
U hebt speciale kabels nodig voor de radarvoeding en digitale
data en de juiste netwerkkabels om uw scanner op uw systeem
aan te sluiten.
Verbinding Vereiste kabel
Radarscanner naar voeding en
Raymarine-netwerkschakelaar.
Digitale kabel voor voeding en
gegevens. Voor langere afstanden
zijn er verlengkabels beschikbaar in
verschillende lengten.
Raymarine-netwerkschakelaar naar
multifunctioneel display.
Netwerkkabels, verkrijgbaar in
verschillende kabellengten.
SeaTalk
hs
digitale radarkabels voor voeding en gegevens
Deze kabels bevatten de draden voor de voeding en de
gegevensverbindingen voor een scanner.
Kabel Artikelnummer
RJ45 SeaTalk
hs
5 m (16,4 ft) digitale
voedings- en gegevenskabel
A55076D
RJ45 SeaTalk
hs
10 m (32,8 ft)
digitale voedings- en gegevenskabel
A55077D
RJ45 SeaTalk
hs
15 m (49,2 ft)
digitale voedings- en gegevenskabel
A55078D
RJ45 SeaTalk
hs
25 m (82,0 ft)
digitale voedings- en gegevenskabel
A55079D
Opmerking: De maximale lengte voor de digitale voedings-
en gegevenskabels voor de radar (inclusief eventuele
verlengingen) is 25 m (82 ft).
RayNet digitale radarkabels voor voeding en gegevens
Deze kabels bevatten de draden voor de voeding en de
gegevensverbindingen voor een scanner.
Kabel Artikelnummer
Raynet 5 m (16,4 ft) digitale
voedings- en gegevenskabel
A80227
Raynet 10 m (32,8 ft) digitale
voedings- en gegevenskabel
A80228
Kabel Artikelnummer
Raynet 15 m (49,2 ft) digitale
voedings- en gegevenskabel
A80229
Raynet 25 m (82,0 ft) digitale
voedings- en gegevenskabel
A80230
Opmerking: De maximale lengte voor de digitale voedings-
en gegevenskabels voor de radar (inclusief eventuele
verlengingen) is 25 m (82 ft).
Verlenging digitale voedings- en datakabels radar
Deze kabels verlengen de digitale voedings- en datakabels voor
een scanner.
Kabel Artikelnummer
2,5 m (8,2 ft) Digitale voedings- en
datakabel
A92141D
5 m (16,4 ft) Digitale voedings- en
datakabel
A55080D
10 m (32,8 ft) Digitale voedings- en
datakabel
A55081D
Opmerking: De maximale lengte voor de digitale voedings-
en datakabel voor de radar (inclusief eventuele verlenging) is
25 m (82 ft).
Sonarverbinding
Er is een sonarverbinding vereist voor de Fishnder-
toepassingen.
Het multifunctionele display kan worden gebruikt in combinatie
met de volgende Raymarine sonarmodules:
CP450C
CP300
CP100
Er zijn 2 soorten verbindingen vereist voor Fishnder-
toepassingen:
Sonarmodule-verbinding converteert de sonarsignalen
die worden geleverd door de sonartransducer naar
een gegevensformaat dat geschikt is voor maritieme
48 a Series / c Series / e Series
elektronicasystemen. De multifunctionele displays met
sonar beschikken over een ingebouwde sonar, waarmee
u het display direct kunt aansluiten op een compatibele
sonartransducer. Modellen zonder sonar dienen te worden
aangesloten op een externe Raymarine sonarmodule. Interne
en externe sonars dienen te worden aangesloten op een
compatibele sonartransducer.
Sonartransducer-verbinding geeft sonarsignalen aan
de sonarmodule.
Sonarmodule-verbinding
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
D12255-1
1
2
3
4
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen zonder sonar).
2. Raymarine-netwerkswitch.
3. Raymarine-sonarmodule.
4. RayNet-kabel.
Als er een reserve-netwerkverbinding beschikbaar is op uw
multifunctionele display, dan kan de sonarmodule direct op het
display worden aangesloten, zonder gebruik te maken van een
Raymarine-netwerkswitch.
Opmerking: U kunt ook multifunctionele display-modellen
met sonar aansluiten op een Raymarine sonarmodule. Dit is
handig in situaties waarvoor u bijvoorbeeld een sonarmodule
met meer vermogen nodig hebt.
Meerdere actieve sonarmodules
Er kunnen meerdere actieve sonarmodules aanwezig
zijn op hetzelfde netwerk, u dient te selecteren welke
sonarmodule/kanaal u wilt gebruiken in de Fishnder-toepassing.
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
D12975-1
1
2
4
5
3
3
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen met sonar).
2. Raymarine-netwerkswitch.
3. RayNet-netwerkkabels.
4. CP450C CHIRP-sonarmodule
5. CP100 DownVision
TM
-sonarmodule
Compatibele sonartransducers
Het multifunctionele display is compatibel met de volgende
sonartransducers:
Raymarine P48.
Raymarine P58.
Minn Kota-transducers (alleen Raymarine-displays met
sonar), via optionele A62363-adapterkabel.
Een 600 watt sonar-compatibele transducer, via optionele
E66066-adapterkabel.
Sonartransducerverbinding - multifunctionele displays met
sonar
2
D12256-1
1
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen met sonar).
2. Sonartransducerkabel.
3. Sonartransducer.
600 watt sonar-compatibele sonartransducerverbinding via
optionele adapter multifunctionele displays met sonar
D12257-1
1
2
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen met sonar).
2. E66066-adapterkabel.
3. Sonartransducer.
Transduceradapterkabel
Kabel Artikelnummer
0,5 m (1,64 ft)
transduceradapterkabel
E66066
Sonartransducerverbinding - multifunctionele displays
zonder sonar
1
2
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/
RayNet
3
6
5
4
D12258-1
Kabels en aansluitingen
49
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen zonder sonar).
2. Raymarine-netwerkswitch (alleen vereist wanneer er meer
dan één apparaat wordt aangesloten met behulp van
SeaTalk
hs
/ RayNet).
3. RayNet-kabel.
4. Raymarine-sonarmodule.
5. Sonartransducerkabel.
6. Sonartransducer.
Minn Kota-sonartransducerverbinding via optionele
adapterkabel (alleen multifunctionele displays met sonar)
D12259-1
1
4
2
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display (modellen met sonar).
2. Minn Kota-transduceradapterkabel.
3. Minn Kota-transducerkabel.
4. Minn Kota-transducer.
Multifunctionele displays met sonar
De onderstaande tabel laat zijn welke modellen multifunctionele
displays een ingebouwde sonarmodule hebben en direct kunnen
worden aangesloten op compatibele sonartransducers.
Modellen zonder
sonar Modellen met sonar
DownVision-
modellen
a65 a67 a68
a65 WiFi a67 WiFi a68 WiFi
a75 a77
a78
a75 WiFi a77 WiFi a78 WiFi
e7
e7D
c95 c97
c125 c127
e95 e97
e125 e127
e165
Minn Kota transducer-adapterkabel
Verbindt de Minn Kota-sonartransducer met een compatibel
multifunctioneel display van Raymarine.
Kabel Artikelnummer
1 m (3,28 ft) Minn Kota
transducer-adapterkabel
A62363
Aansluiting thermische camera
U kunt een thermische camera aansluiten op uw Nieuwe c-serie
of Nieuwe e-serie multifunctionele displays.
Opmerking: Nieuwe a-serie ondersteunt geen thermische
camera's.
De camera wordt normaal gesproken aangesloten via een
Raymarine-netwerkswitch. Als u de optionele joystick (JCU) wilt
gebruiken met de camera, dan dient deze ook te zijn aangesloten
op de netwerkswitch. Er is een composiet videoverbinding
vereist tussen de camera en het multifunctionele display.
Aansluiting T200-serie thermische camera
D12839-1
3
2
1
4
5
1. Vast gemonteerde T200-serie thermische camera.
2. Multifunctioneel display.
3. Power over Ethernet (PoE)-injector.
4. RayNet naar RJ45 SeaTalk
hs
-adapterkabel.
5. Videokabel.
Aansluiting T300-/T400-serie thermische camera.
2
4
3
5
D12161-1
1
7
6
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
SeaTalk
hs
/ RayNet
1. Multifunctioneel display
2. Raymarine-netwerkswitch
3. Joystick Control Unit (JCU), optioneel
4. SeaTalk
hs
naar RayNet-kabel
5. Ethernet-kabelkoppeling.
6. PoE-injector (Power over Ethernet) (alleen nodig wanneer u
de optionele JCU gebruikt).
7. Thermische camera
8. Videoverbinding
Belangrijke opmerkingen
U kunt de thermische camera besturen met uw multifunctionele
display. De joystick (JCU) is optioneel en kan wanneer nodig
worden gebruikt in combinatie met het multifunctionele display
voor het bedienen van de thermische camera.
Thermische camera's met “Dual payload” beschikken over 2
onafhankelijke lenzen: 1 voor thermisch (infrarood) en 1 voor
zichtbaar licht. Als u slechts 1 display hebt dient u alleen de
videokabel met het etiket “VIS / IR” (zichtbaar licht / infrarood)
op het display aan te sluiten. Als u 2 of meer displays hebt
dient u op iedere display 1 kabel aan te sluiten.
U kunt het beeld van de thermische camera alleen weergeven
op het multifunctionele display waarmee de camera fysiek is
verbonden. Als u het beeld van de thermische camera op
meer dan 1 display wilt weergeven, dan dient u een geschikte
videodistributie-unit van een andere fabrikant aan te schaffen.
Voor meer informatie over de installatie van de camera
(waaronder de aansluitingen en de montage) raadpleegt u de
installatie-instructies bij de camera.
50 a Series / c Series / e Series
Kabels thermische camera
Vereisten voor de kabels van thermische camera's.
Camera naar netwerkschakelaar
Er is een netwerk-patchkabel nodig om de camera aan te sluiten
op de netwerkschakelaar. De aansluiting tussen het kabeleinde
van de camera en de netwerkschakelaar wordt gemaakt met
behulp van een koppeling (meegeleverd met de camera).
Netwerk-patchkabels zijn verkrijgbaar in verschillende lengten.
Joystick-bediening (JCU)
Er wordt een ethernetkabel (met voeding) gebruikt om de JCU
aan te sluiten. De JCU wordt geleverd met een ethernetkabel
van 7,62 m (25 ft) om deze verbinding te maken. Als u een
andere lengte nodig hebt kunt u contact opnemen met uw dealer
voor de juiste kabel.
Power over Ethernet (PoE)-injector naar netwerkschakelaar
Er is een netwerk-patchkabel nodig om de PoE-injector aan
te sluiten op de netwerkschakelaar. Netwerk-patchkabels zijn
verkrijgbaar in verschillende lengten.
Videokabels
Bij dit product worden geen videokabels meegeleverd. Neemt
u alstublieft contact op met uw dealer voor de juiste kabels en
adapters.
Raymarine adviseert gebruik te maken van een RG59 75 ohm
(of betere) coaxkabel met BNC-connector.
IP-cameraverbindingen
U kunt IP-camera's aansluiten op uw multifunctionele display.
Compatibele IP-camera's dienen te kunnen worden
gecongureerd om:
automatisch een IP-adres toe te wijzen voordat ze verbinding
maken met uw multifunctionele display of netwerk.
niet-geverieerde, anonieme ONVIF-toegang toe te staan.
Raadpleeg de met uw IP-camera meegeleverde instructies voor
informatie over de conguratie.
Opmerking: Het aansluitingenpaneel van uw product kan
er iets anders uitzien dan hier getoond, afhankelijk van het
model. De manier van aansluiten op het netwerk is gelijk voor
alle producten met RayNet-connectoren.
IP-camera's kunnen direct worden aangesloten op de
SeaTalk
hs
-RayNet-connector van uw multifunctionele display.
D12592-2
1
3
4
2
Artikel Omschrijving
1
Aansluitingenpaneel achterzijde multifunctioneel display
2 IP-camera
3 RayNet naar RJ45-kabel
4
SeaTalk
hs
-crossover-koppeling
U kunt ook meerdere IP-camera's aansluiten via het
SeaTalk
hs
-netwerk
D12593-2
1
4
3
4
44
2
5
5
5
5
3 3
3
Artikel Omschrijving
1
Multifunctioneel display
2 Raymarine-netwerkswitch
3 RayNet naar RJ45-adapterkabel
4
SeaTalk
hs
-crossover-koppelingen
5
IP-camera's
Opmerking: a-, c- en e-serie multifunctionele displays
hebben geen power over ethernet (PoE), aangesloten
camera's dienen hun eigen stroomvoorziening te hebben.
Tip Als uw IP-camera's niet worden gedetecteerd door uw
multifunctionele display, probeer dan de IP-camera's uit en aan
te schakelen terwijl uw multifunctionele display aan blijft staan.
Aansluiting weerontvanger
U kunt een Sirius XM-weerontvanger aansluiten op uw
multifunctionele display.
RayNet
0
0
0
0
0
0
AUDIO
0
0
0
ANTENNA
0
NETWORK
0
0
POWER
0
0
D12902-2
1
2
1. Raymarine-weerontvanger.
2. Multifunctioneel display.
De weerontvanger kan ook worden aangesloten op een
Raymarine-netwerkswitch.
Voor informatie over het aansluiten van een SR50 met
behulp van SeaTalk
ng
kunt u het hoofdstuk 82257 bediening
SR50 raadplegen. Deze kunt u downloaden van de
Raymarine-website: www.raymarine.nl.
Kabels en aansluitingen
51
Fusion link-aansluiting
U kunt een Fusion 700 maritiem entertainmentsysteem
aansluiten op uw multifunctionele display.
Directe aansluiting
1
2
3 4
D12741-1
1. Multifunctioneel display.
2. Fusion-systeem.
3. RayNet naar SeaTalk
hs
-kabel.
4. Fusion-ethernetconnector.
Directe aansluiting op via netwerk verbonden
multifunctionele displays
3 2
D12742-1
4
1
5
1. Fusion-systeem.
2. Fusion-ethernetconnector.
3. RayNet naar SeaTalk
hs
-kabel.
4. Direct aangesloten multifunctionele display.
5. Via netwerk aangesloten multifunctionele displays.
Opmerking: Het Fusion-entertainmentsysteem kan worden
bediend met een direct aangesloten multifunctioneel display of
met een via een netwerk aangesloten multifunctioneel display.
Netwerkverbinding
D12740-1
6
5
1
2
6
3 4
1. Netwerkswitch.
2. Fusion-systeem.
3. RayNet naar SeaTalk
hs
-kabel.
4. Fusion-ethernetconnector.
5. Tweede Fusion-systeem (het multifunctionele
display kan worden aangesloten op meerdere
Fusion-entertainmentsystemen).
6. Via netwerk aangesloten multifunctionele displays.
Opmerking: Het Fusion-entertainmentsysteem kan worden
bediend met een compatibel en via een netwerk verbonden
multifunctioneel display wanneer deze wordt aangesloten met
behulp van een netwerkswitch.
52 a Series / c Series / e Series
4.6 GPS-verbinding
Afhankelijk van het model van uw display kan uw multifunctionele
display over een interne GPS-ontvanger beschikken. Wanneer
nodig kan het multifunctionele display ook worden aangesloten
op een externe GPS-ontvanger, met behulp van SeaTalk
ng
of
NMEA 0183.
GPS-verbinding SeaTalk
ng
D12261-1
SeaTalk
ng
1
2
1. Multifunctioneel display.
2. SeaTalk
ng
GPS-ontvanger.
GPS-verbinding NMEA 0183
D12262-1
NMEA 0183
1 2
1. Multifunctioneel display.
2. NMEA 0183 GPS-ontvanger.
4.7 AIS-verbinding
Er kan een compatibel AIS worden aangesloten met behulp van
SeaTalk
ng
of NMEA 0183.
Aansluiten met behulp van SeaTalk
ng
D12149-1
SeaTalk
ng
2
1
1. Multifunctioneel display.
2. SeaTalk
ng
AIS-ontvanger / zendontvanger.
Aansluiten met behulp van NMEA 0183
D11221-3
NMEA0183 (38400)
NMEA 0183 (4800)
3
1
2
1. Marifoon.
2. AIS-unit.
3. Multifunctioneel display.
Kabels en aansluitingen
53
4.8 Verbinding voor snelle
koersbepaling
Als u MARPA-functies (radarobjectontvangst) wilt gebruiken op
uw multifunctionele display hebt u één van de onderstaande
nodig:
Een stuurautomaat verbonden met een multifunctioneel
display via SeaTalk
ng
of NMEA 0183. Het kompas is
aangesloten op de koerscomputer en gekalibreerd via de
bedieningsunit van de stuurautomaat, of:
Een sensor voor snelle koersbepaling van Raymarine of een
andere fabrikant, aangesloten op het multifunctionele display
via NMEA 0183.
Opmerking: Neemt contact op met uw dealer of de
technische ondersteuning van Raymarine voor meer
informatie.
4.9 SeaTalk
ng
-verbindingen
Het display kan worden aangesloten op een SeaTalk
ng
-netwerk.
Het display kan SeaTalk
ng
gebruiken om te communiceren met:
SeaTalk
ng
-instrumenten
SeaTalk
ng
-stuurautomaten
SeaTalk-apparatuur via de optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter
NMEA 2000-apparaten via de optionele DeviceNet-
adapterkabels
Typisch SeaTalk
ng
-systeem
00
D12176-4
12 V / 24 V dc
1
2
6
9
10
8
5
7
3
4
1. SeaTalk
ng
-instrument
2. SeaTalk
ng
-stuurautomaatbediening
3. iTC-5-converter
4. Windtransducer
5. SeaTalk
ng
multifunctioneel display
6. Voeding
7. SeaTalk
ng
-stuurautomaat
8. iTC-5-converter
9. Dieptetransducer
10. Snelheidstransducer
Voor meer informatie over SeaTalk
ng
-kabels raadpleegt u
Hoofdstuk 32 Reserveonderdelen en accessoires.
Voedingsvereisten SeaTalk
ng
Voor de SeaTalk
ng
-bus is een 12 VDC-voeding vereist.
De voeding kan worden geleverd door:
Raymarine-apparatuur met een gereguleerde 12 VDC-voeding
(bijvoorbeeld een SmartPilot SPX-koerscomputer), of:
Een andere geschikte 12 VDC-voeding.
Opmerking: SeaTalk
ng
levert GEEN voeding aan
multifunctionele displays en andere apparatuur met een
toepassingsgerichte voedingsingang.
54 a Series / c Series / e Series
4.10 NMEA 2000-aansluiting
Het display kan gegevens ontvangen van NMEA
2000-apparaten (bijv. gegevens van compatibele motoren).
De NMEA2000-aansluiting wordt verbonden met behulp van
SeaTalk
ng
en de juiste adapterkabels.
U kunt OF:
uw SeaTalk
ng
-backbone gebruiken en ieder NMEA2000-
apparaat op een spur aansluiten, OF
het display aansluiten op een spur in een bestaande
NMEA2000-backbone.
Belangrijk: U kunt niet 2 backbones samen aansluiten.
NMEA2000-apparatuur aansluiten op de SeaTalk
ng
-backbone
NMEA 200012V
D12174-1
1
2
4
3
SeaTalk
ng
1. 12V voeding voor backbone.
2. SeaTalk
ng
-backbone.
3. SeaTalk
ng
naar DeviceNet-adapterkabel.
4. NMEA 2000-apparatuur.
Het display aansluiten op een bestaande NMEA2000-
backbone (DeviceNet)
D12175-1
32
4
1
1. Multifunctioneel display.
2. SeaTalk
ng
naar DeviceNet-adapterkabel.
3. DeviceNet-backbone.
4. NMEA 2000-apparatuur.
4.11 SeaTalk-verbinding
U kunt SeaTalk-apparaten aansluiten op uw multifunctionele
display met behulp van de optionele SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converter.
D12148-1
SeaTalk
ng
SeaTalk
1
2
SeaTalk
ng
3
1. SeaTalk-apparaat.
2. SeaTalk naar SeaTalk
ng
-converter.
3. Multifunctioneel display.
Kabels en aansluitingen
55
4.12 NMEA 0183-aansluiting
NMEA 0183-apparaten kunnen direct worden aangesloten op
Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie multifunctionele displays met
behulp van de voeding- en gegevenskabel.
Opmerking: Nieuwe a-serie ondersteunt geen verbinding
met NMEA 0183-apparaten.
D12266-2
61 2 3 4 5
11
7 8 9 10
12
NMEA DEVICE
4800 / 38400 baud
NMEA DEVICE
4800 / 38400 baud
NMEA 0183-apparaten worden aangesloten met behulp van de
meegeleverde voeding- en datakabel.
Het display heeft 2 NMEA 0183-poorten:
Poort 1: invoer en uitvoer, transmissiesnelheid 4800 of 38400
baud.
Poort 2: alleen invoer, transmissiesnelheid 4800 of 38400
baud.
Opmerking: De transmissiesnelheid die u wilt gebruiken
voor iedere invoerpoort dient te worden gespeciceerd
in het menu Systeeminstellingen (Home-venster: >
Instellingen > Systeeminstellingen > NMEA-instellingen >
NMEA-invoerpoort).
Opmerking: Voor poort 1 communiceren de invoer
en de uitvoer met dezelfde transmissiesnelheid. Als u
bijvoorbeeld één NMEA 0183-apparaat hebt aangesloten
op de INVOER van poort 1 van het display en een ander
NMEA 0183-apparaat op de UITVOER van poort 1 van
het display, dan dienen beide NMEA-apparaten dezelfde
transmissiesnelheid te gebruiken.
U kunt maximaal 4 NMEA 0183-apparaten op de NMEA
0183-UITVOER (poort 1) van het display aansluiten.
U kunt totaal 2 NMEA 0183-apparaten op de NMEA
0183-INVOER-poorten van het display aansluiten.
Ar-
ti-
kel Apparaat
Kabel-
kleur Poort
Invoer /
uitvoer
Plus (+) /
min (-)
1 Wit 1 Invoer Plus
2
Groen
1 Invoer Min
3
Geel
1 Uitvoer Plus
4 Bruin 1 Uitvoer Min
5
Oranje / wit
2 Invoer Plus
6
Multifuncti-
oneel dis-
play
Oranje /
groen
2 Invoer Min
7
* *
Uitvoer Plus
8
* *
Uitvoer Min
9
* *
Invoer Plus
10
NMEA-
apparaat
* *
Invoer Min
11
* *
Uitvoer Plus
12
NMEA-
apparaat
* *
Uitvoer Min
Opmerking: *Raadpleeg de instructies van het
NMEA-apparaat.
NMEA 0183 kabel
U kunt de NMEA 0183 -bedrading verlengen binnen de
geleverde voedings- en datakabel.
Verlenging datakabel
Totale lengte (max) Kabel
t/m 5 m
Datakabel van hoge kwaliteit:
2 x getwist paar met volledige
afscherming
50 tot 75 pF/m capaciteit van
ader naar ader.
56 a Series / c Series / e Series
4.13 a-serie naar NMEA 0183
DSC-marifoonverbinding
Voor het a-serie multifunctionele display is een NMEA 0183
naar SeaTalk
ng
-converter en een gevoede SeaTalk
ng
-backbone
nodig om verbinding te kunnen maken met een NMEA 0183
DSC-marifoon.
12 V dc
+
+
43 5
2
8
11
D12833-1
10
1
SeaTalk
ng
12 V dc*
12 V dc
NMEA 0183 **
6 7
9
1
a-serie multifunctioneel display.
2
SeaTalk
ng
-spurkabel.
3
SeaTalk
ng
naar NMEA 0183 blanke draad-spur-kabel.
4
Converter NMEA 0183 min-aansluiting (gele draad).
5
NMEA 0183-apparaat ingang min-aansluiting (paarse draad).
6
Converter NMEA 0183 plus-aansluiting (rode draad).
7
NMEA 0183-apparaat ingang plus-aansluiting (grijze draad).
8
NMEA 0183 DSC-marifoon.
9
SeaTalk
ng
-voedingskabel.
10
Converter.
11
NMEA 0183-verbinding (gebruik de kabel die met de marifoon is
meegeleverd).
Opmerking: * Als de converter is aangesloten op
een gevoede SeaTalkng-backbone, is de speciale
voedingsaansluiting naar de converter zoals weergegeven op
de bovenstaande afbeelding NIET nodig.
Opmerking: ** De aansluiting op de marifoon mag alleen
via de NMEA 0183-ingang. Het is een uni-directionele (één
richting) aansluiting.
4.14 Camera-/videoverbinding
Er kan een camera of videoapparaat direct worden aangesloten
op Nieuwe c-serie of Nieuwe e-serie multifunctionele displays
met behulp van de videoconnector op de voeding- en
gegevenskabel.
Opmerking: Video-apparaten kunnen niet direct worden
aangesloten op Nieuwe a-serie multifunctionele displays.
Voor het verbinden van een camera met een Nieuwe a-serie
display kunt u de sectie IP-cameraverbinding raadplegen.
Voorbeelden van videobronnen die u op het display kunt
aansluiten zijn:
Videocamera.
Thermische camera.
DVD-speler.
Draagbare digitale videospeler.
D12178-1
1
2
4
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display.
2. Voedings- en gegevenskabel.
3. BNC-videoconnector (invoer 1).
4. Videobron bijvoorbeeld videocamera.
Opmerking: Om het geluid van een lm te beluisteren dienen
aangesloten DVD- of digitale videospelers over luidsprekers
te beschikken die zijn aangesloten op de audio-uitvoer van
de speler.
Kabels en aansluitingen
57
4.15 Camera/video in-uit-verbinding
Er kan een camera/video-apparaat of extern display worden
aangesloten op Nieuwe e-serie multifunctionele displays (met
uitzondering van e7 / e7D) met behulp van de speciale video
in/uit-connector.
Opmerking: Nieuwe a-serie en Nieuwe c-serie
multifunctionele displays hebben geen speciale video
in/uit-connector.
Video In
Voorbeelden van videobronnen die u op het display kunt
aansluiten zijn:
Videocamera.
Thermische camera.
DVD-speler.
Draagbare digitale videospeler.
D12328-1
1
2
4
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display.
2. Video-hulpkabel.
3. BNC-videoconnector (invoer 2).
4. Thermische camera.
Opmerking: Om het geluid van een lm te beluisteren dienen
aangesloten DVD- of digitale videospelers over luidsprekers
te beschikken die zijn aangesloten op de audio-uitvoer van
de speler.
Video uit
Voorbeelden van video-uitvoerapparaten die u op het display
kunt aansluiten zijn:
HDTV met VGA-invoer.
VGA-monitor.
D12329-1
1
2
4
3
1. Aansluitingenpaneel aan de achterkant van het
multifunctionele display.
2. Video-hulpkabel.
3. VGA-kabel naar externe display.
4. Externe display.
Specicatie video
Signaaltype Composiet
Formaat
PAL of NTSC
Connectortype BNC (female)
Uitvoerresolutie 720p
Videokabels
De volgende videokabel is vereist voor de video in-/-uit-connector
van e95 / e97 / e125 / e127-multifunctionele displays.
Artikelnummer Omschrijving Opmerkingen
R70003 Video-hulpkabel voor
e-modellen
58 a Series / c Series / e Series
4.16 Aansluiting mediaspeler
U kunt uw multifunctionele display gebruiken voor de draadloze
bediening van een Bluetooth-compatibele mediaspeler (zoals
een smartphone).
De mediaspeler moet compatibel zijn met Bluetooth 2.1+ EDR
power class 1.5 (ondersteund proel: AVRCP 1.0) of hoger.
D12164-2
1 32
1. Multifunctioneel display.
2. Bluetooth-verbinding.
3. Bluetooth-compatibele mediaspeler.
Om deze functie te gebruiken dient u eerst:
Bluetooth in te schakelen in de Systeeminstellingen van het
multifunctionele display.
Bluetooth in te schakelen op de mediaspeler.
De mediaspeler te koppelen met het multifunctionele display.
Bediening audio in de Systeeminstellingen op het
multifunctionele display in te schakelen.
Sluit een RCU-3-afstandsbediening aan en wijs de sneltoets
toe aan Start/Stop afspelen audio (alleen vereist op een
c-serie display).
Opmerking: Als uw mediaspeler geen ingebouwde
luidsprekers heeft, kan het nodig zijn de uitgang van de
mediaspeler te verbinden met een extern audio-systeem of
een koptelefoon. Voor meer informatie kunt u de instructies
van de mediaspeler raadplegen.
Bluetooth inschakelen
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Bluetooth > Aan.
Het koppelen van een Bluetooth-mediaspeler
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent en
Bluetooth is ingeschakeld:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Nieuwe Bluetooth-verbinding.
Er wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd
uw mediaspeler in detectiemodus te zetten.
5. Zorg ervoor dat Bluetooth is ingeschakeld op uw externe
mediaspeler en dat hij klaar is om te worden gekoppeld.
Voor meer informatie kunt u de instructies van het apparaat
raadplegen.
6. Op het multifunctionele display selecteert u OK in het
dialoogvenster.
Het multifunctionele display zoekt naar actieve
Bluetooth-apparaten.
7. Selecteer Stop herkenning wanneer uw apparaat in de lijst
verschijnt.
8. Selecteer de mediaspeler in de lijst.
Er wordt een koppelingsverzoek weergegeven op het externe
media-apparaat.
9. Selecteer Koppelen (of een vergelijke optie) op het externe
media-apparaat om het koppelingsverzoek te accepteren.
Op het multifunctionele display wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd de koppelingscode
te bevestigen.
10.Als de koppelingscode op uw multifunctionele display
overeenkomt met de code op het externe media-apparaat
selecteert u OK op het multifunctionele display. Als de codes
niet overeenkomen herhaalt u de stappen 4 tot en met 8.
11. Als de koppeling is geslaagd bevestigt het multifunctionele
display de koppeling.
Het externe media-apparaat is nu gekoppeld aan het
multifunctionele display.
Audiobediening inschakelen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Verbindingsbeheer.
5. Selecteer de mediaspeler in de lijst.
6. Selecteer Audiobediening > Aan.
Mediaspelerbediening
Met multifunctionele displays met touchscreen kunt u de
bediening van de mediaspeler op het scherm gebruiken om het
geluid te regelen van uw externe mediaspeler.
D
12293-1
1
32 4 5
1. Raak dit pictogram aan om de audiobediening weer te
geven.
2. Vorig nummer.
3. Nummer afspelen.
4. Nummer pauzeren.
5. Volgend nummer.
Wanneer u Terug selecteert wordt de audiobediening verborgen.
De mediaspeler bedienen met een
afstandsbediening
U kunt de audio draadloos bedienen met behulp van een
Raymarine RCU-3-afstandsbediening.
De sneltoets op de RCU-3 dient te zijn ingesteld op Start/Stop
afspelen audio, raadpleeg de sectie Een afstandsbediening
gebruiken voor meer informatie.
1. Druk op de pijl OMHOOG voor het volgende nummer.
2. Druk op de pijl OMLAAG voor het vorige nummer.
3. Druk op de SNELKNOP om audio af te spelen/te pauzeren.
Kabels en aansluitingen
59
Opmerking: Op Nieuwe c-serie multifunctionele displays
worden wel audioregelaars weergegeven op het scherm,
maar u kunt er niet mee werken. Om de audio te regelen dient
u een aangesloten RCU-3 te gebruiken.
Een Bluetooth-apparaat ontkoppelen
Wanneer u problemen hebt bij het gebruik van een
Bluetooth-apparaat met een multifunctioneel display kan
het nodig zijn het apparaat (en alle andere gekoppelde
Bluetooth-apparaten) te ontkoppelen en de koppelprocedure
opnieuw uit te voeren.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Verbindingsbeheer.
5. Selecteer de mediaspeler in de lijst.
6. Selecteer Ontkoppelen/vergeet dit apparaat.
4.17 Aansluiting Bluetooth-
afstandsbediening
U kunt het multifunctionele display draadloos bedienen met
behulp van een Raymarine-afstandbediening.
De afstandsbediening gebruikt een draadloze Bluetooth-
verbinding.
D12163-2
1 32
1. Multifunctioneel display.
2. Bluetooth-verbinding.
3. Raymarine Bluetooth-afstandsbediening (bijvoorbeeld
RCU-3).
Om de afstandsbediening te gebruiken dient u eerst:
Bluetooth in te schakelen in de Systeeminstellingen van het
multifunctionele display.
De afstandsbediening te koppelen met een compatibel
multifunctioneel display.
Gebruiksinstructies
Gebruiksinstructies afstandsbediening.
Er mag op ieder moment slechts 1 multifunctioneel display
worden bediend met een afstandsbediening. U kunt geen
multifunctioneel display aan meer dan 1 afstandsbediening
tegelijk koppelen.
De 3 knoppen op de afstandsbediening hebben verschillende
functies, afhankelijk van CONTEXT waarin u het gebruikt. In
de kaarttoepassing besturen de knoppen bijvoorbeeld andere
functies dan in het HOME-venster.
Alle functies zijn toegankelijke met een combinatie van de
3 knoppen. Voor sommige functies moet u een knop KORT
indrukken. U kunt een knop ook INGEDRUKT HOUDEN voor
een continue respons (bijvoorbeeld continue afstandsbepaling
in de kaarttoepassing).
De belangrijkste gebruiksfuncties zijn de pijlknoppen
OMHOOG en OMLAAG om de verschillende opties op het
scherm te markeren. De SNELKNOP wordt gebruikt om ze
te selecteren (uit te voeren).
Tijdens het koppelingsproces moet u deniëren welke pijl de
“OMHOOG”-knop moet zijn.
De SNELKKNOP kan worden ingesteld voor het uitvoeren
van één van de functies met behulp van het menu "Setup
systeem" op het multifunctioneel display.
Het koppelen van de afstandsbediening en
het congureren van de knoppen OMHOOG
en OMLAAG
De afstandsbediening dient te worden “gekoppeld” met het
multifunctioneel display dat u wilt bedienen. Doe het volgende
op het multifunctionele display, in het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Bluetooth > Aan.
5. Selecteer Nieuwe Bluetooth-verbinding.
Er wordt een pop-up-bericht weergegeven om te bevestigen
dat het apparaat waarmee u verbinding maakt detecteerbaar
is.
6. Selecteer OK om te bevestigen.
Er wordt een lijst weergegeven met gevonden apparaten.
60 a Series / c Series / e Series
7. Houd de OMHOOG- en OMLAAG-knoppen op uw
afstandsbediening gedurende 10 seconden tegelijk
ingedrukt.
8. Selecteer de afstandsbediening in de lijst met apparaten.
9. Druk wanneer daarom wordt gevraagd op de pijlknop
op uw afstandsbediening die u wilt congureren als de
OMHOOG-knop. De andere pijlknop wordt automatisch
gecongureerd als de OMLAAG-knop.
Als de apparaten zijn gekoppeld wordt het bericht “Koppeling
geslaagd” weergegeven. Als het bericht “Koppeling mislukt”
of “Koppeling time-out” wordt weergegeven dient u de
stappen 1 tot en met 8 te herhalen.
Het aanpassen van de SNELKNOP
Om dit te doen gaat u naar het beginscherm van uw
multifunctiedisplay en vervolgens:
1. Kies Set-up.
2. Kies Systeem Instellingen.
3. Kies Externe Apparaten.
4. Kies Afstandsbediening.
5. Kies Sneltoets Aanpassen.
6. Kies de functie die u wilt toewijzen aan de Sneltoets.
Kabels en aansluitingen
61
4.18 Functies van de afstandsbediening
B
ereik
Knoppen
Koppelen
Selecteren
of
D12051-2
Pijlknoppen
Snelknop
Knop Toepassing waarin de functie beschikbaar is:
Standaard functies:
Kaart Radar
Fishnder
Weer Home-venster
Bereik / zoom
Druk op de pijlen
OMHOOG of OMLAAG
voor directe respons.
Houd de pijlen OMHOOG
en OMLAAG ingedrukt
voor continue respons.
Open het Home-venster Snelknop: ingedrukt
houden
Selecteer de toepassing in
het Home-venster (volgorde
van links naar rechts, van
boven naar beneden)
Druk op de pijlen
OMHOOG of OMLAAG
voor directe respons.
Houd de pijlen OMHOOG
en OMLAAG ingedrukt
voor continue respons.
Schakelen tussen
menu-items en opties in
dialoogvensters (volgorde
van links naar rechts, van
boven naar beneden).
Druk op de pijlen
OMHOOG of OMLAAG
voor directe respons.
Houd de pijlen OMHOOG
en OMLAAG ingedrukt
voor continue respons.
Waypoint plaatsen op de
scheepspositie.
Snelknop
Bediening van de
mediaspeler (hiervoor dient
een Bluetooth-mediaspeler
te zijn gekoppeld aan het
multifunctionele display).
Druk op de pijl
OMHOOG/OMLAAG
voor volgende/vorige
nummer.
Druk op de SNELKNOP
voor afspelen/pauzeren.
Aanpasbare functies:
62 a Series / c Series / e Series
Knop Toepassing waarin de functie beschikbaar is:
Het Home-venster openen.
SNELKNOP
Schakelen tussen actieve
toepassingen (alleen
beschikbaar wanneer er
meerdere toepassingen
worden weergegeven).
SNELKNOP
De RCU opnieuw aansluiten
1. Wanneer u de RCU-3 koppelt met een multifunctioneel
display wordt een draadloze verbinding gemaakt.
2. Wanneer u het multifunctionele display uitzet verliest u de
verbinding met de RCU-3 na 10 minuten.
>
10 Minutes
=
10
15
20
25
30
Minutes
35
40
45
50
55
60
5
3. Om de verbinding tussen de 2 units te herstellen houdt u een
knop op de RCU-3 minimaal 3 seconden ingedrukt.
=
3 Seconds
10
15
20
25
30
Seconds
35
40
45
50
55
60
5
Opmerking: U dient de RCU-3 ook opnieuw te verbinden
zoals hierboven is beschreven als u de Bluetooth-verbinding
van het multifunctionele display uitschakelt en daarna weer
inschakelt.
Kabels en aansluitingen
63
4.19 WiFi-verbindingen
Verbinding Raymarine mobiele app
U kunt een compatibele tablet en smartphone gebruiken als
draadloos repeater-display of afstandsbediening voor uw
multifunctionele display.
Met Raymarine apps kunt u wat u ziet op uw multifunctionele
display streamen naar een compatibel apparaat of op afstand
bedienen met behulp van een Wi-Fi-verbinding.
Om deze functie te gebruiken dient u eerst:
Ervoor te zorgen dat uw apparaat compatibel is met de app
die u wilt gebruiken.
De betreffende Raymarine-app te downloaden en te
installeren, beschikbaar in de betreffende App Store.
Wi-Fi in te schakelen in de Systeeminstellingen van het
multifunctionele display.
Wi-Fi in te schakelen op uw compatibele apparaat.
De Raymarine Wi-Fi-verbinding te selecteren in de lijst met
beschikbare Wi-Fi-netwerken op uw compatibele apparaat.
De betreffende mobiele app in te schakelen in de
Systeeminstellingen van het multifunctionele display.
Opmerking: Het multifunctionele display fungeert als
Wi-Fi-toegangspunt. Als uw apparaat al is verbonden met een
toegangspunt voor e-mail en internet dient u uw toegangspunt
terug te zetten om weer toegang te krijgen tot e-mails en
internet.
Navionics Mobile Marine App
U kunt gegevens draadloos synchroniseren tussen uw
multifunctionele display (MFD) en een mobiel apparaat waarop
de Navionics mobile marine App draait.
De synchronisatie downloadt Navionics Freshest Data vanaf uw
mobiele apparaat naar uw MFD en uploadt sonar-logbestanden
vanaf uw MFD naar uw mobiele apparaat. Waypoints en routes
kunnen ook worden gesynchroniseerd tussen uw mobiele
apparaat en het MFD.
D12166-3
67
1 2 4 53
1 Navionics-servers
2 Downloaden van Navionics Freshest Data naar uw mobiele
apparaat (internetverbinding vereist)
3 Mobiele apparaat waarop Navionics Mobile App draait
4 Downloaden van Navionics Freshest Data naar MFD
(WiFi-verbinding met MFD vereist)
5
MFD
6
* Uploaden van sonar-logbestanden en community-
bewerkingen naar mobiele apparaat (WiFi-verbinding met
MFD vereist)
7
** Uploaden van sonar-logbestanden en community-
bewerkingen anoniem naar Navionics-servers
(internetverbinding vereist)
Opmerking:
* Om deel te nemen aan Navionics-sonarkaarten moeten
sonar-logbestanden zijn ingeschakeld op uw MFD.
Sonar-logbestanden kunnen worden ingeschakeld vanuit het
menu van de Kaart-toepassing: Menu > Diepte & lijnen >
Sonar-logbestanden.
** De sonar-logbestanden worden anoniem geüpload naar
de Navionics-servers.
Om deze functie te gebruiken dient u eerst:
1. De Navionics Mobile Marine App te downloaden en te
installeren, beschikbaar in de betreffende app store.
2. U aan te melden voor Navionics Freshest Data.
3. Freshest Data te downloaden op uw mobiele apparaat.
4. WiFi in te schakelen in de Systeeminstellingen van het MFD.
5. WiFi in te schakelen op uw mobiele apparaat.
6. De MFD-WiFi-verbinding te selecteren in de lijst met
beschikbare WiFi-netwerken op uw mobiele apparaat.
64 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 5: Montage
Inhoudsopgave
5.1 Montage - Nieuwe a-serie op pagina 66
5.2 Montage - Nieuwe c-serie en Nieuwe e-serie op pagina 68
Montage
65
5.1 Montage - Nieuwe a-serie
Montage
Het display kan in een paneel worden gemonteerd.
Voordat u de unit monteert dient u ervoor te zorgen dat:
U een geschikte plaats kiest.
U de kabelverbindingen en de plaatsen waar de kabels
moeten worden gelegd hebt vastgesteld.
De rand aan de voorzijde hebt verwijderd.
D12585-2
0
1. Controleer de gekozen plaats voor de unit. Er is een schone,
vlakke ondergrond vereist met voldoende vrije ruimte achter
het paneel.
2. Boor de 4 montagegaten op de unit uit of tik ze eruit
D12588-1
0
0
0
0
0
0
3. Zet de juiste zaagmal die bij het product is meegeleverd vast
op de gekozen plaats met behulp van zelfklevend band.
4. Gebruik een geschikte boor (de maat staat vermeld op de
mal) om gaten te maken in alle hoeken van het uit te zagen
gebied.
5. Gebruik een geschikte zaag om langs de binnenkant van de
snijlijn te zagen.
6. Controleer of de unit in het uitgezaagd stuk past en vijl langs
de zaagsnede totdat deze glad is.
7. Boor 4 gaten zoals aangegeven op de mal voor de
bevestigingsschroeven.
8. Plaats de pakking op de displayunit en druk hem stevig op
de ens.
9. Sluit de kabels voor voeding en gegevens etc. aan op de unit.
10.Schuif de unit op zijn plek en zet hem vast met de
meegeleverde bevestigingen.
Opmerking: De meegeleverde pakking zorgt voor
afdichting tussen de unit en een voldoende vlak en stevig
montageoppervlak of behuizing. De pakking dient bij alle
installaties te worden gebruikt. Het kan ook nodig zijn een
voor de scheepvaart geschikte kit te gebruiken als het
montageoppervlak niet volledig vlak of stevig is, of een ruwe
afwerking heeft.
Montage van de beugel (ens)
Het display kan worden gemonteerd op een ensbeugel.
Voordat u de unit monteert dient u ervoor te zorgen dat:
U een geschikte plaats kiest.
U de kabelverbindingen en de plaatsen waar de kabels
moeten worden gelegd hebt vastgesteld.
De instrumentrand aan de voorzijde hebt bevestigd.
D12578-2
1. Markeer de plaats voor de schroefgaten van de
montagebeugel op het gekozen montageoppervlak.
2. Boor gaten voor de schroeven met een geschikte boor en
let er goed op dat er niets achter het oppervlak zit dat kan
worden beschadigd.
3. Gebruik de meegeleverde bevestigingen om de
montagebeugel stevig te bevestigen.
4. Bevestig het display op de montagebeugel.
Voorframe
Het bevestigen van de instrumentrand aan de voorzijde
De volgende procedure gaat ervan uit dat de unit reeds op zijn
plaats is gemonteerd.
1. Til voorzichtig één rand van de beschermfolie op, zodat u het
kunt verwijderen wanneer de unit is geïnstalleerd.
2. Zorg ervoor dat het klepje van de geheugenkaartsleuf open
staat.
3. Zoek de rechter onderkant van de instrumentrand onder
het lipje van het klepje voor de SD-kaart en plaats de
instrumentrand over de voorkant van het display. Zorg
66 a Series / c Series / e Series
er daarbij voor dat de clips langs de onderrand van de
instrumentrand op hun plaats klikken.
D12586-1
4. Zorg ervoor dat de instrumentrand correct is uitgelijnd met
het display, zoals te zien is op de tekening.
5. Oefen stevige maar gelijkmatige druk uit op de
instrumentrand langs de:
i. buitenranden - werk vanaf de zijkanten naar boven en
dan langs de bovenrand, en zorg ervoor dat het stevig
op zijn plek vastklikt.
ii. binnenranden - in het bijzonder langs de rand van het
klepje voor de SD-kaart, om ervoor te zorgen dat de
instrumentring vlak zit.
6. Controleer of de POWER-knop en het klepje van de
cartograemodule vrij toegankelijk zijn.
De instrumentrand aan de voorzijde verwijderen
Voordat u verder gaat dient u ervoor te zorgen dat het klepje
van de kaartsleuf open is.
D
12584-1
0
1
1
2222
1
2
1
2
1
2
1
2
Belangrijk: Wees voorzichtig bij het verwijderen van
de instrumentrand. Gebruik geen gereedschap om de
instrumentrand op te tillen, dit kan tot beschadigingen leiden.
1. Plaats uw beide duimen op de linkerbovenhoek van het
display, op de plaatsen zoals getoond in het schema
hierboven.
2. Plaats uw duimen onder de instrumentring, op de plaatsen
zoals getoond in het schema hierboven.
3. Oefen in één krachtige beweging druk uit met uw duimen op
de buitenste rand van het display en trek de instrumentrand
met uw vingers naar u toe.
De instrumentrand moet nu gemakkelijk loskomen van het
display.
Montage
67
5.2 Montage - Nieuwe c-serie en
Nieuwe e-serie
De instrumentrand aan de achterzijde
verwijderen
U dient de instrumentrand aan de achterzijde te verwijderen
voordat u het display in een paneel kunt inbouwen.
Opmerking: Deze stappen zijn niet van toepassing op de
e165 omdat daarvoor geen instrumentrand aan de achterzijde
nodig is.
1. Verwijder de instrumentrand aan de voorzijde. Raadpleeg de
afzonderlijke instructies voor deze procedure.
D12184-3
e7 / e7D
1
3
2
2. Verwijder de schroeven waarmee de instrumentrand vastzit
op het display (alleen vereist voor e7 en e7D).
3. Verwijder de instrumentrand voorzichtig van de achterkant
van het display, trek de rand daarbij voorzichtig langs de:
i. Buitenranden - werk vanaf de zijkanten naar boven en
dan langs de bovenrand, zorg er daarbij voor dat de
klemmen volledig loskomen van het display.
ii. Binnenranden - zorg ervoor dat de instrumentrand
volledig loskomt van het display.
Opmerking: Alleen de e7 en e7D hebben bevestigings-
schroeven voor de instrumentrand aan de achterzijde, andere
modellen van het multifunctionele display hebben clips die de
instrumentrand op zijn plaats houden.
Paneelmontage
Het display kan in een paneel worden gemonteerd.
Voordat u de unit monteert dient u ervoor te zorgen dat:
U een geschikte plaats kiest.
U de kabelverbindingen en de plaatsen waar de kabels
moeten worden gelegd hebt vastgesteld.
De rand aan de voorzijde hebt verwijderd.
D12271-2
1. Controleer de gekozen plaats voor de unit. Er is een schone,
vlakke ondergrond vereist met voldoende vrije ruimte achter
het paneel.
2. Zet de juiste zaagmal die bij het product is meegeleverd vast
op de gekozen plaats met behulp van zelfklevend band.
3. Gebruik een geschikte boor (de maat staat vermeld op de
mal) om gaten te maken in alle hoeken van het uit te zagen
gebied.
4. Gebruik een geschikte zaag om langs de binnenkant van de
snijlijn te zagen.
5. Controleer of de unit in het uitgezaagde stuk past en vijl
langs de zaagrand totdat deze glad is.
6. Boor 4 gaten zoals aangegeven op de mal voor de
bevestigingen.
7. Plaats de pakking op de displayunit en druk hem stevig op
de ens.
8. Sluit de kabels voor voeding en gegevens etc. aan op de unit.
9. Schuif de unit op zijn plek en zet hem vast met de
meegeleverde bevestigingen.
Opmerking: De meegeleverde pakking zorgt voor
afdichting tussen de unit en een voldoende vlak en stevig
montageoppervlak of behuizing. De pakking dient bij alle
installaties te worden gebruikt. Het kan ook nodig zijn een
voor de scheepvaart geschikte kit te gebruiken als het
montageoppervlak niet volledig vlak of stevig is, of een ruwe
afwerking heeft.
Het bevestigen van de instrumentrand aan
de achterzijde
De instrumentrand aan de achterzijde dient te zijn geplaatst als
u een montagebeugel wilt gebruiken om de unit te monteren.
Opmerking: Deze stappen zijn niet van toepassing op de
e165 omdat daarvoor geen instrumentrand aan de achterzijde
nodig is.
1. Verwijder de instrumentrand aan de voorzijde. Raadpleeg de
afzonderlijke instructies voor deze procedure.
2. Plaats de instrumentrand over de achterzijde van het
display en zorg ervoor dat deze correct is uitgelijnd met het
display. Oefen stevige maar gelijkmatige druk uit op de
instrumentrand langs de:
i. Buitenranden - werk vanaf de zijkanten naar boven en
dan langs de bovenrand en zorg ervoor dat het stevig
op zijn plek vastklikt.
68 a Series / c Series / e Series
ii. Binnenranden - let erop dat de instrumentring vlak tegen
de unit aanzit.
D12183-3
e7 / e7D
1
2
3
3. Gebruik de meegeleverde schroeven om de instrumentrand
vast te zetten op het display (alleen e7 en e7D).
Montage van de beugel (ens)
Het display kan worden gemonteerd op een ensbeugel.
Opmerking: De montagebeugel wordt meegeleverd met de
e7- en e7D-displaymodellen, voor alle andere displaymodellen
is de montagebeugel een optionele accessoire. Zie de sectie
Reserveonderdelen en accessoires van deze handleiding
voor meer informatie.
Voordat u de unit monteert dient u ervoor te zorgen dat:
U een geschikte plaats kiest.
U de kabelverbindingen en de plaatsen waar de kabels
moeten worden gelegd hebt vastgesteld.
De instrumentrand aan de voorzijde hebt bevestigd.
D12273-2
1. Markeer de plaats voor de schroefgaten van de
montagebeugel op het gekozen montageoppervlak.
2. Boor gaten voor de bevestigingen met een geschikte boor
en let er goed op dat er niets achter het oppervlak zit dat
kan worden beschadigd.
3. Gebruik de meegeleverde bevestigingen om de
montagebeugel stevig te bevestigen.
4. Bevestig het display op de montagebeugel.
Voorframe
Het bevestigen van de instrumentrand aan de voorzijde
De volgende procedure gaat ervan uit dat de unit reeds op zijn
plaats is gemonteerd.
1. Til voorzichtig één rand van de beschermfolie op, zodat u het
kunt verwijderen wanneer de unit is geïnstalleerd.
2. Zorg ervoor dat het klepje van de geheugenkaartsleuf open
staat.
3. Zoek de rechter onderkant van de instrumentrand onder het
lipje het klepje voor de SD-kaart en plaats de instrumentrand
over de voorkant van het display. Zorg er daarbij voor dat de
kipjes langs de onderrand van de instrumentrand op hun
plaats klikken.
Montage
69
D12274-1
4. Zorg ervoor dat de instrumentrand correct is uitgelijnd met
het display, zoals te zien is op de tekening.
5. Oefen stevige maar gelijkmatige druk uit op de
instrumentrand langs de:
i. buitenranden - werk vanaf de zijkanten naar boven en
dan langs de bovenrand, en zorg ervoor dat het stevig
op zijn plek vastklikt.
ii. binnenranden - in het bijzonder langs de rand van het
klepje voor de SD-kaart, om ervoor te zorgen dat de
instrumentring vlak zit.
6. Controleer of alle bedieningsknoppen vrij toegankelijk zijn.
De instrumentrand aan de voorzijde verwijderen
Voordat u verder gaat dient u ervoor te zorgen dat het klepje
van de kaartsleuf open is.
D12275-1
2
1
2
1
Belangrijk: Wees voorzichtig bij het verwijderen van
de instrumentrand. Gebruik geen gereedschap om de
instrumentrand op te tillen, dit kan tot beschadigingen leiden.
1. Plaats uw beide duimen op de linkerbovenhoek van het
display, op de plaatsen zoals getoond in het schema
hierboven.
2. Plaats uw duimen onder de instrumentring, op de plaatsen
zoals getoond in het schema hierboven.
3. Oefen in één krachtige beweging druk uit met uw duimen op
de buitenste rand van het display en trek de instrumentrand
met uw vingers naar u toe.
De instrumentrand moet nu gemakkelijk loskomen van het
display.
70 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 6: Beginnen
Inhoudsopgave
6.1 Voeding van het display op pagina 72
6.2 Bediening Nieuwe a-serie op pagina 72
6.3 e7 / e7D-bediening op pagina 73
6.4 Bedieningen c95 / c97 / c125 / c127 / e95 / e97 / e125 / e127 / e165 op pagina 73
6.5 Overzicht Home-venster displays met alleen touchscreen op pagina 75
6.6 Overzicht Home-venster c-serie/e-serie op pagina 75
6.7 Pagina's op pagina 77
6.8 Toepassingen op pagina 79
6.9 Regelaars voor gesplitst scherm op pagina 80
6.10 Overzicht scherm op pagina 81
6.11 Basisbediening touchscreen op pagina 84
6.12 Multi-Touch-gebaren op pagina 85
6.13 Procedures voor eerste instelling op pagina 85
6.14 Stuurautomaatbediening inschakelen op pagina 87
6.15 Motoridenticatie op pagina 88
6.16 AIS-functies inschakelen op pagina 90
6.17 Software-updates op pagina 90
Beginnen
71
6.1 Voeding van het display
Het display inschakelen
1. Druk op de AAN/UIT-knop op het display.
2. Selecteer Accepteren om de disclaimer te accepteren.
Het display inschakelen
1. Druk op de Aan/Uit-knop.
2. Druk op de OK-knop om de disclaimer te accepteren.
Het display afsluiten
1. Houd de knop Aan/uit ingedrukt totdat het systeem tot nul
heeft teruggeteld.
Opmerking: Als u de knop Aan/uit loslaat voordat het
systeem tot nul heeft teruggeteld, wordt de afsluitprocedure
geannuleerd.
Stand-by-modus (energiespaarmodus)
In de energiespaarmodus blijven alle functies van het
multifunctionele display actief, maar de unit wordt in een
toestand gebracht met minder stroomverbruik. De LED-lampjes
rond de draaiknop knipperen iedere 1,5 seconde om aan
te geven dat de unit in energiespaarmodus staat. De
energiespaarmodus wordt opgeheven door op een fysieke knop
te drukken of wanneer er sprake is van een alarmsituatie.
D12367-1
Opmerking: Voor de veiligheid van de gebruiker is de
energiespaarmodus niet beschikbaar als:
aangesloten radars zijn ingeschakeld
het multifunctionele display voor stuurautomaatbediening
zorgt in een systeem zonder een afzonderlijke
stuurautomaatbediening en de stuurautomaat is
ingeschakeld.
De energiespaarmodus inschakelen
Om de energiespaarmodus in te schakelen volgt u de
onderstaande stappen.
1. Zorg ervoor dat de op het systeem aangesloten radars zijn
uitgeschakeld.
2. Druk op de Aan/Uit-knop.
Het menu met snelkoppelingen wordt weergegeven.
3. Selecteer Energiespaarmodus.
Het multifunctionele displays is nu in energiebesparende
modus.
4. U kunt de unit op ieder moment activeren vanuit de
Energiespaarmodus door op een fysieke knop van het
multifunctionele display te drukken.
Opmerking: De Energiespaarmodus wordt automatisch
geannuleerd wanneer er sprake is van een alarmsituatie.
6.2 Bediening Nieuwe a-serie
D12577-1
3
1
2
Omschrijving Functies
1 Touchscreen
Raak het scherm aan om functies te bedienen,
waaronder alle menufuncties.
2
AAN/UIT-
knop
Eén keer indrukken om de unit AAN te zetten.
Druk wanneer hij is ingeschakeld nogmaals
op de Aan/Uit-knop om de helderheid aan
te passen, een schermopname te maken,
de energiespaarmodus te openen of de
aan/uit-bedieningselementen voor externe
apparaten te openen.
Houd de knop ingedrukt om de unit UIT te
schakelen.
Als een geïntegreerde stuurautomaat is
ingeschakeld, gaat de stuurautomaat naar
STAND-BY-modus wanneer u de knop indrukt
en vasthoudt.
3
Kaartsleuf Open het moduleklepje om een MicroSD-
kaartmodule te plaatsen of te verwijderen. Er
is 1 modulesleuf, gebruikt voor elektronische
cartograemodules en het archiveren van
waypoint-, route-, track- en instellingsgegevens.
72
a Series / c Series / e Series
6.3 e7 / e7D-bediening
D12179-1
2
4
5
6
7
3
1
Omschrijving Functies
1 Touchscreen U kunt het scherm aanraken om veel gewone
functies te bedienen, waaronder alle menufuncties.
2 Menu
Geeft toegang tot menu's. Druk opnieuw om de
menu's te sluiten.
3
UniControl Bevat een joystick, draaiknop en OK-drukknop
voor gebruik in menu's en toepassingen.
4 Terug Druk hierop om terug te keren naar een vorig menu
of dialoogniveau.
5
WPT/MOB
Druk in en laat los voor toegang tot de
waypoint-opties. Druk opnieuw om een
waypoint te plaatsen.
Houd hem ingedrukt om een Man Overboord
(MOB)-markering te plaatsen op uw huidige
positie.
6
AAN/UIT-knop
Eén keer indrukken om de unit AAN te zetten.
Druk wanneer hij is ingeschakeld nogmaals
op de Aan/Uit-knop om de helderheid aan
te passen, een schermopname te maken,
de energiespaarmodus te openen of de
aan/uit-bedieningselementen voor externe
apparaten te openen.
Houd de knop ingedrukt om de unit UIT te
schakelen.
Als een geïntegreerde stuurautomaat is
ingeschakeld, gaat de stuurautomaat naar
STAND-BY-modus wanneer u de knop indrukt
en vasthoudt.
7
Kaartsleuf Open het moduleklepje om een
MicroSD-kaartmodule te plaatsen of te verwijderen.
Er zijn 2 modulesleuven (met label 1 en 2),
gebruikt voor elektronische cartograemodules
en het archiveren van waypoints, routes en
instellingsgegevens.
6.4 Bedieningen c95 / c97 / c125 / c127
/ e95 / e97 / e125 / e127 / e165
D12276-1
1
2 3
4
5
6
7
11 10
8
9
Omschrijving Functies
1 Touchscreen U kunt het scherm aanraken om veel gewone
functies te bedienen, waaronder alle menufuncties.
2 Home Druk hierop om naar het Home-venster terug te
keren
3 Menu
Geeft toegang tot menu's. Druk opnieuw om de
menu's te sluiten.
4
UniControl Bevat een joystick, draaiknop en OK-drukknop
voor gebruik in menu's en toepassingen.
5
Terug Druk hierop om terug te keren naar een vorig
menu of dialoogniveau.
6
Bereik in/uit Druk op de min (-) om het bereik uit te zoomen en
de plus (+) om het bereik in te zoomen
7
WPT/MOB
Druk in en laat los voor toegang tot de
waypoint-opties. Druk opnieuw om een
waypoint te plaatsen.
Houd hem ingedrukt om een Man Overboord
(MOB)-markering te plaatsen op uw huidige
positie.
8
AAN/UIT-knop
Eén keer indrukken om de unit AAN te zetten.
Druk wanneer hij is ingeschakeld nogmaals
op de Aan/Uit-knop om de helderheid aan
te passen, een schermopname te maken,
de energiespaarmodus te openen of de
aan/uit-bedieningselementen voor externe
apparaten te openen.
Houd de knop ingedrukt om de unit UIT te
schakelen.
9
Kaartsleuf Open het moduleklepje om een
MicroSD-kaartmodule te plaatsen of te
verwijderen. Er zijn 2 modulesleuven (met
label 1 en 2), gebruikt voor elektronische
cartograemodules en het archiveren van
waypoints, routes en instellingsgegevens.
10
Stuurauto-
maat
Druk in om de geïntegreerde stuurautomaat uit
te schakelen.
Druk in om de automatische modus voor de
geïntegreerde stuurautomaat in te schakelen.
11 Actieve
venster
omschakelen
Druk in om het actieve venster om te schakelen
(voor gesplitste pagina's).
Beginnen
73
UniControl
Displays zonder touchscreen, HybridTouch-displays en het
toetsenbord op afstand beschikken over UniControl, dat bestaat
uit een draaiknop, een joystick en een drukknop.
D12180-1
1
2
3
1. Draaiknop gebruik deze om menu-items te selecteren,
de cursor op het scherm te verplaatsen en het bereik in de
kaart- en radartoepassingen aan te passen.
2. Joystick gebruik de joystick om de cursorpositie
in toepassingen te verplaatsen, naar boven, beneden,
links en rechts te kantelen in de kaart-, weer- en
Fishnder-toepassingen of om door gegevenspagina's te
bladeren in de gegevenstoepassing.
3. OK-knop druk op het uiteinde van de joystick om een
selectie of invoer te bevestigen.
Touch-pictogrammen
Multifunctionele displays met touchscreen kunnen de
pictogrammen TERUG en AFSLUITEN gebruiken om te
schakelen tussen de verschillende menuniveaus die beschikbaar
zijn in iedere toepassing.
Terug ga één niveau terug (hetzelfde effect als de
TERUG-knop).
Sluiten sluit alle open menu's (heeft hetzelfde effect als
de MENU-knop).
De cursor gebruiken
De cursor wordt gebruikt om op het scherm te bewegen.
D7366_3
De cursor wordt weergegeven op het scherm als een wit
kruis.
D7368_2
Als de cursor gedurende een korte periode niet is
gebruikt, verandert het in een cirkel met een kruis erin,
zodat u hem gemakkelijker kunt vinden op het scherm.
D7369-2
WPT
De cursor is contextafhankelijk. Wanneer het op
een object zoals een waypoint of kaartelement wordt
geplaatst, verandert de kleur en wordt er een label
weergegeven met informatie over het object.
Lijst met cursorlabels
Label Functie Applicatie
A/B
Liniaal Kaart
AIS AIS-doel
Kaart
COG Grondkoersvector
Kaart
CTR Centrum radar
Radar
FLT
Variabele EBL/VRM
Radar
GRD
Bewaakte zone Radar
HDG
Koersvector Kaart
MARPA MARPA-doel Radar
MOB Man Overboord-
markering
Kaart, radar
POS
Positie vaartuig Kaart
RTE Etappe van route Kaart
SHM
Koersmarkering schip Radar
TIDE
Getijde-indicator
Kaart
TRACK
Tracklijn Kaart
VRM/EBL VRM en EBL, 1 of 2
Radar
WIND Windindicator Kaart
WPT Waypoint Kaart, radar
74
a Series / c Series / e Series
6.5 Overzicht Home-venster
displays met alleen touchscreen
Het Home-venster is het centrale toegangspunt naar de
toepassingen, gegevens en instellingen op uw display.
Via het Home-venster kunt u ook uw gegevens snel
openen (waypoints, routes, tracks, foto's en video's) en
back-upinstellingen.
Het Home-venster bestaat uit een aantal Home-
vensterpagina's. Veeg het scherm naar links of naar rechts
met uw vinger om door de beschikbare Home-vensterpagina's
te bladeren.
Iedere Home-vensterpagina bestaat uit een aantal
pictogrammen. Toepassingen worden gestart door het
betreffende pictogram te selecteren.
D12580-3
1 2
3
4
5 6
Schermitem Omschrijving
1 Waypoint selecteer het pictogram om de waypoint-lijst
te openen. Selecteer het pictogram en houd hem
ingedrukt om een Man Overboord (MOB)-markering te
plaatsen op de huidige positie van uw schip.
2 Mijn gegevens met dit pictogram kunt u uw gegevens
waaronder route-, track- en waypointlijsten centraal
beheren. U kunt ook opgeslagen foto's en video's en
back-upinstellingen openen.
3 Aanpassen selecteer dit pictogram om
toepassingspagina's en displayvoorkeuren te
congureren.
4 Instellingen selecteer dit pictogram om de
instellingenmenu's van het systeem te openen.
5
Pictogram ieder pictogram staat voor een
toepassingspagina. Een pagina kan meerdere
toepassingen tegelijk weergeven.
6
Statusbalk het statuspictogram bevestigt de status
van extern aangesloten apparatuur, waaronder GPS, AIS,
radar, sonar en stuurautomaat.
6.6 Overzicht Home-venster
c-serie/e-serie
Het Home-venster is het centrale toegangspunt naar de
toepassingen, gegevens en instellingen op uw display.
Via het Home-venster kunt u ook uw gegevens snel
openen (waypoints, routes, tracks, foto's en video's) en
back-upinstellingen.
Het Home-venster bestaat uit een aantal Home-
vensterpagina's. Veeg het scherm naar links of naar rechts
met uw vinger om door de beschikbare Home-vensterpagina's
te bladeren.
Iedere Home-vensterpagina bestaat uit een aantal
pictogrammen. Toepassingen worden gestart door het
betreffende pictogram te selecteren.
D12195-3
1 2 3 4
6 5
Scher-
mitem Omschrijving
1
Touch-vergrendeling (alleen displays met HybridTouch)
selecteer dit pictogram op het touchscreen om te voorkomen dat
u per ongeluk het scherm bedient. Om te ontgrendelen gebruikt
u de UniControl om de selectie van de Touch-vergrendeling
ongedaan te maken.
2 Mijn gegevens met dit pictogram kunt u uw gegevens
waaronder route-, track- en waypointlijsten centraal beheren. U
kunt ook opgeslagen foto's en video's en back-upinstellingen
openen.
3 Aanpassen selecteer dit pictogram om toepassingspagina's
en displayvoorkeuren te congureren.
4 Instellingen selecteer dit pictogram om de instellingenmenu's
van het systeem te openen.
5
Pictogram ieder pictogram staat voor een toepassingspagina.
Een pagina kan meerdere toepassingen tegelijk weergeven.
6
Statusbalk het statuspictogram bevestigt de status van
extern aangesloten apparatuur, waaronder GPS, AIS, radar,
sonar en stuurautomaat.
Het home-venster openen
Het home-venster kan vanuit iedere toepassing worden
geopend.
Om het home-venster te openen volgt u de onderstaande
stappen:
1. Selecteer het pictogram van het home-venster op het
scherm.
Het home-venster openen
Het home-venster kan vanuit iedere toepassing worden
geopend.
Om het home-venster te openen volgt u de onderstaande
stappen:
Beginnen
75
1. Druk op de Home-knop.
Opmerking: De e7 en e7D hebben een gecombineerde
Menu- en Home-knop, om het home-venster te openen houdt
u de Menu/Home-knop 3 seconden ingedrukt.
Statussymbolen databalk
De statussymbolen op de databalk geven aan of de juiste
aansluitingen zijn gemaakt op uw systeem.
De symbolen geven de status van de volgende items aan:
Radarscanner
AIS-zendontvanger
Sonarmodule
GPS-ontvanger.
Stuurautomaat
Statussymbolen voor stuurautomaat
De status van de stuurautomaat wordt aangegeven in de
databalk.
Symbool Omschrijving
Stuurautomaat staat in Standby-modus.
Stuurautomaat staat in Track-modus.
Stuurautomaat staat in Auto-modus.
Geen stuurautomaat gedetecteerd.
Alarm stuurautomaat actief.
Ontwijkingsmodus actief.
Vismodus actief.
Kalibratie stuurautomaat.
Stuurbekrachtiging actief.
Windvaanmodus actief.
Statussymbolen radarscanner
De modus van de voedingsmodus van de radarscanner wordt
weergegeven in de statusbalk.
Symbool
Voe-
dingsmo-
dus radar Omschrijving
Zenden
(TX)
Roterend pictogram, waarmee wordt
aangegeven dat de scanner aan is en
uitzendt. Wanneer SCANNER is ingesteld
op AAN, selecteert u deze modus om de
scanner te activeren. Dit is de gebruikelijke
manier van werken.
Stand-by
(STBY)
Stilstaand pictogram, waarmee wordt
aangegeven dat de scanner aan is maar
niet uitzendt en dat de antenne niet
draait. De scanner zendt niet uit en de
radargegevens worden verwijderd van het
scherm. Dit is een energiebesparende
modus die wordt gebruikt wanneer de
radar voor kortere periodes niet nodig is.
Wanneer u terugkeert naar de zendmodus
hoeft de magnetron niet opnieuw op te
warmen. Dit is de standaard modus.
Uit De voeding van de scanner is uit wanneer
geen radar nodig is, maar het display wordt
gebruikt voor andere toepassingen zoals
de kaart. Wanneer dit is geselecteerd telt
het systeem terug. In deze periode kunt u
de voeding van de scanner niet opnieuw
inschakelen.
Tijdge-
bonden
zenden
De scanner schakelt tussen aan/zenden
en de stand-bymodus. De scanner gaat
in de energiebesparende modus wanneer
continu gebruik van de radar niet nodig is.
AIS-statussymbolen
AIS-status wordt aangegeven door een symbool in de databalk.
Symbool Omschrijving
AIS-unit is ingeschakeld en werkt.
AIS momenteel niet beschikbaar.
AIS-unit is uitgeschakeld of niet aangesloten.
AIS-unit werkt in stille modus.
AIS-unit werkt in stille modus, met actieve
alarmen.
AIS-unit is aangesloten en ingeschakeld,
maar heeft actieve alarmen.
AIS-unit is aangesloten en ingeschakeld,
maar het alarm voor gevaarlijke en verloren
doelen is uitgeschakeld.
76 a Series / c Series / e Series
Statussymbolen voor sonar
De status van de sonarmodule wordt aangegeven in de databalk.
Symbool Omschrijving
Bewegend symbool: de
sonarmodule is aangesloten
en zendt uit.
Stilstaand symbool: de sonarmodule
is aangesloten maar zendt niet uit.
Grijs symbool: de sonarmodule
is niet aangesloten of wordt niet
gedetecteerd.
GPS-statussymbolen
De status van de GPS-ontvanger wordt aangegeven in de
databalk.
Symbool Omschrijving
Er is een GPS-ontvanger
aangesloten die een positiebepaling
heeft verkregen.
Er is geen GPS-ontvanger
aangesloten of er is geen
positiebepaling verkregen.
6.7 Pagina's
Pagina's worden weergegeven om toepassingen weer te geven.
Pagina's worden geopend met behulp van de pictogrammen in
het Home-venster. Iedere pagina kan meer dan 1 toepassing
weergeven.
U kunt tot 4 toepassingen per pagina instellen en
weergeven met behulp van een c-serie, e-serie of gS-serie
multifunctioneel display (met uitzondering van e7 en e7D).
De a-serie en de e7/e7D multifunctionele displays kunnen
maximaal 2 toepassingen per pagina weergeven.
De a-serie en de e7/e7D kan echter maximaal 4 toepassingen
per pagina weergeven als deze het Home-venster van een
multifunctioneel display deelt dat al pagina's heeft met 4
toepassingen en deze kan weergeven.
Pagina's kunnen worden aangepast, waardoor u uw
toepassingen kunt groeperen in verschillende pagina's, die zijn
ontworpen voor verschillende doeleinden. U kunt bijvoorbeeld
een pagina hebben die de kaart- en Fishnder-toepassingen
bevat voor vissen en een andere pagina die de kaart- en
gegevenstoepassingen bevat, die geschikt is voor algemeen
varen.
Pictogram voor een pagina met één
toepassing.
Pictogram voor een pagina met
meerdere toepassingen.
U kunt ook de layout deniëren voor iedere pagina, daarmee
wordt bepaald hoe de toepassingen op het scherm worden
weergegeven.
De startpagina bij inschakelen instellen
U kunt uw multifunctionele display zo instellen, dat bij het
opstarten een pagina wordt weergegeven in plaats van het
Home-venster.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Startpagina.
Er wordt een lijst weergegeven met opties.
Home-venster bij het opstarten wordt het Home-venster
weergegeven.
Laatste pagina de als laatste weergegeven pagina
wordt weergegeven als startpagina
Selecteer pagina de pagina die u selecteert wordt
weergegeven als startpagina
4. Als u de optie Selecteer pagina selecteert, wordt het
Home-venster weergegeven.
Beginnen
77
5. Selecteer het pictogram van de pagina die u wilt weergeven
wanneer het display wordt ingeschakeld.
De instelling voor de startpagina is van toepassing op iedere
afzonderlijke display en wordt niet automatisch gedeeld op via
het netwerk aangesloten displays.
Een bestaande pagina op het Home-venster
wijzigen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Pagina bewerken.
4. Selecteer het paginapictogram dat u wilt wijzigen.
De opties van het menu "Aanpassen" worden weergegeven.
5. Selecteer de gewenste layout voor de pagina (bijvoorbeeld
“Gesplitst scherm”).
6. Selecteer de toepassing(en) die u op de pagina wilt
weergeven, door óf het betreffende menu-item te selecteren
óf door deze naar de weergegeven pagina te slepen.
7. Selecteer Voltooien.
Het dialoogvenster Pagina hernoemen wordt weergegeven.
8. Gebruik het schermtoetsenbord om de pagina een naam te
geven en selecteer Opslaan.
Een lege pagina wijzigen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Pagina bewerken.
4. Selecteer een lege pagina-pictogram (met het label
“Aanpassen”).
De opties van het menu "Aanpassen" worden weergegeven.
5. Selecteer de gewenste layout voor de pagina (bijvoorbeeld
“Gesplitst scherm”).
6. Selecteer de toepassing(en) die u op de pagina wilt
weergeven, door óf het betreffende menu-item te selecteren
óf door deze naar de weergegeven pagina te slepen.
7. Selecteer Voltooien.
Het dialoogvenster "Pagina hernoemen" wordt weergegeven.
8. Gebruik het schermtoetsenbord om de pagina een naam te
geven en selecteer Opslaan.
Een pagina op het Home-venster verplaatsen
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer het pictogram Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Pagina's verwisselen.
4. Selecteer het paginapictogram dat u wilt verplaatsen.
5. Selecteer het paginapictogram dat u van plaats wilt wisselen.
Het paginapictogram is verplaatst naar de nieuwe positie.
Een pagina op het Home-venster hernoemen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer het pictogram Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Pagina hernoemen.
4. Selecteer de pagina die u wilt hernoemen.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
5. Gebruik het schermtoetsenbord om de nieuwe naam voor
de pagina in te voeren.
6. Selecteer OPSLAAN.
Een pagina verwijderen vanuit het
Home-venster
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer het pictogram Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Pagina verwijderen.
4. Selecteer de pagina die u wilt verwijderen.
De pagina is verwijderd.
Het Home-venster resetten naar de standaard
instellingen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer het pictogram Aanpassen.
2. Selecteer Home-venster.
3. Selecteer Reset.
Er wordt een waarschuwing weergegeven waarin u wordt
gevraagd de actie te bevestigen.
4. Selecteer Ja om het Home-venster te resetten naar de
standaard pagina's, of Nee om de actie te annuleren.
78 a Series / c Series / e Series
6.8 Toepassingen
Kaarttoepassing geeft een grasche 2D- of
3D-weergave van uw kaarten om u te helpen
bij het navigeren. Met de waypoint-, route- en
track-functies kunt u naar een specieke locatie
navigeren, routes maken of vastleggen waar u
bent geweest. Cartograemodules bieden meer
details en 3D-weergave.
Fishnder-toepassing met een transducer
en een multifunctioneel sonar-display of
een compatibele sonarmodule kunt u de
shnder-toepassing gebruiken. Hiermee
kunt u nauwkeurig onderscheid maken tussen
verschillende visgroottes, zeebodemstructuur
en obstakels onderwater. U kunt ook de
zeediepte en temperatuurgegevens bekijken
en interessante plaatsen zoals visplaatsen of
wrakken markeren.
Radartoepassing met een geschikte
radarscanner kunt u de radartoepassing
gebruiken om objecten te volgen en afstanden
en peilingen te meten. Er is een aantal
voorkeursinstellingen voor automatische
signaalversterkingen en kleurmodi beschikbaar
die u helpen het beste uit uw radarscanner te
halen.
Gegevenstoepassing bekijk systeem- en
instrumentgegevens op uw multifunctionele
display van een groot aantal compatibele
instrumenten. Gebruik de joystick of het
touchscreen om door de beschikbare
gegevenspagina's te bladeren.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
Wanneer er een geschikte weerontvanger
is verbonden met uw systeem, plaatst de
weertoepassing een laag op de wereldkaart met
historische, huidige en voorspelde weerbeelden.
Thermische cam-toepassing bekijk en
bestuur een compatibele thermische camera
met behulp van een compatibel multifunctioneel
display.
Cameratoepassing bekijk een video- of
camerabron op uw multifunctionele display.
Doc-viewer bekijk pdf-documenten die zijn
opgeslagen op een MicroSD-kaart.
FUSION Link-toepassing aansluiten om een
compatibel Fusion-entertainmentsysteem vanaf
uw multifunctionele display te bedienen.
Sirius Audio-toepassing bedien een Sirius
radio vanaf uw multifunctionele display.
Gebruikershandleiding opent de Engelse
versie van de gebruikershandleiding van het
product die is opgeslagen op het display. Om
de vertaalde handleidingen te openen die zijn
opgeslagen op een geheugenkaart gebruikt u
de Doc-viewer.
Beginnen
79
6.9 Regelaars voor gesplitst scherm
Wanneer u een pagina bekijkt waarop meer dan 1 toepassing
wordt weergegeven kunt u de toepassingen schakelen tussen
weergave op gesplitst scherm en weergave op volledig scherm.
Voorbeeld 1 pagina gesplitst scherm
Voorbeeld 2 shnder-toepassing vergroot tot volledig
scherm
Het actieve venster selecteren
Bij het bekijken van een gesplitst scherm kunt u de actieve
toepassing selecteren en deze op volledig scherm weergeven
door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer een pagina met meerdere
toepassingen wordt weergegeven:
1. Raak een willekeurige plek in de toepassing die u actief wilt
maken aan.
Er verschijnt een kader rond de toepassing, wat aangeeft
dat hij actief is.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Volledig scherm om de actieve toepassing op
volledig scherm te bekijken, of
4. Selecteer Gesplitst scherm om terug te keren naar
weergave met gesplitst scherm.
Het actieve venster selecteren met
behulp van regelaars bij modellen zonder
touchscreen
Bij het bekijken van een gesplitst scherm kunt u de actieve
toepassing selecteren en deze op volledig scherm weergeven
met behulp van de fysieke knoppen van het MFD of een
toetsenbord op afstand.
Doe het volgende wanneer een pagina met meerdere
toepassingen wordt weergegeven:
1. Druk op de knop
Actieve venster omschakelen.
Het pop-upvenster voor het actieve venster wordt
weergegeven:
2. Druk op de knop Actieve venster omschakelen of gebruik
de Draaiknop om door de actieve toepassing te bladeren.
3. Gebruik de regelaars Bereik inzoomen of Bereik uitzoomen
om de actieve toepassingen te schakelen tussen gesplitst
scherm en volledig scherm.
Het actieve venster selecteren e7/e7D
Bij het bekijken van een gesplitst scherm kunt u de actieve
toepassing selecteren en deze op volledig scherm weergeven
op een e7 / e7D door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer een pagina met meerdere
toepassingen wordt weergegeven:
1. Druk op de Menu-knop.
2. Selecteer Toepassingen roteren.
Wanneer u Toepassingen roteren selecteert wordt door de
beschikbare toepassingen gebladerd.
3. Selecteer Volledig scherm om de actieve toepassing op
volledig scherm te bekijken, of
4. Selecteer Gesplitst scherm om terug te keren naar
weergave met gesplitst scherm.
Het actieve paneel of display wisselen met
behulp van het toetsenbord
De knop Actieve schakelen wordt gebruikt om het actieve paneel
op een pagina met meerdere toepassingen te wisselen en/of om
het actieve display te veranderen.
Doe het volgende wanneer meerdere displays zijn aangesloten
en/of één of meer pagina's met meerdere toepassingen wordt
weergegeven:
Roteersequentie
D12880-1
2 3
4
1
5
1. Druk op de knop Actieve schakelen om de wisselaarmodus
te openen.
2. Gebruik de draaiknop om door de beschikbare vensters
en/of displays te roteren.
Het toetsenbord bladert door de displays in de volgorde
waarin ze zijn gekoppeld. Op pagina's met meerdere
toepassingen kunnen de Bereik-knoppen worden gebruikt
om de actieve toepassing te schakelen tussen volledig en
gesplitst scherm.
3. Druk op de Terug-knop of de knop Actieve schakelen om
de schakelmodus te verlaten.
80 a Series / c Series / e Series
6.10 Overzicht scherm
D12196-2
7
6
1
2 3
4
5
Schermitem Omschrijving
1 Home
Displays met een touchscreen selecteer
het Home-pictogram op het scherm om het
Home-venster te openen.
Displays zonder touchscreen en
HybridTouch-displays gebruik de fysieke
Home-knop om het Home-venster te openen.
2
Gegevensbalk geeft informatie over uw schip en
de omgeving. Het type informatie in de gegevensbalk
kunnen zo nodig worden aangepast via het menu
Home-venster > Aanpassen > Instellingen
gegevensbalk.
3
Menu menuopties zijn speciek voor de toepassing
die u op dat moment gebruikt.
4
Statusbalk geeft informatie die speciek is voor de
toepassing. Deze informatie kan niet worden bewerkt
of verplaatst.
5
Contextmenu geeft informatie en opties die
speciek zijn voor de toepassing.
6 Menu-opties menuopties worden weergegeven
wanneer Menu is geselecteerd.
7
Pop-upberichten waarschuwen u over een
situatie (zoals een alarm), of wanneer een functie niet
beschikbaar is. Voor pop-upberichten kan het nodig
zijn dat u een reactie geeft, bijvoorbeeld door OK te
selecteren om alarmsignalen uit te zetten.
Menu's
Met menu's kunt u instellingen en voorkeuren congureren.
Menu's worden gebruikt in:
Het Home-venster om uw multifunctionele display en
extern aangesloten apparaten te congureren.
Toepassingen om de instellingen voor die toepassing te
congureren.
D12281- 4
3
4
5
1 2
Schermi-
tem Omschrijving
1 Terug op displays met een touchscreen kunt u op
het scherm op het <<-pictogram (terug) drukken om
naar het voorgaande menu terug te keren. Op displays
zonder touchscreen of HybridTouch-displays gebruikt u de
Terug-knop.
2
Sluiten op displays met een touchscreen kunt u op
het scherm op het X-pictogram (sluiten) drukken om
naar het voorgaande menu terug te keren. Op displays
zonder touchscreen of HybridTouch-displays gebruikt u de
Terug-knop om de menustructuur te verlaten.
3
Geselecteerde menu-optie de menu-optie die op dit
moment is geselecteerd is gemarkeerd.
4
Schuifbalk geeft aan dat er nog meer menu-items
beschikbaar zijn wanneer u verder door het menu bladert.
Op displays met een touchscreen houdt u het menu
ingedrukt om het omhoog of omlaag te slepen om door
de beschikbare menu-items te bladeren. Op displays
zonder touchscreen of HybridTouch-displays gebruikt u de
Draaiknop.
5
Aan/Uit-schakelaar op displays met een touchscreen
kunt u menu-items op het scherm selecteren om functies
Aan of Uit te schakelen. Op displays zonder touchscreen of
HybridTouch-displays gebruikt u de OK-knop om de functie
Aan of Uit te schakelen.
Dialoogvensters
Dialoogvensters zijn menu's op volledig scherm waarmee u
gegevensitems zoals waypoints en routes kunt beheren.
D12277-2
1 4
5
2 3
Schermitem Omschrijving
1 Terug
Displays met een touchscreen selecteer het
Terug-pictogram op het scherm om terug te gaan
naar het vorige menu.
Displays zonder touchscreen of HybridTouch-
displays gebruik de Terug-knop om terug te gaan
naar het vorige menu.
2 Functiepictogrammen sommige dialoogvensters
bevatten pictogrammen die kunnen worden
geselecteerd om extra functies te openen. In het
Waypoint-lijst-dialoogvenster kan het pictogram
Sorteren op bijvoorbeeld worden gebruikt om te
veranderen hoe de waypoints-lijst is gesorteerd.
3
Menu-/lijst-item
Displays met een touchscreen door een item kort
aan te raken wordt het automatisch geselecteerd en
wordt het itemopties-menu weergegeven.
Displays zonder touchscreen of HybridTouch-
displays - gebruik de Draaiknop om een item te
markeren en de OK-knop om het te selecteren en
het optiemenu van het item weer te geven.
Beginnen
81
Schermitem Omschrijving
4
Sluiten
Displays met een touchscreen selecteer
het Sluiten-pictogram op het scherm om het
dialoogvenster te sluiten.
Displays zonder touchscreen of HybridTouch-
displays gebruik de Terug-knop om om het
dialoogvenster te sluiten.
5
Schuifbalk
Displays met een touchscreen - om door de
beschikbare items te bladeren houdt u de schuifbalk
ingedrukt en sleept u het omhoog of omlaag.
Displays zonder touchscreen of HybridTouch-
displays om door de beschikbare menu-items te
bladeren gebruikt u de Draaiknop.
Pagina met snelkoppelingen
U kunt een aantal handige functies openen vanuit de pagina met
snelkoppelingen.
D13004-1
1
3
5
7
8
4
2
6
1 De helderheid van het display verhogen
2 De helderheid van het display verlagen
3
Radar inschakelen/uitschakelen
4
Radar stand-by / Radar zendt
5
Stuurautomaat stand-by (tijdens actieve navigatie)
6 Dialoogvenster stuurautomaatbediening weergeven
7
Energiespaarmodus
8
Screenshot
Bewerkingsvensters
Met bewerkingsvensters kunt u de details van gegevensitems
die zijn opgeslagen op uw multifunctionele display, zoals
waypoints, routes en tracks, bewerken.
Wanneer u een tekstveld selecteert verschijnt een
schermtoetsenbord, dat kan worden gebruikt om de gegevens
te bewerken.
Informatie in dialoogvensters bewerken
Doe het volgende met het dialoogvenster op het scherm:
1. Selecteer het veld dat u wilt bewerken.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven:
2. Gebruik het schermtoetsenbord om de gegevens te wijzigen.
3. Selecteer OPSLAAN om de wijzigingen op te slaan.
Speciale karakters en karakters met accenten invoeren
Doe het volgende wanneer het schermtoetsenbord is
weergegeven:
1. Selecteer de àèò-toets van het schermtoetsenbord.
2. Selecteer het karakter waar u een accent aan toe wilt voegen.
De beschikbare karakters met accent worden weergegeven
boven het tekstinvoerveld.
3. Voor karakters waarvoor meerdere accenten beschikbaar
zijn, gebruikt u de toets van het karakter om tussen de
mogelijkheden te schakelen.
4. Selecteer de àèò-toets om het karakter in te voeren.
Numerieke menu-items
Numerieke menu-items geven numerieke gegevens waarmee
u of een vooraf gedenieerde waarde kunt selecteren, of de
waarde naar wensen kunt verhogen of verlagen.
Numerieke instellingen bewerken
Om numerieke waarden te wijzigen kunt u de de numerieke
regelaar op het scherm, het numerieke toetsenbord op het
scherm of de Draaiknop gebruiken om de waarde te verhogen
of te verlagen.
D12567-2
1 2 3 4
82 a Series / c Series / e Series
1. Selecteer het numerieke gegevensveld dat u wilt bewerken.
De numerieke regelaar wordt weergegeven.
2. Stel de instelling in op de gewenste waarde met behulp van:
i. De Draaiknop displays zonder touchscreen of
HybridTouch-displays, of
ii. De pijlen omhoog en omlaag op het scherm displays
met touchscreen.
3. Doe het volgende om het numerieke schermtoetsenbord te
openen:
Bediening via touchscreen selecteer het pictogram voor
het schermtoetsenbord in de numerieke regelaar.
Bediening zonder touchscreen druk op de Ok-knop en
houd hem vast.
Het numerieke schermtoetsenbord wordt weergegeven.
4. Voer de gewenste waarde in.
5. Selecteer OK om het numerieke toetsenbord te sluiten en
naar het menu terug te keren.
Schuifbalkregelaars gebruiken
Schuifbalkregelaars geven een grasche weergave van
numerieke gegevens waarmee u snel instellingen kunt wijzigen.
1
2
3
D12570-1
Artikel
Omschrij-
ving
Gebruik zonder
touchscreen
Gebruik met
touchscreen
1 Huidige
waarde
NVT NVT
2
Schuifrege-
laar
Gebruik de Draaiknop
om de waarde aan te
passen
Schuif de
schuifregelaar
Omhoog of Omlaag
om de waarde aan te
passen.
3 Automa-
tisch
Druk op de OK-knop
om te schakelen
tussen Automatisch en
handmatig aanpassen.
Selecteer de
betreffende instelling
om te schakelen
tussen Automatisch en
handmatig aanpassen.
Bedieningsvensters gebruiken
Met bedieningsvensters kunt u extern aangesloten apparatuur
zoals een stuurautomaat bedienen.
De volgende afbeelding toont de belangrijkste functies van een
typisch bedieningsvenster:
D12279-2
1
3
2
Schermitem Omschrijving
1
Status geeft statusinformatie voor de aangesloten
apparatuur. Het bedieningsvenster van de
stuurautomaat geeft bijvoorbeeld de vastgezette
heading en de huidige navigatiemodus weer van een
aangesloten stuurautomaat.
2 Besturingspictogrammen hiermee kunnen
aangesloten apparaten direct worden bediend.
Met de pictogrammen Stand-by en Volgen in het
bedieningsvenster van de stuurautomaat kunt u
bijvoorbeeld een aangesloten stuurautomaat instructies
geven over het uitvoeren van bepaalde functies.
3
Sluiten sluit het dialoogvenster van de bediening.
Beginnen
83
6.11 Basisbediening touchscreen
Plaatsen en verplaatsen van de cursor
met behulp van het touchscreen
Om de cursor te plaatsen of te verplaatsen op een
multifunctioneel display met touchscreen volgt u de
onderstaande stappen.
1. Raak het scherm op een willekeurig plek aan om de cursor
daar te plaatsen.
Touchscreen-vergrendeling
Op een multifunctioneel display met HybridTouch kunt u het
touchscreen vergrendelen om onbedoelde handelingen te
voorkomen.
Het vergrendelen van het Touchscreen is bijvoorbeeld met name
handig op ruwe zee of met ruw weer.
Het Touchscreen kan worden vergrendeld vanuit het
Home-venster. Het touchscreen kan alleen worden ontgrendeld
met de fysieke knoppen.
Het touchscreen vergrendelen Nieuwe
e-serie
Op Nieuwe e-serie multifunctionele displays beschikt
het Home-venster over een speciaal pictogram voor de
vergrendeling van het touchscreen.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer het Touch-vergrendeling-pictogram.
De kleur verandert om aan te geven dat het touchscreen is
uitgeschakeld. Alle functies blijven beschikbaar en u kunt ze
bedienen met de fysieke knoppen.
Touchscreen is vergrendeld. Alle functies
blijven beschikbaar en u kunt ze bedienen
met de fysieke knoppen.
Het touchscreen vergrendelen - displays met
alleen touchscreen
Wanneer een display met alleen touchscreen wordt gekoppeld
met een een optioneel toetsenbord op afstand, kan het
touchscreen worden vergrendeld.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer het Instellingen-pictogram.
2. Selecteer Aanraakvergrendeling zodat Aan is gemarkeerd.
Het touchscreen is nu vergrendeld.
Het touchscreen ontgrendelen nieuwe
e-serie
U kunt het touchscreen ontgrendelen door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Gebruik de UniControl om het pictogram Touch-
vergrendeling te markeren.
2. Druk op de OK-knop.
Het Touchscreen is ingeschakeld.
Touchscreen is niet vergrendeld.
Het touchscreen ontgrendelen - displays met
alleen touchscreen
Om het touchscreen van een display met alleen touchscreen te
ontgrendelen wanneer het is gekoppeld met een toetsenbord op
afstand, volgt u de onderstaande stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer het Instellingen-pictogram.
2. Selecteer Aanraakvergrendeling zodat Uit is gemarkeerd.
Het touchscreen is nu ontgrendeld.
84 a Series / c Series / e Series
6.12 Multi-Touch-gebaren
Raymarine a-serie en gS-serie multifunctionele displays
ondersteunen multi-touch.
Multi-touch betekent dat het display meerdere gelijktijdige
aanraakcommando's kan herkennen. Dit houdt in dat u 2 of
meer vingers tegelijkertijd kunt gebruiken op het scherm om
multi-touch-commando's te geven.
'Knijpen' om te zoomen
De 'knijpen om te zoomen'-gebaren kunnen worden gebruikt op
multifunctionele displays die multi-touch ondersteunen.
'Knijpen' om te zoomen bestaat uit 2 acties:
Beweeg 2 vingers uit elkaar om in te zoomen.
Beweeg 2 vingers naar elkaar toe om uit te zoomen.
0
0
0
0
0
0
0
0
D12920-2
Knijpen om te zoomen kan worden gebruikt in de volgende
toepassingen:
Kaart-toepassing.
Weer-toepassing.
6.13 Procedures voor eerste instelling
Zodra uw display is geïnstalleerd en in bedrijf is gesteld adviseert
Raymarine dat u de procedure voor eerste instelling uitvoert.
Opstart-wizard
Wanneer u het display voor de eerste keer aanzet of na een
systeemreset wordt de opstart-wizard weergegeven. De
wizard begeleidt u door de volgende basisinstellingen voor de
conguratie:
1. Taal
2. Scheepstype
3. Meeteenheid
4. Totale brandstofcapaciteit
5. Aantal accu's
6. Aantal motoren
7. Aantal brandstoftanks
Opmerking: Deze instellingen kunt u ook op ieder ander
moment aanpassen met behulp van de menu's die u opent
via Home-venster > Aanpassen.
Aanvullende instellingen
Naast de instellingen die door de wizard worden doorlopen,
wordt ook geadviseerd eerst de volgende instellingstaken uit
te voeren:
Instellen van uw voorkeuren voor datum en tijd.
Aanpassen van de helderheid van het display (en het instellen
van gedeelde helderheid).
De datamaster toewijzen
Selecteren van de GPS-gegevensbron.
Vertrouwd raken met het product met behulp van de
Simulator-modus.
De helderheid van het display aanpassen
1. Druk één keer op de AAN/UIT-knop.
Het menu met snelkoppelingen wordt weergegeven.
2. Stel de helderheid in op het gewenste niveau met behulp van
de schuifbalkregelaar voor de helderheid op het scherm, of
3. Raak het Zon-pictogram aan om de helderheid te verhogen
of het Maan-pictogram om de helderheid te verlagen.
Opmerking: Het helderheidniveau kan ook worden verhoogd
door meerdere keren op de Aan/Uit-knop te drukken.
Beginnen
85
De helderheid van het display aanpassen
1. Druk één keer op de AAN/UIT-knop.
Het menu met snelkoppelingen wordt weergegeven.
2. Stel de helderheid in op het gewenste niveau met behulp
van de Draaiknop.
Opmerking: Het helderheidniveau kan ook worden verhoogd
door meerdere keren op de Aan/Uit-knop te drukken.
De minimale veilige diepte van het schip
instellen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Scheepsgegevens.
3. Selecteer Min. veilige diepte.
4. Pas de instelling aan.
Opmerking: De eenheden voor de diepte zijn gebaseerde
op de eenheden die zijn gespeciceerd in het menu
Home-venster > Aanpassen > Eenheidsinstellingen >
Diepte-eenheden.
Instellen van voorkeuren voor datum en tijd.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Instellingen tijd en datum.
3. Gebruik het menu Datumformaat, Tijdformaat en Lokale
tijd: UTC om uw voorkeuren voor tijd en datum in te stellen.
Datamaster
Ieder systeem met meer dan één via een netwerk aangesloten
multifunctioneel display moet een datamaster toegewezen
hebben gekregen.
De datamaster is het display dat fungeert als primaire
gegevensbron voor alle displays, het handelt ook alle externe
informatiebronnen af. De displays kunnen bijvoorbeeld
koersinformatie nodig hebben van de stuurautomaat- en
GPS-systemen, die normaal gesproken wordt ontvangen via een
SeaTalk
ng
- of NMEA-verbinding. De datamaster is het display
waarmee de SeaTalk-, NMEA- en andere gegevensverbindingen
worden gemaakt, het brengt de gegevens vervolgens over naar
het SeaTalk
hs
-netwerk en alle compatibele repeat-displays.
Gegevens die door de datamaster worden gedeeld zijn onder
andere:
Cartograe
Routes en waypoints
Radar
Sonar
Gegevens ontvangen van de stuurautomaat, instrumenten, de
motor en andere externe bronnen.
Het kan zijn dat uw systeem is verbonden voor redundantie met
gegevensverbindingen naar repeat-displays. Deze verbindingen
worden echter alleen actief in het geval van een storing en/of
opnieuw toewijzen van een datamaster.
In een stuurautomaatsysteem zonder speciale
stuurautomaatbediening, werkt de datamaster ook als
bediening voor de stuurautomaat.
Het aanwijzen van de datamaster
Voor systemen met 2 of meer displays dient de volgende taak
te worden uitgevoerd op het multifunctionele display dat u wilt
aanwijzen als de datamaster.
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Onderhoud.
3. Selecteer Datamaster.
4. Selecteer het display dat u wilt aanwijzen als de datamaster.
GPS-selectie
U kunt een interne (wanneer beschikbaar) of externe
GPS-ontvanger gebruiken.
Uw multifunctionele display kan over een interne
GPS-ontvanger beschikken.
U kunt hem ook aansluiten op een externe GPS-ontvanger
met behulp van SeaTalk
ng
of NMEA 0183.
Wanneer van toepassing gebruikt u het menu
Systeeminstellingen om de interne GPS-ontvanger in of uit
te schakelen.
Het in- of uitschakelen van de interne GPS
Als uw multifunctionele display over een interne GPS beschikt,
dan kan deze met de onderstaande stappen worden in- en
uitgeschakeld.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Om de interne GPS in te schakelen selecteert u Interne GPS
zodat Aan is gemarkeerd.
4. Om de interne GPS uit te schakelen selecteert u Interne
GPS zodat Uit is gemarkeerd.
Simulatormodus
Met de Simulatormodus kunt u oefenen met het werken met uw
display zonder gegevens van een GPS-antenne, radarscanner,
AIS-unit, of Fishnder.
De simulatormodus wordt aan/uit-geschakeld in het Menu
systeeminstellingen.
Opmerking: Raymarine adviseert u de simulatormodus NIET
te gebruiken tijdens het navigeren.
Opmerking: De simulator toont GEEN feitelijke gegevens en
dus ook geen veiligheidswaarschuwingen (zoals bijvoorbeeld
waarschuwingen ontvangen van AIS-units).
Opmerking: Eventuele systeeminstellingen die u wijzigt
in de simulatormodus worden NIET naar andere apparaten
verzonden.
Simulatormodus in- en uitschakelen
U kunt de simulatormodus in- en uitschakelen door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Simulator:.
4. Selecteer Aan om de simulatormodus in te schakelen, of
5. Selecteer Uit om de simulatormodus uit te schakelen.
Opmerking: De optie Demo-lm is alleen voor
demonstratiedoeleinden.
Het toetsenbord koppelen
Het toetsenbord kan worden gebruikt voor het bedienen van
1 of meer multifunctionele displays. Er kunnen meerdere
toetsenborden worden aangesloten op een systeem.
Ieder toetsenbord kan worden gekoppeld met maximaal 4
multifunctione displays.
Doe het volgende wanneer het toetsenbord is aangesloten op
het multifunctionele display:
1. Selecteer Extern toetsenbord in het menu Externe
apparaten: Home-venster > Instellingen >
Systeeminstellingen > Externe apparaten >
Extern toetsenbord.
2. Selecteer Toetsenbord koppelen.
3. Druk op een willekeurige knop op het externe toetsenbord.
86 a Series / c Series / e Series
4. Selecteer de richting van het toetsenbord in het
pop-upbericht.
Zowel de liggende als de staande richting is beschikbaar.
Het toetsenbord is nu gekoppeld.
Het toetsenbord ontkoppelen
Het toetsenbord kan worden losgekoppeld van een afzonderlijk
display.
1. Selecteer Extern toetsenbord in het menu Externe
apparaten: Home-venster > Instellingen >
Systeeminstellingen > Externe apparaten >
Extern toetsenbord.
2. Selecteer Koppelingen wissen.
3. Selecteer Ja om het toetsenbord van het display los te
koppelen.
6.14 Stuurautomaatbediening
inschakelen
De stuurautomaatbedieningsfunctie
inschakelen SeaTalk- en SPX
SeaTalk
ng
-stuurautomaten
Om de bediening van uw SeaTalk- of SPX SeaTalk
ng
-
stuurautomaat vanaf uw multifunctionele display in te schakelen
volgt u de onderstaande stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Stuurautomaatbediening zodat Aan is
gemarkeerd.
Wanneer u Stuurautomaatbediening selecteert wordt de
bediening Aan en Uit geschakeld.
Op een systeem met meerdere displays wordt de
stuurautomaatbediening ingeschakeld voor alle displays tegelijk.
De stuurautomaatbedieningsfunctie
inschakelen Evolution-stuurautomaten
Om de bediening van uw Evolution-stuurautomaat vanaf uw
multifunctionele display in te schakelen volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster.
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Externe apparaten.
4. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
5. Selecteer Stuurautomaatbediening zodat Aan is
gemarkeerd.
Wanneer u Stuurautomaatbediening selecteert wordt de
bediening van de stuurautmaat Aan en Uit geschakeld.
Beginnen
87
6.15 Motoridenticatie
Motorgegevens kunnen worden weergegeven op uw MFD met
behulp van de Gegevens-toepassing, deze beschikt over enkele
vooraf ingestelde Motor-pagina's voor de weergave van de
meeste voorkomende soorten motorgegevens.
Belangrijk: Voordat u motorgegevens kunt weergeven op
uw MFD, dient u:
ervoor te zorgen dat uw MFD LightHouse softwareversie
8 of hoger heeft.
de belangrijke informatie "Motorinstantiëring" en
"Motoridenticatiewizard" te raadplegen.
Maak de gegevensverbindingen overeenkomstig de
instructies in de 87202 Installatie-instructies ECI.
Zorg ervoor dat alle gegevensbussen van voeding
zijn voorzien (waaronder motorgegevens-CAN-bussen,
gateways en de SeaTalk
ng
-bus).
Start de motor. Zorg ervoor dat u alle sequentieregels die
van toepassing zijn in acht neemt, zoals gespeciceerd in
"Motorinstantiëring".
Voer de Motoridenticatiewizard uit om eventueel
vereiste "instantiëring" uit te voeren en zorg ervoor dat uw
motoren in de juiste volgorde worden weergegeven in de
Gegevens-toepassing.
88 a Series / c Series / e Series
Instantiëren en instellen van de motor
Voordat u motorgegevens kunt weergeven op uw MFD kan het nodig zijn de motor in te stellen en te "instantiëren".
Opmerking: Het instellen en instantiëren van de motor is NIET nodig voor schepen met één motor.
De meeste motorgegevensconguraties kunnen worden ingesteld met de "Motoridenticatie"-wizard die beschikbaar is op
Raymarine MFD's met LightHouse software versie 8 of hoger. Voor sommige installaties met meerdere motoren kan het echter nodig
zijn om uw motoren eerst correct te laten "instantiëren" door uw motorleveranier/-dealer (een unieke ID/adres toegewezen krijgen).
De onderstaande tabel geeft gedetailleerde informatie over de verschillende soorten ondersteunde motoren en de vereiste
instellingen voor iedere soort:
Motor-CAN-
busprotocol Aantal motoren
Motor-CAN-
busconguratie
Aantal vereiste
ECI-units
Instellen via wizard
op MFD vereist
Motorinstantiëring
door dealer vereist
NMEA 2000 1
Enkele CAN-bus
1
NMEA 2000 2+ Enkele gedeelde
CAN-bus
1
NMEA 2000 2+
Afzonderlijke CAN-bus
voor iedere motor
1 voor iedere CAN-bus
J1939 1
Enkele CAN-bus
1
J1939 2+ Enkele gedeelde
CAN-bus
1
J1939 2+
Afzonderlijke CAN-bus
voor iedere motor
1 voor iedere CAN-bus
De motoridenticatiewizard gebruiken
Als uw motorgegevens in de verkeerde volgorde wordt
weergegeven op de motorpagina's, kunt u dit corrigeren door de
motoridenticatiewizard uit te voeren.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen > Systeeminstellingen > Externe
apparaten > Motoren instellen.
2. Wijzig wanneer nodig het aantal motoren dat uw schip heeft
doorAantal motoren: te selecteren en het juiste aantal
motoren in te voeren.
U kunt maximaal 5 motoren selecteren.
3. Selecteer Motoren identiceren.
Belangrijk: Het is belangrijk dat er slechts één motor tegelijk
draait, om er zeker van te zijn dat het systeem de juiste
motorgegevensberichten kan herkennen.
4. Volg de instructies op uw scherm om de motoridenticatiewi-
zard te voltooien.
De motoren die opgenomen in de identicatiewizard worden
bepaald door het aantal motoren dat in stap 2 hierboven is
ingevoerd.
i. Schakel ALLE scheepsmotoren uit en selecteer
Volgende.
De wizard gaat langs alle motoren (max. 5 zoals
ingevoerd in stap 2 hierboven) op volgorde van bakboord
naar stuurboord.
ii. Zet de motor bakboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor bakboord.
iii. Zet de motor midden bakboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden bakboord.
iv. Zet de motor midden aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden.
v. Zet de motor midden stuurboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden stuurboord.
vi. Zet de motor stuurboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor stuurboord.
5. Selecteer OK in het bevestigingsdialoogvenster Motoren
identiceren.
De motoren verschijnen nu op de juiste plaats op de
motorgegevenspagina.
Beginnen
89
6.16 AIS-functies inschakelen
Voordat u verder gaat dient u er zeker van te zijn dat uw AIS-unit
is aangesloten op NMEA-poort 1.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer NMEA-instellingen.
4. Selecteer NMEA-invoerpoort 1.
5. Selecteer de optie AIS 38400.
6. Selecteer Terug om terug te keren naar het menu
Systeeminstellingen.
7. Selecteer Externe apparaten.
8. Selecteer Instellen AIS-unit.
Het instellingenmenu van de AIS-unit wordt weergegeven.
9. Pas de AIS-opties waar nodig aan.
6.17 Software-updates
De software voor de multifunctionele displays van Raymarine
software wordt regelmatig bijgewerkt voor nieuwe en
geavanceerde functies en verbeterde prestaties en
bruikbaarheid. U dient na te gaan of u de meeste recente
software hebt door regelmatig de Raymarine-website te
bezoeken voor nieuwe software.
U kunt de huidige softwareversie van uw multifunctionele
display nagaan in het welkomstscherm Gebruiksbeperkingen
(Limitations on Use, LoU):
De softwareversie kan ook worden teruggevonden in het menu
Onderhoud.
Het software-updateproces kan worden gebruikt voor het
bijwerken van alle multifunctionele displays en toetsenborden op
afstand die zijn aangesloten op hetzelfde netwerk.
Let op: Software-updates
downloaden
Het software-updateproces voert u voor eigen
risico uit. Voordat u het updateproces start, dient u
ervoor te zorgen dat u een back-up hebt gemaakt
van alle belangrijke bestanden.
Zorg ervoor dat de unit een betrouwbare
voeding heeft en dat het updateproces niet wordt
onderbroken.
Beschadigingen veroorzaakt door onvolledige
updates vallen niet onder de Raymarine-garantie.
Door het software-updatepakket te downloaden,
gaat u akkoord met de voorwaarden ervan.
De software updaten
Software-updates kunnen worden gedownload vanaf de
Raymarine-website.
Om een software-update uit te voeren hebt u het volgende nodig:
Een PC of Apple Mac met internetverbinding en een kaartlezer.
Een FAT 32-geformatteerde MicroSD-kaart met
SD-kaartadapter.
Opmerking: Gebruik geen cartograsche kaart om software-
updates of bestanden met gebruikersgegevens/instellingen
op te slaan.
1. Ga naar de Raymarine-website www.raymarine.nl
2. Klik op Service en ondersteuning in de bovenste balk.
3. Selecteer Software updates in de keuzelijst.
4. Selecteer het betreffende product.
5. Vergelijk de meest recente software met de softwareversie
van uw multifunctionele display.
6. Als de software op de website dan de software van uw
multifunctionele display, selecteert u de optie om de software
te downloaden.
7. Plaats de MicroSD-kaart in een SD-kaartadapter.
8. Plaats de SD-kaartadapter in de kaartlezer van uw PC of
Mac.
9. Pak het gedownloade zip-bestand met de software-update
uit naar de MicroSD-kaart.
90 a Series / c Series / e Series
10.Verwijder de MicroSD-kaart uit de SD-kaartadapter.
11. Maak een back-up van uw gebruikersgegevens
en instellingen door de procedure te volgen die is
beschreven in het hoofdstuk 8.4 Gebruikersgegevens en
gebruikersinstellingen opslaan.
12.Doe de MicroSd-kaart in de kaartlezer van uw multifunctionele
display.
Na enkele seconden waarschuwt uw multifunctionele display
u dat er een software-update beschikbaar is en welke
multifunctionele displays en toetsenborden op afstand
bijgewerkt moeten worden.
De softwarewaarschuwing wordt iedere keer dat het apparaat
wordt ingeschakeld slechts één keer weergegeven.
13.Selecteer Ja om met het bijwerken van de software te
beginnen.
De volgende stappen worden nu uitgevoerd:
1. Alle via het netwerk aangesloten multifunctionele
displays worden opnieuw gestart en voeren gelijktijdig
een software-update uit (tijdens het uitvoeren van
de software-update wordt op het display waarin de
geheugenkaart met de software-update is geplaatst een
voortgangsindicator weergegeven).
2. Nadat de via het netwerk aangesloten displays zijn
bijgewerkt, wordt het display waarin de geheugenkaart
met de software-update is geplaatst opnieuw opgestart
en de software-update uitgevoerd.
3. Nadat alle displays zijn bijgewerkt voert het systeem een
controle uit om na te gaan of er toetsenborden op afstand
zijn waarvan de software dient te worden bijgewerkt.
14.Als er toetsenborden op afstand zijn aangesloten op uw
systeem selecteert u Ja om de software van het toetsenbord
bij te werken.
Wanneer het software-updateproces is voltooid, wordt een
bevestigingsbericht weergegeven.
15.Selecteer OK om te bevestigen.
16.Verwijder de MicroSD-kaart uit de kaartlezer.
17.Voer een Reset van de fabrieksinstellingen uit voor uw
multifunctionele displays overeenkomstig de procedure zoals
beschreven in het hoofdstuk 8.6 Uw systeem resetten.
18.Zet uw gebruikersgegevens en instellingen terug door de
procedure te volgen die is beschreven in het hoofdstuk 8.4
Gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen opslaan.
Opmerking: Wanneer u een display inschakelt terwijl er een
geheugenkaart met software-update is geplaatst, wordt een
software-update uitgevoerd voor alleen dat display.
Beginnen
91
92 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 7: Systeemcontroles
Inhoudsopgave
7.1 GPS-controle op pagina 94
7.2 Radarcontrole op pagina 95
7.3 Sonarcontrole op pagina 96
7.4 Instellen en controleren van de thermische camera op pagina 97
Systeemcontroles
93
7.1 GPS-controle
Controleren werking GPS
U kunt controleren of de GPS werkt met behulp van de
kaarttoepassing.
1. Selecteer de kaartpagina.
2. Bekijk het venster.
Wanneer de kaart wordt weergegeven, zou u het volgende
moeten zien:
De positie van uw boot (geeft een GPS-x aan). Uw
huidige positie wordt weergegeven door een bootsymbool
of een dichte cirkel. Uw positie wordt ook weergegeven in
de databalk onder VES POS.
Een dichte cirkel betekent dat er geen gegevens beschikbaar
zijn over de koers en de grondkoers (Course Over Ground,
COG).
Opmerking: Raymarine adviseert u de weergegeven
scheepspositie in de kaarttoepassing te controleren aan de
hand van uw feitelijke afstand tot een bekend object op de
kaart. GPS-ontvangers hebben normaal gesproken een
nauwkeurigheid van 5 tot 15 m.
Opmerking: Er is een GPS-statusvenster beschikbaar in het
Setup-menu van de multifunctionele displays van Raymarine.
Hier wordt de signaalsterkte en andere relevante informatie
weergegeven.
GPS-instellingen
Met de opties voor GPS-instellingen kunt u een GPS-ontvanger
congureren.
Het Global Positioning System (GPS) wordt gebruikt om
de plaats van uw schip op de kaart te bepalen. U kunt uw
GPS-ontvanger instellen en de status ervan controleren via
de optie GPS-status in het menu Systeeminstellingen. Voor
iedere gevolgde satelliet wordt op het scherm de volgende
informatie weergegeven:
Satellietnummer.
Balk met signaalsterkte.
Status.
Azimuth-hoek.
Elevatiehoek.
Een luchtweergave waarop de positie van de gevolgde
satellieten wordt weergegeven.
D
12204-1
61
4
2
3
5
Nummer Omschrijving
1
Sky view (Luchtweergave) een visuele representatie
van de positie van gevolgde satellieten.
2
Satellite status (Satellietstatus) toont de signaalsterkte
en de status van iedere satelliet die is geïdenticeerd in de
luchtweergave links van het scherm. De gekleurde balken
hebben de volgende betekenissen:
Grijs = zoeken naar satelliet.
Groen = satelliet in gebruik.
Oranje = satelliet volgen.
3
Horizontal Dilution of Position (HDOP) een maat van
GPS-nauwkeurigheid, berekend aan de hand van een aantal
factoren waaronder satellietgeometrie, systeemfouten in de
datatransmissie en systeemfouten in de GPS-ontvanger.
Een hoger getal staat voor een grotere fout in de
positie. GPS-ontvangers hebben normaal gesproken een
nauwkeurigheid van 5 tot 15 m. Als voorbeeld gaan we uit
van een GPS-ontvangerfout van 5 m, in dat geval staat
een HDOP van 2 voor een fout van ongeveer 15 m. Denk
eraan dat een zeer laag HDOP-getal NIET garandeert dat uw
GPS-ontvanger een nauwkeurige positie weergeeft. In geval
van twijfel controleert u de weergegeven scheepspositie in
de kaarttoepassing aan de hand van uw feitelijke afstand tot
een bekend object op de kaart.
Geschatte horizontale positiefout (EHPE) een
meeteenheid van GPS-nauwkeurigheid, dit geeft aan dat
uw positie zich 67% van de tijd binnen een cirkel van de
opgegeven omvang bevindt.
4
Fix-status geeft de modus aan die de GPS-ontvanger
rapporteert (Geen x, Fix, D-x of SD-x).
5
Modus de op dat moment door de GPS-ontvanger
geselecteerde modus.
6
Datum de datuminstelling van de GPS-ontvanger
is van invloed op de nauwkeurigheid van de
scheepspositie-informatie die wordt weergegeven in de
kaarttoepassing. Om ervoor te zorgen dat uw GPS-ontvanger
en multifunctionele display nauwkeurig overeenkomen met
uw papieren kaarten, dienen ze dezelfde datum te gebruiken.
De nauwkeurigheid van de GPS-ontvanger hangt af van de
hierboven beschreven parameters, in het bijzonder de azimuth-
en elevatiehoeken, die voor een driehoeksbepalingen worden
gebruikt om uw positie te berekenen.
94 a Series / c Series / e Series
7.2 Radarcontrole
Waarschuwing: Veiligheid
radarscanner
Voordat u de radarscanner laat draaien, dient alle
personeel daar uit de buurt te zijn.
Waarschuwing: Veiligheid
radartransmissie
De radarscanner geeft elektromagnetische energie
af. Zorg dat al het personeel uit de buurt van de
scanner is als de radar aan het werk is.
De radar controleren
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Aan/Uit zodat Aan is gemarkeerd
De radarscanner wordt nu in stand-by-modus geïnitialiseerd.
Dit proces duurt ongeveer 70 seconden.
3. Selecteer Radar zodat Zenden is gemarkeerd
De radarscanner zou nu moeten zenden en ontvangen.
4. Controleer of het radarscherm correct werkt.
Typisch HD-radarscherm
Opmerking: Het voorbeeld hierboven is de verbeterde
uitvoer van een HD-radarscanner.
Punten die u dient te controleren:
Radartijdbasis met echoresponses wordt op het scherm
weergegeven.
Het radarstatuspictogram draait in de hoek rechtsboven
van de statusbalk.
Peilingsafregeling controleren en aanpassen
Afregeling van de peiling
Het afregelen van de radarpeiling (‘bearing’) zorgt dat objecten
op de radar worden weergegeven met de juiste peiling ten
opzichte van de boeg van uw vaartuig. Bij iedere nieuwe
installatie moet u de afregeling van de peiling te controleren.
Voorbeeld van foutief uitgelijnde radar
D11590-2
1 2
Item Omschrijving
1
Doelobject (zoals een boei) recht vooruit.
2 Doel dat op het radardisplay wordt weergegeven is niet
uitgelijnd met de koersmarkering van het vaartuig (SHM).
Afregeling van de peiling is vereist.
Controleren van de peilingsuitlijning
1. Met een varend vaartuig: Lijn de boeg uit met een stationair
object op het radardisplay. Een object op een afstand tussen
1 & 2 NM is ideaal.
2. Noteer de positie van het object op het radardisplay. Als het
doel niet onder de koersmarkering (SHM) van het schip zit,
is er een uitlijningsfout en zult u de peilingsuitlijning moeten
aanpassen.
De peilinguitlijning aanpassen
Nadat u de peilinguitlijning hebt gecontroleerd kunt u verder
gaan en de nodige aanpassingen doen.
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellen radar.
3. Selecteer Geavanceerd.
4. Selecteer Uitlijning peiling.
Wanneer u Uitlijning peiling selecteert wordt de numerieke
regelaar weergegeven.
5. Pas de instelling zo aan, dat het geselecteerde object zich
onder de koersmarkering van het schip bevindt.
6. Selecteer Terug of OK wanneer u klaar bent.
Systeemcontroles
95
7.3 Sonarcontrole
Keuze voor sonartransducer sonarmodule
U dient de sonartransducer en de sonarmodule te
selecteren die u wilt gebruiken in het weergegeven
Fishnder-toepassingsvenster.
Keuze voor sonarmodule
Displays met sonar en DownVision
TM
zijn uitgerust met een
interne sonarmodule.
U kunt met alle modellen verbinding maken met een
compatibele externe sonarmodule of een interne sonarmodule
gebruiken van een via het netwerk aangesloten display.
Het sonarkanaal dat u wilt gebruiken moet zijn geselecteerd
vanuit het Fishnder-menu.
Selectie van transducer
Displays met sonar kunnen direct worden aangesloten op een
Raymarine- OF een Minn Kota-sonartransducer.
Displays met DownVision
TM
kunnen direct worden aangesloten
op Raymarine DownVision
TM
-transducers.
U kunt met alle modellen een Raymarine-sonartransducer
aansluiten via een compatibele externe sonarmodule.
Voor alle modellen gebruikt u het menu Instellen transducer
in de Fishnder-toepassing om de transducer die u wilt
gebruiken te speciceren.
Het sonarkanaal selecteren
Om het kanaal te selecteren dat u wilt weergeven volgt u de
onderstaande stappen
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Kanaal.
De pagina Kanaalselectie wordt weergegeven.
3. Selecteer het tabblad voor de sonarmodule die u wilt
gebruiken.
Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare kanalen
voor de geselecteerde sonarmodule.
4. Selecteer een kanaal in de lijst.
De Kanaalselectie-pagina wordt gesloten en de
Fishnder-toepassing geeft nu het geselecteerde kanaal weer.
De sonartransducer selecteren
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Instellen transducer.
4. Selecteer Transducer.
Er wordt een lijst met transducers weergegeven.
5. Selecteer de transducer die u wilt gebruikt.
De snelheidstransducer selecteren
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Instellen transducer.
4. Selecteer Snelheidstransducer.
Er wordt een lijst met transducers weergegeven.
5. Selecteer uw snelheidstransducer in de lijst.
De sonar controleren
Sonarcontroles worden uitgevoerd vanuit de shnder-
toepassing.
1. Selecteer een shnder-pagina in het Home-venster.
2. Controleer het shnder-display.
Wanneer de shnder actief is, dient u het volgende te zien:
Dieptemeting (geeft aan dat de transducer werkt).
De diepte wordt weergegeven in een gegevenskader
linksonder op het scherm.
Als het gegevenskader niet wordt weergegeven, kan het
worden ingeschakeld vanuit het Presentatie-menu: Menu >
Presentatie > Instellingen gegevenskaders.
Kalibratie shnder-transducer
De transducer van uw shnder dient correct gekalibreerd te
worden om nauwkeurige diepte-uitlezing te kunnen geven.
Het multifunctionele display ontvangt het beeld van een
sonarmodule die de sonarsignalen van een in het water
gemonteerde transducer verwerkt. Als de transducer is uitgerust
met een snelheidsschoep en een temperatuurgevoelige
thermistor, berekent de sonarmodule de snelheid en de
temperatuur. Voor het verkrijgen van nauwkeurige resultaten
kan het nodig zijn de transducer(s) te kalibreren door het
toepassen van offsets voor diepte, snelheid en temperatuur.
Aangezien deze instelling zijn opgeslagen in de sonarmodule
en betrekking hebben op de transducer, worden zij op het hele
systeem toegepast.
Dieptecorrectie
Diepten worden gemeten vanaf de transducer naar de
zeebodem, maar u kunt een correctiewaarde toepassen op de
dieptewaarde, zodat de weergegeven dieptemeting de afstand
tot de zeebodem meet vanaf de kiel of de waterlijn.
Voordat u probeert de kiel- of waterlijncorrectie in te stellen
dient u uit te vinden hoe groot de verticale afstand tussen de
transducer en de waterlijn of de onderkant van de kiel van uw
schip is. Stel vervolgens de juiste correctiewaarde in.
D9343--2
1 2 3
1 Waterlijncorrectie
2
Transducer / geen correctie
3 Kielcorrectie
Wanneer er geen correctie is ingesteld geeft de dieptemeting de
afstand weer vanaf de transducer naar de zeebodem.
De dieptecorrectie instellen
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Instellingen transducer.
96 a Series / c Series / e Series
4. Selecteer Dieptecorrectie.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
dieptecorrectie wordt weergegeven.
5. Stel de correctie in op de gewenste waarde.
De snelheidscorrectie instellen
Doe het volgende in de shnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Instellingen transducer.
4. Selecteer Snelheidscorrectie.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
snelheidscorrectie wordt weergegeven.
5. Stel de correctie in op de gewenste waarde.
De temperatuurcorrectie instellen
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Instellingen transducer.
4. Selecteer Temperatuurcorrectie.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
temperatuurcorrectie wordt weergegeven.
5. Stel de correctie in op de gewenste waarde.
7.4 Instellen en controleren van de
thermische camera
Om de correcte werking van de thermische camera te
garanderen dient u de belangrijkste functies van de camera in te
stellen en te controleren.
Voordat u verder gaat dient u er zeker van te zijn dat de camera
correct is aangesloten, overeenkomstig de meegeleverde
instructies. Als uw systeem de optionele Joystick Control Unit
(JCU) en PoE-injector (Power over Ethernet) bevat, dient u er
zeker van te zijn dat deze units ook correct zijn aangesloten.
De camera instellen
U dient het volgende te doen:
Het beeld aanpassen (contrast, helderheid, etc.).
De camerabeweging controleren (draai- en kantelfuncties en
uitgangspositie) (wanneer van toepassing).
Het beeld van de thermische camera
aanpassen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Adjust Contrast (Contrast aanpassen).
3. Selecteer de gewenste opties voor Contrast, Helderheid of
Kleur.
De betreffende numerieke regelaar wordt weergegeven.
4. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
5. Selecteer Terug of OK om de nieuwe waarde te bevestigen.
Draai-, kantel- en zoom-camera's (PTZ)
Draaien en kantelen van het thermische beeld
Op een multifunctioneel display met touchscreen kunt u het
beeld van de thermische camera draaien en kantelen met
behulp van het Touchscreen.
Beweeg uw vinger omhoog en omlaag over het scherm om
de camera naar boven en naar beneden te kantelen.
Beweeg uw vinger naar links en naar rechts over het
scherm om de camera naar links en naar rechts te draaien
(panning).
Draaien, kantelen en zoomen van het thermische beeld
Op een multifunctioneel display met fysieke knoppen of wanneer
u een toetsenbord op afstand gebruikt, kunt u het beeld van de
thermische camera draaien, kantelen en zoomen met behulp
van de UniControl.
In sommige omstandigheden kunt u beter de draaiknop en
joystick van UniControl gebruiken om de weergave van
de thermische camera aan te passen. Deze methode is
bijvoorbeeld ideaal voor een nauwkeurige bediening van de
camera en is in het bijzonder handig op ruwe zee.
Systeemcontroles
97
UniControl-joystick wordt gebruikt voor het naar links en
rechts draaien van de camera (panning), of om de camera
naar boven of naar beneden te kantelen (tilting).
UniControl-draaiknop wordt gebruikt voor in- en
uitzoomen.
Het terugzetten van de thermische camera naar de
uitgangspositie
Wanneer aangesloten op een thermische draai/kantel-camera,
kan de uitgangspositie van de camera worden ingesteld.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera Home (Uitgangspositie camera).
De camera keert terug naar zijn vastgelegde uitgangspositie
en het "Home"-pictogram verschijnt kort op het scherm.
98 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 8: Displaygegevens beheren
Inhoudsopgave
8.1 Geheugen- en cartograekaarten op pagina 100
8.2 a-serie op pagina 100
8.3 c- en e-serie op pagina 101
8.4 Gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen opslaan op pagina 102
8.5 Screenshots op pagina 106
8.6 Resetten van uw systeem op pagina 106
Displaygegevens beheren
99
8.1 Geheugen- en cartograekaarten
U kunt MicroSD-geheugenkaarten gebruiken om een
back-up/archiefbestand te maken (bijv. waypoints en tracks).
Nadat een back-up van gegevens is opgeslagen op een
geheugenkaart, kunnen de oude gegevens van het systeem
worden gewist, waardoor ruimte wordt vrijgemaakt voor nieuwe
gegevens. De gearchiveerde gegevens kunnen op ieder
moment worden teruggezet. Cartograsche kaartmodules geven
aanvullende of bijgewerkte cartograsche informatie.
Aanbevolen wordt regelmatig een back-up van uw gegevens te
maken op een geheugenkaart. Sla GEEN gegevens op op een
geheugenkaart die cartograegegevens bevat.
Compatibele kaarten
De volgende soorten MicroSD-kaarten zijn compatibel met uw
display:
Micro Secure Digital Standard-Capacity (MicroSDSC)
Micro Secure Digital High-Capacity (MicroSDHC)
Opmerking:
De maximale geheugenkaartcapaciteit die wordt
ondersteund is 32 GB.
MicroSD-kaarten moeten zijn geformatteerd voor het FAT-
of FAT 32-bestandssysteem om met uw MFD te kunnen
worden gebruikt.
Snelheidsklasse
Voor de beste prestaties wordt u geadviseerd geheugenkaarten
van klasse 10 of UHS (Ultra High Speed) te gebruiken.
Cartograe
Uw product is voorgeladen met elektronische cartograe
(wereldwijde basiskaart). Als u andere cartograegegevens wilt
gebruiken, kunt u compatibele kaarten met cartograe in de
geheugenkaartlezer van de unit plaatsen.
Gebruik alleen cartograe- en geheugenkaarten van
bekende merken
Wanneer u gegevens archiveert of een elektronische
cartograekaart maakt adviseert Raymarine gebruik te maken
van geheugenkaarten van kwaliteitsmerken. Het kan zijn dat
sommige geheugenkaartmerken niet werken in uw unit. Neemt
u alstublieft contact op met de klantenservice voor een lijst met
aanbevolen kaarten.
8.2 a-serie
Een geheugenkaart of cartograsche
kaartmodule plaatsen
1. Open het klepje van de kaartlezer aan de rechter voorzijde
van het display.
2. Plaats de kaart zoals te zien is op de onderstaande tekening,
de contactpunten van de kaart dienen naar BOVEN te wijzen.
Gebruik geen kracht om de kaartmodule te plaatsen. Als de
kaartmodule niet gemakkelijk in de sleuf gaat, controleer dan
of u hem juist plaatst.
D12828-1
3. Druk de kaartmodule voorzichtig helemaal in de modulesleuf,
zoals te zien is op de onderstaande tekening. De
kaartmodule zit op zijn plaats wanneer u een klikgeluid hoort.
D12829-1
4. Om te voorkomen dat er water in de kaartlezer komt en deze
daardoor beschadigd raakt dient u het klepje te sluiten.
Een geheugenkaartmodule of cartograsche
kaartmodule verwijderen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer My Data (Mijn gegevens).
2. Selecteer Eject Card (Kaart uitwerpen).
3. Open het klepje van de kaartlezer aan de rechter voorzijde
van het display.
4. Duw de rand van de kaartmodule in de richting van de unit,
totdat u een klikgeluid hoort.
De kaartmodule komt vrij uit het modulesleufmechanisme,
zoals wordt getoond op de onderstaande tekening:
100 a Series / c Series / e Series
D12830-1
5. Gebruik uw vingers om de kaartmodule uit de modulesleuf te
trekken, gebruik daarvoor de rand van de kaart.
6. Om te voorkomen dat er water in de kaartlezer komt en deze
daardoor beschadigd raakt dient u het klepje te sluiten.
Opmerking: U kunt het multifunctionele display ook
uitschakelen en de bovenstaande stappen 4 tot en met 7
volgen.
8.3 c- en e-serie
Een geheugenkaart of cartograsche
kaartmodule plaatsen
1. Open het klepje van de cartograsche kaartmodule aan de
rechter voorzijde van het display.
2. Plaats de kaartmodule zoals te zien is op de onderstaande
tekening. Voor sleuf 1 dienen de contactpunten van de
kaartmodule naar BENEDEN te wijzen. Voor sleuf 2 dienen
de contactpunten van de kaartmodule naar BOVEN te wijzen.
Gebruik geen kracht om de kaartmodule te plaatsen. Als de
kaartmodule niet gemakkelijk in de sleuf gaat, controleer dan
of u hem juist plaatst.
D12290-1
3. Druk de kaartmodule voorzichtig helemaal in de modulesleuf,
zoals te zien is op de onderstaande tekening. De
kaartmodule zit op zijn plaats wanneer u een klikgeluid hoort.
D12292-1
4. Om te voorkomen dat er water in de modulesleuf komt en
deze daardoor beschadigd raakt dient u het klepje te sluiten.
Een geheugenkaartmodule of cartograsche
kaartmodule verwijderen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Kaart uitwerpen.
Er wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd
aan te geven welke geheugenkaartmodule u wit uitwerpen.
3. Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
4. Open het klepje van de cartograsche kaartmodule aan de
rechter voorzijde van het display.
5. Duw de rand van de kaartmodule in de richting van de unit,
totdat u een klikgeluid hoort.
De kaartmodule komt vrij uit het modulesleufmechanisme,
zoals wordt getoond op de onderstaande tekening:
Displaygegevens beheren
101
D12291-1
6. Gebruik uw vingers om de kaartmodule uit de modulesleuf te
trekken, gebruik daarvoor de rand van de kaart.
7. Om te voorkomen dat er water in de modulesleuf komt en
deze daardoor beschadigd raakt dient u het klepje te sluiten.
Opmerking: U kunt het multifunctionele display ook
uitschakelen en de bovenstaande stappen 4 tot en met 7
volgen.
8.4 Gebruikersgegevens en
gebruikersinstellingen opslaan
U kunt uw waypoints, routes, tracks en gebruikersinstellingen
opslaan op een geheugenkaart. Waypoints, routes en
tracks worden opgeslagen als gpx-gegevensbestanden.
De gpx-bestandsindeling is een apparaatafhankelijke
gegevensindeling die het gemakkelijk maakt gegevens uit te
wisselen tussen uw display en andere GPS-apparaten/software
die de gpx-bestandsindeling ondersteunt.
Soort gegevens Omschrijving Opmerkingen
Waypoints
(gebruikersgegevens)
Iedere waypoint-groep
kan afzonderlijk
worden opgeslagen
Routes
(gebruikersgegevens)
Iedere route kan
afzonderlijk worden
opgeslagen
Tracks
(gebruikersgegevens)
Iedere track kan
afzonderlijk worden
opgeslagen
Gebruikersinstellingen Slaat de instellingen
die u hebt
ingevoerd in de
instellingenmenu's op
in één archiefbestand.
Er kan slechts
1 instellingen-
archiefbestand worden
opgeslagen per
geheugenkaart.
Opmerking: Wij adviseren u regelmatig uw
gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen op te
slaan op een geheugenkaart.
Opmerking: Sla GEEN gebruikersgegevens of instellingen
op op een kaart die cartograegegevens bevat.
Alle gebruikersgegevens opslaan op een
geheugenkaart
U kunt alle gebruikersgegevens opslaan in één archiefbestand.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat u een geheugenkaart hebt geplaatst (GEEN
cartograsche kaartmodule) in een modulesleuf.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Gegevens opslaan op kaart.
5. Selecteer Alles opslaan.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
6. Gebruik het toetsenbord op het scherm om de bestandsnaam
in te voeren waarmee u het bestand op wilt slaan.
7. Selecteer OPSLAAN.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren op
welke kaartsleuf u de gegevens wilt opslaan, als uw display
slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
8. Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
9. Selecteer OK.
Waypoints opslaan op een geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat u een geheugenkaart hebt geplaatst (GEEN
cartograsche kaartmodule) in een modulesleuf.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Gegevens opslaan op kaart.
5. Selecteer Waypoints opslaan op kaart.
De Waypoint-groepenlijst wordt weergegeven.
102 a Series / c Series / e Series
6. Selecteer de groep of groepen die u wilt opslaan, of selecteer
Alles selecteren.
7. Selecteer Opslaan.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
8. Gebruik het toetsenbord op het scherm om de bestandsnaam
in te voeren waarmee u het bestand op wilt slaan.
9. Selecteer OPSLAAN.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren op
welke kaartsleuf u de gegevens wilt opslaan, als uw display
slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
10.Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
11. Selecteer OK.
Routes opslaan op een geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat u een geheugenkaart hebt geplaatst (GEEN
cartograsche kaartmodule) in een modulesleuf.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Gegevens opslaan op kaart.
5. Selecteer Routes opslaan op kaart.
De routelijst wordt weergegeven.
6. Selecteer de route of routes die u wilt opslaan, of selecteer
Alles selecteren.
7. Selecteer Opslaan.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
8. Gebruik het toetsenbord op het scherm om de bestandsnaam
in te voeren waarmee u het bestand op wilt slaan.
9. Selecteer OPSLAAN.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren op
welke kaartsleuf u de gegevens wilt opslaan, als uw display
slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
10.Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
11. Selecteer OK.
Tracks opslaan op een geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat u een geheugenkaart hebt geplaatst (GEEN
cartograsche kaartmodule) in een modulesleuf.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Gegevens opslaan op kaart.
5. Selecteer Tracks opslaan op kaart.
De Tracks-lijst wordt weergegeven.
6. Selecteer de track of tracks die u wilt opslaan, of selecteer
Alles selecteren.
7. Selecteer Opslaan.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
8. Gebruik het toetsenbord op het scherm om de bestandsnaam
in te voeren waarmee u het bestand op wilt slaan.
9. Selecteer OPSLAAN.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren op
welke kaartsleuf u de gegevens wilt opslaan, als uw display
slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
10.Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
11. Selecteer OK.
Waypoints, routes en tracks importeren
vanaf een geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat de geheugenkaart met de
gebruikersgegevens in gpx-formaat in één van de
modulesleuven zit.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Terugzetten van kaart.
De bestandsbrowser wordt geopend.
5. Navigeer naar het bestand dat u wilt importeren en selecteer
het.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
6. Selecteer OK.
Displaygegevens beheren
103
Opmerking: Wanneer routes en tracks zijn geïmporteerd
worden ze standaard verborgen, om de geïmporteerde routes
en tracks zichtbaar te maken raadpleegt u de Routes en
tracks weergeven of verbergen.
Gebruikersbestanden wissen van een
geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat de geheugenkaart met de gegevens in één
van de modulesleuven zit.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Wissen van kaart.
De bestandsbrowser wordt geopend.
5. Navigeer naar het bestand dat u wilt wissen en selecteer het.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
6. Selecteer Ja.
Waypoints, routes en tracks wissen van het
systeem
Opmerking: De volgende procedure wist de geselecteerde
of ALLE waypoints, routes of tracks die op uw display zijn
opgeslagen. Zorg ervoor dat u een back-up hebt gemaakt
van alle gegevens die u op een geheugenkaart wilt bewaren
VOORDAT u verder gaat.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Importeren/Exporteren.
3. Selecteer Wissen van systeem.
4. Selecteer Waypoints wissen van systeem, Routes wissen
van systeem of Tracks wissen van systeem.
5. Selecteer de gegevensitems die u wilt wissen, of selecteer
Alles wissen.
Er wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd
de actie te bevestigen.
6. Selecteer Ja om door te gaan met het wissen, of Nee om
de actie te annuleren.
Een back-up van de gebruikersinstellingen
opslaan op een geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat u een geheugenkaart hebt geplaatst (GEEN
cartograsche kaartmodule) in één van de modulesleuven.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Back-upinstellingen.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren op welk
geheugenapparaat u de instellingen wilt opslaan, als uw
display slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
5. Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
6. Selecteer OK.
Gebruikersinstellingen terugzetten vanaf een
geheugenkaart
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Zorg ervoor dat de geheugenkaart met de
gebruikersgegevens in één van de modulesleuven
zit.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Importeren/Exporteren.
4. Selecteer Instellingen terugzetten.
Als uw display meer dan 1 kaartsleuf heeft, wordt een bericht
weergegeven waarin u wordt gevraagd te selecteren vanaf
welk geheugenapparaat u instellingen wilt terugzetten, als uw
display slechts 1 kaartsleuf heeft verschijnt dit bericht niet.
5. Selecteer SD1 voor een geheugenkaartmodule
in de bovenste modulesleuf, of SD2 voor een
geheugenkaartmodule in de onderste modulesleuf.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
6. Selecteer OK.
Items opslaan en terugzetten
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de
gegevensitems die worden opgeslagen op en teruggezet vanaf
een geheugenkaart op uw multifunctionele display.
Home-venster- en systeeminstellingen
Toepassing Instelling
Home-venster
Standaard paginaconguratie
Systeeminstellin-
gen
Positiemodus
Tekstgrootte
Gedeelde helderheid
Helderheidsgroep
TD-instellingen
Simulator
Peilmodus
MOB-gegevenstype
Variatiebron
Handmatige variatie
Taal
Datumformaat
Tijdformaat
Correctie lokale tijd
Afstandseenheden
Afstand-subeenheden
Snelheidseenheden
Diepte-eenheden
Temperatuureenheden
Drukeenheden
Volume-eenheden
Stuurautomaatbediening
DSC-bericht
SeaTalk-alarmmeldingen
Systeeminstellin-
gen - integratie
Bruggen van NMEA-heading
104 a Series / c Series / e Series
Toepassing Instelling
GPS-positiebron
Koersbron
Dieptebron
Snelheidsbron
Multipele
gegevensbronnen
Windbron
Inhoud gegevensbalk (cel 1 tot en met 6)
Kompasbalk
Gegevensbalkin-
stellingen
Statuspictogram
GPS-status GPS-scherm
Alarmmeldingen
Toepassing Instelling
Alarmmeldingen Ankeralarm
Timer
Wekker
Temperatuuralarm
Aankomstalarm
Uit koers-alarm
Aanvaringalarm
Bewakingszonegevoeligheid
Visalarm
Visalarm dieptelimiet
Ondiepte-alarm
Diepte-alarm
AIS-alarm gevaarlijk object
Kaarttoepassing instellingen cartograe
Toepassing Instelling
Cartograe Gegevenslaagcel 1 aan / uit
Gegevenslaagcel 1 inhoud
Gegevenslaagcel 2 aan / uit
Gegevenslaagcel 2 inhoud
Kaartobjectmenu
Kaartweergave
Kaartraster
2D-kleurschakering
Community-laag
Kaarttekst
Kaartgrenzen
Dieptemeetpunten
Veiligheidsdieptelijn
Dieptelijn
Diepwaterkleur
Rotsen verbergen
Nav-markeringen
Nav-markeringssymbolen
Lichtsectoren
Routeringssystemen
Toepassing Instelling
Waarschuwingsgebieden
Maritieme eigenschappen
Landeigenschappen
Zakelijke diensten
Panoramafoto's
Wegen
Aanvullende wrakinformatie
Luchtfotolaag
Gekleurde zeebodemgebieden
Scheepspictogram
Scheepsomvang
Radartoepassing
Toepassing Instelling
Scanner selecteren
Radar
Bereikringen
AIS-laag
Toepassing Instelling
Weergegeven objecttypes
AIS-veiligheidsmeldingen
Buddy's volgen
AIS-laag
Stille modus
Gegevenstoepassing
Toepassing Instelling
Gegevenspagina's en inhoud
Volgorde gegevenspagina
Kleurthema
Regelaarkleur
Aantal motoren
Gegevens
Maximaal bereik toerenteller
Fishnder-toepassing
Toepassing Instelling
Fishnder Voorkeursfrequenties congureren
Weertoepassing
Toepassing Instelling
Windsymbool Weer
Watchbox-waarschuwingen
Scheepsgegevens
Toepassing Instelling
Eenheden brandstofbesparing
Drempel laag brandstofpeil
Brandstofalarm aan/uit
Schip
Totale brandstofcapaciteit
Displaygegevens beheren
105
8.5 Screenshots
U kunt een screenshot maken van wat er op dat moment op het
scherm wordt weergegeven.
Screenshots worden opgeslagen op een MicroSD-kaart
in .bmp (bitmap)-formaat. De opgeslagen afbeelding kan
worden bekeken op een apparaat dat bitmap-afbeeldingen kan
weergeven.
Een screenshot maken
U kunt een screenshot maken door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Doe een MicroSD-kaart met voldoende vrije ruimte in de
kaartlezer.
2. Druk op de Aan/Uit-knop.
De pagina met snelkoppelingen wordt weergegeven:
3. Selecteer het camera-pictogram.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven.
4. Selecteer OK.
De screenshot is nu opgeslagen op de MicroSD-kaart.
Tip Als uw multifunctionele display een Terug-knop heeft kunt u
ook een screenshot maken door de Back-knop in te drukken en
vast te houden tot een bevestigingsbericht wordt weergegeven.
Een SD-kaartsleuf selecteren voor
screenshots
Als uw multifunctionele display 2 kaartsleuven heeft, moet u
selecteren naar welke kaartsleuf u de screenshot wilt opslaan.
Doe het volgende vanuit het Home-venster.
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Screenshot-bestand:.
4. SelecteerMicroSD 1 of MicroSD 2.
Een screenshot van het multifunctionele
display bekijken
U kunt afbeeldingen bekijken op uw multifunctionele display.
1. Plaats een MicroSD-kaart met een screenshot of afbeelding
in de MicroSD-kaartsleuf van uw multifunctionele display.
2. Selecteer Mijn gegevens in het home-venster.
3. Selecteer Afbeeldingen en video.
Het bestandsbrowser-dialoogvenster wordt weergegeven.
4. Gebruik de bestandsbrowser om het bestand op de
MicroSD-kaart op te zoeken.
5. Selecteer het bestand dat u wilt bekijken.
Het bestand wordt nu geopend.
6. Selecteer Terug of Sluiten om de afbeelding te sluiten.
8.6 Resetten van uw systeem
Uw systeem kan zonodig teruggezet worden naar de
fabrieksinstellingen.
Er zijn 2 typen resets, die beide invloed hebben op het display
dat u gebruikt EN eventuele displays op het netwerk.
Resetten van de instellingen.
Resetten van de instellingen en de gegevens.
Resetten van de instellingen
Met deze optie worden uw setupmenu's, paginasets en
databalkinstellingen teruggezet naar de fabrieksinstellingen. Dit
heeft GEEN invloed op uw waypoints, routes of tracks.
Resetten van de instellingen en de gegevens.
Naast de bovenstaande resets, zullen bij het resetten van de
instellingen en de gegevens ALLE waypoints, routes en tracks
verwijderd worden.
Systeeminstellingen resetten
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Onderhoud.
3. Selecteer Reset systeeminstellingen.
Er wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd
de actie te bevestigen.
4. Selecteer Ja om door te gaan met het resetten van de
instellingen, of Nee om te annuleren.
Systeeminstellingen en gegevens resetten
Opmerking: Wanneer u de systeeminstellingen en gegevens
reset worden ALLE waypoints, routes en tracks van uw
systeem gewist. Zorg ervoor dat u een back-up hebt gemaakt
van alle gegevens die op een geheugenkaart wilt bewaren
VOORDAT u verder gaat met het resetten van de instellingen
en de gegevens.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Onderhoud.
3. Selecteer Reset systeeminstellingen en gegevens.
Er wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd
de actie te bevestigen.
4. Selecteer Ja om door te gaan met het resetten van de
instellingen en de gegevens, of Nee om te annuleren.
106 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 9: Document-viewer-toepassing
Inhoudsopgave
9.1 Overzicht document-viewer op pagina 108
Document-viewer-toepassing
107
9.1 Overzicht document-viewer
Uw multifunctionele display beschikt over een
pdf-document-viewer.
De document-viewer is beschikbaar vanuit het home-venster en
wordt gebruikt om pdf-documenten (zoals producthandleidingen)
weer te geven en erin te zoeken.
D12755-1
1
2
3
1
Opent de bestandsbrowser van de SD-kaart.
2
Opent de gebruikershandleiding die is opgeslagen op
het multifunctionele display.
3
Opent de informatie over de betreffende
licentieovereenkomst.
Opmerking: De document-viewer ondersteunt geen met
wachtwoord beveiligde documenten of documenten die
beveiligingscerticaten bevatten. Er wordt een foutbericht
weergegeven wanneer u probeert dergelijke documenten te
openen.
D12597-1
1
7
3 42
5
6
1
Huidige paginanummer (pagina x van y)
2
Zoeken-werkbalk (wordt alleen weergegeven tijdens
het zoeken in een document.)
Opmerking: De knoppen Vorige, Volgende
en Annuleren worden alleen weergegeven
op producten die alleen touchscreen hebben.
Voor producten zonder touchscreen en voor
Hybridtouch-producten worden de fysieke
knoppen gebruikt.
3
Naam huidige pdf
4 Menu document-viewer
5
Schuifbalk
6
Zoomregelaars op het scherm (alleen op displays
met touchscreen.)
7
Inhoud pdf-document
De volgende opties zijn beschikbaar in het menu van de
document-viewer:
Bestand openen hiermee kunt u een pdf-document
opzoeken dat u wilt openen.
Ga naar pagina: hiermee kunt u direct naar een bepaald
paginanummer gaan.
Zoeken hiermee kunt u in het document zoeken op
specieke woorden.
Aan hoogte aanpassen past de hoogte van het
geopende document aan todat deze even hoog is als het
toepassingsvenster.
Aan breedte aanpassen past de breedte van het
geopende document aan todat deze even breed is als het
toepassingsvenster.
Bestand sluiten sluit het geopende document.
De gebruikershandleiding openen
De gebruikershandleiding van het product is opgeslagen op het
interne geheugen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Doc-viewer.
2. Selecteer Gebruikershandleiding.
De gebruikershandleiding van het product wordt geopend.
Opmerking: De gebruikershandleiding kan ook worden
geopend door het Gebruikershandleidingpictogram in het
Home-venster te selecteren.
Een pdf-document openen
U kunt pdf-documenten die zijn opgeslagen op een SD-kaart
openen door de onderstaande stappen te volgen.
Opmerking: Zorg er bij het opslaan van pdf-documenten op
SD-kaarten voor dat u geen belangrijke gegevens overschrijft.
1. Sla het gewenste pdf-document op een SD-kaart op.
2. Doe de SD-kaart in de SD-kaartsleuf van het multifunctionele
display waarop u het document wilt bekijken.
3. Selecteer Menu.
4. Selecteer Bestand openen.
Het bestandsbrowser-dialoogvenster wordt weergegeven.
5. Ga naar de locatie op de SD-kaart waar u het document hebt
opgeslagen.
6. Selecteer het document dat u wilt bekijken.
Het document wordt nu geopend.
7. Als het foutbericht ‘Kan bestand niet openen (Cannot
Open File)’ wordt weergegeven selecteert u OK om te
bevestigen en probeert u het document nogmaals te openen
of controleert u of het pdf-bestand niet corrupt is, of dat het
beveiligingen bevat die niet worden ondersteund door de
document-viewer.
Opmerking: Het openen van grote pdf-documenten kan
enige tijd duren.
Een geopend document sluiten
Ieder exemplaar van Doc-viewer staat afzonderlijk, het als
laatste geopende document wordt automatisch geopend de
volgende keer dat u dat exemplaar van de Doc-viewer opent,
tenzij het is gesloten met de menuoptie Bestand sluiten.
Doe het volgende wanneer een document geopend is:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Bestand sluiten.
Het document wordt gesloten en de hoofdpagina van de
Doc-viewer wordt weergegeven.
Door een geopend document bladeren
Op touchscreen-displays kunt u op de hieronder beschreven
manier door pdf-documenten bladeren.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
108 a Series / c Series / e Series
Beweeg uw vinger omhoog om omlaag door het
document te bladeren.
Beweeg uw vinger omlaag om omhoog door het
document te bladeren.
Wanneer het document breder is dan de breedte van het
toepassingsvenster, beweegt u uw vinger naar links of naar
rechts om de hele breedte van het document te bekijken.
Opmerking: U kunt ook de schuifbalken gebruiken om door
het document te navigeren.
Door een geopend document bladeren
Op displays met HybridTouch en displays zonder touchscreen
kunt u door pdf-documenten bladeren door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Beweeg de Joystick Omhoog of Omlaag om omhoog en
omlaag door het document te bewegen.
2. Beweeg de Joystick Naar links of Naar rechts om de hele
breedte te bekijken.
De zoom-factor wijzigen
Op displays met touchscreen kunt u de zoom-factor van een
geopend document wijzigen door de onderstaande stappen te
volgen.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Selecteer het Inzoomen-pictogram op het scherm om in te
zoomen, of
2. Selecteer het Uitzoomen-pictogram op het scherm om uit
te zoomen.
De zoom-factor wijzigen
Op HybridTouch-displays en displays zonder touchscreen (met
uitzondering van e7 en e7D) kunt u de zoom-factor van een
geopend document wijzigen door de onderstaande stappen te
volgen.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Gebruik de Uitzoomen-knop om uit te zoomen, of
2. Gebruik de Inzoomen-knop om in te zoomen.
Opmerking: Nieuwe a-serie en e7 / e7D multifunctionele
displays hebben geen knoppen voor Inzoomen en Uitzoomen.
Opmerking: Op een Nieuwe c-serie-display kan alleen de
Draaiknop worden gebruikt om de zoomfactor te veranderen.
Een pagina selecteren
U kunt doorgaan naar de pagina die u wilt bekijken door het
paginanummer in te voeren.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Ga naar pagina:.
Het numerieke toetsenbord wordt weergegeven.
3. Voer het paginanummer in van de pagina die u wilt bekijken.
4. Selecteer Ok om de pagina te bekijken.
Document-hyperlinks gebruiken
Op displays met touchscreen kunt u hyperlinks naar interne
documenten gebruiken.
Doe het volgende wanneer een pdf-document is geopend op
een pagina die een hyperlink bevat:
1. Raak de hyperlink kort aan met uw vinger.
U wordt doorgestuurd naar de pagina waarnaar de hyperlink
verwijst.
Opmerking: Document-hyperlinks kunnen niet worden
geactiveerd op een Nieuwe c-serie display.
Tekst zoeken
Om de Zoeken-functie te gebruiken voor het zoeken van tekst
op een display met alleen touchscreen volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Zoeken.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
3. Voer het woord in waarop u wilt zoeken.
4. Selecteer OPSLAAN.
De document-viewer gaat in zoek-modus en:
U ziet het ‘Bezig met zoeken...’-pictogram terwijl alle
exemplaren van het woord worden gezocht.
De Zoeken-werkbalk wordt weergegeven.
De eerste keer dat het woord in het document voorkomt
wordt gemarkeerd.
5. Selecteer Volgende om de volgende keer dat het woord
voorkomt te markeren, of
6. Selecteer Vorige om terug te gaan naar de vorige keer dat
het woord in het document voorkomt.
7. U kunt op ieder moment Annuleren selecteren om de
zoeken-werkbalk te sluiten en terug te keren naar normale
weergave.
Tekst zoeken
Op displays met HybridTouch en displays zonder touchscreen
kunt u de zoek-functie gebruiken om tekst te zoeken in een
geopend pdf-document door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende wanneer een pdf-document geopend is:
1. Druk op de Menu-knop.
2. Selecteer Zoeken.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
3. Voer het woord in waarop u wilt zoeken.
4. Selecteer OPSLAAN.
De document-viewer gaat in zoek-modus en:
U ziet het ‘Bezig met zoeken...’-pictogram terwijl alle
exemplaren van het woord worden gezocht.
De Zoeken-werkbalk wordt weergegeven.
De eerste keer dat het woord in het document voorkomt
wordt gemarkeerd.
5. Beweeg de Joystick naar beneden om de volgende keer
dat een woord voorkomt te markeren, of
6. Beweeg de Joystick naar boven om de voorgaande keer
dat een woord voorkomt te markeren.
7. U kunt op ieder moment op de Terug-knop drukken om de
zoeken-werkbalk te sluiten en terug te keren naar normale
weergave.
Trefwoord niet gevonden
De document-viewer laat u weten als het trefwoord waarop u
hebt gezocht niet voorkomt in het document.
Als het trefwoord niet is gevonden, dan wordt op de
Zoeken-werkbalk een uitroepteken weergegeven en er verschijnt
een pop-upbericht op het scherm.
Document-viewer-toepassing
109
Wanneer u Opnieuw zoeken selecteert keert u terug naar het
toetsenbord op het scherm zodat u het met een ander trefwoord
kunt proberen. Wanneer u Annuleren selecteert wordt de
Zoeken-werkbalk gesloten en keert u terug naar normale
weergave.
110 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 10: Stuurautomaatbediening
Inhoudsopgave
10.1 Stuurautomaatbediening op pagina 112
10.2 Stuurautomaabalk op pagina 114
10.3 Instellingen stuurautomaat op pagina 115
10.4 Instellingen stuurautomaat op pagina 115
10.5 Statussymbolen voor stuurautomaat op pagina 120
10.6 Alarmmeldingen stuurautomaat op pagina 121
Stuurautomaatbediening
111
10.1 Stuurautomaatbediening
U kun uw multifunctionele display gebruiken om uw
stuurautomaat te bedienen. Wanneer aangesloten op een
Evolution-stuurautomaat, zijn de stuurautomaatinstellingen ook
beschikbaar.
Opmerking: Voor informatie over het aansluiten van uw
multifunctionele display op een Raymarine-stuurautomaat
kunt u de documentatie van uw stuurautomaat raadplegen.
Wanneer de functie Stuurautomaatbediening is ingeschakeld,
kunt u uw multifunctionele display gebruiken om:
De stuurautomaat in Track-modus te schakelen (ga naar een
bepaalde positie of volg een route).
De stuurautomaat in Automatische modus te schakelen
(vasthouden van de huidige koers).
De huidige vastgezette koers aan te passen.
De stuurautomaat uit te schakelen.
Het Aankomst waypoint-alarm uit te zetten.
De stuurautomaatinstellingen aan te passen(alleen
Evolution-stuurautomaten)
Opmerking: In een systeem zonder een speciale
stuurautomaatbediening, kan het datamaster multifunctionele
display niet worden uitgeschakeld of in energiebesparende
modus worden gezet terwijl de stuurautomaat is ingeschakeld.
Het dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt weergegeven
in de volgende situaties:
Wanneer de fysieke Stuurautomaat-knop is ingedrukt.
Wanneer Stuurautomaatbedieningen is geselecteerd op
de pagina met snelknoppen.
Wanneer u de optie Menu > Navigatie > Ga naar
waypoint , Ga naar cursor of Volg route selecteert in de
Kaart-toepassing.
Wanneer u Ga naar waypoint of Ga naar cursor selecteert
met behulp van het kaartcontextmenu.
Wanneer u de cursor op een actieve route of waypoint op de
kaart plaatst en Stop Ga naar, Stop volgen of Doorgaan
naar volgende waypoint selecteert in het contextmenu.
Wanneer u een route volgt of naar naar een waypoint- of
cursorpositie gaat en Menu > Navigatie > Stop Ga naar, Stop
volgen of Doorgaan naar volgend waypoint selecteert.
Wanneer u op het bestemmingswaypoint aankomt.
Opmerking:
Wanneer u op een waypoint aankomt wordt de titelbalk
van het dialoogvenster rood om aan te geven dat op bent
aangekomen op het waypoint.
Dialoogvenster stuurautomaatbediening (stand-by)
Het onderstaande voorbeeld toont de opties in het dialoogvenster
voor de Stuurautomaatbediening wanneer het dialoogvenster
voor de stuurautomaatbediening is geopend vanuit het menu of
met de speciale stuurautomaatknop.
Wanneer Auto wordt geselecteerd, wordt de stuurautomaat
ingeschakeld en de huidige koers aangehouden.
Dialoogvenster stuurautomaatbediening (Auto)
Het onderstaande voorbeeld toont de opties in het dialoogvenster
voor de stuurautomaatbediening wanneer Auto (vergrendelde
koers) is ingeschakeld.
D12882-1
1
2
3
4
5 6
8
7
Nu-
m-
mer Omschrijving
1
Status stuurautomaat huidige stuurautomaatmodus.
2 Pijl naar links verklein de vastgezette koershoek.
3
Roerbalk geeft de positie van het roer weer.
4
STAND-BY schakelt de stuurautomaat uit en keert terug naar
handmatige besturing van het schip.
5
Huidige vastgezette koers.
6 Track schakelt de stuurautomaat in Track-modus en stuurt uw
schip automatisch naar een bestemmingswaypoint of langs een
route die is uitgezet op uw kaartplotter.
7
Pijl naar rechts vergroot de vastgezette koershoek.
8
Sluiten sluit het dialoogvenster Stuurautomaatbediening.
Dialoogvenster stuurautomaatbediening (navigeren starten)
Het onderstaande voorbeeld toont de opties in het dialoogvenster
van de stuurautomaat wanneer Ga naar cursor, Ga naar
waypoint of Volg route is geselecteerd.
D12206-2
1
2
3
4
5 6
9
8
7
Nu-
m-
mer Omschrijving
1
Status stuurautomaat huidige stuurautomaatmodus.
2 Huidige koers.
3
Nee (stand-by) schakelt de stuurautomaat uit en keert terug
naar handmatige besturing van het schip.
4
Roerbalk geeft de positie van het roer weer.
5
Draaihoek de draaihoek is alleen beschikbaar voor
SeaTalk
ng
-stuurautomaten. Dit geeft de richting en de graad aan
van de draaiing.
6
Ja (track) schakelt de stuurautomaat in Track-modus en stuurt
uw schip automatisch naar een bestemmingswaypoint of langs een
route die is uitgezet op uw kaartplotter.
7
Afstand naar volgend waypoint (DTW) en peiling naar volgend
waypoint (BTW).
8 Naam volgend waypoint.
9
Sluiten sluit het dialoogvenster Stuurautomaatbediening.
Dialoogvenster Stuurautomaatbediening (Track)
Het onderstaande voorbeeld toont de opties in het dialoogvenster
van de stuurautomaat wanneer in track-modus.
112
a Series / c Series / e Series
Stuurautomaatbediening inschakelen
De stuurautomaatbedieningsfunctie inschakelen
SeaTalk- en SPX SeaTalk
ng
-stuurautomaten
Om de bediening van uw SeaTalk- of SPX SeaTalk
ng
-
stuurautomaat vanaf uw multifunctionele display in te schakelen
volgt u de onderstaande stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Stuurautomaatbediening zodat Aan is
gemarkeerd.
Wanneer u Stuurautomaatbediening selecteert wordt de
bediening Aan en Uit geschakeld.
Op een systeem met meerdere displays wordt de
stuurautomaatbediening ingeschakeld voor alle displays tegelijk.
De stuurautomaatbedieningsfunctie inschakelen
Evolution-stuurautomaten
Om de bediening van uw Evolution-stuurautomaat vanaf uw
multifunctionele display in te schakelen volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster.
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Externe apparaten.
4. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
5. Selecteer Stuurautomaatbediening zodat Aan is
gemarkeerd.
Wanneer u Stuurautomaatbediening selecteert wordt de
bediening van de stuurautmaat Aan en Uit geschakeld.
De stuurautomaat uitschakelen.
Let op: De stuurautomaat
uitschakelen.
Op geïntegreerde multifunctionele displays zonder
speciale stuurautomaatknop kan de stuurautomaat
in een noodsituatie worden uitgeschakeld door de
aan/uit-knop in te drukken en vast te houden.
De stuurautomaat uitschakelen met de aan/uit-knop
Op geïntegreerde multifunctionele displays zonder speciale
stuurautomaatknop kan de stuurautomaat wanneer deze
in ingeschakeld worden uitgeschakeld met behulp van de
aan/uit-knop. Dit komt van pas in noodsituaties, met name voor
displays met alleen touchscreen, wanneer het touchscreen
vastloopt als gevolg van bepaalde weersomstandigheden, bijv.
regen.
Doe het volgende wanneer de stuurautomaat is ingeschakeld:
1. Houd de Aan/uit-knop ingedrukt.
De waarschuwing ‘Stuurautomaat STAND-BY zetten’ wordt
weergegeven en er klinkt een geluidsalarm.
2. Houd de Aan/uit-knop vast, de stuurautomaat
wordt dan in stand-by gezet en het dialoogvenster
Stuurautomaatbediening wordt weergegeven.
De stuurautomaat uitschakelen met behulp van
snelkoppelingenpagina
U kunt de stuurautomaat uitschakelen vanuit de
snelkoppelingenpagina.
Doe het volgende wanneer de stuurautomaat is ingeschakeld:
1. Druk op de AAN/UIT-knop en laat hem los.
2. Selecteer Stand-by.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven voor de
wijziging van de Status stuurautomaat.
3. Selecteer Ja om de stuurautomaat uit te schakelen.
De stuurautomaat is uitgeschakeld (stand-by gezet) en het
dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt weergegeven.
De stuurautomaat uitschakelen met de
stuurautomaatknop
Op multifunctionele displays met een speciale
stuurautomaatknop, of wanneer u een toetsenbord op
afstand gebruikt, kunt u de stuurautomaat uitschakelen met
behulp van de stuurautomaatknop.
Doe het volgende wanneer de stuurautomaat is ingeschakeld:
1. Druk op de Stuurautomaat-knop.
De stuurautomaat is uitgeschakeld (stand-by gezet) en het
dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt weergegeven.
De stuurautomaat uitschakelen vanuit de kaarttoepassing
Op alle modellen multifunctionele displays kan de stuurautomaat
worden uitgeschakeld vanuit het menu van de kaarttoepassing.
Doe het volgende in de kaarttoepassing wanneer de
stuurautomaat is ingeschakeld:
1. Selecteer Menu > Navigatie > Stop ga naar of Stop volgen.
Het dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt
weergegeven.
2. Selecteer STAND-BY.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven voor de
wijziging van de Status stuurautomaat.
3. Selecteer Ja om de stuurautomaat uit te schakelen.
De stuurautomaat wordt uitgeschakeld (gaat over naar stand-by).
De stuurautomaat uitschakelen vanuit het Home-venster
Op displays met touchscreen kan de stuurautomaat worden
uitgeschakeld vanaf het Home-scherm.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Stand-by.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven voor de
wijziging van de Status stuurautomaat.
2. Selecteer Ja om de stuurautomaat uit te schakelen.
De stuurautomaat wordt uitgeschakeld (gaat over naar stand-by).
De stuurautomaat uitschakelen vanaf de stuurautomaatbalk
De stuurautomaat kan worden uitgeschakeld vanaf de
stuurautomaatbalk.
Doe het volgende wanneer de stuurautomaatbalk is
weergegeven.
1. Selecteer Stand-by.
Raadpleeg het hoofdstuk 10.2 Stuurautomaatbalk voor meer
informatie over de stuurautomaatbalk.
Stuurautomaatbediening
113
De stuurautomaat inschakelen.
De stuurautomaat inschakelen met de
stuurautomaatknop
Op multifunctionele displays met een speciale
stuurautomaatknop, of wanneer u een toetsenbord op
afstand gebruikt, kunt u de stuurautomaat inschakelen met
behulp van de stuurautomaatknop.
Doe het volgende wanneer de stuurautomaat is uitgeschakeld:
1. Druk op de Stuurautomaat-knop.
Het dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt
weergegeven.
2. Selecteer Automatisch.
De stuurautomaat is ingeschakeld en houdt de huidige koers
aan.
Opmerking: U kunt de stuurautomaat ook automatisch
inschakelen door de Stuurautomaat-knop ingedrukt te
houden.
De stuurautomaat inschakelen vanuit het menu van de
kaarttoepassing
U kunt de stuurautomaat in Track-modus inschakelen met
behulp van het toepassingsmenu.
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu > Navigatie > Ga naar cursor, Ga naar
waypoint, of Volg route.
Het dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt
weergegeven.
2. Selecteer Ja (Track).
De stuurautomaat inschakelen met behulp van het
contextmenu
U kunt de stuurautomaat in Track-modus inschakelen met
behulp van het contextmenu.
Doe het volgende in het contextmenu van de kaarttoepassing:
1. Selecteer één van de volgende opties in het
Kaartcontextmenu:
Ga naar Waypoint
Ga naar Cursor
Route volgen
Volgen vanaf hier
Volg route in tegengestelde richting
Het dialoogvenster Stuurautomaatbediening wordt
weergegeven.
2. Selecteer Ja (Track).
Handmatig het dialoogvenster van de
stuurautomaatbediening weergeven
U kunt het dialoogvenster van de stuurautomaatbediening altijd
openen vanuit het Home-venster of de kaarttoepassing.
1. Doe het volgende vanuit het Home-venster:
i. Selecteer Instellingen.
ii. Selecteer Besturingen stuurautomaat.
2. Doe het volgende in de kaarttoepassing:
i. Selecteer Menu.
ii. Selecteer Navigatie.
iii. Selecteer Besturingen stuurautomaat.
10.2 Stuurautomaabalk
De stuurautomaatbalk geeft informatie over de status
van de stuurautomaat. Voor displays met touchscreen
kunt u de stuurautomaat uitschakelen met behulp van de
stuurautomaatbalk.
Stuurautomaatbalk Track-modus
Stuurautomaatbalk Auto-modus
De stuurautomaatbalk wordt weergegeven wanneer de
stuurautomaatbediening is ingeschakeld, de stuurautomaatbalk
is ingeschakeld en de stuurautomaat is ingeschakeld.
Wanneer de stuurautomaat is uitgeschakeld, wordt de
stuurautomaatbalk verborgen.
Op een systeem met meerdere displays kan de
stuurautomaatbalk worden uitgeschakeld of ingeschakeld op
ieder display.
De stuurautomaatbalk inschakelen
Wanneer aangesloten op een SeaTalk of SeaTalk
ng
SPX-stuurautomaat, kan de stuurautomaatbalk worden
ingeschakeld door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het Home-venster, terwijl de
stuurautomaatregelaars zijn ingeschakeld:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Stuurautomaatbedieningsbalk zodat
Weergegeven is gemarkeerd.
Wanneer u Stuurautomaatbedieningsbalk selecteert, wordt
de stuurautomaatbalk heen en weer geschakeld tussen
Weergegeven en Verborgen.
4. De stuurautomaat inschakelen.
De stuurautomaatbalk wordt nu weergegeven aan de onderkant
van het scherm van alle toepassing terwijl de stuurautomaat is
ingeschakeld.
Opmerking: Wanneer aangesloten op een Evolution-
stuurautomaat, wordt de stuurautomaatbalk ingeschakeld
vanuit de pagina voor Instellingen stuurautomaat.
114
a Series / c Series / e Series
10.3 Instellingen stuurautomaat
Wanneer aangesloten op een Evolution-stuurautomaat, is de
pagina voor stuurautomaatinstellingen beschikbaar.
D12883-1
9 10
4
6
7
5
8
21 3
1 Terug ga terug naar het vorige menu.
2
Status stuurautomaat huidige stuurautomaatmodus.
3
Sluiten sluit de pagina met stuurautomaatinstellingen en keert
terug naar het Home-venster.
4
Stuurautomaatbediening schakelt de stuurautomaatbediening
via het multifunctionele display in en uit.
5
Stuurautomaatbalk schakelt de stuurautomaatbalk in en uit.
6
Stuurautomaatinstellingen toont de beschikbare
stuurautomaatinstellingen die kunnen worden gecongureerd vanaf
het multifunctionele display.
Opmerking: Het menu Stuurautomaatinstellingen is alleen
beschikbaar op het datamaster multifunctionele display.
7
Vrijetijd plaatst de stuurautomaat in vrijetijdsmodus. De
vrijetijdsmodus is geschikt voor lange tochten waar het nauwkeurig
aanhouden van de koers niet essentieel is.
8 Prestatie plaatst de stuurautomaat in prestatiemodus.
De prestatiemodus garandeert een goede koers zonder de
stuurautomaat te overbelasten.
9 Kruisen Plaatst de stuurautomaat in kruismodus. De kruismodus
zorgt ervoor dat de koers nauwkeurig wordt aangehouden.
10
Roerbalk geeft de positie van het roer weer.
De pagina met stuurautomaatinstellingen
openen.
Wanneer aangesloten op een Evolution-stuurautomaat, kunt
u de pagina met stuurautomaatinstellingen openen door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Externe apparaten.
4. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
10.4 Instellingen stuurautomaat
De optie Instellingen stuurautomaat is beschikbaar op een
datamaster multifunctioneel display wanneer het is geïntegreerd
in een Evolution-stuurautomaat.
Met Instellingen stuurautomaat kunt u een Evolution-
stuurautomaat instellen en inbedrijfstellen met behulp van een
multifunctioneel display.
Instellingen stuurautomaat bevat de volgende opties:
Scheepsinstellingen
Aandrijvingsinstellingen
Zeilbootinstellingen
Inbedrijfstelling
Eerste instelling en inbedrijfstelling
Scheepsinstellingen
De scheepsinstellingen zijn ontwikkeld voor optimale
stuurprestaties voor gebruikelijke schepen.
Het is belangrijk het scheepsromptype te selecteren als
onderdeel van de eerste installatie, omdat het een belangrijk
element vormt van het kalibratieproces van de stuurautomaat.
U kunt de opties ook op ieder moment openen door:
Stuurautomaatinstellingen > Scheepsinstellingen te
selecteren.
De scheepsinstellingen bevatten de volgende opties:
Scheepsromptype
Aandrijvingstype
Kompascorrectie
Kalibratievergrendeling
Selectie van het scheepsromptype
De opties voor het scheepsromptype zijn ontwikkeld voor
optimale stuurprestaties voor gebruikelijke schepen.
Het is belangrijk het scheepsromptype te selecteren
als onderdeel van de eerste installatie, omdat het een
belangrijk element vormt van het inbedrijfstellingsproces. Als de
stuurautomaat in stand-by-modus is kunt u de opties ook op ieder
moment openen vanuit de pagina Stuurautomaatinstellingen
door: Stuurautomaatinstellingen > Scheepsinstellingen >
Scheepsromptype te selecteren.
Houd daarbij als algemene richtlijn aan de optie te selecteren
die het meest lijkt op uw scheepstype en stuurkarakteristieken.
De opties zijn:
Zeilen.
Zeilen (langzaam draaien).
Zeilen catamaran.
AAN/UIT-knop
Motorboot (langzaam draaien).
Motorboot (snel draaien).
Het is belangrijk dat u zich ervan bewust bent dat de krachten
bij het sturen (en daardoor de draaisnelheid) aanzienlijk kan
variëren afhankelijk van de combinatie van scheepstype,
stuursysteem en aandrijvingstype. De beschikbare opties
voor het scheepsromptype vormen daarom slechts een
richtlijn. U zou ervoor kunnen kiezen te experimenteren met
de verschillende opties voor het scheepsromptype, omdat u de
stuurprestaties van uw schip mogelijk kunt verbeteren door een
ander scheepstype te selecteren.
Bij het kiezen van een geschikt scheepstype dient de nadruk te
liggen op veilige en betrouwbare stuurrespons.
Belangrijk: Als u het scheepstype wijzigt nadat u de
dokpierwizard hebt uitgevoerd, worden alle instellingen van
de inbedrijfstelling gereset naar de standaard instellingen en
dient u de dokpierwizard opnieuw uit te voeren.
Een scheepsromptype selecteren
U kunt het scheepsromptype openen vanuit de pagina
Instellingen stuurautomaat.
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
Stuurautomaatbediening
115
2. Selecteer Scheepsinstellingen.
3. Selecteer Scheepsromptype.
4. Selecteer de optie die het meest lijkt op uw scheepstype.
De nieuwe selectie wordt toegepast.
Een type aandrijving selecteren
Het aandrijvingstype kan worden geselecteerd vanuit de
dokpierwizard en ook via het scheepsinstellingenmenu
Instellingen stuurautomaat > Instellingen stuurautomaat >
Scheepstype > Aandrijvingstype.
Doe het volgende wanneer het menu Aandrijvingstype wordt
weergegeven:
1. Selecteer uw aandrijvingstype in de lijst.
Opmerking: De beschikbare aandrijvingstypes zijn
onafhankelijk van het ACU-type. Wanneer uw aandrijving niet
in de lijst staat, neem dan contact op met uw Raymarine-dealer
voor advies.
2. Selecteer OK om uw instellingen op te slaan en de volgende
instellingenpagina weer te geven.
Opmerking: U kunt de dokpierwizard op ieder moment
annuleren door STAND-BY te selecteren.
De koers uitlijnen
De koers van de stuurautomaat kan worden uitgelijnd met
de kompas van het schip met behulp van de instelling
Kompascorrectie.
Opmerking: Om deze procedure uit te voeren dient u een via
het netwerk aangesloten apparaat te hebben, bijvoorbeeld
een instrument, stuurautomaatbediening of multifunctioneel
display, om de huidige stuurautomaatkoers op het scherm
weer te geven.
Verschillende factoren kunnen verschillen veroorzaken tussen
de koers en de grondkoers (course over ground, COG), u
dient de koers zo uit te lijnen, dat het overeenkomst met het
stuurkompas van het schip (of een bekende transitpeiling).
150
o
155
o
5
1 2
D12928-1
1. Stuur uw schip in een bekende koers en controleer het
stuurkompas.
2. Controleer de stuurautomaatkoers op uw multifunctionele
display.
3. Selecteer Instellingen stuurautomaat in de pagina
Instellingen stuurautomaat.
4. Selecteer Scheepsinstellingen.
5. Selecteer Kompascorrectie.
6. Pas de Kompascorrectie zo aan, dat de stuurautomaatkoers
overeenkomt met de koers van het stuurkompas.
Bijv. als de koers van het stuurkompas 155° en de koers van
de stuurautomaat 150°, betekent een kompascorrectie van
dat de koersen van het stuurkompas en de stuurautomaat
zijn uitgelijnd.
De kompascorrectie wordt zo nodig automatisch gewijzigd
wanneer de procedure Kompas uitlijnen met GPS wordt
uitgevoerd.
Aandrijvingsinstellingen
De aandrijvingsinstellingen zijn ontwikkeld voor optimale
prestaties van de aandrijving.
Het is belangrijk dat u de aandrijvingsinstellingen controleert en
zo nodig aanpast aan de hand van uw aandrijving.
De aandrijvingsinstellingen bevatten de volgende instellingen:
*Roerdemping.
AutoTurn.
Stuurbekrachtiging.
Omkeren roerstandindicator.
Roercorrectie.
Roerlimiet.
Hard over-tijd.
Opmerking: *De instelling voor roerdemping dient niet te
worden aangepast voordat u advies hebt ingewonnen bij de
technische ondersteuning van Raymarine.
De AutoTurn-hoek instellen
U kunt de hoek waarmee het scheep draait tijdens het uitvoeren
van een AutoTurn speciceren met behulp van een aangesloten
stuurautomaatbediening.
Doe het volgende in de pagina Instellingen stuurautomaat:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
3. Selecteer AutoTurn.
4. Stel de AutoTurn-instelling in op de gewenste waarde.
5. Selecteer Terug of OK om de instelling te bevestigen.
Stuurbekrachtiging
Als er op uw stuurautomaat een joystick of een
p70R-stuurautomaatbediening is aangesloten, kunt u de
gebruiksmodus daarvan selecteren. Voor meer informatie kunt u
de documentatie raadplegen die is meegeleverd met uw joystick
of uw p70R.
De gebruiksmodi zijn de volgende:
Uit joystickbediening is uitgeschakeld.
Proportioneel de proportionele modus past het roer toe in
verhouding met de joystickbeweging hoe meer de joystick
wordt verplaatst, hoe meer roer er wordt toegepast.
Bang-Bang De bang-bang-modus past continu roer toe
in de richting van de joystickbeweging, om de controle te
verbeteren verandert de snelheid van de roerbeweging met
de hoek van de joystick. Voor maximale snelheid duwt u de
joystick helemaal tot het einde. Als u de joystick terugbrengt
naar de middenpositie, blijft het roer in de huidige positie.
De roerstandfase omkeren
Op schepen die zijn uitgerust met een roerstandtransducer kunt
u, wanneer de roerbalk in de verkeerde richting beweegt, dit
corrigeren door de fase van de roerstand om te keren.
Opmerking: Deze procedure is niet nodig voor schepen
zonder een roerstandtransducer.
Doe het volgende in de pagina Instellingen stuurautomaat:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
3. Selecteer Omkeren roerstandindicatoe.
Wanneer u Omkeren roerstandindicator selecteert, wordt
heen en weer geschakeld tussen Aan en Uit.
De roercorrectie instellen
Op schepen die zijn uitgerust met een roerstandtransducer kunt
u wanneer nodig een correctie instellen voor middenpositie van
het roer.
Opmerking: Deze procedure is niet nodig voor schepen
zonder een roerstandtransducer.
116 a Series / c Series / e Series
Opmerking: Om deze procedure uit te voeren is het
wenselijk dat u beschikt over een via het netwerk aangesloten
apparaat zoals een instrument, stuurautomaatbediening of
multifunctioneel display waarop de huidige roerstand op het
scherm kan worden weergegeven tijdens het uitvoeren van
de aanpassing.
1. Gebruik het stuurwiel om het roer te centreren.
2. Selecteer Instellingen stuurautomaat in de pagina
Instellingen stuurautomaat.
3. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
4. Selecteer Roercorrectie.
5. Pas de waarden voor de roercorrectie aan totdat de roerbalk
aangeeft dat het roer in de middenpositie staat.
De roeraanpassing is beperkt tot ± 9°, als de benodigde
aanpassing voor het centreren van de roerbalkpositie buiten
deze grenswaarden valt, dan moet de uitlijning van de
roerstandsensor fysiek worden aangepast.
De roerlimieten instellen
Op schepen die zijn uitgerust met een roerstandtransducer,
moeten de roerlimieten worden ingesteld. De roerlimiet wordt
gebruikt om de roerregeling in te stellen. De roerlimieten moeten
net binnen de mechanische eindaanslagen worden ingesteld om
overbelasting van het stuursysteem te voorkomen.
Opmerking: Deze procedure is niet nodig voor schepen
zonder een roerstandtransducer.
Opmerking: Om deze procedure uit te voeren is het
wenselijk dat u beschikt over een via het netwerk aangesloten
apparaat zoals een instrument, stuurautomaatbediening of
multifunctioneel display waarop de huidige roerstand op het
scherm kan worden weergegeven tijdens het uitvoeren van
de aanpassing.
De limieten moeten ongeveer lager worden ingesteld dan
de maximale roerhoek.
1. Draai het stuurwiel helemaal naar bakboord en noteer de
hoek op de roerbalk.
2. Draai het stuurwiel helemaal naar stuurboord en noteer de
hoek op de roerbalk.
3. Selecteer Instellingen stuurautomaat in de pagina
Instellingen stuurautomaat.
4. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
5. Selecteer Roerlimiet.
6. Stel de roerlimiet zo in, dat hij lager is dan de kleinste
hoek die u hebt genoteerd in de stappen 1 en 2 hierboven.
7. Selecteer Terug of OK om de instellingen te bevestigen.
De boord-boordtijd instellen
Nadat de boord-boordtijd is vastgesteld, kan deze worden
ingesteld door de volgende stappen te volgen.
Doe het volgende in de pagina Instellingen stuurautomaat:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
3. Selecteer Hard over-tijd.
4. Voer uw boord-boordtijd in seconden in.
Zeilbootinstellingen
Wanneer het scheepstype is ingesteld op zeilboot, dan is het
menu Zeilbootinstellingen beschikbaar.
De Zeilbootinstellingen bestaan uit de volgende opties:
Windtrimrespons - de windtrimrespons bepaalt hoe snel de
stuurautomaat reageert op veranderingen in de windrichting.
Een hogere instelling voor de windtrimrespons resulteert in
een systeem dat gevoeliger reageert op windveranderingen.
Gijponderdrukker - wanneer de gijponderdrukker is
ingeschakeld, voorkomt de stuurautomaat dat het schip van de
wind afdraait, om onbedoeld gijpen te voorkomen. Wanneer
de gijponderdrukker is uitgeschakeld kunt u een AutoTack
uitvoeren, naar of van de wind af. De gijponderdrukker heeft
geen invloed op Auto Turn.
Windtrim deze optie bepaalt of het schip naar de Schijnbare
of de Ware wind wind stuurt in de Windvaan-modus.
Inbedrijfstelling
U kunt een Evolution-stuurautomaat in bedrijf stellen met behulp
van het stuurautomaatinstellingenmenu op uw multifunctionele
display. Alle instellingen en inbedrijfstellingsprocedures dienen
te worden uitgevoerd voordat u de stuurautomaat gebruikt.
Het inbedrijfstellen van het stuurautomaatsysteem bestaat uit
de volgende procedures:
Selectie van het scheepsromptype
Selectie aandrijvingstype.
Roercontrole
Motorcontrole
Voorwaarden voor inbedrijfstelling
Voordat u uw systeem voor de eerste keer in bedrijf stelt
moet u controleren of de onderstaande processen correct zijn
uitgevoerd:
De installatie van de stuurautomaat is afgerond
overeenkomstig de installatiehandleiding.
Het SeaTalk
ng
-netwerk is geïnstalleerd overeenkomstig de
SeaTalk
ng
-gebruikershandleiding.
Een eventuele GPS-installatie en verbindingen zijn aangelegd
overeenkomstig de GPS-installatiehandleiding.
Ga ook na of de technicus die het systeem in bedrijf stelt bekend
is met de installatie en de componenten van de stuurautomaat,
waaronder:
Scheepstype.
Systeeminformatie scheepsbesturing.
Het doel van de stuurautomaat.
Systeemontwerp: componenten en verbindingen (u zou over
een stroomschema moeten beschikken van de stuurautomaat
van het schip).
Selectie van het scheepsromptype
De opties voor het scheepsromptype zijn ontwikkeld voor
optimale stuurprestaties voor gebruikelijke schepen.
Het is belangrijk het scheepsromptype te selecteren
als onderdeel van de eerste installatie, omdat het een
belangrijk element vormt van het inbedrijfstellingsproces. Als de
stuurautomaat in stand-by-modus is kunt u de opties ook op ieder
moment openen vanuit de pagina Stuurautomaatinstellingen
door: Stuurautomaatinstellingen > Scheepsinstellingen >
Scheepsromptype te selecteren.
Houd daarbij als algemene richtlijn aan de optie te selecteren
die het meest lijkt op uw scheepstype en stuurkarakteristieken.
De opties zijn:
Zeilen.
Zeilen (langzaam draaien).
Zeilen catamaran.
AAN/UIT-knop
Motorboot (langzaam draaien).
Motorboot (snel draaien).
Het is belangrijk dat u zich ervan bewust bent dat de krachten
bij het sturen (en daardoor de draaisnelheid) aanzienlijk kan
variëren afhankelijk van de combinatie van scheepstype,
stuursysteem en aandrijvingstype. De beschikbare opties
voor het scheepsromptype vormen daarom slechts een
richtlijn. U zou ervoor kunnen kiezen te experimenteren met
de verschillende opties voor het scheepsromptype, omdat u de
stuurprestaties van uw schip mogelijk kunt verbeteren door een
ander scheepstype te selecteren.
Bij het kiezen van een geschikt scheepstype dient de nadruk te
liggen op veilige en betrouwbare stuurrespons.
Stuurautomaatbediening
117
Belangrijk: Als u het scheepstype wijzigt nadat u de
dokpierwizard hebt uitgevoerd, worden alle instellingen van
de inbedrijfstelling gereset naar de standaard instellingen en
dient u de dokpierwizard opnieuw uit te voeren.
Een scheepsromptype selecteren
U kunt het scheepsromptype openen vanuit de pagina
Instellingen stuurautomaat.
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Scheepsinstellingen.
3. Selecteer Scheepsromptype.
4. Selecteer de optie die het meest lijkt op uw scheepstype.
De nieuwe selectie wordt toegepast.
De dokpierwizard uitvoeren
De dokpierwizard dient te worden uitgevoerd voordat het
Evolution-stuurautomaatsysteem voor de eerste keer kan
worden gebruikt. De dokpierwizard begeleidt u door de stappen
die moeten worden uitgevoerd voor inbedrijfstelling.
De Dokpierwizard bevat verschillende stappen, afhankelijk
van de vraag of er op uw schip een roerstandterugmelder is
gemonteerd of niet:
De volgende Dokpierwizardproce-
dures zijn alleen van toepassing op
schepen zonder een roerstandte-
rugmelder:
Selectie aandrijvingstype.
Instellen roerlimiet.
Instellen van de boord-boordtijd
(Raymarine adviseert deze
informatie te speciceren
nadat de Dokpierwizard en de
roeraandrijvingscontrole zijn
uitgevoerd, met behulp van de
menu-optie Boord-boordtijd).
Controle roeraandrijving.
De volgende Dokpierwizardproce-
dures zijn alleen van toepassing op
schepen met een roerstandterug-
melder:
Selectie aandrijvingstype.
Roer uitlijnen (roeruitlijning).
Instellen roerlimiet.
Controle roeraandrijving.
Om de wizard te openen, dient u er zeker van te zijn dat
de stuurautomaat in stand-by-modus is. Daarna doet u het
volgende vanuit de pagina met stuurautomaatinstellingen:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Inbedrijfstelling.
3. Selecteer Dokpierwizard.
Een type aandrijving selecteren
Het aandrijvingstype kan worden geselecteerd vanuit de
dokpierwizard en ook via het scheepsinstellingenmenu
Instellingen stuurautomaat > Instellingen stuurautomaat >
Scheepstype > Aandrijvingstype.
Doe het volgende wanneer het menu Aandrijvingstype wordt
weergegeven:
1. Selecteer uw aandrijvingstype in de lijst.
Opmerking: De beschikbare aandrijvingstypes zijn
onafhankelijk van het ACU-type. Wanneer uw aandrijving niet
in de lijst staat, neem dan contact op met uw Raymarine-dealer
voor advies.
2. Selecteer OK om uw instellingen op te slaan en de volgende
instellingenpagina weer te geven.
Opmerking: U kunt de dokpierwizard op ieder moment
annuleren door STAND-BY te selecteren.
De roeruitlijning controleren
Deze procedure stelt de roerlimieten voor bakboord en
stuurboord vast voor systemen die gebruik maken van een
roerstandtransducer.
De roercontrole maakt deel uit van het dokpierwizard.
De volgende procedure is alleen
van toepassing op schepen met een
roerstandtransducer.
1. Centreer het roer en selecteer OK.
2. Wanneer daarom wordt gevraagd, draait u het roer volledig
naar bakboord en selecteert u OK.
3. Wanneer daarom wordt gevraagd, draait u het roer volledig
naar stuurboord en selecteert u OK.
4. Wanneer u daarom wordt gevraagd, centreert u het roer
opnieuw en selecteert u OK.
Opmerking: U kunt de dokpierwizard op ieder moment
annuleren door STAND-BY te selecteren.
Instellen roerlimiet
Als onderdeel van de dokpierwizard stelt het systeem de
roerlimieten in.
Voor schepen met een roerstandtransducer deze
procedure stelt de roerlimiet vast. De roerlimiet worden
weergegeven met een bericht waarmee wordt bevestigd dat
de roerlimiet is bijgwerkt. Deze waarde kan wanneer nodig
worden aangepast.
Voor schepen zonder roerstandtransducer er wordt een
standaard waarde van 30 graden weergegeven, deze kan
zo nodig worden aangepast.
Hard over-tijd
De instelling voor de hard over-tijd kan worden gespeciceerd in
de dokpierwizard.
De volgende informatie is alleen van
toepassing op schepen zonder een
roerstandtransducer.
Als u de hard over-tijd al weet van het stuursysteem van uw
schip: voer deze tijd in tijdens de dokpierwizardprocedure.
Als u de hard over-tijd NIET weet van het stuursysteem
van uw schip: sla deze stap over tijdens de
dokpierwizard door OPSLAAN te selecteren en
voltooi de dokpierwizardprocedure. Nadat de wizard is
voltooid, berekent u de hard over-tijd en past u deze aan.
De roeraandrijving controleren
Als onderdeel van de dokpierwizard controleert het systeem
de aandrijfverbinding. Wanneer de controle met succes is
uitgevoerd verschijnt er een bericht waarmee u wordt gevraagd
of het veilig is wanneer het systeem het roer overneemt.
Tijdens deze procedure beweegt de stuurautomaat het roer.
Zorg ervoor dat het veilig is om door te gaan voordat u OK
selecteert.
Doe het volgende in de dokpierwizard, terwijl de pagina
Motorcontrole wordt weergegeven:
1. Centreer het roer en laat het los.
2. Ontkoppel alle roeraandrijvingskoppelingen.
3. Selecteer DOORGAAN.
4. Controleer of het veilig is om door te gaan voordat u OK
selecteert.
Op schepen met een roerstandterugmelder verplaatst de
stuurautomaat het roer nu automatisch naar bakboord en
daarna naar stuurboord.
5. Op schepen zonder een roerstandterugmelder wordt u
gevraagd de beweging van het roer naar bakboord te
bevestigen door JA of NEE te selecteren.
118 a Series / c Series / e Series
6. Selecteer OK als het veilig is het roer naar de andere richting
te verplaatsen.
7. U wordt gevraagd de verplaatsing van het roer naar
stuurboord te bevestigen door JA of NEE te selecteren.
8. De dokpierwizard is nu afgerond, selecteer DOORGAAN.
Opmerking: Als u bevestigd hebt met "NEE" voor de
roerbeweging voor zowel bakboord als stuurboord, wordt de
wizard afgesloten. Het kan zijn dat het stuursysteem het roer
niet heeft bewogen en u dient misschien het stuursysteem te
controleren voordat u de dokpierwizardprocedure opnieuw
kunt uitvoeren.
Opmerking: Wanneer het roer in de tegengestelde richting
beweegt dan u zou verwachten kan het nodig zijn de fase
van de roerstandunit om te keren. Dit kunt u doen door het
volgende menu-item te openen: Instellen stuurautomaat >
Instellingen stuurautomaat > Aandrijvingsinstellingen >
Omkeren roerstandindiactor.
U kunt de dokpierwizard op ieder moment annuleren door op
STAND-BY te drukken.
Waarschuwing: Roercontrole
Wanneer er geen roerstandindicator is geïnstalleerd
MOET u maatregelen nemen om te voorkomen dat
het stuurmechanisme de eindaanslagen raakt.
De boord-boordtijd aanpassen
Op schepen zonder een roerstandterugmelder is het belangrijk
de boord-boordtijd correct in te stellen, om de correcte werking
van de stuurautomaat te garanderen. De boord-boordtijd is de
tijd die het stuursysteem van het schip nodig heeft om het roer
van volledig bakboord naar volledig stuurboord te verplaatsen.
Voordat u de volgende procedure probeert uit te voeren, dient u
ervoor te zorgen dat u de waarschuwing voor roercontrole in dit
document hebt begrepen en in acht hebt genomen.
De volgende informatie is alleen van
toepassing op schepen zonder een
roerstandterugmelder.
1. Wanneer de stuurautomaat in 'Stand-by'-modus is, draait u
het roer volledig naar bakboord.
2. Zet de stuurautomaat in ‘Auto’-modus.
3. Start de timer op een stopwatch en
4. draai 180 graden ten opzichte van uw huidige koers.
5. Zodra het roer de roerlimiet, die is gespeciceerd als
onderdeel van de dokpierwizard, heeft bereikt, stopt u de
timer.
6. Verdubbel de gemeten tijd om uw boord-boordtijd te
berekenen.
7. Open nu het menu Hard over-tijd om deze boord-boordtijd
te speciceren.
De boord-boordtijd instellen
Nadat de boord-boordtijd is vastgesteld, kan deze worden
ingesteld door de volgende stappen te volgen.
Doe het volgende in de pagina Instellingen stuurautomaat:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Aandrijvingsinstellingen.
3. Selecteer Hard over-tijd.
4. Voer uw boord-boordtijd in seconden in.
Kompaslinearisatie
Bij Evolution-stuurautomaten moet het kompas van de EV-unit,
wanneer deze voor het eerst is geïnstalleerd en ingeschakeld,
compenseren voor plaatselijke magnetische variaties en
het magnetische veld van de aarde. Dit wordt bereikt door
een geautomatiseerd proces dat bekend staat onder de
naam linearisatie, wat een belangrijk onderdeel vormt van
het installatie-, inbedrijfstelling- en instellingsproces van de
stuurautomaat.
Linearisatie
Bij Evolution-systemen wordt het linearisatieproces automatisch
als achtergrondtaak uitgevoerd door de EV-unit nadat de
snelheid van het schip tussen 3 en 15 knopen is. Er is geen
actie door de gebruiker vereist maar er dient wel een bocht
te worden gevaren van ten minste 270 graden. Dit proces
vindt plaats tijdens uw eerste reis met de stuurautomaat en
neemt normaal gesproken niet meer dan 30 minuten in beslag,
maar dit kan variëren afhankelijk van de kenmerken van het
schip, de installatie-omgeving van de EV-unit en de mate van
magnetische interferentie op het moment dat het proces wordt
uitgevoerd. Bronnen met aanzienlijke magnetische interferentie
kunnen ervoor zorgen dat de tijd die nodig is voor het voltooien
van het linearisatieproces langer wordt. Voorbeelden van
dergelijke bronnen zijn onder andere:
Maritieme pontons.
Schepen met stalen romp.
Onderzeese kabels.
Opmerking: U kunt het linearisatieproces versnellen door
een bocht van 360 graden te varen (bij een snelheid van
3 15 knopen). U kunt het linearisatieproces ook op ieder
moment herstarten door het menu-item Kompas herstarten
te selecteren.
De kompasdeviatie-indicator gebruiken
Het gebruik van de kompasdeviatie-indicator op de
stuurautomaatbediening kan van pas komen tijdens dit proces,
met name wanneer de EV-unit is geïnstalleerd op een plaats
op het schip waar de mate van magnetische interferentie zo
hoog is, dat de EV-unit het niet goed kan compenseren. Als dit
het geval is, geeft de deviatieweergave een waarde aan van 25
graden of meer. In dit geval adviseert Raymarine ten zeerste de
EV-unit te verplaatsen en opnieuw te installeren op een plaats
waar minder sprake is van magnetische interferentie. Als “-
-” wordt weergegeven als deviatiewaarde, betekent dit dat de
linearisatie nog niet met succes is voltooid.
Controleer de kompaskoersgegevens
Als onderdeel van het inbedrijfstellingsproces van de
stuurautomaat adviseert Raymarine u de kompaskoerswaarde
op uw stuurautomaatbediening of multifunctioneel display
te controleren en te vergelijken met een bekende goede
gegevensbron voor koersinformatie bij verschillende koersen.
Dit helpt u te bepalen wanneer het linearisatieproces van de
EV-unit is voltooid.
Opmerking: Nadat het linearisatieproces is voltooid, is het
mogelijk dat de koerswaarde een kleine afwijking heeft van 2
tot 3 graden. Dit is normaal wanneer de ruimte voor installatie
beperkt is en de EV-unit niet geheel langs de lengte-as
van het schip kan worden uitgelijnd. In dit geval kunt u de
kompascorrectiewaarde handmatig aanpassen met behulp
van de stuurautomaatbediening of multifunctioneel display en
de koers jn afstellen op de juiste waarde.
Opmerking: U kunt NIET vertrouwen op de nauwkeurigheid
van de koers, totdat u zeker bent dat de linearisatie en de
uitlijning van het kompas zijn uitgevoerd.
Controleren en aanpassen van het systeem
Om optimale prestaties na het eerste linearisatieproces te
garanderen, blijft de EV de kompaslinearisatie controleren en
aanpassen aan de geldende omstandigheden.
Als de omstandigheden voor linearisatie niet ideaal zijn, wordt
het automatische linearisatieproces tijdelijk onderbroken,
totdat de omstandigheden zich weer verbeteren. De volgende
omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het linearisatieproces
tijdelijk wordt onderbroken:
De snelheid van het schip is minder dan 3 knopen.
Stuurautomaatbediening
119
De snelheid van het schip is meer dan 15 knopen.
De draaisnelheid is te laag.
Er is sprake van signicante externe magnetische interferentie.
Kompasvergrendeling
Wanneer u tevreden bent met de nauwkeurigheid van het
kompas, kunt u de instelling vergrendelen om te voorkomen dat
het stuurautomaatsysteem in te toekomst verdere automatische
linearisaties uitvoert.
Deze functie is in het bijzonder nuttig voor schepen in
omgevingen waar ze regelmatig worden blootgesteld aan
sterke magnetische storingen (zoals bijvoorbeeld offshore
windmolenparken of zeer drukke rivieren). In dergelijke situaties
kan het wenselijk zijn de kompasvergrendeling te gebruiken om
het continue linearisatieproces van het kompas te vergrendelen,
omdat de magnetische interferentie na verloop van tijd tot
koersfouten kan leiden.
Opmerking: De kompasvergrendeling kan op ieder moment
worden opgeheven, om het continue linearisatieproces van
het kompas te herstarten. Dit is met name handig bij het
plannen van een lange reis. Het magnetische veld van de
aarde kan op verschillende geograsche plaatsen aanzienlijk
afwijken en het kompas kan continu compenseren voor deze
afwijkingen, wat ervoor zorgt dat de koersgegevens tijdens de
hele reis nauwkeurig blijven.
Kompas uitlijnen met GPS
U kunt het stuurautomaatkompas uitlijnen met uw COG-koers.
Het kompas dient te worden uitgelijnd wanneer u dwars op de
getijdenstroom vaart of bij getijdenkentering.
Doe het volgende in de pagina Instellingen stuurautomaat:
1. Selecteer Instellingen stuurautomaat.
2. Selecteer Inbedrijfstelling.
3. Selecteer Kompas uitlijnen met GPS.
4. Stuur uw schip op een continue koers en selecteer Start.
5. Zorg voor voldoende snelheid, als u te langzaam vaart wordt
het bericht ‘Ga sneller weergegeven.
6. Als de uitlijning met succes is uitgevoerd, selecteert u OK
om de procedure te voltooien.
Wanneer nodig corrigeert deze procedure automatisch de
kompascorrectiewaarde die u kunt openen vanuit het menu
Scheepsinstellingen.
Opmerking: Als de uitlijning niet slaagt betekent dit dat de
afwijking tussen uw COG-koers en de stuurautomaatsensor
meer dan 10° is, in dat geval moet de positie van de
stuurautomaatsensor worden gecontroleerd.
10.5 Statussymbolen voor
stuurautomaat
De status van de stuurautomaat wordt aangegeven in de
databalk.
Symbool Omschrijving
Stuurautomaat staat in Standby-modus.
Stuurautomaat staat in Track-modus.
Stuurautomaat staat in Auto-modus.
Geen stuurautomaat gedetecteerd.
Alarm stuurautomaat actief.
Ontwijkingsmodus actief.
Vismodus actief.
Kalibratie stuurautomaat.
Stuurbekrachtiging actief.
Windvaanmodus actief.
120 a Series / c Series / e Series
10.6 Alarmmeldingen stuurautomaat
De stuurautomaatfunctie beschikt over alarmmeldingen die u
waarschuwen voor situaties waarin actie is vereist.
Uw multifunctionele display geeft alarmmeldingen van de
stuurautomaat, daarbij maakt het niet uit of er actieve navigatie is
op het systeem. Als de stuurautomaatbediening is ingeschakeld
en de stuurautomaat genereert een alarm, dan genereert het
multifunctionele display een waarschuwingssignaal (alleen
wanneer het alarm nog niet is uitgeschakeld). Het dialoogvenster
Stuurautomaatbediening wordt weergegeven, met daarin een
nieuw alarm. Bovendien wordt het statuspictogram van de
stuurautomaat rood weergegeven, en blijft rood totdat het alarm
is opgeheven.
Alarmmeldingen van de stuurautomaat
uitzetten
1. Selecteer Beëindigen.
Het alarm wordt uitgezet, de stuurautomaat blijft in
automatische modus en gaat verder met de huidige
vastgezette heading.
2. Selecteer Automatisch.
Het alarm wordt uitgezet, de stuurautomaat blijft in
automatische modus en gaat verder met de huidige
vastgezette heading.
3. Selecteer Track.
Het alarm wordt uitgezet en de stuurautomaat 'volgt' de track
naar het volgende waypoint.
Alarmmeldingen van de stuurautomaat
uitzetten en de stuurautomaat uitschakelen
1. Selecteer STAND-BY.
Het alarm wordt uitgezet, de stuurautomaat wordt uitgeschakeld
en gaat over naar stand-by-modus.
Stuurautomaatbediening
121
122
a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 11: Alarmmeldingen en Man overboord-functies
Inhoudsopgave
11.1 Functie MOB (Man overboord) activeren op pagina 124
11.2 Alarmmeldingen op pagina 125
Alarmmeldingen en Man overboord-functies
123
11.1 Functie MOB (Man overboord)
activeren
Man overboord
Wanneer een persoon of object overboord slaat kunt u de Man
Overboord (MOB)-functie gebruiken om de positie te markeren
waar het schip was op het moment dat de MOB-functie werd
geactiveerd.
De MOB-functie is altijd beschikbaar, ongeacht de toepassing
die op dat moment actief is. MOB kan worden ingesteld op de
modus Gegist bestek of Positie. De modus Gegist bestek houdt
rekening met de effecten van wind en getijden. Dit resulteert
meestal in een meer nauwkeurige koers. De Positie-modus
houdt geen rekening met deze factoren.
Om een MOB-positie te activeren, dient uw multifunctionele
display een GPS-x te hebben. Als u Gegist bestek gebruikt
moeten ook koers- en snelheidsgegevens beschikbaar zijn.
Wanneer MOB is geactiveerd:
Wordt er een hoorbaar MOB-alarm gegenereerd.
Het MOB-alarm-dialoogvenster wordt weergegeven.
Het systeem stuurt MOB-alarmmeldingen naar andere
Raymarine-apparatuur.
De actieve kaarttoepassing verandert naar 2D-weergave met
weinig details, met een eerste bereik van 15 m (50 ft). De
bewegingsmodus wordt ingesteld op Automatisch bereik.
Het actieve bereik van de radartoepassing verandert in 230
m (760 ft).
Alle Ga naar- en Volgen-functies worden in alle toepassingen
uitgeschakeld. De navigatie naar actieve waypoint wordt
gestopt en alle bestaande navigatiefuncties worden
geannuleerd.
Wanneer positie- of koers- en snelheidsinformatie beschikbaar
is wordt een MOB-waypoint geplaatst op de huidige
scheepspositie in alle toepassingen die waypoints en de
scheepspositie kunnen weergeven.
MOB-gegevens worden weergegeven in de gegevensbalk en
vervangen de aanwezige gegevens.
MOB-gegevens worden weergegeven op het Home-venster
en vervangen de statuspictogrammen.
Wanneer het schip uit de richting van de MOB-positie
weg beweegt, wordt een stippellijn weergegeven die de
MOB-positie verbindt met de positie van het schip.
Wanneer het MOB-alarm wordt geannuleerd:
MOB-gegevens worden verwijderd uit alle betreffende
toepassingen.
De bewegingsmodus van de kaarttoepassing wordt
teruggezet.
De kaart wordt gecentreerd op het schip en de kanteling/rotatie
wordt ingesteld op de standaard waarde.
GA NAAR en routefuncties worden teruggezet.
De gegevensbalkmodus wordt teruggezet.
Een signaal voor MOB normaal wordt verstuurd naar alle
instrumenten op SeaTalk.
Het Man Overboord (MOB)-alarm activeren
Op multifunctionele displays met fysieke knoppen, of wanneer
u een toetsenbord op afstand gebruikt, kunt u de WPT
(MOB)-knop gebruiken om het MOB-alarm te activeren
1. Houd de knop WPT / MOB 3 seconden ingedrukt.
Het Man Overboord (MOB)-alarm
activeren - display met alleen touchscreen
Op een display met alleen touchscreen kunt u het WPT
(MOB)-pictogram op het scherm gebruiken om het MOB-alarm
te activeren
1. Houd het WPTS / MOB-pictogram op het scherm 3 seconden
ingedrukt.
Het hoorbare MOB-alarm uitzetten.
Het MOB-alarm kan worden uitgezet door de volgende stappen
te volgen.
Wanneer een MOB-alarm geactiveerd is:
1. Selecteer OK in het MOB-alarmdialoogvenster.
Het hoorbare alarm wordt uitgezet maar het blijft actief.
Het Man Overboord (MOB)-alarm
annuleren - display met alleen touchscreen
Op een display met alleen touchscreen kunt u een MOB-alarm
annuleren en terugkeren naar normaal gebruik door de
onderstaande stappen te volgen:
1. Houd het WPT / MOB-pictogram op het scherm 4 seconden
ingedrukt.
Het MOB-alarm wordt geannuleerd en u keert terug naar
normaal gebruik.
Het Man Overboord (MOB)-alarm annuleren
Op een multifunctioneel display met fysieke knoppen of wanneer
u een toetsenbord op afstand gebruikt, kunt u het MOB-alarm
annuleren en terugkeren naar normaal gebruik door de
onderstaande stappen te volgen:
1. Houd de knop WPT / MOB 4 seconden ingedrukt.
Het MOB-alarm wordt geannuleerd en u keert terug naar
normaal gebruik.
124
a Series / c Series / e Series
11.2 Alarmmeldingen
Alarmmeldingen waarschuwen u voor een situatie of gevaar waarvoor uw aandacht vereist is.
U kunt alarmmeldingen zo instellen dat ze u voor bepaalde
situaties waarschuwen, zoals aanvaringswaarschuwingen en
temperatuurlimieten.
Alarmmeldingen worden gegenereerd door systeemfuncties en
externe apparatuur die is aangesloten op uw multifunctionele
display.
Wanneer er een alarm hoorbaar is wordt een berichtvenster
weergegeven op uw multifunctionele display en alle via het
netwerk aangesloten displays. Het dialoogvenster vermeldt de
reden voor het alarm.
U kunt het gedrag van bepaalde alarmmeldingen congureren
door de optie Bewerken te selecteren in het berichtvenster, of
door het menu Alarmmeldingen te gebruiken dat u kunt openen
in het Home-venster via het Instellingen-pictogram.
Uitzetten/annuleren van alarmmeldingen
Doe het volgende om een actief alarm uit te zetten/te annuleren:
1. Selecteer Ok in het alarmberichtvenster.
Opmerking: Sommige alarmmeldingen blijven actief, ook
als ze zijn uitgezet.
Alarmmeldingen en Man overboord-functies
125
Menu 'Alarmmeldingen'
Menu-item Omschrijving Opties
MOB-gegevenstype Bepaalt of Positie- of Gegist bestek-gegevens worden weergegeven.
Uitgaande van een situatie waarin uw schip en de MOB onderhevig
zijn aan dezelfde getijde- en windeffecten geeft de instelling 'Gegist
bestek' een meer nauwkeurige koers.
Gegist bestek
Positie (standardwaarde)
Wekker Wanneer deze is ingesteld op Aan, dan wordt een alarmmelding
gegenereerd op het tijdstip dat u hebt gespeciceerd voor de instelling
Wekkertijd.
Wekker
Uit (standardwaarde)
Aan
Wekkertijd
00:00 (standardwaarde)
00:01 tot 24:00 uur
Ankerdrift Wanneer dit is ingesteld op Aan, dan wordt het Ankerdrift-alarm
gegenereerd wanneer uw schip meer dan de door u voor de instelling
'Ankerdriftbereik' ingevoerde afstand afdrijft van uw ankerpositie.
Ankerdrift
Uit (standardwaarde)
Aan
Ankerdriftbereik
0,01 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
Countdowntimer
Wanneer deze is ingesteld op Aan, dan wordt de tijd teruggeteld voor
de periode die u hebt gespeciceerd voor de Timertijdinstelling en
wordt een alarm gegenereerd wanneer de teller op nul komt.
Countdowntimer
Uit (standardwaarde)
Aan
Timertijd
00u00m (standardwaarde)
00u01m tot 99u59m
AIS-objecten
Wanneer dit is ingesteld op Aan, dan is het alarm voor gevaarlijke
objecten ingeschakeld. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer er
een werkende AIS-ontvanger is aangesloten. Raadpleeg de sectie
over AIS voor meer informatie.
Gevaarlijke objecten
Aan (standardwaarde)
Uit
Motoralarmmeldingen Wanneer dit is ingesteld op Aan, worden alarmmeldingen van
aangesloten motormanagementsystemen weergegeven op het
multifunctionele display.
Motoralarmmeldingen
Aan (standardwaarde)
Uit
Fishnder diep
Als deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm gegenereerd
wanneer de dieptewaarde hoger wordt dan de door u gespeciceerde
waarde. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer een sonarmodule
is gedetecteerd.
Opmerking: De limiet voor het 'Fishnder diepte'-alarm kan
niet lager worden ingesteld dan de Ondieptelimiet.
Fishnder diep
Uit (standardwaarde)
Aan
Dieptelimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Fishnder ondiep
Als deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm gegenereerd
wanneer de dieptewaarde lager wordt dan de door u gespeciceerde
waarde. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer een sonarmodule
is gedetecteerd.
Opmerking: De limiet voor het shnder ondiepte-alarm kan
niet hoger worden ingesteld dan de limiet voor diepte.
Fishnder ondiep
Uit (standardwaarde)
Aan
Ondieptelimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Vis Als het visalarm en de visdieptelimieten zijn ingesteld op Aan,
dan wordt een waarschuwingssignaal gegenereerd wanneer een
object overeenkomt met het gevoeligheidsniveau en binnen de door
u gespeciceerde Ondiepte-vislimiet en Diepte-vislimiet valt. De
volgende items zijn beschikbaar in het submenu:
Vis schakelt het visalarm aan en uit.
Visgevoeligheid als het visalarm is ingeschakeld wordt een
alarm gegenereerd wanneer de visterugkeersterkte de door u
gespeciceerde gevoeligheid bereikt.
Visdieptelimieten schakelt de dieptelimieten aan en uit.
Ondieptevislimiet speciceert de onderste waarde voor de
visalarm-dieptelimiet.
Vis
Uit (standardwaarde)
Aan
Visgevoeligheid
1 tot 10
Visdieptelimieten
Aan
Uit (standardwaarde)
Ondieptevislimiet
126 a Series / c Series / e Series
Menu-item Omschrijving Opties
Dieptevislimiet speciceert de bovenste waarde voor de
visalarm-dieptelimiet.
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Dieptevislimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Brandstofmanager Met de alarmopties voor de brandstofmanager kunt u de alarmmelding
voor laag brandstofpeil aan of uit schakelen en het niveau speciceren
waarop het alarm wordt gegenereerd.
Laag brandstofpeil
Aan
Uit (standardwaarde)
Brandstofpeil
0 tot 99999
Bewakingszone
De bewakingszonefunctie van de radartoepassing genereert een
alarm wanneer een object zich binnen een gespeciceerde zone
bevindt. U kunt de gevoeligheid van het alarm aanpassen. Zorg
ervoor dat de gevoeligheid niet te laag is ingesteld, anders kunnen
objecten worden gemist en wordt er geen alarm gegenereerd.
Bewakingszonegevoeligheid
1% tot 100%
Uit koers Wanneer deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt tijdens actieve
navigatie een alarm gegenereerd wanneer uw schip een grotere
koersafwijking heeft dan door u aangegeven in de XTE-instelling.
Uit koers-alarm
Uit (standardwaarde)
Aan
Uit koers XTE
0,01 tot 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
Watertemperatuur Wanneer deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm
gegenereerd wanneer de watertemperatuur gelijk of lager is dan de
door u gespeciceerde limiet voor Onderste temperatuurlimiet of
gelijk of hoger is dan de door u gespeciceerde limiet voor Bovenste
temperatuurlimiet.
Watertemperatuur
Uit (standardwaarde)
Aan
Onderste temperatuurlimiet
60 graden fahrenheit (of vergelijkbare
eenheden)
–09,9 tot +99,7 graden fahrenheit (of
vergelijkbare eenheden)
Bovenste temperatuurlimiet
75 graden fahrenheit (of vergelijkbare
eenheden)
–09,7 tot +99,9 graden fahrenheit (of
vergelijkbare eenheden)
Aankomst waypoint Wanneer u op een waypoint aankomt, wordt een alarm gegenereerd.
Met deze instelling kunt u de afstand speciceren vanaf het
bestemmingswaypoint waarop het alarm wordt gegenereerd. De
eenheden voor deze instelling zijn gebaseerd op de eenheden die u
speciceert voor de afstand in het menu Instellingen eenheden.
0,01 tot 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
Toegang tot het alarmmeldingenmenu
Volg de volgende stappen vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Alarmmeldingen.
Het Alarmmeldingenmenu wordt weergegeven.
3. Selecteer de juiste alarmcategorie.
Alarmmeldingen en Man overboord-functies
127
128 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 12: Integratie van DSC VHF-radio
Inhoudsopgave
12.1 DSC-marifoon-integratie op pagina 130
12.2 DSC-marifoon-integratie inschakelen op pagina 130
Integratie van DSC VHF-radio
129
12.1 DSC-marifoon-integratie
U kunt uw DSC-marifoon aansluiten op uw multifunctionele
display en informatie over noodberichten en GPS-
positiegegevens weergeven van andere schepen
Wanneer u een DSC-marifoon aansluit op uw multifunctionele
display hebt u beschikking over de volgende extra functies:
Noodberichten wanneer uw DSC-marifoon een DSC-bericht
of alarm ontvangt van een andere DSC-marifoon, worden de
scheepsidenticatie (MMSI), GPS-positie en tijdstip van het
noodbericht weergegeven op uw multifunctionele display.
Wanneer het noodbericht is weergegeven kunt u de knoppen
gebruiken om: het bericht te wissen, een waypoint te plaatsen
op de kaart op de GPS-positie van een schip in nood, of direct
te navigeren (Ga naar schip) naar de GPS-positie van het
schip in nood.
Positiegegevens met de knop "Positie opvragen" op uw
DSC-marifoon kunt u GPS-positiegegevens verzenden naar
en ontvangen van andere schepen die zijn uitgerust met een
DSC-marifoon.
Voor informatie over het installeren en bedienen van uw
DSC-marifoon kunt u de handleiding van de marifoon
raadplegen.
De volgende afbeelding toont een voorbeeld van een
noodbericht dat is weergegeven op het multifunctionele display:
12.2 DSC-marifoon-integratie
inschakelen
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer de optie DSC-waarschuwingen zodat Aan wordt
weergegeven.
130 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 13: Brandstofmanager
Inhoudsopgave
13.1 Overzicht brandstofmanager op pagina 132
Brandstofmanager
131
13.1 Overzicht brandstofmanager
De brandstofmanager geeft een schatting van de resterende
brandstof en de afstand en de tijd die u nog kunt varen voordat
de tanks leeg zijn. Om deze waarden te kunnen berekenen
dient u de totale beschibare brandstofcapaciteit voor de motoren
te congureren en vast te leggen wanneer u tankt. In de
brandstofmanager kunt u ook een alarm instellen voor laag
brandstofpeil, dat wanneer het is geactiveerd een melding geeft
wanneer de resterende brandstof van uw schip onder een
gespeciceerde waarde komt.
De brandstofmanagerpagina bevat de huidige schattingen en
regelaars voor gebruik van de brandstofmanagerfunctie.
D12569-1
1
2
3
6
7
5
8
10
9
4
Artikel Optie Omschrijving
1 Terug Terug naar menu
systeeminstellingen alleen
Nieuwe e-serie (op de Nieuwe
c-serie gebruikt u de Terug-knop).
2
Geschatte resterende
brandstof (%)
Grasche weergave van het
percentage van de resterende
brandstof in de brandstoftank(s).
3 Alle tanks vol
Zet de resterende brandstof terug
naar de capaciteit van de volle
tanks.
4
In-/uitschakelen Schakel de brandstofmanager in
en uit.
5
Sluiten
Terug naar het Home-venster
alleen Nieuwe e-serie (op de
Nieuwe c-serie gebruikt u de
Home-knop).
6
Geschatte resterende
brandstof (vol)
Inhoud van de resterende
brandstof in de brandstoftank(s).
7
Reset (Brandstof
gebruikt dit seizoen.)
Zet de gebruikte brandstof dit
seizoen terug naar nul.
8
Reset (Brandstof
gebruikt deze reis.)
Zet de gebruikte brandstof deze
reis terug naar nul.
9
Gedeeltelijk bijvullen Speciceer de hoeveelheid
bijgevulde brandstof
10 Instellen
Speciceer de instellingen van de
brandstofmanager.
Om de brandstofmanager te gebruiken dient u:
Een compatibele motorinterface aan te sluiten op iedere motor
die u wilt monitoren (om gegevens over het brandstofverbruik
door te geven aan het netwerk).
De totale brandstofcapaciteit in te voeren van de
brandstoftanks van het schip.
De brandstofmanagerfunctie in te schakelen.
De tanks volledig te vullen.
‘Alle tanks vol’ te selecteren.
Iedere volgende keer dat u tankt, zowel vol als gedeeltelijk,
in te voeren.
Opmerking:
De brandstofmanager schat de hoeveelheid brandstof aan
boord op basis van de bij het tanken door de gebruiker
ingevoerde gegevens en de hoeveelheid brandstof die is
gebruikt door de motor(en). Iedere incorrecte invoer kan
grote gevolgen hebben voor het geschatte brandstofverbruik
en -capaciteit, wat kan leiden tot een brandstoftekort.
Dit systeem is geen vervanging van andere soorten
brandstofberekeningen.
De totale hoeveelheid brandstof aan boord is een schatting
en is onnauwkeurig als het tanken niet wordt ingevoerd of
wanneer brandstof wordt gebruikt door andere apparaten
(bijv. generatoren etc.). De geschatte afstand en tijd tot leeg
is gebaseerd op berekeningen en waarden van de resterende
brandstof en houden geen rekening met invloeden van het
weer en getijden.
U kunt niet volledig vertrouwen op berekeningen van de
brandstofmanager voor het nauwkeurig plannen van een reis
of in noodgevallen of veiligheidskritische situaties.
De brandstofmanager inschakelen
Om de brandstofmanager in en uit te schakelen volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster.
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Brandstofmanager.
3. Selecteer Inschakelen.
De disclaimer voor de brandstofmanager wordt weergegeven.
4. Selecteer ACCEPTEREN om de disclaimer te accepteren,
daarna kunt u de brandstofmanager gebruiken.
Het pop-upbericht Brandstofmanager initialiseren wordt
weergegeven.
5. Selecteer OK.
De brandstofmanager start de volgende keer dat op het
pictogram Alle tanks vol wordt gedrukt.
De brandstofmanager uitschakelen
Doe het volgende in de brandstofmanagerpagina:
1. Selecteer Uitschakelen.
Het pop-upbericht Brandstofmanager deactiveren wordt
weergegeven.
2. Selecteer Ja om de brandstofmanager uit te schakelen.
De brandstofmanager instellen
Om de gewenste waarden van de brandstofmanager in te stellen
volgt u de onderstaande stappen.
Doe het volgende wanneer de brandstofmanager-pagina wordt
weergegeven:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Totale brandstofcapaciteit.
Het numerieke toetsenbord wordt weergegeven.
3. Voer de totale brandstofcapaciteit van uw schip in.
4. Selecteer OK.
5. Selecteer Eenheden brandstofbesparing.
Er wordt een lijst weergegeven met beschikbare opties:
Afstand per inhoud
Inhoud per afstand
Liter per 100 km
6. Selecteer de gewenste eenheden voor brandstofbesparing.
7. Selecteer Brandstofberekeningen om de gewenste
rekenmethode te selecteren.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Gebruikte brandstof (PGN127497)
Brandstofverbruik
132 a Series / c Series / e Series
Opmerking: Als Gebruikte brandstof (PGN127497)
niet beschikbaar is op uw netwerk, dient u de optie
Brandstofverbruik te gebruiken. Wanneer Brandstofverbruik is
geselecteerd, moet uw multifunctionele display ingeschakeld
blijven wanneer de motoren draaien, om ervoor te zorgen dat
de brandstof kan worden berekend.
8. Selecteer Terug om terug te gaan naar de
Brandstofmanager-pagina.
Loggen van brandstof
U dient ervoor te zorgen alle tankbeurten worden opgenomen in
de brandstofmanager.
Doe het volgende in de brandstofmanager-pagina:
1. Wanneer u alle tanks volledig hebt gevuld selecteert u Alle
tanks vol.
De geschatte waarden voor resterende brandstof wordt
gereset naar de capaciteit van uw brandstoftanks.
2. Wanneer u een tank slechts gedeeltelijk vult noteert u de
hoeveel die aan de tank is toegevoegd en selecteert u
Gedeeltelijk bijvullen.
3. Voer de waarde in die u eerder hebt genoteerd, dit wordt
toegevoegd aan de waarde voor de resterende brandstof.
Opmerking: Geadviseerd wordt zo vaak mogelijk ‘Alle
tanks vol’ te tanken omdat gedeeltelijk bijvullen een
hogere cumulatieve onnauwkeurigheid veroorzaakt in de
berekeningen.
Het alarm voor laag brandstofpeil instellen
In de brandstofmanager kunt u ook een alarm instellen voor
laag brandstofpeil, dat wanneer het is geactiveerd een melding
geeft wanneer de resterende brandstof van uw schip onder een
gespeciceerde waarde komt.
Doe het volgend in de correct ingestelde brandstofmanager:
1. Selecteer Instellingen in het Home-venster.
2. Selecteer Alarmmeldingen.
3. Selecteer Brandstofmanager.
De instellingen voor het alarm voor laag brandstofpeil worden
weergegeven.
4. Selecteer Laag brandstofpeil zodat Aan is gemarkeerd
Door Laag brandstofpeil te selecteren wordt het alarm voor
laag brandstofpeil Aan en Uit geschakeld.
5. Selecteer Brandstofpeil.
De numerieke regelaar voor brandstofpeil wordt
weergegeven.
6. Stel het brandstofpeil in op de gewenste waarde.
Het alarm voor laag brandstofpeil klinkt nu wanneer
de resterende brandstof in de tank lager wordt dan de
gespeciceerde waarde.
Opmerking: Het alarm voor laag brandstofpeil is standaard
uitgeschakeld.
Metingen van gebruikte brandstof resetten
U kunt de waarde van gebruikte brandstof dit seizoen of
gebruikte brandstof deze reis resetten door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende in de brandstofmanagerpagina:
1. Selecteer Reset voor gebruikte brandstof dit seizoen, of
2. Selecteer Reset voor gebruikte brandstof deze reis.
De waarde wordt ingesteld op nul nadat Reset is geselecteerd.
Opmerking: Het uitvoeren van een seizoen-reset zorgt
automatisch ook voor een reset van de reiswaarde.
Brandstofbereikringen
De brandstofbereikring geeft een geschat bereik van het schip
met de geschatte hoeveelheid brandstof aan boord.
De brandstofbereikringring kan grasch worden weergegeven in
de kaarttoepassing en geeft een geschat bereik van het schip
met:
Het huidige brandstofverbruik.
De geschatte hoeveelheid brandstof aan boord.
Een koers aangehouden in een rechte lijn.
Aanhoudende huidige snelheid.
Opmerking:
De brandstofbereikring is een geschat bereik bij het huidige
verbruik van de brandstof aan boord en is gebaseerd op
een aantal externe factoren die het geschatte bereik kunnen
vergroten of verkleinen.
Deze schatting is gebaseerd op de gegevens die worden
ontvangen van externe brandstofmanagementapparaten, of
via de Brandstofmanager. Het houdt geen rekening met de
heersende omstandigheden zoals getijden, stroom, ruwe zee,
wind etc.
U kunt niet volledig vertrouwen op de brandstofbereikring voor
het nauwkeurig plannen van een reis of in noodgevallen of
veiligheidskritische situaties.
De brandstofbereikring inschakelen
Doe het volgende in de kaarttoepassing, in 2D-weergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Brandstofbereikring zodat Aan is geselecteerd.
Het pop-upbericht voor de brandstofbereikring wordt
weergegeven.
5. Selecteer OK om de brandstofbereikringen in te schakelen.
Brandstofmanager
133
134 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 14: AIS-functie
Inhoudsopgave
14.1 Overzicht AIS op pagina 136
14.2 AIS-vereisten op pagina 137
14.3 AIS-contextmenu op pagina 137
14.4 AIS inschakelen op pagina 138
14.5 Tonen van AIS-vectoren op pagina 138
14.6 AIS-statussymbolen op pagina 139
14.7 AIS stille modus op pagina 139
14.8 AIS-objectsymbolen op pagina 140
14.9 Gedetailleerde AIS-objectinformatie weergeven op pagina 141
14.10 Alle AIS-objecten bekijken op pagina 141
14.11 AIS gebruiken om aanvaringen te vermijden op pagina 142
14.12 Objectopties op pagina 143
14.13 AIS-alarmmeldingen op pagina 144
14.14 Buddy's volgen op pagina 144
AIS-functie 135
14.1 Overzicht AIS
Met de AIS-functie kunt u informatie ontvangen die wordt
uitgezonden door andere schepen en deze schepen als object
toevoegen in de kaart- en radartoepassingen.
Wanneer u een optionele AIS-unit op uw systeem hebt
aangesloten kunt u:
Objecten weergeven voor alle andere schepen die met AIS
zijn uitgerust.
Reisinformatie weergeven die wordt uitgezonden door deze
objecten, zoals hun positie, koers, snelheid en draaisnelheid.
Basis- of gedetailleerde informatie weergeven voor ieder
object, waaronder veiligheidskritische objectinformatie.
Een veilige zone instellen rondom uw schip.
AIS-alarmberichten en veiligheidsberichten weergeven.
Vrienden en regelmatige contacten die met AIS zijn uitgerust
toevoegen aan een “Buddy-lijst”
AIS-informatie wordt weergegeven in de vorm van een laag in
de kaart- en radartoepassingen. Aanvullende informatie wordt
weergegeven in een dialoogvenster, bijvoorbeeld:
0
97°T
11.6kt
1.237nm
00h04m33s
1
3
2 4 6 75
D12220-1
Artikel Omschrijving
1
Gevaarlijk object (knippert).
2
Veilige zone (op basis van afstand
en/of tijd).
3
AIS-objectschip.
4 Koers.
5
Richting van de bocht.
6
COG/SOG-vector.
7
Veiligheidskritische gegevens.
Met AIS uitgeruste schepen in de omgeving worden in de kaart-
of radartoepassing weergegeven als driehoekige objecten. Er
worden maximaal 100 objecten weergegeven. Wanneer de
status van een schip verandert, dan verandert het symbool van
het object eveneens.
Voor ieder object kunnen vectoren worden weergegeven. Deze
vectoren geven de reisrichting van het schip of en de afstand die
het zal aeggen in een bepaalde periode (COG/SOG-vector).
Objecten die met hun vectoren worden weergegeven worden
‘actieve objecten’ genoemd en ze worden weergegeven in een
schaal overeenkomstig de omvang van het schip. Hoe groter
het schip, hoe groter het object. U kunt alle objecten weergeven,
of alleen de gevaarlijke objecten.
De werking van AIS
AIS gebruikt digitale radiosignalen om ‘realtime’ informatie te
verzenden tussen schepen en stations aan wal via speciale
VHF-marifoonfrequenties. Deze informatie wordt gebruikt om
schepen in de directe omgeving te identiceren en te volgen
en snelle, automatische en nauwkeurige informatie te geven
om aanvaringen te voorkomen. De AIS-functies vormen een
aanvulling op de radartoepassing, omdat AIS ook werkt op
plaatsen die niet door de radar worden waargenomen en
kleinere schepen met AIS kan detecteren.
Opmerking: Het is misschien niet verplicht voor andere
schepen om te zijn uitgerust met AIS-apparatuur. Daarom
mag u er niet vanuit gaan dat het multifunctioneel display
ALLE schepen in uw omgeving weergeeft. U dient voorzichtig
en kritisch met de informatie om te gaan. AIS moet worden
gebruikt als aanvulling op de radar, NIET ter vervanging
daarvan.
AIS-simulatormodus
Raymarine raadt u aan de simulatorfunctie te gebruiken om
uzelf vertrouwd te maken met de AIS-functies. Wanneer de
simulatorfunctie is ingeschakeld gaan u naar (Home-venster >
Instellingen > Systeeminstellingen > Simulator), er worden
dan 20 AIS-objecten weergegeven binnen een bereik van 25
nm. Deze objecten worden weergegeven met het bijbehorende
statussymbool van het AIS-object en ze bewegen over het
scherm als werkelijke objecten.
Opmerking: Wanneer de simulator is ingeschakeld worden
binnenkomende veiligheidsmeldingen NIET weergegeven.
136 a Series / c Series / e Series
14.2 AIS-vereisten
U dient de juiste AIS-hardware aan te sluiten op uw
multifunctionele display om gebruik te kunnen maken van de
AIS-functies.
Om met AIS te werken hebt u het volgende nodig:
Een alleen ontvangende AIS-unit of een complete
AIS-zendontvanger (een unit die zowel zendt als ontvangt).
Een VHF-antenne.
Een GPS - voor de positiegegevens.
De AIS-laag ingeschakeld in de kaart- of radartoepassing,
waar van toepassing.
Opmerking: Met een ontvanger kunt u gegevens over andere
schepen in uw omgeving ontvangen, maar andere schepen
kunnen u niet 'zien'. Een complete zendontvanger verzendt
en ontvangt AIS-gegevens, daarmee kunt u gegevens over
andere schepen ontvangen. Hiermee kunnen andere met AIS
uitgeruste schepen u ook zien en informatie ontvangen over
uw schip. Deze informatie kan uw positie, koers, snelheid
en draaisnelheid zijn.
Wanneer de AIS-unit is aangesloten op uw multifunctionele
display, dan wordt de status van de unit weergegeven door een
AIS-pictogram in de statusbalk.
U kunt een AIS-unit aansluiten op uw multifunctionele display
met behulp van NMEA0183 of SeaTalk
ng
, afhankelijk van de
AIS-unit. Wanneer u de unit aansluit via NMEA0183, dan dient
u de instelling 38.400 baud te speciceren (Home-venster
> Instellingen > Systeeminstellingen > Instellingen
NMEA) voor de NMEA-invoerpoort die communiceert met de
AIS-zendontvanger of -ontvanger.
14.3 AIS-contextmenu
De AIS-functie bevat een contextmenu met AIS-objectinformatie
en menu-items.
Het contextmenu bevat de volgende AIS-objectgegevens:
MMSI
CPA
TCPA
COG
SOG
Het contextmenu bevat eveneens de volgende menu-items:
AIS-vector in-/uitschakelen objectvectoren Aan en Uit.
AIS-gegevens in-/uitschakelen objectgegevens op het
scherm Aan en Uit.
Alle gegevens bekijken
Buddy toevoegen voeg object toe aan buddy-directory.
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Thermische camera draaien (alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
AIS-functie 137
14.4 AIS inschakelen
AIS inschakelen in de Kaart-toepassing
Om de AIS-laag in de Kaart-toepassing in te schakelen volgt
u de onderstaande stappen.
Om de AIS-laag in te schakelen dient uw systeem over een
AIS-ontvanger of -zendontvanger te beschikken. De AIS-laag is
niet beschikbaar in 3D-weergave.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Select AIS: zodat Aan is geselecteerd.
Wanneer u AIS selecteert wordt AIS heen en weer
geschakeld tussen Aan en Uit.
Voor AIS-informatie raadpleegt u Hoofdstuk 14 AIS-functie.
AIS inschakelen in de Radar-toepassing
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer AIS-objecten weergeven.
4. Selecteer de betreffende optie in de lijst.
Vanuit het menu AIS-objecten weergeven kunt u Alle
AIS-objecten, of alleen Gevaarlijke AIS-objecten inschakelen
of AIS-objecten Uit-schakelen.
14.5 Tonen van AIS-vectoren
De juiste gegevens moeten beschikbaar zijn voor de
AIS-vectoren kunnen worden getoond.
Een doel wordt gedenieerd als actief wanneer de volgende
gegevens grasch getoond worden:
Een COG/SOG-vector die de voorspelde afstand aangeeft die
een vaartuig binnen een gegeven tijdsduur zal aeggen.
Een koers- en draairichtingsindicator.
AIS-vectoren in- en uitschakelen
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer een AIS-object.
Het AIS-objectcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer AIS-vector.
Wanneer u AIS-vector selecteert wordt geschakeld tussen
Aan en Uit.
Opmerking: Dezelfde instellingen voor objectvectoren en
veiligheidszones zijn van toepassing op zowel MARPA- als
AIS-objecten.
138 a Series / c Series / e Series
14.6 AIS-statussymbolen
AIS-status wordt aangegeven door een symbool in de databalk.
Symbool Omschrijving
AIS-unit is ingeschakeld en werkt.
AIS momenteel niet beschikbaar.
AIS-unit is uitgeschakeld of niet aangesloten.
AIS-unit werkt in stille modus.
AIS-unit werkt in stille modus, met actieve
alarmen.
AIS-unit is aangesloten en ingeschakeld,
maar heeft actieve alarmen.
AIS-unit is aangesloten en ingeschakeld,
maar het alarm voor gevaarlijke en verloren
doelen is uitgeschakeld.
14.7 AIS stille modus
Met de stille modus van de AIS kunt u AIS-uitzendingen
uitschakelen.
Met de stille modus van de AIS kunt u de zendfuncties van uw
AIS-apparatuur uitschakelen. Dit is handig wanneer u geen
AIS-gegevens van uw vaartuig naar andere AIS-ontvangers
wilt zenden maar wel gegevens van andere vaartuigen wilt
ontvangen.
Opmerking: Niet alle AIS-apparatuur ondersteunt de stille
modus. Voor meer informatie kunt u de documentatie
raadplegen die bij uw AIS-unit hoort.
Stille AIS-modus in- en uitschakelen in de
Kaart-toepassing
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer AIS-opties of *Radar- & AIS-opties.
3. **Selecteer Objecten.
4. Selecteer Instellen AIS.
5. Selecteer Stille modus.
Door de Stille AIS-modus te selecteren wordt de stille modus
Aan en Uit geschakeld.
Opmerking:
*Wanneer de Radar-laag ook is ingeschakeld, wordt de naam
van het menu Radar- & AIS-opties.
** Stap 3 is alleen nodig wanneer de Radar-laag is
ingeschakeld.
Stille AIS-modus in- en uitschakelen in de
Radar-toepassing
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer Instellen AIS.
4. Selecteer Stille modus.
Door de Stille AIS-modus te selecteren wordt geschakeld
tussen de stille modus Aan en Uit.
AIS-functie 139
14.8 AIS-objectsymbolen
Uw multifunctionele display toont een reeks symbolen die staan
voor de verschillende soorten AIS-objecten.
Objecttype Omschrijving Symbool
Zendend object
Object beweegt of voor
anker (object is niet
geactiveerd, gevaarlijk
of verloren gegaan).
Geactiveerd object Object geactiveerd
- dat wil zeggen
dat een AIS-vector
wordt weergegeven.
Vectorlijn (optioneel)
toont de voorspelde
afgelegde afstand
binnen een bepaalde
tijd.
Geselecteerd object Object geselecteerd
met cursor. Kan
gedetailleerde
gegevens bekijken.
Gevaarlijk object Objecten binnen
bepaalde afstand
(CPA) of tijd (TCPA).
Er klinkt een alarm
voor gevaarlijk
object wanneer dit is
ingeschakeld. Object
is rood en knippert.
Twijfelachtig object
Berekende
CPA-/TCPA-waarde
twijfelachtig.
Verloren gegaan object Wanneer gedurende
20 seconden geen
signaal wordt
ontvangen van
gevaarlijk object.
Object op laatst
voorspelde positie.
Alarm klinkt, indien
ingeschakeld. Object
knippert.
Buddy-object
Object is voorheen
toegevoegd aan de
Buddy-lijst.
Navigatiehulpmiddel
(Aid To Navigation,
AToN) object (reëel)
AToN object is AAN
positie.
Navigatiehulpmiddel
(Aid To Navigation,
AToN) object (reëel)
AToN object is UIT
positie.
Navigatiehulpmiddel
(Aid To Navigation,
AToN) object (virtueel)
AToN object is AAN
positie.
Navigatiehulpmiddel
(Aid To Navigation,
AToN) object (virtueel)
AToN object is UIT
positie.
Walstationobject Walstationobject is
ONLINE
Object opsporings- en
reddingstransponders
(SARTS)
SARTS-object
Objecttype Omschrijving Symbool
Object opsporings-
en reddingsvliegtuig
(SAR)
SARS-object
Object militair en
wetshandhaving
Alleen weergegeven
wanneer aangesloten
op goedgekeurde
STEDS-EAIS
AIS-hardware.
140 a Series / c Series / e Series
14.9 Gedetailleerde AIS-objectinfor-
matie weergeven
Doe het volgende in de kaart- of Radar-toepassing:
1. Selecteer een AIS-object.
Het AIS-object-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer AIS-gegevens bekijken.
AIS-gegevens
De tabel hieronder toont de AIS-objectinformatie die, wanneer
het beschikbaar is, wordt weergegeven op het multifuntionele
display:
Type
Status
Bestemming
Laatst gezien
ETA
MMSI
Roepnaam
IMO-nr.
Lengte
Breedte
Diepgang
Koers
Rotatie
Positie
COG
SOG
CPA
TCPA
Opmerking: De beschikbaarheid van gegevens hangt af van
welke informatie wordt uitgezonden door het objectschip en
het type AIS-unit dat op uw systeem is aangesloten.
14.10 Alle AIS-objecten bekijken
Ga vanuit de Kaart-toepassing met alleen de AIS-laag
ingeschakeld naar: Menu > AIS-opties > Objecten > AIS-lijst
bekijken.
Ga vanuit de Kaart-toepassing met ook de Radar-laag
ingeschakeld naar: Menu > Radar- & AIS-opties > Objecten
> Objectlijsten bekijken > AIS-lijst bekijken.
Ga vanuit de Radar-toepassing naar: Menu > Objecten >
Objectlijsten bekijken > AIS-lijst bekijken
1. Markeer een AIS-object in de lijst.
Wanneer een AIS-object is gemarkeerd, worden de volgende
gegevens weergegeven in de lijst:
MMSI
Bereik
Peiling
Buddy
Type
De lijst kan worden gelterd zodat alleen buddy's of alle
objecten worden weergegeven.
Wanneer beschikbaar worden ook de volgende gegevens
weergegeven voor het gemarkeerde object:
SOG
COG
Rotatie
Positie
Koers
2. Om de volledige AIS-objectinformatie te bekijken
selecteert u een object in de lijst en vervolgens Volledige
objectgegevens bekijken.
Het dialoogvenster met AIS-objectinformatie wordt
weergegeven, met alle beschikbare gegevens voor het
geselecteerde object.
AIS-functie
141
14.11 AIS gebruiken om aanvaringen
te vermijden
U kunt de AIS-functie veilige zone en veiligheidsberichten
gebruiken die u helpen aanvaringen met andere schepen en
objecten te voorkomen.
Veilige zones
Een veilige zone is een ring rondom uw schip waarbinnen een
object als gevaarlijk wordt beschouwd. Deze wordt in de radar-
of kaarttoepassingen weergegeven als een rode ring.
De AIS veilige zones gebruiken dezelfde criteria als MARPA
en beschouwen een object als gevaarlijk wanneer het
binnen een bepaalde afstand van uw schip komt (kleinste
naderingsafstand of CPA) binnen een bepaalde tijd (tijd tot
kleinste naderingsafstand of TCPA). De CPA en de TCPA
worden berekend met behulp van COG/SOG en de positie van
het AIS-object.
Wanneer uw systeem een gevaarlijk AIS-object detecteert:
Wordt het objectsymbool rood en gaat knipperen.
Wordt het dialoogvenster met een alarm voor gevaarlijk object
weergegeven (dit kan indien nodig worden uitgeschakeld).
Wordt er een alarmsignaal gegenereerd (dit kan indien nodig
worden uitgeschakeld).
Opmerking: Wanneer de AIS-unit is aangesloten en
functioneert, controleert het systeem of zich gevaarlijke
objecten bevinden binnen de veilige zone en genereert
wanneer ingeschakeld indien nodig een alarm. Het alarm
voor gevaarlijke objecten werkt onafhankelijk van de status
van het AIS-objectweergave, of de veilige zone-ring.
Veiligheidsmeldingen
Wanneer de status van de AIS-functie veiligheidsmeldingen
is ingesteld op Aan, worden alle binnenkomende
veiligheidsberichten van omliggende schepen, kuststations en
mobiele stations weergegeven in een dialoogvenster. Indien
bekend wordt in het bericht de positie van het zendende schip in
lengte-/breedtegraad weergegeven. U hebt de opties om:
Het bericht te verwijderen (OK).
Een waypoint te plaatsen op uw kaart/radar om de positie van
het zendende schip te markeren (Waypoint plaatsen).
Naar de positie van het zendende schip te gaan (Ga naar
Waypoint).
Opmerking: U ontvangt GEEN veiligheidsmeldingen
in de Simulatormodus (Home-venster > Instellingen >
Systeeminstellingen > Simulator).
De Ring veilige zone weergeven in de
Kaart-toepassing
Om de Ring veilige zone weer te geven volgt u de onderstaande
instructies:
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Ring veilige zone zodat Weergeven is
geselecteerd.
Wanneer u Ring veilige zone selecteert wordt de zone-ring
geschakeld tussen verborgen en zichtbaar.
De Ring veilige zone weergeven in de
Radar-toepassing
Om de Ring veilige zone weer te geven volgt u de onderstaande
instructies:
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Ring veilige zone zodat Weergeven is
geselecteerd.
Wanneer u Ring veilige zone selecteert wordt de zone-ring
geschakeld tussen verborgen en zichtbaar.
AIS-veiligheidsmeldingen in de
Kaart-toepassing in- en uitschakelen
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer AIS-opties of *Radar- & AIS-opties.
3. **Selecteer Objecten.
4. Selecteer Instellen AIS.
5. Selecteer Veiligheidsmeldingen.
Wanneer u Veiligheidsmeldingen selecteert wordt geschakeld
tussen veiligheidsmeldingen Aan en Uit.
Opmerking:
*Wanneer de Radar-laag ook is ingeschakeld, wordt de naam
van het menu Radar- & AIS-opties.
** Stap 3 is alleen nodig wanneer de Radar-laag is
ingeschakeld.
AIS-veiligheidsmeldingen in de
Radar-toepassing in- en uitschakelen
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer AIS-instellingen.
4. Selecteer Veiligheidsmeldingen.
Wanneer u Veiligheidsmeldingen selecteert wordt geschakeld
tussen veiligheidsmeldingen Aan en Uit.
Veiligheidskritische AIS-informatie
weergeven
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer het AIS-object.
Het AIS-objectcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer AIS-gegevens zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u AIS-gegevens selecteert wordt heen en weer
geschakeld tussen Aan en Uit.
De veiligheidskritische AIS-gegevens worden nu weergegeven
naast het object in de toepassing.
142
a Series / c Series / e Series
14.12 Objectopties
Het menu Objectopties voor de Kaart-toepassing en de Radar-toepassing wordt hieronder weergegeven.
Parameter Omschrijving Opties
Vectorlengte
De lengte van de weergegeven vectorlijnen hangt af
van de afstand die een AIS-object aegt in de tijd die u
speciceert voor deze instelling.
0,5 min
1 min.
3 min.
6 min.
12 min.
30 min.
60 min.
Objecthistorie
De vorige positie van het object wordt gedurende de
gespeciceerde tijd weergegeven in de vorm van een
objectpictogram met een lichtere tint dan het werkelijke
object.
Uit (standardwaarde)
0,5 min
1 min.
3 min.
6 min.
AIS-functie 143
14.13 AIS-alarmmeldingen
De AIS-functies genereren een aantal alarmmeldingen om u te
waarschuwen voor gevaarlijke of verloren gegane objecten.
Naast het alarm voor gevaarlijk object genereert het systeem
een alarm wanneer een gevaarlijk object een verloren gegaan
object wordt, d.w.z. wanneer langer dan 20 seconden geen
signaal is ontvangen.
Wanneer er sprake is van een alarmsituatie op de unit genereert
uw AIS-ontvanger lokale alarmmeldingen die hoorbaar en
zichtbaar worden weergegeven op uw multifunctionele display.
Lokale AIS-alarmmeldingen
Wanneer de aangesloten AIS-unit een alarmmelding genereert,
dan toont uw multifunctionele display een lokaal alarmbericht en
geeft de alarmstatus aan op de statusbalk.
Logbestand actieve AIS-meldingen
Het logbestand met actieve alarmmeldingen toont de status
van ieder lokaal alarm. Het logbestand kan als volgt worden
geopend:
Vanuit de Kaart-toepassing, waarbij alleen de AIS-laag
is ingeschakeld: Menu > AIS-opties > Instellen AIS >
Logbestand AIS-alarmmeldingen
Vanuit de Kaart-toepassing, waarbij ook de Radar-laag is
ingeschakeld: Menu > Radar- & AIS-opties > Objecten >
Instellen AIS > Logbestand AIS-logbestand
Vanuit de Radar-toepassing: Menu > Objecten > Instellen
AIS > Logbestand AIS-alarmmeldingen.
Bevestigen van AIS-alarmmeldingen
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer Ok in het alarmdialoogvenster.
Opmerking: Een AIS-alarm blijft actief totdat het is bevestigd
op uw multifunctionele display.
14.14 Buddy's volgen
Met de functie 'Buddy volgen' kunt u met AIS uitgeruste vrienden
en regelmatige contacten toevoegen aan een “Buddy-lijst” op uw
multifunctionele display. Zodra een schip van uw Buddy-lijst
binnen het bereik van uw AIS-unit komt, verandert het pictogram
van het schip om dit te melden.
1
2
3
4
D12221-1
Artikel Omschrijving
1 Buddy-pictogram
2 Pictogram gevaarlijk object
3 Pictogram eigen schip
4
Normaal AIS-pictogram
Hoe werkt dit
Wanneer de AIS-laag is ingeschakeld in de kaart- of
radartoepassing, worden AIS-objecten weergegeven
op uw display. U kunt ieder AIS-object toevoegen aan
een “Buddy-lijst”, waarbij iedere invoer bestaat uit een
MMSI-nummer en een optionele naam. Daarna wordt, als
'Buddy volgen' is ingeschakeld op uw multifunctionele display
en een “Buddy”-schip met een MMSI-nummer het bereik
van uw AIS-ontvanger binnenvaart, een AIS-buddypictogram
weergegeven. Er kunnen tot 100 schepen worden toegevoegd
aan de Buddy-lijst.
Vereisten
De volgende items zijn vereist voor de functie 'Buddy volgen':
Voor het gebruik van de functie 'Buddy volgen' wordt
aangenomen dat uw display al is verbonden met een
geschikte AIS-unit.
Alleen met zendende AIS uitgeruste schepen worden
gedetecteerd.
Buddy's volgen in- en uitschakelen in de
Kaart-toepassing
Doe het volgende in de Kaart-toepassing, wanneer de AIS-laag
is ingeschakeld:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer AIS-opties of *Radar- & AIS-opties.
3. Selecteer Objecten.
4. Selecteer Buddy's weergeven.
Wanneer u Buddy's weergeven selecteert, wordt heen en
weer geschakeld tussen de functie 'Buddy volgen' Aan en Uit.
Opmerking:
*Wanneer de Radar-laag ook is ingeschakeld, wordt de naam
van het menu Radar- & AIS-opties.
Buddy's volgen in- en uitschakelen in de
Radar-toepassing
Doe het volgende in de Radar-toepassing, terwijl AIS- is
ingeschakeld:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
144
a Series / c Series / e Series
3. Selecteer Buddy's weergeven.
Wanneer u Buddy's weergeven selecteert, wordt heen en
weer geschakeld tussen de functie 'Buddy volgen' Aan en Uit.
Een schip toevoegen aan uw buddy-lijst
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer het AIS-object.
Het AIS-objectcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Buddy toevoegen.
i. Selecteer Ja om een naam in te voeren voor het
Buddy-schip
ii. Selecteer Nee om het schip op te slaan in uw buddy-lijst
zonder een naam in te voeren voor het buddy-schip.
Het schip wordt nu toegevoegd aan uw buddy-directory.
Een AIS-buddy toevoegen vanuit de lijst met
AIS-objecten
U kunt de AIS-objectlijst openen vanuit:
de Kaart-toepassing met alleen de AIS-laag ingeschakeld:
Menu > AIS-opties > Objecten > AIS-lijst bekijken.
de Kaart-toepassing waarin de Radar- en AIS-lagen zijn
ingeschakeld: Menu > Radar- & AIS-opties > Objecten >
Objectlijsten bekijken > AIS-lijst bekijken.
de Radar-toepassing: Menu > Objecten > Objectlijsten
bekijken > AIS-lijst bekijken
Doe het volgende vanuit de AIS-lijst:
1. Selecteer een AIS-object.
2. Selecteer Buddy toevoegen.
i. Selecteer Ja om een naam in te voeren voor het
Buddy-schip
ii. Selecteer Nee om het schip op te slaan in uw buddy-lijst
zonder een naam in te voeren voor het buddy-schip.
Het schip wordt nu toegevoegd aan uw buddy-directory.
De gegevens van een buddy bewerken
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer het AIS-buddyobject.
Het contextmenu voor AIS-buddy wordt weergegeven.
2. Selecteer Buddy-gegevens weergeven.
3. Selecteer de buddy die u wilt bewerken.
Het dialoogvenster met buddy-opties wordt weergegeven.
4. Om het MMSI-nummer te wijzigen selecteert u Buddy-MMSI
bewerken.
Het MMSI-nummer moet uit 9 cijfers bestaan.
5. Selecteer Buddy-naam bewerken om de buddy-naam te
wijzigen.
Dit kan bijvoorbeeld de naam van het schip zijn, of de naam
van de bevriende eigenaar van het schip.
6. Voer de nieuwe gegevens in en selecteer OPSLAAN.
U keert nu terug naar de buddy-lijst.
Een buddy wissen
Doe het volgende in de kaart- of Radar-toepassing:
1. Selecteer het AIS-buddyobject.
Het contextmenu voor AIS-buddy wordt weergegeven.
2. Selecteer Buddy verwijderen.
3. Selecteer Ja om te bevestigen.
De buddy is nu verwijderd uit de lijst.
U kunt de buddy-lijst ook openen vanuit:
de Kaart-toepassing met alleen de AIS-laag ingeschakeld:
Menu > AIS-opties > > > Objecten > Buddy-lijst bekijken.
de Kaart-toepassing waarin de Radar- en AIS-lagen zijn
ingeschakeld: Menu > Radar- & AIS-opties > Objecten >
Objectlijsten bekijken > Buddy-lijst bekijken.
de Radar-toepassing: Menu > Objecten > Objectlijsten
bekijken > Buddy-lijst bekijken
Aanvullende Buddy-informatie weergeven
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer het AIS-buddyobject.
Het contextmenu voor AIS-buddy wordt weergegeven.
2. Selecteer Buddy-gegevens zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Buddy-gegevens selecteert wordt heen en weer
geschakeld tussen Aan en Uit.
De Buddy-MMSI en -naam worden nu weergegeven naast het
pictogram van de buddy.
AIS-functie 145
146 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 15: Waypoints, Routes en Tracks
Inhoudsopgave
15.1 Overzicht waypoints op pagina 148
15.2 Routes op pagina 156
15.3 Tracks op pagina 159
15.4 Importeren en exporteren op pagina 161
15.5 Opslagcapaciteit voor waypoints, routes en tracks op pagina 161
Waypoints, Routes en Tracks
147
15.1 Overzicht waypoints
Waypoints zijn positiemarkeringen die worden gebruikt voor de
navigatie. Uw multifunctionele display kan waypoints maken, die
daarna worden geselecteerd voor actieve navigatie.
Het systeem beschikt over een aantal functies voor het plaatsen,
navigeren en beheren van waypoints, u kunt deze openen
vanuit het Waypoints-menu en het Waypoint-contextmenu.
Waypoints worden op het scherm weergegeven met behulp
van waypoint-symbolen die u naar wens kunt aanpassen.
Waypoints kunnen worden gemaakt, verplaatst, verwijderd,
geëxporteerd naar een geheugenkaart of geïmporteerd vanaf
een geheugenkaart.
Voorbeelden van Waypoint-weergave
Waypoints in de Kaart-toepassing
In de Kaart-toepassing worden zowel actieve als inactieve
waypoints weergegeven. Een actief waypoint is het waypoint
waar u naartoe navigeert.
D11761-3
1 2
3
Nummer Omschrijving
1
Inactief waypoint
2
Actief waypoint
3 Alternatieve waypoint-symbolen
Het standaard waypoint-symbool is een rode ‘X’. Wanneer nodig
kunnen alternatieve symbolen worden gebruikt.
Waypoints in de Radar-toepassing
In de Radar-toepassing worden zowel actieve als inactieve
waypoints weergegeven. Een actief waypoint is het waypoint
waar u naartoe navigeert.
D11759-3
21
3
1. Inactief waypoint
2. Actief waypoint
3. Alternatieve waypoint-symbolen
Het standaard waypoint-symbool is een rode ‘X’. Wanneer nodig
kunnen alternatieve symbolen worden gebruikt.
Waypoints in de Fishnder-toepassing
Waypoints in de Fishnder-toepassing worden weergegeven
door een verticale lijn met het label WPT.
Waypoint (MOB)-knop/-pictogram
Afhankelijk van het model multifunctionele display heeft u een
Waypoint (MOB)-knop of een pictogram op het scherm.
WPT-knop c-serie
e-serie
RMK-9-toetsenbord
WPT-picto-
grammen
a-serie
gS-serie
In deze handleiding staat de term: Selecteer WPT voor het
indrukken van de fysieke WPT-knop of het indrukken van het
WPT-pictogram op het scherm.
Waypoint-contextmenu
Wanneer u de cursor op een waypoint in de kaart- of
radartoepassing plaatst wordt een contextmenu weergegeven
met de waypoint-positiegegevens en menu-items.
Het contextmenu geeft de volgende positiegegevens voor het
waypoint ten opzichte van uw schip:
Breedtegraad
Lengtegraad
Afstand
Peiling
Voor inactieve waypoints zijn de volgende menu-items
beschikbaar:
Ga naar Waypoint
Volgen vanaf hier (alleen beschikbaar wanneer het waypoint
deel uitmaakt van een route.)
Waypoint bewerken
Waypoint wissen
Waypoint verwijderen (alleen beschikbaar wanneer het
waypoint deel uitmaakt van een route.)
Waypoint verplaatsen
148 a Series / c Series / e Series
Meten
Route maken
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Thermische camera zwenken (alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
Voor actieve waypoints zijn de volgende menu-items
beschikbaar:
Stop Ga naar
XTE herstarten
Doorgaan naar volgend Waypoint
Meten
Route maken
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Thermische camera zwenken (alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
Plaatsing van waypoints
Een waypoint plaatsen
U kunt een waypoint plaatsen op een multifunctioneel display
met touchscreen door de onderstaande stappen te volgen.
D11763-2
Doe het volgende in de Kaart-, Radar- of Fishnder-toepassing:
1. Selecteer de gewenste locatie op het scherm en houd deze
vast.
Het contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint plaatsen.
Het dialoogvenster "Waypoint opgeslagen" wordt
weergegeven.
3. Selecteer het Symbool-veld om het symbool dat wordt
gebruikt om het waypoint weer te geven in de Kaart- of
Radar-toepassing te wijzigen.
4. Selecteer het Naam-veld om de naam van het waypoint te
wijzigen.
5. Selecteer het Groep-veld om de groep waaraan het
waypoint is toegewezen te wijzigen.
6. Selecteer OK om de waypointgegevens te bevestigen.
Opmerking: Als er gedurende 5 seconden geen interactie
is tussen de gebruiker en het dialoogvenster Waypoint
opgeslagen, dan wordt het Waypoint opgeslagen met
de standaard instellingen en wordt het dialoogvenster
automatisch gesloten.
Een waypoint plaatsen
Doe het volgende in de Kaart-, Radar- of Fishnder-toepassing:
1. Plaats de cursor op de gewenste positie.
2. Druk op de WPT-knop.
Het contextmenu wordt weergegeven.
3. Selecteer Waypoint plaatsen.
Het dialoogvenster "Waypoint opgeslagen" wordt
weergegeven.
4. Selecteer het Symbool-veld om het symbool dat wordt
gebruikt om het waypoint weer te geven in de Kaart- of
Radar-toepassing te wijzigen.
5. Selecteer het Naam-veld om de naam van het waypoint te
wijzigen.
6. Selecteer het Groep-veld om de groep waaraan het
waypoint is toegewezen te wijzigen.
7. Selecteer OK om de waypointgegevens te bevestigen.
Opmerking: Als er gedurende 5 seconden geen interactie
is tussen de gebruiker en het dialoogvenster Waypoint
opgeslagen, dan wordt het Waypoint opgeslagen met
de standaard instellingen en wordt het dialoogvenster
automatisch gesloten.
Een waypoint plaatsen op de positie van uw schip
Naast de informatie over de positie, wordt voor een waypoint dat
wordt geplaatst op de positie van het schip informatie vastgelegd
over de temperatuur en de echolooddiepte (als de daarvoor
bestemde sensoren zijn aangesloten op uw systeem).
Doe het volgende in de Kaart-, Radar- of Fishnder-toepassing:
1. Selecteer WPT.
Het waypoint-menu wordt weergegeven.
2. Selecteer WPT opnieuw of selecteer Waypoint plaatsen
op schip in het menu.
Het dialoogvenster "Waypoint opgeslagen" wordt
weergegeven.
Waypoints, Routes en Tracks
149
3. Selecteer het Symbool-veld om het symbool dat wordt
gebruikt om het waypoint weer te geven in de Kaart- of
Radar-toepassing te wijzigen.
4. Selecteer het Naam-veld om de naam van het waypoint te
wijzigen.
5. Selecteer het Groep-veld om de groep waaraan het
waypoint is toegewezen te wijzigen.
6. Selecteer OK om de waypointgegevens te bevestigen.
Opmerking: Als er gedurende 5 seconden geen interactie
is tussen de gebruiker en het dialoogvenster Waypoint
opgeslagen, dan wordt het Waypoint opgeslagen met
de standaard instellingen en wordt het dialoogvenster
automatisch gesloten.
Een waypoint plaatsen op een bekende positie
U kunt een waypoint plaatsen op een bepaalde positie met
behulp van breedte- en lengtegraden:
1. Selecteer WPT.
2. Selecteer Waypoint plaatsen op breedte-/lengtegraad.
Het dialoogvenster "Waypoint-gegevens" wordt
weergegeven.
3. Selecteer het veld Positie.
4. Voer de breedte-/lengtegraad van de positie in
5. Selecteer OPSLAAN.
6. U kunt ook het symbool, de naam en de groep van het
waypoint bewerken door de betreffende velden te selecteren.
7. Selecteer Sluiten of Terug om het dialoogvenster te sluiten.
Waypoint-groepen
Waypoints zijn georganiseerd in groepen. Standaard worden
alle waypoints in de groep "ONGESORTEERD" geplaatst.
Er kunnen nieuwe waypoint-groepen worden gemaakt en ieder
waypoint kan worden toegewezen aan een waypoint-groep.
U kunt bijvoorbeeld een waypoint-groep maken met de naam
"Vissen" en alle waypoints waar u vis hebt gevangen in die
groep plaatsen.
Waypoint-groepen kunnen worden beheerd vanuit de
Waypoint-groepenlijst.
7 8 9
5
1 2 3 4
6
D13010-1
1. Sorteren: waypoint-groepen kunnen worden gesorteerd
op naam of datum door het Sorteren op:-veld te selecteren.
2. Ongesorteerd standaard worden nieuwe waypoints
toegevoegd aan de waypoint-groep ONGESORTEERD.
Wanneer een groep wordt geselecteerd, wordt een lijst
weergegeven met alle waypoints die niet zijn toegewezen
aan een specieke groep.
3. Zoeken u kunt waypoints zoeken met behulp van
trefwoorden door Zoeken te selecteren.
4. Importeren/exporteren waypoints kunnen worden
geëxporteerd naar of geïmporteerd van een microSD-kaart
door Importeren/exporteren te selecteren. Raadpleeg 8.4
Gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen opslaan voor
meer informatie.
5. Alle waypoints wanneer u ALLE WAYPOINTS
selecteert, wordt een lijst weergegeven met alle waypoints
die op uw systeem zijn opgeslagen.
6. Waypoint-groepen alle waypoint-groepen worden
weergegeven in de lijst.
7. Nieuwe groep er kan een nieuwe waypoint-groep worden
toegevoegd door Nieuwe groep te selecteren.
8. Nieuw waypoint nieuwe waypoints kunnen handmatig
worden toegevoegd door Nieuwe waypoint te selecteren.
9. Weergeven/verbergen u kunt kiezen welke
waypoint-groepen worden weergegeven en welke groepen
worden verborgen door de betreffende groep te selecteren
in de lijst en daarna Weergeven/verbergen te selecteren.
Wanneer u een waypoint-groep selecteert in de lijst, wordt
een lijst met alle waypoints in de groep weergegeven. Er zijn
aanvullende functies beschikbaar die u helpen uw waypoints
te beheren.
D13013-1
5 6 7 8
4
1 2 3
1. Sorteren op: sorteert waypoints op naam, bereik,
symbool of datum.
2. Zoeken zoek waypoints met behulp van trefwoorden.
3. Exporteren exporteert de waypoint-groep die op dat
moment wordt weergegeven naar een geheugenkaart.
4. Waypoint-groep dit is de op dat moment geselecteerde
waypoint-groep.
150 a Series / c Series / e Series
5. Groep hernoemen de huidige groep hernoemen.
6. Wpts wissen wist alle waypoints in de groep.
7. Wpts verplaatsen verplaatst alle waypoints in de groep.
8. Symbool toewijzen wijst een nieuw symbool toe aan
alle waypoints in de groep.
De waypoint-groepenlijst weergeven
Doe het volgende in een willekeurige toepassing:
1. Selecteer WPT.
2. Selecteer Waypoints.
De waypoint-groepenlijst wordt weergegeven.
Een nieuwe waypoint-groep maken.
Doe het volgende wanneer de waypoint-groepenlijst wordt
weergegeven:
1. Selecteer Nieuwe groep.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
2. Gebruik het schermtoetsenbord om de gewenste naam in te
voeren voor de nieuwe groep.
3. Selecteer OPSLAAN.
Een waypoint-groep hernoemen
Doe het volgende wanneer de Waypoint-groepenlijst wordt
weergegeven:
1. Selecteer de groep die u wilt hernoemen.
De groepsgegevens worden weergegeven.
2. Selecteer Groep hernoemen.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
3. Gebruik het schermtoetsenbord om de groepsnaam zo nodig
te wijzigen.
4. Selecteer OPSLAAN.
Een nieuw symbool toewijzen aan een waypoint-groep
U kunt een nieuw waypoint-symbool toewijzen aan alle
waypoints in een groep.
Doe het volgende in de Waypoints-groepenlijst:
1. Selecteer de groep waaraan u een nieuw waypoint-symbool
wilt toewijzen.
Er wordt een groepsdetaillijst weergegeven met alle
waypoints in de geselecteerde groep.
2. Selecteer Symbool toewijzen.
Er wordt een lijst weergegeven met alle beschikbare
symbolen.
3. Selecteer het symbool dat u wilt gebruiken voor de waypoints
in de geselecteerde groep.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
4. Selecteer Ja om de nieuwe symbolen toe te passen op de
waypoints, of selecteer Nee om te annuleren.
Een waypoint verplaatsen naar een andere groep
Doe het volgende wanneer de Waypoint-groepenlijst wordt
weergegeven:
1. Selecteer ALLE WAYPOINTS.
Er wordt een lijst weergegeven met alle waypoints op uw
systeem.
2. Selecteer het waypoint dat u wilt verplaatsen.
De Waypoint-detailpagina wordt weergegeven.
3. Selecteer het Groep-veld
Er wordt een lijst met alle groepen weergegeven.
4. Selecteer de Groep waarnaar u het waypoint wilt
verplaatsen, of
5. Selecteer Nieuwe groep maken om het waypoint naar een
nieuwe groep te verplaatsen.
Het waypoint wordt verplaatst naar de nieuwe groep.
Alle waypoints in een groep verplaatsen naar een andere
groep
U kunt alle waypoints in een groep verplaatsen naar een andere
groep.
Doe het volgende wanneer de Waypoints-groepenlijst wordt
weergegeven:
1. Selecteer de groep die de waypoints bevat die u wilt
verplaatsen.
2. Selecteer Wpts verplaatsen.
Er wordt een lijst met alle groepen weergegeven.
3. Selecteer de groep in de lijst waarnaar u de waypoints wilt
verplaatsen.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
4. Selecteer Ja om de waypoints te verplaatsen, of Nee om
te annuleren.
De waypoints zijn nu verplaatst naar de nieuwe groep.
Alle waypoints in een groep wissen
U kunt alle waypoints in een geselecteerde groep wissen.
Doe het volgende wanneer de waypoint-groepenlijst wordt
weergegeven:
1. Selecteer de groep die de waypoints bevat die u wilt wissen.
Er wordt een lijst weergegeven met alle waypoints in de
geselecteerde groep.
2. Selecteer Wpts wissen.
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
3. Selecteer Ja om alle waypoints in de groep te wissen, of
Nee om te annuleren.
Alle waypoints in de geselecteerde groep worden gewist van het
systeem en de groep is nu leeg.
Een waypoint-groep wissen
Voordat u een waypoint-groep kunt wissen, dient u eerst de
waypoints die aan die groep zijn toegewezen te verplaatsen
of te wissen.
Doe het volgende wanneer de waypoint-groepen wordt
weergegeven:
1. Selecteer de waypoint-groep die u wilt wissen.
2. Selecteer Groep wissen.
De groep is verwijderd van het systeem.
Waypoint-informatie
Wanneer u een waypoint creëert, wijst het systeem informatie
toe met betrekking tot de gemarkeerde locatie. U kunt de
informatie over ieder waypoint dat is gemaakt en opgeslagen
bekijken en bewerken.
De volgende informatie wordt toegewezen aan of vastgelegd
voor ieder waypoint:
Symbool (er wordt een standaard symbool toegewezen, u
kunt ook een alternatief selecteren.)
Waypoints, Routes en Tracks
151
Naam (er wordt een standaard naam toegewezen, u kunt ook
een alternatief selecteren.)
Positie (breedtegraad en lengtegraad van het waypoint.)
Peiling en Bereik (peiling en bereik vanaf schip.)
Temperatuur (hiervoor is een sensor nodig, alleen voor
waypoints die worden vastgelegd op de positie van het schip.)
Diepte (hiervoor is een sensor nodig, alleen voor waypoints
die worden vastgelegd op de positie van het schip.)
Datum en tijd
Opmerking (u kunt uw eigen tekst toevoegen aan een
waypoint.)
Vanaf de waypoint-informatiepagina kunt u ook de volgende
acties uitvoeren:
Ga naar (start actieve navigatie naar het waypoint.)
Weergeven op kaart (laat de locatie van het waypoint zien in
de Kaart-toepassing.)
Verwijderen (verwijder het waypoint uit de waypoints-lijst.)
De waypoint-lijst weergeven
Doe het volgende in een willekeurige toepassing:
1. Selecteer WPT.
2. Selecteer Waypoint-lijst.
De waypoint-lijst wordt weergegeven.
Opmerking: U kunt de waypoint-lijst ook direct vanuit het
Home-venster openen door WPT te selecteren of naar
het Mijn gegevens-menu te gaan en Waypoint-lijst te
selecteren.
Waypoint-gegevens bewerken
Doe het volgende wanneer de waypoint-lijst wordt weergegeven:
1. Selecteer het waypoint dat u wilt bewerken.
De waypoint-informatiepagina wordt weergegeven.
2. Selecteer het veld dat u wilt bewerken.
3. Gebruik het schermtoetsenbord om de wijzigingen in
te voeren, selecteer daarna de knop OPSLAAN op het
schermtoetsenbord.
Een Waypoint bewerken met behulp van het contextmenu
Doe het volgende wanneer de toepassingspagina is
weergegeven:
1. Selecteer het waypoint-symbool op het scherm.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint bewerken.
Het dialoogvenster "Waypoint bewerken" wordt
weergegeven.
3. Selecteer het veld dat u wilt bewerken.
4. Gebruik het schermtoetsenbord om de wijzigingen in
te voeren, selecteer daarna de knop OPSLAAN op het
schermtoetsenbord.
Waypoints verplaatsen
Een Waypoint verplaatsen met behulp van het contextmenu
Doe het volgende wanneer de toepassingspagina is
weergegeven:
1. Selecteer het waypoint-symbool op het scherm.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint verplaatsen.
3. Selecteer de nieuwe positie voor het waypoint.
Een waypoint verplaatsen door nieuwe coördinaten in te
voeren
Doe het volgende wanneer de waypoint-lijst wordt weergegeven:
1. Selecteer Alle waypoints.
2. Selecteer het betreffende waypoint.
De waypoint-informatiepagina wordt weergegeven.
3. Selecteer het veld Positie.
4. Gebruik het schermtoetsenbord om de wijzigingen in
te voeren, selecteer daarna de knop OPSLAAN op het
schermtoetsenbord.
Waypoints wissen
Een Waypoint wissen met behulp van het contextmenu
Doe het volgende wanneer de toepassingspagina is
weergegeven:
1. Selecteer het waypoint-symbool op het scherm.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint wissen.
Het pop-up-bericht Waypoint wissen wordt weergegeven.
3. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om te annuleren.
Een waypoint wissen met behulp van de waypoint-lijst
Doe het volgende wanneer de waypoint-lijst wordt weergegeven:
1. Selecteer Alle waypoints.
2. Selecteer het waypoint dat u wilt wissen.
De waypoint-informatiepagina wordt weergegeven.
3. Selecteer Wissen.
Het pop-up-bericht Waypoint wissen wordt weergegeven.
4. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om te annuleren.
Alle waypoints wissen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Importeren/Exporteren.
3. Selecteer Wissen van systeem.
4. Selecteer Waypoints wissen van systeem.
Er wordt een lijst weergegeven met alle waypoint-groepen.
5. Selecteer Alles wissen.
Er wordt een bericht weergegeven om het verwijderen te
bevestigen.
6. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om te annuleren.
Waypoint-zoekfunctie
Met de Waypoint-zoekfunctie kunt u waypoints zoeken op uw
systeem.
De zoekfunctie is beschikbaar door Zoeken te selecteren in de
Waypoints-lijst.
U kunt waypoints zoeken op:
Naam of trefwoord
Symbool
Gebied
152 a Series / c Series / e Series
Vanuit de zoekresultaten kunt u alle waypoints in de
resultatenlijst wissen, ze verplaatsen naar een bestaande of
nieuwe waypoint-groep of alle waypoints toewijzen aan hetzelfde
waypoint-symbool.
Zoeken naar waypoints op naam of trefwoord
U kunt naar waypoints zoeken op naam of op trefwoord.
Doe het volgende in de Waypoints-lijst:
1. Selecteer Zoeken.
De pagina Zoeken wordt weergegeven.
2. Gebruik het toetsenbord op het scherm om de waypoint-naam
of het trefwoord in te voeren.
3. Selecteer Zoeken.
De zoekresultaten worden weergegeven.
4. Selecteer Waypoints wissen om de lijst met waypoints van
uw systeem te wissen, of
5. Selecteer Waypoints verplaatsen om de waypoints naar
een nieuwe of bestaande groep te verplaatsen, of
6. Selecteer Symbool toewijzen om een nieuw symbool toe te
wijzen aan alle waypoints in de lijst met zoekresultaten.
U kunt ook een waypoint selecteren in de lijst om de gegevens
ervan te bekijken, of een Ga naar in te stellen of het waypoint in
de Kaart-toepassing weer te geven als u de lijst hebt geopend
vanuit de Kaart-toepassing.
Naar waypoints zoeken op symbool
U kunt waypoints zoeken op symbool.
Doe het volgende in de Waypoints-lijst:
1. Selecteer Zoeken.
De pagina Zoeken wordt weergegeven.
2. Selecteer Symbool.
Het waypoint-symbool wordt weergegeven.
3. Selecteer het symbool dat is toegewezen aan de waypoints
waarnaar u wilt zoeken.
Er wordt een lijst weergegeven met alle waypoints die het
geselecteerde symbool gebruiken.
4. Selecteer Waypoints wissen om de lijst met waypoints van
uw systeem te wissen, of
5. Selecteer Waypoints verplaatsen om de waypoints naar
een nieuwe of bestaande groep te verplaatsen, of
6. Selecteer Symbool toewijzen om een nieuw symbool toe te
wijzen aan alle waypoints in de lijst met zoekresultaten.
U kunt ook een waypoint selecteren in de lijst om de gegevens
ervan te bekijken, of een Ga naar in te stellen of het waypoint in
de Kaart-toepassing weer te geven als u de lijst hebt geopend
vanuit de Kaart-toepassing.
Naar waypoints zoeken op gebied
U kunt naar waypoints zoeken door een gebied te selecteren
in de Kaart-toepassing.
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Waypoints.
De waypoint-lijst wordt weergegeven.
4. Selecteer Zoeken.
De pagina Zoeken wordt weergegeven.
5. Selecteer Gebied.
De Kaart-toepassing wordt weergegeven en het Menu
Gebied zoeken is geopend.
6. Selecteer de positie van de eerste hoek van het zoekgebied.
7. Selecteer de positie van het tegenoverliggende punt van het
zoekgebied.
Er wordt een vak getekend op het scherm voor het
geselecteerde gebied.
Als het vak op de verkeerde plek wordt getekend, kunt u een
nieuwe gebied tekenen door 2 nieuwe hoekpunten te kiezen.
8. Selecteer Zoeken in het menu.
Er wordt een lijst weergegeven met alle waypoints in het
geselecteerde gebied.
9. Selecteer Waypoints wissen om de lijst met waypoints van
uw systeem te wissen, of
10.Selecteer Waypoints verplaatsen om de waypoints naar
een nieuwe of bestaande groep te verplaatsen, of
11. Selecteer Symbool toewijzen om een nieuw symbool toe te
wijzen aan alle waypoints in de lijst met zoekresultaten.
U kunt ook een waypoint selecteren in de lijst om de gegevens
ervan te bekijken, een Ga naar in te stellen of het waypoint in de
Kaart-toepassing weer te geven.
Waypoints, Routes en Tracks
153
Waypoint-symbolen
Er is een aantal waypoint-symbolen beschikbaar, die kunnen
worden gebruikt om verschillende soorten waypoints weer te
geven.
Zwart kruisRood kruis
Zwarte cirkelRode cirkel
Zwart vierkantRood vierkant
Zwarte driehoekRode driehoek
Blauw kruis
Groen kruis
Blauwe cirkel
Groene cirkel
Blauw vierkant
Groen vierkant
Blauwe driehoek
Groene driehoek
AnkerWrak
Boei
Brandstof
ToilettenRestaurant
HellingLet op
Groen racesymbool
tegen klok in
Groen racesymbool met
klok mee
Geel racesymbool
tegen klok in
Geel racesymbool met
klok mee
Rood racesymbool
tegen klok in
Rood racesymbool met
klok mee
MarkeringRestrictie
BodemmarkeringBovenmarkering
Start route
Einde route
Duiker benedenDuiker beneden 2
Booreiland
Gevulde cirkel
FAD
(vislokapparaat)
Betonpuin
Zeewier
Oester
Groene conische
boei
Groene platte boei
Rode conische boeiRode platte boei
Gele conische boeiGele platte boei
FuikKreupelhout
Voorkeursmarkerin-
gen
Zuil
KlipVis
Vis 1 sterVis 2 sterren
Vis 3 sterren
School met vis
Kreeft
Kleine vis
Rotsen
Rif
Privé-rifOpenbaar rif
154 a Series / c Series / e Series
Doljn
Haai
Spitssnuitvis
Tank
Rifbal
Zeilboot
Sportvisser
Trawler
ZwemmerMartini
BoomToren
Hill of heuveltop
Brug
VliegtuigAuto
Schedel
Diamant T
Diamant kwart
Gevulde driehoek
Waypoint-groepen weergeven en verbergen
Doe het volgende in de kaart- of Radar-toepassing:
1. Selecteer WPT.
2. Selecteer Wpts weergeven op: kaart, of Wpts weergeven
op: radar afhankelijk van de toepassing die u hebt geopend.
De lijst Waypoint weergeven/verbergen wordt weergegeven.
In het voorbeeld hierboven wordt de dagreisgroep niet
weergegeven in de Kaart-toepassing.
3. Selecteer Sorteren op om te schakelen tussen Groepen
en Symbolen.
Er wordt een lijst met symbolen of groepen weergegeven.
4. Selecteer de Groep of het Symbool in de lijst dat u wilt
weergeven of verbergen.
Als Weergeven wordt weergegeven in de lijst, dan worden
de groepen of symbolen weergegeven, als Verbergen wordt
weergegeven in de lijst, dan worden de groepen of symbolen
niet weergegeven in de toepassing.
5. Herhaal stap 4 voor iedere waypoint-groep of -symbooltype
dat u wilt weergeven of verbergen.
6. Als alternatief kunt u ook alle waypoints weergeven of
verbergen, daarvoor selecteert u Alles weergeven of Alles
verbergen om alle waypoints weer te geven of te verbergen.
U kunt de lijst met waypoints en symbolen openen van het
toepassingsmenu:
Kaart-toepassing: Menu > Mijn gegevens > Waypoints.
Radar-toepassing: Menu > Presentatie > Selecteer
waypoints om weer te geven.
Waypoints, Routes en Tracks
155
15.2 Routes
Een route is een reeks waypoints die normaal gesproken wordt
gebruikt bij routeplanning en navigatie.
Een route wordt op het scherm weergegeven als een reeks
waypoints die zijn verbonden door een lijn.
D
11750-1
Route-eigenschappen
Er zijn een aantal route-eigenschappen beschikbaar voor het
maken, navigeren en beheren van routes.
Met de route-eigenschappen kunt u:
Een route maken en opslaan voor later gebruik (opgeslagen
in de routelijst).
Routes navigeren (volgen).
Op het systeem opgeslagen routes beheren en bewerken.
Een route maken van een bestaande track.
U kunt de route-eigenschappen openen vanuit de
Kaart-toepassing:
door een bestaande route te selecteren.
door de optie Route maken in het kaartcontextmenu te
gebruiken.
door het menu van de Kaart-toepassing te gebruiken: Menu >
Navigatie > Route volgen of Route maken.
Opmerking: U kunt de routelijst ook openen vanuit het
Home-venster door Mijn gegevens en daarna Routes te
selecteren.
Routes opbouwen
Een route kan bestaan uit een combinatie van:
Nieuwe waypoints
Bestaande waypoints
Een bestaande track
Iedere keer dat een waypoint wordt toegevoegd, wordt een
indexcijfer toegewezen dat overeenkomt met de positie ervan
in de route en het wordt op de kaart getekend met het op dat
moment gespeciceerde symbool. Het volgende dient te worden
opgemerkt:
Wanneer een route wordt opgebouwd is het niet actief en niet
van invloed op uw huidige navigatie.
U kunt een nieuwe route niet opslaan wanneer één of meer
waypoints daarin op dat moment actief zijn.
Een route maken
U kunt een route op een multifunctioneel display met
touchscreen maken door de onderstaande stappen te volgen.
D11762-1
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een locatie op het scherm en houd deze vast.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Route maken.
Het menu 'Route maken' wordt weergegeven.
3. Selecteer een locatie op het scherm als startpositie.
4. Selecteer relevante locaties voor de volgende waypoints in
de juiste volgorde.
De route wordt opgeslagen en weergeven als alle waypoint
zijn geplaatst.
5. Wanneer uw route compleet is selecteert u Route maken
voltooien.
Er wordt een pop-upbericht met 'Route maken voltooid'
weergegeven.
6. Selecteer Volgen om de route direct te volgen, of
7. Selecteer Bewerken om de routenaam of de routekleur te
veranderen, of
8. Selecteer Afsluiten om de route op te slaan en terug te
keren naar de kaarttoepassing.
Opmerking: Als u een waypoint hebt geplaatst op de
verkeerde positie selecteert u Waypoint ongedaan maken
in het routemenu.
Een route maken
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Navigatie.
3. Selecteer Route maken.
Het menu 'Route maken' wordt weergegeven.
4. Selecteer Plaats Wpt.
5. Gebruik de Joystick om een locatie op het scherm te
selecteren.
6. Druk op de OK-knop om het eerste waypoint van de route te
plaatsen.
7. Gebruik de Joystick en de OK-knop om de volgende
waypoints te plaatsen.
De route wordt opgeslagen en weergeven als alle waypoints
zijn geplaatst.
8. Wanneer uw route compleet is selecteert u Route maken
voltooien.
Er wordt een pop-up-bericht met 'Route maken voltooid'
weergegeven.
9. Selecteer Volgen om de route direct te volgen, of
10.Selecteer Bewerken om de routenaam of de routekleur te
veranderen, of
11. Selecteer Afsluiten om de route op te slaan en terug te
keren naar de kaarttoepassing.
Opmerking: Als u een waypoint hebt geplaatst op de
verkeerde positie selecteert u Waypoint ongedaan maken.
Een route maken met de waypoint-lijst
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Navigatie.
3. Selecteer Route maken.
Het menu 'Route maken' wordt weergegeven.
4. Selecteer WPT-lijst gebruiken.
De waypoint-lijst wordt weergegeven.
5. Selecteer het gewenste waypoint.
U keert terug naar het menu 'Route maken'.
6. Volgende waypoints toevoegen aan de route.
De route wordt opgeslagen en weergeven als alle waypoint
zijn geplaatst.
7. Wanneer uw route compleet is selecteert u Route maken
voltooien.
Er wordt een pop-up-bericht met 'Route maken voltooid'
weergegeven.
8. Selecteer Volgen om de route direct te volgen, of
156 a Series / c Series / e Series
9. Selecteer Bewerken om de routenaam of de routekleur te
veranderen, of
10.Selecteer Afsluiten om de route op te slaan en terug te
keren naar de kaarttoepassing.
Opmerking: Als u niet het juiste waypoint hebt geselecteerd,
selecteer dan Waypoint ongedaan maken in het routemenu.
Het kaartbereik aanpassen tijdens het maken van een
route
Doe het volgende in het menu 'Route maken':
1. Gebruik de pictogrammen Bereik inzoomen en Bereik
uitzoomen op het scherm om het bereik van de kaart te
vergroten of te verkleinen.
Het kaartbereik aanpassen tijdens het maken van een
route
Doe het volgende in het menu 'Route maken':
1. Gebruik de knoppen Bereik inzoomen en Bereik uitzoomen
om het bereik van de kaart te vergroten of te verkleinen.
Een route maken van een track
U kunt een route maken van een opgenomen track.
Wanneer een track wordt omgezet, creëert het systeem
de dichtstbijzijnde route via het opgenomen track, met een
minimum aantal waypoints. Ieder gecreëerd waypoint wordt
opgeslagen met de diepte- en temperatuurgegevens (wanneer
van toepassing) voor die positie.
D
11752-2
Opmerking: Als er sprake is van een trackonderbreking
wordt alleen het laatste segment omgezet naar een route.
Een route maken van een track
Doe het volgende in de lijst met tracks:
vanuit het Home-venster: Mijn gegevens > Tracks
vanuit de Kaart-toepassing: Menu > Mijn gegevens > Tracks
1. Selecteer de track die u wilt omzetten in een route.
Het dialoogvenster met trackopties wordt weergegeven.
2. Selecteer Creëer route van track.
Wanneer de route is voltooid wordt de maximale afwijking van
de route ten opzichte van de vastgelegde track weergegeven
in een dialoogvenster en de nieuwe route wordt aan de
routelijst toegevoegd. Het kan nu worden weergegeven,
bewerkt en gewist etc., op dezelfde manier als andere routes
in het systeem.
3. Selecteer OK om te bevestigen.
4. Selecteer Bewerken om de naam en de lijnkleur van de
gecreëerde route te wijzigen.
Een route maken vanuit een track die wordt weergegeven
op een kaart
Volg de volgende stappen vanuit de kaarttoepassing:
1. Selecteer het gewenste track.
Het trackcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Creëer route van track.
Wanneer de route is voltooid wordt de maximale afwijking van
de route ten opzicht van de opgenomen track weergegeven
in een pop-up-bericht en de nieuwe route wordt aan de
routelijst toegevoegd. Het kan nu worden weergegeven,
bewerkt en gewist etc., op dezelfde manier als andere routes
in het systeem.
3. Selecteer OK om te bevestigen.
4. Selecteer Bewerken om de naam en de lijnkleur van de
gecreëerde route te wijzigen.
Een route bekijken of bewerken
Er zijn verschillende kenmerken gekoppeld aan routes. Deze
kunnen worden bekeken en bewerkt.
U kunt:
Een route op het kaartscherm weergeven of verbergen.
De details van een route bekijken
De naam of de kleur van de route wijzigen.
Waypoints toevoegen aan, verplaatsen in of verwijderen uit
een route.
De breedte van routelijnen wijzigen.
Opmerking: Een actieve route kan worden bewerkt, met
uitzondering van het actieve waypoint. Als het waypoint dat
wordt bewerkt actief wordt, dan annuleert het systeem de
bewerking. Het waypoint behoudt zijn oorspronkelijke positie.
Routes en tracks weergeven of verbergen
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Routes of Tracks.
4. Selecteer Weergeven/verbergen.
5. Selecteer de route of track om te schakelen tussen
Weergeven en Verbergen.
Een route selecteren om te bekijken of te bewerken
1. Doe één van de volgende dingen om de gewenste route te
selecteren:
Selecteer vanuit de Kaart-toepassing een route op het
scherm om het routecontextmenu weer te geven.
Selecteer vanuit de Kaart-toepassing: Menu > Mijn
gegevens > Routes en selecteer de gewenste route in
de lijst.
Vanuit het Home-venster selecteert u: Mijn gegevens >
Routes en selecteert u de gewenste route in de lijst.
Een waypoint toevoegen aan een route op het kaartvenster
Volg de volgende stappen vanuit de kaarttoepassing:
1. Selecteer het juiste traject van de route.
Het routecontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint invoegen.
3. Selecteer de nieuwe locatie voor het waypoint.
Het traject van de route wordt vergroot en bevat het nieuwe
waypoint.
Een waypoint verwijderen uit een route
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer het waypoint dat u wilt wissen.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint verwijderen.
Het dialoogvenster "Waypoint verwijderen" wordt
weergegeven.
3. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
De waypoint wordt verwijderd uit de route maar blijft beschikbaar.
Een waypoint in een route verplaatsen
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Plaats de cursor op het waypoint dat u wilt verplaatsen.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint verplaatsen.
3. Selecteer de nieuwe locatie voor het waypoint.
Routes wissen
Een weergegeven route wissen
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
Waypoints, Routes en Tracks
157
1. Selecteer de route.
Het routecontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Route wissen.
Het pop-up-bericht Route wissen wordt weergegeven.
3. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
Een route wissen in de routelijst
Doe het volgende in het Kaart-toepassingsmenu of in het
Home-venster:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Routes.
De routelijst wordt weergegeven.
3. Selecteer de route die u wilt wissen.
4. Selecteer Route wissen.
Het dialoogvenster Routes wissen wordt weergegeven.
5. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
Opmerking: U kunt iedere route wissen, behalve de route die
u op dat moment volgt. Wanneer u een route wist, worden
alleen de waypoints die aan die route zijn gekoppeld gewist.
Alle routes wissen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Importeren/Exporteren.
3. Selecteer Wissen van systeem.
4. Selecteer Routes wissen van systeem.
Het dialoogvenster Routes wissen van systeem wordt
weergegeven.
5. Selecteer Alles wissen.
Er wordt een dialoogvenster weergegeven om het
verwijderen te bevestigen.
6. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
Routecontextmenu
Wanneer u de cursor op een route in de kaarttoepassing plaatst
wordt een contextmenu weergegeven, waarbij het traject van de
route is gemarkeerd door de cursor en menu-items.
Het contextmenu bevat de volgende menu-items:
Route volgen
Route volgen in omgekeerde richting
Route verbergen
Waypoint invoegen
Route bewerken
Route wissen
Routetraject toevoegen
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Tijdens het volgen van een route veranderen de opties van het
contextmenu naar:
Stop volgen
XTE herstarten
Doorgaan naar volgend Waypoint
Waypoint invoegen
Route bewerken
Route wissen uitgeschakeld
Routetraject toevoegen
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
158 a Series / c Series / e Series
15.3 Tracks
Een track is een spoor op het scherm waarmee de route die u
hebt genomen wordt weergegeven. Dit spoor bestaat uit een
aantal trackpunten die automatisch worden gecreëerd. U kunt
de track opslaan om een permanent bestand te hebben van
waar u geweest bent
D11754-2
Met tracks kunt u:
Bekijken waar u bent geweest.
Een route maken van een track.
Een track creëren
Doe het volgende in het menu van de kaarttoepassing:
1. Selecteer Navigatie.
2. Selecteer Track starten.
Het pop-up-bericht Track starten wordt weergegeven.
3. Selecteer OK.
Tijdens het navigeren van uw schip wordt uw route
automatisch vastgelegd in een track.
Opmerking: Als de stroom uitvalt terwijl een track wordt
opgenomen, of wanneer de positie-x verloren gaat, ontstaat
een onderbreking in de track.
Opmerking: Als het maximale aantal trackpunten is
bereikt krijgt u een waarschuwing. De track wordt nog
steeds vastgelegd, maar de eerste trackpunten worden
overschreven.
4. Om uw track te voltooien selecteert u Stop Track in het
menu Navigatie : Menu > Navigatie > Stop Track.
Het pop-up-bericht Track gestopt wordt weergegeven.
5. Selecteer Opslaan, Wissen of Annuleren.
Opslaan de track wordt opgeslagen en het
dialoogvenster 'Trackeigenschappen bewerken' wordt
geopend. Daar kunt de track een naam geven en een
kleur kiezen voor de tracklijn.
Wissen de track wordt gewist.
Annuleren de actie 'Stop Track' wordt geannuleerd.
Trackinterval
Het trackinterval speciceert de periode of de afstand tussen
punten van de track.
U kunt het interval tussen trackpunten aanpassen en het
intervaltype (bijv. afstand of tijd) selecteren, waardoor u optimaal
gebruik maakt van de beschikbare opslag.
De instellingen zijn toegankelijk via de instellingsopties van
tracks.
Track vastleggen op speciceert het intervaltype
(automatisch/tijd/afstand).
Track-interval speciceert de waarde voor het interval
(bijv. 15 minuten).
Wanneer u bijvoorbeeld een track maakt van een lange reis,
kan een op Automatisch ingestelde interval ervoor zorgen dat
de beschikbare opslagruimte voor trackpunten snel vol raakt.
In dat geval kunt u een hogere waarde selecteren voor het
Track-interval, daardoor krijgt u voldoende ruimte om een langer
track op te slaan.
Het trackinterval instellen
Doe het volgende vanuit het menu Mijn gegevens in de
Kaart-toepassing of in het Home-venster:
1. Selecteer Tracks.
2. Selecteer Track instellen.
3. Selecteer Tracks vastleggen per: en stel de gewenste
waarde in:
Automatisch— het trackinterval wordt automatisch
ingesteld (automatisch minimaliseert het aantal
trackpunten terwijl de correlatie wordt behouden tussen de
track en de werkelijke route).
Tijd— de trackpunten worden geplaatst met regelmatige
tussenpozen.
Afstand— de trackpunten worden geplaatst op regelmatige
afstanden.
4. Selecteer Trackinterval en stel de gewenste waarde in:
Tijdseenheden (beschikbaar indien "track vastleggen per"
is ingesteld op tijd).
Afstandseenheden (beschikbaar indien "track vastleggen
per" is ingesteld op afstand).
Niet beschikbaar er is geen Trackinterval beschikbaar
indien "track vastleggen per" is ingesteld op automatisch).
Een track bekijken en bewerken
U kunt aspecten van opgeslagen tracks bekijken en bewerken.
U kunt:
Een track wissen.
Een route maken van een track.
Een track weergeven of verbergen op de kaart (alleen
beschikbaar vanuit de kaarttoepassing).
De naam van de track wijzigen.
De kleur van de track wijzigen.
Routes en tracks weergeven of verbergen
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Mijn gegevens.
3. Selecteer Routes of Tracks.
4. Selecteer Weergeven/verbergen.
5. Selecteer de route of track om te schakelen tussen
Weergeven en Verbergen.
Een track selecteren om te bekijken of te bewerken
1. Doe één van de volgende dingen om de gewenste track te
selecteren:
Selecteer vanuit de Kaart-toepassing een track op het
scherm om het track-contextmenu weer te geven.
Ga vanuit de Kaart-toepassing naar het volgende menu:
Menu > Mijn gegevens > Tracks, en selecteer de
gewenste track.
Vanuit het Home-venster selecteert u: Mijn gegevens >
Tracks en selecteert u de gewenste track in de lijst.
U kunt nu doorgaan en de gewenste track bekijken of bewerken
met behulp van de beschikbare opties.
Een track hernoemen
U kunt de naam van een opgeslagen track wijzigen.
Doe het volgende wanneer de tracklijst wordt weergegeven.
1. Selecteer de track die u wilt bewerken.
De pagina met trackopties wordt weergegeven.
2. Selecteer Naam bewerken.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
3. Gebruik het schermtoetsenbord om de tracknaam te wijzigen.
4. Wanneer u klaar bent selecteert u OPSLAAN.
Waypoints, Routes en Tracks
159
U kunt de track-gegevens ook bewerken door Track bewerken
te selecteren in het track-contextmenu.
De kleur van de track wijzigen
U kunt de kleur van een opgeslagen track wijzigen.
Doe het volgende wanneer de tracklijst wordt weergegeven.
1. Selecteer de track die u wilt bewerken.
De pagina met trackopties wordt weergegeven.
2. Selecteer Kleur bewerken.
Er wordt een lijst met kleuren weergegeven.
3. Selecteer de kleur die u wilt gebruiken.
U kunt de track-gegevens ook bewerken door Track bewerken
te selecteren in het track-contextmenu.
Tracks wissen
Een track wissen
Doe het volgende in het menu Mijn gegevens:
1. Selecteer Tracks.
De tracklijst wordt weergegeven.
2. Selecteer de track die u wilt wissen.
3. Selecteer Track wissen.
Het pop-up-bericht Track wissen wordt weergegeven.
4. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
Alle tracks wissen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Mijn gegevens.
2. Selecteer Importeren/Exporteren.
3. Selecteer Wissen van systeem.
4. Selecteer Tracks wissen van systeem.
De Tracks-lijst wordt weergegeven.
5. Selecteer Alles wissen.
Er wordt een dialoogvenster weergegeven om het
verwijderen te bevestigen.
6. Selecteer Ja om te bevestigen of Nee om de actie te
annuleren.
Trackcontextmenu
Wanneer u een track in de kaarttoepassing selecteert wordt een
contextmenu weergegeven, waarbij de tracklengte, het aantal
punten en menu-items worden weergegeven.
Het contextmenu bevat de volgende menu-items:
Stop "Ga naar" (alleen beschikbaar tijdens actieve navigatie.)
Track wissen
Track verbergen
Creëer route van
Hernoemen
Kleuren bewerken
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Tijdens het maken van een track veranderen de opties van het
contextmenu naar:
Stop "Ga naar" (alleen beschikbaar tijdens actieve navigatie.)
Stop track
Route wissen uitgeschakeld
Creëer route van
Hernoemen
Kleuren bewerken
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
160 a Series / c Series / e Series
15.4 Importeren en exporteren
Waypoints, routes en tracks kunnen worden geïmporteerd en
geëxporteerd met een geheugenkaart.
Voor meer informatie over het importeren en exporteren
van waypoints, routes en tracks raadpleegt u: 8.4
Gebruikersgegevens en gebruikersinstellingen opslaan.
15.5 Opslagcapaciteit voor waypoints,
routes en tracks
Het display kan de volgende aantallen waypoints, routes en
tracks opslaan.
Waypoints 3000 waypoints
100 waypoint-groepen, iedere groep kan tot 3000
waypoints bevatten
Routes 150 routes, iedere route kan tot 200 waypoints bevatten
Tracks 15 tracks, iedere track kan tot 10.000 punten bevatten
Waypoints, Routes en Tracks
161
162 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 16: Kaarttoepassing
Inhoudsopgave
16.1 Overzicht Kaart-toepassing op pagina 164
16.2 Overzicht elektronische kaarten op pagina 165
16.3 Navigatie-opties op pagina 168
16.4 Kaartbereik en draaiing op pagina 170
16.5 Kaart-selectie op pagina 170
16.6 Scheepspositie op de kaartweergave op pagina 171
16.7 Kaartrichting op pagina 171
16.8 Kaartbewegingsmodus op pagina 172
16.9 Kaartweergaven op pagina 173
16.10 Kaartweergave op pagina 175
16.11 Lagen op pagina 176
16.12 Kaartvectoren op pagina 181
16.13 Cartograsche objecten op pagina 182
16.14 Objectinformatie op pagina 184
16.15 Diepte- & lijnopties op pagina 187
16.16 Opties van Mijn gegevens op pagina 189
16.17 Synchronisatie van meerdere kaarten op pagina 189
16.18 Het meten van afstanden en peilingen op pagina 190
Kaarttoepassing
163
16.1 Overzicht Kaart-toepassing
De Kaart-toepassing is bedoeld voor routeplanning en navigatie.
De Kaart-toepassing is voorgeladen met een basiswereldkaart.
Er kunnen compatibele elektronische kaarten worden gebruikt
om de informatie over en details van uw omgeving en
objecten op de kaart uit te breiden. Afhankelijk van uw type
cartograemodule, kan de Kaart-toepassing worden ingesteld
op 2D- of 3D-weergave.
Typische Kaart-toepassingstaken zijn onder andere:
Monitoren van de positie en de koers van uw schip.
Interpreteren van uw omgeving.
Het meten van afstand en peiling.
Navigeren met behulp van waypoints.
Plannen en navigeren met behulp van routes.
Uw koersen volgen en vastleggen.
Informatie bekijken van in kaart gebrachte objecten.
Monitoren van vaste en bewegende objecten met de
radarlaag.
Monitoren van met AIS uitgeruste schepen bij u in de buurt
met behulp van de AIS-laag.
Monitoren van Amerikaanse en Canadese weerinformatie met
behulp van de NOWRad-laag.
Weergeven van luchtfoto's met behulp van de luchtfotolaag.
Opmerking: Om volledige 3D-details te krijgen dient u
cartograsche kaartmodules te hebben met 3D-cartograe
voor het betreffende geograsche gebied.
De Kaart-toepassing kan worden aangepast. U kunt:
De manier waarop de kaart wordt weergegeven ten opzichte
van uw schip en de richting waarin uw reist veranderen
(kaartrichting- en bewegingsmodus).
Kaartgegevens die u hebt ingevoerd beheren en bewerken.
Het detailniveau op het scherm regelen.
Kaartdatum
De kaartdatuminstelling is van invloed op de nauwkeurigheid
van de scheepspositie-informatie die wordt weergegeven in de
kaarttoepassing.
Om ervoor te zorgen dat uw GPS-ontvanger en multifunctionele
display nauwkeurig overeenkomen met uw papieren kaarten,
moeten ze dezelfde datum gebruiken.
De standaard datum voor uw multifunctionele display is
WGS1984. Als dit niet de datum is die door uw papieren
kaarten wordt gebruikt, kunt u de datum van uw multifunctionele
display wijzigen op de pagina systeemvoorkeuren. De pagina
systeemvoorkeuren kunt u openen vanuit het Home-venster:
Instellingen > Systeeminstellingen > Systeemvoorkeuren >
Systeemdatum.
Wanneer u de datum voor uw multifunctionele display wijzigt,
dan verplaatst het kaartraster automatisch overeenkomstig de
nieuwe datum en de breedte-/lengtegraad van de cartograsche
functies veranderen eveneens. Uw multifunctionele display
probeert alle eventuele GPS-ontvangers als volgt in te stellen op
de nieuwe datum:
Als uw multifunctionele display een ingebouwde
GPS-ontvanger heeft, dan zal hij iedere keer dat u de datum
verandert automatisch correleren.
Als u een Raymarine GPS-ontvanger heeft die SeaTalk
of SeaTalk
ng
gebruikt, dan zal hij iedere keer dat u de
datum verandert op uw multifunctionele display automatisch
correleren.
Als u een Raymarine GPS-ontvanger heeft die NMEA0183
gebruikt, of een GPS-ontvanger van een andere fabrikant, dan
dient u deze afzonderlijk te correleren.
U kunt mogelijk uw multifunctionele display gebruiken om
een NMEA0183 GPS-ontvanger te correleren. Ga in het
Home-venster naar Instellingen > Systeemisntellingen
> GPS-instellingen > Weergave satellietstatus. Als de
datumversie wordt weergegeven, kunt u deze misschien
veranderen. Ga in het Home-venster naar Instellingen >
Systeemomstellingen > Gegevensbronnen > GPS-datum.
Opmerking: Raymarine adviseert u de weergegeven
scheepspositie in de kaarttoepassing te controleren aan de
hand van uw feitelijke afstand tot een bekend object op de
kaart. GPS heeft normaal gesproken een nauwkeurigheid
van 5 tot 15 m.
Kaartcontextmenu
Het Kaart-contextmenu bevat de positiegegevens van de cursor
en snelknoppen naar menu-opties.
De manier waarop u een kaartobject selecteert met een
touchscreen-display hangt af van de instelling van Contextmenu
in het Instellingen-menu van de kaart, die kan worden ingesteld
op Aanraken of Vasthouden.
Het contextmenu geeft de volgende positiegegevens voor de
cursorpositie ten opzichte van uw schip:
Breedtegraad
Lengtegraad
Afstand
Peiling
De volgende menu-items zijn beschikbaar:
Ga naar cursor / Stop ga naar / Stop volgen
Waypoint plaatsen
Foto
Getijdenstation (alleen beschikbaar als er een getijdenstation
is geselecteerd.)
Stroomstation (alleen beschikbaar als er een stroomstation
is geselecteerd.)
Pilot Book (alleen beschikbaar voor bepaalde havens.)
Animatie (alleen beschikbaar als er een getijden- of
stroomstation is geselecteerd.)
Kaartobjecten
Zoek dichtstbijzijnde
Meten
Route maken
Object overnemen (alleen beschikbaar als de Radar-laag
is ingeschakeld.)
Thermische camera zwenken (alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
164 a Series / c Series / e Series
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
Contextmenu-instellingen selecteren
Op multifunctionele displays met touchscreen kunt u kiezen hoe
contextmenu's van kaartobjecten worden geopend.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Kaartcontextmenu om te schakelen tussen
Aanraken of Vasthouden.
Vasthouden u dient een kaartobject aan te raken en
vast te houden om het contextmenu te openen.
Aanraken u dient een kaartobject aan te raken om het
contextmenu te openen.
16.2 Overzicht elektronische kaarten
Uw multifunctionele display bevat basiswereldkaarten.
Elektronische kaarten geven aanvullende cartograsche
informatie.
Het cartograsche detailniveau varieert voor de verschillende
soorten kaarten, geograsche locaties en kaartschalen. De
gebruikte schaal van de kaart wordt aangegeven door een
schaalindicator op het scherm, de weergegeven waarde is de
afstand die de lijn representeert over het scherm.
U kunt op ieder moment kaarten verwijderen en plaatsen.
Het kaartscherm wordt automatisch opnieuw opgebouwd
wanneer het systeem detecteert dat er een compatibele kaart is
verwijderd of geplaatst.
Wanneer u een pagina bekijkt met dubbele weergave, is het
mogelijk verschillende soort cartograsche kaarten tegelijk weer
te geven.
Let op: Onderhoud van cartograe-
en geheugenkaarten
Om onherstelbare schade aan en/of verlies van
gegevens van de cartograe- en geheugenkaarten
te voorkomen:
Sla GEEN gegevens of bestanden op naar een
kaart die cartograebestanden bevat, omdat
deze kunnen worden overschreven.
Zorg ervoor dat de cartograe- en
geheugenkaarten op de juiste manier zijn
geplaatst. Probeer een kaart NIET met kracht
op zijn plaats te duwen.
Gebruik GEEN metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier of pincet om een cartograe-
of geheugenkaart te plaatsen of te verwijderen.
LightHouse
CHARTS
LightHouse-kaarten
Met de lancering van de LightHouse II-software, ondersteunen
Raymarine multifunctionele displays nu het gebruik van
Raymarine’s nieuwe LightHouse-kaarten.
LightHouse-kaarten zijn afgeleid van vector- en
rastergebaseerde kaarten, waardoor Raymarine met de
LightHouse-kaartengine nieuwe kaarttypen en regio's over de
hele wereld kan aanbieden.
Raadpleeg de Raymarine-website: voor de meest recente
informatie over LightHouse-kaarten.
Raster-kaarten
Raster-kaarten zijn een exacte kopie/scan van een bestaande
papieren kaart. Alle informatie is direct in de kaart geïntegreerd.
Bij het in- en uitzoomen van rasterkaarten lijkt alles groter of
kleiner te worden op het scherm, waaronder tekst. Wanneer u
de richting van de Kaart-toepassing verandert, dan draait alles
Kaarttoepassing
165
op de kaart mee, waaronder tekst. Omdat rasterkaarten een
gescand beeld zijn, is de bestandsgrootte normaal gesproken
groter dan dat van een vergelijkbare vectorkaart.
Vectorkaarten
Vectorkaarten zijn door de computer gegenereerd en bestaan
uit een aantal punten en lijnen die samen de kaart vormen.
Kaartobjecten en -lagen op vectorkaarten kunnen worden in- en
uitgeschakeld en kaartobjecten kunnen worden geselecteerd
voor meer informatie. Wanneer u het bereik van vectorkaarten
in- en uitzoomt, lijken geograsche elementen groter of kleiner
op het scherm, tekst- en kaartobjecten houden echter dezelfde
grootte, onafhankelijk van het bereik. Wanneer u de richting van
de Kaart-toepassing verandert, draaien geograsche elementen,
maar tekst- en kaartobjecten blijven de juiste richting houden
op het display. Omdat vectorkaarten gegenereerd zijn en geen
gescande afbeelding, is de bestandsgrootte normaal gesproken
kleiner vergeleken met een rasterkaart.
LightHouse
TM
-kaarten downloaden
LightHouse
TM
-kaarten kunnen worden gedownload vanaf de
Raymarine-website.
Belangrijk: U dient de Licentieovereenkomst voor
eindgebruikers (EULA) van de LightHouse
TM
-kaarten te lezen
en goed te keuren voordat u LightHouse
TM
-kaarten kunt
downloaden en gebruiken.
1. Ga naar de LightHouse-kaartenpagina van de Raymarine-
website: http://www.raymarine.nl/lighthousecharts/.
2. Selecteer de Raster- of Vector-kaarten.
De pagina Kaartregio's wordt weergegeven.
3. Selecteer uw regio.
De downloadpagina voor de kaartregio wordt weergegeven.
4. Klik op ‘De gebruiksvoorwaarden bekijken’.
5. Lees ze en wees er zeker van dat u de Licentieovereenkomst
voor eindgebruikers (EULA) VOLLEDIG begrijpt.
U dient alleen door te gaan naar de volgende stap als u
akkoord gaat met de voorwaarden van de EULA.
6. Voer uw gegevens in de betreffende velden in.
7. Vink het keuzevakje bij ‘Ik heb de gebruiksvoorwaarden van
de LightHouse-kaarten gelezen en ga hiermee akkoord' af.
8. Klik op Kaart downloaden.
Het downloaden zou automatisch moeten starten. Als het
downloaden niet start wordt een koppeling weergegeven.
Opmerking:
Door de grootte van het bestand kan het downloaden enige
tijd duren.
De downloadtijd hangt af van de snelheid van de verbinding.
Omdat de bestanden groot zijn wordt aangeraden een
downloadmanager/-accelerator te gebruiken, dit kan de
downloadtijd verkorten en zorgt ervoor dat wanneer het
downloaden mislukt, dit later weer kan worden hervat in
plaats van het bestand weer helemaal opnieuw te moeten
downloaden.
9. Wacht tot het downloaden klaar is.
Het gedownloade bestand kan nu worden uitgepakt (unzip) naar
een geheugenkaart voor gebruik op uw multifunctionele display.
166 a Series / c Series / e Series
Uitpakken van bestanden naar geheugenkaart
Het download-bestand van LightHouse-kaarten dient eerst te
worden uitgepakt (unzip) naar de geheugenkaart om op uw
multifunctionele display te kunnen worden gebruikt.
Opmerking: De onderstaande instructies zijn alleen bedoeld
als richtlijn. Afhankelijk van het besturingssysteem van
uw PC en de archiveringssoftware (zip) die u gebruikt
kunnen de stappen enigszins afwijken van de hier getoonde
stappen. Als u niet zeker weet wat u moet doen, raadpleegt
u de help-bestanden van uw besturingssysteem of
archiveringssoftware.
Om kaarten met een bestandsgrootte van meer dan 4GB uit te
pakken, kan het nodig zijn om archiveringssoftware (zip) van
derden te installeren, bijvoorbeeld 7zip: http://www.7–zip.org/.
Zorg ervoor dat uw geheugenkaart voldoende ruimte heeft voor
de kaarten die u wilt downloaden. De bestandsgrootte wordt
weergegeven op de downloadpagina van iedere kaartregio.
Voor de beste prestaties wordt u geadviseerd geheugenkaarten
van klasse 10 of UHS (Ultra High Speed) te gebruiken.
1. Zoek het downloadbestand.
Het bestand wordt opgeslagen in de map die u hebt
geselecteerd, of in uw normale download-map.
2. Klik met de rechter muisknop op het bestand en selecteer de
optie Hier uitpakken in de zip-opties.
3. nadat de bestanden zijn uitgepakt selecteert u de
kaartbestanden.
4. Klik met de rechter muisknop en kies Versturen naar >
Verwijderbare schijf
De kaartbestanden worden nu gekopieerd naar uw
geheugenkaart.
5. Controleer of de bestanden met succes op uw
geheugenkaart zijn gezet door de inhoud ervan te bekijken in
de bestandsbrowser.
6. Verwijder nu de geheugenkaart op een veilige manier uit de
kaartlezer van uw PC.
7. Doe uw geheugenkaart in de kaartlezer van uw
multifunctionele display.
8. Start de Kaart-toepassing op uw multifunctionele display.
9. Selecteer de nieuwe kaart in het menu Kaartselectie: Menu
> Presentatie > Kaartselectie.
Het kaartscherm wordt opnieuw opgebouwd en geeft nu het
nieuwe kaarttype weer.
Navionics-kaarten
Uw multifunctionele display is compatibel met Navionics-
cartograe.
De onderstaande Navionics-cartograetypen zijn beschikbaar
voor uw multifunctionele display:
Ready to Navigate
Silver
Gold
Gold+
Platinum
Platinum+
Fish'N Chip
Hotmaps
Om de actuele beschikbaarheid van Navionics cartograsche
kaarten en modulesoorten na te gaan, gaat u naar
www.navionics.com of www.navionics.it.
Opmerking: Raadpleeg de Raymarine-website
(www.raymarine.nl) voor de meest recente lijst met
ondersteunde cartograemodules.
Navionics Mobile Marine App
U kunt gegevens draadloos synchroniseren tussen uw
multifunctionele display (MFD) en een mobiel apparaat waarop
de Navionics mobile marine App draait.
De synchronisatie downloadt Navionics Freshest Data vanaf uw
mobiele apparaat naar uw MFD en uploadt sonar-logbestanden
vanaf uw MFD naar uw mobiele apparaat. Waypoints en routes
kunnen ook worden gesynchroniseerd tussen uw mobiele
apparaat en het MFD.
Kaarttoepassing
167
D12166-3
67
1 2 4 53
1 Navionics-servers
2 Downloaden van Navionics Freshest Data naar uw mobiele
apparaat (internetverbinding vereist)
3 Mobiele apparaat waarop Navionics Mobile App draait
4 Downloaden van Navionics Freshest Data naar MFD
(WiFi-verbinding met MFD vereist)
5
MFD
6
* Uploaden van sonar-logbestanden en community-
bewerkingen naar mobiele apparaat (WiFi-verbinding met
MFD vereist)
7
** Uploaden van sonar-logbestanden en community-
bewerkingen anoniem naar Navionics-servers
(internetverbinding vereist)
Opmerking:
* Om deel te nemen aan Navionics-sonarkaarten moeten
sonar-logbestanden zijn ingeschakeld op uw MFD.
Sonar-logbestanden kunnen worden ingeschakeld vanuit het
menu van de Kaart-toepassing: Menu > Diepte & lijnen >
Sonar-logbestanden.
** De sonar-logbestanden worden anoniem geüpload naar
de Navionics-servers.
Om deze functie te gebruiken dient u eerst:
1. De Navionics Mobile Marine App te downloaden en te
installeren, beschikbaar in de betreffende app store.
2. U aan te melden voor Navionics Freshest Data.
3. Freshest Data te downloaden op uw mobiele apparaat.
4. WiFi in te schakelen in de Systeeminstellingen van het MFD.
5. WiFi in te schakelen op uw mobiele apparaat.
6. De MFD-WiFi-verbinding te selecteren in de lijst met
beschikbare WiFi-netwerken op uw mobiele apparaat.
Navionics Freshest Data
Navionics biedt een abonnement aan van 12 maanden voor
hun Freshest Data-service, die updates van nautische kaarten,
sonarkaarten en communitylaag-bewerkingen bevat.
Nautische kaarten Navionics 2D-kaarten.
Sonarkaarten dieptemeting-kaartlaag met hoge
denitie gecreëerd door het combineren van meerdere
gegevensbronnen inclusief sonar-logbestanden aangeleverd
door Navionics-communitygebruikers.
Community-bewerkingen bewerkingen uitgevoerd door
Navionics-gebruikers.
Om Freshest Data te verkrijgen, plaatst u uw Navionics-
cartograekaart in uw PC, gaat u naar de Navionics-website
www.navionics.com en klikt u op Downloads & updates.
16.3 Navigatie-opties
De Kaart-toepassing beschikt over functies die helpen te
navigeren naar een gekozen locatie.
De navigatieopties kunt u terugvinden in het Navigatie-menu:
Menu > Navigatie
Stuurautomaatbedieningen opent het dialoogvenster voor
stuurautomaatbediening wanneer Stuurautomaatbediening
is ingeschakeld.
Ga naar cursor stelt de cursorpositie in als de actieve
bestemming.
Ga naar waypoint geeft opties om naar een op het
systeem opgeslagen waypoint te navigeren
Stop ga naar stopt de actie Ga naar cursor of Ga naar
waypoint.
Stop volgen stopt het volgen van de huidige route.
XTE herstarten herstart de Cross Track Error.
Doorgaan naar volgend waypoint tijdens het volgen van
een route gaat u hiermee door naar het volgende waypoint
van de route.
Volg route geeft opties om naar een op het systeem
opgeslagen route te navigeren
Start track / Stop track stelt een track in op het scherm
om uw koers vast te leggen tijdens het varen of stopt de track
die op dat moment wordt vastgelegd.
Route maken geeft opties voor het maken van een route.
Raadpleeg Hoofdstuk 15 Waypoints, Routes en Tracks voor
meer informatie over het maken van waypoints, routes en tracks.
Navigatie
Navigeren naar een waypoint op het scherm
D
11753-2
Doe het volgende in de kaart- of radartoepassing:
1. Selecteer het waypoint.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Ga naar waypoint.
Opmerking: Wanneer u een actief waypoint hebt
geselecteerd, kunt u altijd de Stop Ga naar-optie in het
waypoint-contextmenu selecteren om de actie te annuleren.
Navigeren naar een waypoint met behulp van de
waypoint-groepenlijst
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer WPT.
Het waypoint-menu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoints.
De waypoint-groepenlijst wordt weergegeven.
3. Blader in de groepenlijst naar het betreffende waypoint.
4. Selecteer het waypoint.
Het dialoogvenster met waypoint-opties wordt weergegeven.
5. Selecteer Ga naar.
Navigeren naar een locatie op de kaart
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer de gewenste locatie op het scherm.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Ga naar cursor.
168 a Series / c Series / e Series
Navigeren naar de cursorpositie op de kaart met behulp
van het menu
D
11764-2
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Plaats de cursor op de gewenste bestemming op de kaart.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Navigatie.
4. Selecteer Ga naar cursor.
Het navigeren naar een waypoint annuleren
1. Selecteer een positie op een willekeurige plek op het scherm.
Het waypoint-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Stop Ga naar.
3. U kunt ook in de Kaart-toepassing Menu > Navigatie > Stop
Ga naar selecteren.
Opmerking: Wanneer het navigeren niet langer actief is
krijgt het waypoint-symbool weer zijn normale status en de
stippellijn tussen uw schip en het waypoint wordt verwijderd.
Aankomst op een waypoint
Wanneer uw schip een waypoint nadert, dan genereert het
Aankomst waypoint-alarm een waarschuwing.
1. Selecteer Ok in het berichtvenster van het Aankomst
waypoint-alarm.
Nadat het alarm is bevestigd wordt het volgende waypoint
geselecteerd en wordt het display bijgewerkt met de lengte van
het volgende traject van de route.
Opmerking: U kunt de naderingsafstand (radius) waarop
het Aankomst waypoint-alarm wordt gegenereerd instellen
via het menu Alarmmeldingen vanuit het Home-venster:
Instellingen > Alarmmeldingen > Aankomst waypoint.
Cross Track Error (XTE)
Cross Track Error (XTE) is de mate van de afwijking van de
bedoelde route of waypoint, uitgedrukt in een afstand.
D11765-2
XTE
Wanneer u van koers af vaart kunt u direct naar uw object gaan
door de XTE te resetten.
Cross Track Error (XTE) resetten
Doe het volgende terwijl u een route volgt in de kaarttoepassing:
1. Selecteer de route.
Het routecontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer XTE herstarten.
Het resetten van de XTE resulteert in een nieuwe koers vanaf
de huidige scheepspositie naar het huidige object-waypoint. Dit
heeft geen invloed op de opgeslagen route.
D12295-1
U kunt de XTE ook resetten vanuit het Navigatiemenu: Menu >
Navigatie > XTE herstarten.
Langs een route navigeren
U kunt iedere route die op uw display is opgeslagen volgen.
Bij het volgen van een route bezoekt u ieder waypoint in de
betreffende volgorde. U kunt ook de Route volgen-opties
gebruiken in combinatie met een compatibele stuurautomaat om
automatisch langs de door u gekozen route te navigeren.
D
11751-2
U kunt de optie Route volgen op een aantal manieren selecteren:
Een opgeslagen route in een routelijst gebruiken.
Vanuit een geselecteerd waypoint of een willekeurig
traject van een route.
U kunt een route ook in omgekeerde route volgen.
Een opgeslagen route volgen
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Navigatie.
3. Selecteer Route volgen.
De routelijst wordt weergegeven.
4. Selecteer de route die u wilt volgen.
5. Selecteer Route volgen of
6. Selecteer Volg route in tegengestelde richting om de route
in tegengestelde richting te volgen.
Het navigeren van een route annuleren
Volg de volgende stappen vanuit de kaarttoepassing:
1. Selecteer de route.
Het routecontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Stop volgen.
Doorgaan naar het volgende waypoint in een route
U kunt het huidige actieve waypoint op ieder moment overslaan
en doorgaan naar het volgende waypoint in een route.
Doe het volgende terwijl u een route volgt in de kaarttoepassing:
1. Selecteer de route.
Het routecontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Doorgaan naar volgend Waypoint.
Opmerking: Als de huidige bestemming het laatste waypoint
is, dan gaat de kaart door naar het eerste waypoint in de route.
Kaarttoepassing
169
16.4 Kaartbereik en draaiing
Bereik in- en uitzoomen
De onderstaande tabel laat de bereikregelaars zien die
beschikbaar zijn op de verschillende displaymodellen.
Draaiknop c-serie
e-serie
RMK-9-toetsenbord
Knoppen Bereik
inzoomen en Bereik
uitzoomen
c-serie
e-serie (met
uitzondering van
e7 en e7D)
RMK-9-toetsenbord
Schermpictogrammen
Bereik inzoomen en
Bereik uitzoomen
a-serie
e-serie
gS-serie
Opmerking:
Bereikregelaars op
het scherm van
e-serie en gS-serie
kunnen worden in-
en uitgeschakeld
vanuit het
Home-venster:
Aanpassen
> Display-
voorkeuren >
Bereikregelaars
0
0
0
0
0
0
0
0
Multi-Touch-gebaar
'knijpen' om te zoomen
a-serie
gS-serie
Draaien van de kaart.
U kunt het kaartgebied op een multifunctioneel display met
touchscreen draaien door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Veeg met uw vinger van rechts naar links over het scherm
om naar rechts te draaien.
2. Veeg met uw vinger van links naar rechts over het scherm
om naar links te draaien.
3. Veeg met uw vinger schuin van boven naar beneden over
het scherm om naar boven te draaien.
4. Veeg met uw vinger schuin van beneden naar boven over
het scherm om naar beneden te draaien.
Draaien van de kaart.
U kunt het kaartgebied op een multifunctioneel display zonder
touchscreen draaien door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Beweeg de Joystick in de richting waarin u wilt draaien.
16.5 Kaart-selectie
U kunt het cartograetype selecteren dat u wilt gebruiken in
de Kaart-toepassing. De Kaart-selectie is van toepassing
op alle actieve kaarten. De noodzakelijke cartograsche
kaartmodules dienen in uw multifunctionele display te zijn
geplaatst om verschillende typen cartograsche modules te
kunnen weergeven.
Een cartograetype selecteren
U kunt het cartograetype selecteren dat u wilt weergeven in de
Kaart-toepassing.
Zorg ervoor dat u de cartograemodule hebt geplaatst die het
cartograetype bevat dat u wilt weergeven.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Kaartselectie.
Er wordt een lijst weergegeven met beschikbare
cartograemodules.
3. Selecteer het cartograetype dat u wilt weergeven
Het Kaart-venster wordt opnieuw opgebouwd en geeft nu het
geselecteerde cartograetype weer.
170 a Series / c Series / e Series
16.6 Scheepspositie op de
kaartweergave
Uw huidige positie wordt weergegeven op het scherm met een
scheepssymbool.
De scheepssymbolen worden alleen weergegeven wanneer
koers- of COG-gegevens beschikbaar zijn.
Het scheepssymbool varieert afhankelijk van de geselecteerde
instellingen en de beschikbaarheid van koersgegevens.
Motorschip Het motorschipsymbool wordt
gebruikt wanneer tijdens de
Opstart-wizard motorschip als
scheepstype is geselecteerd.
Zeilboot Het zeilbootsymbool wordt
gebruikt wanneer tijdens de
Opstart-wizard zeilboot als
scheepstype is geselecteerd.
Klein schip Het kleine scheepssymbool
wordt gebruikt wanneer de
instelling voor Scheepsomvang
is ingesteld op Klein.
Zwarte stip Er wordt een zwarte stip
weergegeven wanneer er geen
koers- en COG-gegevens
beschikbaar zijn.
Scheepspositiegegevens kunnen ook worden weergegeven op
de gegevensbalk.
Uw schip lokaliseren
Het scheepspictogram kan worden geherpositioneerd op het
midden van het scherm door de onderstaande stappen te volgen.
1. Selecteer het pictogram Zoek schip:
aan de
linkerkant van het scherm.
Uw schip lokaliseren
Het scheepspictogram kan worden geherpositioneerd op het
midden van het scherm door de onderstaande stappen te volgen.
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Zoek schip.
16.7 Kaartrichting
De richting van een kaart heeft betrekking op de kaart in
verhouding tot de richting waarin u vaart.
Het wordt gebruikt samen met de bewegingsmodus om te
regelen hoe uw schip en de kaart met elkaar in verband staan
en hoe ze op het scherm worden weergegeven.
De modus die u kiest wordt toegepast op de actieve kaart en
wordt teruggezet bij het opstarten van het systeem.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Noord boven
D12300-1
N
In de modus "Noord boven" is de kaartrichting vast met het
geograsche noorden boven. Wanneer uw koers verandert,
verplaatst het symbool van het schip overeenkomstig. Dit is de
standaard modus voor de kaarttoepassing.
Boeg boven
D12298-1
De modus "Boeg boven" geeft de kaart weer met de huidige
koers van uw schip naar boven. Als uw koers verandert, blijft het
symbool van het schip vast op zijn positie en draait het beeld
van de kaart.
Opmerking: Om te voorkomen dat het beeld continu naar
links en rechts draait wanneer het schip heen en weer giert,
wordt de kaart niet bijgewerkt tenzij de koers minimaal 10
graden verandert ten opzichte van de vorige richting.
Opmerking: Het is niet mogelijk "Boeg boven" te selecteren
als de bewegingsmodus is ingestelde op Geograsch
noorden.
Koers boven
D12299-1
In de modus "Koers boven" wordt het kaartbeeld gestabiliseerd
en weergegeven met uw huidige koers boven. Wanneer de
koers van uw schip verandert, verplaatst het symbool van het
schip overeenkomstig. Als u een nieuwe koers selecteert wordt
het beeld gereset en geeft de nieuwe koers boven weer. De
referentie die wordt gebruikt voor "Koers boven" hangt af van
Kaarttoepassing
171
de informatie die op een bepaald moment beschikbaar is.
Het systeem bepaalt de prioriteit van deze informatie in de
onderstaande volgorde:
1. Peiling van startpunt naar bestemming, d.w.z. geplande
koers.
2. Vastgezette koers van een stuurautomaat.
3. Peiling naar waypoint.
4. Huidige koers.
Als er geen koersgegevens beschikbaar zijn terwijl het systeem
in deze modus is, wordt een waarschuwingsbericht weergegeven
en gebruikt de kaart een koers van in relatieve beweging.
De kaartrichting instellen
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Kaartrichting.
4. Selecteer de gewenste optie Boeg boven, Noord boven of
Koers boven.
Nadat u dit hebt geselecteerd wordt het scherm bijgewerkt
zodat het de nieuwe richting weergeeft.
16.8 Kaartbewegingsmodus
De bewegingsmodus regelt de verhouding tussen de kaart en
uw schip.
Wanneer de bewegingsmodus actief is, wordt de kaart na
beweging van uw schip bijgewerkt om het schip op het scherm
te houden. De 3 bewegingsmodi zijn:
Relatieve beweging (standardwaarde)
Ware beweging
Automatisch bereik.
Opmerking: In de 3D-kaartweergave is alleen Relatieve
beweging beschikbaar.
De huidige bewegingsmodus is van toepassing op de actieve
versie van de Kaart-toepassing.
Wanneer u de kaart kantelt is de bewegingsmodus niet langer
actief. Dit wordt aangegeven op de statusbalk door haakjes
om de bewegingsmodus bijvoorbeeld (Relatieve beweging).
Hierdoor kunt u een ander gebied van de kaart bekijken tijdens
het navigeren. Om de bewegingsmodus terug te zetten en
uw schip terug te laten keren op het scherm selecteert u het
pictogram Zoek schip of selecteert u Zoek schip in het menu.
Het handmatig wijzigen van het bereik of kantelen van de
kaart in Automatisch bereik onderbreekt de bewegingsmodus
eveneens. De standaard instelling is relatieve beweging met de
positie van het scheepspictogram in het midden van het scherm.
De modus die u selecteert wordt geactiveerd wanneer u het
apparaat inschakelt.
Scheepsposities (alleen relatieve beweging)
Positie Voorbeeld
Midden
Gedeelte-
lijke correc-
tie
Volledige
correctie
Wanneer deze modus is ingesteld op Relatieve beweging, dan
wordt de positie van uw schip vastgezet op het scherm en
bewegen alle objecten ten opzichte van het schip. U kunt de
menu-opties Menu > Presentatie > Weergave & beweging
> Scheepspositie gebruiken om te bepalen of het schip is
vastgezet in het midden van het scherm of is gecorrigeerd. Als
u de positie wijzigt naar Gedeeltelijke correctie of Volledige
correctie, wordt de weergave van het beeld voor uw schip
vergroot.
172
a Series / c Series / e Series
Werkelijke beweging
D
12304-1
Wanneer de bewegingsmodus is ingesteld op Werkelijke
beweging, dan wordt de kaart vastgezet en beweegt het schip
in werkelijke verhouding tot vaste landmassa's op het scherm.
Als de positie van het schip de rand van het scherm nadert,
wordt het kaartbeeld automatisch gereset en toont het gebied
voor het schip.
Opmerking: Het is niet mogelijk Werkelijke beweging te
selecteren wanneer de richting is ingesteld op Boeg boven.
Automatisch bereik
D12305-1
Automatisch bereikt selecteert de grootst mogelijke schaal van
de kaart die zowel het schip als het object-waypoint weergeeft
en houdt deze vast. Automatisch bereik is niet beschikbaar
wanneer radar/kaart-synchronisatie is ingeschakeld.
De bewegingsmodus instellen
Om de bewegingsmodus te wijzigen volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Bewegingsmodus:.
4. Selecteer de gewenste optie Werkelijke beweging, Relatieve
beweging of Automatisch bereik.
Nadat u dit hebt geselecteerd wordt het scherm bijgewerkt zodat
het de nieuwe modus weergeeft.
De positie van het scheepspictogram
wijzigen
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Scheepspositie.
4. Selecteer Midden, Gedeeltelijke correctie of Volledige
correctie.
16.9 Kaartweergaven
Wanneer dit wordt ondersteund door uw type cartograemodule,
kan de Kaart-toepassing worden ingesteld op 2D- of
3D-weergave.
2D- en 3D-kaartweergaven selecteren
U kunt heen en weer schakelen tussen 2D- en 3D-weergave in
de Kaart-toepassing als dit door uw cartograemodule wordt
ondersteund.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Kaartweergave om 2D of 3D te selecteren.
2D-kaartweergave
De 2D-kaartweergave kan allerlei informatie weergeven die u
helpt bij het navigeren.
D12306-3
1 2 3 6 74 5
14 15 16
13
8
11
9
10
12
Artikel Omschrijving
1
Bereik horizontale kaartschaalindicator (weergegeven in
de geselecteerde systeemeenheden).
2
Waypoint inactief.
3 Richting vermeldt de richting-modus die de kaart gebruikt
(noord boven, boeg boven, of koers boven).
4
Scheepssymbool toont uw huidige positie.
5
Navigatielijn vertrekpunt tijdens het navigeren laat dit
een ononderbroken lijn zien vanaf het vertrekpunt naar het
bestemmingswaypoint. Het vertrekpunt kan de oorspronkelijke
locatie van het schip zijn, het punt van XTE-reset of het punt
waarop het huidige traject van de route werd ingezet.
6 Bewegingsmodus toont de huidige bewegingsmodus
(relatief, werkelijk of automatisch bereik).
7
Kaarttype geeft het type van de gebruikte kaart aan
Vis of Navigatie.
8 Pictogram Zoek schip gebruikt voor het zoeken en
centreren van uw schip op de kaart.
9
Scheepspositielijn tijdens het navigeren laat dit een
stippellijn zien vanaf de huidige positie van het schip naar het
bestemmingswaypoint.
10
Cursor wordt gebruikt om de kaartobjecten over de kaart
te bewegen.
11 Bestemmingswaypoint huidige bestemmingswaypoint.
12
Gegevenskaders wordt gebruikt voor het weergeven van
gegevens zoals diepte op het kaartvenster.
13
AIS-object een schip dat AIS-informatie uitzendt
(optioneel).
14 Bereik uitzoomen selecteer dit pictogram om het bereik uit
te zoomen (alleen displays met touchscreen).
Kaarttoepassing
173
Artikel Omschrijving
15 Bereik inzoomen selecteer dit pictogram om het bereik in
te zoomen (alleen displays met touchscreen).
16
Cartograsche objecten het niveau van de cartograsche
objecten wordt bepaald door het cartograetype.
3D-kaartweergave
De 3D-kaartweergave kan allerlei informatie weergeven die u
helpt bij het navigeren.
0
00°T
1 5 6 9
10
11
12
3
2
84 7
1413
D12307-2
Artikel Omschrijving
1
Bereik horizontale kaartschaalindicator (weergegeven
in de geselecteerde systeemeenheden).
2 Diepteschaal diepte bij benadering onder uw schip
(optioneel).
3 Waypoint optioneel.
4
Midden van weergave het witte kruis geeft het
midden van de kaartweergave op waterniveau aan
(optioneel).
5
Richting vermeldt de richtingmodus die de kaart
gebruikt.
6
Cartograsche objecten gebruik het
instellingenmenu van de cartograe om te selecteren
welke objecten moeten worden weergegeven.
7
Rotatie toont tot op de graad nauwkeurig hoeveel de
weergave op het scherm is gedraaid ten opzichte van de
koers van het schip en de kantelhoek van uw schip.
8
Noordpijl 3D-weergave van het geograsche noorden
ten opzichte van de kaartweergave. De noordpijl kantelt
ook om de kantelhoek aan te geven.
9
Kaarttype geeft het type van de gebruikte kaart aan
Vis of Navigatie.
10 Pictogram Zoek schip gebruikt voor het zoeken en
centreren van uw schip op de kaart.
11
Scheepssymbool toont de huidige positie van uw
schip.
12
Gegevenslaag gebruikt voor het weergeven van
gegevens zoals diepte op het kaartvenster.
13 Bereik uitzoomen gebruik dit pictogram om het
bereik uit te zoomen (alleen displays met touchscreen).
14 Bereik inzoomen gebruik dit pictogram om het bereik
in te zoomen (alleen displays met touchscreen).
Aanpassen van de 3D-kaartweergave
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Met de kaart in 3D-modus gaat u naar het menu Kijkhoek
aanpassen: Menu > Kijkhoek aanpassen.
2. Selecteer Aanpassen: zodat Kantelen en roteren is
gemarkeerd.
3. Om de kanteling aan te passen:
i. Displays zonder touchscreen of HybridTouch-displays
verplaats de Joystick omhoog of omlaag om de
kanteling aan te passen
ii. HybridTouch-displays of displays met alleen touchscreen
beweeg uw vinger schuin omhoog of omlaag over het
scherm om de kanteling aan te passen.
D11755-1
4. Om de rotatie aan te passen:
i. Displays zonder touchscreen of HybridTouch-displays
verplaats de Joystick naar links of naar rechts om de
rotatie aan te passen
ii. HybridTouch-displays of displays met alleen touchscreen
beweeg uw vinger schuin naar links of naar rechts over
het scherm om de rotatie aan te passen.
D
11756-1
Opties 3D-weergave
De volgende opties zijn beschikbaar met de kaarttoepassing in
3D-weergave:
Midden van weergave zet een dradenkruis aan en uit in
het midden van het scherm op zeeniveau.
Vergroting het aanpassen van de vergroting zorgt ervoor
dat objecten op de kaart verticaal worden uitgerekt, waardoor
hun vorm en positie beter te zien is.
Transducer-kegel schakelt een transducer-kegel waarmee
de dekking van de shnder-transducer wordt aangegeven
aan en uit.
Diepteschaal schakelt een diepteschaal op uw
scheepspositie aan en uit.
Midden van weergave inschakelen
Om in 3D-weergave het dradenkruis in het midden van de
weergave in te schakelen volgt u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Opties 3D-weergave.
4. Selecteer Midden van weergave zodat Aan is gemarkeerd
Wanneer u Midden van weergave selecteert wordt
geschakeld tussen het dradenkruis aan en uit.
De 3D-vergroting aanpassing
Doe het volgende in de 3D-kaartweergave.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Opties 3D-weergave.
4. Selecteer Vergroting:.
De numerieke regelaar voor Vergroting wordt weergegeven.
174
a Series / c Series / e Series
5. Stel de numerieke regelaar in op de gewenste waarde,
tussen 1,0 en 20,0
6. Selecteer OK of Terug om de instelling te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
De transducer-kegel inschakelen
Om in 3D-weergave de transducer-kegel die het dekkingsgebied
van uw Fishnder-transducer aangeeft in te schakelen, volgt
u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Opties 3D-weergave.
4. Selecteer Transducerkegel zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Transducerkegel selecteert wordt de functie Aan
en Uit geschakeld.
Diepteschaal inschakelen
Om in 3D-weergave de diepte-indicator op de locatie van uw
schip in te schakelen volgt u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Weergave & beweging.
3. Selecteer Opties 3D-weergave.
4. Selecteer Diepteschaal: zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u de diepteschaal selecteert wordt de
diepte-indicator in- en uitschakeld.
16.10 Kaartweergave
De menu-optie Kaartweergave bepaalt het detailniveau van de
weergave op het scherm.
De menu-optie Kaartweergave is alleen beschikbaar bij het
gebruik van cartograe op vectorbasis.
De opties voor kaartweergave staan hieronder weergegeven.
Eenvoudig
Gedetailleerd
Extra gedetailleerd
Het detailniveau op het scherm wordt ook beïnvloed door de
cartograe-instellingen Kaartdetail. Ga naar Kaartdetail voor
meer informatie.
Het weergavedetailniveau van de kaart
wijzigen
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Kaartdetail.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Eenvoudig
Gedetailleerd
Extra gedetailleerd
3. Selecteer de gewenste optie.
Kaarttoepassing
175
16.11 Lagen
De kaart heeft een aantal lagen met verschillende soorten
weergaven en informatie. Voor de lagen zijn elektronische
kaarten nodig met de juiste functie-ondersteuning. Ook extra
hardware en service-abonnementen kunnen noodzakelijk zijn.
U kunt de volgende gegevens als laag op een 2D-kaart leggen
voor diepgaande informatie. De beschikbare lagen zijn:
* AIS AIS-objecten weergeven en volgen. De laag is niet
beschikbaar in 3D-weergave.
Radar radarlaag over de kaart. De laag is niet beschikbaar
in 3D-weergave.
**Luchtfoto een fotolaag vanuit de lucht/satelliet.
** Luchtfotolaag: bepaalt het dekkingsgebied van de
luchtfotolaag.
* NOWRad laat de NOWRad-weerradarlaag zien. De laag
is niet beschikbaar in 3D-weergave.
Gegevenskaders bepaalt of gegevenskaders worden
weergegeven op het scherm en welke gegevens worden
weergegeven.
Kaartraster - bepaalt of rasterlijnen voor de lengte- en
breedtegraden worden weergegeven op de kaart.
** 2D-kleurschakering bepaalt of terreinkleurschakering
wordt weergegeven in 2D-weergave.
** Community-bewerkingen bepaalt of de community-laag
is ingeschakeld of uitgeschakeld.
** Kaarttekst bepaalt of kaarttekst wordt weergegeven
(plaatsnamen etc.).
Kaartgrenzen bepaalt of de lijn die de kaartgrens aangeeft
wordt weergegeven.
Bereikringen bereikringen weergeven in de
Kaart-toepassing. De laag is niet beschikbaar in
3D-weergave.
Ring veilige zone bekijk de ring veilige zone. De laag is
niet beschikbaar in 3D-weergave.
Brandstofbereikring bekijk de brandstofbereikring. De
laag is niet beschikbaar in 3D-weergave.
Scheepsomvang bepaalt de omvang van het
scheepspictogram op het scherm.
Waypoint-naam bepaalt of de waypoint-namen worden
weergegeven naast de waypoints.
Routebreedte bepaalt de breedte van de routelijnen op
het scherm.
Track-breedte bepaalt de breedte van track-lijnen op het
scherm.
Opmerking:
* Aanvullende hardware vereist.
** Wanneer ondersteund door uw type cartograemodule.
AIS inschakelen in de Kaart-toepassing
Om de AIS-laag in de Kaart-toepassing in te schakelen volgt
u de onderstaande stappen.
Om de AIS-laag in te schakelen dient uw systeem over een
AIS-ontvanger of -zendontvanger te beschikken. De AIS-laag is
niet beschikbaar in 3D-weergave.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Select AIS: zodat Aan is geselecteerd.
Wanneer u AIS selecteert wordt AIS heen en weer
geschakeld tussen Aan en Uit.
Voor AIS-informatie raadpleegt u Hoofdstuk 14 AIS-functie.
Radarlaag
U kunt Radar- en MARPA-functies als laag gebruiken in de
Kaart-toepassing om objecten te kunnen volgen of om u te
helpen onderscheid te maken tussen vaste objecten en ander
maritiem verkeer.
U kunt de functionaliteit van uw kaart uitbreiden door de
volgende radarfuncties te combineren:
MARPA.
Radarlaag (om onderscheid te maken tussen vaste en
bewegende objecten).
Opmerking: Om de radarlaag te gebruiken dient u een
externe bron te gebruiken voor magnetische koersbepaling
(bijv. uxgate-kompas), u kunt geen COG-gegevens
gebruiken voor de radarlaag.
MARPA-objecten weergeven op de kaart
De functie "Mini Automatic Radar Plotting Aid" (MARPA) wordt
gebruikt voor object-tracking en risico-analyse. Wanneer
MARPA-objecten worden gevolgd, dan worden ze weergegeven
in de Kaart-toepassing, onafhankelijk van het feit of de
Radar-laag is ingeschakeld. Bijbehorende MARPA-functies
kunnen worden geopend met behulp van het kaartmenu.
De radarlaag gebruiken om onderscheid te maken tussen
vaste en bewegende objecten
U kunt de radarbeeldlaag over uw kaartbeeld leggen om
beter onderscheid te kunnen maken tussen vaste objecten en
ander maritiem verkeer. Voor de beste resultaten schakelt u
de radar-kaart synchronisatie in om ervoor te zorgen dat het
radarbereik en de kaartschaal zijn gesynchroniseerd.
De radarlaag inschakelen
Doe het volgende wanneer de radar aan staat en uitzendt en de
kaarttoepassing in 2D-weergave staat:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Radar.
De transparantieschuifregelaar voor radarlaagtransparantie
wordt weergegeven met het huidige transparantiepercentage.
5. Pas de schuifregelaar aan naar de gewenste transparantie,
of
6. Selecteer Uit om de radarlaag uit te schakelen.
Het openen van radarbesturingen op de kaart
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Radaropties of Radar- & AIS-opties.
Opmerking: Alle wijzigingen in de radaropties die in de
kaarttoepassingen worden aangebracht worden doorgevoerd
naar de radartoepassing.
Synchronisatie van kaartschaal en radarbereik
U kunt in alle radarvensters het radarbereik synchroniseren met
de kaartschaal.
Wanneer synchronisatie is ingeschakeld:
Het radarbereik in alle radarschermen wordt veranderd om
overeen te komen met de kaartschaal.
In de linkerbovenhoek van het kaartvenster wordt 'Sync'
aangegeven.
176 a Series / c Series / e Series
Als u het radarbereik wijzigt in een radarvenster, verandert de
schaal van alle gesynchoniseerde kaartweergaven mee.
Als u de schaal van een gesynchroniseerde kaart wijzigt,
verandert het bereik van alle radarvensters mee.
Het kaart- en het radarbereik synchroniseren
Doe het volgende in de 2D-kaartweergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Weergave & beweging
4. Selecteer Kaartsynchronisatie.
5. Selecteer Radar.
Opmerking: Radarbereiksynchronisatie is niet beschikbaar
wanneer de kaartbewegingsmodus is ingesteld op
Automatisch bereik.
Luchtfotolaag
Uw elektronische kaarten kunnen luchtfoto's bevatten.
Luchtfoto's hebben betrekking op bevaarbare wateren tot 3 mijl
(4,8 km) binnen de kustlijn. De resolutie hangt af van de regio
waarop uw cartograsche kaartmodule betrekking heeft.
De luchtfotolaag inschakelen
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Luchtfoto.
De transparantieschuifregelaar voor luchtfoto wordt
weergegeven met het huidige transparantiepercentage.
5. Pas de schuifregelaar aan naar de gewenste transparantie,
of
6. selecteer Uit om de luchtfotolaag uit te schakelen.
Het luchtlaaggebied speciceren
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Luchtlaag:.
Er wordt een lijst weergegeven met laagopties.
4. Selecteer of Aan land, Aan land en ondiep, of Aan land en
zee.
De kaartweergave wordt opnieuw getekend waarbij de
nieuwe laag wordt weergegeven.
NOWRad-weerlaag
Wanneer een geschikte weerontvanger is aangesloten op uw
multifunctionele display, kunt u NOWRad-weerinformatie als
laag weergeven op uw kaartweergave.
De NOWRad-weerlaag geeft NOWRad-weerinformatie en
-rapporten in de kaarttoepassing. U kunt de intensiteit van de
laag aanpassen, voor optimale zichtbaarheid van zowel de
kaart- als de weerinformatie.
Opmerking: De NOWRad-weerlaag kan alleen worden
gebruikt in Noord-Amerika en de kustwateren aldaar.
De NOWRad-weerlaag op de kaart inschakelen
Doe het volgende in de 2D-kaartweergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer NOWRad.
De transparantieschuifregelaar voor NOWRad wordt
weergegeven met het huidige transparantiepercentage.
5. Pas de schuifregelaar aan naar de gewenste transparantie,
of
6. Selecteer Uit om de NOWRad-laag uit te schakelen.
Weerrapporten bekijken vanuit de kaarttoepassing
Doe het volgende in de 2D-kaartweergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Weerrapporten.
3. Selecteer Rapport op om te schakelen tussen rapporten van
de Schip-locatie en de Cursor-locatie.
4. U kunt Tropische meldingen, Maritieme waarschuwingen,
Maritieme zonevoorspellingen of Watchbox-waarschuwingen
selecteren.
Gegevenskaders
Gegevenskaders kunnen worden weergegeven in het
toepassingsvenster.
De gegevenskaders kunnen worden in- en uitgeschakeld en de
weergegeven gegevens kunnen worden aangepast.
Gegevenskaders in de Kaart-toepassing aanpassen
Om gegevenskaders in- en uit te schakelen en gegevens
te selecteren die moeten worden weergegeven volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
Kaarttoepassing
177
2. Selecteer Laag.
3. Selecteer Gegevenskaders.
4. Selecteer Gegevenskader 1 > Aan.
5. Selecteer Gegevenskader 2 > Aan.
6. Kies de Selecteer gegevens-optie voor het betreffende
gegevenskader.
7. Selecteer de categorie met het type gegevens dat u in het
gegevenskader wilt weergeven. Voorbeeld: dieptegegevens.
8. Selecteer een gegevensitem.
De gegevens die u hebt geselecteerd worden op het scherm
weergegeven in het bijbehorende gegevenskader.
Kaartraster
U kunt een raster als laag over de Kaart-toepassing heen leggen
Het Kaartraster staat voor de breedtegraad- en lengtegraadlijnen.
Het Kaartraster is standaard uitgeschakeld.
Het kaartraster in- en uitschakelen
Het kaartraster kan worden in- en uitgeschakeld door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Kaartraster: zodat Aan is geselecteerd om het
kaartraster in te schakelen, of
4. Selecteer Kaartraster: zodat Uit is geselecteerd om het
kaartraster uit te schakelen.
2D-kleurschakering
Wanneer ondersteund door het type van uw cartograemodule,
kunt u de kleurschakering van land- en zeelijnen in- en
uitschakelen.
D13002-1
1
2
1. 2D-kleurschakering aan.
2. 2D-kleurschakering uit.
2D-kleurschakering is standaard ingeschakeld.
2D-kleurschakering in- en uitschakelen
2D-kleurschakering kan worden in- en uitgeschakeld door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer 2D-kleurschakering: zodat Aan is geselecteerd
om de kleurschakering in te schakelen, of
4. Selecteer 2D-kleurschakering: zodat Uit is geselecteerd
om de kleurschakering uit te schakelen.
Community-laag
Wanneer ondersteund door het type van uw cartograsche
module, kunt u door gebruikers gegenereerde content (UGC)
weergeven in de Kaart-toepassing.
D13008-1
1
2
1. Community-functie Aan.
2. Community-functie Uit.
Om na te gaan of uw Navionics-cartograe het downloaden
van community-bewerkingen ondersteunt raadpleegt u de
Navionics-website: voor informatie en instructies over het
downloaden van de updates naar uw cartograsche kaart.
De community-bewerkingen in- en uitschakelen
Wanneer dit wordt ondersteund door uw type cartograemodule,
kan de laag met door gebruikers gegenereerde content (UGC)
in en uit worden geschakeld door de onderstaande stappen te
volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Community-bewerkingen: zodat Aan is
geselecteerd om UGC weer te geven, of
4. Selecteer Community-bewerkingen: zodat Uit is
geselecteerd om UGC uit te schakelen.
Kaarttekst
Wanneer dit wordt ondersteund door uw type cartograemodule,
kan tekst op de kaart zoals plaatsnamen en waarschuwingstek-
sten etc. worden in- en uitgeschakeld.
D13006-1
1
2
1. Kaarttekst aan.
2. Kaarttekst uit.
De standaard instelling voor kaarttekst is Aan.
178 a Series / c Series / e Series
Kaarttekst in- en uitschakelen
De kaarttekst kan worden in- en uitgeschakeld door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Kaarttekst: zodat Aan is geselecteerd om de
kaarttekst in te schakelen, of
4. Selecteer Kaarttekst: zodat Uit is geselecteerd om de
kaarttekst uit te schakelen.
Kaartgrenzen
Kaartgrenslijnen kunnen op het scherm worden weergegeven,
deze lijnen geven de grenzen aan van de op dit moment
gebruikte cartograemodule.
D13005-1
1
2
1. Kaartgrenzen Aan.
2. Kaartgrenzen Uit.
Standaard zijn de kaartgrenslijnen ingeschakeld.
Kaartgrenslijnen in- en uitschakelen
Kaartgrenslijnen kunnen worden in- en uitgeschakeld door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Kaartgrenzen: zodat Aan is geselecteerd om
kaartgrenzen weer te geven, of
4. Selecteer Kaartgrenzen: zodat Uit is geselecteerd om
kaartgrenzen uit te schakelen.
Bereikringen
Bereikringen geven u een oplopende weergave op het scherm
van de afstand vanaf uw schip, om u te helpen afstanden in
één oogopslag in te schatten.
De ringen zijn altijd gecentreerd rond uw schip en de schaal
varieert afhankelijk van uw kaartbereik. Iedere ring heeft een
label met de afstand vanaf uw schip.
De bereikringen zijn standaard uitgeschakeld. Bereikringen
worden niet weergegeven in 3D-weergave.
Bereikringen in- en uitschakelen
De bereikringen kunnen worden in- en uitgeschakeld door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de Kaart-toepassing, in 2D-weergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Bereikringen: zodat Aan is geselecteerd en
bereikringen worden weergegeven, of
5. Selecteer Bereikringen: zodat Uit is geselecteerd om
bereikringen uit te schakelen.
Ring veilige zone
De kaarttoepassing kan de ring veilige zone voor MARPA/AIS
weergeven en congureren.
De ring veilige zone deelt zijn conguratie met de ring
veilige zone van de Radartoepassingen, het kan echter
onafhankelijk worden weergegeven van de ring veilige zone
in de Radartoepassing.
Als een MARPA- of AIS-object de ring veilige zone bereikt binnen
de geselecteerde tijd tot veilige zone klinkt een alarmsignaal.
De Ring veilige zone weergeven in de Kaart-toepassing
Om de Ring veilige zone weer te geven volgt u de onderstaande
instructies:
Doe het volgende in de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Ring veilige zone zodat Weergeven is
geselecteerd.
Wanneer u Ring veilige zone selecteert wordt de zone-ring
geschakeld tussen verborgen en zichtbaar.
De Ring veilige zone instellen
U kunt de radius van de Ring veilige zone en de Tijd naar veilige
zone aanpassen en selecteren of AIS-objecten het Alarm veilige
zone moeten activeren in het instellingenmenu voor de ring
veilige zone.
Het instellingenmenu voor de Ring veilige zone kan als volgt
worden geopend:
Ga vanuit de Radar-toepassing naar Menu > Zones >
Instellen veilige zone
Ga vanuit de Kaart-toepassing met alleen de AIS-laag
ingeschakeld naar: Menu > AIS-opties > Veilige zone >
Instellen veilige zone.
Ga vanuit de Kaart-toepassing met alleen de Radar-laag
ingeschakeld naar: Menu > Radar-opties > Veilige zone >
Instellen veilige zone
Ga vanuit de Kaart-toepassing met de AIS- en Radar-lagen
ingeschakeld naar: Menu > Radar- & AID-opties > Veilige
zone > Instellen veilige zone
Doe het volgende vanuit het menu Instellen veilige zone:
1. Selecteer Radius veilige zone.
i. Selecteer de gewenste radius voor de veilige zone.
2. Selecteer Tijd naar veilige zone.
Kaarttoepassing
179
i. Selecteer de gewenste tijd.
3. Selecteer AIS-alarm zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u AIS-alarm selecteert wordt het alarm voor
gevaarlijke objecten geschakeld tussen Aan en Uit.
Brandstofbereikringen
De brandstofbereikring geeft een geschat bereik van het schip
met de geschatte hoeveelheid brandstof aan boord.
De brandstofbereikringring kan grasch worden weergegeven in
de kaarttoepassing en geeft een geschat bereik van het schip
met:
Het huidige brandstofverbruik.
De geschatte hoeveelheid brandstof aan boord.
Een koers aangehouden in een rechte lijn.
Aanhoudende huidige snelheid.
Opmerking:
De brandstofbereikring is een geschat bereik bij het huidige
verbruik van de brandstof aan boord en is gebaseerd op
een aantal externe factoren die het geschatte bereik kunnen
vergroten of verkleinen.
Deze schatting is gebaseerd op de gegevens die worden
ontvangen van externe brandstofmanagementapparaten, of
via de Brandstofmanager. Het houdt geen rekening met de
heersende omstandigheden zoals getijden, stroom, ruwe zee,
wind etc.
U kunt niet volledig vertrouwen op de brandstofbereikring voor
het nauwkeurig plannen van een reis of in noodgevallen of
veiligheidskritische situaties.
De brandstofbereikring inschakelen
Doe het volgende in de kaarttoepassing, in 2D-weergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Brandstofbereikring zodat Aan is geselecteerd.
Het pop-upbericht voor de brandstofbereikring wordt
weergegeven.
5. Selecteer OK om de brandstofbereikringen in te schakelen.
De Brandstofbereikring uitschakelen
Doe het volgende in de kaarttoepassing, in 2D-weergave:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Lagen.
4. Selecteer Brandstofbereikring zodat Uit is geselecteerd.
De grootte van het scheepssymbool wijzigen
De grootte van het scheepssymbool kan worden gewijzigd door
de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Scheepsomvang: zodat Groot is geselecteerd en
het grote scheepssymbool worden weergegeven, of
4. Selecteer Scheepsomvang: zodat Klein is geselecteerd en
het kleine scheepssymbool worden weergegeven.
Waypoint-namen weergeven
Waypoint-namen kunnen worden weergegeven naast hun
betreffende waypoint-symbolen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing.
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Waypoint-naam: zodat Weergeven is
geselecteerd om de waypointnamen weer te geven, of
4. Selecteer Waypoint-naam: zodat Verbergen is geselecteerd
om de waypointnamen te verbergen.
Route- en trackbreedte
De breedte van de route- en tracklijnen kan worden gewijzigd.
Instel-
ling Route Track
Dun
Nor-
maal
Dik
De lijnbreedtes van een route of track wijzigen
De breedte van de lijn waarmee routes en tracks worden
aangegeven kan worden gewijzigd door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing.
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Lagen.
3. Selecteer Routebreedte of Trackbreedte.
4. Selecteer de breedte die u wilt instellen in de lijst.
180 a Series / c Series / e Series
16.12 Kaartvectoren
Kaartvectoren zijn beschikbaar voor de koers, COG, windrichting
en getijdenrichting. Kaartvectoren zijn alleen beschikbaar in
2D-weergave.
Er kan een aantal vectorafbeeldingen worden weergegeven in de
Kaart-toepassing in 2D-kaartweergave. De volgende vectoren
kunnen onafhankelijk van elkaar worden in- en uitgeschakeld:
D13007-1
2 3
1
4
Artikel Omschrijvingen
1 Windpijl windrichting wordt weergegeven als een gele lijn
met een dichte pijl die in de richting van uw schip wijst, waarmee
de windrichting wordt aangegeven. De breedte van de pijl geeft
de windkracht aan.
2
Getijdenpijl getijden worden weergegeven als een blauwe
lijn met een dichte pijl die van uw schip afwijst, in de richting van
de getijdenstroom. De breedte van de pijl geeft de getijdenkracht
aan.
3
HDG-vector (koers) een rode lijn waarmee de koers van het
schip wordt aangegeven. Er wordt een pijlpunt gebruikt als de
vectorlengte is ingesteld op een andere waarde dan oneindig.
4.
COG-vector (grondkoers) een groene lijn die de werkelijke
koers van het schip aangeeft. Er wordt een dubbele pijlpunt
gebruikt als de vectorlengte is ingesteld op een andere waarde
dan oneindig.
Opmerking: Als er geen grondsnelheidsgegevens (SOG)
of koersgegevens beschikbaar zijn kunnen geen vectoren
worden weergegeven.
Vectorlengte
De lengte van de HDG- en COG-vectorlijnen kan worden
ingesteld op de afstand die uw schip aegt in de tijd die u
speciceert bij uw huidige snelheid of kan worden ingesteld op
oneindig.
Kaartvectoren in- en uitschakelen
U kunt de beschikbaar kaartvectoren in- en uitschakelen door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de 2D-kaartweergave:
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Vectoren.
3. Selecteer het betreffende menu-item om te schakelen tussen
Koersvector, COG-vector, Getijdenpijl of Windpijl Aan
of Uit.
De vectorlengte- en breedte instellen
U kunt de lengte en de breedte van koers- en COG-vectoren
speciceren door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de 2D-kaartweergave.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Vectoren.
3. Selecteer Vectorlengte.
Er wordt een lijst met tijden weergegeven.
4. Selecteer een tijdinstelling of selecteer Oneindig.
5. Selecteer Vectorbreedte.
Er wordt een lijst met breedten weergegeven.
6. Selecteer Smal, Normaal of Breed.
Kaarttoepassing
181
16.13 Cartograsche objecten
Kaartdetail
De instelling kaartdetails bepaalt de hoeveelheid details die in
de Kaart-toepassing worden weergegeven.
Laag
Hoog
Wanneer de optie Laag wordt geselecteerd voor Kaartdetail
worden de volgende objecten en lagen uitgeschakeld:
Bewerkingen community
Kaarttekst
Kaartgrenzen
Lichtsectoren
Routeringssystemen
Waarschuwingsgebieden
Maritieme eigenschappen
Landeigenschappen
Wegen
Aanvullende wrakinformatie
Gekleurde zeebodemgebieden
Dieptelijnen
Het detailniveau van de kaart wijzigen
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Objecten.
3. Select Kaartdetail om te schakelen tussen Hoog en Laag.
182 a Series / c Series / e Series
Cartograsche objecten
Wanneer dit wordt ondersteund door uw cartograemodule, kunnen cartograsche objecten afzonderlijk worden in- en
uitgeschakeld. De onderstaande tabel toont een lijst met deze objecten.
U kunt het Objecten-menu openen via: Menu > Presentatie > Objecten.
Opmerking: Het Objecten-menu is alleen beschikbaar wanneer de gebruikte cartograemodule deze functies ondersteunt.
Object (menu-item) Omschrijving Opties
Rotsen weergeven Bepaalt de diepte waarop rotsen worden weergegeven in
de Kaart-toepassing.
0–6 ft / 0–2 m / 0–1 fa
0–18 ft / 0–5 m / 0–3 fa
0–30 ft / 0–10 m/ 0–5 fa
0–50 ft / 0–15 m / 0–8 fa
0–60 ft / 0–20 m / 0–10 fa
Alle (standardwaarde)
Nav. Markeringen
Bepaalt of navigatiemarkeringen worden weergegeven
op de kaart:
Uit navigatiemarkeringen worden NIET
weergegeven.
Aan navigatiemarkeringen worden weergegeven.
Uit
Aan (standardwaarde)
Nav. Markeringssymbolen Bepaalt welke navigatiemarkeringssymbolen worden
gebruikt: internationaal of Amerikaans. Deze symbolen
komen overeen met papieren kaarten.
Internationaal (standardwaarde)
VS
Lichtsectoren
Bepaalt of de lichtstraalsector van een vast baken wordt
weergegeven of niet.
Uit lichtsector wordt NIET weergegeven.
Aan lichtsector wordt weergegeven.
Uit
Aan (standardwaarde)
Routeringssystemen
Bepaalt of routeringsgegevens wel of niet worden
weergegeven.
Uit routeringsgegevens worden NIET weergegeven.
Aan routeringsgegevens worden weergegeven.
Uit
Aan (standardwaarde)
Waarschuwingsgebieden
Bepaalt of waarschuwingsgegevens wel of niet worden
weergegeven.
Uit waarschuwingsgegevens worden NIET
weergegeven.
Aan waarschuwingsgegevens worden weergegeven.
UIT
AAN (standardwaarde)
Maritieme eigenschappen Wanneer dit menu-item wordt ingesteld op Aan, dan wordt
de volgende op waterkaarten gebaseerde informatie
weergegeven:
Kabels.
Aard van zeebodempunten.
Getijdenstations.
Stromingsstations.
Haveninformatie.
Uit
Aan (standardwaarde)
Landeigenschappen Wanneer dit menu-item wordt ingesteld op Aan, dan
wordt de volgende op landkaarten gebaseerde informatie
weergegeven:
Uit
Aan (standardwaarde)
Zakelijke diensten Wanneer dit menu-item is ingesteld op Aan, dan worden
symbolen weergegeven die de locatie van een bedrijf
aangeven.
Uit
Aan (standardwaarde)
Panoramafoto's Bepaalt of er panoramafoto's beschikbaar zijn voor
landmarkeringen zoals havens en aanlegplaatsen.
Uit
Aan (standardwaarde)
Wegen
Bepaalt of grote kustwegen worden weergegeven op de
kaart:
Uit kustwegen worden NIET weergegeven.
Aan kustwegen worden weergegeven.
Uit
Aan (standardwaarde)
Kaarttoepassing
183
Object (menu-item) Omschrijving Opties
Aanvullende wrakinformatie Bepaalt of er uitgebreide informatie wordt weergegeven
voor nieuwe wrakken.
Uit
Aan (standardwaarde)
Gekleurde zeebodemgebieden Toont meer details van de zeebodem. Dit heeft alleen
betrekking op beperkte gebieden waarvoor meer details
beschikbaar zijn.
Uit (standardwaarde)
Aan
16.14 Objectinformatie
Wanneer dit wordt ondersteund door uw type cartograemodule,
kunt u meer gedetailleerde informatie over bepaalde
cartograsche objecten weergeven.
Afhankelijk van het cartograetype dat u gebruikt kunt een deel
van de onderstaande aanvullende informatie bekijken, of alle
informatie:
Informatie over ieder cartograsch object die op de kaart is
gemarkeerd, waaronder broninformatie voor structuren, lijnen,
gebieden op open zee etc.
Informatie over havens, havenkenmerken en diensten.
Logboekinformatie voor de stuurautomaat (vergelijkbaar met
de informatie in een maritieme almanak). Logboekinformatie
voor de stuurautomaat is beschikbaar voor bepaalde havens.
Panoramafoto's van havens en aanlegplaatsen. De
beschikbaarheid van foto's wordt weergegeven door een
camerasymbool op de kaartweergave.
U kunt ook zoeken naar een bepaald kaartobject met behulp
van de optie Zoek dichtstbijzijnde. U kunt zoeken naar de
volgende objecten:
Haven (zoeken op naam) alleen Navionics-kaarten.
Waypoints
Haven alleen Navionics-kaarten.
Getijdenstation alleen Navionics-kaarten.
Stromingsstation alleen Navionics-kaarten.
Obstructies
Wrakken
Havendiensten
Zakelijke diensten alleen Navionics-kaarten.
Faciliteit kleine vaartuigen alleen LightHouse-kaarten.
Havenfaciliteit alleen LightHouse-kaarten
U kunt deze informatie openen via de opties Kaartobjecten of
Zoek dichtstbijzijnde in het kaartcontextmenu:
Selecteer een kaartobject op het scherm en selecteer
Kaartobjecten in het kaartcontextmenu om de informatie over
het geselecteerde object te bekijken.
Selecteer Zoek dichtstbijzijnde in het kaartcontextmenu om
te zoeken naar objecten in de buurt.
Kaartobjectinformatie weergeven
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een object.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Kaartobjecten.
Het dialoogvenster Kaartobject wordt weergegeven.
3. Wanneer u de beschikbare opties selecteert wordt
gedetailleerde informatie over dat item weergegeven.
4. Wanneer u de positie selecteert in het dialoogvenster wordt
het informatievenster gesloten en de cursor op het object
geplaatst.
Zoeken naar het dichtstbijzijnde kaartobject
of service
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een locatie op het scherm.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Zoek dichtstbijzijnde.
Er wordt een lijst weergegeven met kaartobjecttypes.
3. Selecteer het kaartobject of service in de lijst.
Er wordt een lijst weergegeven met beschikbare objecten of
services van het betreffende type.
4. Selecteer het item dat u wilt zoeken.
De cursor wordt op het geselecteerde object geplaatst, of er
wordt een lijst met objecten weergegeven.
Een haven zoeken op naam
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een locatie op het scherm.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Zoek dichtstbijzijnde.
Er wordt een lijst weergegeven met kaartobjecttypes.
3. Selecteer Haven (zoeken op naam in de lijst).
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
4. Gebruik het schermtoetsenbord om de gewenste havennaam
in te voeren.
5. Selecteer OPSLAAN.
De zoekresultaten worden weergegeven.
6. Selecteer de positie uit de lijst om de cursor op die positie te
plaatsen.
Logboekinformatie weergeven
Doe het volgende in de kaarttoepassing, wanneer een
havensymbool wordt weergegeven voor een haven dat een
logboek heeft:
1. Selecteer het havensymbool.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Logboek.
3. Selecteer het betreffende hoofdstuk.
Panoramafoto's weergeven
Doe het volgende in de kaarttoepassing, wanneer een
camerasymbool wordt weergegeven, waarmee wordt
aangegeven dat er een foto beschikbaar is:
1. Selecteer het camerasymbool.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Foto.
De foto wordt weergegeven op het scherm.
184 a Series / c Series / e Series
Opmerking: Niet alle typen cartograsche kaarten kunnen
panoramafoto's weergeven.
Stromingsinformatie
Bewegende stromingsinformatie
De elektronische kaarten kunnen gebruik maken van bewegende
beelden van de stromingsinformatie van stromingsstations.
D11748-3
Bewegende stromingsinformatie is beschikbaar in de
kaarttoepassing waar een ruitvormig symbool met een "C" wordt
weergegeven:
Dit symbool identiceert de locatie van een stromingsstation en de
beschikbaarheid van stromingsinformatie voor de locatie.
Wanneer u een stromingsstationsymbool selecteert wordt het
kaartcontextmenu weergegeven, met daarin de optie Animatie.
Wanneer u Animatie selecteert wordt het animatiemenu
weergegeven en de ruitvormige stromingssymbolen worden
vervangen door dynamische stromingspijlen die de richting en
de sterkte van de stromingen weergeven:
Stromingsanimatie.
Pijlen geven de richting van de stromingen aan.
De lengte van de pijl geeft het doorstroomvolume aan.
De kleur van de pijl geeft de stromingssnelheid aan:
Rood: stijgende stromingssnelheid.
Blauw: dalende stromingssnelheid.
De animatie kan continu worden bekeken, of met een door
u gespeciceerd tijdsinterval. U kunt ook de datum voor de
animatie instellen en de animatie starten of herstarten op ieder
moment binnen een periode van 24 uur. Als het systeem geen
geldige datum en tijd heeft, wordt 12 uur 's middags gebruikt als
standaard systeemtijd.
Opmerking: Niet alle elektronische kaarten ondersteunen
bewegende stroming. Ga dit na op de Navionics-website:
www.navionics.com om er zeker van te zijn dat de
functies beschikbaar zijn op het door u geselecteerde
cartograeniveau.
Bewegende stromingsinformatie bekijken
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een ruitvormig stromingspictogram.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Animatie.
Het animatiemenu wordt weergegeven en de
stromingspictogrammen worden vervangen door dynamische
stromingspijlen
Bedienen van animaties
Doe het volgende in de kaarttoepassing, met het menu Animatie
weergegeven:
1. Om de animatie te starten of te stoppen selecteert u
Animatie: om te schakelen tussen Afspelen en Pauzeren.
2. Om de animatie in stappen te bekijken selecteert u Stap
achteruit of Stap vooruit.
3. Om de interval van de stappen van de animatie in te stellen
pauzeert u alle animaties en selecteert u Interval instellen.
4. Om de datum van de animatie in te stellen selecteert u
Datum instellen en gebruikt u het schermtoetsenbord om de
gewenste datum in te voeren.
5. Om de animatiedatum in te stellen op de datum van vandaag
selecteert u Vandaag.
6. Om de animatiedatum in te stellen op 24 uur voor de datum
van vandaag selecteert u Vorige dag.
7. Om de animatiedatum in te stellen op 24 uur na de datum
van vandaag selecteert u Volgende dag.
Stromingsgraeken
Stromingsgraeken geven een grasch overzicht van de
stroomactiviteit.
D12309-1
1 4
5
2
9
6
10
3
8
7
1. Terug keer terug naar het vorige menu of weergave.
2. Indicator zonsopkomst geeft aan wanneer de zon
opkomt.
3. Indicator zonsondergang geeft aan wanneer de zon
ondergaat.
4. Afsluiten sluit het dialoogvenster.
5. Indicator schemering het grijze gebied van de graek
geeft de schemering aan.
6. Stroomrichting geeft de richting van de stroming aan
(ten opzichte van het noorden).
7. Eb/vloed toont een lijst met eb, kentering en vloed.
8. Datumnavigatie gebruik de pictogrammen om naar de
vorige of volgende dag te gaan.
9. Tijd de horizontale as van de graek geeft de tijd aan
overeenkomstig het tijdformaat gespeciceerd in de opties
van Instellingen eenheden.
10. Huidige snelheid de verticale as van de graek geeft
de snelheid aan overeenkomstig de snelheidsvoorkeuren
gespeciceerd in de opties van Instellingen eenheden.
Opmerking: De gegevens in de stromingsgraek zijn alleen
bedoeld ter informatie en mogen NIET worden gebruikt ter
vervanging van weloverwogen navigatie. Alleen ofciële
overheidskaarten en berichten aan zeevarenden bevatten alle
stromingsinformatie die nodig is voor veilige navigatie. Zorg
altijd voor een permanente wacht.
Informatie over stromingen weergeven
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer het
C
ruitvormige stromingspictogram.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Stromingsstation.
De graek voor het geselecteerde station wordt
weergegeven.
Kaarttoepassing
185
Getijdeninformatie
Bewegende getijdeninformatie
De elektronische kaarten kunnen gebruik maken van bewegende
beelden van de getijdeninformatie van getijdenstations.
Bewegende getijdeninformatie is beschikbaar in de
kaarttoepassing waar een ruitvormig symbool met een 'T' wordt
weergegeven:
Dit symbool identiceert de locatie van een getijdenstation en de
beschikbaarheid van getijdeninformatie voor de locatie.
Wanneer u een getijdenstationsymbool selecteert wordt het
kaartcontextmenu weergegeven, met daarin de optie Animatie.
Wanneer u Animatie selecteert wordt het animatiemenu
weergegeven en de ruitvormige symbolen worden vervangen
door een dynamische getijdenbalk die de getijdenhoogte
voorspelt voor de feitelijke tijd en datum:
Getijdenanimatie.
Getijdenhoogte wordt aangegeven door een balk. De balk
bestaat uit 8 niveaus, die waarden aangeven overeenkomstig
het absolute minimum/maximum van die bepaalde dag.
De kleur van de pijl op de getijdenbalk geeft de veranderingen
in de getijdenhoogte weer:
Rood: stijgende getijdenhoogte.
Blauw: dalende getijdenhoogte.
De animatie kan continu worden bekeken, of met een door
u gespeciceerd tijdsinterval. U kunt ook de datum voor de
animatie instellen en de animatie starten of herstarten op ieder
moment binnen een periode van 24 uur. Als het systeem geen
geldige datum en tijd heeft, wordt 12 uur 's middags gebruikt als
standaard systeemtijd.
Opmerking: Niet alle elektronische kaarten ondersteunen
bewegende getijden. Ga dit na op de Navionics-website:
www.navionics.com om er zeker van te zijn dat de
functies beschikbaar zijn op het door u geselecteerde
cartograeniveau.
Bewegende getijdeninformatie bekijken
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer een ruitvormig getijdenpictogram.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Animatie.
Het animatiemenu wordt weergegeven en het
getijdenpictogram is vervangen door een dynamische
getijdenbalkindicator.
Bedienen van animaties
Doe het volgende in de kaarttoepassing, met het menu Animatie
weergegeven:
1. Om de animatie te starten of te stoppen selecteert u
Animatie: om te schakelen tussen Afspelen en Pauzeren.
2. Om de animatie in stappen te bekijken selecteert u Stap
achteruit of Stap vooruit.
3. Om de interval van de stappen van de animatie in te stellen
pauzeert u alle animaties en selecteert u Interval instellen.
4. Om de datum van de animatie in te stellen selecteert u
Datum instellen en gebruikt u het schermtoetsenbord om de
gewenste datum in te voeren.
5. Om de animatiedatum in te stellen op de datum van vandaag
selecteert u Vandaag.
6. Om de animatiedatum in te stellen op 24 uur voor de datum
van vandaag selecteert u Vorige dag.
7. Om de animatiedatum in te stellen op 24 uur na de datum
van vandaag selecteert u Volgende dag.
Getijdengraeken
Getijdengraeken geven een grasch overzicht van de
getijdenactiviteit.
D12294-2
1
4
5
2
8
6
9
3
7
1. Terug keer terug naar het vorige menu of weergave.
2. Indicator zonsopkomst geeft aan wanneer de zon
opkomt.
3. Indicator zonsondergang geeft aan wanneer de zon
ondergaat.
4. Afsluiten sluit het dialoogvenster.
5. Indicator schemering het grijze gebied van de
afbeelding geeft de schemering aan.
6. Laag/hoog tij geeft de tijd aan waarop eb en vloed
optreden.
7. Datumnavigatie gebruik de pictogrammen om naar de
vorige of volgende dag te gaan.
8. Tijd de horizontale as van de afbeelding geeft de tijd aan
overeenkomstig het tijdformaat gespeciceerd in de opties
van Systeeminstellingen.
9. Diepte de verticale as van de afbeelding geeft
de getijdenwaterdiepte aan. De eenheden voor de
diepte zijn gebaseerde op de eenheden die zijn
gespeciceerd in het menu Home-venster > Aanpassen >
Eenheidsinstellingen > Diepte-eenheden.
Opmerking: De gegevens in de getijdengraek zijn alleen
bedoeld ter informatie en mogen NIET worden gebruikt
ter vervanging van goed zeemanschap. Alleen ofciële
overheidskaarten en berichten aan zeevarenden bevatten alle
stromingsinformatie die nodig is voor veilige navigatie. Zorg
altijd voor perfect zicht.
Informatie over getijden weergeven
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer het
T
ruitvormige getijdenpictogram.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Getijdenstation.
De graek voor het geselecteerde station wordt
weergegeven.
186 a Series / c Series / e Series
16.15 Diepte- & lijnopties
Wanneer ondersteund door uw cartograetype zijn de volgende instellingen voor diepte en lijnen beschikbaar.
Opmerking: De beschikbare menu-items hangen af van uw cartograetype. De diepte-opties hangen af van de meeteenheden
die uw systeem gebruikt.
Menu-item Cartograetype Omschrijving Opties
Peilingen weergeven LightHouse-
vectorkaarten en
Navionics
Bepaalt de diepte waarop dieptepeilingen
worden weergegeven.
Geen
0–30 ft / 0–10 m / 0–5 fa
0–60 ft / 0–20 m / 0–10 fa
0–180 ft / 0–50 m / 0–30 fa
0–500 ft / 0–150 m / 0–83 fa
Alle (standardwaarde)
Lijnen weergeven Navionics
Bepaalt of lijnen worden weergegeven.
Uit
0–6 ft / 0–2 m / 0–1 fa
0–18 ft / 0–5 m / 0–3 fa
0–30 ft / 0–10 m / 0–5 fa
0–50 ft / 0–15 m / 0–8 fa
0–60 ft / 0–20 m / 0–10 fa
Alle (standardwaarde)
Ondieptelijn
LightHouse-
kaarten
Bepaalt de diepte waarop de ondieptelijn
wordt weergegeven.
De ondieptelijn kan niet hoger worden
ingesteld dan de veiligheids- of
dieptelijnen.
Uit
6 ft / 2 m / 1 fa
12 ft / 3 m / 2 fa (standardwaarde)
18 ft / 5 m / 3 fa
20 ft / 6 m / 4 fa
30 ft / 10 m / 5 fa
50 ft / 15 m / 8 fa
60 ft / 20 m / 10 fa
Veiligheidsdieptelijn LightHouse-
kaarten
Bepaalt de diepte waarop de
veiligheidslijn wordt weergegeven.
De veiligheidslijn kan niet lager worden
ingesteld dan de ondieptelijn of hoger
dan de dieptelijn.
Uit
6 ft / 2 m / 1 fa
12 ft / 3 m / 2 fa
18 ft / 5 m / 3 fa
20 ft / 6 m / 4 fa
30 ft / 10 m / 5 fa (standardwaarde)
50 ft / 15 m / 8 fa
60 ft / 20 m / 10 fa
Dieptelijn LightHouse-
vectorkaarten en
Navionics
Bepaalt de diepte waarop de dieptelijn
wordt weergegeven.
De dieptelijn kan niet lager worden
ingesteld dan de ondiepte- of
veiligheidslijnen.
Uit
6 ft / 2 m / 1 fa
12 ft / 3 m / 2 fa
18 ft / 5 m / 3 fa
20 ft / 6 m / 4 fa
30 ft / 10 m / 5 fa
50 ft / 15 m / 8 fa (standardwaarde)
60 ft / 20 m / 10 fa
Kaarttoepassing
187
Menu-item Cartograetype Omschrijving Opties
Diepwaterkleur Navionics Bepaalt de kleur van diep water.
Wit (standardwaarde)
Blauw
Sonar-logs
Navionics Hiermee kunnen diepte- en
positiegegevens worden gelogd
naar uw Navionics-cartograekaart.
Deze gegevens worden naar Navionics
gestuurd om de lijndetails van
sonarkaarten op uw multifunctionele
display te verbeteren. Ga naar de
Navionics-website www.navionics.com
voor instructies voor het uploaden van
uw sonar-logbestanden.
Aan
Uit
Dieptepeilingen en -lijnen
Wanneer ondersteund door uw type cartograemodule, kunnen
dieptepeilingen en -lijnen worden gebruikt in de Kaart-toepassing
om inzicht te krijgen in de waterdiepte.
Wanneer u cartograe op basis van vectoren gebruikt, kunt u de
diepte waarop de lijnen en peilingen op het scherm verschijnen
aanpassen.
D13009-1
1 2
3
1. Ondieptelijn
2. Veiligheidsdieptelijn
3. Dieptelijn
Het menu Diepte & lijnen kan worden geopend via: Menu >
Presentatie > Diepte & lijnen.
188 a Series / c Series / e Series
16.16 Opties van Mijn gegevens
Het menu Mijn gegevens biedt toegang tot uw
gebruikersgegevens.
De opties kunt u terugvinden via het menu Mijn gegevens:
Menu > Mijn gegevens.
Waypoints weergeven van de waypoint-groepenlijst.
Routes weergeven van de routelijst.
Tracks weergeven van de tracks-lijst.
Raadpleeg het hoofdstuk Hoofdstuk 15 Waypoints, routes en
tracks voor meer informatie.
16.17 Synchronisatie van meerdere
kaarten
U kunt de koers-, bereik- en de positie-informatie tussen
verschillende kaartweergaven en via het netwerk aangesloten
displays synchroniseren.
Wanneer kaartsynchronisatie is ingeschakeld:
is dit zichtbaar door “KRT Sync” in de titelbalk van de
kaarttoepassing.
Alle wijzigingen in koers, bereik en positie in verschillende
kaarten worden doorgevoerd naar alle andere kaarten.
Opmerking: Wanneer de 2D- en 3D-kaartweergaven zijn
gesynchroniseerd, dan is de Bewegingsmodus altijd Relatieve
beweging.
Meerdere kaarten synchroniseren
Volg de volgende stappen vanuit de kaarttoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Kaartsynchronisatie.
4. Selecteer Kaart in de lijst.
Er wordt een vinkje geplaatst naast de geselecteerde optie.
5. Herhaal de bovenstaande stappen voor iedere kaart en
wanneer nodig voor ieder op het netwerk aangesloten
multifunctionele display waarmee u de kaartweergave wilt
synchroniseren.
Opmerking: U kunt niet synchroniseren met een andere
kaart als radarsynchronisatie is ingeschakeld.
Kaarttoepassing
189
16.18 Het meten van afstanden en
peilingen
U kunt de gegevensbalk en het contextmenu samen met
de meetfunctie gebruiken om afstanden te meten in de
kaarttoepassing.
U kunt de afstand en de peiling bepalen:
vanaf uw schip naar de positie van de cursor;
tussen twee punten op de kaart.
De afstand meten tussen de scheepspositie
en de cursor
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer de locatie op het scherm waarvan u de afstand of
de peiling vanaf uw schip wilt meten.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Meten.
Het volgende gebeurt:
Het meetmenu wordt weergegeven.
Er wordt een lijn getrokken vanaf de cursorpositie naar
het midden van het scherm.
De locatie van de cursor wordt verplaatst naar het midden
van het scherm.
De peiling en de afstand worden weergegeven naast de
nieuwe plaats van de cursor.
3. In het meetmenu selecteert u Vanaf zodat Schip is
geselecteerd.
De liniaallijn wordt opnieuw getekend vanaf de cursorpositie
naar uw schip.
4. U kunt de liniaalpositie nu aanpassen door de cursor te
verplaatsen naar de gewenste locatie.
5. Als u de liniaal wilt weergeven nadat u het meetmenu hebt
gesloten selecteert u Liniaal: zodat Aan is gemarkeerd.
Door liniaal te selecteren schakelt de liniaal Aan en Uit.
6. Selecteer Terug of OK om het meetmenu te verlaten en de
huidige meting op het scherm te laten staan.
Meten tussen twee punten
Doe het volgende in de kaarttoepassing:
1. Selecteer de locatie op het scherm waarvan u de afstand of
de peiling vanaf uw schip wilt meten.
Het kaartcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Meten.
Het volgende gebeurt:
Het meetmenu wordt weergegeven.
Er wordt een lijn getrokken vanaf de cursorpositie naar
het midden van het scherm.
De locatie van de cursor wordt verplaatst naar het midden
van het scherm.
De peiling en de afstand worden weergegeven naast de
nieuwe plaats van de cursor.
3. Selecteer Vanaf zodat Cursor is geselecteerd.
Door Meten vanaf te selecteren wordt geschakeld tussen
Schip en Cursor.
4. U kunt het eindpunt nu aanpassen door de cursor te
verplaatsen naar de gewenste locatie.
5. U kunt ook de Richting omwisselen van de liniaal zodat
de peiling wordt berekend vanaf het eindpunt naar het
beginpunt.
6. Als u de liniaal wilt weergeven nadat u het meetmenu hebt
gesloten selecteert u Liniaal zodat Aan is gemarkeerd.
Door display-liniaal te selecteren schakelt de liniaal Aan en
Uit.
7. Selecteer Terug of OK om het meetmenu te sluiten en de
huidige meting op het scherm te laten staan.
De liniaal op een andere plaats zetten
U kunt een liniaal op een andere plaats zetten door de
onderstaande stappen te volgen.
1. Selecteer de huidige liniaal.
Het liniaalcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Meten.
U kunt de liniaal nu naar wens op een andere plaats zetten.
190 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 17: Fishnder-toepassing
Inhoudsopgave
17.1 Hoe werkt de shnder op pagina 192
17.2 Sonar-technologieën op pagina 192
17.3 Raymarine sonarmodules op pagina 194
17.4 Overzicht Fishnder op pagina 194
17.5 Ondersteuning voor meerdere sonarmodules op pagina 195
17.6 Aangepaste kanalen op pagina 197
17.7 Het sonarbeeld op pagina 198
17.8 Bereik op pagina 199
17.9 Scrollen van shnder op pagina 200
17.10 Weergavemodi van de shnder op pagina 200
17.11 Opties presentatiemenu op pagina 202
17.12 Diepte en afstand op pagina 203
17.13 Waypoints in de Fishnder-toepassing op pagina 204
17.14 Gevoeligheidsinstellingen op pagina 204
17.15 Fishnder-alarmmeldingen op pagina 208
17.16 Frequentie-afstemming op pagina 209
17.17 Menu-opties instellen echolood op pagina 211
17.18 Menu-opties voor transducer-instellingen op pagina 212
17.19 De sonar resetten op pagina 213
Fishnder-toepassing
191
17.1 Hoe werkt de shnder
De Fishnder-toepassing gebruikt een sonarmodule en een
passende sonartransducer. De sonarmodule interpreteert
signalen van de transducer en genereert een gedetailleerd
onderwaterbeeld. Er zijn verschillende sonartechnologieën
beschikbaar, die allemaal werken op basis van dezelfde
principes.
De sonartransducer stuurt pulsen van geluidsgolven in het
water en meet de tijd die het geluid erover doet om naar de
zeebodem te gaan en weer terug. De terugkerende echo's
worden beïnvloed door de zeebodemstructuur en door andere
objecten op hun pad, zoals riffen, wrakken en scholen vis.
De Sonarmodule interpreteert deze signalen en creëert een
gedetailleerde weergave van het beeld onderwater, dat wordt
weergegeven in de Fishnder-toepassing.
De Fishnder-toepassing gebruikt kleuren en kleurschakeringen
om de sterkte van de terugkerende signalen aan te geven. U
kunt deze informatie gebruiken om de zeebodemstructuur en de
grootte van vis en andere objecten in het water, zoals afval of
luchtbellen, te bepalen
Opmerking: Sommige transducers hebben extra sensoren
voor het meten van de watertemperatuur en/of de snelheid.
17.2 Sonar-technologieën
Traditionele sonartechnologie
Traditionele sonar gebruikt één draagfrequentie of draaggolf
voor de sonar-ping. De sonar werkt door de tijd te meten die een
ping-echo nodig heeft om terug te keren naar de transducer en
bepaalt daardoor de diepte van een object.
D12600-2
CHIRP-technologie
CHIRP-sonars maken gebruik van een variërende
breedbandfrequentie 'CHIRP', daardoor kan het signaal
onderscheid maken tussen meerdere dicht bij elkaar liggende
objecten, waardoor de sonar meerdere objecten weergeeft
in plaats van grote gecombineerde objecten die u zou zien
wanneer u een traditionele, non-CHIRP-sonar zou gebruiken.
Voordelen van CHIRP zijn onder andere verbeteringen van
de objectresolutie, zeebodemdetectie ook door aasballen en
thermoclines en detectiegevoeligheid.
D12601-2
Overzicht CHIRP-sonar
Sonar interpreteert signalen van de transducer en genereert
een gedetailleerd onderwaterbeeld. De transducer stuurt
pulsen van geluidsgolven in het water en meet de tijd die het
geluid erover doet om naar de zeebodem te gaan en weer
terug. De terugkerende echo's worden beïnvloed door de
zeebodemstructuur en door andere objecten op hun pad, zoals
riffen, wrakken en scholen vis.
Sonar produceert een kegelvormige straal van 25°, deze
kegelvormige straal heeft betrekking op de waterkolom direct
onder het schip.
192 a Series / c Series / e Series
Kegelvormige straal
D12784-2
Sonar is effectief bij een aantal snelheden. In dieper water
wordt de bandbreedte van CHIRP automatisch geoptimaliseerd
om de zeebodemvergrendeling en de detectie van bewegende
objecten (bijv. vis) in de bredere waterkolom te verbeteren.
Schermvoorbeeld CHIRP-sonar
Overzicht CHIRP DownVision
TM
DownVision
TM
produceert een straal met een brede hoek van
links naar rechts en een dunne straal van voor naar achter. De
DownVision
TM
-straal beslaat een waterkolom direct onder en
opzij van het schip.
DownVision
TM
-straal
D12777-2
DownVision
TM
is effectief bij lagere scheepssnelheden. In
dieper water wordt de bandbreedte van CHIRP automatisch
geoptimaliseerd om de zeebodemvergrendeling en de detectie
van bewegende objecten (bijv. vis) in de bredere waterkolom
te verbeteren.
De brede, dunne straal produceert heldere terugkerende
signalen van objecten. Door CHIRP-verwerking en hogere
frequenties is het beeld gedetailleerder, waardoor het
identiceren van zeebodemstructuren waar zich vis zou kunnen
ophouden gemakkelijker wordt.
Schermvoorbeeld CHIRP DownVision
TM
Fishnder-toepassing
193
17.3 Raymarine sonarmodules
Hieronder vindt u informatie over de sonarmodules van
Raymarine.
De hieronder getoonde diepte voor DownVision
TM
-sonarmodules
is de normaal gesproken haalbare diepte, afhankelijk van de
aangesloten transducer in optimale wateromstandigheden.
De hieronder getoonde dieptes voor traditionele en
CHIRP-sonarmodules zijn de maximaal haalbare dieptes,
afhankelijk van de aangesloten transducer in optimale
wateromstandigheden.
2500 m (8,202 ft.)
3000 m (9,843 ft.)
2000 m (6,562 ft.)
1500 m (4,921 ft.)
1000 m (3,281 ft.)
800 m (2,625 ft.)
500 m (1,640 ft.)
190 m (623 ft.)
90 m (295 ft.)
90 m (295 ft.)
)
ft
t )
t.)
90 m (295 ft.)
90 m (295 ft.)
90 m (295 ft.)
T
raditional (600 W)
D
ownVision
T
raditional (1 kW)
C
HIRP (1 kW)
Sonarmodule Technologie / omschrijving
CP450C CHIRP extern
CP100
DownVision
TM
extern
Dragony
DownVision
TM
intern
a68 / a78
DownVision
TM
intern
CP300
Traditioneel extern
a67 / a77
Traditioneel intern
c97 / c127
Traditioneel intern
e7D / e97 / e127
Traditioneel intern
DSM25 / DSM30 / DSM300
Legacy extern
17.4 Overzicht Fishnder
De Fishnder-toepassing helpt u te interpreteren wat zich onder
water rond uw schip bevindt.
De verschillende functies en eigenschappen van de
Fishnder-toepassing zijn onder andere:
Kanaalselectie (actieve sonarmodule en frequentie).
*Display-modi (zoom, A-scope of zeebodemvergrendeling).
Automatische of handmatige bereikregeling.
Gevoeligheidsinstellingen die u helpen het weergegeven
beeld te optimaliseren en te vereenvoudigen.
De snelheid van het scrollende beeld pauzeren en aanpassen.
Waypoints gebruiken om een positie te markeren.
Diepten en afstanden van objecten bepalen.
Fishnder-alarmmelding (vis, diepte of watertemperatuur).
Opmerking: * De beschikbare display-modi hangen af van
de het sonarkanaal/-module die wordt weergegeven.
Fishnder-scherm
De Fishnder-toepassing laat een van links naar rechts over het
scherm bewegend beeld zien van het water onder uw schip.
Ieder venster van de Fishnder-toepassing kan afzonderlijk
worden gecongureerd en een andere sonarmodule/frequentie
weergeven.
Voorbeeld CHIRP-scherm
Voorbeeld DownVision
TM
-scherm
Het Fishnder-venster heeft de volgende functies:
De zeebodem met alle zeebodemstructuren zoals riffen en
scheepswrakken etc.
Objectafbeeldingen waarmee vis wordt aangegeven.
Een statusbalk waarop de huidige sonarmodule en gebruikte
kanaal worden aangegeven.
Diepte van de zeebodem.
* Schermregelaars.
Opmerking: * Schermregelaars zijn alleen beschikbaar
op multifunctionele displays met een touchscreen en zijn
afhankelijk van de weergegeven sonarmodule en kanaal.
194 a Series / c Series / e Series
Fishnder-toepassingsvensters
Alle vensters die een versie van de Fishnder-toepassing zijn
onafhankelijk en eventuele wijzigingen in de kanaalselectie
of display-modus worden automatisch opgeslagen voor het
betreffende venster of de toepassing.
Er kunnen meerder pagina's worden ingesteld op het
Home-venster, deze kunnen worden gebruikt om verschillende
combinaties van kanalen en weergavemodi weer te geven.
Fishnder-contextmenu
Het contextmenu van de Fishnder-toepassing geeft informatie
en snelkoppelingen naar menu-items.
Het contextmenu geeft informatie over de positie van de cursor:
Diepte
Afstand
Het contextmenu bevat eveneens de volgende menu-items:
Waypoint plaatsen
Markering plaatsen
* Markering verplaatsen
* Markering wissen
Opmerking: * Alleen beschikbaar wanneer er een markering
is geplaatst.
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
17.5 Ondersteuning voor meerdere
sonarmodules
Uw multifunctionele display ondersteunt meerdere sonarmodules
op hetzelfde netwerk.
U kunt selecteren welk sonarkanaal moet worden weergegeven
op het scherm. Er kan slechts 1 kanaal tegelijk worden
weergegeven in één venster van de Fishnder-toepassing. U
kunt meerdere kanalen tegelijk weergeven met behulp van
aangepaste pagina's met gesplitst scherm. Er kunnen ook
meerdere aangepaste pagina's worden gemaakt op basis van
persoonlijke wensen.
Kanaal Omschrijving Sonarmodule
Auto
Selecteert automatisch
de beste frequentie voor
zeebodem-tracking
Multifunctionele
display-modellen CP300,
CP450C en met sonar
50 kHz / 83
kHz
Goed voor dieper water en
voor een brede sonarstraal
Multifunctionele
display-modellen CP300,
CP450C en displays met
sonar
100 kHz
Goede details op de meeste
dieptes, met een gemiddeld
brede sonarstraal
CP450C
160 kHz
Geeft goede details in
ondiep water
CP450C
200 kHz
Geeft de beste details in
ondiep water
Multifunctionele
display-modellen CP300 en
displays met sonar
Lage CHIRP Goede objectonderschei-
ding in diep water
CP450C
Gemiddelde
CHIRP
Goede algehele
prestaties, met uitstekende
objectonderscheiding
CP450C
Hoge CHIRP
Het beste voor duidelijke
objectonderscheiding
in ondiep water en
zeebodemdetails
CP450C
DownVi-
sion
TM
Geeft op foto's lijkende
afbeeldingen van de
zeebodemstructuur
Multifunctionele
display-modellen CP100 en
DownVision
TM
Sonar (200
kHz CHIRP)
Zoekt aas- en roofvis met
een brede sonarstraal
Multifunctionele
display-modellen CP100 en
DownVision
TM
Opmerking:
1. De beschikbare kanalen hangen af van de sonarmodule
en de daarop aangesloten transducer.
2. DownVision
TM
-sonarmodules hebben zowel een
DownVision
TM
-kanaal als een traditioneel sonarkanaal.
Fishnder-toepassing
195
Het sonarkanaal selecteren
Om het kanaal te selecteren dat u wilt weergeven volgt u de
onderstaande stappen
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Kanaal.
De pagina Kanaalselectie wordt weergegeven.
3. Selecteer het tabblad voor de sonarmodule die u wilt
gebruiken.
Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare kanalen
voor de geselecteerde sonarmodule.
4. Selecteer een kanaal in de lijst.
De Kanaalselectie-pagina wordt gesloten en de
Fishnder-toepassing geeft nu het geselecteerde kanaal weer.
Meerdere sonarkanalen weergeven
Er kunnen tot 4 sonarkanalen tegelijk worden weergegeven door
een pagina te maken met een aangepast gesplitst scherm dat
meerdere versies van de Fishnder-toepassing weergeeft.
Belangrijk: Uw ping rate kan lager zijn wanneer u
verschillende kanalen van dezelfde sonarmodule tegelijk
weergeeft.
1. Maak een nieuwe pagina met een gesplitst scherm met
meerdere versies van de Fishnder-toepassing.
Raadpleeg de sectie Een bestaande pagina op het
Home-venster wijzigen voor informatie over het maken van
een pagina.
2. Open de zojuist gemaakte pagina.
3. Selecteer de OK-knop in één van de Fishnder-vensters.
4. Selecteer het kanaal dat u wilt weergeven in het
geselecteerde venster.
Raadpleeg de sectie Het sonarkanaal selecteren voor
informatie over het selecteren van een sonarkanaal.
5. Herhaal de stappen 3 en 4 voor ieder venster van de pagina
met gesplitst scherm.
Dieptegegevensbron
Wanneer er meerdere bronnen voor dieptegegevens aanwezig
zijn in een systeem en de dieptegegevensbron is ingesteld
op Automatisch, dan selecteert het systeem automatisch de
optimale bron voor de dieptegegevens.
Het systeem stelt de gegevensbron voor de diepte in
overeenkomstig de onderstaande prioriteitentabel:
1
ste
CP450C SeaTalk
hs
2
de
CP300 SeaTalk
hs
3
de
DSM300 SeaTalk
hs
4
de
DSM30 SeaTalk
hs
5
de
Traditionele
multifunctionele
displays met sonar
SeaTalk
hs
/intern
6
de
Multifunctionele
displays met
DownVision
TM
SeaTalk
hs
/intern
7
de
CP100 SeaTalk
hs
8
ste
Instrument/multifuncti-
oneel display
SeaTalk
ng
9
de
Instrument
SeaTalk
10
de
Instrument/multifuncti-
oneel display
NMEA 0183
Als meerdere sonarmodules van hetzelfde type aanwezig zijn
op een SeaTalk
hs
-netwerk, dan wordt de unit met het hoogste
serienummer geselecteerd als de voorkeursgegevensbron. Voor
SeaTalk
ng
- en NMEA 0183-netwerken wordt de unit met het
hoogste CAN-adres geselecteerd.
Als de voorkeursgegevensbron voor dieptegegevens niet
beschikbaar is, dan selecteert het systeem automatisch de
gegevensbron met de daarop volgende prioriteit.
Raadpleeg de sectie Gegevensbronnenmenu voor meer
informatie over het selecteren van voorkeursgegevensbronnen.
Belangrijk: De dieptecorrectie moet zijn ingesteld voor alle
geïnstalleerde transducers om te garanderen dat consistente
en nauwkeurige gegevens worden weergegeven. Raadpleeg
de sectie Dieptecorrectie voor meer informatie.
196 a Series / c Series / e Series
17.6 Aangepaste kanalen
U kunt aangepaste kanalen maken vanuit alle standaard
kanalen van de sonarmodule, behalve Automatische kanalen.
Hierdoor kunnen sommige instellingen worden aangepast
en opgeslagen als een afzonderlijk kanaal. Deze kanalen
kunnen daarna worden toegewezen aan de verschillende
Fishnder-toepassingsvensters. Er kunnen maximaal 10
aangepaste kanalen worden gemaakt voor iedere aangesloten
sonarmodule.
Wanneer gewijzigd, worden de volgende instellingen opgeslagen
voor het kanaal dat op dat moment wordt weergegeven:
Gevoeligheidsinstellingen
Bereikinstellingen
Frequentie-afstemming er kunnen slechts 2
frequentie-instellingen worden opgeslagen per combinatie
van transducer/sonarmodule.
Opmerking: Wanneer u een Reset sonar uitvoert, worden
alle aangepaste kanalen voor de huidige sonarmodule gewist.
Een aangepast kanaal maken
Om een aangepast kanaal te maken volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Kanaal.
De pagina Kanaalselectie wordt weergegeven.
2. Selecteer het tabblad voor de sonarmodule waarvoor u een
aangepast kanaal wilt maken.
3. Selecteer het pictogram van de Kanaalopties naast het
kanaal dat u wilt gebruiken, of
4. gebruik de regelaars om het kanaal te selecteren en houd
daarna de OK-knop ingedrukt totdat het scherm met opties
wordt weergegeven.
5. Selecteer Kanaal kopiëren.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
6. Voer de naam in die u aan uw nieuwe kanaal wilt toewijzen.
7. Selecteer OPSLAAN.
Het nieuwe kanaal is nu beschikbaar in de kanalenlijst voor
de betreffende sonarmodule.
8. Selecteer het nieuwe kanaal om het weer te geven in het
Fishnder-toepassingsvenster.
Wijzigingen in de gevoeligheid, het bereik of de
frequentie-afstemming worden automatisch opgeslagen naar
het weergegeven kanaal.
U kunt het nieuwe kanaal nu toewijzen aan een
Fishnder-toepassingsvenster.
Aangepaste kanalen hernoemen
Doe het volgende wanneer de Kanaalselectiepagina wordt
weergegeven:
1. Selecteer het tabblad voor de sonarmodule dat het kanaal
bevat dat u wilt hernoemen.
2. Selecteer het Kanaalopties-pictogram naast het aangepaste
kanaal.
De pagina met aangepaste kanaalopties wordt weergegeven
3. Selecteer Hernoemen.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
4. Voer de nieuwe naam in voor het kanaal.
5. Selecteer OPSLAAN.
Aangepaste kanalen verwijderen
Doe het volgende wanneer de Kanaalselectiepagina wordt
weergegeven:
1. Selecteer het tabblad voor de sonarmodule dat het kanaal
bevat dat u wilt verwijderen.
2. Selecteer het Kanaalopties-pictogram naast het aangepaste
kanaal.
3. Selecteer Delete (Verwijderen).
Er wordt een bevestigingsdialoogvenster weergegeven.
4. Selecteer Ja.
Het aangepaste kanaal is nu verwijderd uit uw systeem.
Fishnder-toepassing
197
17.7 Het sonarbeeld
De zeebodem interpreteren met behulp van
sonar
Het is belangrijk dat u begrijpt hoe u op de juiste wijze de
zeebodemstructuur dient te interpreteren op het scherm.
De zeebodem produceert normaal gesproken een sterke echo.
De volgende beelden laten zien hoe verschillende
omstandigheden van de zeebodem worden weergegeven op
het scherm:
D6855-3
1
2
3
Nummer Omschrijving
1
Een harde bodem (zand) produceert een dunne lijn.
2
Een zachte bodem (modder of bedekt met zeewier)
produceert een brede lijn.
3
Een rotsachtige of oneffen bodem of een wrak produceert
een onregelmatig beeld met pieken en dalen.
De donkere lagen geven een goede echo aan, de lichtere
gebieden betekenen zwakkere echosignalen. Dit kan betekenen
dat de bovenste laag zacht is waardoor geluidsgolven
erdoorheen gaan naar de meer solide laag eronder.
Het is ook mogelijk dat de geluidsgolven de volledige afstand
twee keer aeggen - ze raken de zeebodem, weerkaatsen tegen
het schip en reecteren daarna weer van de zeebodem. Dit kan
gebeuren wanneer het water ondiep is of de zeebodem hard.
Factoren die van invloed zijn op het
sonar-display
De kwaliteit en de nauwkeurigheid van de weergave
kan worden beïnvloed door een aantal factoren, zoals
scheepssnelheid, diepte, objectomvang, achtergrondgeluid en
transducer-frequentie.
Scheepssnelheid
De vorm van het object verandert afhankelijk van uw snelheid.
Lagere snelheden resulteren in vlakkere, meer horizontale
markeringen. Door hogere snelheden wordt het object dikker en
iets gebogen, bij hoge snelheden lijkt de markering uiteindelijk
op een dubbele verticale lijn.
Objectdiepte
Hoe dichter het object zich bij het oppervlak bevindt, hoe groter
de markering op het scherm is.
Waterdiepte
Als het water dieper wordt, wordt de signaalsterkte minder, wat
resulteert in een lichter beeld van de zeebodem op het scherm.
Omvang van het object
Hoe groter het object, hoe groter het wordt weergegeven op de
Fishnder-weergave. De omvang van een visobject hangt ook
af van de omvang van de zwemblaas van de vis, en minder van
zijn totale omvang. De omvang van de zwemblaas varieert per
vissoort.
Sluier/achtergrondruis
Het beeld van de Fishnder kan worden beïnvloed door
echosignalen die worden ontvangen van drijvend of gezonken
afval, luchtbellen en zelfs de beweging van het schip. Dit
staat bekend als ‘ruis’ of ‘sluier en wordt geregeld door
de gevoeligheidsinstellingen. Het systeem kan sommige
instellingen automatisch regelen overeenkomstig de diepte en
de wateromstandigheden. U kunt de instellingen wanneer nodig
ook handmatig aanpassen.
Transducer-frequentie
Hetzelfde object ziet er anders uit wanneer verschillende
transducerfrequenties worden gebruikt. Hoe lager de frequentie,
hoe breder de markering.
Verloren zeebodem herstellen
Wanneer de zeebodem verloren is gegaan volgt u de
onderstaande stappen om de diepte van de zeebodem te
herstellen.
Doe het volgende in de shnder-toepassing:
1. Zorg ervoor dat uw schip zich in helder en rustig water
bevindt.
2. Wanneer het bereik is ingesteld op Handmatig, past u het
bereik aan de bekende diepte van uw locatie volgens de
kaart aan, of
3. Wanneer het bereik is ingesteld op Automatisch, stel het
sonarbereik dan in op handmatig en pas het bereik aan de
bekende diepte van uw locatie volgens de kaart aan.
4. Nadat de zeebodem is hersteld, kunt u de bereikmodus
terugzetten naar Automatisch.
198 a Series / c Series / e Series
17.8 Bereik
Met de Bereik-functie kunt u het bereik van de diepte deniëren
die u ziet op de Fishnder-toepassing. In Automatische bereik
past de Fishnder-toepassing het bereik automatisch aan om
ervoor te zorgen dat de waterkolom en de zeebodem altijd
worden weergegeven. In Handmatig bereik kunt u het bereik dat
op het scherm wordt weergegeven aanpassen aan uw eigen
wensen.
De onderstaande tabel laat voorbeelden zien van de
Bereik-functie met verschillende sonartypen.
Traditionele en
CHIRP-kanalen DownVision
TM
-kanaal
Automa-
tisch bereik
Handmatig
bereik
Het dieptebereik wijzigen
U kunt één van de onderstaande opties kiezen:
Automatische aanpassing, waarbij het display automatisch
het vereiste meest ondiepe bereik weergeeft.
Handmatige aanpassing van het dieptebereik, tot de maximale
diepte die is toegestaan door de Fishnder-toepassing.
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Bereik.
2. Selecteer Bereik om te schakelen tussen Automatisch en
Handmatig.
3. Wanneer de handmatige modus is geselecteerd kunt u
het dieptebereik dat op het scherm wordt weergegeven
aanpassen.
Opmerking: Wanneer het Bereik-menu is weergegeven kunt
u de Draaiknop niet gebruiken om het bereik in en uit te
zoomen. Om de Draaiknop te gebruiken om het bereik in en
uit te zoomen dient u eerst het Bereik-menu te sluiten.
Bereik in- en uitzoomen
De methode voor het in- en uitzoomen van het bereik van de
Fishnder-toepassingen is afhankelijk van het gebruikte model
multifunctionele display.
De onderstaande tabel laat de bereikregelaars zien die
beschikbaar zijn op de verschillende displaymodellen.
Bediening
Multifunctionele
displays
Draaiknop c-serie
e-serie
RMK-9-toetsenbord
Knoppen Bereik
inzoomen en Bereik
uitzoomen
c-serie
e-serie (met
uitzondering van
e7 en e7D)
RMK-9-toetsenbord
Schuif het scherm
Omhoog of Omlaag
a-serie
e-serie
gS-serie
Bereikverschuiving
Met de Bereikverschuiving-functie kunt u een speciek gebied
van de waterkolom op het scherm weergeven.
In het voorbeeld hieronder worden de bovenste 20 voet van de
waterkolom niet weergegeven
Bereikverschuiving gebruiken
De standaard instelling past het display aan, zodat de zeebodem
zich in de onderste helft van het scherm bevindt. U kunt het
beeld ook verschuiven binnen het huidige bereik.
Doe het volgende in het toepassingsmenu, terwijl het Bereik is
ingesteld op Handmatig:
1. Selecteer Bereik.
2. Selecteer Bereikverschuiving.
Het dialoogvenster Bereikverschuiving wordt weergegeven.
3. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
U ziet dat het bereik op het scherm verandert terwijl u de
instelling aanpast.
4. Selecteer Terug of druk op de OK-knop om de instelling
te bevestigen en het dialoogvenster bereikverschuiving te
sluiten.
Fishnder-toepassing
199
17.9 Scrollen van shnder
Het shnder-beeld beweegt van rechts naar links. U kunt de
beweging pauzeren of de snelheid aanpassen om het plaatsen
van waypoints of VRM's op het scherm te vergemakkelijken.
Scroll-snelheid
U kunt de snelheid waarmee het shnder-beeld beweegt
aanpassen. Een hogere snelheid geeft meer details, wat handig
kan zijn wanneer u op zoek bent naar vis. Als u een lagere
snelheid selecteert blijft de informatie langer op het display
staan.
Scrollen pauzeren
U kunt het display pauzeren om een ‘foto’ van het shnder-beeld
te bekijken. Wanneer het beeld wordt gepauzeerd, stopt het
scrollen maar de diepte-indicator wordt wel steeds bijgewerkt.
De scroll-snelheid aanpassen
De standaard scroll-snelheid is 100%, de scroll-snelheid kan
worden aangepast door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Scroll-snelheid.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
scroll-snelheid wordt weergegeven.
3. Stel de scroll-snelheid in op de gewenste instelling.
De stappen voor het instellen zijn als volgt:
stappen van 10% voor waarden tussen 10% en 100%
stappen van 100% voor waarden tussen 100% en 500%
4. Selecteer Terugof OK om te bevestigen en de numerieke
regelaar te sluiten.
Het scherm pauzeren
De Fishnder-toepassing kan worden gepauzeerd.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Scrollen zodat Pauzeren worden gemarkeerd.
Wanneer u opnieuw Scrollen selecteert wordt het scrollen
hervat.
17.10 Weergavemodi van de shnder
Een Fishnder-display-modus selecteren
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Selecteer modus:.
4. Selecteer de gewenste display-modus:
Geen
Zoom
* A-Scope
* Zeebodemvergrendeling
Opmerking: * Niet beschikbaar op het DownVision
TM
-kanaal
van DownVision
TM
-sonarmodules.
Fishnder-zoommodus
De modus Zoom display vergroot een deel van het
shnder-scherm en toont daardoor meer details.
Met deze zoomoptie kunt u:
Het standaard shnder-beeld vervangen door het
ingezoomde beeld, of het ingezoomde beeld naast het
standaard shnder-beeld weergeven.
De zoom-factor instellen op één van de beschikbare niveaus,
of hem handmatig aanpassen.
Het ingezoomde deel van het beeld verplaatsen naar een
andere plaats op het display.
Wanneer het bereik groter wordt, wordt het gebied dat wordt
weergegeven in het zoom-venster ook groter.
Zoom gesplitst
Met de modus Zoom display kunt u het scherm splitsen en
het ingezoomde beeld naast het standaard shnder-beeld
weergeven (ZOOM GESPLITST). De ingezoomde sectie wordt
door middel van een zoom-kader aangegeven op het standaard
shnder-scherm.
Gesplitst scherm selecteren in zoommodus
Doe het volgende vanuit de shnder-toepassing, met de
zoomdisplay-modus geselecteerd:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Zoom zodat Gesplitst is gemarkeerd.
Door Zoom te selecteren wordt geschakeld tussen Gesplitst
en Volledig.
De zoom-factor van Fishnder aanpassen
Wanneer de display-modus is ingesteld op Zoom, kunt u een
zoomfactor selecteren of handmatig aanpassen.
Doe het volgende vanuit de Fishnder-toepassing, met de
display- ingesteld op Zoom.
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Zoom-factor.
200 a Series / c Series / e Series
4. Selecteer de voorkeursinstelling van de Zoom-factor (x2, x3,
x4) of selecteer Handmatig
Nadat u uw keuze hebt gemaakt keert u terug naar het menu
Display-modus.
5. Als u Handmatig hebt geselecteerd selecteert u daarna
Handmatige zoom
Het dialoogvenster handmatig aanpassen zoomfactor wordt
weergegeven.
6. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
7. Selecteer Terug of gebruik de OK-knop om de instelling te
bevestigen.
De positie van het zoom-gebied van Fishnder aanpassen
Wanneer de zoom-display-modus is geselecteerd, kiest
het systeem automatisch de zoom-positie zodat de
zeebodemgegevens altijd op de onderste helft van het scherm
worden weergegeven. Wanneer nodig kunt u het deel van het
beeld waarop wordt ingezoomd veranderen zodat een ander
gebied wordt weergegeven.
Doe het volgende vanuit de Fishnder-toepassing, met
Zoom-display-modus geselecteerd:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Zoom-positie zodat Handmatig is geselecteerd.
Door het menu 'Zoom-positie' te selecteren wordt geschakeld
tussen Handmatig en Automatisch.
4. Selecteer Handmatige zoom-positie:.
De numerieke regelaar voor de Zoom-positie wordt
weergegeven.
5. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
6. Selecteer Terug of OK om het menu te sluiten.
Fishnder A-Scope-modus
Met de A-Scope-modus kunt u een live (in tegenstelling tot een
historisch) beeld bekijken van de zeebodem en de vis direct
onder uw schip.
De standaard Fishnder toont alleen een historisch beeld van
Fishnder-echosignalen. Indien gewenst kunt u met behulp
van de A-Scope-functie een live beeld weergeven van de
zeebodemstructuur en de vis direct onder de transducer. De
hoeveelheid zeebodem die wordt gedekt door A-Scope wordt
aangegeven aan de onderkant van het venster. A-Scope
geeft een meer nauwkeurige en gemakkelijker te interpreteren
indicatie van objectsterkte.
Er zijn drie A-Scope-modi:
Modus 1 Modus 2 Modus 3
Het A-scope-beeld
wordt gecentreerd
op het venster
weergegeven.
De linkerkant van het
beeld van modus 1
is uitgerekt voor een
meer gedetailleerd
beeld.
Het A-scope-beeld
buigt naar buiten af
omdat het signaal in de
diepte breder wordt.
De cijfers die onderaan worden weergegeven in A-Scope-modus
geven de geschatte diameter (in de geselecteerde
diepte-eenheden) van het door de konische straal bereikte
bodemoppervlak.
De A-Scope-modus selecteren
Doe het volgende vanuit de Fishnder-toepassing, met de
display-modus 'A-Scope' geselecteerd:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Selecteer modus:.
4. Selecteer A-Scope.
5. Selecteer A-Scope: om de lijst met A-Scope-modi weer te
geven.
6. Selecteer de gewenste modus.
Zeebodemvergrendeling
De display-modus Zeebodemvergrendeling past een lter toe
dat het beeld van de zeebodem afvlakt en objecten op of direct
boven de zeebodem beter zichtbaar maakt. Deze functie is met
name handig voor het zoeken van vis dat dicht bij de zeebodem
voedsel zoekt.
Door het bereik van het zeebodemvergrendelingsbeeld aan
te passen kun u de zeebodem meer gedetailleerd zien. U
kunt voor het beeld ook een andere positie kiezen op het
scherm, tussen de onderkant van het venster (0%) en het
midden van het venster (50%) met behulp van de regelaar
zeebodemverschuiving.
Fishnder-toepassing
201
Bereik/positie van de bodemvergrendeling aanpassen
Doe het volgende vanuit de shnder-toepassing, met de
display-modus 'bodemvergrendeling' geselecteerd:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-modus.
3. Selecteer Vergrendeling zeebodem om te schakelen tussen
Volledig scherm en Gesplitst scherm
4. Selecteer Bereik B-vergrendeling.
Wanneer u het bodemvergrendelingsbereik selecteert wordt
het dialoogvenster voor aanpassing van het bereik van de
B-vergrendeling weergegeven.
5. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
6. Selecteer Terug of gebruik de OK-knop om de instelling te
bevestigen.
7. Selecteer Verandering B-vergrendeling om het beeld op
het scherm opnieuw te positioneren.
Wanneer u het bodemvergrendelingsverschuiving selecteert
wordt het dialoogvenster voor aanpassing van de
verschuiving van de B-vergrendeling weergegeven.
8. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
9. Selecteer Terug of gebruik de OK-knop om de instelling te
bevestigen.
17.11 Opties presentatiemenu
Het Presentatie-menu geeft toegang tot functies voor extra
gedetailleerde informatie op het scherm.
De onderstaande tabel laat de beschikbare Presentatie-opties
zien.
Menu-item Omschrijving Opties
*Diepte-ID object Bepaalt of de diepte
van geïdenticeerde
objecten wordt
weergegeven.
Het niveau van
de weergegeven
objecten is direct
gekoppeld aan het
gevoeligheidsniveau
van het Visalarm.
Aan
Uit
Dieptelijnen
Bepaalt of de
horizontale lijnen die
de diepte aangeven
worden weergegeven.
Aan
Uit
*Witte lijn
Wanneer deze optie
Aan wordt gezet
wordt een witte lijn
weergegeven langs
de contouren van de
zeebodem. Dit helpt
bij het onderscheiden
van objecten dicht bij
de zeebodem.
Aan
Uit
*Bodemvulling
Wanneer deze
optie Aan staat,
wordt de zeebodem
weergegeven als een
effen kleur.
Aan
Uit
Kleurenpalet Er zijn verschillende
kleurenpaletten
beschikbaar voor
verschillende
omstandigheden
en uw persoonlijke
voorkeuren.
Traditionele /
CHIRP-sonarkanalen
Klassiek blauw
Klassiek zwart
Klassiek wit
Zonnestraal
Grijsschaal
Geïnverteerde
grijsschaal
Koper
Nachtzicht
DownVision
TM
-
kanalen
Koper
Geïnv. Koper
Leigrijs
Geïnv. Leigrijs
Scroll-snelheid
Bepaalt de
scroll-snelheid van
de Fishnder.
10% 500%
202 a Series / c Series / e Series
Menu-item Omschrijving Opties
Versterkingsrege-
laars
Bepaalt of de gevoe-
ligheidsinstellingen wel
of niet op het scherm
worden weergegeven.
Weerge-
ven (standard-
waarde)
Verbergen
Instellingen
gegevenskaders
Hiermee kunt u tot
2 gegevenskaders
weergeven/verbergen
in de hoek linksonder
van het scherm:
Gegevenskader 1
Selecteer gegevens
Gegevenskader 2
Selecteer gegevens
Gegevenskader 1
Aan
Uit
Selecteer gegevens
Hiermee kunt een
gegevenstype
selecteren per
categorie.
Gegevenskader 2
Aan
Uit
Selecteer gegevens
Hiermee kunt een
gegevenstype
selecteren per
categorie.
Opmerking:
* Niet beschikbaar op DownVision
TM
-kanalen.
17.12 Diepte en afstand
De Fishnder-toepassing heeft een aantal functies die u helpen
bij het bepalen van diepten en afstanden. Deze functies zijn
hieronder beschreven:
D12222-5
1 2 43 5 76
Omschrijving
1 Dieptemeting huidige diepte van de zeebodem.
2 Diepte object-ID diepten worden weergegeven ten opzichte van
herkende objecten. De gevoeligheid van deze ID's is gekoppeld
aan de visalarmgevoeligheid: hoe hoger de visalarmgevoeligheid,
hoe groter het aantal objecten met labels.
3
Dieptelijnen horizontale stippellijnen op regelmatige afstanden
waarmee de diepte vanaf het oppervlak wordt aangegeven.
4
Horizontale VRM-markering geeft de diepte van het object aan.
5
Verticale VRM-markering geeft de afstand achter uw schip aan.
6
Cursordiepte dit is de diepte op de cursorpositie.
Cursorbereik dit is de afstand van uw schip naar de
cursorpositie.
7
Dieptemarkeringen deze getallen geven de diepte aan.
Diepte en afstand meten met VRM
U kunt een variabele bereikmarkering (Variable Range Marker,
VRM) gebruiken om de diepte en afstand van een object
achter uw schip te bepalen. Deze markeringen bestaan uit
een horizontale (diepte-)lijn en een verticale (afstands-)lijn, die
beiden zijn gemarkeerd met de betreffende meetwaarden.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu
2. Selecteer Scrollen zodat Pauzeren is gemarkeerd (hierdoor
is het gemakkelijker de markering te plaatsen).
Door Scrollen te selecteren schakelt het scrollen tussen
Pauzeren en Hervatten.
3. Selecteer de locatie waar u een markering wilt plaatsen.
4. Open het Fishnder-contextmenu.
5. Selecteer Markering plaatsen.
Nadat u een markering hebt geplaatst kunt u hem
verplaatsen door Markering verplaatsen te selecteren in het
contextmenu van Fishnder.
Opmerking: De VRM is alleen beschikbaar in de
Zeebodemvergrendelingsmodus, wanneer de display-modus
Gesplitst scherm is.
Fishnder-toepassing
203
17.13 Waypoints in de Fishnder-
toepassing
Door een waypoint in de Fishnder-toepassing te plaatsen kunt
u een positie markeren zodat u daar later naar terug kunt keren.
Wanneer een waypoint is geplaatst, worden de gegevens
daarvan aan de waypoint-lijst toegevoegd en er wordt een
verticale lijn met het waypoint-symbool weergegeven op het
scherm. U kunt daarna naar de waypoints navigeren met behulp
van de Kaart-toepassing.
Een Waypoint plaatsen in de
shnder-toepassing
Doe het volgende in de shnder-toepassing:
1. Selecteer de gewenste locatie en houd deze vast.
Het shnder-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Waypoint plaatsen.
Een waypoint plaatsen met behulp van de
WPT-knop of -pictogram
Doe het volgende in de shnder-toepassing:
1. Selecteer WPT.
Het waypoint-menu wordt weergegeven.
2. Doe het volgende wanneer het waypoint-menu geopend is:
Selecteer WPT opnieuw om een waypoint te plaatsen op
de positie van uw schip, of
Selecteer de gewenste optie: Waypoint plaatsen op schip,
Waypoint plaatsen op cursor of Waypoint plaatsen op
breedte-/lengtegraad.
Een Waypoint plaatsen met behulp van het
contextmenu
U kunt een waypoint plaatsen in de Fishnder-toepassing met
behulp van het contextmenu.
Doe het volgende vanuit het Fishnder-contextmenu:
1. Selecteer Waypoint plaatsen.
Het Waypoint wordt geplaatst op de plek van de cursor en
het dialoogvenster Nieuw waypoint wordt weergegeven.
2. Selecteer Ok om de standaard waypointgegevens te
accepteren, of
3. Selecteer een veld waarvan u de gegevens voor het nieuwe
waypoint wilt bewerken.
17.14 Gevoeligheidsinstellingen
Het menu Gevoeligheidsinstellingen geeft u toegang tot de
functies die het beeld op het scherm verbeteren. In de meeste
situaties zijn de standaard instellingen voldoende.
De onderstaande tabel laat de verschillende gevoeligheidsinstel-
lingen zien voor ieder type sonarmodule.
DownVi-
sion
TM
CHIRP
extern
Traditio-
neel ex-
tern
Traditio-
nal intern
Legacy
extern
Verster-
king
Ja Ja Ja Ja Ja
Automa-
tische
verster-
kings-
modi
Nee Nee Nee Ja Ja
Kleurver-
sterking
Nee Ja Ja Ja Ja
Contrast
Ja Nee Nee Nee Nee
TVG
Nee Ja Ja Ja Ja
Automa-
tische
TVG-
modi
Nee Ja Ja Nee Nee
Ruislter
Ja Nee Nee Nee Nee
Kleur-
drempel
Ja Ja Ja Ja Ja
Vermo-
gensmo-
dus
Nee Ja Ja Ja Ja
Opmerking: * Automatische TVG-modi worden uitgeschakeld
wanneer TVG is ingesteld op handmatig.
Versterking
De versterkingsinstellingen veranderen de manier waarop de
sonarmodule achtergrondruis verwerkt. Het aanpassen van de
versterkingsinstellingen kan het sonarbeeld verbeteren, voor
optimale prestaties in de meeste omstandigheden adviseren wij
echter het gebruik van de automatische instellingen.
De versterkingsregelaar bepaalt de signaalsterkte waarboven
echo's op het scherm worden weergegeven.
20% handmatige
versterking
Automatische
versterking
80% handmatige
versterking
Automatisch
In Automatische modus past de sonarmodule de
versterkingsinstelling automatisch aan de huidige
omstandigheden aan.
Wanneer aangesloten op een legacy sonarmodule of een
traditionele interne sonarmodule, zijn er 3 automatische
versterkingsmodi beschikbaar.
Kruisen (Laag)
Slepen (Gemiddeld)
Vissen (snel)
.
Handmatig
Wanneer nodig kunt u de versterking handmatig instellen, op
een waarde tussen 0% en 100%. Deze waarde dient hoog
genoeg te worden ingesteld om vis en details van de zeebodem
204 a Series / c Series / e Series
te zien, zonder teveel achtergrondruis. Over het algemeen wordt
een hoge versterking gebruikt voor diep en/of helder water en
een lage versterking voor ondiep en/of troebel water.
De nieuwe waarden blijven behouden, ook wanneer u uw
display uitschakelt.
Versterkingsregelaars op het scherm
Multifunctionele displays met alleen touchscreen en HybridTouch
multifunctionele hebben versterkingsregelaars op het scherm.
Wanneer u de versterkingsregelaar op het scherm selecteert
worden de versterkingsinstellingen weergegeven:
Wanneer aangesloten op een legacy sonarmodule of een
traditionele interne sonarmodule, heeft de automatische
versterking 3 modi.
Wanneer aangesloten op externe CHIRP-, externe traditionele of
DownVision
TM
-sonarmodules zijn geen versterkingsmodi vereist.
Wanneer de modus handmatig is, wordt de schuifbalkregelaar
weergegeven.
Versterkingsregelaars op het scherm in- en
uitschakelen
U kunt de versterkingsregelaars op het scherm in- en
uitschakelen door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende op een multifunctioneel display met
touchscreen, terwijl de betreffende toepassing wordt
weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Versterkingsregelaars.
Wanneer u de Versterkingsregelaars selecteert wordt
geschakeld tussen weergave en verbergen van de regelaars
op het scherm.
Opmerking: Wanneer de versterkignsregelaars op
het scherm worden ingesteld op Verborgen, dan kunt
u de Versterkingsinstellingen direct openen vanuit het
toepassingsmenu: Menu > Versterking.
De versterking handmatig aanpassing met behulp van
regelaars op het scherm
1. Selecteer de Versterking-regelaar op het scherm links van
de Fishnder-toepassing.
2. Selecteer het vakje Automatisch om te schakelen tussen
Automatische en Handmatige versterking.
3. Wanneer Automatisch niet is geselecteerd selecteert u de
Schuifbalk en houdt u deze vast en verplaatst u hem naar
Links om de waarde te verlagen of naar Rechts om de
waarde te verhogen.
De automatische versterkingsmodus instellen met
behulp van de regelaars op het scherm
1. Selecteer de Versterking-regelaar op het scherm links van
de Fishnder-toepassing.
2. Selecteer het vakje Automatisch om er een vinkje in te
plaatsen.
3. Selecteer de gewenste Automatische versterkingsmodus.
De shnder-versterking aanpassing met behulp van het
menu
U kunt de instelling van de shnder-versterking openen vanuit
het shnder-menu.
Doe het volgende in de shnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen gevoeligheid.
3. Selecteer Versterking.
Het dialoogvenster Versterking aanpassen wordt
weergegeven
4. Stel de versterkingsregelaar in op de gewenste waarde, of
5. Selecteer Automatisch.
Er wordt een vinkje weergegeven in het vakje Automatisch
om aan te geven dat automatische versterking is
ingeschakeld.
De automatische versterkingsmodus instellen met behulp
van het menu
Wanneer u een legacy sonarmodule of een traditionele interne
sonarmodule gebruikt, zijn er 3 automatische versterkingsmodi
beschikbaar. De automatische versterkingsmodus kan worden
ingesteld door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
2. Selecteer Automatische signaalversterkingsmodus.
3. Selecteer de gewenste automatische versterkingsmodus.
Kleurversterking
Traditionele, CHIRP- en legacy sonarkanalen gebruiken
verschillende kleuren om de sterke van een echosignaal te
bepalen. U kunt de kleurversterking handmatig aanpassen
tussen 0% en 100% of het instellen op automatisch.
20% handmatige
kleurversterking
Automatische
kleurversterking
80% handmatige
kleurversterking
Kleurversterking stelt de onderste limiet in voor de sterkste
echokleur. Alle echo's met een signaalsterkte boven deze
waarde worden weergegeven in de sterkste kleur. De signalen
met een zwakkere waarde worden gelijkmatig verdeeld over
de resterende kleuren.
Wanneer u een lage waarde instelt wordt een brede band
gecreëerd voor de zwakste kleur maar een smalle signaalband
voor resterende kleuren.
Wanneer u een hoge waarde instelt wordt een brede band
gecreëerd voor de sterkste kleur maar een smalle signaalband
voor resterende kleuren.
De kleurversterking aanpassen
Om de kleurversterking op Legacy en traditionele
CHIRP-sonarkanalen aan te passen volgt u de onderstaande
stappen.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
3. Selecteer Kleurversterking.
De schuifbalkregelaar voor de kleurversterking wordt
weergegeven.
4. Stel de regelaar in op de gewenste waarde.
5. Selecteer Terug om de instelling te bevestigen en de
schuifbalk te sluiten, of
6. Selecteer Automatisch om automatische kleurversterking
in te schakelen.
Fishnder-toepassing
205
Contrast
DownVision
TM
gebruikt monochrome schaduwen om de sterkte
van een echo te bepalen. U kunt het contrast handmatig
aanpassen tussen 0% en 100% of het instellen op automatisch.
20% handmatig
contrast
Automatisch contrast
80% handmatig
contrast
Contrast stelt de onderste limiet in voor de sterkste
echoschakering. Alle echo's met een signaalsterkte boven deze
waarde worden weergegeven in de lichtste kleur. De signalen
met een zwakkere waarde worden gelijkmatig verdeeld over
de resterende kleuren.
Wanneer u een lage waarde instelt wordt een brede band
gecreëerd voor de donkerste kleurschakering, maar een
smalle signaalband voor resterende kleurschakeringen.
Wanneer u een hoge waarde instelt wordt een brede band
gecreëerd voor de lichtste kleurschakering, maar een smalle
signaalband voor resterende kleurschakeringen.
Het contrast aanpassen
Om de instelling van het contrast aan te passen volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
3. Selecteer Contrast.
De schuifbalkregelaar voor contrast wordt weergegeven.
4. Stel de regelaar in op de gewenste waarde.
5. Selecteer Terug om de instelling te bevestigen en de
schuifbalk te sluiten, of
6. Selecteer Automatisch om automatisch contrast in te
schakelen.
Time Varied Gain (TVG)
De instelling Time Varied Gain (TVG) regelt de hoeveelheid
demping die wordt toegepast op de hele waterkolom, wat zorgt
voor een balans tussen terugkerende signalen uit ondiep water
(waar de echosignalen sterk zijn) en de terugkerende signalen
uit diep water (waar de echosignalen zwak zijn) zodat objecten
van dezelfde afmeting echosignalen genereren van vergelijkbare
omvang, onafhankelijk van de diepte van het object. De
TVG-instelling kan handmatig worden ingesteld tussen 0% en
100%, of worden ingesteld op automatisch.
D13057-1
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80%
90% 100%
Een hogere TVG-instelling genereert zwakkere
objecten/minder sluier op het scherm.
Een lagere TVG-instelling genereert sterkere objecten/meer
ruis op het scherm.
Opmerking: TVG-waarden tussen 0% en 30% zijn
'Bovendeel uit'-modusregeling, waarden tussen 31% en 100%
zijn TVG-regeling.
31% TVG 100% TVG Automatische TVG
Opmerking: TVG heeft geen invloed in simulatormodus maar
de Bovendeel uit-modus (0% tot 30%) wel.
Bovendeel uit-modus
Bovendeel uit-modus is een digitaal lter dat kan worden
gecombineerd met de TVG-regelaar. Het Bovendeel
uit-moduslter vermindert ruis en sluier uit het bovenste deel
van de sonar-straal.
De Bovendeel uit-modus is actief wanneer TVG-waarden tussen
0% en 30% liggen. Waarden tussen 31% en 100% staan voor
daadwerkelijke TVG-regeling.
0% TVG 30% TVG
De TVG instellen op automatisch
De TVG-instelling kan worden ingesteld op automatisch door de
onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
3. Selecteer TVG.
De schuifbalkregelaar voor TVG wordt weergegeven.
4. Selecteer Automatisch zodat er een vinkje wordt geplaatst
in het vakje Automatisch.
Automatishe TVG-modus
Wanneer TVG is ingesteld op automatisch zijn er 3 automatische
TVG-modi beschikbaar, afhankelijk van de gebruikte
sonarmodule.
De beschikbare automatische TVG-modi zijn:
Laag
Gemiddeld
Hoog
Automatische TVG-modi zijn alleen beschikbaar op legacy
sonarmodules en traditionele interne sonarmodules.
Een auto-TVG-modus selecteren
Volg de onderstaande stappen om een Auto-TVG-modus te
selecteren.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing met TVG ingesteld
op Automatisch:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
3. Selecteer Automatische TVG.
4. Selecteer de gewenste instelling: Laag, Gemiddeld of Hoog.
TVG handmatig aanpassen
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
2. Selecteer TVG.
De schuifbalkregelaar voor TVG wordt weergegeven.
3. Stel de schuifbalkregelaar in op de gewenste instelling.
206 a Series / c Series / e Series
Waarden tussen 31% en 100% staan voor TVG-regeling.
4. Selecteer Terug of OK om de schuifbalkregelaar te sluiten.
TVG-regelaars op het scherm
Multifunctionele displays met alleen touchscreen en HybridTouch
multifunctionele displays hebben TVG-regelaars op het scherm.
Wanneer u de TVG-regelaar op het scherm selecteert worden
de TVG-instellingen weergegeven.
Wanneer aangesloten op externe CHIRP-sonarmodules
(met uitzondering van DownVision
TM
) en externe traditionele
sonarmodules (met uitzondering van legacy) heeft de
automatische TVG 3 modi.
Wanneer de modus handmatig is, wordt de schuifbalkregelaar
weergegeven.
Versterkingsregelaars op het scherm in- en
uitschakelen
U kunt de versterkingsregelaars op het scherm in- en
uitschakelen door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende op een multifunctioneel display met
touchscreen, terwijl de betreffende toepassing wordt
weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Versterkingsregelaars.
Wanneer u de Versterkingsregelaars selecteert wordt
geschakeld tussen weergave en verbergen van de regelaars
op het scherm.
Opmerking: Wanneer de versterkignsregelaars op
het scherm worden ingesteld op Verborgen, dan kunt
u de Versterkingsinstellingen direct openen vanuit het
toepassingsmenu: Menu > Versterking.
TVG handmatig aanpassen met behulp van regelaars
op het scherm
Multifunctionele displays met alleen touchscreen en HybridTouch
multifunctionele displays hebben TVG-regelaars op het scherm.
1. Selecteer de TVG-regelaar op het scherm links van de
Fishnder-toepassing.
2. Selecteer het vakje Automatisch om te schakelen tussen
Automatische en Handmatige TVG.
3. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
De automatische TVG instellen met behulp van de
regelaars op het scherm
Multifunctionele displays met alleen touchscreen en HybridTouch
multifunctionele displays hebben TVG-regelaars op het scherm.
1. Selecteer de TVG-regelaar op het scherm links van de
Fishnder-toepassing.
2. Selecteer het vakje Automatisch om de Automatische
TVG-modus te selecteren.
3. Wanneer aangesloten op externe CHIRP-sonarmodules
(met uitzondering van DownVision
TM
) en externe traditionele
sonarmodules (met uitzondering van legacy) kunt u een
automatische TVG-modus selecteren.
Ruislter
Het Ruislter is beschikbaar op DownVision
TM
-sonarmodules.
Het ruislter reduceert de hoeveelheid sluier op het scherm door
de versterking over de waterkolom te variëren.
Het ruislter kan automatisch worden ingesteld of handmatig
worden aangepast:
Automatisch in de modus Automatisch wordt het ruislter
ingesteld op 20%.
Handmatig u kunt het ruislter handmatig aanpassen, op
een waarde tussen 0% en 100%.
Een lagere waarde verlaagt de diepte waarop het lter
wordt toegepast.
Een hogere waarde verhoogt de diepte waarop het lter
wordt toegepast.
De nieuwe waarden blijven behouden, ook wanneer u het
display uitschakelt.
Het ruislter aanpassen
Volg de stappen hieronder om het ruislter aan te passen.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
3. Selecteer Ruislter.
De schuifbalkregelaar voor Ruislter wordt weergegeven.
4. Stel het ruislter in op de gewenste waarde, of
5. selecteer het vakje Automatisch om over te schakelen naar
Automatische modus.
Opmerking: Het Ruislter kan ook worden aangepast door N
op het scherm te selecteren. Filter-regelaar.
Kleurdrempel
De kleurdrempel bepaalt de signaalsterkte waaronder objecten
niet worden weergegeven. Traditionele en CHIRP-sonar
gebruiken verschillende kleuren om de signaalsterktes te
bepalen, DownVision
TM
gebruikt echter monochrome tinten.
De instelling voor de kleurdrempel is een algemene instelling.
Wanneer de kleurdrempel wordt gewijzigd, delen alle
Fishnder-toepassingsvensters op alle via het netwerk
aangesloten multifunctionele displays dezelfde waarde voor de
kleurdrempel.
Kleurdrempel
Traditionele /
CHIRP-kanalen DownVision
TM
-kanaal
100% (standard-
waarde)
50%
Een lage instelling heeft als gevolg dat alleen objecten met de
sterkste kleuren of lichtste tinten worden weergegeven.
De kleurdrempel aanpassen
De standaard waarde van de kleurdrempel 100%, u kunt deze
instelling aanpassen zodat minder kleuren/schaduwen worden
weergegeven.
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
2. Selecteer Kleurdrempel.
3. Stel de kleurdrempel in op de gewenste waarde.
Fishnder-toepassing
207
4. Selecteer OK om de instelling te bevestigen en de numerieke
regelaar te sluiten.
Vermogensmodus
De Vermogensmodus regelt het vermogensniveau van de
transducer. De Vermogensmodus kan worden ingesteld op
automatisch, of handmatig worden afgesteld tussen 0% en
100%. De Vermogensmodus is alleen beschikbaar op CHIRP-,
traditionele en legacy sonarmodules.
Automatisch dit is de standaard instelling. Wanneer
Automatisch is geselecteerd, bepaalt de sonarmodule
automatisch de optimale instelling op basis van de huidige
diepte, snelheid en (zeebodem-) signaalsterkte.
Handmatig u kunt het vermogensniveau instellen in
stappen van 1%. Normaal gesproken worden lagere
vermogensniveaus gebruikt voor dieptes van minder dan 2,4
m (8 ft.) en hogere vermogensniveaus voor dieptes van meer
dan 3,7 m (12 ft.).
Het vermogensniveau van de transducer aanpassen
Doe het volgende in het Fishnder-toepassingsmenu:
1. Selecteer Gevoeligheidsinstellingen.
2. Selecteer Vermogensmodus.
De schuifbalkregelaar voor Vermogensmodus wordt
weergegeven.
3. Pas de schuifregelaar aan naar de gewenste instelling, of
4. Selecteer Automatisch om de vermogensmodus op
automatisch in te stellen.
17.15 Fishnder-alarmmeldingen
De volgende Fishnder-alarmmeldingen kunnen worden
ingesteld wanneer er een dieptegegevensbron beschikbaar is.
Vis alarm is hoorbaar wanneer een object voldoet aan
het gespeciceerde gevoeligheidsniveau en zich binnen de
dieptelimiet bevindt (wanneer ingeschakeld).
Fishnder diep alarm is hoorbaar wanneer de
gedetecteerde diepte hoger is dan de dieptelimiet.
Fishnder ondiep alarm is hoorbaar wanneer de
gedetecteerde diepte lager is dan de ondieptelimiet.
Visalarmmeldingen instellen
Doe het volgende in het Alarmmeldingenmenu home-venster >
Instellingen > Alarmmeldingen:
1. Selecteer Vis.
Het Visalarmmeldingenmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Vis zodat Aan is gemarkeerd.
3. Selecteer Visgevoeligheid.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
visgevoeligheid wordt weergegeven.
4. Stel de visgevoeligheid in op de gewenste waarde.
Hoe hoger de gevoeligheid van het visalarm, hoe groter het
aantal objectbeelddiepten dat wordt weergegeven.
5. Selecteer Visdieptelimieten zodat Aan is gemarkeerd.
De limietinstellingen voor visondiepte en visdiepte worden
geactiveerd in het menu.
6. Selecteer Ondieptevislimiet.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
ondieptevislimiet wordt weergegeven.
7. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
8. Selecteer OK om de nieuwe waarde te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
9. Selecteer Dieptevislimiet.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
dieptevislimiet wordt weergegeven.
10.Stel de waarde in op de gewenste instelling.
11. Selecteer OK om de nieuwe waarde te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
Het Fishnder-diepte-alarm selecteren
Doe het volgende in het Alarmmeldingenmenu home-venster >
Instellingen > Alarmmeldingen:
1. Selecteer Fishnder diep.
2. Selecteer Diep zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Diep selecteert wordt geschakeld tussen Aan
en Uit.
3. Selecteer Dieptelimiet.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
dieptelimiet wordt weergegeven.
4. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
5. Selecteer OK om de nieuwe waarde te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
Opmerking: De dieptelimiet kan niet lager worden ingesteld
dan de ondieptelimiet.
Het Fishnder-ondiepte-alarm selecteren
Doe het volgende in het Alarmmeldingenmenu home-venster >
Instellingen > Alarmmeldingen:
1. Selecteer Fishnder ondiep.
2. Selecteer Ondiep zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Ondiep selecteert wordt geschakeld tussen Aan
en Uit.
3. Selecteer Ondieptelimiet.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
ondieptelimiet wordt weergegeven.
4. Stel de instelling in op de gewenste waarde.
5. Selecteer OK om de nieuwe waarde te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
208 a Series / c Series / e Series
Opmerking: De ondieptelimiet kan niet hoger worden
ingesteld dan de dieptelimiet.
17.16 Frequentie-afstemming
De frequentie hangt af van de gebruikte sonarmodule en
transducer. Bij gebruik van een non-CHIRP-sonarmodule of een
CHIRP-sonarmodule die werkt in non-CHIRP-modus, kan de
frequentie van de transducer handmatig jn worden afgesteld.
De voordelen van het handmatig kunnen afstemmen van de
frequentie zijn onder andere:
Optimalisatie voor bepaalde soorten vis en zeecondities.
Voorkomen van interferentie van andere werkende sonar in
de buurt (op dezelfde frequentie).
Brede of smalle straal gebruiken op een bepaalde transducer.
Frequentie-afstemming bij traditionele en legacy
De volgende frequentietypes zijn beschikbaar op legacy en
traditionele sonarmodules:
Automatisch - Wanneer het systeem werkt met automatisch,
is geen jne afstemming nodig omdat het systeem de
frequentie automatisch instelt en deze aan de transducer en
de omstandigheden aanpast.
lagere frequenties (bijv. 50 kHz) produceren een brede
sonarstraal en penetreren het water goed. Lagere frequenties
leveren een beeld met een lagere resolutie, wat niet altijd
goed is voor het opsporen van kleine vis. Gebruik lagere
frequenties wanneer u een groot bereik wilt zien onder uw
schip of wanneer u zich in diep water bevindt.
Gemiddelde frequenties (bijv. 90 kHz) produceren
een goed gedetailleerd beeld op de meeste diepten, met een
gemiddeld brede sonarstraal.
Hogere frequenties (bijv. 200 kHz) produceren een
smalle straal en genereren een beeld met een hoge resolutie.
Deze zijn het handigst in ondiep water (tot 300 meter) en bij
hogere snelheden.
De onderstaande graek laat de jne afstemming zien van een
traditionele of legacy sonarfrequentie (tussen —50% en +50%).
Low High
Sensitivity (dB)
Frequency
-50% +50%
D12574-2
1
2
3
1. Afstembereik
2. Transducerkarakteristieken
3. Bedrijfsfrequentie
CHIRP-frequentie-afstemming
De onderstaande lijst geeft informatie over de frequentietypen
die beschikbaar zijn bij het gebruik van een CHIRP-sonarmodule.
Automatisch - Wanneer het systeem werkt met automatisch,
is geen jne afstemming nodig omdat het systeem de
frequentie automatisch instelt en deze aan de transducer en
de omstandigheden aanpast.
Lage frequentie non-CHIRP-modus (bijv. 50 kHz)
produceert een brede sonarstraal en penetreert het water
goed. Lagere frequenties leveren een beeld met een lagere
resolutie, wat niet altijd goed is voor het opsporen van kleine
vis. Gebruik lagere frequenties wanneer u een groot bereik wilt
zien onder uw schip of wanneer u zich in diep water bevindt.
Gemiddelde frequentie non-CHIRP-modus (bijv. 90 kHz)
produceert een goed gedetailleerd beeld op de meeste
diepten, met een gemiddeld brede sonarstraal.
Hoge frequentie non-CHIRP-modus (bijv. 160 kHz)
produceren een smalle straal en genereren een beeld met
een hoge resolutie. Deze zijn het handigst in ondiep water (tot
300 meter) en bij hogere snelheden.
Lage CHIRP CHIRP-modus (bijv. 42 tot 65 kHz) er is
geen jne afstemming nodig omdat de CHIRP-sonarmodule
Fishnder-toepassing
209
het hele frequentiebereik dat op de transducer beschikbaar is
aoopt bij iedere ping.
Gemiddelde CHIRP CHIRP-modus (bijv. 85 tot 135
kHz) er is geen jne afstemming nodig omdat de
CHIRP-sonarmodule het hele frequentiebereik dat op de
transducer beschikbaar is aoopt bij iedere ping.
Hoge CHIRP CHIRP-modus (bijv. 130 tot 210 kHz) er is
geen jne afstemming nodig omdat de CHIRP-sonarmodule
het hele frequentiebereik dat op de transducer beschikbaar is
aoopt bij iedere ping.
Wanneer de CHIRP-sonarmodule is ingesteld op een
non-CHIRP-modus, kan de frequentie waarop de transducer
zendt jn worden afgestemd.
De onderstaande graek laat de jne afstemming zien van een
CHIRP-breedband-sonarfrequentie (tussen —50% en +50%).
Low High
Sensitivity (dB)
Frequency
D12575-2
3
-50%
+50%
1 2
1. Afstembereik
2. Transducerkarakteristieken
3. Bedrijfsfrequentie (midden)
De sonarfrequentie jn afstemmen
Wanneer aangesloten op een traditionele of legacy
sonarmodule of bij gebruik van een CHIRP-sonarmodule
in non-CHIRP-modus, kan de zendfrequentie jn worden
afgestemd.
Doe het volgende in de Fishnder-toepassing:
1. Zorg ervoor dat de kanaalfrequentie die u jn wilt afstemmen
wordt weergegeven in het actieve Fishnder-venster.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Instellingen.
4. Selecteer Instellen echolood.
5. Selecteer Afstemmen frequentie.
De frequentieregelaar wordt weergegeven.
6. Stel de frequentie bij totdat optimale resultaten worden
bereikt.
210 a Series / c Series / e Series
17.17 Menu-opties instellen echolood
Deze sectie beschrijft de opties die beschikbaar zijn in het instellingenmenu van het echolood: (Menu > Instellingen > Instellen
echolood).
Menu-item Omschrijving Opties
Ping Rate Hyper Ping is een instelling die alleen beschikbaar is op
traditionele interne en legacy sonarmodules, voor gebruik in
ondiep water (dieptebereik ingesteld op 6 meter (20 voet) of
minder). Bij dieptes van meer dan 6 meter (20 voet) keert de
ping rate terug naar normaal totdat aan de dieptevereisten
wordt voldaan.
Wanneer deze is ingesteld op Hyper biedt het display
een nauwkeurig, onvervormd beeld van de zeebodem bij
snelheden tot 40 knopen.
Normaal (standardwaarde)
Hyper
Ping Rate-limiet Dit beschikt over een snelheidsbeperker en is handig om
de Ping Rate-limiet aan te passen aan de plaatselijke
omstandigheden. De Ping Rate kan bijvoorbeeld te snel zijn
in het geval van een harde ondergrond in ondiep water.
Opmerking: De Ping Rate-limiet is uitgeschakeld
wanneer de Ping Rate is ingesteld op hyper.
DownVision
TM
- en SideVision
TM
-sonars: 5 tot
80 pings per seconde.
Legacy en traditionele interne sonars: 5 tot 50
pings per seconde.
CHIRP- en traditionele externe sonars: 5 tot 30
pings per seconde.
Ping inschakelen De sonarping kan worden uitgeschakeld. Dit is handig
wanneer andere apparatuur wordt getest, of wanneer iemand
aan het duiken is onder het schip. Deze instelling wordt
omgezet naar Ingeschakeld wanneer de sonarmodule wordt
uitgeschakeld.
Aan
Uit
Afstemmen frequentie Hiermee kunnen non-CHIRP-kanaalfrequenties handmatig
worden afgestemd.
–50% tot +50%
Interferentieweigering
Verwijdert pieken die worden veroorzaakt door andere met
Fishnder uitgeruste schepen.
Opmerking: Interferentieweigering is uitgeschakeld
wanneer Ping Rate is ingesteld op Hyper.
Automatisch
Laag
Gemiddeld
Hoog
Uit
2de echo IR Past de Ping Rate met kleine stappen aan, overeenkomstig
het niveau van de 2de echo. Dit resulteert in een betere
gevoeligheid van het beeld.
Opmerking: 2de Echo-IR is uitgeschakeld als Ping
Rate is ingesteld op Hyper.
Uit
Laag
Hoog
Reset sonar Zet alle instellingen op de sonarmodule terug naar de
standaard fabrieksinstellingen. Wanneer u de sonar reset,
is het normaal dat de verbinding met de sonarmodule kort
verloren gaat.
De selectie van de transducer wordt niet beïnvloed door de
actie Reset sonar.
Ja
Nee
Reset reisteller Zet de reisteller van de sonarmodule op nul. Ja
Nee
Fishnder-toepassing
211
17.18 Menu-opties voor transducer-instellingen
Het Transducer-instellingen-menu dient te worden gebruikt wanneer u uw multifunctionele display voor het eerst instelt of
wanneer u een diepte-transducer installeert.
Menu-item Omschrijving Opties
Transducer
Selecteer het juiste transducer-type in de lijst.
Sommige transducers worden automatisch door het systeem
gedetecteerd.
De beschikbare opties hangen af van de
aangesloten sonarmodule.
Snelheidstransducer Selecteer de juiste snelheidstransducer in de
lijst. Deze optie is alleen beschikbaar als
u geen gecombineerde diepte-/snelheids- of
diepte-/snelheids-/temperatuur-transducer gebruikt.
De beschikbare opties hangen af van de
aangesloten sonarmodule.
Dieptecorrectie De correctie staat voor de diepte van de transducer ten
opzichte van de:
waterlijn = 0,0 ft en meer.
kiel = 0,1 ft en minder.
–9,8 tot +9,8 feet of vergelijkbare eenheden
Snelheidscorrectie
De correctie die wordt toegepast op de snelheid-logwaarde.
0 tot 100%
Temperatuurcorrectie De correctie die wordt toegepast op de waarde van de
temperatuur-transducer.
–9.9 to +9.9 °F or equivalent units
212
a Series / c Series / e Series
17.19 De sonar resetten
De reset-functie zet de unit terug naar de standaard
fabrieksinstellingen.
Opmerking: Wanneer u de unit terugzet naar de
fabrieksinstellingen, worden alle kalibratiegegevens voor
snelheid en temperatuur en de dieptecorrectie gewist.
1. Gebruik een compatibel Raymarine multifunctioneel display
om naar de shnder-toepassingspagina te gaan.
2. Selecteer Menu in het menu aan de zijkant.
3. Selecteer Instellingen.
4. Selecteer Instellingen echolood.
5. Select Resetten sonar.
6. Selecteer Ja om te bevestigen.
De unit wordt nu teruggezet naar de standaard
fabrieksinstellingen.
Fishnder-toepassing
213
214
a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 18: Radartoepassing
Inhoudsopgave
18.1 Overzicht radar op pagina 216
18.2 Statussymbolen radarscanner op pagina 217
18.3 Overzicht Radar-display op pagina 218
18.4 Kwaliteit radarbereik en -beeld op pagina 219
18.5 Objecten volgen op pagina 221
18.6 Afstanden, bereik en peiling op pagina 224
18.7 Radarmodus en oriëntatie op pagina 226
18.8 Menu-opties radarpresentatie op pagina 228
18.9
Afstemmen radar: versterkingsregelaars op het scherm op pagina 231
18.10 Radaraanpassingen HD en SuperHD op pagina 232
18.11 Aanpassingen non-HD digitale radomes op pagina 234
18.12 Radar gebruik bij Dual Range op pagina 236
18.13 Scansnelheid radar op pagina 237
18.14 Radarinstellingenmenu op pagina 238
18.15 De radar resetten op pagina 240
Radartoepassing
215
18.1 Overzicht radar
Radar wordt gebruikt om informatie te geven die u kan helpen
om doelen te volgen en afstanden en peilingen te meten.
Radio Detection And Ranging (RADAR) wordt op zee gebruikt
om op een afstand de aanwezigheid van objecten (bekend
als "doelen") te ontdekken, en als deze in beweging zijn, hun
snelheid te bepalen.
Radar werkt door radiopulsen te verzenden en daarna de
reectie van deze pulsen (echo's) van objecten in het gebied
te detecteren. De reecties worden als doelen op uw display
getoond.
Tot u vertrouwd bent met het interpreteren van het radardisplay,
dient u elke gelegenheid te benutten om de patronen op
het radarscherm te vergelijken met visuele doelen, zoals
andere boten, boeien en kuststructuren. Oefen het navigeren
in havens en kustgebieden bij daglicht en in heldere
weersomstandigheden.
HD en SuperHD radar
Uw multifunctionele display kan worden gebruikt voor
radarscanners.
HD en SuperHD radarscanners bieden vele voordelen en maken
het eenvoudiger om objecten rond uw vaartuig te onderscheiden.
Voordelen van HD en SuperHD radarscanners:
Verbeterde doeldetectie.
Meerkleurenbeeld.
Werken met dubbele afstand.
Optie SuperHD. Dit geeft een effectieve verhoging van
het zendvermogen met een factor van minstens twee en
vermindert de bundelbreedte evenredig.
Opmerking: Om de optie SuperHD te kunnen gebruiken,
dient u een SuperHD radarscanner aan te sluiten.
Meerdere radarscanners
Het multifunctionele display ondersteunt het gebruik van slechts
1 radar op het netwerk.
Wanneer de radartoepassing geopend is en meerdere
radarscanners worden gedetecteerd, dan wordt een
waarschuwingsbericht weergegeven. De extra scanners moeten
worden verwijderd uit het netwerk voordat de radartoepassing
werkt.
Radarfuncties
Afhankelijk van het type Raymarine-radar dat u hebt zijn er
verschillende functies beschikbaar. De onderstaande tabel
geeft een overzicht van welke functies en instellingen worden
ondersteund per radartype:
Functie
Niet-HD
digitale
radome HD radome
HD Open
Array
SuperHD
Open Array
Kleurver-
sterking
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
FTC Uit/Aan
(0-100%)
Zee
Haven/ku-
st/offshore-
/handmatig
(0-100%)
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
Automa-
tisch/hand-
matig
(0-100%)
Automati-
sche modus:
boei
Automati-
sche modus:
haven
Functie
Niet-HD
digitale
radome HD radome
HD Open
Array
SuperHD
Open Array
Automati-
sche modus:
offshore
Automati-
sche modus:
kust
Automati-
sche modus:
vogel
Vermogens-
versterking
Antennever-
sterking
Interferen-
tieweigering
Uit/Nor-
maal/Hoog
Uit/Aan Uit/Aan Uit/Aan
Objectex-
pansie
Uit/Laag/H-
oog
Uit/Aan Uit/Aan Uit/Aan
MARPA-
objecten
10 25 25 25
Dual Range
Beperkin-
gen voor
Dual Range
NVT
Scanner-
snelheid
24 toeren
24 toeren /
Automatisch
24 toeren /
Automatisch
24 toeren /
Automatisch
Par-
keerstand-
correctie
0-360
graden
0-360
graden
Omvang
antenne
4ft / 6ft 4ft / 6ft
Display-
timing
0-153,6m 0-767m
(afhankelijk
van het
bereik)
0-767m
(afhankelijk
van het
bereik)
0-767m
(afhankelijk
van het
bereik)
STC-voor-
keursinstel-
ling
0-100%
Voorkeurs-
instelling
signaalver-
sterking
0-100
Afstem-
mingscor-
rectie
Opmerking: Hier niet genoemde functies worden
ondersteund door alle typen Raymarine digitale, HD en
SuperHD radars.
216 a Series / c Series / e Series
18.2 Statussymbolen radarscanner
De modus van de voedingsmodus van de radarscanner wordt
weergegeven in de statusbalk.
Symbool
Voe-
dingsmo-
dus radar Omschrijving
Zenden
(TX)
Roterend pictogram, waarmee wordt
aangegeven dat de scanner aan is en
uitzendt. Wanneer SCANNER is ingesteld
op AAN, selecteert u deze modus om de
scanner te activeren. Dit is de gebruikelijke
manier van werken.
Stand-by
(STBY)
Stilstaand pictogram, waarmee wordt
aangegeven dat de scanner aan is maar
niet uitzendt en dat de antenne niet
draait. De scanner zendt niet uit en de
radargegevens worden verwijderd van het
scherm. Dit is een energiebesparende
modus die wordt gebruikt wanneer de
radar voor kortere periodes niet nodig is.
Wanneer u terugkeert naar de zendmodus
hoeft de magnetron niet opnieuw op te
warmen. Dit is de standaard modus.
Uit De voeding van de scanner is uit wanneer
geen radar nodig is, maar het display wordt
gebruikt voor andere toepassingen zoals
de kaart. Wanneer dit is geselecteerd telt
het systeem terug. In deze periode kunt u
de voeding van de scanner niet opnieuw
inschakelen.
Tijdge-
bonden
zenden
De scanner schakelt tussen aan/zenden
en de stand-bymodus. De scanner gaat
in de energiebesparende modus wanneer
continu gebruik van de radar niet nodig is.
De radarscanner aan en uit zetten
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Voeding om de stroomtoevoer van de radar Aan
en Uit te schakelen.
De radar start altijd op in Stand-bymodus.
3. Selecteer Radar om de radar te schakelen tussen Zenden
en Stand-by.
De aan/uit-knop gebruiken om tussen
bedrijfsmodi te schakelen
De bedrijfsmodi van de radar kunnen eveneens worden
ingesteld met behulp van het aan/uit-knop-menu van het
multifunctionele display.
1. Druk op de AAN/UIT-knop en laat hem los.
Het menu met snelkoppelingen wordt weergegeven:
2. Selecteer Radar inschakelen om de radar in te schakelen,
of Radar uitschakelen om de radar uit te schakelen.
3. Selecteer Radar: Tx om zenden van de radar te starten, of
Radar: Stdby om het zenden van de radar te stoppen.
Radartoepassing
217
18.3 Overzicht Radar-display
Wanneer uw radarscanner is aangesloten en de radar in
Zend-modus staat, biedt het radarbeeld een op een kaart
lijkende weergave van het gebied waarin de radar operationeel
is.
D12207-2
10 13 1411
1 3 5 6 7 98
2
4
15
12
Artikel Omschrijving
1 Bereik
2
Regelaars op het scherm (alleen op multifunctionele
displays met touchscreen.)
3 Versterkingsmodus
4
Headingmarkering van het schip (Ship's Heading
Marker, SHM)
5
Richting
6 Bewakingszone
7
Bewegingsmodus
8 Bereiksstatus
9
Bereikringafstand
10
Gegevenscellaag
11 Waypoint
12 Ring veilige zone
13
Bereik uitzoomen (alleen op multifunctionele displays
met touchscreen.)
14
Bereik inzoomen (alleen op multifunctionele displays
met touchscreen.)
15 Positie van het schip
Opmerking: Bereikregelaars op het scherm kunnen worden
in- en uitgeschakeld vanuit het Home-venster: Aanpassen >
Display-voorkeuren > Bereikregelaars
Extra functies van de radartoepassing zijn onder andere:
Kleurenpaletten.
AIS-laag toevoegen.
MARPA-objecten.
VRM/EBL-markeringen
Normaal gesproken is de positie van uw schip in het midden van
het display, en wordt de peiling recht naar voren aangegeven
door een verticale koerslijn, ook bekend als headingmarkering
van het schip (SHM).
Opmerking: Als de cursor op de SHM wordt geplaatst, wordt
SHM tijdelijk verwijderd om het plaatsen van markeringen of
het ophalen van objecten te vergemakkelijken.
Objecten op het scherm kunnen groot, klein, helder of zwak zijn,
afhankelijk van de omvang, de richting en het oppervlak van
het object. Als u een niet-HD digitale radome-scanner gebruikt,
worden sterkere van objecten terugkerende signalen geel
weergegeven, en zwakkere signalen in twee tinten blauw. Als u
een HD of SuperHD radarscanner gebruikt, worden sterkere van
objecten terugkerende signalen weergegeven in 256 kleuren,
voor een duidelijker beeld. Merk op dat de omvang van een
object op het scherm afhangt van vele factoren en niet per
denitie in verhouding staat tot zijn werkelijke omvang. Objecten
dichtbij kunnen dezelfde omvang lijken te hebben als grotere
objecten op afstand.
Opmerking: De hierboven genoemde kleuren hebben
betrekking op het standaard kleurenpalet.
Aan de hand van uw ervaring kunt u de omvang van
verschillende objecten bij benadering bepalen op basis van de
relatieve omvang en helderheid van de echosignalen.
U dient er rekening mee te houden dat de omvang van ieder
object op het scherm wordt beïnvloed door:
De fysieke omvang van het reecterende object.
Het materiaal waarvan het object is gemaakt. Metalen
oppervlakken reecteren signalen beter dan niet-metalen
oppervlakken.
Verticale objecten zoals kliffen reecteren signalen beteren
dan schuine objecten zoals zandbanken.
Hoge kustlijnen en bergachtige kustgebieden kunnen worden
waargenomen op grotere radarafstanden. Daarom kan het
eerste waargenomen deel van land een berg zijn die zich
meerdere kilometers landinwaarts bevindt. Hoewel de kustlijn
veel dichterbij kan zijn, verschijnt hij misschien niet op de
radar totdat het schip dichter bij de kust is.
Sommige objecten, zoals boeien en kleine schepen, zijn
moeilijk te onderscheiden, omdat ze geen consistent
reecterend oppervlak hebben omdat ze op de golven
dobberen. Daardoor kunnen de echosignalen daarvan
vervagen en oplichten en soms onderbroken lijken.
Boeien en kleine schepen lijken op elkaar, maar schepen
kunnen vaak worden herkend door hun beweging.
Opmerking: Voor gebruik met MARPA en om de
radar-/kaartlaag in te schakelen zijn een GPS-ontvanger een
een snelle headingsensor vereist.
Radarcontextmenu
De radartoepassing bevat een contextmenu met
positie-informatie en menu-items.
Het contextmenu geeft de volgende positiegegevens voor de
cursorlocatie ten opzichte van uw schip:
Breedtegraad
Lengtegraad
Afstand
Peiling
Het contextmenu bevat eveneens de volgende menu-items:
Object ophalen
VRM/EBL plaatsen
Waypoint plaatsen op cursor
Thermische camera zwenken (Alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
218 a Series / c Series / e Series
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
18.4 Kwaliteit radarbereik en -beeld
Maximaal radarbereik
Het bruikbare bereik van de radar wordt beperkt door factoren
zoals de hoogte van de scanner en de hoogte van het object.
Het maximale radarbereik is in principe gezichtsbereik en wordt
dus beperkt door de hoogte van de scanner en de hoogte van
het object, zoals in de onderstaande tekening wordt getoond:
a
1
a
2
h
H
D1643-4
R
max
R
max
= 2.23 ( h + H )
1
3
2
Artikel Omschrijving
1 Met radar uitgerust schip.
2 Kromming van de aarde.
3
Object (klif).
a
1
Radarhorizon van antenne.
a
2
Radarhorizon van object.
R
max
Maximale radarbereik in nautische
mijlen.
R
max
= a
1
+ a
2
h Radarantennehoogte in meters.
H
Objecthoogte in meters.
In de tabel hieronder worden de gebruikelijke maximale
radarbereiken voor verschillende radarantennehoogten en
objecthoogten weergegeven. Vergeet niet dat hoewel de
radarhorizon groter is dan de optische horizon, de radar alleen
objecten kan detecteren als het object boven de radarhorizon
groot genoeg is.
Antennehoogte
(meters)
Objecthoogte
(meters)
Maximale radarbereik
(nautische mijlen).
3 3
7,7
3 10 10,9
5
3 8,8
5
10 12
Kwaliteit van het radarbeeld
Er zijn een aantal factoren van invloed op de kwaliteit van het
radarbeeld, waaronder echosignalen en zeesluier en andere
interferentie.
Niet alle radarechosignalen worden gegenereerd door werkelijke
objecten. Valse of ontbrekende echosignalen kunnen worden
veroorzaakt door:
Zijbundels.
Indirecte echosignalen.
Multipele echosignalen.
Blinde sectoren.
Zee-, regen- of sneeuwsluier.
Interferentie.
Door middel van observatie, oefening en ervaring kunt u deze
omstandigheden over het algemeen snel herkennen en de
radarbesturing gebruiken om deze te minimaliseren.
Zijbundels
Zijbundelpatronen worden gegenereerd door kleine
hoeveelheden energie van de uitgezonden pulssignalen, die
worden uitgestraald buiten de smalle hoofdstraal van de radar.
De effecten van zijbundels zijn het beste zichtbaar bij objecten
op korte afstand (normaal gesproken minder dan 3 nm) en met
Radartoepassing
219
name bij grotere objecten. Zijbundelsignalen vormen óf bogen
op het radarscherm die lijken op bereikringen, óf een aantal
signalen die samen een onderbroken boog vormen.
D1638-5
1
2
2
3
4
5
6
6
Artikel Omschrijving
1
Hoofdbundel
2 Zijbundels
3 Antenne
4 Boog
5
Ware echo
6 Zij-echosignalen
Indirecte echosignalen
Er zijn verschillende soorten indirecte echosignalen of
schijnbeelden. Deze lijken soms op ware echosignalen, maar
ze zijn over het algemeen onregelmatig en hebben een slechte
denitie.
D1641-5
1
3
2
4
5
6
Artikel Omschrijving
1 Valse echo
2 Ware echo
3 Passerend schip
4
Mast of pijp
5
Ware echo
6 Valse echo
Multipele echosignalen
Multipele echosignalen komen niet vaak voor maar kunnen
optreden als zich een groot object met een breed verticaal
oppervlak op een relatief korte afstand bevindt. Het verzonden
signaal wordt heen en weer gereecteerd tussen het object
en uw eigen schip, wat resulteert in meerdere echosignalen
die naast het bereik van de werkelijke objectecho wordt
weergegeven, maar op dezelfde peiling.
D1642-4
1
2
Artikel Omschrijving
1 Werkelijke echo
2 Multipele echosignalen
Blinde sectoren
Obstructies zoals pijpen en masten in de buurt van
de radarantenne kunnen de radarstraal hinderen en
radarschaduwen of ‘blinde sectoren’ veroorzaken. Als de
obstructie zich relatief dicht in de buurt bevindt, zal de
straalintensiteit minder worden maar hoeft niet per denitie
volledig te worden onderbroken. Voor bredere obstructies kan
er sprake zijn van volledig signaalverlies in het schaduwgebied.
Er kunnen ook multipele echosignalen optreden die achter
de obstructie doorlopen. Het effect van blinde sectoren kan
normaal gesproken worden geminimaliseerd door de plaats van
de scanner zorgvuldig te kiezen voordat u hem installeert.
Regen- of sneeuwsluier
De radar ziet echosignalen van regen of sneeuw. Terugkerende
signalen van stormgebieden of regenbuien bestaan uit talloze
kleine echosignalen waarvan de omvang, de intensiteit en de
positie continu veranderen. Deze terugkerende signalen zien er
soms uit als grote wazige gebieden, afhankelijk van de intensiteit
van de regenbui of de sneeuw in de storm. De afbeeldingen in
de onderstaande tabel laten zien hoe de Regen-regelaar deze
sluier kan verminderen:
Regen-
sluier uit
Regen-
sluier aan
Zeesluier
Terugkerende radarsignalen van golven rond het schip
kunnen het midden van het radarbeeld versluieren, waardoor
het moeilijk wordt werkelijke objecten te detecteren. Een
dergelijke ‘zeesluier verschijnt meestal in de vorm van multipele
echosignalen op het display bij korte bereik-schalen en de
echosignalen herhalen zich niet en hebben geen consistente
positie. Bij hoge windsnelheden en in extreme omstandigheden
kunnen echosignalen van zeesluier een dichte achtergrondsluier
veroorzaken in de vorm van een bijna solide schijf. Zeesluier
kan worden onderdrukt met behulp van de zeesluierinstellingen.
De afbeeldingen in de onderstaande tabel laten zien hoe de
zeesluierinstellingen een deel van deze sluier kunnen opheffen:
220 a Series / c Series / e Series
Zeesluier
uit
Zeesluier
automa-
tisch
Interferentie
Wanneer twee of meer met radar uitgeruste schepen
binnen het bereik van elkaar opereren kan radarinterferentie
ontstaan. Dit ziet er normaal gesproken uit als een spiraal
van kleine stippen vanuit het midden van het display. Dit
type interferentie is het meest opvallend bij grote bereiken.
Deze interferentie kan worden onderdrukt met behulp van de
instellingen voor interferentieonderdrukking. De afbeeldingen
in de onderstaande tabel laten zien hoe de instellingen voor
Interferentieonderdrukking een deel van deze interferentie kan
opheffen:
Interfe-
rentieon-
derdruk-
king uit
Interfe-
rentieon-
derdruk-
king aan
18.5 Objecten volgen
De Bewakingszone- , VRM/EBL- en MARPA functies helpen u
bij het volgen van objecten en het voorkomen van aanvaringen.
Wanneer een radar is aangesloten op uw multifunctionele
display kunt u:
De afstand tot het object en de peiling inschatten (VRM/EBL).
Een alarm instellen zodat een melding wordt gegenereerd
wanneer het object zich binnen een bepaalde zone bevindt
(bewakingszone).
Gedetailleerde informatie weergeven over gevolgde objecten
(MARPA).
De afstand en de peiling weergeven van een object.
Een radarbewakingszone instellen
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Zones.
3. Selecteer Bewakingszone zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Bewakingszone selecteert wordt de zone Aan
en Uit geschakeld.
4. Selecteer Instelling bewakingszone.
5. Selecteer Vorm: om te schakelen tussen sector en cirkel.
6. Selecteer Buitenlijn: .
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de Buitenlijn
wordt weergegeven.
7. De buitenlijn van de bewakingszone aanpassen naar de
vereiste afstand.
8. Selecteer OK om de numerieke regelaar te sluiten.
9. Selecteer Binnenlijn: .
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de Binnenlijn
wordt weergegeven.
10.De binnenlijn van de bewakingszone aanpassen naar de
vereiste afstand.
11. Selecteer OK om de numerieke regelaar te sluiten.
12.Selecteer Breedte: .
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de Breedte
wordt weergegeven.
13.Pas de breedte van de bewakingszone in graden aan.
14.Selecteer OK om de numerieke regelaar te sluiten.
15.Selecteer Peiling: .
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de Peiling
wordt weergegeven.
16.Pas de peiling van de bewakingszone aan in graden
bakboord of in graden stuurboord.
17.Selecteer OK om de numerieke regelaar te sluiten.
Opmerking: De breedte en de peiling van de bewakingszone
kunnen alleen worden aangepast wanneer de Vorm: is
ingesteld op Sector.
Bewakingszone-contextmenu
De bewakingszonefunctie bevat een contextmenu met
positie-informatie en extra menu-items.
Het contextmenu bevat de volgende menu-items:
Object ophalen.
Zone aanpassen
Zone uit
Radartoepassing
221
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
De bewakingszonegevoeligheid aanpassen
U kunt de drempel waarmee het alarm wordt gegenereerd voor
een object dat de bewakingszone binnenkomt aanpassen.
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu:
1. Selecteer Zones.
2. Selecteer Gevoeligheid.
De numerieke regelaar voor het aanpassen van de
gevoeligheid wordt weergegeven.
3. Stel de gevoeligheid in op de gewenste waarde.
4. Selecteer OK of Terug om de instelling te bevestigen en de
numerieke regelaar te sluiten.
U kunt de instelling voor de bewakingszonegevoeligheid openen
via het Alarmmeldingen -menu: Home-venster > Instellingen
> Alarmmeldingen > Bewakingszone > Gevoeligheid.
Overzicht MARPA
MARPA wordt gebruikt voor het volgen van objecten en
risico-analyses in de radartoepassing.
Wanneer er een nauwkeurige koerssensor is aangesloten op
uw multifunctionele display, kunt u de Mini Automatic Radar
Plotting Aid (MARPA)-functies gebruiken om objecten te volgen
en voor risico-analyses. MARPA verbetert de functies voor het
voorkomen van aanvaringen door informatie over gevolgde
objecten te berekenen en biedt een continue, nauwkeurige
en snelle evaluatie van de situatie. Het aantal objecten dat u
op een bepaald moment kunt volgen hangt af van het model
radarscanner dat u gebruikt.
MARPA volgt opgehaalde objecten en berekent de snelheid en
de koers van het object.
Ieder gevolgde object kan worden weergegeven met een
afbeelding waarmee de kleinste naderingsafstand (CPA) en de
tijd tot kleinste naderingsafstand (TCPA) worden aangegeven.
De berekende objectgegevens kunnen ook op uw scherm
worden weergegeven. Ieder object wordt permanent beoordeeld
en er is een signaal te horen wanneer een object gevaarlijk
wordt of verloren raakt.
Om ervoor te zorgen dat MARPA goed werkt, moet
uw multifunctionele display nauwkeurige koers- en
snelheidsgegevens van uw schip hebben. Hoe beter de
kwaliteit van de koers- en snelheidsgegevens is, hoe beter
MARPA presteert. Voor de beste koersgegevens is een
Raymarine SMART headingsensor of een gyro-gestabiliseerde
stuurautomaat vereist.
In de modi werkelijke beweging (TM), grondsnelheid (SOG) en
grondkoers (COG) is informatie vereist om de werkelijke koers
en snelheid van het object weer te geven.
In de modus Relatieve beweging (RM) is koers- en
snelheidsinformatie vereist.
1
3
2 4
D12219-1
Artikel Omschrijving
1 Veilig object
2 Verloren gegaan object
3
Gevaarlijk object
4
Object wordt opgehaald
Veiligheidsmededelingen
Wanneer MARPA verstandig wordt gebruikt kan het helpen bij
het voorkomen van aanvaringen. Het is uw verantwoordelijkheid
met gezond verstand en voorzichtig en kritisch met de informatie
om te gaan.
Er zijn omstandigheden waarin het ophalen van een object
moeilijk kan zijn. Dezelfde omstandigheden kunnen een rol
spelen bij het succesvol volgen van een object. Enkele van
deze omstandigheden zijn:
De objectecho is zwak. Het object is dicht in de buurt van
land, boeien of andere grote objecten.
Het object of uw eigen schip manoeuvreert snel.
Er is sprake van een woelige zee en het object is verborgen in
zeesluier of in diepe zeegangen.
Bij woelige zee is er weinig stabiliteit, de koersgegevens van
het eigen schip zijn zeer onstabiel.
Ondeugdelijke koersgegevens.
Symptomen van dergelijke omstandigheden zijn:
ophalen van het object is moeilijk en de MARPA-vectoren zijn
onstabiel;
het symbool loopt weg van het object, zet zich vast aan een
ander object, of verandert in het symbool van een verloren
gegaan object.
In dergelijke omstandigheden kan het nodig zijn het ophalen en
volgen van objecten opnieuw op te starten, in sommige gevallen
is het misschien niet mogelijk objecten vast te houden. Betere
koersgegevens kunnen in dat geval de prestaties verbeteren.
Hoe een MARPA-risico wordt beoordeeld
Ieder object wordt in de gaten gehouden om te bepalen of
het binnen een bepaalde afstand van het schip komt binnen
een bepaalde periode. Als dat het geval is, wordt het object
aangemerkt als gevaarlijk en wordt een hoorbare en zichtbare
waarschuwing gegenereerd. Het objectsymbool verandert in het
symbool voor gevaarlijk object en knippert om aan te geven dat
het een gevaarlijk object is. Wanneer het alarm wordt bevestigd
wordt de waarschuwing verwijderd.
Als het object verloren gaat, óff omdat de MARPA-software
het contact ermee heeft verloren, óf omdat het zich buiten het
bereik heeft verplaatst, dan is een alarmsignaal hoorbaar en
verschijnt er een waarschuwing op het scherm. Het symbool op
het scherm verandert naar het symbool voor verloren gegaan
object. Wanneer de waarschuwing wordt bevestigd stopt het
geluidssignaal en verdwijnt de waarschuwing op het scherm en
het symbool voor verloren gegaan object.
Effectief bereik voor MARPA-objecten
Het ophalen van MARPA-objecten is alleen beschikbaar bij
radarbereikschalen tot 12 nm, hoewel volgen wel gebeurt bij
alle bereiken.
Als u overschakelt naar een kleinere bereikschaal kunnen
objecten buiten het bereik van uw radarscanner raken en
gaan verloren. In dergelijke gevallen wordt een waarschuwing
weergegeven op het scherm dat het object zich buiten het
scherm bevindt.
222
a Series / c Series / e Series
MARPA-contextmenu
De MARPA-functie bevat een contextmenu met positie-informatie
en menu-items.
Het contextmenu bevat de volgende objectinformatie:
CPA
TCPA
COG
SOG
Het contextmenu bevat eveneens de volgende menu-items:
Object annuleren
CPA-graek
MARPA-gegevens
Thermische camera zwenken (Alleen beschikbaar wanneer
de thermische camera is aangesloten en functioneert.)
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
Objectopties congureren
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer Objectopties.
4. Selecteer Vectorlengte.
5. Selecteer een geschikte periode.
De afstand die uw schip aegt in de door u gespeciceerde
periode bepaalt de lengte van de vectorlijnen.
6. Selecteer Objecthistorie.
7. Selecteer een geschikte periode.
De vorige positie van het object wordt weergegeven op het
radar-display in de vorm van een objectpictogram met een
lichtere tint dan het werkelijke object.
Opmerking: MARPA- en AIS-functies delen de instellingen
voor Veilige zone en Vectorlengte.
De Ring veilige zone instellen
U kunt de radius van de Ring veilige zone en de Tijd naar veilige
zone aanpassen en selecteren of AIS-objecten het Alarm veilige
zone moeten activeren in het instellingenmenu voor de ring
veilige zone.
Het instellingenmenu voor de Ring veilige zone kan als volgt
worden geopend:
Ga vanuit de Radar-toepassing naar Menu > Zones >
Instellen veilige zone
Ga vanuit de Kaart-toepassing met alleen de AIS-laag
ingeschakeld naar: Menu > AIS-opties > Veilige zone >
Instellen veilige zone.
Ga vanuit de Kaart-toepassing met alleen de Radar-laag
ingeschakeld naar: Menu > Radar-opties > Veilige zone >
Instellen veilige zone
Ga vanuit de Kaart-toepassing met de AIS- en Radar-lagen
ingeschakeld naar: Menu > Radar- & AID-opties > Veilige
zone > Instellen veilige zone
Doe het volgende vanuit het menu Instellen veilige zone:
1. Selecteer Radius veilige zone.
i. Selecteer de gewenste radius voor de veilige zone.
2. Selecteer Tijd naar veilige zone.
i. Selecteer de gewenste tijd.
3. Selecteer AIS-alarm zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u AIS-alarm selecteert wordt het alarm voor
gevaarlijke objecten geschakeld tussen Aan en Uit.
MARPA gebruiken
Een MARPA-object ophalen om te volgen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer het op te halen object.
Het MARPA-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Object ophalen.
Het symbool “object wordt opgehaald” wordt weergegeven. Als
het object bij meerdere scans aanwezig is, dan zet de radar
het object vast en verandert het symbool naar de status "veilig
object".
Een MARPA-object annuleren met het MARPA-contextmenu
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer het betreffende object.
Het MARPA-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Object annuleren of Alle objecten annuleren.
Een MARPA-object annuleren met het menu
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer Objectlijsten bekijken.
4. Selecteer MARPA-lijst bekijken.
5. Selecteer het betreffende MARPA-object in de lijst.
6. Selecteer Object annuleren of Alle objecten annuleren.
Overzicht scheepsvectoren (CPA-afbeeldingen)
CPA-afbeeldingen laten de vectoren voor uw schip en een
geselecteerd object zien.
Een vector is een lijn op het scherm waarmee de voorspelde
koers van uw schip en het geselecteerde schip wordt
aangegeven wanneer beiden de huidige koers aanhouden.
Deze vectoren kunnen verschillende lengten hebben, afhankelijk
van de scheepssnelheid en de vectorlengte die is ingesteld in
het MARPA-instellingenmenu.
0.556nm
00h30m09s
143°T
28.0kt
1
2
D9008-2
Artikel Omschrijving
1
Objectvector
2
CPA-afbeelding
Werkelijke beweging
Wanneer uw display is ingesteld op werkelijke bewegingsmodus,
worden de vectoren van uw schip en het object verlengd naar
hun snijpunt weergegeven . De CPA wordt weergegeven als
een lijn die is geplaatst op de vector van uw schip op het punt
van de CPA. De lengte en de richting van de lijn geeft de afstand
en de peiling van het object aan op CPA. De tekst geeft de CPA
en de TCPA aan. De tekst naast het objectsymbool geeft de
werkelijke koers en snelheid aan.
Radartoepassing
223
Relatieve beweging
Wanneer het display is ingesteld op relatieve bewegingsmodus,
wordt geen verlenging van de vector van uw schip
weergegeven. De CPA-lijn begint op uw eigen schip, waarbij de
vectorverlenging van het object relatief wordt weergegeven, niet
werkelijk. De tekst naast het object geeft zijn koers en snelheid
aan.
MARPA-objectgegevens weergeven
1. Selecteer het object.
Het MARPA-contextmenu wordt weergegeven met de
volgende gegevens:
Kleinste naderingsafstand (Closest Point of Approach,
CPA).
Tijd tot kleinste naderingsafstand (Time to Closest Point
of Approach, TCPA).
COG (wanneer beschikbaar).
SOG (wanneer beschikbaar).
2. Om de CPA-graek weer te geven selecteert u CPA-graek
in het contextmenu:
i. Selecteer Automatisch om de CPA-graek weer te
geven wanneer het object wordt geselecteerd.
ii. Selecteer Aan om de CPA-graek weer te geven wanneer
het object wordt gevolgd.
iii. Selecteer Uit om de CPA-graek te verbergen.
3. Om de koers- en peilinginformatie weer te geven naast het
object selecteert u MARPA-gegevens zodat Weergeven is
gemarkeerd.
i. Door MARPA-gegevens te selecteren wordt geschakeld
tussen Weergeven en Verbergen.
Volledige informatie over MARPA-objecten bekijken
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Objecten.
3. Selecteer Objectlijsten bekijken.
4. Selecteer MARPA-lijst bekijken.
5. Selecteer het betreffende object.
6. Selecteer Volledige objectgegevens bekijken.
18.6 Afstanden, bereik en peiling
Wanneer u de Radar-toepassing gebruikt, kunt u afstanden,
bereiken en peilingen op verschillende manieren meten.
Deze opties staan in de onderstaande tabel aangegeven:
Functies
Afstand
tussen punten
Bereik vanaf
uw schip Peilingen
Bereikringen
Ja (geschatte
afstand)
Ja (geschat
bereik)
Nee
Cursor
Nee Ja Ja
Variabele be-
reikmarkerin-
gen/elektroni-
sche peilingslij-
nen (Variable
Range Mar-
kers/Electronic
Bearing Lines,
VRM/EBL)
Nee Ja Ja
Zwevende
VRM/EBL
Ja Nee Ja
Meten met behulp van bereikringen
Gebruik de bereikringen om de afstand te schatten tussen twee
punten. Bereikringen zijn concentrische cirkels die worden
weergegeven op het scherm en die zijn gecentreerd rond uw
schip op ingestelde afstanden. Het aantal en de afstand tussen
de ringen verandert wanneer u in- en uitzoomt.
Voorbeelden:
D12214-1
D12215-1
D12216-1
Bereik 1/4 nm
Bereikringen 760
voet uit elkaar
Bereik 3/4 nm
Bereikringen 1/4 nm
uit elkaar
Bereik 1 1/2 nm
Bereikringen 1/4 nm
uit elkaar
Meten met behulp van de cursor
Om de peiling en de afstand vanaf uw schip naar een bepaald
object te meten, beweegt u de cursor naar de betreffende positie
op het scherm en druk u op OK. Het radar-contextmenu wordt
weergegeven en biedt de volgende opties:
Breedtegraad
Lengtegraad
Afstand
Peiling
D12217-2
1
2
Artikel Omschrijving
1.
Cursor
2.
Peiling en afstand vanaf uw schip
naar de cursorpositie
U kunt ook de cursorpositie in de gegevensbalk weergeven.
Selecteer op het Home-venster: Aanpassen > Set-up
gegevensbalk > Gegevensbalk bewerken, selecteer daarna
het gegevenskader waarin u de cursorpositie wilt weergeven.
Selecteer Navigatie > Cursorpositie.
224
a Series / c Series / e Series
Meten met behulp van VRM/EBL
Variabele bereikmarkeringen (Variable Range Markers, VRM)
Een variabele bereikmarkering (VRM) is een cirkel die is
gecentreerd op de positie van uw schip en vastgezet met
betrekking tot de koersmodus. Wanneer deze cirkel is aangepast
zodat hij is uitgelijnd met het object, dan wordt het bereik vanaf
uw schip gemeten en weergegeven in het radarcontextmenu
wanneer u de VRM met de cursor selecteert.
Elektronische peilingslijnen (Electronic Bearing Lines, EBL)
Een elektronische peilingslijn (EBL) is een lijn die wordt
getrokken vanaf uw schip naar de rand van het venster.
Wanneer deze lijn wordt geroteerd zodat hij is uitgelijnd met
het object, dan wordt de peiling ten opzichte van de koers van
uw schip gemeten en weergegeven in het radarcontextmenu
wanneer u de VRM met de cursor selecteert.
De VRM en de EBL worden gecombineerd en meten zowel de
afstand als de peiling van een bepaald object.
D8403-2
1
3
2
0.624nm
56°S
4
VRM/EBL
Artikel Omschrijving
1 VRM
2
Object
3 EBL
4
Afstand en peiling
Meten met behulp van zwevende VRM/EBL
U kunt de VRM/EBL-zweeffunctie gebruiken om de afstand en
de peiling tussen twee punten op het radarscherm te meten. Met
deze functie kunt u het midden van de VRM/EBL verplaatsen
van uw schip naar een object. U kunt de radius van de VRM
wijzigen om de afstand tussen twee punten te bepalen en u
kunt de hoek van de EBL ten opzichte van het nieuwe startpunt
wijzigen om de peiling te bepalen.
2
3
VRM/EBL
0.471nm
55°P
1
D12218-1
Artikel Omschrijving
1
Afstand en peiling
2
Object 1
3
Object 2
VRM/EBL-contextmenu
De VRM/EBL-functie bevat een contextmenu met
positiegegevens en menu-items.
Het contextmenu geeft positiegegevens voor de VRM/EBL ten
opzichte van uw schip:
Bereik
Peiling
Het contextmenu bevat eveneens de volgende menu-items:
Zwevend midden
Aanpassen
VRM/EBL uit
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
Een VRM/EBL creëren op de
radarweergave
Om een VRM/EBL op een multifunctioneel display met
touchscreen te creëren volgt u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer het scherm en houd deze vast.
Het radarcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Plaats VRM/EBL.
3. Selecteer de gewenste locatie-object.
De VRM/EBL is nu ingesteld op de geselecteerde locatie.
Een VRM/EBL creëren op de
radarweergave
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer een object of locatie op het scherm.
2. Druk op de OK-knop.
Het radarcontextmenu wordt weergegeven.
3. Selecteer Plaats VRM/EBL.
4. Met behulp van de joystick kunt u de VRM/EBL aanpassen
naar de gewenste peiling en afstand.
5. Druk op de knop OK om de instelling op te slaan.
Een zwevende VRM/EBL creëren op de
radarweergave
Om een VRM/EBL op een multifunctioneel display met
touchscreen te laten zweven volgt u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in de radartoepassing met een reeds
gecreëerde VRM/EBL:
1. Druk op de VRM/EBL en houd deze ingedrukt.
Het VRM/EBL-contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Zwevend midden.
3. Selecteer de gewenste locatie voor de middenpositie.
De VRM/EBL wordt op de nieuwe locatie geplaatst.
Radartoepassing
225
Een zwevende VRM/EBL creëren op de
radarweergave
Doe het volgende in de radartoepassing met een reeds
gecreëerde VRM/EBL:
1. Plaats de cursor op de VRM/EBL.
2. Druk op de OK-knop.
Het radarcontextmenu wordt weergegeven.
3. Gebruik de Draaiknop om Zwevend midden te selecteren.
4. Druk op de OK-knop.
5. Gebruik de joystick om de middenpositie van de cirkel naar
de gewenste positie te verplaatsen.
6. Druk op de OK-knop om de nieuwe positie te bevestigen.
Een zwevende VRM/EBL vastzetten in de
radarweergave
Om een VRM/EBL op een multifunctioneel display met
touchscreen opnieuw te centreren volgt u de onderstaande
stappen:
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Plaats de cursor op de VRM/EBL.
Het radarcontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Midden.
Een zwevende VRM/EBL vastzetten in de
radarweergave
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Plaats de cursor op de VRM/EBL.
2. Druk op de OK-knop.
Het VRM/EBL-contextmenu wordt weergegeven.
3. Selecteer Midden.
De radarbereikringen gebruiken
Met radarbereikringen kunt u de afstand meten tussen twee
punten op het radardisplay.
Gebruik de bereikringen om de afstand te schatten tussen twee
punten. Bereikringen zijn concentrische cirkels die worden
weergegeven op het scherm en die zijn gecentreerd rond uw
schip op ingestelde afstanden. Het aantal en de afstand tussen
de ringen verandert wanneer u in- en uitzoomt.
Voorbeelden:
D12214-1
D12215-1
D12216-1
Bereik 1/4 nm
Bereikringen 760
voet uit elkaar
Bereik 3/4 nm
Bereikringen 1/4 nm
uit elkaar
Bereik 1 1/2 nm
Bereikringen 1/4 nm
uit elkaar
Radarbereikringen in- en uitschakelen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer MENU.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Bereikringen.
Wanneer u Bereikringen selecteert wordt geschakeld tussen
bereikringen Aan en Uit.
18.7 Radarmodus en oriëntatie
Radarrichtingsmodi
De radar kan in een aantal richtingsmodi werken, passend bij de
verschillende soorten navigatie.
De richting van de radar heeft betrekking op de radar
in verhouding tot de richting waarin u vaart. Er zijn drie
richtingsmodi waaruit u kunt kiezen:
Boeg boven
Noord boven
Koers boven
Deze richtingsmodi worden gebruikt samen met de
bewegingsmodus om af te stemmen hoe uw schip en de radar
met elkaar in verband staan en hoe ze op het scherm worden
weergegeven. Alle wijzigingen die u doorvoert in de richting
van de radar worden bewaard wanneer u uw multifunctionele
display uitschakelt.
Boeg boven
Dit is de standaard modus voor de radartoepassing.
N
N
1
2
D12208-1
Artikel Omschrijving
1 Headingmarkering van het schip
(Ship's Heading Marker, SHM) (dit
geeft de huidige heading van het
schip naar boven aan).
2 Wanneer de heading van het schip
verandert:
SHM wordt vastgezet naar boven
Het radarbeeld draait
overeenkomstig
Noord boven
N
N
1
2
D12209-1
Artikel Omschrijving
1 Ware noorden bovenaan.
2 Wanneer de heading van uw schip
verandert:
Wordt het radarbeeld vastgezet
(noord boven)
Roteert de SHM overeenkomstig
226 a Series / c Series / e Series
Opmerking: Wanneer de headinggegevens niet meer
beschikbaar zijn wanneer u in deze modus bent, wordt een
waarschuwingsbericht weergegeven, de statusbalk geeft
Noord boven aan tussen haakjes en de radar gebruikt
heading in relatieve beweging. Wanneer de headinggegevens
nogmaals niet meer beschikbaar zijn, wordt de modus Noord
boven teruggezet.
Opmerking: Het is niet mogelijk de modus "Boeg boven" te
selecteren als de bewegingsmodus is ingestelde op Ware
noorden.
Koers boven
N
N
1
2
D12210-1
Artikel Omschrijving
1 Huidige koers boven.
2 Wanneer de heading van uw schip
verandert:
Wordt het radarbeeld vastgezet
Roteert de SHM overeenkomstig
Als u een nieuwe koers selecteert wordt het beeld gereset en
geeft de nieuwe koers boven weer.
De referentie die wordt gebruikt voor "Koers boven" hangt af
van de informatie die op een bepaald moment beschikbaar is.
Het systeem bepaalt de prioriteit van deze informatie in de
onderstaande volgorde:
1. Peiling van startpunt naar bestemming, d.w.z. geplande
koers.
2. Vastgezette heading van een stuurautomaat.
3. Heading naar waypoint.
4. Huidige heading (wanneer Koers boven is geselecteerd).
Opmerking: Wanneer de headinggegevens niet meer
beschikbaar zijn wanneer u in deze modus bent, wordt een
waarschuwingsbericht weergegeven, de statusbalk geeft
Koers boven aan tussen haakjes en de radar gebruikt
heading in relatieve beweging. Wanneer de headinggegevens
nogmaals niet meer beschikbaar zijn, wordt de modus Koers
boven teruggezet.
De radarrichtingsmodus selecteren
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Richting- & bewegingsmodus.
4. Selecteer Richting.
5. Selecteer de gewenste richting.
Overzicht radarbewegingsmodi
De bewegingsmodus regelt de verhouding tussen de radar en
uw schip. Er zijn twee modi:
Relatieve beweging.
Werkelijke beweging.
De geselecteerde bewegingsmodus wordt weergegeven in
de statusbalk. De standaard instelling is Relatieve beweging
zonder correctie.
Relatieve beweging (Relative Motion, RM) met optionele
scheepscorrectie
Wanneer deze modus is ingesteld op Relatief, dan wordt de
positie van uw schip vastgezet op het scherm en alle objecten
bewegen ten opzichte van het schip. U kunt speciceren of het
schip moet worden vastgezet in het midden van het venster of
met een gedeeltelijke of volledige correctie om het zicht naar
voren te vergroten, zoals hieronder getoond:
Voorbeelden:
D12211-1
D12212-1
D12213-1
Middencorrectie
Gedeeltelijke correctie
Volledige correctie
De standaard bewegingsmodus is “Relatief”, met
middencorrectie.
Werkelijke beweging (True Motion, TM)
Wanneer de bewegingsmodus is ingesteld op Werkelijk,
behouden vaste radarobjecten een constante positie en
bewegende schepen (waaronder uw schip) verplaatsen zich in
werkelijk perspectief ten opzichte van elkaar en ten opzichte
van de vaste landmassa's op het scherm. Als de positie van
het schip de rand van het scherm nadert, wordt het radarbeeld
automatisch gereset en toont het gebied vóór het schip.
Opmerking: Wanneer de heading- en positiegegevens
niet beschikbaar worden wanneer Werkelijke beweging is
geselecteerd, wordt een waarschuwingsbericht weergegeven,
de modus wordt omgezet naar relatieve beweging en wordt
dit tussen haakjes gemeld in de statusbalk, bijvoorbeeld (TM).
Opmerking: Het is niet mogelijk Werkelijke beweging te
selecteren als de richting is ingesteld op Boeg boven.
De radarbewegingsmodus selecteren
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Richting- & bewegingsmodus.
4. Selecteer Bewegingsmodus.
Wanneer u Bewegingsmodus selecteert wordt geschakeld
tussen Waar en Relatief.
De radar-/scheepscorrectie wijzigen
Radarcorrectie is alleen beschikbaar in de Relatieve
bewegingsmodus.
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Richting- & bewegingsmodus.
4. Selecteer Scheepscorrectie.
5. Selecteer de gewenste correctiewaarde.
Radartoepassing
227
18.8 Menu-opties radarpresentatie
Functie Omschrijving Opties
Dual Range Met dit menu-item kunt u de Dual Range-modus Aan en Uit zetten. Aan
Uit
Dual Range-kanaal Met dit menu-item kunt u lang en kort kanaal kiezen voor Dual Range. 1
2
Richting- & bewegingsmodus
Dit menu-item bevat een submenu waarmee u de richting- en bewegingsmodus
kunt aanpassen:
Richting
Bewegingsmodus
Scheepscorrectie
Richting
Boeg boven
Noord boven
Koers boven
Bewegingsmodus
Waar
Relatief
Scheepscorrectie
Midden (standardwaarde)
Gedeeltelijke correctie
Volledige correctie
Waypoints selecteren voor
weergave
Via dit menu-item gaat u naar het dialoogvenster Waypoints weergeven
waar u kunt kiezen welke waypoint-pictogrammen moeten worden
weergegeven/verborgen in de Radar-toepassing.
Waypoint weergeven
Weergeven
Verbergen
Naam waypoint
Met dit menu-item kunt u de namen van waypoints weergeven of verbergen
in Radar-toepassing.
Weergeven
Verbergen
Echosignalen verbeteren Dit menu-item bevat een submenu waarmee u de volgende opties kunt
aanpassen:
Interferentieweigering
IR-niveau alleen beschikbaar op non-HD digitale radomes.
Expansie
Expansieniveau alleen beschikbaar op non-HD digitale radomes.
Wake's
Wake-periode
Interferentieweigering
Aan
Uit
IR-niveau alleen beschikbaar op
non-HD digitale radomes.
Normaal
Hoog
Expansie
Aan
Uit
Expansieniveau alleen beschikbaar
op non-HD digitale radomes.
Laag
Hoog
Wake's
Aan
Uit
Wake-periode
10 sec.
30 sec.
1 min.
5 min.
10 min.
228 a Series / c Series / e Series
Functie Omschrijving Opties
Kleurenpalet Met dit menu-item kunt u een Kleurenpalet selecteren voor de
Radar-toepassing.
Vet
Professioneel 1
Professioneel 2
Klassiek
Nachtzicht
Bereikringen Met dit menu-item kunt u de bereikringen Aan en Uit zetten. Aan
Uit
Ring veilige zone Met dit menu-item kunt u de ring veilige zone in de Radar-toepassing
weergeven of verbergen.
Weergeven
Verbergen
Versterkingsregelaars
Hiermee kunt u de versterkingsregelaars op het scherm weergeven of
verbergen op displays met een touchscreen.
Weergeven
Verbergen
Gegevenskaders Dit menu-item bevat een submenu waarmee u informatie kunt aanzetten en
selecteren die moet worden weergegeven in gegevenscellen in de hoek
linksonder van de Radar-toepassing (gegevenscellen worden weergegeven
in alle radarvensters).
Gegevenscel 1
Selecteer gegevenscategorie
Gegevenscel 2
Selecteer gegevenscel
Gegevenscel 1 & 2
Aan
Uit
Selecteer gegevenscel
Lijst met beschikbare gegevens per
categorie
Functies van Echo's vet
Radarinterferentieweigering inschakelen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Echosignalen verbeteren.
4. Selecteer Interferentieweigering zodat Aan is gemarkeerd
Wanneer u Interferentieweigering selecteert wordt
geschakeld tussen de functie Aan en Uit.
5. Voor niet-HD digitale radomes kunt u ook een
interferentie-weigeringsniveau selecteren:
i. Selecteer IR-niveau.
Wanneer u IR-niveau selecteert wordt geschakeld tussen
Laag en Hoog.
Radarexpansie inschakelen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Echosignalen verbeteren.
4. Selecteer Expansie zodat Aan is gemarkeerd
Wanneer u expansie selecteert wordt geschakeld tussen de
functie Aan en Uit.
5. Voor niet-HD digitale radomes kunt u ook een
interferentie-weigeringsniveau selecteren
i. Selecteer Expansieniveau.
Wanneer u Expansieniveau selecteert wordt geschakeld
tussen Laag en Hoog.
Radar-wake's (trails)
Met radar-wake's kunt u de objecthistorie zien. Wake's zien er
verschillend uit, afhankelijk van het feit of uw radar is ingesteld
op de modus Werkelijke beweging of Relatieve beweging.
Modus Relatieve beweging
In de modus relatieve beweging verschijnen radar-wake's
op objecten die bewegen ten opzichte van de zee
(zee-gestabilisserd). Dit bevat ook objecten die aan de grond
zijn bevestigd, zoals palen.
Wake's verschijnen niet als een object met dezelfde snelheid en
in dezelfde richting als uw schip beweegt.
Voorbeeld modus Relatieve beweging
D12744-1
1
2
5
3
4
D
RAFT
DRAFT
DRAFT
DRAFT
DRAFT
DRAFT
DRAFT
T
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ETETETETETETET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ETETETET
ET
ETET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ET
ETETETETETETETETETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ETET
ET
ET
ETETETETET
ET
ETETETETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ETETETETETETETETET
ET
ET
ET
ETETETET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ETETETETETETETETETETETETETETETEMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PMPMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PMPMPMPM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PMPM
PM
PMPMPM
PM
PMPMPMPO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RORORORO
RO
RORORORORORORORORO
RO
RO
RO
RORORORORORORORORORORORORORO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RORO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RO
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RARA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RA
RARY
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
Y
I
LI
LILILI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LILI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LILILI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LILI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LI
LL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
UL
US
TS
TS
TR
AR
AR
AR
AR
AR
AR
AR
AR
AR
AR
ARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARARAT
IT
IT
IT
IT
IT
ITITITITIT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
ITITITITITITITIT
IT
IT
IT
IT
IT
ITITITITIT
IT
IT
IT
ITITIT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
IT
ITITIO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NONONONO
NO
NO
NO
NO
NONONONONO
NO
NO
NO
NONO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NONONO
NO
NONO
NO
NONO
NO
NONONONONO
NO
NONO
NO
NONONONONONONO
NO
NONONONONONO
NO
NONONO
NO
NO
NONO
NO
NONO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NO
NONONONO
NO
NONONO
NO
NO
NO
NO
NONONONONONONONO
NO
NONO
NO
NO
NO
NO
NO
N
TEMPORARY ILLUSTRATION
TEMPORARY ILLUSTRATION
1
Object dat sneller beweegt dan het schip en in dezelfde richting
(wake verschijnt in de richting van de koers van uw schip).
2 Koersmarkering van het schip.
3
Object dat in tegengestelde richting van het schip beweegt
(wake verschijnt in tegengestelde richting van de koers van
uw schip).
4
Object beweegt op ongeveer dezelfde snelheid van het schip
en in dezelfde richting (minimale tot geen wake).
5
Vast object (wake in tegengestelde richting van de koers van
uw schip).
Modus Werkelijke beweging
In de modus Werkelijke beweging verschijnen radar-wake's bij
objecten die ten opzichte van de grond bewegen.
Wake's verschijnen niet bij objecten die aan de grond zijn
bevestigd.
Radartoepassing
229
Voorbeeld modus Werkelijke beweging
D12745-1
2
3
1
4
D
RAFT
DRAFT
DRAFT
T
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ETET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ETETET
ET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETET
ET
ET
ET
ET
ETETET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ET
ETETETETETETETETETEM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPMPM
PM
PMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPM
PM
PM
PM
PM
PMPMPM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPMPO
RO
RO
RO
RO
RO
RORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORORA
RA
RA
RA
RY
Y Y Y Y Y Y Y
Y
Y Y Y Y Y Y Y Y Y
I
LI
LI
LI
LI
LL
UL
UL
UL
UL
US
TS
TS
TR
AR
AR
AT
IT
IT
IO
NO
N
TEMPORARY ILLUSTRATION
TEMPORARY ILLUSTRATION
TEMPORARY ILLUSTRATION
TEMPORARY ILLUSTRATION
TEMPORARY ILLUSTRATION
1 Koersmarkering van het schip.
2
Object dat beweegt met een snelheid van 0 tot 1 knopen
(minimale tot geen wake).
3
Object dat in tegengestelde richting van het schip beweegt
(wake verschijnt in tegengestelde richting van de koers van
uw schip).
4
Object dat in dezelfde richting als het schip beweegt (wake
verschijnt in de richting van de koers van uw schip).
Opmerking: U zou een een wake-‘ring’ kunnen zien rondom
vaste objecten als gevolg van kleine foutfactoren zoals
tijdvertragingen in de rotatie. Dit is normaal.
Radar-wake's inschakelen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Echosignalen verbeteren.
4. Selecteer Wakes zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Wakes selecteert wordt geschakeld tussen de
functie Aan en Uit.
5. Selecteer Wake-periode.
Er wordt een lijst weergegeven met Wake-periodes:
10 sec
30 sec
1 min.
5 min
10 min
6. Selecteer de gewenste tijd.
230 a Series / c Series / e Series
18.9Afstemmen radar:
versterkingsregelaars op het scherm
Multifunctionele displays met touchscreen hebben op het scherm
toegang tot de regelaars voor versterking, regen en zeesluier.
Versterkingsregelaar
Regenregelaar
Zeeregelaar
Opmerking: De regelaars van de displays zonder
touchscreen kunt u openen met de volgende menu-opties:
Menu > Regen en Menu > Versterking aanpassen.
Versterkingsregelaars op het scherm in-
en uitschakelen
U kunt de versterkingsregelaars op het scherm in- en
uitschakelen door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende op een multifunctioneel display met
touchscreen, terwijl de betreffende toepassing wordt
weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Versterkingsregelaars.
Wanneer u de Versterkingsregelaars selecteert wordt
geschakeld tussen weergave en verbergen van de regelaars
op het scherm.
Opmerking: Wanneer de versterkignsregelaars op
het scherm worden ingesteld op Verborgen, dan kunt
u de Versterkingsinstellingen direct openen vanuit het
toepassingsmenu: Menu > Versterking.
De versterkingsregelaars op het scherm
gebruiken
Om instellingen aan te passen met behulp van de regelaars op
het scherm volgt u de onderstaande stappen.
Doe het volgende op een multifunctioneel display met
touchscreen, terwijl de radartoepassing wordt weergegeven:
1. Selecteer één van de pictogrammen Versterking, Regen
of Zee.
De schuifbalkregelaar wordt weergegeven op het scherm.
2. Selecteer het vakje Automatisch (Versterking en Zee) of
het vakje Uit (Regen) zodat er een vinkje wordt geplaatst in
het vakje om over te schakelen naar automatische regeling
of om de regelaar uit te schakelen, of
3. Selecteer het vakje Automatisch (Versterking en Zee) of het
vakje Uit (Regen) zodat het vinkje wordt verwijderd om over
te schakelen naar handmatige regeling.
4. Pas de schuifregelaar aan naar de gewenste instelling.
5. De schuifbalk wordt automatisch gesloten, of u kunt het
pictogram op het scherm opnieuw selecteren om de
schuifbalk te sluiten.
Radartoepassing
231
18.10 Radaraanpassingen HD en SuperHD
U kunt de voorkeursinstelling en andere functies gebruiken om de kwaliteit van het radarbeeld te verbeteren.
De volgende instellingen zijn beschikbaar in het Radar-menu en
zijn van toepassing op HD radomes en HD en SuperHD Open
Array-scanners:
Menu-item Omschrijving Opties
voorkeursmodus Met de voorkeursinstellingen voor
radarversterking kunt u snel vooraf
gecongureerde instellingen selecteren,
voor een optimaal beeld in verschillende
situaties. Raymarine adviseert nadrukkelijk
gebruik te maken van de voorkeursmodi voor
signaalversterking voor optimale resultaten.
Boei een speciale modus die de detectie van kleine objecten zoals
verankerde boeien verbetert. Deze modus is bruikbaar tot bereiken van
0,75 nm.
Haven dit is de standaard modus. Deze instelling houdt rekening met
landsluier zodat kleinere objecten, zoals navigatieboeien niet verloren gaan.
Kust houdt rekening met het enigszins hogere zeesluierniveaus die buiten
de haven kunnen ontstaan en past het radardisplay overeenkomstig aan.
Offshore past automatisch aan voor hogere zeesluierniveaus.
Vogelmodus een speciale modus die u helpt bij het identiceren van
zwermen vogels, wat handig is bijvoorbeeld bij het bepalen van geschikte
vislocaties.
Opmerking: Voor de Vogelmodus is een SuperHD Open Array met
softwareversie 3.23 of hoger vereist, of een HD radome.
Regen De radarscanner detecteert echosignalen
van regen of sneeuw. Deze echosignalen
verschijnen op het scherm als talloze kleine
echosignalen waarvan de omvang, de
intensiteit en de positie continu verandert.
Wanneer u de regensluierfunctie Aanzet wordt
het grootste deel van het effect van regensluier
rond uw schip onderdrukt, waardoor het
gemakkelijker wordt om andere objecten te
herkennen. U kunt de intensiteit instellen
tussen 0 en 100%.
Aan hierdoor wordt de Regen-functie aangezet en kunt u de instelling
aanpassen tussen 0 en 100%.
Uit de Regen-functie wordt uitgeschakeld. Dit is de standaard.
Voorkeursinstelling
aanpassen
Alle voorkeursinstellingen voor
signaalversterking kunnen handmatig
worden aangepast met behulp van versterking,
kleurversterking en zeesluierfuncties.
Signaalversterking hiermee kunt u een voorkeursinstelling gebruiken
in automatische modus, of de versterking daarvan handmatig aanpassen
tussen 0 en 100%.
Kleurversterking past de intensiteit (kleur) aan van de weergegeven
objecten, maar dit heeft geen effect op het aantal weergegeven objecten.
Wanneer u de kleurversterking verhoogt worden meer objecten weergegeven
in dezelfde kleur, wat u kan helpen te bepalen of een object een werkelijk
object is, of alleen achtergrondruis. Wanneer u de kleurversterking verlaagt
kunt u betere objectdetails en -detectie krijgen.
Zee radarechosignalen van golven rond uw schip kunnen het midden van
het radarbeeld versluieren, waardoor het moeilijk wordt werkelijke objecten
te detecteren. Het aanpassen van de zeeversterking reduceert deze sluier
voor maximaal 5 nautische mijlen (afhankelijk van de golf- en zeecondities)
vanaf uw schip.
SuperHD-bediening alleen voor SuperHD-scanners:
Antenneversterking: schaalt het effectieve antenneformaat. Bij nul komt
het effectieve antenneformaat overeen met de feitelijke omvang. Bij
95% is het effectieve antenneformaat verdubbeld. Door het effectieve
antenneformaat de verhogen, worden objecten uit elkaar gehaald die
samen lijken te vallen bij lagere instellingen.
Vermogensversterking: past het effectieve zendvermogen aan. Bij nul
werkt de radar op standaard vermogen (4 kW of 12 kW). Bij 90 wordt het
effectieve vermogen verhoogd met een factor van minimaal twee. Door het
vermogen te verhogen worden objecten beter zichtbaar ten opzichte van
de ruis. Voor optimale resultaten reduceert u de vermogensversterking om
verzadiging van sterke objecten te voorkomen.
Voorkeursinstellingen van de radar
selecteren
Voor deze voorkeursinstellingen is een HD- of
SuperHD-radarscanner vereist. Voor de Vogelmodus
is een SuperHD Open Array-scanner met softwareversie 3.23 of
hoger vereist, of een HD radome.
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu:
1. Selecteer Voorkeursmodus.
2. Selecteer Boei, Haven, Kust, Offshore of Vogel.
De voorkeursinstelling van de
radarversterking aanpassen
Raymarine adviseert nadrukkelijk gebruik te maken van de
voorkeursmodi voor signaalversterking voor optimale resultaten.
Wanneer nodig kunnen echter handmatige aanpassingen
worden gedaan.
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu, terwijl de
gewenste Voorkeursmodus is geselecteerd:
1. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
232 a Series / c Series / e Series
2. Selecteer Versterking.
3. De schuifbalkregelaar voor de kleurversterking wordt
weergegeven.
4. Stel de schuifbalkregelaar van de kleurversterking in op de
juiste waarde (tussen 0% en 100%), of
5. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische versterkingsregeling.
De voorkeursinstelling van de radarkleur
aanpassen
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu, terwijl de
gewenste voorkeursmodus is geselecteerd:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
3. Selecteer Kleur: .
4. De schuifbalkregelaar voor de kleur wordt weergegeven.
5. Stel de schuifbalkregelaar van de kleur in op de juiste waarde
(tussen 0% en 100%), of
6. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische kleurregeling.
De anti-zeesluier van de radar aanpassen
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu, terwijl de
gewenste voorkeursmodus is geselecteerd:
1. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
2. Selecteer Zee: .
3. De schuifbalkregelaar voor de zeesluier wordt weergegeven.
4. Stel de schuifbalkregelaar van de zeesluier in op de juiste
waarde (tussen 0% en 100%), of
5. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische zeesluierregeling.
De anti-regensluier van de radar aanpassen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Regen.
De schuifbalkregelaar voor de regensluier wordt
weergegeven.
3. Stel de schuifbalkregelaar van de regensluier in op de juiste
waarde (tussen 0% en 100%), of
4. Selecteer het vakje Uit zodat een vinkje wordt geplaatst in
het bakje om de regelaar voor de anti-regensluier uit wordt
geschakeld.
SuperHD-radarantenneversterking
aanpassen
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu:
1. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
2. Selecteer Antenne.
De schuifbalkregelaar voor de antenneversterking wordt
weergegeven.
3. Stel de schuifbalkregelaar van de antenneversterking in op
de juiste waarde (tussen 0 en 100%), of
4. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische versterkingsregeling.
SuperHD-radarvermogensversterking
aanpassen
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu:
1. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
2. Selecteer Voeding.
De schuifbalkregelaar voor Vermogensversterking wordt
weergegeven.
3. Stel de schuifbalkregelaar van de Vermogensversterking in
op de juiste waarde (tussen 0 en 100%), of
4. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische versterkingsregeling.
Radartoepassing
233
18.11 Aanpassingen non-HD digitale radomes
U kunt de voorkeursinstelling van de versterking en andere functies gebruiken om de kwaliteit van het radarbeeld te verbeteren.
De volgende instellingen zijn van toepassing op non-HD digitale
radomes en zijn beschikbaar in het Radar-menu:
Menu-item Omschrijving Opties
Regen De radarscanner detecteert echosignalen
van regen of sneeuw. Deze echosignalen
verschijnen op het scherm als talloze kleine
echosignalen waarvan de omvang, de intensiteit
en de positie continu verandert. Wanneer u de
regensluierfunctie Aanzet wordt het grootste deel
van het effect van regensluier rond uw schip
onderdrukt, waardoor het gemakkelijker wordt
om andere objecten te herkennen. U kunt de
intensiteit instellen tussen 0 en 100%.
Aan hierdoor wordt de Regen-functie
aangezet en kunt u de instelling aanpassen
tussen 0 en 100%.
Uit de Regen-functie wordt uitgeschakeld.
Dit is de standaard.
Voorkeursinstelling aanpassen Hiermee kunt u de gevoeligheid van de
radarontvangst aanpassen. In sommige situaties
kan het aanpassen van de gevoeligheid de
helderheid van het radarbeeld verbeteren. De
volgende instellingen zijn beschikbaar:
Versterking
FTC hiermee kunt u sluiergebieden op een
afstand van uw schip verwijderen. Het helpt
u ook onderscheid te maken tussen twee
zeer dicht bij elkaar liggende echosignalen
op dezelfde peiling, die anders kunnen
samenvallen en op één echo lijken. U kunt de
intensiteit van de FTC-functie instellen tussen 0
en 100%.
Een hogere instelling laat alleen het
voorste deel van de grote (regensluier)
echosignalen zien, terwijl het effect op
kleinere echosignalen (schepen) slechts
gering is.
Een lagere instelling vermindert de
achtergrondruis en terugkerende
invulsignalen van land en andere
grote objecten.
Zee hiermee kunt u snel vooraf
gecongureerde instellingen selecteren, voor
een optimaal beeld in verschillende situaties.
Iedere voorkeursinstelling voor versterking
heeft een versterkingsfunctie, die standaard is
ingesteld op automatische modus. Raymarine
adviseert nadrukkelijk gebruik te maken van
de voorkeursmodi voor signaalversterking
voor optimale resultaten. U kunt echter
de signaalversterking wanneer nodig ook
handmatig instelling.
Automatische zeemodus
Versterking
Automatisch de voorkeursinstelling werkt in
automatische modus. Dit is de standaard.
Handmatig hiermee kunt u de intensiteit van
de signaalversterking handmatig aanpassen,
van 0 tot 100%.
FTC
Aan hierdoor wordt de FTC-functie aangezet
en kunt u de instelling aanpassen tussen 0 en
100%.
Uit de FTC-functie wordt uitgeschakeld. Dit
is de standaard.
Zee
Automatisch de voorkeursinstelling werkt in
automatische modus. Dit is de standaard.
Handmatig hiermee kunt u de intensiteit
van de zeesignaalversterking handmatig
aanpassen, van 0 tot 100%.
Automatische zeemodus
Haven dit is de standaard modus. Deze
instelling houdt rekening met landsluier zodat
kleinere objecten, zoals navigatieboeien niet
verloren gaan.
Kust houdt rekening met de enigszins
hogere zeesluierniveaus die buiten de haven
kunnen ontstaan en past de radarweergave
overeenkomstig aan.
Offshore past automatisch aan voor hogere
zeesluierniveaus.
De anti-regensluier van de radar aanpassen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Regen.
De schuifbalkregelaar voor de regensluier wordt
weergegeven.
3. Stel de schuifbalkregelaar van de regensluier in op de juiste
waarde (tussen 0% en 100%), of
4. Selecteer het vakje Uit zodat een vinkje wordt geplaatst in
het bakje om de regelaar voor de anti-regensluier uit wordt
geschakeld.
De radar-FTC-functie aanpassen
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
3. Selecteer FTC.
De schuifbalkregelaar voor FTC wordt weergegeven.
4. Stel de schuifbalkregelaar van de FTC in op de juiste waarde
(tussen 0% en 100%), of
5. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische FTC-regeling.
De anti-zeesluier van de radar aanpassen
Doe het volgende in het Radar-toepassingsmenu, terwijl de
gewenste voorkeursmodus is geselecteerd:
1. Selecteer Voorkeurs<modus> aanpassen, <modus> is
daarbij de reeds geselecteerde voorkeursmodus.
2. Selecteer Zee: .
3. De schuifbalkregelaar voor de zeesluier wordt weergegeven.
4. Stel de schuifbalkregelaar van de zeesluier in op de juiste
waarde (tussen 0% en 100%), of
5. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische zeesluierregeling.
234 a Series / c Series / e Series
Voorkeursmodus van de radar selecteren
Voor deze voorkeursinstellingen is een digitale radarscanner
vereist.
Doe het volgende in de Radar-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Voorkeursmodus.
3. Selecteer Haven, Kust of Offshore.
Radartoepassing
235
18.12 Radar gebruik bij Dual Range
Met de Dual Range-radarfunctie kunt u 2 bereiken tegelijkertijd
bekijken in afzonderlijke vensters. Deze functie is beschikbaar
op SuperHD en HD radarscanners.
Met uw multifunctionele display en een HD radarscanner kunt
u beelden bekijken op een kort bereik of een lang bereik in
afzonderlijke radarvensters.
De standaard instelling is Lang, wat zorgt voor een standaard
scannerbereik.
Beperkingen
Gebruik met Dual Range is niet beschikbaar wanneer
MARPA-objecten actief zijn.
U kunt MARPA-objecten niet ophalen wanneer Dual Range
is ingeschakeld.
Radar/kaart-synchronisatie en radar/kaart-lagen zijn tijdelijk
uitgeschakeld wanneer Dual Range is ingeschakeld.
Compatibiliteit met Dual Range-radar
Het bereik dat wordt gedekt door de Short Dual Range-optie
hangt af van de radarscanner die u gebruikt en de softwareversie
daarvan.
Scanner
Dual Range-
modus
*Bereik gedekt
door software-
versies 1.xx tot
2.xx
Bereik
gedekt door
softwareversie
3.xx en hoger
4 Kw HD Open
Array
Lang (1) 1/8 nm tot 72 nm 1/8 nm tot 72 nm
Kort (2) 1/8 nm tot 3 nm 1/8 nm tot 72 nm
4 Kw SuperHD
Open Array
Lang (1) 1/8 nm tot 72 nm 1/8 nm tot 72 nm
Kort (2) 1/8 nm tot 3 nm 1/8 nm tot 72 nm
12 Kw HD Open
Array
Lang (1)
NVT
1/8 nm tot 72 nm
Kort (2)
NVT
1/8 nm tot 72 nm
12 Kw SuperHD
Open Array
Lang (1) 1/8 nm tot 72 nm 1/8 nm tot 72 nm
Kort (2) 1/8 nm tot 3 nm 1/8 nm tot 72 nm
HD radome
Lang (1) 1/8 nm tot 48 nm 1/8 nm tot 48 nm
Kort (2) 1/8 nm tot 48 nm 1/8 nm tot 48 nm
Beperkingen van softwareversie 1.xx en 2.xx
De waarde van de instelling voor kort bereik dient kleiner of
gelijk te zijn aan de instelling voor lang bereik.
Met Dual Range op Aan en een venster voor kort bereik actief
moet de regelaar van Expansie worden uitgeschakeld in het
menu Echosignalen verbeteren.
Dubbele afstand met SuperHD scanners
gebruiken
Gebruik van dubbele afstandsradar met SuperHD scanners.
Bij gebruik van de dubbele afstandsoptie Kort werkt een
SuperHD-scanner alleen in HD-modus. Bij gebruik van de
dubbele afstandsoptie Lang werkt een SuperHD-radar in
SuperHD-modus.
Scanner
Modus Dubbele
afstand Bedieningsmodus
4 kW SuperHD Open
Array
Lang
SuperHD
Kort HD
12 kW SuperHD Open
Array
Lang
SuperHD
Kort HD
Radar met Dual Range inschakelen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Dual Range zodat Aan is gemarkeerd.
Wanneer u Dual Range selecteert wordt heen en weer
geschakeld tussen Dual Range Aan en Uit.
Bereikgebruik selecteren
Doe het volgende met Dual Range ingesteld op Aan en de
radartoepassing weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Dual Range-kanaal om te schakelen tussen 1 of 2.
236 a Series / c Series / e Series
18.13 Scansnelheid radar
SuperHD Open Array-radars met software versie 3.23 of hoger,
of HD radome's ondersteunen meerdere scansnelheden.
De radarscansnelheid wordt ingesteld in het menu Instellingen
radar. Wanneer het systeem een scanner detecteert die
zowel op 24 toeren als op 48 toeren werkt, worden 2 opties
aangeboden voor de scannersnelheid:
24 toeren
Automatisch
Als u een digitale radarscanner heeft die alleen werkt op 24
toeren, dan is de optie voor scansnelheid uitgeschakeld. Als
de optie voor scansnelheid is ingeschakeld dient u de optie
Automatisch te selecteren als u de hogere scansnelheden
wilt gebruiken. Deze optie schakelt automatisch tussen de 24
toeren- en 48 toeren-scansnelheden.
De radarscansnelheid selecteren
Volg de onderstaande stappen om de radarsnelheid te wijzigen.
Voor de snelheidsoptie is een 48 RPM compatibele Raymarine
HD radome of Raymarine SuperHD Open Array radarscanner
nodig.
Selecteer uw radarscannersnelheid in de Radar-toepassing.
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellen radar.
3. Selecteer Radarsnelheid
4. Selecteer de gewenste scannersnelheid:
Automatisch
24 RPM
De optie Automatisch selecteert de juiste snelheid voor uw
radarbereik. 48 RPM wordt gebruikt voor radarbereiken tot
3 nm. Het heeft een verhoogde vernieuwingsfrequentie, wat
nuttig is bij hoge snelheden of in gebieden waar zich grote
aantallen radarobjecten bevinden. Bij radarbereiken van
meer dan 3 nm schakelt het display de radarsnelheid naar
24 RPM.
Radartoepassing
237
18.14 Radarinstellingenmenu
Met het instellingenmenu voor de radar kunt u de prestaties en het gedrag van uw radarscanner congureren.
Functie Omschrijving Opties
Instellen tijd zenden Dit menu-item bevat een submenu waarmee u de opties voor tijdgebonden
zenden kunt aanpassen:
Tijdgebonden zenden
Zendperiode
Stand-byperiode
Tijdgebonden zenden
Aan
Uit
Zendperiode
10 scans
20 scans
30 scans
Stand-byperiode
3 minuten
5 minuten
10 minuten
15 minuten
Afstemming aanpassen Met dit menu-item kunt u de ontvanger van de radarscanner jn afstemmen
voor optimale resultaten op het display. Raymarine adviseert deze functie
in te stellen op Automatisch. Als u deze functie instelt op Handmatig en de
instelling aanpast direct nadat u de radarscanner hebt aangezet, dan dient
u de instellingen ongeveer 10 minuten na het aanzetten van de scanner
opnieuw aan te passen, omdat de vereiste instelling verandert nadat de
magnetron is opgewarmd.
Handmatig
Automatisch
Handmatig 0% 100%
EBL-referentie Het meetpunt dat wordt gebruikt als referentie bij het meten van afstand
met behulp van elektronische peillijnen (Electronic Bearing Lines, EBL's) en
bereikringen in de Kaart-toepassing. De opties zijn Relatief ten opzichte van
scheepskoers of met referentie van het kompas in graden, en Magnetisch
Waar zoals geselecteerd in de Peilmodus.
Relatief
Magn.-Waar
Zeesluiercurve Met dit menu-item kunt u de zeesluier aanpassen door radarecho's van
golven kan het moeilijk zijn om werkelijke objecten te detecteren. Deze
echosignalen staan bekend onder de naam "zeesluier". Verschillende factoren
kunnen van invloed zijn op de sluier die u ziet, waaronder de weers- en
zee-omstandigheden en de montagehoogte van de radar. De curve-instelling
van de zeesluier past de gevoeligheid van de radar voor zeesluier aan. De
gevoeligste instelling voor de curve is 1 en de minste gevoelige instelling is 8.
Curve aanpassen (1 tot 8)
Scannersnelheid SuperHD Open Array-radars met software versie 3.23 of hoger, of
HD-radome's ondersteunen meerdere scansnelheden:
24 toeren
48 toeren
Scannersnelheid
24 toeren
Automatisch deze optie schakelt
automatisch tussen de 24 toeren- en
48 toeren-scansnelheden.
Geavanceerd
Dit menu-item bevat een submenu waarmee u de volgende opties kunt
aanpassen:
Uitlijning peiling
Display-timing
Hoofd-bang-onderdrukking
Voorkeursinstelling afstemmen
STC-voorkeursinstelling alleen niet-HD digitale radomes
Geavanceerde reset
Uitlijning peiling
-180º 179,5º
Display-timing
0,415 nm geselecteerd bereik
Main Bang-onderdrukking
Aan
Uit
Voorkeursinstelling afstemmen
0 255
STC-voorkeursinstelling
0 100%
Geavanceerde reset
Ja
Nee
De radarafstemmingsregelaar aanpassen
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen radar.
3. Selecteer Afstemming aanpassen.
238 a Series / c Series / e Series
4. Selecteer Afstemming aanpassen: .
De schuifbalkregelaar voor Afstemming aanpassen wordt
weergegeven.
5. Stel de schuifbalkregelaar in op de juiste waarde, of
6. Selecteer het vakje Automatisch om een vinkje te plaatsen
in het vakje voor automatische afstemming.
Radartoepassing
239
18.15 De radar resetten
Om de radarinstellingen te resetten naar de standaard
instellingen volgt u de onderstaande stappen:
Doe het volgende in de radartoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen radar.
3. Selecteer Geavanceerd.
4. Selecteer Geavanceerde reset.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven.
5. Selecteer Ja om de reset te bevestigen.
240 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 19: Gegevenstoepassing
Inhoudsopgave
19.1 Overzicht gegevenstoepassing op pagina 242
19.2
Gegevenspagina's selecteren met behulp van het Touchscreen op pagina 244
19.3
Gegevenspagina's selecteren op pagina 244
19.4 De gegevenstoepassing aanpassen op pagina 245
19.5 Motoridenticatie op pagina 247
19.6 Scheepsgegevens instellen op pagina 249
19.7 De maximale motor-RPM instellen op pagina 249
19.8 Kleurthema op pagina 250
19.9 Eenheidsinstellingen op pagina 251
19.10 Lijst met gegevensitems op pagina 252
19.11 De minimum en maximum metingen resetten op pagina 259
19.12 Alle gegevenspagina's resetten op pagina 259
Gegevenstoepassing
241
19.1 Overzicht gegevenstoepassing
Met de gegevenstoepassing kunt u gegevens bekijken die zijn
gegenereerd door het multifunctionele display of gegevens die
beschikbaar zijn op uw systeem.
Gegevens kunnen worden verkregen van apparaten die
SeaTalk
hs
, SeaTalk
ng
of NMEA-protocollen gebruiken.
Vooraf gecongureerde gegevenspagina's
De standaard gegevenspaginaconguratie hangt af van het
scheepstype dat is geselecteerd in de wizard voor eerste
instelling.
Iedere gegevenspagina bestaat uit een aantal 'cellen' die
informatie bevatten.
De standaard gegevenspaginaconguratie wordt hieronder
weergegeven:
Motorschip Zeilboot
Pagina-
nummer
Pagina Paginanum-
mer
Pagina
1/6
Motor
1/5
Motor
2/6
Navigatie
2/5
Navigatie
3/6 Omgeving 3/5
Zeilen
4/6
Vissen
4/5 Omgeving
5/6 Brandstof 5/5 Snelweg
6/6 Snelweg
Opmerking: De selectie van gegevenspagina's is een lokale
instelling en is daarom alleen van invloed op het betreffende
display dat u op dat moment gebruikt. Het is niet van invloed
op eventuele andere via het netwerk aangesloten displays.
Motor-pagina
De Motor-pagina is beschikbaar voor alle scheepstypen. De
wijzerplaten en soort gegevens die worden weergegeven
hangen af van het Aantal motoren dat is ingesteld in de
Scheepsinstellingen.
Belangrijk: De betreffende motorgegevens moeten
beschikbaar zijn op uw netwerk, anders kan de Motor-pagina
de motorgegevens niet weergeven.
Voorbeeld motorpagina voor schip met 2 motoren.
D13058-1
5
7
6
1 42 3
8 9 10 11 12
1. Wijzerplaat motor bakboord in combinatie met oliedruk en
koelvloeistoftemperatuur
2. Totale brandstof
3. Totale brandstofbesparing motor
4. Wijzerplaat motor stuurboord in combinatie met oliedruk en
koelvloeistoftemperatuur
5. Wijzerplaat motor-RPM bakboord
6. Wijzerplaat motor-RPM stuurboord
7. Trim tabs
8. SOG
9. Bakboorddynamo
10. Roerbalk
11. Stuurboorddynamo
12. Diepte
Navigatiepagina
De Navigatiepagina is beschikbaar voor alle scheepstypen.
D13062-1
5
6
7
8
1 42
3
10 119
1. Koers
2. Snelweg
3. Bestemmingswaypoint
4. Waypoint ETA (geschatte aankomsttijd)
5. Koers naar bestemmingswaypoint
6. Afstand tot bestemmingswaypoint
7. COG
8. SOG
9. VMG naar waypoint
10. Roerbalk
11. Diepte
Zeilen-pagina
Wanneer het scheepstype is gecongureerd als zeilboot, dan is
de Zeilen-pagina beschikbaar in de Gegevens-toepassing.
De Zeilen-pagina bevat kompas- en windwijzerplaten die
verschillende voor zeilboten specieke gegevens laten zien.
242
a Series / c Series / e Series
D13020-1
3
4
5
7
6
5
1 2
1. Kompaswijzerplaat
2. Windwijzerplaat
3. Waypoint-pictogram wordt alleen weergegeven tijdens
actieve navigatie.
4. Koers- (rood) en COG- (groen) pijlen
5. Ware wind-pijl (geel)
6. Schijnbare wind-pijl (geel)
7. Getijden-pijl (blauw)
Omgeving-pagina
De Omgeving-pagina is beschikbaar voor alle scheepstypen.
D13059-1
3
5
7
4
6
8
1
2
9 10
1. Wind-wijzerplaat
2. AWAS en AWS
3. Luchttemperatuur
4. Watertemperatuur
5. Zakking
6. AWS (Schijnbare windsnelheid)
7. Drift
8. TWS (ware windsnelheid)
9. Ware wind-pijl
10. Schijnbare wind-pijl
Vissen-pagina
De Vissen-pagina is beschikbaar wanneer het scheepstype is
ingesteld op motorboot.
D13060-1
2
4
6
3
5
7
1
1. Watertemperatuur
2. Levend aas-tank
3. Tijd
4. Bereik en peiling bestemmingswaypoint
5. Waypoint-TTG
6. SOG
7. Diepte
Brandstofpagina
De Brandstof-pagina is beschikbaar wanneer het scheepstype is
ingesteld op motorboot.
D13061-1
3
4
5
1 2
1. Geschatte brandstof
2. Totale brandstof
3. Brandstofmeter
4. Brandstof (reis)
5. Totale brandstofbesparing motor
Snelweg
De Snelweg-pagina is beschikbaar voor alle scheepstypen.
D13063-1
4
3
5
1 2
1. Snelweg
2. Bestemmingswaypoint
3. Scheepspictogram
4. Koerscorrectie-indicator
5. Koerscorrectiegegevens
Gegevenstoepassing
243
19.2Gegevenspagina's selecteren
met behulp van het Touchscreen
U kunt met het touchscreen door de beschikbare pagina's
bladeren.
D12878-1
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing:
1. Raak het scherm aan.
2. Schuif uw vinger omhoog en laat het scherm los om naar de
volgende gegevenspagina te gaan.
3. Schuif uw vinger omlaag en laat het scherm los om naar de
vorige gegevenspagina te gaan.
19.3
Gegevenspagina's selecteren
Om gegevenspagina's te selecteren met behulp van een
multifunctioneel display zonder touchscreen volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Verplaats de Joystick omlaag om naar de volgende pagina
te gaan, of
2. Verplaats de Joystick omhoog om naar de voorgaande
pagina te gaan.
244
a Series / c Series / e Series
19.4 De gegevenstoepassing
aanpassen
U kunt de gegevenstoepassing aanpassen zodat de door u
gewenste systeem- en instrumentgegevens weergeven worden.
Naast het weergeven van de standaard, vooraf gecongureerde
gegevenspagina's in de gegevenstoepassing, kunt u ook:
De volgorde waarin de gegevenspagina's worden
weergegeven veranderen.
De inhoud van gegevenspagina's aanpassen aan uw eigen
wensen.
De gegevenspagina's een andere naam geven.
Nieuwe aangepaste pagina's toevoegen.
Bestaande gegevenspagina's wissen.
De scheepsgegevens instellen, zoals aantal motoren,
brandstoftanks en accu's.
Het maximale toerentalbereik van de motor instellen.
Kleurenthema wijzigen.
De meeteenheden wijzigen.
De minimum en maximum metingen resetten.
Alle pagina's terugzetten naar standaard.
De gegevenspaginavolgorde wijzigen
U kunt de volgorde waarin gegevenspagina's worden
weergegeven wijzigen.
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Blader naar de gegevenspagina die u wilt verplaatsen.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Pagina bewerken.
Het menu Pagina bewerken wordt weergegeven.
4. Selecteer Verplaats pagina omhoog of Verplaats pagina
omlaag.
Iedere keer dat Verplaats pagina omhoog of Verplaats
pagina omlaag wordt geselecteerd en bevestigd, wordt de
gegevenspagina 1 positie omhoog of omlaag verplaatst in de
gegevenstoepassing.
De inhoud van gegevenspagina's
aanpassen met behulp van het touchscreen
Op multifunctionele displays met touchscreen kunt u een
gegevensitem aanpassen door het item in te drukken en vast te
houden op het scherm.
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing:
1. Geef de gegevenspagina weer die het gegevensitem bevat
dat u wilt wijzigen.
2. Raak met uw vinger het gegevensitem aan en houdt het vast.
Na ongeveer 3 seconden wordt het gegevensitem
gemarkeerd en wordt het menu Selecteer
gegevenscategorie weergegeven.
3. Navigeer door het menu om het gegevensitem dat u wilt
gebruiken op te zoeken.
4. Selecteer een gegevensitem.
Het geselecteerde gegevensitem wordt nu weergegeven in
plaats van het oorspronkelijke gegevensitem.
De inhoud van gegevenspagina's aanpassen
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Pagina bewerken.
3. Selecteer de cel die u wilt wijzigen.
4. Selecteer Selecteer gegevenscategorie.
5. Selecteer een gegevenscategorie.
Het selecteren van een gegevenscategorie geeft een lijst
met gegevensitems voor die categorie.
6. Selecteer het gegevensitem dat u wilt weergegeven.
Nadat het gegevensitem is geselecteerd wordt ernaast een
vinkje geplaatst in het menu en het veld op het scherm toont
nu het nieuwe gegevensitem.
7. Herhaal de stappen 3 tot en met 6 voor alle gegevensitems
die u wilt wijzigen.
Een gegevenspagina hernoemen
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Pagina bewerken.
3. Selecteer Pagina hernoemen.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
4. Voer de nieuwe naam in voor de gegevenspagina.
5. Selecteer OPSLAAN.
Een nieuwe gegevenspagina toevoegen
U kunt uw eigen aangepaste gegevenspagina's toevoegen aan
de gegevenstoepassing. Het totale aantal gegevenspagina's
inclusief de vooraf ingestelde pagina's is 10.
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Nieuwe pagina maken.
Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare layouts.
3. Selecteer de gewenste paginalayout.
De nieuwe pagina wordt weergegeven op het scherm.
4. Selecteer het lege veld van de nieuwe pagina waaraan u een
gegevensitem wilt toevoegen.
5. Selecteer Selecteer gegevenscategorie.
6. Selecteer een gegevenscategorie.
Het selecteren van een gegevenscategorie geeft een lijst
met gegevensitems voor die categorie.
7. Selecteer het gegevensitem dat u wilt weergegeven.
Nadat het gegevensitem is geselecteerd wordt ernaast een
vinkje geplaatst in het menu en het veld op het scherm toont
nu het geselecteerde gegevensitem.
8. Herhaal de stappen 3 tot en met 6 voor alle gegevensitems
die u wilt wijzigen.
9. Selecteer Pagina hernoemen.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
10.Voer de nieuwe naam in voor de gegevenspagina.
11. Selecteer OPSLAAN.
Een gegevenspagina verwijderen
U kunt aangepaste of vooraf gecongureerde gegevenspagina's
verwijderen uit de gegevenstoepassing. Het minimum aantal
gegevenspagina's is 1.
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Blader naar de gegevenspagina die u wilt verwijderen.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Pagina verwijderen.
Er wordt een bericht weergegeven om het verwijderen van
de pagina te bevestigen.
Gegevenstoepassing
245
4. Kies Ja om de gegevenspagina te verwijderen en Nee om
de actie te annuleren.
Opmerking: U kunt geen nieuwe motorpagina maken
met dezelfde layout als de vooraf gecongureerde
motorgegevenspagina's.
246 a Series / c Series / e Series
19.5 Motoridenticatie
Motorgegevens kunnen worden weergegeven op uw MFD met
behulp van de Gegevens-toepassing, deze beschikt over enkele
vooraf ingestelde Motor-pagina's voor de weergave van de
meeste voorkomende soorten motorgegevens.
Belangrijk: Voordat u motorgegevens kunt weergeven op
uw MFD, dient u:
ervoor te zorgen dat uw MFD LightHouse softwareversie
8 of hoger heeft.
de belangrijke informatie "Motorinstantiëring" en
"Motoridenticatiewizard" te raadplegen.
Maak de gegevensverbindingen overeenkomstig de
instructies in de 87202 Installatie-instructies ECI.
Zorg ervoor dat alle gegevensbussen van voeding
zijn voorzien (waaronder motorgegevens-CAN-bussen,
gateways en de SeaTalk
ng
-bus).
Start de motor. Zorg ervoor dat u alle sequentieregels die
van toepassing zijn in acht neemt, zoals gespeciceerd in
"Motorinstantiëring".
Voer de Motoridenticatiewizard uit om eventueel
vereiste "instantiëring" uit te voeren en zorg ervoor dat uw
motoren in de juiste volgorde worden weergegeven in de
Gegevens-toepassing.
Gegevenstoepassing
247
Instantiëren en instellen van de motor
Voordat u motorgegevens kunt weergeven op uw MFD kan het nodig zijn de motor in te stellen en te "instantiëren".
Opmerking: Het instellen en instantiëren van de motor is NIET nodig voor schepen met één motor.
De meeste motorgegevensconguraties kunnen worden ingesteld met de "Motoridenticatie"-wizard die beschikbaar is op
Raymarine MFD's met LightHouse software versie 8 of hoger. Voor sommige installaties met meerdere motoren kan het echter nodig
zijn om uw motoren eerst correct te laten "instantiëren" door uw motorleveranier/-dealer (een unieke ID/adres toegewezen krijgen).
De onderstaande tabel geeft gedetailleerde informatie over de verschillende soorten ondersteunde motoren en de vereiste
instellingen voor iedere soort:
Motor-CAN-
busprotocol Aantal motoren
Motor-CAN-
busconguratie
Aantal vereiste
ECI-units
Instellen via wizard
op MFD vereist
Motorinstantiëring
door dealer vereist
NMEA 2000 1
Enkele CAN-bus
1
NMEA 2000 2+ Enkele gedeelde
CAN-bus
1
NMEA 2000 2+
Afzonderlijke CAN-bus
voor iedere motor
1 voor iedere CAN-bus
J1939 1
Enkele CAN-bus
1
J1939 2+ Enkele gedeelde
CAN-bus
1
J1939 2+
Afzonderlijke CAN-bus
voor iedere motor
1 voor iedere CAN-bus
De motoridenticatiewizard gebruiken
Als uw motorgegevens in de verkeerde volgorde wordt
weergegeven op de motorpagina's, kunt u dit corrigeren door de
motoridenticatiewizard uit te voeren.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Instellingen > Systeeminstellingen > Externe
apparaten > Motoren instellen.
2. Wijzig wanneer nodig het aantal motoren dat uw schip heeft
doorAantal motoren: te selecteren en het juiste aantal
motoren in te voeren.
U kunt maximaal 5 motoren selecteren.
3. Selecteer Motoren identiceren.
Belangrijk: Het is belangrijk dat er slechts één motor tegelijk
draait, om er zeker van te zijn dat het systeem de juiste
motorgegevensberichten kan herkennen.
4. Volg de instructies op uw scherm om de motoridenticatiewi-
zard te voltooien.
De motoren die opgenomen in de identicatiewizard worden
bepaald door het aantal motoren dat in stap 2 hierboven is
ingevoerd.
i. Schakel ALLE scheepsmotoren uit en selecteer
Volgende.
De wizard gaat langs alle motoren (max. 5 zoals
ingevoerd in stap 2 hierboven) op volgorde van bakboord
naar stuurboord.
ii. Zet de motor bakboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor bakboord.
iii. Zet de motor midden bakboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden bakboord.
iv. Zet de motor midden aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden.
v. Zet de motor midden stuurboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor midden stuurboord.
vi. Zet de motor stuurboord aan en selecteer OK.
De wizard zoekt nu naar gegevens en wijst de
gedetecteerde motor toe als motor stuurboord.
5. Selecteer OK in het bevestigingsdialoogvenster Motoren
identiceren.
De motoren verschijnen nu op de juiste plaats op de
motorgegevenspagina.
248 a Series / c Series / e Series
19.6 Scheepsgegevens instellen
U kunt de scheepsinstellingen wijzigen in het menu
Gegevenstoepassing.
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Scheepsgegevens.
3. Selecteer Aantal motoren, Aantal brandstoftanks of
Aantal accu's.
4. Selecteer 1, 2, 3, 4 of 5.
Als het aantal motoren is gewijzigd, dan wordt de
motorgegevenspagina gereset zodat het correcte aantal
motoren wordt weergegeven.
19.7 De maximale motor-RPM instellen
U kunt instellen dat het maximale RPM-bereik wordt
weergegeven op het RPM-gegevensitem.
Doe het volgende in de gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Max. RPM-bereik.
Er wordt een lijst weergegeven met beschikbare
RPM-instellingen.
3. Selecteer het gewenste RPM-bereik.
Er wordt een vinkje geplaatst naast het geselecteerde
RPM-bereik in het menu en het RPM- bereik op de
motorgegevenspagina wordt gewijzigd naar de nieuwe
instelling.
Voorbeelden
Automatisch*
10.000 RPM
Opmerking: *De maximale RPM in automatische modus
wordt ingesteld door de motor.
Gegevenstoepassing
249
19.8 Kleurthema
Het kleurthema in de Gegevenstoepassing kan worden
geschakeld tussen licht en donker.
Donker
thema (standard-
waarde)
Licht thema
Het kleurenthema wijzigen
U kunt het kleurenthema wijzigen door de onderstaande stappen
te volgen.
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Kleurenthema.
Wanneer u kleurenthema selecteert schakelt de kleur tussen
Licht en Donker.
250 a Series / c Series / e Series
19.9 Eenheidsinstellingen
U kunt uw voorkeuren speciceren voor de meeteenheden die in alle toepassingen worden gebruikt.
Menu-item Omschrijving Opties
Afstandseenheden
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot afstand.
Nautische mijlen
NM & m (grote eenheden = nautische mijlen,
kleine eenheden = meter)
Landmijlen
Kilometers
Snelheidseenheden
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot snelheid.
Knopen
MPH (mijl per uur)
KPH (kilometer per uur)
Diepte-eenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot diepte.
Voet
Meter
Vadem
Temperatuureenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
temperatuur.
Fahrenheit
Celsius
Drukeenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot druk.
Bar
PSI
Kilopascal
Volume-eenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
volume/inhoud.
Amerikaanse gallons
Imperial gallons
Liter
Eenheden brandstofbesparing
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
brandstofverbruik.
Afstand per inhoud
Inhoud per afstand
Liter per 100 km
Eenheden windsnelheid De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
windsnelheid.
Knopen
Meter per seconde
Meeteenheden wijzigen
U kunt de meeteenheden die door het multifunctionele display
worden gebruikt wijzigen.
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen eenheden.
3. Selecteer het type meeteenheid dat u wilt veranderen.
4. Selecteer de nieuwe meeteenheid.
Gegevenstoepassing
251
19.10 Lijst met gegevensitems
Gegevenscategorieën die kunnen worden weergegeven in de gegevenstoepassing, gegevenskaders, op de gegevensbalk en op
de uitgebreide gegevensbalk worden hieronder weergegeven. Regelaarafbeeldingen zijn niet beschikbaar in gegevenskaders of
op gegevensbalken.
In de volgende tabel worden de gegevensitems weergegeven die beschikbaar zijn per categorie.
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Accu-amps
Accutemperatuur
Accu**
Accustatus
Accuspanning
Draaisnelheid
Slagzijhoek
Schip Soorten door uw
schip gegenereerde
gegevens.
Bijvoorbeeld
tankniveau's.
Trim tabs (alleen
gegevenstoepas-
sing.)
Diepte
Maximale diepte
Diepte Dieptegegevens.
Minimale diepte
Log & reis
Log
Reis
Grondlog en reis
Grondlog
Grondreis 1
Grondreis 2
Grondreis 3
Afstand Gegevenssoorten
met betrekking tot
de door uw schip
afgelegde afstand.
Bijvoorbeeld:
reisafstand.
Grondreis 4
252 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Toerental
RPM & snelheid
Koelvloeistoftem-
peratuur
Koelvloeistofdruk
Olietemperatuur
Oliedruk
Oliedruk & koel-
vloeistoftempera-
tuur
Olietemperatuur
transmissie
Oliedruk
transmissie
Transmissie-
overbrenging
Turbodruk
Brandstofdruk
Brandstofverbruik
Brandstofverbruik
(inst.)
Brandstofverbruik
(gem.)
Motoruren
Motortrim
Dynamo
Motor** Soorten door
uw motoren
gegenereerde
gegevens.
Bijvoorbeeld:
oliedruk.
Motorbelasting
Gegevenstoepassing
253
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Brandstofpeil (%)
Totale brandstof
(vol)
Totaal
brandstofverbruik
Brandstofbesparing
Geschatte
resterende
brandstof
Afstand tot
brandstoftank leeg
Tijd tot
brandstoftank leeg
Gebruikte brandstof
(reis)
Brandstof** Soorten
gegevens met
betrekking tot het
brandstofsysteem.
Bijvoorbeeld
brandstofpeil.
Gebruikte brandstof
(seizoen)
Druk
Luchttemperatuur
Minimale
luchttemperatuur
Maximale
luchttemperatuur
Drift
Stromingskoers
Zakking & drift
Schijnbare
windafkoeling
Ware windafkoeling
Vochtigheid
Dauwpunt
Zonsondergang /
zonsopgang
Watertemperatuur
Minimale
watertemperatuur
Omgeving Gegevens met
betrekking tot
de omgeving.
Bijvoorbeeld
luchttemperatuur.
254 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Maximale
watertemperatuur
Scheepspositie
COG & SOG
COG
SOG
Maximale SOG
GPS Gegevens met
betrekking tot de
GPS. Bijvoorbeeld
scheepspositie.
Gemiddelde SOG
Koers
Koers en snel-
heid (alleen gege-
venstoepassing.)
Vastgezette koers
Fout vastgezette
koers
LH-fout en LH (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Kruiskoers
Koers
Gegevens met
betrekking tot de
koers. Bijvoorbeeld
vastgezette koers.
Kompas (alleen ge-
gevenstoepassing.)
Cursorpositie
(alleen beschikbaar
in de gegevensbalk
en gegevenslaag.)
Cursorinformatie
(alleen beschikbaar
in de gegevensbalk
en gegevenslaag.)
Cross Track Error
Snelweg (alleen ge-
gevenstoepassing.)
Waypoint-
informatie
Naam actief
waypoint
Objectpositie
Navigatie
Soorten gegevens
met betrekking
tot navigatie.
Bijvoorbeeld peiling
naar waypoint.
Gegevenstoepassing
255
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Peiling naar
waypoint
BTW & DTW (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Course Made Good
(CMG)
CMG & DMG
CMG & VMG (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Afstand tot
waypoint
Distance Made
Good (DMG)
Waypoint ETA
Waypoint-TTG
Route ETA
Route TTG
Stuurautomaat Gegevens met
betrekking tot de
stuurautomaat.
Bijvoorbeeld roer.
Roerhoek
Snelheid
Maximale snelheid
Gemiddelde
snelheid
Snelheid en SOG
VMG naar loefzijde
Snelheid Gegevens met
betrekking tot
de snelheid.
Bijvoorbeeld
VMG (Velocity
Made Good) naar
waypoint.
VMG naar
Waypoint
Drinkwater (%)
Grijswater (%)
Zwartwater (%)
Tanks** Gegevens over de
watertanks
Levend aas-tank
(%)
256 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Lokale tijd Tijd
Gegevens met
betrekking tot de
tijd. Bijvoorbeeld
lokale tijd.
Lokale datum
AWA (schijnbare
windhoek)
Maximale AWA
Minimale AWA
AWS
Maximale AWS
Minimale AWS
TWA (ware
windhoek)
Maximale TWA
Minimale TWA
TWS (ware
windsnelheid)
Maximale TWS
Minimale TWS
TWD (ware
windrichting)
Kardinale wind
Grondwind
Beaufort
AWA en TWA
AWA & AWS
AWA (CH) en AWS
AWA en VMG
Wind
Gegevens met
betrekking tot de
wind. Bijvoorbeeld
VMG (Velocity
Made Good) naar
loefzijde.
Gegevenstoepassing
257
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
TWA & TWS
TWA (CH) en TWS
TWA en VMG
GWD en Beaufort
GWD & GWS
Geen
Opmerking: *Regelaars en grasche weergaven zijn alleen beschikbaar in de gegevenstoepassing. Gegevensbalk- en
gegevenscellagen kunnen alleen digitale items weergeven.
Opmerking: **De accu-, motor-, brandstof- en tank-menu's geven 1 set gegevensitems per gecongureerd apparaat weer (bijv.
als het systeem is gecongureerd met 3 motoren, dan worden 3 sets motorgevensitems weergegeven).
258 a Series / c Series / e Series
19.11 De minimum en maximum
metingen resetten
Minimum en maximum metingen die worden weergegeven op
het display kunnen worden gereset in de Gegevenstoepassing.
Doe het volgende in de Gegevenstoepassing, terwij de gegevens
die u wilt resetten op het scherm worden weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Gegevens resetten.
3. Selecteer het gegevensitem dat u wilt resetten.
De meting is gereset.
Opmerking: De mogelijkheid voor resetten is alleen
beschikbaar voor gegevensitems die op dat moment op het
scherm worden weergegeven.
19.12 Alle gegevenspagina's resetten
U kunt de gegevenspagina's in de gegevenstoepassing
terugzetten naar de fabrieksinstellingen.
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Alle pagina's resetten.
Er wordt een bericht weergegeven om het resetten te
bevestigen.
3. Selecteer Ja om te resetten of Nee om de actie te annuleren.
Opmerking: Wanneer u alle pagina's reset worden de vooraf
gecongureerde pagina's teruggezet naar de standaard
instellingen en worden alle aangepaste pagina's die zijn
gemaakt verwijderd. Het aantal motoren en de maximale
toerentalinstellingen worden door de reset niet veranderd.
Gegevenstoepassing
259
260 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 20: Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's
Inhoudsopgave
20.1 Overzicht van de toepassing thermische camera. op pagina 262
20.2 Beeld van de thermische camera op pagina 262
20.3 Overzicht bediening op pagina 263
20.4 Camerabesturing op pagina 264
20.5 Beeldinstellingen op pagina 266
20.6 Draai/kantel-camera nieuwe camera-interface op pagina 268
20.7 Modi Hoog vermogen en Hoog koppel op pagina 271
20.8 Draai/kantel-camera oude camera-interface op pagina 272
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 261
20.1 Overzicht van de toepassing
thermische camera.
Met de toepassing thermische camera kunt u een aangesloten
thermische camera bedienen en het beeld ervan weergeven
op uw multifunctionele display.
Met camera's met thermisch beeld (ook bekend als infrarood)
kunt u goed zien in omstandigheden met weinig of geen licht.
Een thermische camera kan u bijvoorbeeld helpen 's nachts te
navigeren of obstakels te identiceren in gebieden met weinig
zicht of zelfs in volledige duisternis.
Met de thermische toepassing kunt u:
De camera besturen:
Draaien.
Kantelen.
Zoomen (bereik).
De camera terugzetten in de “home”-positie
(uitgangspositie).
De camera in de uitgangspositie zetten.
Het beeld van de camera pauzeren.
Schakelen tussen de thermische en zichtbaar-licht
cameralenzen
Schakelen tussen bewakingsmodi.
Het camerabeeld aanpassen:
Kleurenpalet.
Voorkeursthema's.
Helderheid.
Contrast.
Kleur.
Videopolariteit (omgekeerde videokleur).
Tonen van de thermischecamera-applicatie:
Wanneer het startscherm wordt weergegeven:
1. Selecteer een pagina-icoon waarop de thermischecamera-
applicatie staat.
De camera-applicatie wordt getoond.
Opmerking: Als het startscherm GEEN pagina-icoon
bevat met de thermischecamera-applicatie, dient
u een nieuw pagina-icoon aan te maken met de
thermischecamera-applicatie.
20.2 Beeld van de thermische camera
De thermische camera geeft een videobeeld dat wordt
weergegeven op uw display.
De video-invoer levert:
Thermisch beeld.
Statuspictogrammen/systeeminformatie.
U zou de tijd moeten nemen om u zelf vertrouwd te maken met
het thermische beeld. Dit helpt u optimaal gebruik te maken
van uw systeem:
Bedenk bij ieder object dat u ziet hoe het er “thermisch” uit zou
zien, vergeleken met het beeld dat u met het blote oog ziet.
Let bijvoorbeeld op veranderingen die worden veroorzaakt
door warmte-effecten van de zon. Deze zijn met name direct
na zonsondergang bijzonder duidelijk.
Experimenteer met de wit-heet- en zwart-heet-modi
(omgekeerde video).
Experimenteer door te kijken naar warme objecten (zoals
mensen) en deze te vergelijken met de koudere omgeving.
Experimenteer met de camera voor gebruik overdag. De
camera kan ook beter beeld geven overdag, in omgevingen
waar het beeld van een traditionele videocamera tekort schiet,
zoals in de schaduw of met tegenlicht.
Statuspictogrammen thermische camera
Het beeld van de thermische camera bevat pictogrammen
waarmee de huidige status van de camera wordt aangegeven.
Pictogram Omschrijving
Indicator camerarichting.
Uitgangspositie camera.
Camera gepauzeerd.
Voorkeursthemamodus voor omstandigheden
's nachts.
Voorkeursthemamodus voor omstandigheden
overdag.
Voorkeursthemamodus voor docking 's nachts.
Voorkeursthemamodus voor het identiceren
van mensen of objecten in het water.
262 a Series / c Series / e Series
Pictogram Omschrijving
Achteruitkijkmodus - het beeld wordt horizontaal
omgekeerd.
Zoom-instelling: 2x zoom.
Zoom-instelling: 4x zoom.
Eén actieve besturing op netwerk.
Meerdere actieve besturingen op netwerk.
PC/laptop gedetecteerd op netwerk.
Puntmodus ingeschakeld.
Puntmodus uitgeschakeld.
Stabilisatie uit.
Stabilisatie aan.
FFC (Flat Field Correction)
De camera voert periodiek een vlakveldcorrectie (Flat Field
Correction, FFC) uit. Hierdoor wordt het thermische beeld jn
afgestemd en aangepast aan de huidige omgevingstemperatuur.
De FFC wordt aangegeven door een korte onderbreking en een
groene rechthoek die wordt weergegeven in de linker bovenhoek
van het thermische videobeeld.
20.3 Overzicht bediening
De toepassing van de thermische camera is beschikbaar op
compatibele Raymarine multifunctionele displays en systemen.
Het bevat bediening van de thermische camera.
Draaiknop
Beeld in-/uitzoomen.
Joystick
Camera kantelen en draaien
Opmerking: Op
touchscreen-displays kunt ook
het touchscreen gebruiken om de
camera te kantelen en te draaien.
Door menu's navigeren
OK
Menuselectie bevestigen
CANCEL / Back Selectie annuleren
RANGE IN / OUT Beeld in-/uitzoomen.
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 263
20.4 Camerabesturing
Aanzetten en stand-by
Wanneer de stroomonderbreker voor de voeding naar de
camera wordt ingeschakeld, doorloopt de camera een
opstartprocedure van ongeveer 1 minuut, daarna gaat de
camera in Stand-by-modus.
Om met de camera te kunnen werken dient u hem uit de
stand-bymodus te halen met behulp van de camerabesturingen.
Standby thermische camera
De standby-modus kan gebruikt worden om de functies van de
thermische camera tijdelijk uit te schakelen wanneer de camera
een langere periode niet gebruikt wordt.
Met de camera in standby-modus:
krijgt u GEEN live videobeeld;
gaat de camera naar de "opslag" (parkeer)stand (lens naar
beneden in de onderkant van de camera) om de lenzen van
de camera te beschermen;
worden de pan/kantelmotoren geactiveerd om de camera bij
ruwe zee op zijn plaats te houden.
Opmerking: De "opslag" (parkeer)stand kan gecongureerd
worden met het setup-menu van de camera.
De stand-bymodus van de thermische camera inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Gebruik het Stand-by-menu-item om de camera in en uit de
stand-bymodus te schakelen.
Opmerking: U kunt ook één van de cameraknoppen in de
thermische camera-toepassing gebruiken om de camera
"wakker" te maken uit de stand-bymodus.
Draaien, kantelen en zoomen
Met de camerabesturingen kunt u de camera draaien en
kantelen (elevatie), en u kunt inzoomen op het thermische beeld
(uitvergroten).
D11973-1
Continu 360º draaien.
Kantelen (elevatie) tot ±90º ten opzichte van de horizon.
Inzoomen op het thermische camerabeeld (uitvergroten).
Opmerking: Gestabiliseerde modellen van de T-serie
thermische camera's hebben een continue zoomfunctie,
niet-gestabiliseerde modellen kunnen schakelen tussen x2-
en x4-vergroting.
Draaien en kantelen van het thermische beeld
Op een multifunctioneel display met touchscreen kunt u het
beeld van de thermische camera draaien en kantelen met
behulp van het Touchscreen.
Beweeg uw vinger omhoog en omlaag over het scherm om
de camera naar boven en naar beneden te kantelen.
Beweeg uw vinger naar links en naar rechts over het
scherm om de camera naar links en naar rechts te draaien
(panning).
Uitgangspositie thermische camera
De uitgangspositie is een vooringestelde positie van de camera.
De uitgangspositie denieert normaal gesproken een bruikbaar
referentiepunt, bijvoorbeeld recht vooruit en op één lijn met
de horizon. U kunt de uitgangspositie zo nodig instellen en
de camera op ieder moment naar de uitgangspositie laten
terugkeren.
Het "Home"-pictogram wordt kort weergegeven op
het scherm wanneer de camera terugkeert naar zijn
uitgangspositie. Het pictogram knippert wanneer er een
nieuwe uitgangspositie is ingesteld.
Het terugzetten van de thermische camera naar de
uitgangspositie
Wanneer aangesloten op een thermische draai/kantel-camera,
kan de uitgangspositie van de camera worden ingesteld.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera Home (Uitgangspositie camera).
De camera keert terug naar zijn vastgelegde uitgangspositie
en het "Home"-pictogram verschijnt kort op het scherm.
Het instellen van de uitgangspositie van de thermische
camera
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Gebruik de joystick of het Touchscreen om de camera te
verplaatsen naar de gewenste positie.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Instellingen camera.
4. Selecteer Uitgangspositie instellen.
Het “Home”-pictogram knippert op het scherm om aan te
geven dat er een nieuwe uitgangspositie is ingesteld.
Het beeld van de thermische camera
pauzeren
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeld pauzeren.
264 a Series / c Series / e Series
Toezichtmodus thermische camera
In de toezichtmodus draait de camera continu naar links en naar
rechts.
De camera blijft draaien totdat de toezichtmodus wordt
uitgeschakeld of de camerabediening wordt gebruikt om de
camera te bewegen. Wanneer dit het geval is keert de camera
niet automatisch terug naar de toezichtmodus, deze modus
dient wanneer nodig opnieuw te worden ingeschakeld.
De toezichtmodus van de thermische camera in- en
uitschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Gebruik het menu-item Toezicht om de optie Aan of Uit te
selecteren.
Instellingen toezichtmodus
De scanbreedte en scansnelheid kunnen worden aangepast.
Scanbreedte
De scanbreedte bepaalt de afstand die de camera naar links en
rechts draait in de toezichtmodus.
Scansnelheid
De scansnelheid bepaalt de snelheid waarmee de camera naar
links en rechts draait in de toezichtmodus.
De scanbreedte instellen
De scanbreedte van de toezichtmodus kan worden aangepast
door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Toezichtinstellingen.
4. Selecteer Scanbreedte.
De opties voor de scanbreedte worden weergegeven:
Smal de camera scant ongeveer 20º naar links en naar
rechts van het midden (40º totaal).
Gemiddeld de camera scant ongeveer 40º naar links
en naar rechts van het midden (80º totaal).
Breed - de camera scant ongeveer 80º naar links en naar
rechts van het midden (160º totaal).
5. Selecteer de gewenste optie.
De scansnelheid instellen
De scansnelheid van de toezichtmodus kan worden aangepast
door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Toezichtinstellingen.
4. Selecteer Scansnelheid.
De opties voor de scansnelheid worden weergegeven:
Langzaam
Gemiddeld
Snel
5. Selecteer de gewenste optie.
Stabilisatie van de thermische camera
De Raymarine T470SC en T473SC thermische camera heeft
een mechanische stabilisatiefunctie.
De mechanische stabilisatiefunctie verbetert de stabiliteit van
het beeld door de beweging van het schip te compenseren en
de camera gericht te houden op het punt waarnaar u wilt kijken.
Mechanische stabilisatie heeft twee aspecten: horizontaal
(azimuth) en verticaal (elevatie). Standaard is de mechanische
stabilisatie ingeschakeld, wat zorgt voor de beste prestaties
op het water wanneer het schip vaart op ruwe zee of bij hoge
golven. U kunt de stabilisatie wanneer u maar wilt in- en
uitschakelen. Wanneer u de volledige stabilisatie inschakelt
(horizontaal en verticaal), dan knippert het pictogram Stabilisatie
aan (geen golf). Het wordt niet permanent weergegeven, omdat
dit de normale gebruiksmodus is. Wanneer u de stabilisatie
uitschakelt blijft het pictogram Stabilisatie uit (golf) op uw
scherm staan om u eraan te herinneren dat de bewegingen
van het schip de werking van de camera kunnen beïnvloeden.
Dit is niet de gebruikelijke manier van werken. De stabilisatie
wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de camera wordt
weggeborgen, maar het systeem zet uw instelling terug wanneer
de camera wordt aangezet. U kunt de horizontale stabilisatie
(draaien) uitschakelen terwijl de kantelstabilisatie ingeschakeld
blijft door de puntmodus in te schakelen.
Stabilisatie inschakelen/uitschakelen
Stabilisatie is standaard ingeschakeld. U kunt stabilisatie op
ieder moment in- of uitschakelen door de onderstaande stappen
te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Stabilisatiemodus.
Wanneer u Stabilisatie selecteert wordt de stabilisatie Aan
en Uit geschakeld.
Puntmodus thermische camera
De puntmodus is alleen van toepassing op thermische camera's
met mechanische stabilisatie.
Het inschakelen van de puntmodus heeft alleen zin wanneer
stabilisatie is ingeschakeld. Wanneer u de puntmodus inschakelt
wordt de horizontale stabilisatie (draaien) uitgeschakeld terwijl
de verticale stabilisatie (kantelen) blijft ingeschakeld. Dit kan
handig zijn wanneer u de thermische camera wilt gebruiken
als hulpmiddel bij het navigeren en de camera gericht wilt
houden op dezelfde positie ten opzichte van het schip wanneer
het schip draait. U kunt de stabilisatie bijvoorbeeld hebben
ingeschakeld en de camera hebben ingesteld op een punt
recht vooruit in verhouding tot de voorkant van het schip. Als
het schip in deze situatie een scherpe bocht maakt, volgt
de camerasensor de richting van het schip niet. Door de
puntmodus in te schakelen blijft de camera synchroon met de
richting van het schip terwijl hij wel een stabiele elevatiepositie
behoudt. Wanneer de puntmodus is ingeschakeld, wordt een
slot-pictogram weergegeven. De azimuthpositie van de camera
is nu vergrendeld op de basis. Wanneer u de puntmodus
uitschakelt, wordt kort het ontgrendelpictogram weergegeven.
De camera start altijd op met de puntmodus uitgeschakeld.
Puntmodus inschakelen/uitschakelen
Puntmodus is standaard uitgeschakeld. Wanneer Stabilisatie
is ingeschakeld kunt u de puntmodus ook op ieder moment
inschakelen door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Puntmodus.
Wanneer u puntmodus selecteert wordt geschakeld tussen
puntmodus Aan en Uit.
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 265
20.5 Beeldinstellingen
Het beeld van de thermische camera
aanpassen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Adjust Contrast (Contrast aanpassen).
3. Selecteer de gewenste opties voor Contrast, Helderheid of
Kleur.
De betreffende numerieke regelaar wordt weergegeven.
4. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
5. Selecteer Terug of OK om de nieuwe waarde te bevestigen.
Vooringestelde thema's van de thermische
camera
Met vooringestelde thema's kunt u snel de beste
beeldinstellingen selecteren voor de huidige omstandigheden.
Tijdens normaal gebruik past de thermische camera zichzelf
automatisch aan om een hoog-contrast beeld te genereren
dat is geoptimaliseerd voor de meeste omstandigheden. De
vooringestelde thema's bieden 4 extra instellingen die een beter
beeld geven in bepaalde omstandigheden. De 4 modi zijn:
Beweging 's nachts vooringestelde themamodus
voor omstandigheden 's nachts.
Beweging overdag vooringestelde themamodus
voor omstandigheden overdag.
Docking 's nachts vooringestelde themamodus
voor docken 's nachts.
Zoeken vooringestelde themamodus voor het
identiceren van mensen of objecten in het water.
Hoewel de namen van de voorinstellingen aangeven waarvoor
ze bedoeld zijn, kunnen bij variërende omstandigheden
andere instellingen de voorkeur hebben. Het vooringestelde
thema 'Beweging 's nachts' kan ook handig zijn in een haven.
Het kan nuttig zijn te experimenteren met de verschillende
vooringestelde thema's om de beste voorinstelling te vinden
voor gebruik in verschillende omstandigheden.
Het voorkeursthema van de thermische camera wijzigen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Gebruik het menu Thema om wanneer nodig te schakelen
tussen de beschikbare voorkeursthema's.
Kleurenmodi van de thermische camera
Er is een aantal kleurenmodi beschikbaar, die u helpen de
objecten op het scherm in verschillende omstandigheden te
onderscheiden.
Door de kleurenmodus te veranderen schakelt het beeld van de
thermische camera tussen een grijsschaalmodus en 1 of meer
kleurenmodi. Er zijn 5 kleurenmodi beschikbaar.
De fabrieksinstelling voor de kleurenmodus is wit, waardoor uw
zicht 's nachts kan verbeteren. Deze standaard modus kan
zo nodig worden veranderd met behulp van het Video Setup
(Video-instellingen)-menu van de camera.
Opmerking: Wanneer u de optie Disable Color Thermal Video
(Kleuren thermische video uitschakelen) hebt geselecteerd in
het Vidoe Setup (Video-instellingen)-menu, zijn slechts 2
kleurenmodi beschikbaar - grijsschaal en rood.
De kleurenmodus van de thermische camera wijzigen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Gebruik het menu-item Kleur om wanneer nodig te
schakelen tussen de beschikbare kleurpaletten.
Omgekeerde video van de thermische
camera
U kunt de polariteit van het videobeeld omdraaien om de
weergave van objecten op het scherm te veranderen.
De optie omgekeerde video (videopolariteit) schakelt het
thermische beeld van wit-heet (of rood-heet als de instelling
kleurenmodus actief is) naar zwart-heet. Het verschil tussen
wit-heet en zwart-heet wordt hieronder getoond:
Wit-heet thermisch beeld.
Zwart-heet thermisch beeld.
Het kan handig zijn met deze optie te experimenteren, om de
instelling te vinden die het beste aansluit op uw behoeften.
De omgekeerde videoweergave van de thermische camera
inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Selecteer Omgekeerde videoweergave.
266 a Series / c Series / e Series
Gebruik met thermische detectie en zichtbaar
licht
Thermische camera's met “dual payload” zijn uitgerust met 2
camera's een thermisch beeld (infrarood) camera en een
zichtbaar-licht camera.
Thermische camera
geeft 's nachts
beelden, op basis van
temperatuurverschillen
tussen objecten. Thermische
beelden zorgen voor een
helder beeld, zelfs in totale
duisternis.
Zichtbaar-licht camera
geeft zwart-wit (of
grijsschaal) beelden overdag
en in omstandigheden
met weinig licht. Hij
helpt bij het navigeren
in omstandigheden met
weinig licht, bijvoorbeeld
in de schemering
tijdens het varen langs
kustverbindingswaterwegen
en in de buurt van
haveningangen.
Opmerking: De
T470SC en de
T473SC hebben een
kleurencamera en
continue zoomlens.
Schakelen tussen de thermische en zichtbaar-licht
cameralenzen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Gebruik het menu-item Beeldtype om te schakelen tussen
de weergaven IR en zichtbaar licht.
Achteruitmodus thermische camera
De achteruitmodus draait het videobeeld horizontaal en geeft
zo een "spiegelbeeld".
Dit is bijvoorbeeld handig in situaties waarin de camera naar
achteren gericht is en u het beeld ziet op op een naar voren
gerichte monitor.
De achteruitkijkmodus van de thermische camera
inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Selecteer Achteruitkijken.
Zwenken naar spoor
Zwenken naar spoor is een functie die een geselecteerde positie
of object vasthoudt in het zichtveld van de thermische camera.
De opties voor Zwenken naar spoor zijn beschikbaar in de kaart-
en radartoepassingen als items in het objectcontextmenu.
Opmerking: Er moeten koersgegevens beschikbaar zijn op
het systeem, anders werkt Zwenken naar spoor niet correct.
Voor informatie over hoe u een object moet selecteren om
naar te ‘zwenken’ kunt u de secties over de radar en de kaart
raadplegen in uw handleiding.
De thermische camera kan ook automatisch zwenken naar:
MOB-object
Gevaarlijk AIS-object
Gevaarlijk MARPA-object
Opties om de opties voor automatisch zwenken in of uit te
schakelen zijn beschikbaar in de toepassing van de thermische
camera
De camerahoogte boven zeeniveau instellen
Om ervoor te zorgen dat de uitlijning van de thermische camera
correct kan worden ingesteld, dient de hoogte van de camera
boven zeeniveau te worden ingesteld.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Zwenkinstellingen.
De pagina Zwenkinstellingen wordt weergegeven.
4. Selecteer Camerahoogte boven zeeniveau
Het pop-upvenster Camerahoogte boven zeeniveau wordt
weergegeven.
5. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
De thermische camera horizontaal uitlijnen
Wanneer u merkt dat zwenken-naar-spoor-objecten consequent
te ver naar links of naar rechts op het scherm worden
weergegeven kunt u de uitlijning van de camera jn afstellen
door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Camera uitlijnen.
Het pop-upvenster "Camera uitlijnen met schip" wordt
weergegeven.
4. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
Deze waarde past de correctiepositie van de camera aan
naar bak- of stuurboord.
De elevatie van de thermische camera's uitlijnen
Wanneer u merkt dat zwenken-naar-spoor-objecten consequent
te laag of te hoog op het scherm worden weergegeven kunt u
de uitlijning van de camera jn afstellen door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Elevatie uitlijnen:.
Het pop-upvenster "Camera uitlijnen met schip" wordt
weergegeven.
4. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
Deze waarde past de correctiepositie van de camera aan
naar bak- of stuurboord.
Automatische slew-to-cue in-/uitschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen camera.
3. Selecteer Slew Settings.
De pagina Zwenkinstellingen wordt weergegeven. Deze
bevat de volgende opties voor automatisch zwenken:
Automatisch zwenken naar MOB
Automatisch zwenken naar AIS-object
Automatisch zwenken naar MARPA-object
4. Selecteer de relevante optie.
Wanneer u een optie uit de lijst selecteert schakelt de optie
voor automatisch zwenken voor die optie Aan of Uit.
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 267
20.6 Draai/kantel-camera nieuwe camera-interface
De menu-opties van de toepassing van de thermische camera voor een draai/kantel-camera met de nieuwe camera-interface
worden hieronder weergegeven.
De camera activeren
Haalt de thermische camera uit de stand-bymodus. (alleen beschikbaar wanneer de camera stand-by is.)
Beeld pauzeren Aan
Uit (standardwaarde)
Uitgangspositie camera
Selecteren om de camera terug te laten keren naar zijn uitgangspositie.
Beeldopties
Selecteren om het submenu Beeldopties weer te geven.
Kleur
Rood
Grijsschaal
Glowbow
Rainbow
Fusion
Thema
Beweging 's nachts
Docking 's nachts
Gebruik overdag
Man overboord
Thermisch/zichtbaar
Omgekeerde video
Achteruitkijken
Toezicht
Contrast aanpassen Selecteren om het submenu Contrast aanpassen weer te geven.
Contrast
Helderheid
Kleur
Stand-by Selecteer dit om de camera stand-by te zetten. (alleen beschikbaar wanneer de camera is geactiveerd.)
Camera-instellingen Selecteren om het menu Camera-instellingen weer te geven.
Uitgangspositie instellen
Zwenkinstellingen
Camera uitlijnen
Elevatie uitlijnen:
Toezichtinstellingen
Standaard kleur
Pictogramniveau
Stabilisatiemodus
Puntmodus
Modus Aarde beneden
Hoog vermogen Stand-by
Hoog vermogen koppel
JCU-pictogram
PC-pictogram
Standaard fabrieksinstellingen terugzetten
Platform kalibreren
268 a Series / c Series / e Series
Instellingenmenu camera
Uitgangspositie instellen
Stelt de huidige positie van de camera in als de
Uitgangspositie van de camera.
Zwenkinstellingen
Geeft opties voor automatisch zwenken en
instellingen voor het uitlijnen van de camera.
Automatisch zwenken naar MOB
Automatisch zwenken naar gevaarlijk
AIS-object
Automatisch zwenken naar gevaarlijk
MARPA-object
Camerahoogte boven zeeniveau
Camera uitlijnen
Hiermee kan de horizontale uitlijning van de
camera worden gewijzigd.
Elevatie uitlijnen
Hiermee kan de elevatie-uitlijning (verticaal) van
de camera worden gewijzigd.
Toezichtinstellingen Hiermee kunt u de scanbreedte en -snelheid van
de camera instellen in de toezichtmodus.
Scansnelheid
Langzaam
Gemiddeld
Snel
Scanbreedte
Smal
Gemiddeld
Wide (breed)
Standaard kleur
Hiermee kunt u een standaard kleurenpalet
selecteren.
Rood
Grijsschaal
Glowbow
Rainbow
Fusion
Pictogramniveau Hiermee kan het niveau van de pictogrammen op
het scherm worden geselecteerd.
Geen
Minimaal
Alle
Stabilisatiemodus
Hiermee kunt u de stabilisatiemodus in- en
uitschakelen.
Opmerking: Alleen beschikbaar op
de gestabiliseerde modellen van de
T-serie-camera's.
Aan (standardwaarde)
Uit
Puntmodus Hiermee kunt u de puntmodus in- en uitschakelen. Aan
Uit (standardwaarde)
Modus Aarde beneden Deze opties dienen te worden ingeschakeld
wanneer de camera ondersteboven is gemonteerd
in de “Aarde onder”-conguratie.
Aan
Uit (standardwaarde)
Hoog vermogen Stand-by
Deze optie regelt de hoeveelheid stroom die wordt
gebruikt om de camera op zijn positie te houden
terwijl hij in stand-bymodus staat. Wanneer de
instelling is ingeschakeld verbruikt de camera
meer energie, maar de camera blijft op zijn plaats
op ruwe zee.
Aan (standardwaarde)
Uit
Hoog vermogen koppel Deze optie regelt de hoeveelheid stroom die wordt
gebruikt om de camera op zijn positie te houden
terwijl hij in gebruik is. Wanneer de instelling is
ingeschakeld verbruikt de camera meer energie,
maar de camera blijft op zijn plaats op ruwe zee.
De modus Hoog vermogen koppel kan handig zijn
voor motorboten die op hoge snelheid varen of
onder ruwe omstandigheden en die een hoger
stroomverbruik aankunnen.
Aan (standardwaarde)
Uit
JCU-pictogram Toont of verbergt het pictogram van de
aangesloten JCU op het scherm.
Aan (standardwaarde)
Uit
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 269
PC-pictogram Toont of verbergt het pictogram van de
aangesloten PC op het scherm.
Aan (standardwaarde)
Uit
Standaard fabrieksinstellingen terugzetten
Hiermee kunt u de instellingen van de camera
terugzetten naar de standaard fabrieksinstellingen.
Platform kalibreren De optie Platform kalibreren herinitialiseert het
draai/kantel-mechanisme van de thermische
camera.
Opmerking: De beschikbare menu-opties van de thermische camera hangen af van de softwareversie van uw multifunctionele
display en de thermische camera. Wanneer de opties afwijken van de hierboven genoemde opties kunt u de handleiding van uw
thermische camera en/of de installatie- en gebruikshandleiding van uw multifunctionele display raadplegen.
270 a Series / c Series / e Series
20.7 Modi Hoog vermogen en Hoog
koppel
Camerasta-
tus Camera-instelling Dual payload
Single
payload
Stand-by
Modus Hoog
vermogen AAN
Modus Hoog
koppel AAN
22 W 17,4 W
Stand-by
Modus Hoog
vermogen UIT
Modus Hoog
koppel AAN
8 W 7,4 W
Stand-by
Modus Hoog
vermogen AAN
Modus Hoog
koppel UIT
13 W 13 W
Actief
Modus Hoog
vermogen UIT
Modus Hoog
koppel UIT
8 W 7,4 W
Actief
Modus Hoog
vermogen AAN
of UIT
Modus Hoog
koppel AAN
30 W 19,4 W
Actief
Modus Hoog
vermogen AAN
of UIT
Modus Hoog
koppel UIT
20 W 16,5 W
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's
271
20.8 Draai/kantel-camera oude camera-interface
De menu-opties van de toepassing van de thermische camera voor een draai/kantel-camera met de oude camera-interface
worden hieronder weergegeven.
De camera activeren
Haalt de thermische camera uit de stand-bymodus. (alleen beschikbaar wanneer de camera stand-by is.)
Beeld pauzeren Aan
Uit (standardwaarde)
Uitgangspositie camera
Selecteren om de camera terug te laten keren naar zijn uitgangspositie.
Beeldopties
Selecteren om het submenu Beeldopties weer te geven.
Kleur
Rood
Grijsschaal
Glowbow
Rainbow
Fusion
Thema
Beweging 's nachts
Docking 's nachts
Gebruik overdag
Man overboord
Thermisch/zichtbaar
Omgekeerde video
Achteruitkijken
Toezicht
Contrast aanpassen Selecteren om het submenu Contrast aanpassen weer te geven.
Contrast
Helderheid
Kleur
Stand-by Selecteer dit om de camera stand-by te zetten. (alleen beschikbaar wanneer de camera is geactiveerd.)
Camera-instellingen Selecteer dit om het menu Camera-instellingen weer te geven.
Uitgangspositie instellen
Cameramenu (op het display weergegeven menu (OSD))
Camera uitlijnen
Instellingenmenu camera
Uitgangspositie instellen
Stelt de huidige positie van de camera in als de Uitgangspositie van de
camera.
Cameramenu Hiermee kunnen de opties van het OSD-menu van de camera worden
geopend.
Camera uitlijnen
Hiermee kan de horizontale uitlijning van de camera worden gewijzigd.
Opmerking: De beschikbare menu-opties van de thermische camera hangen af van de softwareversie van uw multifunctionele
display en de thermische camera. Wanneer de opties afwijken van de hierboven genoemde opties kunt u de handleiding van uw
thermische camera en/of de installatie- en gebruikshandleiding van uw multifunctionele display raadplegen.
Opmerking: U kunt mogelijk de software van uw camera updaten naar de nieuwe camera-interface. Neem contact op met uw
Raymarine-dealer voor meer informatie.
OSD-menuopties
Instellingenmenu's
De instellingenmenu's biedt een aantal hulpmiddelen en
instellingen voor het congureren van de thermische camera.
U kunt de menu's openen met behulp van iedere besturing op het
systeem. De menu's vormen een laag bovenop het videobeeld.
Opmerking: De schermmenu's worden alleen weergegeven
op het thermische camera-beeld. Ze zijn niet beschikbaar
wanneer het zichtbaar licht-beeld wordt weergegeven (op
modellen met dual payload).
272
a Series / c Series / e Series
Beschikbare menu's
Enable Point Mode
/ Disable Point
Mode
Wanneer u "Puntmodus inschakelen" selecteert
wordt de puntmodus ingeschakeld, wanneer u
"Puntmodus uitschakelen" selecteert wordt de
puntmodus uitgeschakeld. Heeft alleen betrekking
op modellen met mechanische stabilisatie.
Video Setup
Dit menu wordt gebruikt voor het instellen van de
opties voor videoconguratie.
Set Symbology
Instellingen met betrekking tot de
statuspictogrammen.
User
Programmable
Button
Congureer de USER-knop op de JCU.
System Setup
Instellingen voor het optimaliseren van de werking
van dit systeem/deze installatie.
About / Help Nuttige informatie en het terugzetten van de
standaard fabrieksinstellingen.
Exit Annuleert de schermmenu's.
Video-instellingenmenu
Menu-item /
omschrijving Instellingen / gebruik
Set Thermal Color
Default
Hiermee wordt de huidige kleurinstelling
opgeslagen als de standaard instellingen.
Set Reverse
Video of Instellen
videopolariteit
Hiermee wordt het infrarood beeld heen en weer
geschakeld tussen wit-heet (of rood-heet in het
geval van een kleurenbeeld) en zwart-heet.
Enable / Disable Color
Thermal Video
De thermische kleurenpaletten in- en
uitschakelen:
Ingeschakeld de paletten Greyscale
(grijsschaal), Red (rood), Sepia, Rainbow
(regenboog) en Fusion zijn beschikbaar.
Uitgeschakeld alleen de paletten Greyscale
(grijsschaal) en Red (rood) zijn beschikbaar.
Display Test Pattern
Gebruik het display-testpatroon bij het instellen
van de kleur- en contrastinstellingen voor uw
specieke display of monitor. U kunt door de 4
beschikbare testpatronen bladeren.
Exit
Menu Set symbology (Symboolinstellingen)
Menu-item /
omschrijving Instellingen / gebruik
Enable / Disable PC
Icon
Ingeschakeld het PC-pictogram wordt
weergegeven wanneer er een PC is
gedetecteerd op het netwerk.
Uitgeschakeld het PC-pictogram wordt niet
weergegeven.
Enable / Disable JCU
Icon
Ingeschakeld het JCU-pictogram wordt
weergegeven wanneer er een JCU is
gedetecteerd op het netwerk.
Uitgeschakeld het JCU-pictogram wordt
niet weergegeven.
Display All Icons Wanneer u dit menu-item selecteert worden alle
beschikbare pictogrammen ingeschakeld.
Menu-item /
omschrijving Instellingen / gebruik
Geef minimum aantal
pictogrammen weer
Wanneer u dit menu-item selecteert wordt het
aantal pictogrammen geminimaliseerd:
De pictogrammen voor positie, zoom,
achteruitkijken, pauzeren, stabilisatie
uitgeschakeld en voor puntmodus
ingeschakeld worden hierdoor niet beïnvloed.
De pictogrammen voor uitgangspositie en
thema worden alleen kort weergegeven.
Andere pictogrammen worden niet
weergegeven.
Hide All Icons Deze optie verbergt alle pictogrammen,
behalve:
Positie-indicator
Achteruitkijkmodus ingeschakeld
Stabilisatie uitgeschakeld
Puntmodus ingeschakeld
Exit
Keert terug naar het hoofdmenu.
Toezichtmodusmenu
Menu-item /
omschrijving Instellingen / gebruik
Scan Width Deze instelling bepaalt de afstand die de
camera naar links en rechts draait in de
toezichtmodus. Kies uit:
Narrow De camera scant ongeveer 20º
naar links en naar rechts van het midden
(40º totaal).
Medium De camera scant ongeveer 40º
naar links en naar rechts van het midden (80º
totaal). of,
Wide De camera scant ongeveer 80º naar
links en naar rechts van het midden (160º
totaal).
Scan Speed
Deze optie bepaalt de snelheid waarmee
de camera naar links en rechts draait in de
toezichtmodus. Kies uit:
Slow
Medium
Fast
Exit
Menu System Setup (Systeeminstellingen)
Menu-item /
omschrijving Settings / Operation (Instellingen / gebruik)
Enable / Disable
Ball-Down Installation
Deze menu-optie dient te worden ingeschakeld
wanneer de camera ondersteboven is
gemonteerd in de “Aarde onder”-conguratie.
Enable / Disable
Twist-to-Pan mode
Deze menu-optie verandert de functies draaien
en kantelen van de JCU-besturing als volgt:
Ingeschakeld draai de camera door de Puck
met de klok mee en tegen de klok in te draaien,
zoom in en uit door op de puck te drukken
of hem uit te trekken. (Dit is de standaard
bediening van de JCU).
Uitgeschakeld draai de camera door de
Puck naar links of rechts te bewegen, zoom in
en uit door de Puck met de klok mee en tegen
de klok in te draaien.
Toepassing van de thermische camera
draai/kantel-camera's 273
Menu-item /
omschrijving Settings / Operation (Instellingen / gebruik)
Enable / Disable High
Power Standby
Deze optie regelt de hoeveelheid stroom die
wordt gebruikt om de camera op zijn positie
te houden terwijl hij in Stand-bymodus staat.
Wanneer de instelling is ingeschakeld wordt
meer energie verbruikt, maar de camera blijft op
zijn plaats op ruwe zee.
Opmerking: Wanneer de camera
beweegt wanneer hij in stand-bymodus
staat (als gevolg van schokken of trillingen),
dan dienen de positie-indicator of de
uitgangspositie mogelijk opnieuw te worden
uitgelijnd (reset de camera om hem opnieuw
uit te lijnen).
Enable / Disable High
Motor Torque
Deze optie regelt de hoeveelheid stroom die
wordt gebruikt om de camera op zijn positie te
houden terwijl hij in gebruik is. Wanneer de
instelling is ingeschakeld wordt meer energie
verbruikt, maar de camera blijft op zijn plaats
op ruwe zee.
De modus Hoog motorkoppel kan handig zijn
voor motorboten die op hoge snelheid varen en
in omgevingen met hoge impact en die meer
stroomverbruik aankunnen.
Opmerking: Wanneer de camera
beweegt als gevolg van schokken of
trillingen, dan dienen de positie-indicator
of de uitgangspositie mogelijk opnieuw te
worden uitgelijnd (reset de camera om hem
opnieuw uit te lijnen).
Enable / Disable
Rearview Mode
Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt
het camerabeeld omgekeerd en ziet u een
spiegelbeeld op het display.
Enable / Disable
Stabilization
Wanneer deze optie is ingeschakeld zijn
de horizontale en de verticale stabilisatie
ingeschakeld. Alleen van toepassing op de
T470SC.
Set Stow Position
Deze optie stelt de huidige positie in als de
parkeerpositie. De camera beweegt naar de
parkeerpositie wanneer hij wordt uitgeschakeld
of in Stand-bymodus wordt gezet.
Name Camera Gebruik deze optie om de camera een naam
te geven.
Surveillance mode
Met deze optie kunt u de scanbreedte en
-snelheid instellen in de toezichtmodus.
Exit
Terugkeren naar hoofdmenu.
Hoog vermogen/stroomverbruik hoog koppel
Camerasta-
tus Camera-instelling Dual payload
Single
payload
Stand-by
Modus Hoog
vermogen AAN
Modus Hoog
koppel AAN
22 W 17,4 W
Stand-by
Modus Hoog
vermogen UIT
Modus Hoog
koppel AAN
8 W 7,4 W
Stand-by
Modus Hoog
vermogen AAN
Modus Hoog
koppel UIT
13 W 13 W
Camerasta-
tus Camera-instelling Dual payload
Single
payload
Actief
Modus Hoog
vermogen UIT
Modus Hoog
koppel UIT
8 W 7,4 W
Actief
Modus Hoog
vermogen AAN
of UIT
Modus Hoog
koppel AAN
30 W 19,4 W
Actief
Modus Hoog
vermogen AAN
of UIT
Modus Hoog
koppel UIT
20 W 16,5 W
Menu programmeerbare knop "User" (Gebruiker)
Gebruik dit menu om de USER-knop op de JCU in te stellen.
Menu-item /
omschrijving USER Bediening van knoppen
Zoekinstellingen
De USER-knop stelt het camerathema in op
Zoek-modus.
Schakelen tussen
thermische/VIS-video
(Alleen dual
payload-modellen)
De USER-knop schakelt tussen thermisch en
weinig licht-camerabeeld.
Hide / Show All Icons De USER-knop schakelt heen en weer tussen
de instellingen Pictogrammen weergeven en
Pictogrammen verbergen.
Reverse Video
De USER-knop schakelt heen en weer tussen
de thermische beelden wit-heet en zwart-heet
(omgekeerd).
Rearview Mode
De USER-knop schakelt heen en weer tussen
Achteruitkijkmodus aan en uit.
Surveillance Mode De USER-knop schakelt heen en weer tussen
Toezichtmodus aan en uit.
Point Mode
De USER-knop schakelt heen en weer tussen
Puntmodus aan en uit.
Exit (Afsluiten) Keert terug naar het hoofdmenu.
274
a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 21: Toepassing van de thermische camera vast
gemonteerde camera's
Inhoudsopgave
21.1 Overzicht van de toepassing thermische camera. op pagina 276
21.2 Beeld van de thermische camera op pagina 276
21.3 Overzicht bediening op pagina 277
21.4 Camerabesturing op pagina 278
21.5 Beeldinstellingen op pagina 278
21.6 Menu vast gemonteerde camera's op pagina 280
Toepassing van de thermische camera vast
gemonteerde camera's
275
21.1 Overzicht van de toepassing
thermische camera.
Met de toepassing thermische camera kunt u een aangesloten
thermische camera bedienen en het beeld ervan weergeven
op uw multifunctionele display.
Met camera's met thermisch beeld (ook bekend als infrarood)
kunt u goed zien in omstandigheden met weinig of geen licht.
Een thermische camera kan u bijvoorbeeld helpen 's nachts te
navigeren of obstakels te identiceren in gebieden met weinig
zicht of zelfs in volledige duisternis.
Met de thermische toepassing kunt u:
De camera besturen:
Zoomen (bereik).
Het beeld van de camera pauzeren.
Het camerabeeld aanpassen:
Kleurenpalet.
Voorkeursthema's.
Helderheid.
Contrast.
Kleur.
Videopolariteit (omgekeerde videokleur).
Tonen van de thermischecamera-applicatie:
Wanneer het startscherm wordt weergegeven:
1. Selecteer een pagina-icoon waarop de thermischecamera-
applicatie staat.
De camera-applicatie wordt getoond.
Opmerking: Als het startscherm GEEN pagina-icoon
bevat met de thermischecamera-applicatie, dient
u een nieuw pagina-icoon aan te maken met de
thermischecamera-applicatie.
21.2 Beeld van de thermische camera
De thermische camera geeft een videobeeld dat wordt
weergegeven op uw display.
De video-invoer levert:
Thermisch beeld.
Statuspictogrammen/systeeminformatie.
U zou de tijd moeten nemen om u zelf vertrouwd te maken met
het thermische beeld. Dit helpt u optimaal gebruik te maken
van uw systeem:
Bedenk bij ieder object dat u ziet hoe het er “thermisch” uit zou
zien, vergeleken met het beeld dat u met het blote oog ziet.
Let bijvoorbeeld op veranderingen die worden veroorzaakt
door warmte-effecten van de zon. Deze zijn met name direct
na zonsondergang bijzonder duidelijk.
Experimenteer met de wit-heet- en zwart-heet-modi
(omgekeerde video).
Experimenteer door te kijken naar warme objecten (zoals
mensen) en deze te vergelijken met de koudere omgeving.
Experimenteer met de camera voor gebruik overdag. De
camera kan ook beter beeld geven overdag, in omgevingen
waar het beeld van een traditionele videocamera tekort schiet,
zoals in de schaduw of met tegenlicht.
Statuspictogrammen thermische camera
Het beeld van de thermische camera bevat pictogrammen
waarmee de huidige status van de camera wordt aangegeven.
Pictogram Omschrijving
Camera gepauzeerd.
Voorkeursthemamodus voor omstandigheden
's nachts.
Voorkeursthemamodus voor omstandigheden
overdag.
Voorkeursthemamodus voor docking 's nachts.
Voorkeursthemamodus voor het identiceren
van mensen of objecten in het water.
Achteruitkijkmodus - het beeld wordt horizontaal
omgekeerd.
Zoom-instelling: 2x zoom.
276 a Series / c Series / e Series
Pictogram Omschrijving
Zoom-instelling: 4x zoom.
Eén actieve besturing op netwerk.
Meerdere actieve besturingen op netwerk.
PC/laptop gedetecteerd op netwerk.
FFC (Flat Field Correction)
De camera voert periodiek een vlakveldcorrectie (Flat Field
Correction, FFC) uit. Hierdoor wordt het thermische beeld jn
afgestemd en aangepast aan de huidige omgevingstemperatuur.
De FFC wordt aangegeven door een korte onderbreking en een
groene rechthoek die wordt weergegeven in de linker bovenhoek
van het thermische videobeeld.
21.3 Overzicht bediening
De toepassing van de thermische camera is beschikbaar op
compatibele Raymarine multifunctionele displays en systemen.
Het bevat bediening van de thermische camera.
Draaiknop
Beeld in-/uitzoomen.
OK
Menuselectie bevestigen.
Joystick Door menu's navigeren.
CANCEL / Back Selectie annuleren.
RANGE IN / OUT Beeld in-/uitzoomen.
Toepassing van de thermische camera vast
gemonteerde camera's
277
21.4 Camerabesturing
Aanzetten en stand-by
Wanneer de stroomonderbreker voor de voeding naar de
camera wordt ingeschakeld, doorloopt de camera een
opstartprocedure van ongeveer 1 minuut, daarna gaat de
camera in Stand-by-modus.
Om met de camera te kunnen werken dient u hem uit de
stand-bymodus te halen met behulp van de camerabesturingen.
Thermische camera stand-by
De stand-bymodus kan worden gebruikt om de functies van de
thermische camera te onderbreken wanneer de camera langere
tijd niet wordt gebruikt.
In de stand-bymodus geeft de camera geen live videobeeld
De stand-bymodus van de thermische camera inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Gebruik het Stand-by-menu-item om de camera in en uit de
stand-bymodus te schakelen.
Opmerking: U kunt ook één van de cameraknoppen in de
thermische camera-toepassing gebruiken om de camera
"wakker" te maken uit de stand-bymodus.
Het beeld van de thermische camera
pauzeren
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeld pauzeren.
21.5 Beeldinstellingen
Het beeld van de thermische camera
aanpassen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Adjust Contrast (Contrast aanpassen).
3. Selecteer de gewenste opties voor Contrast, Helderheid of
Kleur.
De betreffende numerieke regelaar wordt weergegeven.
4. Stel de waarde in op de gewenste instelling.
5. Selecteer Terug of OK om de nieuwe waarde te bevestigen.
Vooringestelde thema's van de thermische
camera
Met vooringestelde thema's kunt u snel de beste
beeldinstellingen selecteren voor de huidige omstandigheden.
Tijdens normaal gebruik past de thermische camera zichzelf
automatisch aan om een hoog-contrast beeld te genereren
dat is geoptimaliseerd voor de meeste omstandigheden. De
vooringestelde thema's bieden 4 extra instellingen die een beter
beeld geven in bepaalde omstandigheden. De 4 modi zijn:
Beweging 's nachts vooringestelde themamodus
voor omstandigheden 's nachts.
Beweging overdag vooringestelde themamodus
voor omstandigheden overdag.
Docking 's nachts vooringestelde themamodus
voor docken 's nachts.
Zoeken vooringestelde themamodus voor het
identiceren van mensen of objecten in het water.
Hoewel de namen van de voorinstellingen aangeven waarvoor
ze bedoeld zijn, kunnen bij variërende omstandigheden
andere instellingen de voorkeur hebben. Het vooringestelde
thema 'Beweging 's nachts' kan ook handig zijn in een haven.
Het kan nuttig zijn te experimenteren met de verschillende
vooringestelde thema's om de beste voorinstelling te vinden
voor gebruik in verschillende omstandigheden.
Het voorkeursthema van de thermische camera wijzigen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Gebruik het menu Thema om wanneer nodig te schakelen
tussen de beschikbare voorkeursthema's.
Kleurenmodi van de thermische camera
Er is een aantal kleurenmodi beschikbaar, die u helpen de
objecten op het scherm in verschillende omstandigheden te
onderscheiden.
Door de kleurenmodus te veranderen schakelt het beeld van de
thermische camera tussen een grijsschaalmodus en 1 of meer
kleurenmodi. Er zijn 5 kleurenmodi beschikbaar.
De fabrieksinstelling voor de kleurenmodus is wit, waardoor uw
zicht 's nachts kan verbeteren. Deze standaard modus kan
zo nodig worden veranderd met behulp van het Video Setup
(Video-instellingen)-menu van de camera.
Opmerking: Wanneer u de optie Disable Color Thermal Video
(Kleuren thermische video uitschakelen) hebt geselecteerd in
het Vidoe Setup (Video-instellingen)-menu, zijn slechts 2
kleurenmodi beschikbaar - grijsschaal en rood.
De kleurenmodus van de thermische camera wijzigen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
278 a Series / c Series / e Series
3. Gebruik het menu-item Kleur om wanneer nodig te
schakelen tussen de beschikbare kleurpaletten.
Omgekeerde video van de thermische
camera
U kunt de polariteit van het videobeeld omdraaien om de
weergave van objecten op het scherm te veranderen.
De optie omgekeerde video (videopolariteit) schakelt het
thermische beeld van wit-heet (of rood-heet als de instelling
kleurenmodus actief is) naar zwart-heet. Het verschil tussen
wit-heet en zwart-heet wordt hieronder getoond:
Wit-heet thermisch beeld.
Zwart-heet thermisch beeld.
Het kan handig zijn met deze optie te experimenteren, om de
instelling te vinden die het beste aansluit op uw behoeften.
De omgekeerde videoweergave van de thermische camera
inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Selecteer Omgekeerde videoweergave.
Achteruitmodus thermische camera
De achteruitmodus draait het videobeeld horizontaal en geeft
zo een "spiegelbeeld".
Dit is bijvoorbeeld handig in situaties waarin de camera naar
achteren gericht is en u het beeld ziet op op een naar voren
gerichte monitor.
De achteruitkijkmodus van de thermische camera
inschakelen
Doe het volgende in de toepassing van de thermische camera:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Beeldopties.
3. Selecteer Achteruitkijken.
Toepassing van de thermische camera vast
gemonteerde camera's
279
21.6 Menu vast gemonteerde camera's
De menu-opties van de toepassing van de thermische camera voor een vast gemonteerde thermische camera worden hieronder
weergegeven.
De camera activeren
Haalt de thermische camera uit de stand-bymodus. (alleen beschikbaar
wanneer de camera stand-by is.)
Beeld pauzeren Aan
Uit (standardwaarde)
Beeldopties
Selecteren om het submenu Beeldopties weer te geven.
Kleur
Rood
Grijsschaal
Glowbow
Rainbow
Fusion
Thema
Beweging 's nachts
Docking 's nachts
Gebruik overdag
Man overboord
Omgekeerde video
Achteruitkijken
Contrast aanpassen Selecteren om het submenu Contrast aanpassen weer te geven.
Contrast
Helderheid
Kleur
Stand-by Selecteer dit om de camera stand-by te zetten. (alleen beschikbaar wanneer
de camera is geactiveerd.)
Camera-instellingen Selecteer dit om het menu Camera-instellingen weer te geven.
Standaard kleur
Pictogramniveau
Modus Aarde beneden
Hoog vermogen Stand-by
JCU-pictogram
PC-pictogram
Standaard fabrieksinstellingen terugzetten
Instellingenmenu camera
Standaard kleur
Hiermee kunt u een standaard kleurenpalet
selecteren.
Rood
Grijsschaal
Glowbow
Rainbow
Fusion
Pictogramniveau Hiermee kan het niveau van de pictogrammen op
het scherm worden geselecteerd.
Geen
Minimaal
Alle
Modus Aarde beneden Deze opties dienen te worden ingeschakeld
wanneer de camera ondersteboven is gemonteerd
in de “Aarde onder”-conguratie.
Aan
Uit (standardwaarde)
Hoog vermogen Stand-by
Deze optie regelt de hoeveelheid stroom die wordt
gebruikt om de camera op zijn positie te houden
terwijl hij in stand-bymodus staat. Wanneer de
instelling is ingeschakeld verbruikt de camera
meer energie, maar de camera blijft op zijn plaats
op ruwe zee.
Aan (standardwaarde)
Uit
280 a Series / c Series / e Series
JCU-pictogram Toont of verbergt het pictogram van de
aangesloten JCU op het scherm.
Aan (standardwaarde)
Uit
PC-pictogram Toont of verbergt het pictogram van de
aangesloten PC op het scherm.
Aan (standardwaarde)
Uit
Standaard fabrieksinstellingen terugzetten
Hiermee kunt u de instellingen van de camera
terugzetten naar de standaard fabrieksinstellingen.
Opmerking: De beschikbare menu-opties van de thermische camera hangen af van de softwareversie van uw multifunctionele
display en de thermische camera. Wanneer de opties afwijken van de hierboven genoemde opties kunt u de handleiding van uw
thermische camera en/of de installatie- en gebruikshandleiding van uw multifunctionele display raadplegen.
Toepassing van de thermische camera vast
gemonteerde camera's
281
282 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 22: Cameratoepassing
Inhoudsopgave
22.1 Overzicht cameratoepassing op pagina 284
22.2 Camera roteren op pagina 285
22.3 Camera-/video-invoerkanalen een naam geven op pagina 286
22.4 Het videobeeld aanpassen op pagina 286
22.5 De beeldverhouding selecteren op pagina 287
22.6 Een locatie selecteren om opnamen op te slaan op pagina 287
22.7 Opnemen en afspelen op pagina 288
22.8 Foto's maken op pagina 289
Cameratoepassing
283
22.1 Overzicht cameratoepassing
U kunt een camera- of een video-invoer die direct is aangesloten
op uw multifunctionele display bekijken met behulp van de
video-ingang(en) of IP-camera-ingangen die beschikbaar zijn
op uw netwerk.
De Camera-toepassing kan worden gebruikt om:
Live camera-invoer weer te geven.
Automatisch door de beschikbare camera-invoeren te
bladeren.
Als dit wordt ondersteund door de camera kunt u de
helderheid, het contrast, de kleur en de beeldverhouding van
het videobeeld aanpassen.
Een live-IP-camera-invoer opnemen.
Opgenomen beelden van de IP-camera afspelen.
1 camera-invoer bekijken terwijl een tweede IP-camera-invoer
wordt opgenomen.
Een andere toepassing openen terwijl een IP-camera-invoer
aan het opnemen is.
Foto's maken van een IP-camera-invoer.
Afbeeldingen bekijken.
Opmerking: Opname- en fotofuncties zijn alleen beschikbaar
voor IP-camera-invoeren.
D12881-1
7 8
6
1 2 3 4 5
1
Camera-invoernummer geeft de huidige invoer en het aantal
beschikbare invoeren aan.
2
Opnamestatus geeft aan dat de cameratoepassing aan het
opnemen is en de verstreken tijd.
3
Cameranaam geeft de naam van de camera die op dit
moment wordt weergegeven.
4
Opnemen geeft aan dat de cameratoepassing aan het
opnemen is en welke invoer wordt opgenomen.
5
Menu opent het hoofdmenu van de Camera-toepassing.
6
Roteren geeft aan of het roteren van invoeren is in- of
uitgeschakeld.
7
*Video opnemen tijdelijk pictogram op het scherm voor het
starten/stoppen van de opname.
8
*Foto maken tijdelijk pictogram op het scherm voor het
maken van een foto.
Opmerking: * Alleen beschikbaar op displays met
touchscreen.
Opmerking: Uw multifunctionele display dient te zijn
ingeschakeld voordat via het netwerk aangesloten
IP-camera's worden ingeschakeld, hierdoor kan uw
multifunctionele display een geldig IP-adres toewijzen aan
de IP camera('s).
Opmerking: Als uw IP-camera('s) niet worden gedetecteerd
door uw multifunctionele display, probeer dan de IP-camera('s)
uit en aan te schakelen terwijl uw multifunctionele display aan
blijft staan.
Opmerking: Voor informatie over het aansluiten van de
camera-/videobron en compatibele videoformaten kunt u de
sectie Hoofdstuk 4 Kabels en aansluitingen raadplegen.
De camera-/video-invoer wijzigen
Als er op een Nieuwe a-serie of een Nieuwe e-serie display
meer dan 1 invoer beschikbaar is, kunt u met behulp van het
Touchscreen instellen welke invoer wordt weergegeven op het
scherm.
D12598-1
Doe het volgende in de Camera-toepassing.
1. Raak het scherm aan en veeg met uw vinger omhoog om
naar de volgende video-invoer te gaan.
2. Raak het scherm aan en veeg met uw vinger omlaag om
naar de voorgaande video-invoer te gaan.
De camera-/video-invoer wijzigen
Als er op een Nieuwe c-serie of een Nieuwe e-serie display meer
dan 1 invoer beschikbaar is, kunt u met behulp van de Joystick
instellen welke invoer wordt weergegeven op het scherm.
Doe het volgende in de Camera-toepassing
1. Beweeg de Joystick omlaag om de volgende video-invoer
weer te geven.
2. Beweeg de Joystick omhoog om de vorige video-invoer
weer te geven.
De camera-/video-invoer wijzigen met behulp
van het menu
Als er op displaymodellen meer dan 1 invoer beschikbaar is,
kunt u met behulp van het menu instellen welke invoer wordt
weergegeven op het scherm.
Doe het volgende in de cameratoepassing wanneer een
camera-/video-invoer wordt weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera.
3. Selecteer de camera-invoer die u op het scherm wilt
weergegeven.
284 a Series / c Series / e Series
22.2 Camera roteren
Wanneer meerdere camera-/video-invoerkanalen beschikbaar
zijn, kan de cameratoepassing zo worden ingesteld dat het
automatisch langs de beschikbare invoerkanalen roteert met
een gespeciceerde interval.
Wanneer camera roteren is ingeschakeld, roteert de
cameratoepassing door de beschikbare video-invoerkanalen
op het display en de beschikbare invoerkanalen van de via het
netwerk aangesloten IP-camera's. De invoerkanalen worden
geroteerd in de volgorde waarin ze in het Camera-selectiemenu
staan: Menu > Camera. Directe video-invoerkanalen staan
bovenaan de lijst en daarna de via een netwerk verbonden
invoerkanalen van IP-camera's. Wanneer de laatste invoer van
de lijst is weergegeven, keert de cameratoepassing terug naar
de eerste invoer van de lijst.
Camera roteren roteert langs de op de multifunctionele displays
beschikbare video-invoerkanalen, zelfs als er geen invoer is
aangesloten op de invoerkanalen. Wanneer er geen invoer
beschikbaar is op een invoerkanaal wordt de video-invoer van
dat kanaal tijdens het roteren weergegeven als een blauw
scherm. U kunt selecteren of een video-invoerkanaal wel of niet
moet worden weergegeven tijdens het roteren van de camera.
De tijdinterval waarin iedere invoer wordt weergegeven voordat
wordt doorgegaan naar de volgende invoer kan worden
ingesteld.
Camera roteren inschakelen
Om het roteren van de camera in te schakelen volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera roteren.
3. Selecteer Camera roteren zodat Aan is gemarkeerd.
Door Camera roteren te selecteren wordt het roteren in- en
uitgeschakeld.
Wanneer het menu wordt afgesloten, roteert de
camera-toepassing met het gedenieerde tijdinterval tussen de
beschikbare invoerkanalen.
De tijdinterval voor het roteren van de
camera
De tijdinterval waarmee iedere video-invoer wordt weergegeven
kan worden ingesteld door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de cameratoepassingen terwijl camera
roteren is ingeschakeld:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera roteren.
3. Selecteer Roteerinterval.
De numerieke regelaar voor de roteerinterval wordt
weergegeven.
4. Stel de instelling in op het gewenste tijdinterval
Tijdens het roteren van de camera wordt ieder invoerkanaal
weergegeven gedurende de gespeciceerde tijd voordat wordt
verdergegaan naar het volgende invoerkanaal.
Video-invoerkanalen weergeven of verbergen
tijdens het roteren van de camera
De video-inputkanalen van uw multifunctionele displays worden
standaard weergegeven tijdens het roteren, zelfs als er geen
invoer is aangesloten op de invoerkanalen. U kunt selecteren of
een video-invoerkanaal moet worden weergegeven tijdens het
roteren van de camera door de onderstaande stappen te volgen.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Camera roteren.
3. Selecteer de optie <Cameranaam> opnemen voor de
video-invoer die u wilt Weergeven of Verbergen.
Door de optie <Cameranaam> opnemen te selecteren
wordt geschakeld tussen het weergeven en verbergen van
het video-invoerkanaal tijdens het roteren van de camera.
Opmerking: In de bovenstaande stappen staat
<Cameranaam> voor de standaard naam van het
invoerkanaal dat wordt geleverd door het aangesloten
apparaat, of de aangepaste naam die is toegewezen aan het
invoerkanaal.
Camera roteren uitschakelen
U kunt het roteren van de camera op de hieronder beschreven
manieren uitschakelen.
Doe het volgende in de cameratoepassingen terwijl camera
roteren is ingeschakeld:
1. Selecteer Menu > Camera roteren > Camera roteren zodat
Uit is gemarkeerd, of
2. Verander de invoer van de camera/video handmatig zoals
hiervoor in deze sectie is beschreven.
Cameratoepassing
285
22.3 Camera-/video-invoerkanalen een
naam geven
Om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende
camera-invoeren, kunt u iedere invoer een naam geven.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer de invoer die u een naam wilt geven zodat deze
wordt weergegeven op het scherm.
2. Selecteer Menu.
3. Selecteer Aanpassen.
4. Selecteer Naam bewerken.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven.
5. Voer de naam in voor de invoer.
6. Selecteer OPSLAAN om de nieuwe naam voor de invoer
op te slaan.
De naam van de invoer wordt weergegeven in de statusbalk van
de cameratoepassing.
22.4 Het videobeeld aanpassen
Wanneer het aangesloten camera-/video-apparaat of de via
het netwerk aangesloten IP-camera dit ondersteunt, kunt u de
afbeeldingsinstellingen aanpassen.
Doe het volgende in de cameratoepassing wanneer een
video-invoer wordt weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Aanpassen.
3. Selecteer Contrast, Helderheid of Kleur.
De numerieke regelaar wordt weergegeven.
4. Stel het niveau in op de gewenste instelling.
286 a Series / c Series / e Series
22.5 De beeldverhouding selecteren
Wanneer het aangesloten camera-/video-apparaat of de via
het netwerk aangesloten IP-camera dit ondersteunt, kunt u de
beeldverhouding veranderen tussen 4:3 en 16:9.
Doe het volgende in de cameratoepassing wanneer een invoer
wordt weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Aanpassen.
3. Selecteer Beeldverhouding zodat 4:3 of 16:9 wordt
geselecteerd.
22.6 Een locatie selecteren om
opnamen op te slaan
Om beelden van een IP-camera-invoer op te nemen of af
te spelen of een screenshot te maken, moet u een locatie
selecteren waar u deze wilt opslaan.
Wanneer moet worden opgeslagen op een geheugenkaart,
zorg er dan voor dat er een geheugenkaart met voldoende
geheugenruimte in de betreffende kaartsleuf zit.
Opmerking: Sla bestanden niet op een geheugenkaart met
cartograegegevens op.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Instellingen.
3. Selecteer Bestanden opslaan naar:.
4. Selecteer de locatie in de lijst:
SD1
SD2
Intern (standardwaarde)
U kunt SD1 en SD2 alleen selecteren als er een
geheugenkaart in de betreffende sleuf zit.
Opmerking: Als uw multifunctionele display slechts
1 kaartsleuf heeft, dan worden alleen SD1 en Intern
weergegeven.
Cameratoepassing
287
22.7 Opnemen en afspelen
De Camera-toepassing kan worden gebruikt om live-invoer op te
nemen van een aangesloten een IP-camera. De opname kan op
ieder moment worden afgespeeld.
De cameratoepassing neemt invoer op van de IP-camera
in .mp4-formaat, wat kan worden opgeslagen op een
geheugenkaart of op het interne geheugen van het display.
De titelbalk van de Cameratoepassing laat de naam zien van
de invoer die wordt opgenomen en er wordt een opnametimer
weergegeven op het scherm waarmee de verstreken tijd wordt
aangegeven.
Een IP-camera-invoer opnemen
Om de invoer van een IP-camera op te nemen volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Video's.
3. Selecteer Opnemen.
De opname begint.
Terwijl de cameratoepassing aan het opnemen is, kunt u uw
multifunctionele display zoals gewoonlijk gebruiken, d.w.z.
een andere camera-invoer bekijken, terugkeren naar het
Home-venster of een andere toepassing openen. De toepassing
blijft de geselecteerde invoer opnemen totdat de opname wordt
gestopt of totdat het geheugen van de geselecteerde locatie
vol is.
Opmerking: Op een discplay met touchscreen kunt u ook
een opname starten met behulp van de pictogrammen op het
scherm. Raadpleeg het hoofdstuk Schermpictogrammen.
Opnemen stoppen
De opname kan op ieder moment worden gestopt.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Video's.
3. Selecteer Stop.
Het bestand is opgeslagen en het bevestigingsvenster 'Video
opgeslagen' wordt weergegeven.
4. Selecteer OK om te bevestigen, Afspelen om het
opgeslagen bestand af te spelen of Verwijderen om het
bestand te wissen.
Het bevestigingsvenster wordt automatisch na 5 seconden
gesloten.
Een videobestand afspelen
U kunt video's afspelen met de Camera-toepassing.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Video's.
3. Selecteer Weergave.
De browser Mijn bestanden wordt geopend.
4. Zoek het videobestand op dat u wilt bekijken.
Videobestanden worden intern opgeslagen in Intern >
Gebruikersgegevens > Videobestanden.
Videobestanden worden op een geheugenkaart opgeslagen
in SD-kaart-# > Raymarine > Videobestanden.
5. Selecteer het videobestand.
Het dialoogvenster met bestandsopties wordt weergegeven.
6. Selecteer Video afspelen.
Het videobestand wordt afgespeeld.
U kunt ook videoclips afspelen vanuit het menu Mijn gegevens
vanaf het Home-venster: Home-venster > Mijn gegevens >
Afbeeldingen en video's.
Videobestanden verplaatsen en kopiëren
U kunt bestanden tussen het interne geheugen van uw
display en geheugenkaarten kopiëren en verplaatsen door de
onderstaande stappen te volgen.
Zorg ervoor dat er een geheugenkaart in de kaartlezer is
geplaatst.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Video's.
3. Selecteer Weergave.
De browser Mijn bestanden wordt geopend.
4. Zoek het betreffende videobestand op.
Videobestanden worden intern opgeslagen in Intern >
Gebruikersgegevens > Videobestanden.
Videobestanden worden op een geheugenkaart opgeslagen
in SD-kaart-# > Raymarine > Videobestanden.
5. Selecteer het videobestand.
Het dialoogvenster met bestandsopties wordt weergegeven.
6. Selecteer Verplaatsen of Kopiëren.
7. Bevestig de locatie waarnaar u het bestand wilt verplaatsen
of kopiëren.
Er wordt een voortgangsindicator weergegeven, bijv.:
Wanneer de bewerking is voltooid, wordt een een
bevestigingsbericht weergegeven.
8. Selecteer OK.
288 a Series / c Series / e Series
22.8 Foto's maken
Wanneer een camera-invoer van een IP-camera wordt
weergegeven, kunt u een screenshot opnemen.
Foto's kunnen op de volgende manieren worden genomen:
Foto maken direct foto maken.
Timer u kunt ervoor kiezen de
foto na 5, 10 of 30 seconden na de
selectie te maken.
Op afstand u kunt een draadloze
afstandsbediening gebruiken (bijv.
de RCU–3) om een foto te maken.
Een foto maken
Om een foto te maken van wat op dat moment wordt
weergegeven in de Camera-toepassing volgt u de onderstaande
stappen.
Wanneer moet worden opgeslagen op een geheugenkaart,
zorg er dan voor dat er een geheugenkaart met voldoende
geheugenruimte in de betreffende kaartsleuf zit.
Doe het volgende in de Camera-toepassing wanneer een
IP-camera-invoer wordt weergegeven:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Foto's.
3. Selecteer Foto maken.
De foto wordt opgeslagen en er wordt een dialoogvenster
weergegeven voor bevestiging waarin een preview van de
genomen foto wordt weergegeven.
4. Selecteer OK om te bevestigen.
5. Selecteer Bekijken om de foto op volledig scherm te
bekijken.
6. Selecteer Verwijderen om de foto te verwijderen.
Opmerking: Op een display met touchscreen kunt u ook een
foto maken met behulp van de pictogrammen op het scherm.
Raadpleeg het hoofdstuk Schermpictogrammen.
Een foto maken met behulp van de timer
Om een foto te maken na een bepaalde tijd volgt u de
onderstaande stappen.
Wanneer moet worden opgeslagen op een geheugenkaart,
zorg er dan voor dat er een geheugenkaart met voldoende
geheugenruimte in de betreffende kaartsleuf zit.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Foto's.
3. Selecteer Timer.
4. Selecteer Vertraging.
Er wordt een lijst met vertragingen weergegeven:
5 s
10 s
30 s
5. Selecteer een interval in de lijst.
6. Selecteer Timer starten.
De foto wordt gemaakt nadat de gespeciceerde vertraging
is verstreken. Er wordt een dialoogvenster weergegeven
voor bevestiging waarin een preview van de genomen foto
wordt weergegeven.
7. Selecteer OK om te bevestigen.
8. Selecteer Bekijken om de foto op volledig scherm te
bekijken.
9. Selecteer Verwijderen om de foto te verwijderen.
Een foto maken met behulp van de
afstandsbediening
Om een foto te maken met de Raymarine-afstandsbediening
volgt u de onderstaande stappen.
Wanneer moet worden opgeslagen op een geheugenkaart,
zorg er dan voor dat er een geheugenkaart met voldoende
geheugenruimte in de betreffende kaartsleuf zit.
1. Zorg ervoor dat uw draadloze Raymarine-afstandsbediening
is gekoppeld met het multifunctionele display en werkt.
2. Selecteer Menu vanuit de Camera-toepassing.
3. Selecteer Foto's.
4. Selecteer Afstandsbediening.
Het dialoogvenster Afstandsbediening wordt weergegeven.
5. Druk op een willekeurige knop op de aangesloten
afstandsbediening om een foto te maken.
De foto wordt opgeslagen en er wordt een dialoogvenster
weergegeven voor bevestiging waarin een preview van de
foto wordt weergegeven.
6. Selecteer OK om te bevestigen.
7. Selecteer Bekijken om de foto op volledig scherm te
bekijken.
8. Selecteer Verwijderen om de foto te verwijderen.
Foto's bekijken
Kunt foto's die u hebt gemaakt bekijken door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Foto's.
3. Selecteer Weergave.
De browser Mijn bestanden wordt geopend.
4. Zoek de foto die u wilt bekijken op.
Foto's worden intern opgeslagen in Intern >
Gebruikersgegevens > Afbeeldingsbestanden.
Foto's worden op een geheugenkaart opgeslagen in
SD-kaart-# > Raymarine > Afbeeldingsbestanden.
5. Selecteer het bestand.
Het dialoogvenster met bestandsopties wordt weergegeven.
6. Selecteer Afbeelding bekijken.
De foto wordt weergegeven op het scherm.
U kunt ook afbeeldingen bekijken vanuit het menu Mijn gegevens
vanaf het Home-venster: Home-venster > Mijn gegevens >
Afbeeldingen en video's.
Foto's verplaatsen en kopiëren
U kunt bestanden tussen het interne geheugen van uw
display en geheugenkaarten kopiëren en verplaatsen door de
onderstaande stappen te volgen.
Zorg ervoor dat er een geheugenkaart in de kaartlezer is
geplaatst.
Cameratoepassing
289
Doe het volgende in de Camera-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Foto's.
3. Selecteer Weergave.
De browser Mijn bestanden wordt geopend.
4. Zoek de betreffende foto op.
Foto's worden intern opgeslagen in Intern >
Gebruikersgegevens > Afbeeldingsbestanden.
Foto's worden op een geheugenkaart opgeslagen in
SD-kaart-# > Raymarine > Afbeeldingsbestanden.
5. Selecteer het bestand.
Het dialoogvenster met bestandsopties wordt weergegeven.
6. Selecteer Verplaatsen of Kopiëren.
7. Bevestig de locatie waarnaar u het bestand wilt verplaatsen
of kopiëren.
Er wordt een voortgangsindicator weergegeven, bijv.:
Wanneer de bewerking is voltooid, wordt een
bevestigingsbericht weergegeven.
8. Selecteer OK.
Pictogrammen op het scherm
Op multifunctionele displays met touchscreen kunt u iedere plek
op het scherm aanraken om de pictogrammen op het scherm
weer te geven
De pictogrammen op het scherm kunnen worden gebruikt voor
het starten/stoppen van een opname of het maken van een foto.
Pictogram opnemen
Pictogram opnemen stoppen
Pictogram foto maken
De pictogrammen op het scherm worden na 5 seconden
gesloten.
De pictogrammen op het scherm gebruiken
1. Selecteer het Opnemen-pictogram om met de opname te
beginnen.
2. Selecteer het Opnemen stoppen-pictogram om de opname
te stoppen.
3. Selecteer het Foto maken-pictogram om een foto te maken.
290 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 23: Fusion link-toepassing
Inhoudsopgave
23.1 Overzicht Fusion link op pagina 292
23.2 Mediabronnen op pagina 293
23.3 Door muziek bladeren op pagina 295
23.4 De functies Willekeurige volgorde en Herhalen selecteren. op pagina 295
23.5 Het volume voor iedere zone aanpassen op pagina 296
23.6 De te bedienen zone selecteren op pagina 296
23.7 De toonregelaars instellen op pagina 297
23.8 Het te bedienen systeem selecteren op pagina 297
23.9 Menuopties op pagina 298
Fusion link-toepassing
291
23.1 Overzicht Fusion link
Het multifunctionele display kan een aangesloten 700-serie
Fusion-entertainmentsysteem aansturen.
D12746-1
1
5
7
4
3
6
2
1 Fusion-menuopties en nummerlijsten.
2 Pictogrammen Willekeurige volgorde en Herhalen.
3
Nummer- en mediaspecieke gegevens en regelaars.
4 Regelaar zonevolume.
5
Zoneselectie.
6 Mediabron.
7
Mediaregelaars (zie onder).
Opmerking: Albuminformatie is alleen beschikbaar bij het
gebruik van een iPod.
Mediaregelaars
D12747-1
4 5 6
1 2 3
1 Volume omlaag.
2
Dempen/dempen opheffen
3 Volume omhoog.
4 Eén keer drukken springt terug naar het begin van het
huidige nummer, wanneer u nog een keer drukt wordt
teruggesprongen naar de voorgaande nummers.
Indrukken en vasthouden springt terug in het huidige
nummer met intervallen van 10 seconden.
5
Huidige nummer afspelen/pauzeren.
6 Eén keer drukken springt vooruit naar het volgende
nummer, wanneer u nog een keer drukt wordt vooruit
gesprongen naar de volgende nummers.
Indrukken en vasthouden springt vooruit in het huidige
nummer met intervallen van 10 seconden.
De Fusion link-toepassing kan worden gebruikt om:
Door de beschikbare mediabronnen te bladeren.
Het volume te regelen.
Het volume te dempen en de demping op te heffen.
De toonregelaars aan te passen (lage tonen, middentonen
en hoge tonen).
Achteruit en vooruit te springen naar nummers.
Achteruit en vooruit te springen binnen nummers.
Het huidige nummer af te spelen/te pauzeren.
De te bedienen zone te selecteren. (Voor informatie over het
instellen van zones kunt u de handleiding raadplegen van uw
Fusion-entertainmentsysteem.)
De functies Willekeurige volgorde en Herhalen instellen.
De Fusion link-toepassing openen
Als er meer dan één Fusion-entertainmentsysteem is
aangesloten op uw systeem, dan kunt u selecteren welk systeem
door de Fusion link-toepassing wordt bediend.
1. Selecteer het paginapictogram FUSION link in het
home-venster.
Er wordt een lijst weergegeven met aangesloten
Fusion-entertainmentsystemen.
2. Selecteer het systeem dat u wilt bedienen.
292 a Series / c Series / e Series
23.2 Mediabronnen
De indeling en regelaars die beschikbaar zijn worden bepaald
door de geselecteerde mediabron.
iPod
D12748-1
1
4
2
3
5 6
1
Albuminformatie.
2 Titel van het nummer.
3 Artiest.
4 Voortgang van het nummer.
5
Rangnummer van het nummer.
6 Albumtitel.
De menuopties die beschikbaar zijn voor iPods zijn de volgende:
Door muziek bladeren.
Herhalen.
Willekeurige volgorde.
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
USB
D12749-1
2
4
1
3
5
1 Titel van het nummer.
2 Artiest.
3 Albumtitel.
4 Rangnummer van het nummer.
5
Voortgang van het nummer.
De menuopties die beschikbaar zijn voor USB-apparaten zijn
de volgende:
Door muziek bladeren.
Herhalen.
Willekeurige volgorde.
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
DVD
D12750-1
1
2
3
5
4
1 Verstreken tijd.
2 Titel.
3
Hoofdstuk.
4
Knop voor afstandsbediening.
5
De regelaars voor op afstand bedienen van de DVD zijn de
volgende:
Richtingstoetsen.
Enter.
Menu.
Details.
De menuopties die beschikbaar zijn voor DVD-apparaten zijn
de volgende:
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
AM-/FM-radio
D12751-1
1
3
4
2
1 Frequentie.
2 Frequentietype.
3 Kanaalnaam.
4 Naam voorkeurszender.
De menuopties die beschikbaar zijn voor de radio zijn de
volgende:
Voorkeurszender.
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
Fusion link-toepassing
293
VHF
D12753-1
1
3
2
1 Ruisregelaar.
2 Kanaal.
3
Status handmatisch/automatisch.
De menuopties die beschikbaar zijn voor VHF-radio's zijn de
volgende:
Voorkeurszender.
Scan.
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
AUX
D12754-1
1
1 Invoerversterking.
De menuopties die beschikbaar zijn voor AUX-apparaten zijn
de volgende:
Toonregeling.
Selecteer Fusion-systeem.
Satellietradio
D12752-1
1
3
4
1 Naam van het nummer.
2 Artiest.
3 Kanaaldetails.
Opmerking: De Fusion-bedienunit moet worden gebruikt
voor het bedienen van een satellietontvanger die is
aangesloten op een Fusion-mediasysteem. Informatie over
het huidige nummer en het kanaal worden weergegeven in
de Fusion-toepassing.
Een mediabron selecteren
U kunt selecteren welke mediabron u wilt bedienen.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer Src:.
Er wordt een lijst weergegeven met mediabronnen.
2. Selecteer de betreffende mediabron.
294 a Series / c Series / e Series
23.3 Door muziek bladeren
U kunt door de muziek bladeren die op uw iPod of USB-apparaat
is opgeslagen.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer het Menu-pictogram.
2. Selecteer Door muziek bladeren.
De naam van het media-apparaat wordt weergegeven.
3. Selecteer het media-apparaat.
De inhoud van het apparaat wordt weergegeven.
4. U bladert door de mappen door deze te selecteren.
5. Selecteer het Terug-pictogram om terug te gaan in de
mapstructuur.
6. Selecteer het nummer dat u wilt beluisteren.
Het hoofdscherm wordt weergegeven en het nummer wordt
afgespeeld.
23.4 De functies Willekeurige volgorde
en Herhalen selecteren.
U kunt de Fusion link-toepassing zo instellen dat de
geselecteerde map wordt herhaald of dat de nummers in een
willekeurige volgorde worden afgespeeld.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer het Menu-pictogram.
2. Selecteer Herhalen om de functie Map herhalen in of uit te
schakelen.
3. Selecteer Willekeurige volgorde om de functie voor
willekeurige volgorde in of uit te schakelen.
Fusion link-toepassing
295
23.5 Het volume voor iedere zone
aanpassen
Het volume van de verschillende zones kan afzonderlijk worden
ingesteld, u kunt ook alle zones tegelijkertijd aanpassen.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer Vol:.
De zonevolumeregelaar wordt weergegeven.
2. Selecteer de betreffende zone.
3. Stel het volume in op de gewenste instelling.
4. Selecteer het Terug-pictogram om terug te keren naar het
hoofdscherm.
Opmerking: Wanneer u het volume van Alle zones aanpast,
worden alle zones tegelijkertijd ingesteld.
23.6 De te bedienen zone selecteren
U kunt selecteren welke zone door het hoofdscherm wordt
bediend.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer Zone:.
De zoneselectiebalk wordt weergegeven.
2. Selecteer de zone die u wilt bedienen.
3. De volumeregelaars op het hoofdscherm regelen nu het
volume van de geselecteerde zone.
296 a Series / c Series / e Series
23.7 De toonregelaars instellen
De regelaars voor hoge, midden- en lage tonen kunnen worden
ingesteld.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer het Menu-pictogram.
2. Selecteer Toonregelaars.
3. Selecteer hoge tonen, middentonen of lage tonen.
4. Stel het niveau in op de gewenste instelling.
5. Selecteer Terug om terug te keren naar de menuopties.
6. Selecteer Terug in de menuopties om terug te keren naar
het hoofdscherm
23.8 Het te bedienen systeem
selecteren
Wanneer er meer dan één Fusion-entertainmentsysteem is
aangesloten kunt u selecteren welk systeem door de Fusion
link-toepassing wordt bediend.
Doe het volgende in de Fusion link-toepassing:
1. Selecteer het Menu-pictogram.
2. Selecteer Selecteer Fusion-systeem.
Er wordt een lijst weergegeven met beschikbare systemen.
3. Selecteer het systeem dat u wilt bedienen.
De Fusion link-toepassing bedient nu het geselecteerde
systeem.
Fusion link-toepassing
297
23.9 Menuopties
Menuoptie Mediabronnen Omschrijving
Door muziek
bladeren
iPod.
USB.
Hiermee kan door
de muziek worden
gebladerd die is
opgeslagen op het
apparaat.
Herhalen iPod.
USB.
Uit
Map herhaalt
alle nummers in de
huidige map.
Willekeurige
volgorde
iPod.
USB.
Schakelt het afspelen
van nummers in
willekeurige volgorde
in en uit.
Toonregeling Alle apparaten Hiermee kunnen
de volgende
toonregelaars worden
afgesteld:
Lage tonen.
Middentonen.
Hoge tonen.
Selecteer Fusion-
systeem
Alle apparaten Hiermee kunt
u het Fusion-
entertainmentsysteem
selecteren dat u wilt
bedienen.
Voorkeurzenders
AM-/FM-radio.
Marifoon.
Hiermee kunt u
kanalen selecteren
en opslaan als
voorkeuzezenders.
Scan Marifoon.
Hiermee kunt u de
opgeslagen kanalen
scannen.
298 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 24: Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
Inhoudsopgave
24.1 Overzicht weertoepassing op pagina 300
24.2 Instellingen weertoepassing op pagina 300
24.3 Overzicht weertoepassingsweergave op pagina 301
24.4 Weerkaartnavigatie op pagina 304
24.5 Weercontextmenu op pagina 304
24.6 Weerinformatie op pagina 305
24.7 Weerrapporten op pagina 305
24.8 Bewegende weerbeelden op pagina 306
24.9 menu-opties van de weertoepassing op pagina 307
24.10 Woordenlijst met weertermen op pagina 308
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
299
24.1 Overzicht weertoepassing
De weertoepassing plaatst een laag op de wereldkaart met
historische, huidige en voorspelde weerbeelden.
De weertoepassing kan alleen worden gebruikt in Noord-Amerika
en de kustwateren aldaar.
Met de weertoepassingsafbeeldingen en de bijbehorende
weergegevens kunt u de werkelijke omstandigheden in de buurt
van uw schip, of op een bepaalde locatie, bepalen.
Weersvoorspellingen en -waarschuwingen, waarin zowel de
huidige als de voorspelde omstandigheden worden vermeld,
worden regelmatig bijgewerkt in de weertoepassing.
Opmerking: Voor soorten waarschuwingen, controles
en adviezen kunt u de NOAA-website raadplegen via
www.nws.noaa.gov
Disclaimer alleen bedoeld ter advies
De weerinformatie is onderhevig aan service-onderbrekingen
en kan fouten of onnauwkeurigheden bevatten, daarom mag
niet uitsluitend worden afgegaan op deze informatie. U wordt
dringend aangeraden alternatieve bronnen voor weerinformatie
na te gaan voordat u beslissingen neemt die te maken hebben
met de veiligheid. U erkent en aanvaardt dat u zelf volledig
verantwoordelijk bent voor het gebruik van de informatie en
alle beslissingen die op basis daarvan worden genomen. Door
gebruik te maken van deze service, stelt u Sirius Satellite Radio
Inc., WSI, Navcast Incorporated en Raymarine vrij van claims
met betrekking tot deze service.
Wanneer u niet in het bezit bent van een abonnement-
overeenkomst, kunt u een voorbeeld daarvan bekijken op het
internet via www.sirius.com/marineweather
24.2 Instellingen weertoepassing
Er moet een aantal stappen worden gevolgd voordat u de
weertoepassing voor het eerst kunt gebruiken.
Uw multifunctionele display moet zijn aangesloten op een
Raymarine Sirius-weerontvanger.
Bepaal het elektronische serienummer (ESN) van uw
Raymarine Sirius-weerontvanger. Deze informatie kunt u
vinden via het Instellingen-menu van het Home-venster door
het apparaat te selecteren op de pagina Selecteer apparaat:
Instellingen > Onderhoud > Diagnose > Selecteer apparaat
>
Gebruik uw ESN en neem contact op met SiriusXM
(www.siriusxm.com) om u aan te melden voor Sirius Marine
Weather (www.siriusxm.com/marineweather). Wanneer u de
weertoepassing in het multifunctionele display hebt geopend,
kunt u het ESN terugvinden via het volgende menu: Menu >
Sirius ESN.
U dient te navigeren in de kustwateren van de VS.
Uw multifunctionele display moet een GPS-x van de locatie
van uw schip ontvangen.
U dient de weerafbeeldingen te speciceren die u wilt
weergeven in de weertoepassing.
300 a Series / c Series / e Series
24.3 Overzicht weertoepassingsweer-
gave
De weertoepassing toont een aantal afbeeldingen waarmee
weersomstandigheden en voorspellingen worden aangegeven.
Het volgende schema laat de belangrijkste kenmerken van de
weertoepassingsweergave zien:
D
8564-4
5
7
10
6
9
8
1 2 3 4
11 11
Artikel Omschrijving
1 Bereik
2
Canadese radar
3
Animatie en tijd/datum
4
Signaalsterkte
5
Zoek schip-pictogram
6
Oppervlak-observatiestations
7
Golfhoogten
8
NOWRad
9 Maritieme zones
10
Gegevenslaagcellen
11 Pictogrammen voor in- en uitzoomen van het bereik
op het scherm (alleen touchscreen-displays)
Weersymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal afbeeldingen en
symbolen die staan voor de verschillende weersomstandigheden
en voorspellingen.
Symbool Omschrijving
Stormvoorspellingspijlen
(donkerblauw) geven de richting en
de snelheid van een storm aan.
Golfhoogte
Hoogste golven (rood)
Gemiddelde volgen (groen)
Lage golven (blauw)
Canadese radar (donkergroen, geel,
oranje en rood)
Symbool Omschrijving
Bliksem er wordt een
bliksemsymbool weergegeven
voor iedere inslag van wolk naar
aarde:
Licht (vastgelegd in de afgelopen
10–15 minuten.)
Gemiddeld (vastgelegd in de
afgelopen 5–10 minuten.)
Donker (vastgelegd in de
afgelopen 0–5 minuten.)
Meer recente inslagen worden
bovenop oudere symbolen
geplaatst.
Wind windsymbolen tonen de
huidige windrichting en -kracht en
worden weergegeven in de vorm van
een pijl of een windvaan. Windpijlen
geven de snelheid aan hoe
groter de pijl, hoe hoger (sterker)
de windsnelheid. Windvanen geven
een meer nauwkeurige indicatie
van de windsnelheid, zoals wordt
weergegeven in de sectie over
windsnelheidsymbolen.
Zee-oppervlaktemperatuur (groen,
geel en oranje)
Blauw koudste
Groen
Geel
Oranje en rood warmste
Oppervlak-observatiestations
(roze) huidige en
historische weergegevens
kunnen worden bekeken bij
oppervlak-observatiestations. Niet
alle gegevens zijn beschikbaar voor
alle stations.
Steden met de stadsymbolen kunt
u informatie of weersvoorspellingen
opvragen van steden. Er worden tot
3 voorspellingen weergegeven voor
iedere stad.
NOWRad
Regen (groen, geel en rood)
Sneeuw (blauw)
Gemengd (roze)
Stormvolgsymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal symbolen die staan voor
de verschillende soorten stormtracks. Met de stormvolgfunctie
kunt u grote stormen op zee in de gaten houden.
Voorbeelden van grote stormen zijn onder andere tropische
storingen, depressies, stormen en cyclonen, orkanen, tyfoons
en supertyfoons.
De weerkaart geeft de route weer die de storm heeft gevolgd,
zijn huidige en voorspelde positie, de windradiussen (alleen de
huidige positie), richting en verplaatsingssnelheid.
Stormtracks worden gemarkeerd op de weerkaart in de vorm
van symbolen, zoals hieronder te zien is.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
301
Historisch
(grijs) Huidig (rood)
Voorspelling
(oranje) Omschrijving
Orkaan
(categorie 1–5)
Tropische storm
Tropische
storing,
tropische
depressie
Wanneer een symbool is geselecteerd, kan extra storminformatie
worden geopend via het contextmenu:
Naam en type van de storm.
Datum en tijd.
Positie, richting en snelheid.
Druk en maximum windsnelheden en rukwinden.
Oppervlakdruksymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal symbolen die staan voor
de verschillende oppervlakdrukomstandigheden.
Symbool Omschrijving
Hoge/lage druk (blauw en rood)
Warmtefront (rood)
Koudefront (blauw)
Geoccludeerd front (paars)
Stationair front (rood-blauw)
Trog (bruin)
Buienlijn (rood)
Drooglijn (rood)
Isobaren (grijs)
Oppervlak-observatiestationsymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal symbolen die staan voor
de verschillende soorten oppervlak-observatiestations.
Symbool Omschrijving
Boeistation
C-MAN (Coastal-marine automated
network, geautomatiseerd netwerk
kustwateren)
WSI (Weerservice Internationaal)
NWS (Nationale weerservice)
Windsnelheidsymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal symbolen die staan voor
de verschillende windsnelheden.
Symbool Snelheid Symbool Snelheid Symbool Snelheid
3–7
knopen
8–12
knopen
13–17
knopen
18–22
knopen
23–27
knopen
28–32
knopen
33–37
knopen
38–42
knopen
43–47
knopen
48–52
knopen
53–57
knopen
58–62
knopen
63–67
knopen
68–72
knopen
73–77
knopen
78–82
knopen
83–87
knopen
88–92
knopen
93–97
knopen
98–102
knopen
etc.
Golnformatiesymbolen
De weertoepassing gebruikt een aantal afbeeldingen en
symbolen die staan voor de verschillende soorten golnformatie.
Symbool Omschrijving
Golfhoogte golven worden
weergegeven in 16 kleuren van:
Rode tinten hoogste golven
Groene tinten middelhoge
golven
Blauwe tinten lage golven
Golfperiode golfperioden worden
weergegeven in blauwtinten, hoe
donkerder de tint hoe korter de
afstand is tussen de opeenvolgende
golven. U kunt gedetailleerde
informatie over de golfperiode
openen via de optie Gegevens
bekijken in het contextmenu.
Golfrichting de richting van de
golven wordt aangegeven door
blauwe pijlen.
302 a Series / c Series / e Series
Kleurcoderingen NOWRad-neerslag
NOWRad laat het type en het niveau van neerslag zien:
Kleurcodering Neerslagtype Reectie-intensiteit
Lichtgroen Regen
(15 tot 19 dBZ)
Middelgroen Regen
(20 tot 29 dBZ)
Donkergroen Regen
(30 tot 39 dBZ)
Geel
Regen
(40 tot 44 dBZ)
Oranje
Regen
(45 tot 49 dBZ)
Lichtrood Regen
(50 tot 54 dBZ)
Donkerrood Regen
(55+ dBZ)
Lichtblauw
Sneeuw (5 tot 19 dBZ)
Donkerblauw
Sneeuw (20+ dBZ)
Lichtroze
Gemengd (5 tot 19 dBZ)
Donkerroze
Gemengd (20+ dBZ)
Kleurcodes neerslag Canadese radar
De Canadese radar toont de intensiteit van de neerslag in
Canada. Anders dan NOWRad, toont de Canadese radar niet
het type neerslag.
Kleurcode Intensiteit in mm per uur
Transparant (er wordt niets getoond
bij zeer weinig neerslag)
0,00 tot 0,20 mm/hr
Lichtgroen
0,21 tot 1,00 mm/hr
Middelgroen
1,01 tot 4,00 mm/hr
Donkergroen
4,01 tot 12,00 mm/hr
Geel 12,01 tot 24,00 mm/hr
Oranje 24,01 tot 50,00 mm/hr
Lichtrood
50,01 tot 100 mm/hr
Donkerrood
100,01+ mm/hr
De relatie tussen reectie-intensiteit en
regen
U kunt de onderstaande tabel gebruiken om de relatie te
bepalen tussen reectie-intensiteit in dBZ en geschatte regenval
in millimeter per uur of inch per uur.
Reectie-intensiteit Regenval (mm/uur) Regenval (inch/uur)
5
0,0749 0,0029
10 0,1538 0,0059
15 0,3158 0,0123
20 0,6484 0,0253
25 1,332 0,0519
30 2,734 0,1066
35 5,615 0,219
40 11,53 0,4497
45 23,68 0,9235
50 48,62 1,8963
55
99,85 3,8949
60 205,05 7,9975
65 401,07 15,6424
70 864,68 33,723
75
1775,65 69,252
Reectie-intensiteit Regenval (mm/uur) Regenval (inch/uur)
80 3646,33 142,21
85 7487,83 292,03
90 15376,51 599,69
95 31575,91 1231,46
100 64841,98 2528.84
105 133154,6 5193,03
110 273436,4 10664,02
Weerafbeeldingen selecteren
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Display-afbeeldingen.
De lijst met display-afbeeldingen wordt weergegeven.
3. Selecteer iedere afbeelding die u wilt Weergeven of
Verbergen.
4. Door een afbeelding te selecteren wordt geschakeld tussen
Weergeven en Verbergen.
Opmerking: De afbeeldingsopties voor Windvector zijn Pijl
en Vlag.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
303
24.4 Weerkaartnavigatie
U kunt over de weerkaart navigeren en waypoints plaatsen.
Wanneer u de weertoepassing opent wordt een wereldkaart
weergegeven. Als het systeem een positie-x heeft voor uw
schip, wordt de kaart gecentreerd op uw locatie. Net als in
de kaarttoepassing gebruikt u de cursor om over de kaart
te bewegen en verschillende locaties te bekijken, en de
Bereikregelaar om in en uit te zoomen. Gebruik de WPT-knop
om waypoints te plaatsen.
Opmerking: Waypoints worden niet weergegeven in de
weertoepassing, om waypoints te bekijken moet een actieve
kaart- of radartoepassing zijn weergegeven.
Uw schip lokaliseren
Het scheepspictogram kan worden geherpositioneerd op het
midden van het scherm door de onderstaande stappen te volgen.
1. Selecteer het pictogram Zoek schip:
aan de
linkerkant van het scherm.
24.5 Weercontextmenu
De weertoepassing bevat een contextmenu dat positiegegevens
bevat en de optie om weerrapporten van de cursorlocatie te
bekijken.
Het contextmenu geeft de volgende positiegegevens voor de
cursorlocatie ten opzichte van uw schip:
Breedtegraad
Lengtegraad
Afstand
Peiling
Afhankelijk van het item of de locatie die is geselecteerd op het
scherm bevat het contextmenu de volgende opties:
Rapport bekijken alleen beschikbaar wanneer een stad is
geselecteerd.
Gegevens bekijken niet beschikbaar wanneer een stad is
geselecteerd.
Volledig rapport bekijken alleen beschikbaar wanneer
een observatiestation is geselecteerd.
Het contextmenu openen
U kunt het contextmenu openen door de onderstaande stappen
te volgen.
1. Displays zonder touchscreen en HybridTouch-displays:
i. Selecteer een locatie of object op het scherm en druk
op de OK-knop.
2. HybridTouch-displays en displays met alleen touchscreen:
i. Een object op het scherm selecteren.
ii. Een locatie op het scherm selecteren en vasthouden.
304 a Series / c Series / e Series
24.6 Weerinformatie
U kunt weerinformatie bekijken voor:
een specieke locatie
een oppervlak-observatiestation (wanneer weergegeven)
Steden (wanneer weergegeven)
Weergegevens over een specieke locatie
bekijken
U kunt weerinformatie bekijken op een gespeciceerde locatie
op de wereldkaart, onafhankelijk van of de display-afbeeldingen
worden weergegeven in uw weertoepassing.
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer de locatie waarvoor u weerinformatie wilt bekijken.
Het contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Gegevens bekijken.
Er wordt een pagina weergegeven met weerinformatie.
Weerinformatiepagina
Wanneer u Gegevens bekijken selecteert in het
weercontextmenu wordt de volgende informatie weergegeven:
Zone-omschrijving
Zone-ID
Neerslagintensiteit
Neerslagtype
Zee-oppervlaktemperatuur
Windsnelheid
Windvorm
Golfhoogte
Golfperiode
Golfrichting
Weerstationrapporten bekijken
U kunt oppervlak-observatiestationrapporten bekijken door de
onderstaande stappen te volgen:
Doe het volgende vanuit de weertoepassingen, wanneer
oppervlak-observatiestations zijn weergegeven:
1. Selecteer een oppervlak-observatiestation
Het weercontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Volledig rapport bekijken.
Het stationrapport wordt weergegeven.
Stationrapport
Oppervlak-observatiestationrapporten bevatten de volgende
informatie (wanneer beschikbaar)
Station-ID, naam, type, peiling, tijd en datum
Luchttemperatuur
Zicht
Zeedruk
Windsnelheid en vorm
Zeetemperatuur
Golnformatie
Weersvoorspellingen voor steden bekijken
U kunt weersvoorspellingen bekijken voor een bepaalde stad
door de onderstaande stappen te volgen:
Doe het volgende vanuit de weertoepassingen, wanneer steden
zijn weergegeven:
1. Selecteer een stad.
Het weercontextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Rapport bekijken.
De voorspelling voor de stad wordt weergegeven. Er worden
tot 3 voorspellingen getoond.
24.7 Weerrapporten
U kunt een aantal verschillende weerrapporten bekijken, voor
een uitgebreid overzicht van het weer.
Uw multifunctionele display geeft weerrapporten voor:
Tropische meldingen.
Maritieme waarschuwingen.
Maritieme zone-voorspellingen.
Watchbox-waarschuwingen.
Tropische meldingen
Tropische verklaringen geven informatie over tropische
weersomstandigheden. Deze informatie is misschien niet
beschikbaar voor alle regio's.
Maritieme waarschuwingen
U kunt een rapport weergeven voor de huidige maritieme
waarschuwingen in de kustgebieden van de VS, of voor de zone
rond uw cursor of schip.
Maritieme zone-voorspellingen
Deze voorspellingen hebben betrekking op:
Weersvoorspellingen in de kustregio's van de VS,
offshore-voorspellingen en voorspellingen voor open zee
Voorspellingen voor grote meren of in de buurt van de kust, of
Voorspellingen voor het kustweer van Canada.
Watchbox-waarschuwingen
Wanneer een tornado- of onweersstormwaarschuwing
wordt ontvangen vanuit een het gespeciceerde
waarschuwingsgebied rond uw schip genereert het systeem
een Watchbox-waarschuwing. Deze waarschuwing geeft
informatie over het type waarschuwing en de geldigheidsperiode
daarvan. De volledige tekst van het Watchbox-rapport wordt
ook weergegeven.
Weerrapporten weergeven
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Rapport bekijken.
3. U kunt Tropische meldingen, Maritieme waarschuwingen,
Maritieme zonevoorspellingen of Watchbox-
waarschuwingen selecteren.
Het betreffende rapport, de waarschuwing of verklaring wordt
weergegeven.
De positie van weersvoorspellingen op de
weerkaart wijzigen
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Weergave rapport.
3. Selecteer Rapport op.
Wanneer u Rapport op selecteert wordt geschakeld tussen
rapporten van de Schip locatie en de Cursor-locatie.
Opmerking: U kunt de positie van de Tropische melding of
Watchbox-waarschuwingen niet veranderen.
Watchbox-waarschuwingsvenster
Het Watchbox-waarschuwingsvenster is een rode veelhoek die
de locatie laat zien waar sprake is van zwaar weer.
Het Watchbox-waarschuwingsvenster wordt weergegeven als
de weertoepassing is weergegeven, Watchbox-waarschuwingen
Aan staat en het Watchbox-waarschuwingsgebied zich binnen
het gespeciceerde bereik van het schip bevindt, of is ingesteld
op Alle.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
305
1
D12297-1
Artikel Omschrijving
1 Watchbox-waarschuwingsvenster
Watchbox-waarschuwingen bekijken
U kunt een Watchbox-waarschuwing op ieder moment bekijken
door de onderstaande stappen te volgen:
Doe het volgende in de weertoepassing, terwijl het
Watchbox-waarschuwingsvenster wordt weergegeven.
1. Selecteer het Watchbox-waarschuwingsvenster.
Het contextmenu wordt weergegeven.
2. Selecteer Gegevens bekijken.
De Watchbox-waarschuwing wordt weergegeven.
Het Watchbox-waarschuwingsbereik
instellen
U kunt het bereik van uw schip speciceren waaruit u
Watchbox-waarschuwingen wilt ontvangen.
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Watchbox-waarschuwingen.
3. Selecteer het gewenste bereikt, Alles, of Uit als u geen
Watchbox-waarschuwingen wilt ontvangen.
Wanneer u een bereik selecteert worden
Watchbox-waarschuwingen weergegeven die
worden gegenereerd binnen een bepaald bereik.
Wanneer u Alles selecteert worden alle Watchbox-
waarschuwingen weergegeven, onafhankelijk van de
afstand tot uw schip.
Wanneer u Uit selecteert worden Watchbox-
waarschuwingen gestopt.
Opmerking: Wanneer de instelling voor Watchbox-
waarschuwingen is ingesteld op Uit worden nog steeds
Watchbox-rapporten ontvangen, maar u worden niet meer
gewaarschuwd.
24.8 Bewegende weerbeelden
U kunt bewegende weerbeelden bekijken die een indicatie
geven van veranderende weerpatronen.
Met de optie voor bewegende weerbeelden kunt u een animatie
bekijken van het huidige tijdstip voor:
NOWRad weerradar
Wind
Golven
Druk oppervlakdruk
Een weeranimatie afspelen
Doe het volgende in de weertoepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Weeranimatie.
3. Selecteer Animatie.
Er wordt een lijst met animaties weergegeven.
4. Selecteer het animatietype uit de lijst.
5. Selecteer Afspelen zodat Aan wordt weergegeven.
Wanneer u Afspelen selecteert wordt heen en weer
geschakeld tussen Aan en Uit.
Opmerking: U kunt geen informatie weergeven (door de
cursor over een symbool te bewegen) wanneer een animatie
wordt afgespeeld. De Bereikregelaar en de draaiknop blijven
echter bruikbaar, mits PAUZEREN niet is geselecteerd. Bij
verandering van bereik en draaiing wordt de animatie opnieuw
gestart.
Opmerking: De animatie wordt Uit-geschakeld wanneer het
animatiemenu wordt gesloten.
306 a Series / c Series / e Series
24.9 menu-opties van de
weertoepassing
De volgende opties zijn beschikbaar in het menu van de
weertoepassing:
Menu-item Omschrijving Opties
Zoek schip Door Zoek schip
te selecteren wordt
het display gereset
en wordt uw schip
weergegeven in
het midden van het
scherm.
Graeken weergeven
Met het menu
Afbeeldingen
weergeven kunt
u kiezen welke
afbeeldingen u
wilt Weergeven of
Verbergen in de
weertoepassing.
Afbeeldingen
weergeven
Canadese radar
Steden
Bliksem
Maritieme zones
NOWRad
Zee-oppervlaktem-
peratuur
Stormvoorspelling
Stormtracks
Oppervlakdruk
Oppervlak-
observatiestations
Wind
Windvector pijl of
vlag
Watchbox
Golfhoogte
Golfperiode
Golfrichting
Weeranimatie Het menu
Weeranimatie
bevat de volgende
submenu's:
Animatie
Afspelen
Pauzeren
Bereik aanpassen
Animatie:
NOWRad
Wind
Golf
Druk
Afspelen:
Aan
Uit
Pauzeren:
Aan
Uit
Bereik aanpassen
Met Bereik
aanpassen kunt u
de Bereikregelaar
gebruiken om in en uit
te zoomen.
Menu-item Omschrijving Opties
Rapport bekijken Met het menu Rapport
bekijken kunt u
de verschillende
soorten ontvangen
weerrapporten
bekijken. U kunt ook
een locatie voor het
rapport selecteren.
Rapport voor
Schip
Cursor
Rapport bekijken
Tropische
meldingen
Maritieme
waarschuwingen
Maritieme
zone-voorspellingen
Watchbox-
waarschuwingen
Watchbox-
waarschuwing
Met het menu
Watchbox-
waarschuwingen kunt
u waarschuwingen
Uit-schakelen, of een
bereik selecteren.
Waarschuwingenbe-
reik
Uit
50 nm
150 nm
300 nm
500 nm
Alle
Opmerking:
De meeteenheid
is afhankelijk van
de voorkeursin-
stellingen voor de
eenheden.
Instellingen
gegevenslaag
Hiermee kunt u tot
2 gegevenscellen
weergeven/verbergen
in de hoek linksonder
van het scherm:
Gegevenscel 1
Selecteer
gegevenscategorie
Gegevenscel 2
Selecteer
gegevenscategorie
Gegevenscel 1
Aan
Uit
Selecteer
gegevenscategorie
Hiermee kunt een
gegevenstype
selecteren per
categorie.
Gegevenscel 2
Aan
Uit
Selecteer
gegevenscategorie
Hiermee kunt een
gegevenstype
selecteren per
categorie.
Sirius gebruikers-ID
Deze optie toont uw
geregistreerde Sirius
gebruikers-ID.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
307
24.10 Woordenlijst met weertermen
Term Denitie
Koudefront
De grens tussen twee verschillende luchtmassa's, waarbij koude lucht warme lucht aan de kant duwt en kouder weer met zich
meebrengt.
Cycloon Een groot gebied met lage atmosferische druk, gekenmerkt door naar binnen draaiende winden. Een “lagedrukgebied”, ook wel
“depressie” genoemd. Zo wordt een orkaan in de Indische Oceaan en de Westelijke Stille Oceaan ook genoemd.
Depressie
Een gebied met lage druk. Ook wel cycloon genoemd.
Droogtefront
Een regio waar sprake is van een sterke val in dauwpunttemperaturen. Dit komt regelmatig voor in gebieden waar zich sterke
onweersstormen ontwikkelen.
Voorspelling Iets wat ons vertelt hoe het weer waarschijnlijk zal worden.
Front
De grens tussen twee luchtmassa's met verschillende temperaturen (bijv. een koude luchtmassa en een warme luchtmassa).
Hogedrukgebied
Ook wel bekend als 'anticycloon'. Dit is een gebied met hoge atmosferische druk en winden die naar buiten draaien. Dit betekent
normaal gesproken droog weer. Dit is het tegenovergestelde van een 'lagedrukgebied'.
Hoge druk
Een luchtmassa die sterk op het oppervlak van de aarde drukt, omdat de lucht wordt afgekoeld en daardoor een hogere dichtheid
heeft.
Orkaan Een hevige, spiraalvormige storm die boven de Atlantische Oceaan wordt gevormd, met windsnelheden van meer dan 120 km/u.
Deze stormen hebben meestal een levensduur van meerdere dagen. Ook bekend onder de naam tyfoon of tropische cycloon. Er
zijn 5 orkaanniveaus:
Categorie 1 Windsnelheid 74-95 m/u (64-82 knopen of 119-153 km/u). Stormvloed meestal 4-5 voet hoger dan normaal. Geen
ernstige schade aan gebouwen. Schade met name aan niet verankerde kampeerwagens, struiken en bomen. Sommige schade
aan slecht geconstrueerde borden. Eveneens enige overstroming van kustwegen en minimale beschadiging aan kades.
Categorie 2 windsnelheden 96-110 m/u (83-95 knopen of 154-177 km/u). Stormvloed meestal 6-8 voet hoger dan normaal.
Enige beschadiging aan daken, deuren en ramen van gebouwen. Aanzienlijke schade aan struiken en bomen, enkele bomen
waaien om. Aanzienlijke schade aan kampeerwagens, slecht geconstrueerde borden en kades. Kustwegen en laag gelegen
vluchtwegen overstromen 2-4 uur voor de komst van het centrum van de orkaan. De ankerlijnen van kleine boten in onbeschermde
ankerplaatsen breken.
Categorie 3 windsnelheid 111-130 m/u (96-113 knopen of 178-209 km/u). Stormvloed meestal 9-12 voet hoger dan normaal.
Enige structurele beschadigingen van kleine woningen en utiliteitsgebouwen met minimale beschadiging van vliesgevels.
Beschadiging van struiken en bomen, bladeren worden van bomen geblazen en grote bomen waaien om. Kampeerwagens en
slecht geconstrueerde borden raken vernield. Lager gelegen vluchtwegen worden afgesloten door stijgend water 3-5 uur voor de
komst van het centrum van de orkaan. Overstromingen bij de kust vernielen kleinere constructies, grotere constructies raken
beschadigd door inslag van drijvend puin. Grote stukken terrein die lager liggen dan 5 voet boven zeeniveau kunnen tot 1-3 km
landinwaarts of meer overstromen. Evacuatie van laag gelegen woningen tot meerdere blokken vanaf de kust kan nodig zijn.
Categorie 4 Windsnelheid 131-155 m/u (114-135 knopen of 210-249 km/u). Stormvloed meestal 13-18 voet hoger dan normaal.
Grotere beschadigingen van vliesgevels en volledige beschadiging van enkele daken van kleinere woningen. Struiken, bomen en
alle borden waaien om. Volledige vernieling van kampeerwagens. Aanzienlijke beschadigingen van deuren en ramen. Lager
gelegen vluchtwegen worden afgesloten door stijgend water 3-5 uur voor de komst van het centrum van de orkaan. Ernstige
schade aan de lagere verdiepingen van constructies bij de kust. Terrein lager dan 10 voet boven zeeniveau kan overstromen,
waardoor massale evacuatie van woongebieden tot 10 km landinwaarts nodig kan zijn.
Categorie 5 windsnelheid hoger dan 155 m/u (135 knopen of 249 km/u). Stormvloed meestal 18 voet hoger dan normaal.
Volledige beschadiging van daken van veel woningen en industriële gebouwen. Volledige beschadiging van enkele gebouwen,
utiliteitsgebouwen worden volledig om- of weggeblazen. Alle struiken, bomen en borden waaien om. Volledige vernieling van
kampeerwagens. Ernstige en volledige beschadiging van deuren en ramen. Lager gelegen vluchtwegen worden afgesloten
door stijgend water 3-5 uur voor de komst van het centrum van de orkaan. Ernstige schade aan lagere verdiepingen van alle
constructies op plaatsen lager dan 15 voet boven zeeniveau en binnen 500 meter van de kustlijn. Massale evacuatie van
woongebieden op lager gelegen gebieden binnen 8-16 km vanaf de kustlijn kan nodig zijn.
Isobar
Een lijn op een weerkaart die gebieden met gelijke luchtdruk aangeeft.
Bliksem
Ontlading van statische elektriciteit in de atmosfeer, normaal gesproken tussen de grond en de stormwolk.
Lagedrukgebied
Ook 'depressie' genoemd. Een gebied met lage druk kan nat weer betekenen.
Lage druk
Een luchtmassa die slechts weinig druk uitoefent op het oppervlak van de aarde, omdat het is opgewarmd en daardoor een lagere
dichtheid heeft.
Millibar
Een eenheid die wordt gebruikt voor het meten van atmosferische druk.
Geoccludeerd front Een gebied waar warme lucht omhoog wordt geduwd omdat een koudefront in de plaats komt van een warmtefront en eronder drukt.
Neerslag
Vocht dat vrijkomt uit de atmosfeer in de vorm van regen, motregen, hagel, natte sneeuw of sneeuw.
Drukcentrum
Een regio met hoge of lage druk.
Buienlijn
Een niet-frontale band of lijn met onweersbuien.
Supertyfoon Een tyfoon die maximale 1 minuut durende grondwinden bereikt van minimaal 65 m/s (130 knopen, 150 m/u). Dit is het equivalent van
een sterke categorie 4 of 5 orkaan in de Atlantische Oceaan, of een categorie 5 zware tropische cycloon in het Australisch bekken.
Tornado Een buisvormige wervelwind die vanuit stormwolken naar de grond gaan.
Tropische cycloon Een gebied met lage druk dat normaal gesproken in de tropen ontstaat. De cycloon wordt vergezeld met onweersstormen en op het
noordelijk halfrond tegen de wijzers van de klok indraaiende winden dicht bij het aardoppervlak.
308 a Series / c Series / e Series
Term Denitie
Tropische depressie Een georganiseerd systeem van bewolking en onweersbuien met een bepaalde oppervlakcirculatie en maximale constante winden
van 61 km/u (33 knopen) of minder.
Tropische storm Een georganiseerd systeem van hevige onweersbuien met een bepaalde oppervlakcirculatie en maximale constante winden van
62-117 km/u (34-63 knopen) of minder.
Tropen
Een gebied op het aardoppervlak dat ligt tussen 30º ten noorden en 30º ten zuiden van de evenaar.
Trog
Een langgerekt gebied met relatief lage atmosferische druk, dat meestal loopt vanuit het midden van een lagedrukgebied.
Tyfoon De naam voor een tropische storm die ontstaat in de Stille Oceaan, meestal de Chinese Zee. Dit is in principe hetzelfde als de
orkanen van de Atlantische Oceaan en de cyclonen van de Golf van Bengalen.
Golfcycloon Een storm of centrum met lage druk dat langs een front beweegt.
Golfperiode
De periode is de tijd tussen opeenvolgende golven, hoe langer de periode hoe sneller de golven bewegen.
Weertoepassing (alleen Noord-Amerika).
309
310 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 25: Sirius Audio-toepassing (alleen Noord-Amerika)
Inhoudsopgave
25.1 Overzicht Sirius Audio op pagina 312
Sirius Audio-toepassing (alleen Noord-Amerika)
311
25.1 Overzicht Sirius Audio
Een aangesloten en compatibele Raymarine Sirius maritieme
weer-/satellietradio-ontvanger kan worden bediend met behulp
van de Sirius Audio-toepassing.
Opmerking: U dient een Sirius-abonnement te hebben
om gebruik te kunnen maken van een Sirius maritieme
weer-/satellietradio-ontvanger.
Om het volume te kunnen regelen dient de Raymarine
Sirius maritieme weer-/satellietradio-ontvanger ook te zijn
aangesloten op het entertainmentsysteem van het schip. Het
volume wordt geregeld met een combinatie van de bediening
op het multifunctionele display en de regelaars van het
entertainmentsysteem van het schip.
D12756-1
9 8 7
5
6
21 3
4
1
Signaalsterkte (tussen 0 en 3 balkjes).
2 Naam van het nummer en de artiest.
3 Menu het menu wordt gebruikt om door de beschikbare
satellietradiokanalen te bladeren.
4
Stationgegevens.
5
Sirius-ontvanger-ID.
6 Favoriete kanalen.
7
Volume omhoog.
8
Dempen/dempen opheffen
9 Volume omlaag.
De Sirius Audio-toepassing kan worden gebruikt om:
Door de beschikbare radiokanalen te bladeren.
Over te schakelen naar een ander radiokanaal.
Kanalen aan te wijzen als favoriet.
Het volume te regelen.
Het volume te dempen.
Opmerking: Sirius-satellietradio is alleen beschikbaar in
Noord-Amerika.
De Sirius-audiotoepassing openen
1. Selecteer het paginapictogram Sirius Audio in het
home-venster.
Het kanaal wijzigen
U kunt een lijst met beschikbare satellietradiokanalen bekijken
en het station selecteren waarnaar u wilt luisteren.
Doe het volgende in de Sirius Audio-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Selecteer kanaal.
De kanaalbrowser wordt weergegeven.
3. Selecteer het betreffende kanaal in de lijst.
Favorieten toevoegen
U kunt tot 6 favoriete kanalen programmeren in de Sirius
Audio-toepassing. Om het huidige kanaal op te slaan als favoriet
volgt u de onderstaande stappen.
1. Schakel over naar het kanaal dat u als favoriet wilt opslaan.
2. Wanneer het kanaal op het scherm wordt weergegeven,
selecteert u een favoriet kanaalnummer (1 tot 6) en houdt u
deze 2 seconden ingedrukt.
Het radiokanaal is nu opgeslagen als favoriet.
De volumeregelaars gebruiken
De Sirius Audio-toepassing kan worden gebruikt om het volume
van uw Sirius Audio-ontvanger te regelen.
Doe het volgende in de Sirius-toepassing:
1. Selecteer het pictogram Volume omhoog of Volume
omlaag om het volume te veranderen, of
2. Selecteer het pictogram Dempen in het geluid te dempen
of het dempen op te heffen.
312 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 26: Mobiele toepassingen
Inhoudsopgave
26.1 Raymarine mobiele apps op pagina 314
26.2 Wi-Fi inschakelen op pagina 315
26.3 Mobiele apps inschakelen op pagina 315
26.4 Wi-Fi-beveiliging instellen op pagina 316
26.5 Een Wi-Fi-kanaal selecteren op pagina 316
Mobiele toepassingen
313
26.1 Raymarine mobiele apps
Met de Raymarine mobiele apps kunt u uw multifunctionele
display bekijken en besturen via een compatibel mobiel apparaat
met behulp van een Wi-Fi-verbinding.
Raymarine biedt op dit moment de volgende mobiele apps:
RayView
RayRemote
RayControl
Opmerking: Uw multifunctionele display dient softwareversie
V3.15 of hoger te hebben om mobiele apps te kunnen
gebruiken.
RayView
Met deze app kunt u wat u ziet op uw multifunctionele display
streamen naar een compatibel smartphone of tablet met behulp
van een Wi-Fi-verbinding.
D12165-2
3 42
1
1. Multifunctioneel display.
2. Wi-Fi-verbinding (één richting alleen streaming).
3. Compatibel apparaat.
4. “RayView” videostreaming-app.
RayControl
Met deze app kunt u uw multifunctionele display streamen
naar en besturen vanaf een compatibele smartphone of tablet
met behulp van een Wi-Fi-verbinding.
Opmerking: Uit veiligheidsoverwegingen zijn de opties voor
de bediening van de stuurautomaat en de aan/uit-knop niet
op afstand beschikbaar.
D125 02-3
1 2 3 4 6
5
1. Multifunctioneel display.
2. Wi-Fi-verbinding (twee richtingen streaming en bediening
op afstand).
3. Compatibele tablet.
4. “RayControl”-app voor streaming en bediening op afstand.
5. Toegang tot de “RayControl”-bediening (raak de pijl aan om
de bediening te openen).
6. “RayControl”-afstandsbediening
RayRemote
Met deze app kunt u uw multifunctionele display op afstand
streamen naar en besturen vanaf een compatibele smartphone
met behulp van een Wi-Fi-verbinding.
Opmerking: RayRemote kan schakelen tussen
het weergeven van de afstandsbedieningen en de
videostreaming.
D125 99-2
1 2 3 4
1. Multifunctioneel display.
2. Wi-Fi-verbinding (twee richtingen streaming of bediening
op afstand).
3. Compatibele smartphone.
4. RayRemote App
Om Raymarine mobiele apps te gebruiken dient u eerst:
De vereiste app te downloaden en te installeren, beschikbaar
in de betreffende app store.
Wi-Fi in te schakelen in de Systeeminstellingen van het
multifunctionele display.
Wi-Fi in te schakelen op uw compatibele apparaat.
De Raymarine Wi-Fi-verbinding te selecteren in de lijst met
beschikbare Wi-Fi-netwerken op uw compatibele apparaat.
Het betreffende verbindingstype in te schakelen (d.w.z.
bekijken of afstandsbediening) in de systeeminstellingen van
het multifunctionele display.
Mobiele app-compatibiliteit
De Raymarine mobiele apps zijn compatibel met de volgende
apparaten.
Apparaat Besturingssysteem
iPhone 4 of hoger iOS
iPad 2 of hoger iOS
Android smartphone
Android V2.2.2 of hoger met
1GHz-processor of hoger
Android tablet
Android V2.2.2 of hoger met
1GHz-processor of hoger
Kindle Fire
Android\amazon
314 a Series / c Series / e Series
26.2 Wi-Fi inschakelen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Wi-Fi > AAN.
26.3 Mobiele apps inschakelen
Raymarine mobiele apps moeten worden ingeschakeld op uw
multifunctionele display voordat u video kunt streamen of uw
multifunctionele display op afstand kunt bedienen met een tablet
of smartphone.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Mobiele apps.
5. Selecteer Alleen weergave om alleen video-streaming in
te schakelen, of
6. Selecteer Afstandsbediening om de afstandsbediening en
video-streaming in te schakelen.
7. Start de betreffende Raymarine mobiele app op uw tablet of
smartphone en volg de instructies op het scherm.
Mobiele toepassingen
315
26.4 Wi-Fi-beveiliging instellen
U kunt de Wi-Fi-verbinding versleutelen op het multifunctionele
display om te voorkomen dat ongeautoriseerde apparaten
toegang krijgen tot de verbinding. De standaard versleuteling is
WPA2.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Wi-Fi > Aan.
5. Selecteer Wi-Fi-naam en speciceer de SSID. Dit moet een
gemakkelijk te onthouden woord zijn en uniek voor ieder
multifunctioneel display in uw systeem.
Standaard is de SSID het serienummer van het
multifunctionele display.
6. Selecteer Wi-Fi-beveiliging en speciceer het type
versleuteling dat u wilt gebruiken Geen, Alleen WPA,
Alleen WPA 2 (standardwaarde), of WPA/WPA 2.
Opmerking:
Raymarine adviseert nadrukkelijk de beveiligingsinstelling
WPA2 te gebruiken.
Wanneer u Geen selecteert voor uw Wi-Fi-beveiliging blijft
uw Wi-Fi-verbinding open waardoor iedereen met een
WiFI-apparaat toegang heeft tot uw systeem.
7. Geadviseerd wordt het standaard Wi-Fi-wachtwoord NIET
te veranderen.
Opmerking: Nadat de Wi-Fi-beveiliging is ingesteld op uw
multifunctionele display dient u hetzelfde SSID en wachtwoord
te speciceren op uw iPhone of iPad voordat draadloze
videostreaming kan worden gebruikt.
Het standaard wachtwoord wijzigen
Geadviseerd wordt het standaard wachtwoord niet te wijzigen.
Wanneer u het wachtwoord echter wilt wijzigen volgt u de
volgende stappen:
Selecteer in het menu Draadloze Verbindingen: Instellingen >
Systeeminstellingen > Draadloze verbindingen
1. Selecteer Wi-Fi-wachtwoord.
Het schermtoetsenbord wordt weergegeven, met het huidige
wachtwoord.
2. Gebruik DEL Om het huidige wachtwoord te wissen.
3. Voer een nieuw wachtwoord in.
Opmerking: Zorg voor een 'sterk' wachtwoord door een
combinatie te gebruiken van hoofd- en kleine letters, cijfers
en speciale karakters. Het wachtwoord mag tussen 8 en 63
karakters lang zijn, een lang wachtwoord is veiliger.
4. Selecteer OPSLAAN om het nieuwe wachtwoord op te slaan.
26.5 Een Wi-Fi-kanaal selecteren
Standaard selecteert het multifunctionele display automatisch
een beschikbaar Wi-Fi-kanaal. Als u problemen hebt met
draadloze video-streaming, kan het nodig zijn handmatig een
Wi-Fi-kanaal te speciceren voor zowel het multifunctionele
display als het apparaat waar u video naartoe wilt streamen.
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Systeeminstellingen.
3. Selecteer Draadloze verbindingen.
4. Selecteer Wi-Fi > Aan.
5. Selecteer Wi-Fi-kanaal.
6. Selecteer één van de kanalen in de lijst.
316 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 27: Uw display aan uw wensen aanpassen
Inhoudsopgave
27.1 Taalkeuze op pagina 318
27.2 Scheepsgegevens op pagina 319
27.3 Eenheidsinstellingen op pagina 320
27.4 Tijd- en datuminstellingen op pagina 321
27.5 Display-voorkeuren op pagina 322
27.6 Overzicht gegevensbalk en gegevenskader op pagina 324
27.7 Lijst met gegevensitems op pagina 325
27.8 Menu systeeminstellingen op pagina 332
Uw display aan uw wensen aanpassen
317
27.1 Taalkeuze
Het systeem beschikt over de volgende talen:
Engels (VS) Engels (Brits)
Arabisch
Bulgaars
Chinees
Kroatisch
Tsjechisch Deens Nederlands
Fins Frans Duits
Grieks
IJslands Italiaans
Japans Koreaans Noors
Pools
Portugees (Brazilië)
Russisch
Sloveens Spaans
Zweeds
Turks
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Taal.
3. Selecteer uw taal in de talenlijst.
318 a Series / c Series / e Series
27.2 Scheepsgegevens
U kunt de verschillende instellingen aanpassen aan uw schip.
Menu-item Omschrijving Opties
Scheepstype
U kunt het uiterlijk van het schip in de kaarttoepassing
veranderen. Selecteer de optie die het meest lijkt op het type
en de omvang van uw schip.
Opmerking: Wanneer scheepstype is geselecteerd
tijdens de eerste instelling van het multifunctionele
display, dan bepaalt het scheepstype de conguratie van
de gegevenspagina in de gegevenstoepassing.
Power cruiser 1 (standardwaarde)
Power cruiser 2
Power cruiser 3
Speedboot met binnenboordmotor
Speedboot met buitenboordmotor
Werkboot
RIB
Zeilkruiser
Wedstrijdzeiler
Catamaran
Sportvisserij
Pro-visserij
Aantal motoren
Hiermee kunt u het aantal motoren dat uw schip heeft
speciceren. Deze instelling bepaalt het aantal motoren dat
wordt weergegeven in de motorgegevenstoepassing.
1 tot 5
Aantal brandstoftanks Hiermee kunt u het aantal brandstoftanks dat uw schip
heeft speciceren. Deze instelling bepaalt het aantal
brandstoftanks dat beschikbaar is in de gegevenstoepassing.
1 tot 5
Aantal accu's
Hiermee kunt u het aantal accu's dat uw schip heeft
speciceren. Deze instelling bepaalt het aantal accu's dat
beschikbaar is in de gegevenstoepassing.
1 tot 5
Totale brandstofcapaciteit Hiermee kunt u de totale brandstofcapaciteit van uw schip
speciceren, dit is nodig om de brandstofmanagerfunctie
te kunnen gebruiken.
0 tot 9999 eenheden.
Het scheepspictogram aanpassen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Scheepsgegevens.
3. Selecteer Scheepstype.
4. Selecteer het pictogram die het meest lijkt op het type en de
omvang van uw schip.
Uw display aan uw wensen aanpassen
319
27.3 Eenheidsinstellingen
U kunt uw voorkeuren speciceren voor de meeteenheden die in alle toepassingen worden gebruikt.
Menu-item Omschrijving Opties
Afstandseenheden
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot afstand.
Nautische mijlen
NM & m (grote eenheden = nautische mijlen,
kleine eenheden = meter)
Landmijlen
Kilometers
Snelheidseenheden
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot snelheid.
Knopen
MPH (mijl per uur)
KPH (kilometer per uur)
Diepte-eenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot diepte.
Voet
Meter
Vadem
Temperatuureenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
temperatuur.
Fahrenheit
Celsius
Drukeenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot druk.
Bar
PSI
Kilopascal
Volume-eenheden De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
volume/inhoud.
Amerikaanse gallons
Imperial gallons
Liter
Eenheden brandstofbesparing
De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
brandstofverbruik.
Afstand per inhoud
Inhoud per afstand
Liter per 100 km
Eenheden windsnelheid De meeteenheden die worden gebruikt in alle toepassingen
van het display voor de waarden met betrekking tot
windsnelheid.
Knopen
Meter per seconde
De voorkeursmeeteenheden speciceren
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Instellingen eenheden.
3. Selecteer het type meeteenheid dat u wilt veranderen
(bijvoorbeeld afstandseenheden).
4. Selecteer de voorkeurseenheid (bijvoorbeeld landmijlen).
320 a Series / c Series / e Series
27.4 Tijd- en datuminstellingen
U kunt uw voorkeur speciceren voor de manier waarop tijd en datum worden weergegeven in alle toepassingen.
Menu-item Omschrijving Opties
Datumformaat Hiermee kunt u het voorkeursformaat speciceren voor het
weergegeven van datuminformatie in alle toepassingen.
MM:DD:YY (maand, dag, jaar)
DD:MM:YY (dag, maand, jaar)
Tijdformaat Hiermee kunt u het voorkeursformaat speciceren voor het
weergegeven van tijdinformatie in alle toepassingen.
12-uurs
24-uurs
Lokale tijd: UTC Hiermee kunt u de te gebruiken lokale tijdzone speciceren,
met een verschuiving ten opzichte van UTC (Universal
Coordinated Time), in stappen van 0,5 uur.
–13 tot +13 uur (in stappen van 0,5 uur)
Uw display aan uw wensen aanpassen
321
27.5 Display-voorkeuren
U kunt uw algemene voorkeuren aangeven voor het display.
Menu-item Omschrijving Opties
Startpagina
Hiermee kunt u selecteren welke pagina op het display wordt
weergegeven na het opstarten.
Home-venster (standardwaarde)
Laatste pagina na inschakelen wordt de als
laatste gebruikte pagina weergegeven.
Selecteer pagina na inschakelen wordt de
geselecteerde pagina weergegeven.
Toetssignaal Een hoorbaar geluid dat iedere keer dat een knop wordt
ingedrukt of het touchscreen wordt gebruikt klinkt.
AAN (standardwaarde)
UIT
Cursor automatisch verbergen
Als dit is ingesteld op Aan, dan wordt de cursor automatisch
verborgen na een bepaalde tijd zonder beweging. Als dit is
ingesteld op Uit, dan blijft de cursor op het scherm totdat hij
wordt bewogen.
AAN
UIT (standardwaarde)
Bereikregelaars
Op Nieuw e-serie en gS-serie displays kunt u speciceren
of de pictogrammen voor het in- en uitzoomen van het
bereik worden weergegeven in de Kaart-, Radar- en
Weer-toepassingen.
Opmerking:
Bereikregelaars op het scherm zijn niet beschikbaar op
displays zonder touchscreen.
Bereikregelaars op het scherm kunnen niet worden
verborgen op displays met alleen touchscreen.
Weergeven (standardwaarde)
Verbergen
Contextmenu (Alleen touchrscreen-displays) Bepaalt hoe het contextmenu
wordt geopend met het touchscreen
Aanraken (standardwaarde) aanraken van
een kaartobject opent het contextmenu.
Vasthouden aanraken en vasthouden van
een kaartobject opent het contextmenu.
Stuurautomaatbedieningsbalk
Hiermee kunt u de stuurautomaatbalk op ieder display
afzonderlijk in- en uitschakelen, wanneer aangesloten op
een SPX- of SeaTalk-stuurautomaat.
Opmerking: Voor Evolution-stuurautomaten kunt u
de optie voor de stuurautomaatbalk terugvinden op de
pagina Instellingen stuurautomaat.
Weergegeven
Verborgen
Gedeelde helderheid U kunt gedeelde helderheidsgroepen (of “zones”) instellen
om de helderheid op meerdere units tegelijk aan te passen.
Helderheid delen
AAN (standardwaarde)
UIT
Helderheidsgroep
Roer 1 (standardwaarde)
Roer 2
Stuurhut
Flybridge
Mast
Groep 1
Groep 2
Groep 3
Groep 4
Groep 5
Bestand met screenshot
Hiermee kunt u de standaard geheugenkaartsleuf
speciceren voor het opslaan van screenshots.
Opmerking: Deze optie is alleen beschikbaar op
displays meer meerdere kaartsleuven.
MicroSD 1
MicroSD 2
322 a Series / c Series / e Series
Bereikregelaars op het scherm
U kunt de bereikregelaars op het scherm van Nieuwe e-serie
en gS-serie displays in- en uitschakelen door de onderstaande
stappen te volgen.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Bereikregelaars.
Wanneer u de Bereikregelaars selecteert wordt geschakeld
tussen weergeven en verbergen van de bereikregelaars op
het scherm.
Gedeelde helderheid
U kunt gedeelde helderheidsgroepen instellen om de helderheid
op meerdere units tegelijk aan te passen.
De volgende units zijn compatibel met gedeelde
helderheidsgroepen:
Nieuwe a-serie
Nieuwe c-serie.
Nieuwe e-serie.
gS-serie
i50
i60
i70
p70 / p70R-stuurautomaatbedieningen
ST70
ST70+
Nadat compatibele units zijn toegevoegd aan een gedeelde
helderheidsgroep worden alle aanpassingen in de helderheid
van één van de units in de groep doorgevoerd naar alle
andere units in de groep. Er is één helderheidsregelaar
beschikbaar op het scherm voor het regelen van alle units in de
helderheidsgroep:
Er kunnen meerdere helderheidsgroepen worden
gecongureerd. Deze kunnen worden samengesteld aan de
hand van de fysieke locatie van de units op uw schip. De units
bij het roer kunnen bijvoorbeeld worden toegewezen aan één
groep en de units op de brug aan een andere. In dit voorbeeld
worden alle aanpassingen van de helderheid op een unit bij het
roer automatisch doorgevoerd naar de andere units bij het roer
maar niet op de ybridge.
Voor gedeelde helderheid dient aan het volgende te zijn voldaan:
Alle units moeten compatibel zijn met de gedeelde
helderheidsfunctie (zie de lijst met compatibele units
hierboven).
Voordat een unit kan reageren op aanpassingen van de
gedeelde helderheid moet hij zijn toegewezen aan de
betreffende Helderheidsgroep.
Eén unit kan slechts zijn toegewezen aan één groep tegelijk.
De instelling voor Gedeelde helderheid moet zijn ingesteld
op Aan voor alle units in de helderheidsgroep.
Bij het instellen van een helderheidsgroep dient eerst een keer
Helderheid synchroniseren te worden uitgevoerd, wanneer
alle displays in die groep zijn ingeschakeld om de helderheid
van alle units in de groep te congureren.
Gedeelde helderheid instellen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Display-voorkeuren.
3. Selecteer Gedeelde helderheid.
4. Selecteer de optie Aan voor het menu-item Gedeelde
helderheid.
5. Selecteer Helderheidsgroep.
6. Selecteer de juiste helderheidsgroep.
7. Herhaal dit proces voor de andere displays die u aan de
helderheidsgroep wilt toevoegen. Als het display geen
multifunctioneel display is kunt u de documentatie raadplegen
van die unit, voor instructies over het instellen van gedeelde
helderheid.
8. Nadat alle vereiste displays zijn toegevoegd aan dezelfde
helderheidsgroep selecteert u Synchroniseer helderheid
op het multifunctionele display.
Er wordt een bericht weergegeven voor gedeelde helderheid.
9. Zorg ervoor dat alle displays in de helderheidsgroep zijn
ingeschakeld.
10.Selecteer Synchroniseren.
Wanneer dit is voltooid wordt een bericht weergegeven dat
bevestigt dat de gedeelde helderheid is gecongureerd.
Nadat de gedeelde helderheid is gecongureerd, zal het
veranderen van de helderheid van een display in die
helderheidsgroep automatisch ook de helderheid van alle
andere displays in die groep aanpassen.
Uw display aan uw wensen aanpassen
323
27.6 Overzicht gegevensbalk en
gegevenskader
U kunt de gegevens die op de gegevensbalk en in de
gegevenskaders op het scherm worden weergegeven
aanpassen.
Gegevens die u kunt aanpassen worden weergegeven
in de gegevensbalk, de uitgebreide gegevensbalk (alleen
HybridTouch-displays) of gegevenskaders. De gegevensbalk,
uitgebreide gegevensbalk en gegevenskaders zijn beschikbaar
in alle toepassingen.
De gebieden op het scherm worden hieronder getoond en
omschreven:
D12296-3
2 3
5
1
4
1. Gegevensbalk wordt weergegeven bovenaan het
scherm in alle toepassingen. De gegevensbalk bevat cellen
die kunnen worden aangepast. Deze kunnen gegevens
bevatten uit een groot aantal categorieën. De gegevensbalk
kan ook worden verborgen, voor meer ruimte op het scherm.
2. Uitgebreide gegevensbalk (alleen displays met
touchscreen) wordt weergegeven wanneer u de
gegevensbalk aanraakt. De uitgebreide gegevensbalk kan
worden weergegeven. De uitgebreide gegevensbalk wordt
weergegeven totdat het scherm opnieuw wordt aangeraakt.
3. Statuspictogrammen - u kunt de statuspictogrammen
weergeven onder de uitgebreide gegevensbalk. Dit geeft
statusinformatie voor de extern aangesloten apparatuur:
4. Statusbalk wordt permanent weergegeven in alle
toepassingen. De statusbalk bevat informatie over de op dat
moment geselecteerde instellingen van de op het scherm
weergegeven toepassing.
5. Gegevenskaders er kunnen maximaal 2 gegevenskaders
worden weergegeven. Ieder kader kan één gegevensitem
weergeven uit de beschikbare gegevenscategorieën.
Gegevens worden permanent op het scherm weergegeven.
De gegevensbalk kan ook worden ingesteld op Automatisch
verbergen, zodat alleen de Statusbalk op het scherm zichtbaar
is.
De gegevensbalk automatisch verbergen
Op multifunctionele displays met een touchscreen, kan de
gegevensbalk die wordt weergegeven boven alle toepassingen
automatisch worden verborgen. Hierdoor wordt het scherm voor
de toepassingspagina's groter.
D13003-1
1 2
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Set-up gegevensbalk.
3. Selecteer Automatisch verbergen zodat Aan is
geselecteerd.
Bij het bekijken van de toepassingspagina's, wordt de
gegevensbalk automatisch verborgen na 10 seconden. U kunt
de gegevensbalk weer zien door de statusbalk met uw vinger
aan te raken.
Gegevenskaders in de Kaart-toepassing
aanpassen
Om gegevenskaders in- en uit te schakelen en gegevens
te selecteren die moeten worden weergegeven volgt u de
onderstaande stappen.
Doe het volgende in het menu van de Kaart-toepassing:
1. Selecteer Presentatie.
2. Selecteer Laag.
3. Selecteer Gegevenskaders.
4. Selecteer Gegevenskader 1 > Aan.
5. Selecteer Gegevenskader 2 > Aan.
6. Kies de Selecteer gegevens-optie voor het betreffende
gegevenskader.
7. Selecteer de categorie met het type gegevens dat u in het
gegevenskader wilt weergeven. Voorbeeld: dieptegegevens.
8. Selecteer een gegevensitem.
De gegevens die u hebt geselecteerd worden op het scherm
weergegeven in het bijbehorende gegevenskader.
Gegevenskaders aanpassen
Doe het volgende in de Radar-, Fishnder- of Weer-toepassing:
1. Selecteer Menu.
2. Selecteer Presentatie.
3. Selecteer Gegevenskaders.
4. Selecteer Gegevenskader 1 > AAN.
5. Selecteer Gegevenskader 2 > AAN.
6. Kies het menu-item Selecteer gegevenskader 1 of
Selecteer gegevenskader 2.
7. Selecteer de categorie met het type gegevens dat u in het
gegevenskader wilt weergeven. Voorbeeld: dieptegegevens.
8. Selecteer een gegevensitem.
De gegevens die u hebt geselecteerd worden op het scherm
weergegeven in het bijbehorende gegevenskader.
De gegevensbalk aanpassen
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Instellingen gegevensbalk.
3. Selecteer Gegevensbalk bewerken.
4. Selecteer de cel in de gegevensbalk die u wilt wijzigen.
Het menu "Selecteer gegevenscategorie" wordt
weergegeven.
5. Selecteer de categorie met het type gegevens dat u in de cel
wilt weergeven. Voorbeeld: dieptegegevens.
6. Selecteer een gegevensitem.
De gegevens die u hebt geselecteerd worden op het scherm
weergegeven in de bijbehorende cel.
7. Selecteer Home of Terug wanneer u klaar bent.
Statuspictogrammen weergegeven in de gegevensbalk
Op multifunctionele displays met touchscreen kunt u
statuspictogrammen weergeven in de gegevensbalk.
Doe het volgende vanuit het Home-venster:
1. Selecteer Aanpassen.
2. Selecteer Instellingen gegevensbalk.
3. Selecteer Statuspictogram balk zodat Aan is gemarkeerd.
De statuspictogrammen worden nu weergegeven onder de
uitgevouwen gegevensbalk.
324 a Series / c Series / e Series
27.7 Lijst met gegevensitems
Gegevenscategorieën die kunnen worden weergegeven in de gegevenstoepassing, gegevenskaders, op de gegevensbalk en op
de uitgebreide gegevensbalk worden hieronder weergegeven. Regelaarafbeeldingen zijn niet beschikbaar in gegevenskaders of
op gegevensbalken.
In de volgende tabel worden de gegevensitems weergegeven die beschikbaar zijn per categorie.
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Accu-amps
Accutemperatuur
Accu**
Accustatus
Accuspanning
Draaisnelheid
Slagzijhoek
Schip Soorten door uw
schip gegenereerde
gegevens.
Bijvoorbeeld
tankniveau's.
Trim tabs (alleen
gegevenstoepas-
sing.)
Diepte
Maximale diepte
Diepte Dieptegegevens.
Minimale diepte
Log & reis
Log
Reis
Grondlog en reis
Grondlog
Grondreis 1
Grondreis 2
Grondreis 3
Afstand Gegevenssoorten
met betrekking tot
de door uw schip
afgelegde afstand.
Bijvoorbeeld:
reisafstand.
Grondreis 4
Uw display aan uw wensen aanpassen
325
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Toerental
RPM & snelheid
Koelvloeistoftem-
peratuur
Koelvloeistofdruk
Olietemperatuur
Oliedruk
Oliedruk & koel-
vloeistoftempera-
tuur
Olietemperatuur
transmissie
Oliedruk
transmissie
Transmissie-
overbrenging
Turbodruk
Brandstofdruk
Brandstofverbruik
Brandstofverbruik
(inst.)
Brandstofverbruik
(gem.)
Motoruren
Motortrim
Dynamo
Motor** Soorten door
uw motoren
gegenereerde
gegevens.
Bijvoorbeeld:
oliedruk.
Motorbelasting
326 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Brandstofpeil (%)
Totale brandstof
(vol)
Totaal
brandstofverbruik
Brandstofbesparing
Geschatte
resterende
brandstof
Afstand tot
brandstoftank leeg
Tijd tot
brandstoftank leeg
Gebruikte brandstof
(reis)
Brandstof** Soorten
gegevens met
betrekking tot het
brandstofsysteem.
Bijvoorbeeld
brandstofpeil.
Gebruikte brandstof
(seizoen)
Druk
Luchttemperatuur
Minimale
luchttemperatuur
Maximale
luchttemperatuur
Drift
Stromingskoers
Zakking & drift
Schijnbare
windafkoeling
Ware windafkoeling
Vochtigheid
Dauwpunt
Zonsondergang /
zonsopgang
Watertemperatuur
Minimale
watertemperatuur
Omgeving Gegevens met
betrekking tot
de omgeving.
Bijvoorbeeld
luchttemperatuur.
Uw display aan uw wensen aanpassen
327
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Maximale
watertemperatuur
Scheepspositie
COG & SOG
COG
SOG
Maximale SOG
GPS Gegevens met
betrekking tot de
GPS. Bijvoorbeeld
scheepspositie.
Gemiddelde SOG
Koers
Koers en snel-
heid (alleen gege-
venstoepassing.)
Vastgezette koers
Fout vastgezette
koers
LH-fout en LH (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Kruiskoers
Koers
Gegevens met
betrekking tot de
koers. Bijvoorbeeld
vastgezette koers.
Kompas (alleen ge-
gevenstoepassing.)
Cursorpositie
(alleen beschikbaar
in de gegevensbalk
en gegevenslaag.)
Cursorinformatie
(alleen beschikbaar
in de gegevensbalk
en gegevenslaag.)
Cross Track Error
Snelweg (alleen ge-
gevenstoepassing.)
Waypoint-
informatie
Naam actief
waypoint
Objectpositie
Navigatie
Soorten gegevens
met betrekking
tot navigatie.
Bijvoorbeeld peiling
naar waypoint.
328 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Peiling naar
waypoint
BTW & DTW (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Course Made Good
(CMG)
CMG & DMG
CMG & VMG (al-
leen gegevenstoe-
passing.)
Afstand tot
waypoint
Distance Made
Good (DMG)
Waypoint ETA
Waypoint-TTG
Route ETA
Route TTG
Stuurautomaat Gegevens met
betrekking tot de
stuurautomaat.
Bijvoorbeeld roer.
Roerhoek
Snelheid
Maximale snelheid
Gemiddelde
snelheid
Snelheid en SOG
VMG naar loefzijde
Snelheid Gegevens met
betrekking tot
de snelheid.
Bijvoorbeeld
VMG (Velocity
Made Good) naar
waypoint.
VMG naar
Waypoint
Drinkwater (%)
Grijswater (%)
Zwartwater (%)
Tanks** Gegevens over de
watertanks
Levend aas-tank
(%)
Uw display aan uw wensen aanpassen
329
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
Lokale tijd Tijd
Gegevens met
betrekking tot de
tijd. Bijvoorbeeld
lokale tijd.
Lokale datum
AWA (schijnbare
windhoek)
Maximale AWA
Minimale AWA
AWS
Maximale AWS
Minimale AWS
TWA (ware
windhoek)
Maximale TWA
Minimale TWA
TWS (ware
windsnelheid)
Maximale TWS
Minimale TWS
TWD (ware
windrichting)
Kardinale wind
Grondwind
Beaufort
AWA en TWA
AWA & AWS
AWA (CH) en AWS
AWA en VMG
Wind
Gegevens met
betrekking tot de
wind. Bijvoorbeeld
VMG (Velocity
Made Good) naar
loefzijde.
330 a Series / c Series / e Series
Gegevenscatego-
rie Omschrijving Gegevensitem
Afbeeldingen gegevenstoepassing
TWA & TWS
TWA (CH) en TWS
TWA en VMG
GWD en Beaufort
GWD & GWS
Geen
Opmerking: *Regelaars en grasche weergaven zijn alleen beschikbaar in de gegevenstoepassing. Gegevensbalk- en
gegevenscellagen kunnen alleen digitale items weergeven.
Opmerking: **De accu-, motor-, brandstof- en tank-menu's geven 1 set gegevensitems per gecongureerd apparaat weer (bijv.
als het systeem is gecongureerd met 3 motoren, dan worden 3 sets motorgevensitems weergegeven).
Uw display aan uw wensen aanpassen
331
27.8 Menu systeeminstellingen
Met het menu Systeeminstellingen kunt u uw display en aangesloten externe apparaten congureren.
De volgende menu's zijn beschikbaar:
Menu-item Omschrijving Opmerkingen
Touch-vergrendeling Hiermee kunt u het touchscreen van een display met
alleen touchscreen vergrendelen wanneer het display is
gekoppeld met een toetsenbord op afstand.
Opmerking: Deze optie is niet beschikbaar voor
displays met alleen touchscreen wanneer er geen
toetsenbord op afstand is aangesloten.
Opmerking: Deze optie is niet beschikbaar voor
displays met fysieke knoppen.
AAN
UIT (standardwaarde)
Alarmmeldingen Hiermee kunt u de verschillende soorten
alarmmeldingen die door het display en aangesloten
apparaten worden gegenereerd congureren.
Brandstofmanager Geeft de brandstofmanagerpagina weer
Stuurautomaat-bedienunits Hiermee wordt het dialoogvenster Stuurautomaatbedie-
ning weergegeven.
Deze optie is alleen beschikbaar wanneer er een
Raymarine stuurautomaat is gedetecteerd op uw
systeem en Stuurautomaatbediening is ingesteld op
Aan.
Stuurautomaatrespons
Hiermee kunt u het niveau van de stuurautomaatrespons
selecteren wanneer aangesloten op een
Evolution-stuurautomaat.
Opmerking: Stuurautomaatrespons is niet
beschikbaar op SPX- en SeaTalk-stuurautomaten.
Vrijetijd
Kruisen
Prestaties
Audio-regelaars
Geeft het pop-upvenster van de audio-regelaars weer.
Opmerking: Niet beschikbaar op displays zonder
touchscreen.
Is alleen beschikbaar wanneer aangesloten op een
audio-apparaat via Bluetooth.
Grondreis resetten Zet de geselecteerde afstandsteller van Grondreis op
nul.
Systeeminstellingen
Hiermee kunt u de instellingen van externe apparaten
die op het display zijn aangesloten congureren.
Onderhoud Hier wordt diagnose-informatie gegeven. U kunt hier
ook de datamaster toewijzen en de fabrieksinstellingen
van het display terugzetten.
332 a Series / c Series / e Series
Menu 'Alarmmeldingen'
Menu-item Omschrijving Opties
MOB-gegevenstype Bepaalt of Positie- of Gegist bestek-gegevens worden weergegeven.
Uitgaande van een situatie waarin uw schip en de MOB onderhevig
zijn aan dezelfde getijde- en windeffecten geeft de instelling 'Gegist
bestek' een meer nauwkeurige koers.
Gegist bestek
Positie (standardwaarde)
Wekker Wanneer deze is ingesteld op Aan, dan wordt een alarmmelding
gegenereerd op het tijdstip dat u hebt gespeciceerd voor de instelling
Wekkertijd.
Wekker
Uit (standardwaarde)
Aan
Wekkertijd
00:00 (standardwaarde)
00:01 tot 24:00 uur
Ankerdrift Wanneer dit is ingesteld op Aan, dan wordt het Ankerdrift-alarm
gegenereerd wanneer uw schip meer dan de door u voor de instelling
'Ankerdriftbereik' ingevoerde afstand afdrijft van uw ankerpositie.
Ankerdrift
Uit (standardwaarde)
Aan
Ankerdriftbereik
0,01 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
Countdowntimer
Wanneer deze is ingesteld op Aan, dan wordt de tijd teruggeteld voor
de periode die u hebt gespeciceerd voor de Timertijdinstelling en
wordt een alarm gegenereerd wanneer de teller op nul komt.
Countdowntimer
Uit (standardwaarde)
Aan
Timertijd
00u00m (standardwaarde)
00u01m tot 99u59m
AIS-objecten
Wanneer dit is ingesteld op Aan, dan is het alarm voor gevaarlijke
objecten ingeschakeld. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer er
een werkende AIS-ontvanger is aangesloten. Raadpleeg de sectie
over AIS voor meer informatie.
Gevaarlijke objecten
Aan (standardwaarde)
Uit
Motoralarmmeldingen Wanneer dit is ingesteld op Aan, worden alarmmeldingen van
aangesloten motormanagementsystemen weergegeven op het
multifunctionele display.
Motoralarmmeldingen
Aan (standardwaarde)
Uit
Fishnder diep
Als deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm gegenereerd
wanneer de dieptewaarde hoger wordt dan de door u gespeciceerde
waarde. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer een sonarmodule
is gedetecteerd.
Opmerking: De limiet voor het 'Fishnder diepte'-alarm kan
niet lager worden ingesteld dan de Ondieptelimiet.
Fishnder diep
Uit (standardwaarde)
Aan
Dieptelimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Fishnder ondiep
Als deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm gegenereerd
wanneer de dieptewaarde lager wordt dan de door u gespeciceerde
waarde. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer een sonarmodule
is gedetecteerd.
Opmerking: De limiet voor het shnder ondiepte-alarm kan
niet hoger worden ingesteld dan de limiet voor diepte.
Fishnder ondiep
Uit (standardwaarde)
Aan
Ondieptelimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Vis Als het visalarm en de visdieptelimieten zijn ingesteld op Aan,
dan wordt een waarschuwingssignaal gegenereerd wanneer een
object overeenkomt met het gevoeligheidsniveau en binnen de door
u gespeciceerde Ondiepte-vislimiet en Diepte-vislimiet valt. De
volgende items zijn beschikbaar in het submenu:
Vis schakelt het visalarm aan en uit.
Visgevoeligheid als het visalarm is ingeschakeld wordt een
alarm gegenereerd wanneer de visterugkeersterkte de door u
gespeciceerde gevoeligheid bereikt.
Visdieptelimieten schakelt de dieptelimieten aan en uit.
Ondieptevislimiet speciceert de onderste waarde voor de
visalarm-dieptelimiet.
Vis
Uit (standardwaarde)
Aan
Visgevoeligheid
1 tot 10
Visdieptelimieten
Aan
Uit (standardwaarde)
Ondieptevislimiet
Uw display aan uw wensen aanpassen
333
Menu-item Omschrijving Opties
Dieptevislimiet speciceert de bovenste waarde voor de
visalarm-dieptelimiet.
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Dieptevislimiet
2 ft (of vergelijkbare eenheden) tot het
maximum van het transducerbereik
Brandstofmanager Met de alarmopties voor de brandstofmanager kunt u de alarmmelding
voor laag brandstofpeil aan of uit schakelen en het niveau speciceren
waarop het alarm wordt gegenereerd.
Laag brandstofpeil
Aan
Uit (standardwaarde)
Brandstofpeil
0 tot 99999
Bewakingszone
De bewakingszonefunctie van de radartoepassing genereert een
alarm wanneer een object zich binnen een gespeciceerde zone
bevindt. U kunt de gevoeligheid van het alarm aanpassen. Zorg
ervoor dat de gevoeligheid niet te laag is ingesteld, anders kunnen
objecten worden gemist en wordt er geen alarm gegenereerd.
Bewakingszonegevoeligheid
1% tot 100%
Uit koers Wanneer deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt tijdens actieve
navigatie een alarm gegenereerd wanneer uw schip een grotere
koersafwijking heeft dan door u aangegeven in de XTE-instelling.
Uit koers-alarm
Uit (standardwaarde)
Aan
Uit koers XTE
0,01 tot 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
Watertemperatuur Wanneer deze optie is ingesteld op Aan, dan wordt een alarm
gegenereerd wanneer de watertemperatuur gelijk of lager is dan de
door u gespeciceerde limiet voor Onderste temperatuurlimiet of
gelijk of hoger is dan de door u gespeciceerde limiet voor Bovenste
temperatuurlimiet.
Watertemperatuur
Uit (standardwaarde)
Aan
Onderste temperatuurlimiet
60 graden fahrenheit (of vergelijkbare
eenheden)
–09,9 tot +99,7 graden fahrenheit (of
vergelijkbare eenheden)
Bovenste temperatuurlimiet
75 graden fahrenheit (of vergelijkbare
eenheden)
–09,7 tot +99,9 graden fahrenheit (of
vergelijkbare eenheden)
Aankomst waypoint Wanneer u op een waypoint aankomt, wordt een alarm gegenereerd.
Met deze instelling kunt u de afstand speciceren vanaf het
bestemmingswaypoint waarop het alarm wordt gegenereerd. De
eenheden voor deze instelling zijn gebaseerd op de eenheden die u
speciceert voor de afstand in het menu Instellingen eenheden.
0,01 tot 9,99 nm (of vergelijkbare eenheden)
334 a Series / c Series / e Series
Menu Grondreis resetten
Met dit menu kunt u de gekozen grondreis-afstandsteller op nul zetten.
Menu-item Omschrijving
Grondreis 1 resetten Zet de afstandsteller van Grondreis 1 op nul.
Grondreis 2 resetten Zet de afstandsteller van Grondreis 2 op nul.
Grondreis 3 resetten Zet de afstandsteller van Grondreis 3 op nul.
Grondreis 4 resetten Zet de afstandsteller van Grondreis 4 op nul.
Menu Systeeminstellingen
Menu-item Omschrijving Opties
Stuurautomaatbe-
diening
Schakelt de stuurauto-
maatbedieningen van
uw multifunctionele dis-
play aan en uit.
Aan
Uit
DSC-
waarschuwingen
Schakelt DSC-
radiowaarschuwingen
op uw multifunctionele
display aan en uit.
Aan
Uit
GPS-instellingen
Bevat opties voor
GPS-instellingen.
Satellietstatus
bekijken
Differentiële GPS
COG/SOG-lter
GPS herstarten
Interne GPS Schakelt de interne GPS
van het multifunctionele
display Aan of Uit.
Opmerking: De
optie interne GPS is
niet beschikbaar
voor het e165
multifunctionele
display.
Aan
Uit
Gegevensbronnen
Hiermee kan de
voorkeur voor de
gegevensbronnen voor
aangesloten apparatuur
worden geselecteerd.
Opmerking:
Het menu
Gegevensbronnen
is alleen beschikbaar
op displays die
zijn ingesteld als
Datamaster.
GPS
GPS-datum
Tijd en datum
Heading
Diepte
Snelheid
Wind
Externe apparaten Hiermee kunnen
compatibele extern
aangesloten apparaten
worden ingesteld.
Raadpleeg de sectie
Menu externe apparaten
van deze handleiding.
Draadloze
verbindingen
Hiermee krijgt u toegang
tot de verbindingsopties
voor Wi-Fi en Bluetooth.
Raadpleeg de sectie
Menu draadloze
verbindingen van de
handleiding.
NMEA-instellingen Hiermee kunt u de
instellingen voor
NMEA-apparaten
congureren.
Raadpleeg de
sectie Menu
NMEA-instellingen van
de handleiding.
Menu-item Omschrijving Opties
Systeemvoorkeu-
ren
Hiermee kunt u de
systeeminstellingen
congureren
Raadpleeg de
sectie Menu
systeemvoorkeuren
van deze handleiding.
Simulator Schakelt de
simulatormodus Aan
of Uit.
Uit
Aan
Aan (Demo-lm)
GPS-instellingen
Met de opties voor GPS-instellingen kunt u een GPS-ontvanger
congureren.
Het Global Positioning System (GPS) wordt gebruikt om
de plaats van uw schip op de kaart te bepalen. U kunt uw
GPS-ontvanger instellen en de status ervan controleren via
de optie GPS-status in het menu Systeeminstellingen. Voor
iedere gevolgde satelliet wordt op het scherm de volgende
informatie weergegeven:
Satellietnummer.
Balk met signaalsterkte.
Status.
Azimuth-hoek.
Elevatiehoek.
Een luchtweergave waarop de positie van de gevolgde
satellieten wordt weergegeven.
D
12204-1
61
4
2
3
5
Nummer Omschrijving
1
Sky view (Luchtweergave) een visuele representatie
van de positie van gevolgde satellieten.
2
Satellite status (Satellietstatus) toont de signaalsterkte
en de status van iedere satelliet die is geïdenticeerd in de
luchtweergave links van het scherm. De gekleurde balken
hebben de volgende betekenissen:
Grijs = zoeken naar satelliet.
Groen = satelliet in gebruik.
Oranje = satelliet volgen.
Uw display aan uw wensen aanpassen
335
Nummer Omschrijving
3
Horizontal Dilution of Position (HDOP) een maat van
GPS-nauwkeurigheid, berekend aan de hand van een aantal
factoren waaronder satellietgeometrie, systeemfouten in de
datatransmissie en systeemfouten in de GPS-ontvanger.
Een hoger getal staat voor een grotere fout in de
positie. GPS-ontvangers hebben normaal gesproken een
nauwkeurigheid van 5 tot 15 m. Als voorbeeld gaan we uit
van een GPS-ontvangerfout van 5 m, in dat geval staat
een HDOP van 2 voor een fout van ongeveer 15 m. Denk
eraan dat een zeer laag HDOP-getal NIET garandeert dat uw
GPS-ontvanger een nauwkeurige positie weergeeft. In geval
van twijfel controleert u de weergegeven scheepspositie in
de kaarttoepassing aan de hand van uw feitelijke afstand tot
een bekend object op de kaart.
Geschatte horizontale positiefout (EHPE) een
meeteenheid van GPS-nauwkeurigheid, dit geeft aan dat
uw positie zich 67% van de tijd binnen een cirkel van de
opgegeven omvang bevindt.
4
Fix-status geeft de modus aan die de GPS-ontvanger
rapporteert (Geen x, Fix, D-x of SD-x).
5
Modus de op dat moment door de GPS-ontvanger
geselecteerde modus.
6
Datum de datuminstelling van de GPS-ontvanger
is van invloed op de nauwkeurigheid van de
scheepspositie-informatie die wordt weergegeven in de
kaarttoepassing. Om ervoor te zorgen dat uw GPS-ontvanger
en multifunctionele display nauwkeurig overeenkomen met
uw papieren kaarten, dienen ze dezelfde datum te gebruiken.
De nauwkeurigheid van de GPS-ontvanger hangt af van de
hierboven beschreven parameters, in het bijzonder de azimuth-
en elevatiehoeken, die voor een driehoeksbepalingen worden
gebruikt om uw positie te berekenen.
Overzicht Multipele gegevensbronnen (MDS)
Installaties met meerdere gegevensbronnen kunnen
gegevensconicten veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een
installatie met meer dan één bron met GPS-gegevens.
MDS helpt u bij het beheren van conicten met de volgende
soorten gegevens:
GPS-positie.
Koers.
Diepte.
Snelheid.
Wind.
Normaal gesproken wordt deze handeling uitgevoerd tijdens
de eerste installatie, of wanneer nieuwe apparatuur wordt
toegevoegd.
Als deze handeling NIET is uitgevoerd, dan probeert het
systeem automatisch gegevensconicten op te lossen. Dit kan
er echter toe leiden dat het systeem een gegevensbron kiest
die u niet wilt gebruiken.
Als MDS beschikbaar is, kan het systeem een lijst geven
met de beschikbare gegevensbronnen waaruit u de bron van
uw voorkeur kunt selecteren. MDS is alleen beschikbaar
als alle producten in het systeem dat de bovengenoemde
gegevensbronnen MDS-compliant zijn. Het systeem kan een
lijst geven met producten die NIET compliant zijn. Het kan nodig
zijn de software van deze niet-compliant producten te upgraden,
om ze compliant te maken. Bezoek de Raymarine-website
(www.raymarine.com) voor de meest recente software voor uw
producten. Als er geen MDS-compliant software beschikbaar
is en u wilt NIET dat het systeem automatisch probeert
gegevensconicten op te lossen, kunnen alle niet-compliant
producten worden verwijderd of vervangen zodat het hele
systeem MDS-compliant is.
336 a Series / c Series / e Series
Gegevensbronnenmenu
Met dit menu kunt u de externe sensoren en apparaten selecteren die de gegevens leveren aan het display.
Automatische / handmatige selectie
Met een dialoogvenster kunt u de gegevensbron van uw voorkeur bekijken en selecteren. De gegevensbron kan handmatig of
automatisch worden geselecteerd:
Automatisch het display selecteert automatisch een apparaat en probeert eventuele gegevensconicten in het geval van
meer dan één gegevensbron voor die bepaalde gegevensbron op te lossen (bijvoorbeeld meerdere GPS-ontvangers).
Handmatig nadat het display een zoekactie heeft uitgevoerd naar aangesloten apparaten, kunt u uw voorkeursapparaat
handmatig selecteren in de lijst.
Opmerking: Wanneer u kiest voor de optie Automatisch kan het systeem een gegevensbron kiezen die u niet wilt gebruiken.
Apparaatselectie
Menu-item Omschrijving
GPS Hiermee kunt u zoeken naar extern aangesloten GPS-apparaten en kiezen welke u wilt
gebruiken.
GPS-datum Om ervoor te zorgen dat uw GPS-ontvanger en multifunctionele display nauwkeurig
overeenkomen met uw papieren kaarten, dienen ze dezelfde datum te gebruiken. Met deze
optie kunt u de gegevensbron voor deze datum kiezen.
Tijd en datum
Hiermee kunt u het apparaat selecteren dat u wilt gebruiken voor de tijd- en datuminformatie
die door het display wordt gebruikt.
Koers Hiermee kunt u het apparaat selecteren dat u wilt gebruiken voor koersgegevens.
Diepte Hiermee kunt u het apparaat selecteren dat u wilt gebruiken voor dieptegegevens.
Snelheid
Hiermee kunt u het apparaat selecteren dat u wilt gebruiken voor snelheidsgegevens.
Wind Hiermee kunt u het apparaat selecteren dat u wilt gebruiken voor windgegevens.
Uw display aan uw wensen aanpassen
337
Menu Externe apparaten
Met dit menu kunt u de externe apparaten die op het display zijn aangesloten congureren.
Menu-item Omschrijving Opmerkingen
Instellingen stuurautomaat Wanneer aangesloten op een Evolution-
stuurautomaat kunt u met deze optie de
stuurautomaatbediening en de stuurautomaatbalk
in- en uitschakelen. U kunt ook bepaalde
instellingen en modi voor de stuurautomaat
openen.
Instellingen Fishnder
Hiermee kunt u een externe transducer selecteren
en de opties van de unit congureren, bijvoorbeeld
de dieptecorrectie. U kunt ook de opties van een
interne of externe sonarmodule congureren.
Voor een uitleg van deze opties raadpleegt u de
opties van het Transducer-instellingenmenu in de
Fishnder-sectie van dit document.
Instellingen radar Hiermee kunt u aanpassingen doorvoeren voor
de radarscanner, zoals de afstemming aanpassen
en de uitzendtijd.
Voor een uitleg van deze opties raadpleegt u
de opties van het radarinstellingenmenu in de
Radar-sectie van dit document.
Instellen AIS-unit Hiermee kunt u extra functies van AIS-units
congureren, zoals stille modus. Dit menu-item
is alleen beschikbaar wanneer een AIS-unit is
gedetecteerd of wanneer de Simulator-modus Aan
is.
Voor een uitleg van deze opties raadpleegt u de
opties van het AIS-menu in de AIS-sectie van dit
document.
Afstandsbediening Hiermee kunt u bepaalde bedieningsfuncties van
de Raymarine Bluetooth-afstandsbedieningen
aanpassen (bijvoorbeeld RCU-3).
Voor een uitleg van deze opties raadpleegt u de
sectie Afstandsbediening van dit document.
Instellen transducers Toont een lijst van aangesloten transducers die u
kunt selecteren en kalibreren.
Weerinstellingen Hiermee kunt u de bus selecteren waarop uw
weerontvanger is aangesloten:
SeaTalk
hs
SeaTalk
ng
Instellen schakelpaneel
Hiermee kunt u conguratiebestanden voor
het schakelpaneel installeren of de installatie
ongedaan maken.
Extern toetsenbord
Hiermee kunt u toetsenborden op afstand
koppelen of ontkoppelen.
Motoren instellen
Hiermee kunt u de motoridenticatiewizard
uitvoeren
Voor een uitleg van deze opties raadpleegt u de
sectie Motoridenticatiewizard van dit document.
338 a Series / c Series / e Series
Verbindingenmenu
Met dit menu kunt u draadloze Bluetooth- en WiFi-apparaten aansluiten op het display.
Menu-item Omschrijving Opties
Bluetooth
Bluetooth op het display in- of uitschakelen.
Aan
Uit (standardwaarde)
WiFi
WiFi op het display in- of uitschakelen.
Aan
Uit (standardwaarde)
Verbindingsbeheer Toont een lijst met Bluetooth-apparaten binnen bereik.
Wanneer u een verbinding in de lijst markeert en op OK druk,
zijn de volgende opties beschikbaar:
Ontkoppelen/vergeet dit apparaat verbreekt de
verbinding met het apparaat en verwijdert hem uit de lijst
met verbindingen. Als u een apparaat op deze manier
ontkoppelt, dient u het apparaat opnieuw te koppelen als
u hem opnieuw wilt verbinden met het multifunctionele
display.
Audiobediening als deze optie Aan staat, kunt u
de audio van een compatibele draadloze mediaspeler
bedienen vanaf het multifunctionele display.
Ontkoppelen/vergeet dit apparaat.
Audiobediening Aan/Uit.
Nieuwe Bluetooth-verbinding. Wanneer u dit menu-item selecteert wordt het
Bluetooth-koppelingsproces gestart. Dit is noodzakelijk
om een draadloze afstandsbediening of mediaspeler te
verbinden met het multifunctionele display.
WiFi-naam
Hiermee kunt u een SSID (WiFi-naam) speciceren
voor het verbinden van WiFi-apparaten met behulp van
een versleutelde verbinding. Als u wilt voorkomen dat
ongeautoriseerde apparaten verbinding maken met uw
display dient u dezelfde SSID te speciceren voor het
multifunctionele display en het draadloze apparaat dat u wilt
verbinden met het display.
WiFi-beveiliging
U kunt de WiFi-verbinding versleutelen op het multifunctionele
display om te voorkomen dat ongeautoriseerde apparaten
toegang krijgen tot de verbinding. Met dit menu-item kunt
u het type selecteren van de WPA-versleuteling (WiFi
Protected Access) dat u wilt gebruiken. WPA2 biedt een
sterkere beveiliging dan WPA.
Geen
Alleen WPA
Alleen WPA 2. (standardwaarde)
WPA/WPA2.
WiFi-wachtwoord
Hiermee kunt u een wachtwoord speciceren voor de
WiFi-verbinding. Als u wilt voorkomen dat ongeautoriseerde
apparaten verbinding maken met uw display dient u hetzelfde
wachtwoord te speciceren voor het multifunctionele display
en het draadloze apparaat dat u wilt verbinden met het
display.
WiFi-kanaal
Standaard selecteert het multifunctionele display automatisch
een beschikbaar WiFi-kanaal. Als u problemen hebt met
draadloze video-streaming, kan het nodig zijn handmatig een
WiFi-kanaal te speciceren voor zowel het multifunctionele
display als het apparaat waar u video naartoe wilt streamen.
1 (standardwaarde)
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Mobiele apps Hiermee kunt het gebruikte type mobiele app selecteren:
Alleen weergeven RayView
Afstandsbediening RayRemote of RayControl
Uit (standardwaarde)
Alleen weergeven
Afstandsbediening
Uw display aan uw wensen aanpassen
339
Menu NMEA-instellingen
Met dit menu kunt u de instellingen van NMEA-apparaten congureren.
Menu-item Omschrijving Opties
Bruggen van NMEA-heading Als dit is ingesteld op AAN worden de NMEA-
headinggegevens gebrugd naar de SeaTalk-gegevensbus
en wordt naar alle via NMEA aangesloten apparaten
verstuurd. Als dit is ingesteld op UIT worden de
NMEA-headinggegevens NIET gebrugd naar de
SeaTalk-bus. Deze instelling kan bijvoorbeeld worden
gebruikt wanneer MARPA wordt gebruikt met een snelle
koerssensor, in welk geval deze optie dient te worden
ingesteld op UIT om ervoor te zorgen dat alle via NMEA
aangesloten units gegevens ontvangen van de externe
headingsensor.
Aan
Uit (standardwaarde)
Instellingen NMEA-uitvoer
Hiermee kunt u de afzonderlijke NMEA-“regels” die door
het multifunctionele display worden verzonden naar alle
apparaten die zijn aangesloten via de NMEA-uitvoerpoort in-
en uitschakelen.
APB
BWC
BWR
DBT
DPT
GGA
GLL
GSA
GSV
MTW
MWV
RMA
RMB
RMC
RSD
RTE
TTM
VHW
VLW
VTG
WPL
ZDA
NMEA-invoerpoort 1
Hiermee kunt u de juiste poortsnelheid speciceren voor
de apparatuur die is aangesloten op NMEA-invoerpoort 1.
Gebruik de optie AIS 38400 voor AIS-ontvangers.
NMEA 4800
AIS 38400
NMEA-invoerpoort 2
Hiermee kunt u de juiste poortsnelheid speciceren voor
de apparatuur die is aangesloten op NMEA-invoerpoort 2.
Gebruik de optie AIS 38400 voor AIS-ontvangers.
NMEA 4800
AIS 38400
340 a Series / c Series / e Series
Menu systeemvoorkeuren
Menu-item Omschrijving Opties
Peilmodus Bepaalt hoe alle peiling- en headinggegevens worden
weergegeven. Dit heeft geen invloed op de manier waarop
kaart- of radardisplays worden opgebouwd.
Waar (standardwaarde)
Magnetisch
Variatiebron Deze instelling compenseert de natuurlijk optredende
verschuiving van het magnetische veld van de aarde.
Wanneer deze is ingesteld op Automatisch, compenseert het
systeem dit automatisch en geeft de compensatiewaarde
weer tussen haakjes. Om uw eigen compensatiewaarde in te
voeren gebruikt u de optie Handmatig, daarna speciceert u
de waarde met behulp van de instelling Handmatige variatie
(zie hieronder). Deze waarde wordt ook overgedragen naar
andere aangesloten Raymarine-instrumenten.
Automatisch (compensatiewaarde wordt
weergegeven) (standardwaarde)
Handmatig
Handmatige variatie Wanneer het menu-item Variatiebron is ingesteld op
Handmatig (zie hierboven), gebruikt u de instelling
Handmatige variatie om de compensatiewaarde te
speciceren die u wilt gebruiken.
Bereik: 0 tot 30 graden, oost of west
Systeemdatum Om ervoor te zorgen dat uw GPS-ontvanger en
multifunctionele display nauwkeurig overeenkomen met uw
papieren kaarten, moeten ze dezelfde datum gebruiken.
De standaard datum voor uw multifunctionele display
is WGS1984. Als dit niet de datum is die door uw
papieren kaarten wordt gebruikt, kunt u de datum van uw
multifunctionele display wijzigen.
Wanneer u de datum voor uw multifunctionele display wijzigt,
dan verplaatst het kaartrooster automatisch overeenkomstig
de nieuwe datum en de lengte-/breedtegraad van
de cartograsche functies veranderen eveneens.
Uw multifunctionele display probeert alle eventuele
GPS-ontvangers als volgt in te stellen op de nieuwe datum:
De interne GPS-ontvanger correleert automatisch op het
moment dat u de datum verandert.
Als u een Raymaring GPS-ontvanger heeft die SeaTalk of
SeaTalk
ng
gebruikt, dan zal hij iedere keer dat u de datum
verandert op uw multifunctionele display automatisch
correleren.
Als u een Raymarine GPS-ontvanger heeft die NMEA
0183 gebruikt, of een GPS-ontvanger van een andere
fabrikant, dan dient u deze afzonderlijk te correleren.
Het kan mogelijk zijn uw multifunctionele display te gebruiken
om een NMEA 0183 GPS-ontvanger te correleren. Ga in
het home-venster naar Instellingen > Systeeminstellingen
> GPS-instellingen > Weergave satellietstatus. Als de
datumversie wordt weergegeven, kunt u deze wellicht
veranderen. Ga in het home-venster naar Instellingen >
Systeeminstellingen > Gegevensbronnen > GPS-datum.
Opmerking: Raymarine adviseert u de weergegeven
scheepspositie in de kaarttoepassing te controleren
aan de hand van uw feitelijke afstand tot een bekend
object op de kaart. GPS heeft normaal gesproken een
nauwkeurigheid van 5 tot 15 m.
Uw display aan uw wensen aanpassen
341
Onderhoudsmenu
In dit menu kunt u de systeeminstellingen resetten en diagnosegegevens bekijken.
Menu-item Omschrijving Opties
Uitlijning touchscreen Als het Touchscreen niet goed is uitgelijnd met uw aanraking
kunt u het opnieuw uitlijnen om de nauwkeurigheid te
verbeteren. Voor het opnieuw uitlijnen hoeft u alleen een
object op het scherm uit te lijnen met uw aanraking. Voor de
beste resultaten kunt u dit het beste doen wanneer uw schip
voor anker of aangemeerd ligt.
Opmerking: Het uitlijnen van het touchscreen is niet
nodig voor Nieuwe c-serie displays.
Datamaster Ieder systeem met meer dan één via een netwerk
aangesloten multifunctioneel display moet een datamaster
toegewezen hebben gekregen. De datamaster is het display
dat fungeert als primaire gegevensbron voor alle displays,
het handelt ook alle externe informatiebronnen af.
Resetten systeeminstellingen Met deze optie worden de menu-opties, gegevenspagina's
en gegevensbalkinstellingen gereset naar de
fabrieksinstellingen. Het heeft GEEN effect op uw waypoints,
routes of trackgegevens.
Ja
Nee
Resetten systeeminstellingen en
gegevens
Naast het resetten van hierboven genoemde instellingen
kunt u ook een reset uitvoeren van de instellingen en de
gegevens, daardoor worden ook ALLE waypoints, routes
en trackgegevens verwijderd.
Ja
Nee
Diagnose
Diagnose geeft gedetailleerde informatie over het
multifunctionele display en de aangesloten apparaten.
Deze informatie bevat onder andere de serienummers van
producten, softwareversie en netwerkstatus. Wanneer u het
menu-item Diagnose selecteert, scant het multifunctionele
display alle aangesloten apparaten en kunt u het product
selecteren dat u wilt bekijken. U kunt de diagnosegegevens
ook opslaan op een geheugenkaart. Dit is met name
handig wanneer u in het geval van een technisch
probleem gedetailleerde informatie wilt versturen naar
Raymarine-klantenservice.
Met de optie Interfaces kunt u de statistieken en de
bufferinformatie voor NMEA 0183-poorten 1 en 2 en
SeaTalk
ng
bekijken.
Met de Sirius-opties kunt u ontvangen berichten, geheugen
en fouten bekijken.
Selecteer apparaat
Sirius
Loggegevens opslaan
Loggegevens wissen
Interfaces
342 a Series / c Series / e Series
Diagnose-menu
Als u problemen ondervindt met uw multifunctionele display of randapparatuur kunt u het Diagnose-menu gebruiken om informatie
te bekijken over uw apparaat en aangesloten apparatuur.
Selecteer apparaat
Hiermee kunt u de lijst bekijken met apparaten die zijn
aangesloten op het SeaTalk
hs
-netwerk.
U kunt ook een item in de lijst selecteren voor meer
gedetailleerde informatie over dat apparaat.
Apparaat
Serienr.
Netwerk
Software
Sirius Wanneer aangesloten op een Sirius-weerontvanger
kunt u met deze optie de Sirius-weerstatistieken
bekijken.
Loggegevens opslaan Hiermee kunt u logbestanden maken van
foutmeldingen opslaan op een SD-kaart ten behoeve
van probleemoplossing.
Loggegevens wissen Wanneer u deze optie selecteert, worden
crashlogbestanden op het apparaat gewist.
Interfaces Hiermee kunt u de statistieken bekijken en de buffers
van NMEA-invoer en de SeaTalk
ng
-bus bekijken en
opslaan.
Op multifunctionele displays met meerdere
geheugenkaartsleuven kunt u ook selecteren
naar welke geheugenkaartsleuf de buffer wordt
opgeslagen.
NMEA 1
NMEA 2
SeaTalk
ng
Bestand opslaan
Uw display aan uw wensen aanpassen
343
344 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 28: Uw display onderhouden
Inhoudsopgave
28.1 Service en onderhoud op pagina 346
28.2 Reinigen op pagina 346
Uw display onderhouden
345
28.1 Service en onderhoud
Dit product bevat geen onderdelen die door de gebruiker
kunnen worden onderhouden. Alle onderhouds- en
reparatiewerkzaamheden dienen door goedgekeurde
Raymarine-dealers te worden uitgevoerd. Ongeautoriseerde
reparaties kunnen gevolgen hebben voor uw garantie.
Routinecontroles apparatuur
Raymarine adviseert nadrukkelijk een aantal routinecontroles uit
te voeren om te zorgen voor correcte en betrouwbare werking
van uw apparatuur.
Voer de volgende controles regelmatig uit:
Onderzoek alle kabels op tekenen van beschadigingen of
slijtage.
Controleer of alle kabels correct aangesloten zijn.
28.2 Reinigen
Goed reinigingsgewoontes.
Als u dit product reinigt:
Veeg het displayscherm NIET af met een droge doek,
aangezien dit krassen kan veroorzaken op de coating.
Gebruik GEEN schurende of op zuren of ammonia gebaseerde
producten.
Gebruik GEEN hogedrukspuit.
De displaybehuizing reinigen
Het display is een gesloten unit en hoeft niet regelmatig
worden schoongemaakt. Wanneer de unit toch moet worden
schoongemaakt, volgt u de volgende procedure:
1. Schakel de voeding naar het display uit.
2. Veeg het display af met een schone, zachte doek (een
microvezeldoek is ideaal).
3. Gebruik wanneer nodig een mild schoonmaakmiddel om
vetvlekken te verwijderen.
Opmerking: Gebruik GEEN oplosmiddelen of
reinigingsmiddelen om het scherm zelf schoon te maken.
Opmerking: In bepaalde omstandigheden kan zich condens
vormen op de binnenkant van het displayscherm. Dit is niet
schadelijk voor de unit en kan worden opgelost door het
display voor korte tijd in te schakelen.
Het displayscherm reinigen
Op het displayscherm is een coating aangebracht. Dit maakt
het waterafstotend en voorkomt schittering. Om beschadiging
van deze coating te voorkomen, dient u de volgende procedure
te volgen:
1. Schakel de voeding naar het display uit.
2. Spoel het scherm af met water om alle vuildeeltjes en
zoutafzetting te verwijderen.
3. Laat het scherm aan de lucht drogen.
4. Als er vlekken achterblijven, veegt u het scherm heel
voorzichtig af met een schoon microvezeldoekje (verkrijgbaar
bij opticiens).
De zonnekap reinigen
De meegeleverde zonnekap heeft een klevend oppervlak. In
bepaalde omstandigheden kan zich ongewenste vervuiling op
dit oppervlak vasthechten. Om beschadiging van de monitor te
voorkomen, dient u de zonnekap regelmatig te reinigen volgens
de onderstaande procedure:
1. Verwijder de zonnekap voorzicht van het display.
2. Spoel de zonnekap af met water om alle vuildeeltjes en
zoutafzetting te verwijderen.
3. Laat de zonnekap aan de lucht drogen.
346 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 29: Probleemoplossing
Inhoudsopgave
29.1 Probleemoplossing op pagina 348
29.2 Probleemoplossing inschakelen op pagina 349
29.3 Probleemoplossing radar op pagina 350
29.4 Probleemoplossing GPS op pagina 351
29.5 Probleemoplossing sonar op pagina 352
29.6 Probleemoplossing thermische camera op pagina 353
29.7 Probleemoplossing systeemgegevens op pagina 354
29.8 Probleemoplossing video op pagina 355
29.9 Probleemoplossing WiFi op pagina 356
29.10 Probleemoplossing Bluetooth op pagina 357
29.11 Probleemoplossing Touchscreen op pagina 358
29.12 Uitlijning van het Touchscreen op pagina 359
29.13 Probleemoplossing diversen op pagina 360
Probleemoplossing
347
29.1 Probleemoplossing
De informatie over probleemoplossing geeft de mogelijke
oorzaken en oplossingen voor algemene problemen van
maritieme elektronicasystemen.
Alle Raymarine-producten worden, voordat ze worden
verpakt en uitgeleverd, onderworpen aan uitgebreide test- en
kwaliteitsprogramma's. Wanneer u toch problemen hebt met het
gebruik van uw product kan deze sectie u helpen de oorzaak
vast te stellen en problemen op te lossen zodat het product weer
normaal functioneert.
Als u nadat u deze sectie hebt geraadpleegd nog steeds
problemen hebt met uw unit, neem dan contact op met de
Technische ondersteuning van Raymarine voor advies.
348 a Series / c Series / e Series
29.2 Probleemoplossing inschakelen
Hier worden problemen met de inschakeling en de mogelijke oorzaken beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Controleer de desbetreffende zekeringen en stroomonderbrekers.
Controleer of de voedingskabel niet beschadigd is en of alle
aansluitingen vastzitten en vrij zijn van corrosie.
Het systeem (of een gedeelte daarvan)
start niet op.
Probleem met energievoorziening.
Controleer of de voedingsbron de juiste spanning heeft en voldoende
stroom.
Probleemoplossing
349
29.3 Probleemoplossing radar
Hier worden problemen met de radar en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Controleer of alle voedingskabels van de scanner in goede staat zijn en
dat alle verbindingen goed vastzitten en vrij zijn van corrosie.
Controleer de betreffende zekeringen en stroomonderbrekers.
Voeding radarscanner
Controleer of de voeding de juiste spanning en voldoende stroom levert
(indien van toepassing met voedingsmodule).
Controleer of de scanner correct is aangesloten op de
Raymarine-netwerkschakelaar of SeaTalk
hs
crossover-koppeling (welke
van toepassing is).
Controleer de status van de Raymarine-netwerkschakelaar.
SeaTalk
hs
/ RayNet-netwerkprobleem
Controleer of de SeaTalk
hs
/RayNet-kabels onbeschadigd zijn.
Verschillen in software tussen
apparaten kan ervoor zorgen dat
communicatie niet mogelijk is.
Neem contact op met Technische ondersteuning van Raymarine.
Bericht: Geen gegevens of Geen
scanner
De schakelaar op de scannervoetplaat
staat UIT
Zorg ervoor dat de schakelaar op de scannervoetplaat AAN staat.
De radar start niet op
(spanningscontrolemodule (VCM)
blijft in “slaapmodus”
Wegvallende of slechte
stroomverbinding
Controleer de voedingsaansluiting op de VCM. (Spanning bij invoer =
12 / 24V, spanning bij uitvoer = 40V)
De peiling van een object op het
radarscherm is onjuist.
De uitlijning van de radarpeiling dient te
worden gecorrigeerd.
Controleer de uitlijning van de radarpeiling en pas deze aan.
350 a Series / c Series / e Series
29.4 Probleemoplossing GPS
Hier worden problemen met de GPS en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Door de geograsche locatie of
weersomstandigheden is een satellietx
niet mogelijk.
Controleer regelmatig of er een x is ontvangen wanneer de
weersomstandigheden beter zijn of op een andere geograsche locatie.
Fout GPS-verbinding. Zorg ervoor dat de externe GPS-verbindingen en de kabels correct zijn
aangesloten en geen storingen veroorzaken.
Slechte positie van de externe
GPS-antenne.
Bijvoorbeeld:
Onderdeks.
In de nabijheid van zendapparatuur
zoals een VHF-radio.
Zorg ervoor dat de GPS-antenne een vrij zichtveld heeft naar de lucht.
Het GPS-statuspictogram “No Fix”
wordt weergegeven.
Probleem GPS-installatie.
Raadpleeg de installatie-instructies.
Opmerking: Het display beschikt over een GPS-statusscherm. Hier wordt de signaalsterkte en andere relevante informatie weergegeven.
Probleemoplossing
351
29.5 Probleemoplossing sonar
Hier worden problemen met de sonar en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Fout voeding naar unit.
Controleer de voeding en de kabels naar de unit.
Andere fout van de unit.
Raadpleeg de instructies van de unit.
Controleer of de unit correct is aangesloten op een Raymarine-netwerk
SeaTalk
hs
-schakelaar of crossover-koppeling (welke van toepassing is).
Controleer de status van de Raymarine-netwerkschakelaar (wanneer
van toepassing).
SeaTalk
hs
/ RayNet-netwerkprobleem.
Controleer of de SeaTalk
hs
/ RayNet-kabels onbeschadigd zijn.
Sonargegevens niet beschikbaar op
multifunctioneel display.
Verschillen in software tussen
apparaten kunnen ervoor zorgen dat
communicatie niet mogelijk is.
Neem contact op met Technische ondersteuning van Raymarine.
De instellingen voor signaalversterking
of frequentie kunnen ongeschikt zijn
voor de omstandigheden.
Controleer de echoloodinstellingen, signaalversterkingen en
frequentie-instellingen.
Fout voeding naar unit
Controleer de spanning van de voeding, als deze te laag is kan dat het
zendvermogen van de unit negatief beïnvloeden.
Fout in de unitkabel. Zorg ervoor dat de kabels voor voeding, transducer en alle andere
kabels naar de unit correct aangesloten en onbeschadigd zijn.
Controleer of de transducer correct is gemonteerd en schoon is.
Fout in transducer
Als u een op de spiegel gemonteerde transducer hebt, controleer dan of
de transducer niet is verschoven doordat het een object heeft geraakt.
Andere fout van de unit.
Raadpleeg de instructies van de unit.
Stilliggend schip
Visbogen worden niet weergegeven wanneer het schip stilligt, vis
verschijnt dan in rechte lijnen op het display.
Hoge scheepssnelheid De turbulentie rond de transducer kan de unit in de war brengen.
Problemen met dieptemetingen of het
sonarbeeld.
Scroll-snelheid is ingesteld op nul
Pas de scroll-snelheid aan
Fout schoepenwiel
Controleer of het schoepenwiel schoon is.
Er is geen snelheidscorrectie ingesteld Voeg snelheidscorrectie toe.
Incorrecte snelheidsmeting
Incorrecte kalibratie Herkalibreer de apparatuur
352 a Series / c Series / e Series
29.6 Probleemoplossing thermische camera
Hier worden problemen met de thermische camera en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Camera is in stand-by-modus. De camera speelt geen video af als hij in stand-bymodus staat. Gebruik
één van de cameraknoppen (de thermische camera-toepassing of JCU)
om de camera "wakker" te maken uit de stand-bymodus.
Probleem met de videoverbindingen
van de thermische camera.
Controleer of de videokabels van de thermische camera in orde zijn
en goed zijn aangesloten.
Zorg ervoor dat de video is aangesloten op video-ingang 1 op het
multifunctionele display of GVM.
Zorg ervoor dat de juiste video-ingang is geselecteerd op het display.
Video wordt niet weergegeven.
Probleem met de voeding van de
camera of JCU (wanneer gebruikt als
primaire besturing)
Controleer de voedingsaansluitingen naar de camera en de JCU
/ PoE-injector (indien gebruikt).
Zorg ervoor dat de aan/uit-schakelaar / stroomonderbreker aan staat.
Controleer de status van de zekering/stroomonderbreker.
Kan de thermische camera niet
besturen met het Raymarine display of
toetsenbord.
De toepassing van de thermische
camera is niet actief.
Zorg ervoor dat de toepassing van de thermische camera geactiveerd
is op het multifunctionele display (en dus niet de videotoepassing, die
heeft geen besturing voor de camera).
Controleer of de besturingseenheid en de thermische camera correct
zijn verbonden met het netwerk. (Opmerking: dit kan een directe
verbinding zijn, of via een Raymarine netwerkschakelaar.)
Controleer de status van de Raymarine-netwerkschakelaar.
Netwerkprobleem.
Controleer of de SeaTalk
hs
/RayNet-kabels onbeschadigd zijn.
Controleer of er conicten zijn, bijv.
veroorzaakt door meerdere gebruikers
op verschillende stations.
Zorg ervoor dat er niet op hetzelfde moment een andere
besturingseenheid wordt gebruikt.
Controleer de voedings-/netwerkkabel naar de besturingseenheid en de
PoE-injector (PoE alleen gebruikt met optionele Joystick-bediening).
De besturing reageert onregelmatig of
niet.
Probleem met de besturingseenheid.
Controleer eventueel andere beschikbare besturingseenheden. Als
andere besturingseenheden wel werken sluit dit de mogelijkheid van
een meer fundamentele camerastoring uit.
Camera staat niet in "dual
payload"-modus.
Alleen thermische camera's met “dual payload” (dubbele lens)
ondersteunen schakelen tussen VIS en IR.
Kan niet schakelen tussen thermisch en
zichtbaar (VIS/IR) videobeeld.
VIS-/IR-kabel niet aangesloten. Zorg ervoor dat de VIS-/IR-kabel is aangesloten tussen de camera
en het Raymarine-systeem. (De kabel voor alleen IR ondersteunt
schakelen tussen de modi niet).
Videokabel van slechte kwaliteit of
defect.
Zorg ervoor dat de videokabel niet langer is dan nodig. Hoe langer (of
hoe dunner) de kabel is, hoe meer signaal er verloren gaat. Gebruik
alleen afgeschermde kabels van hoge kwaliteit die geschikt zijn voor
een maritieme omgeving.
Onscherp beeld.
De kabel pikt elektromagnetische
interferentie (EMI) op van een ander
apparaat.
Zorg dat u een afgeschermde kabel van hoge kwaliteit gebruikt.
Zorg voor een goede scheiding van de kabels. Leg bijvoorbeeld
gegevens- en voedingskabels niet bij elkaar in de buurt.
De helderheid van het display is te laag
ingesteld.
Gebruik de helderheidsregelaars van het display om deze aan te
passen.
De instellingen van het contrast of
de helderheid in de toepassing van
de thermische camera zijn te laag
ingesteld.
Gebruik het betreffende menu in de toepassing van de thermische
camera om het contrast en de helderheid van het beeld aan te passen.
Beeld te licht of te donker.
De thema-modus is niet geschikt voor
de huidige omstandigheden.
In bepaalde omstandigheden kunt u beter een andere thema-modus
gebruiken. Een zeer koude achtergrond (zoals de lucht) kan er
bijvoorbeeld voor zorgen dat de camera een te breed temperatuurbereik
gebruikt. Gebruik de THEMA-knop.
Het beeld staat kort stil.
FFC (Flat Field Correction,
vlakveldcorrectie).
Het beeld pauzeert regelmatig voor een korte tijd tijdens de
vlakveldcorrectie (Flat Field Correction, FFC). Direct voor de FFC
verschijnt een klein groen vierkantje in de linker bovenhoek van het
scherm.
Het beeld is geïnverteerd (op zijn kop).
De instelling voor "Aarde beneden" van
de camera is niet correct.
Zorg ervoor dat "Aarde beneden" in de systeeminstellingen van de
thermische camera correct is ingesteld.
Probleemoplossing
353
29.7 Probleemoplossing systeemgegevens
Bepaalde aspecten van de installatie kunnen problemen veroorzaken met de gegevens die worden gedeeld tussen aangesloten
apparaten. Deze problemen, hun mogelijke oorzaken en oplossingen worden hier beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Controleer de bedrading en de aansluitingen van de gegevensbus (bijv.
SeaTalk
ng
).
Controleer de integriteit van de bedrading van de gegevensbus (e.g.
SeaTalk
ng
).
Het display ontvangt geen gegevens.
Raadpleeg eventueel de handleiding van de gegevensbus. (bijv. de
gebruikershandleiding van de SeaTalk
ng
)
Controleer de bron van de ontbrekende gegevens (bijv.
ST70-instrument- of -motorinterface).
Controleer de voeding van de SeaTalk-bus.
Gegevensbron (bijv ST70-instrument-
of -motorinterface) werkt niet.
Raadpleeg de handleiding van de fabrikant van de betreffende
apparatuur.
Instrument-, motor- of andere
systeemgegevens zijn niet beschikbaar
op alle displays.
Verschillen in software tussen
apparaten kunnen ervoor zorgen dat
communicatie niet mogelijk is.
Neem contact op met Technische ondersteuning van Raymarine.
Controleer of alle noodzakelijke apparatuur is aangesloten op het
netwerk.
Controleer de status van de Raymarine-netwerkschakelaar.
Netwerkprobleem
Controleer of de SeaTalk
hs
/ RayNet-kabels onbeschadigd zijn.
Instrument- of andere
systeemgegevens ontbreken op
sommige maar niet alle displays.
Verschillen in software tussen
apparaten kan ervoor zorgen dat
communicatie niet mogelijk is.
Neem contact op met Technische ondersteuning van Raymarine.
354 a Series / c Series / e Series
29.8 Probleemoplossing video
Hier worden problemen met de video-invoer en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Er verschijnt een melding met 'No
signal' (Geen signaal) op het scherm
(het beeld van de video wordt niet
weergegeven)
Fout in de kabel of de verbinding Controleer of alle verbindingen goed vastzitten en vrij zijn van corrosie.
Probleemoplossing
355
29.9 Probleemoplossing WiFi
Bepaalde aspecten van de installatie kunnen problemen veroorzaken met de gegevens die worden gedeeld tussen draadloze
apparaten. Deze problemen, hun mogelijke oorzaken en oplossingen worden hier beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Zorg ervoor dat WiFi is ingeschakeld op het multifunctionele display
(Home-venster: > Instellingen > Systeeminstellingen > Draadloze
verbindingen > WiFi > AAN).
Zorg ervoor dat de optie “WiFi” is ingeschakeld op de iPhone
(beschikbaar in het algemene menu van de telefooninstellingen).
Geen draadloze verbinding.
Er is geen draadloze verbinding
ingesteld tussen het tablet of de
smartphone en het multifunctionele
display.
Zorg ervoor dat de Raymarine-verbinding is geselecteerd als het
WiFi-netwerk. Als er een wachtwoord is gespeciceerd voor de
WiFi-verbinding van het multifunctionele display, zorg er dan voor dat u
hetzelfde wachtwoord invoert op de iPhone wanneer u daarom wordt
gevraagd.
Download de vereiste Raymarine-app in de betreffende app store.
De app “Raymarine Viewer” is niet
geïnstalleerd op de tablet/smartphone.
Start de Raymarine-app op uw apparaat.
Geen Raymarine-app op apparaat
Mobiele toepassingen zijn NIET
ingeschakeld op het multifunctionele
display.
Schakel “Alleen weergave” of “Afstandsbediening” in via
(Home-venster: > Instellingen > Systeeminstellingen > Draadloze
verbindingen > Mobiele apps).
Het apparaat is niet compatibel met de
Raymarine app
Aanbevolen apparaten:
iOS-apparaten = de beste resultaten worden bereikt met iPhone 4 of
hoger en iPad 2 of hoger.
Android/Kindle Fire = de beste resultaten worden bereikt met een
1GHz-processor en meer en versie 2.2.2. of hoger.
Raymarine app is erg langzaam of
werkt helemaal niet.
MFD-software is niet compatibel met de
mobiele toepassing
Zorg vervoor dat uw MFD de softwaretoepassing versie 3.15 of hoger
heeft.
Download de app “Navionics Marine” in de betreffende App Store.
De app “Navionics Marine” is niet
geïnstalleerd op de smartphone/tablet.
Start de “Navionics Marine”-app op het apparaat
Geen synchronisatie van
waypoints/routes met de Navionics
Marine app.
Kaarttoepassing draait niet op het
multifunctionele display.
Start de kaarttoepassing op het multifunctionele display.
Zwak of onderbroken WiFi-signaal. Er is interferentie van andere draadloze
apparatuur in de buurt.
Meerdere draadloze apparaten die tegelijkertijd aan staan (zoals
laptops, telefoons en andere draadloze apparaten) kunnen soms
conicten veroorzaken voor draadloze signalen. Schakel ieder
draadloos apparaat tijdelijk uit totdat u hebt vastgesteld welk apparaat
de interferentie veroorzaakt.
Smartphone/tablet kan geen verbinding
meer maken met het internet of e-mails
ontvangen na een Raymarine mobiele
app te hebben gebruikt.
Het apparaat is nog steeds verbonden
met het multifunctionele display.
Zorg ervoor dat het toegangspunt op uw apparaat is teruggezet naar uw
voorgaande toegangspunt (bijv. Wi-Fi in de haven).
356 a Series / c Series / e Series
29.10 Probleemoplossing Bluetooth
Bepaalde aspecten van de installatie kunnen problemen veroorzaken met de gegevens die worden gedeeld tussen draadloze
apparaten. Deze problemen, hun mogelijke oorzaken en oplossingen worden hier beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Zorg ervoor dat Bluetooth is ingeschakeld op het multifunctionele
display (Home-venster: > Instellingen > Systeeminstellingen >
Verbindingen > Bluetooth > Aan).
Zorg ervoor dat de optie "Bluetooth" ingeschakeld op de iPhone
(beschikbaar in het algemene menu van de telefooninstellingen
(Settings/General menu)).
Geen draadloze verbinding.
Er is geen Bluetooth-verbinding
ingesteld tussen iPhone en het
multifunctionele display.
Zorg ervoor dat het Bluetooth-apparaat is gekoppeld met het
multifunctionele display dat u hiermee wilt gebruiken. Daarvoor doet u
het volgende: Home-venster: > Instellingen > Systeeminstellingen
> Verbindingen > Nieuwe Bluetooth-verbinding.
De mediaspeler is niet compatibel met
Bluetooth 2.1+ EDR power class 1.5
(ondersteund proel: AVRCP 1.0) of
hoger.
Controleer de compatibiliteit met Bluetooth bij de fabrikant van het
apparaat. Als het apparaat niet compatibel is met Bluetooth 2.1+ EDR
power class 1.5 (ondersteund proel: AVRCP 1.0), dan is het niet
geschikt voor draadloos gebruik met het multifunctionele display.
Geen bediening voor de mediaspeler.
Audio-bediening is NIET ingeschakeld
op het multifunctionele display.
Zet Audio-bediening via (Home-venster: > Instellingen >
Systeeminstellingen > Verbindingen > Verbindingsmanager >
Bediening audio > op Aan).
Zwak of onderbroken Bluetooth-signaal. Er is interferentie van andere draadloze
apparaten in de buurt.
Meerdere draadloze apparaten die tegelijkertijd aan staan (zoals
laptops, telefoons en andere draadloze apparaten) kunnen soms
conicten veroorzaken voor draadloze signalen. Schakel ieder
draadloos apparaat tijdelijk uit totdat u hebt vastgesteld welk apparaat
de interferentie veroorzaakt.
Probleemoplossing
357
29.11 Probleemoplossing Touchscreen
Hier worden problemen met het Touchscreen en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Touch-vergrendeling is ingeschakeld.
Gebruik de Joystick om de touch-vergrendeling op het home-venster
uit te schakelen.
Het scherm wordt niet bediend met de
blote vingers, maar bijvoorbeeld met
handschoenen
U dient met blote vingers contact te maken met het scherm, anders
werkt het niet. U kunt ook geleidende handschoenen gebruiken.
Het Touchscreen dient te worden
gekalibreerd.
Gebruik de instellingenmenu's om het Touchscreen te kalibreren.
Touchscreen werkt niet zoals verwacht.
Zout water heeft zich afgezet op het
scherm.
Maak het scherm voorzichtig schoon en droog overeenkomstig de
instructies.
358 a Series / c Series / e Series
29.12 Uitlijning van het Touchscreen
Als het Touchscreen niet goed is uitgelijnd met uw aanraking kunt
u hem opnieuw uitlijnen om de nauwkeurigheid te verbeteren.
Voor het opnieuw uitlijnen hoeft u alleen een object op het
scherm uit te lijnen met uw aanraking. Voor de beste resultaten
kunt u dit het beste doen wanneer uw schip voor anker of
aangemeerd ligt.
Opmerking: Dit is alleen van toepassing op multifunctionele
displays met touchscreen.
Het touchscreen uitlijnen
Doe het volgende wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Onderhoud.
3. Selecteer Uitlijnen touchscreen.
4. Plaats uw vinger kort op het object op het scherm en haal
hem weer weg.
5. Herhaal de actie nog 3 keer.
6. Als de operatie is geslaagd wordt het bericht “Uitlijning
voltooid” weergegeven.
7. Selecteer Afsluiten om terug te keren naar het menu
Onderhoud.
8. Als de operatie niet is geslaagd tijdens het uitlijnen, wordt het
bericht “Onjuiste aanraking gedetecteerd" weergegeven en
de uitlijning wordt herhaald.
9. Na 2 mislukte uitlijningspogingen kan u worden gevraagd
een precisie-uitlijning uit te voeren.
Probleemoplossing
359
29.13 Probleemoplossing diversen
Hier worden diverse problemen en de mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
Probleem Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossingen
Controleer de betreffende zekeringen en stroomonderbrekers.
Controleer of alle voedingskabels in goede staat zijn en dat alle
verbindingen goed vastzitten en vrij zijn van corrosie.
Stroomvoorziening naar het display valt
soms weg.
Controleer of de voeding de juiste spanning en voldoende stroom levert.
Verkeerde software op het systeem
(upgrade nodig).
Ga naar www.raymarine.com en klik op support (ondersteuning) voor
de meest recente softwaredownloads.
Display gedraagt zich niet stabiel:
Frequente onverwachte resets.
Systeem crasht of ander instabiel
gedrag.
Corrupte gegevens / andere onbekende
kwestie.
Voer een reset naar de fabrieksinstellingen uit.
Belangrijk: Dit leidt tot het verlies van alle instellingen en
gegevens (zoals waypoints) die op het product zijn opgeslagen. Sla
alle belangrijke gegevens op een geheugenkaart op voordat u een
reset uitvoert.
360 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 30: Technische ondersteuning
Inhoudsopgave
30.1 Raymarine-klantenservice op pagina 362
30.2 Ondersteuning voor producten van andere fabrikanten op pagina 362
Technische ondersteuning
361
30.1 Raymarine-klantenservice
Raymarine biedt een uitgebreide klantenservice. U kunt contact
opnemen met de klantenservice via de Raymarine-website, per
telefoon en per e-mail. Als u niet in staat bent een probleem
op te lossen, kunt u één van deze faciliteiten gebruiken om
aanvullende hulp te krijgen.
Ondersteuning op het web
Bezoek de klantenservice op onze website op:
www.raymarine.nl
Deze bevat veel gestelde vragen, service-informatie,
e-mailtoegang tot de afdeling Raymarine Technical Support en
gegevens van Raymarine-agenten wereldwijd.
Telefonische en e-mail-ondersteuning
In de VS:
Tel: +1 603 324 7900
Gratis: +1 800 539 5539
E-mail: support@raymarine.com
In de UK, Europa en het Midden-Oosten:
Tel: +44 (0)13 2924 6777
E-mail: ukproduct.support@raymarine.com
In Zuidoos-Azië en Australië:
Tel: +61 (0)29479 4800
E-mail: aus.support@raymarine.com
Productinformatie
Mocht u service nodig hebben, houd dan de volgende
productinformatie bij de hand:
Naam product.
Soort product.
Serienummer.
Versienummer softwareapplicatie.
Systeemstroomschema's.
Deze productinformatie kunt u vinden met behulp van de menu's
in uw product.
Productinformatie bekijken
Wanneer u in het Home-venster bent:
1. Selecteer Instellingen.
2. Selecteer Maintanance (Onderhoud).
3. Selecteer Diagnostics (Diagnose).
4. Selecteer Select Device (Selecteer apparaat).
5. Selecteer het betreffende product in de lijst.
6. Selecteer Show All Data (Alle gegevens weergeven).
30.2 Ondersteuning voor producten
van andere fabrikanten
U kunt contactgegevens en informatie over ondersteuning voor
producten van andere fabrikanten terugvinden op de betreffende
websites.
Fusion
www.fusionelectronics.com
Navionics
www.navionics.com
Sirius
www.sirius.com
362 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 31: Technische specicaties
Inhoudsopgave
31.1 a-serie op pagina 364
31.2 c- en e-serie op pagina 366
Technische specicaties
363
31.1 a-serie
Fysieke specicaties a6x
Afmetingen Breedte: 163,57 mm (6,44 in)
Hoogte (ZONDER de beugel):
143,47 mm (5,65 in.)
Hoogte (met beugel): 162,72 mm
(6,41 in)
Diepte (ZONDER kabels): 74,1
mm
Diepte (met kabels): 167,5 mm
(6,6 in.)
Gewicht (kale unit) 0,715 kg (1,58 lbs)
Fysieke specicaties a7x
Afmetingen Breedte: 205,1 mm (8 in)
Hoogte (ZONDER beugel): 147,1 mm (5,8
in)
Hoogte (met beugel): 163,3 mm (6,4 in)
Diepte (ZONDER kabels): 73,6 mm (2,9 in)
Diepte (met kabels): 164,5 mm (6,48 in.)
Gewicht (kale unit) 0,715 kg (1,58 lbs)
Voedingsspecicatie a6x
Nominale voedingsspanning
12 VDC
Werkspanningsbereik
10,8 VDC tot 15,6 VDC
Zekering / stroomonderbrekers
Aanbevolen wordt een thermische
stroomonderbreker of zekering te
plaatsen in het distributiepaneel.
De juiste waarde voor de thermische
stroomonderbreker is afhankelijk
van het aantal apparaten dat u
aansluit. Wanneer u niet zeker
bent van de te gebruiken waarde
kunt u contact opnemen met een
geautoriseerde Raymarine-dealer
Opgenomen vermogen
Volledige helderheid
a65 / a65 Wi-Fi 8,6 W max
a67 / a67 Wi-Fi 12,2 W max
a68 / a68 Wi-Fi 10,6 W Max
Energiezuinige modus:
a65 / a65 Wi-Fi 3,8 W max
a67 / a67 Wi-Fi 7,4 W Max
a68 / a68 Wi-Fi 5,8 W Max
Opmerking: Het opgenomen
vermogen heeft betrekking op
een belast systeem en voor
modellen met sonar ook op een
actieve 600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg de
Seatalk
ng
-gebruikershandleiding
voor aanvullende informatie).
1
Voedingsspecicatie a7x
Nominale voedingsspanning
12 VDC
Werkspanningsbereik
10,8 VDC tot 15,6 VDC
Zekering / stroomonderbrekers
Aanbevolen wordt een thermische
stroomonderbreker of zekering te
plaatsen in het distributiepaneel.
De juiste waarde voor de thermische
stroomonderbreker is afhankelijk
van het aantal apparaten dat u
aansluit. Wanneer u niet zeker
bent van de te gebruiken waarde
kunt u contact opnemen met een
geautoriseerde Raymarine-dealer
Opgenomen vermogen
Volledige helderheid
a75 / a75 WiFi 9,1 W Max
a77 / a77 WiFi 12,7 W Max
a78 / a78 WiFi 11,1 W Max
Energiezuinige modus:
a75 / a75 WiFi 3,8 W Max
a77 / a77 WiFi 7,4 W Max
a78 / a78 WiFi 5,8 W Max
Opmerking: Het opgenomen
vermogen heeft betrekking op
een belast systeem en voor
modellen met sonar ook op een
actieve 600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg de
Seatalk
ng
-gebruikershandleiding
voor aanvullende informatie).
1
Omgevingsspecicatie
De onderstaande omgevingsspecicaties zijn van toepassing op
alle display-typen
Bedrijfstemperatuur -25ºC tot +55ºC (-13ºF tot 131ºF)
Opslagtemperatuur -30ºC tot +70ºC (-22ºF tot 158ºF)
Relatieve luchtvochtigheid
Maximaal 75%
Waterbestendigheidsclassicatie
IPX6 en IPX7
IPX6 (alleen e165)
Kijkhoek
000
000
000
000
000
00000
00000
00000
D
12576-1
C
D
A
B
a6x
a7x
A
60º 75º
B
60º 75º
C 60º 70º
D
50º 75º
Opmerking: De hierboven genoemde kijkhoeken zijn
vastgesteld op basis van internationaal erkende normen en
dienen alleen te worden gebruikt ter vergelijking. Installeer
het product NIET voordat u de zichtbaarheid op de gewenste
plaats hebt getest.
364 a Series / c Series / e Series
Specicatie a6x-display
Afmeting
5,7 inch
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
640 x 480 VGA
Verhouding 4:3
Maximaal toegestane aantal
verkeerd verlichte pixels
5
Specicatie a7x-display
Afmeting
7.0 inch
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
800 x 480 WVGA
Verhouding 16:9
Maximaal toegestane aantal
verkeerd verlichte pixels
6
Gegevensverbindingen
Verbindingen met kabels
NMEA 0183 2x NMEA 0183-poorten:
NMEA-poort 1: invoer en uitvoer, 4800 /
38400 baud
NMEA-poort 2: alleen invoer, 4800 /
38400 baud
Opmerking: NMEA 0183-aansluiting
is niet van toepassing op Nieuwe a-serie
multifunctionele displays.
Netwerk (SeaTalk
hs
)
Nieuwe a-serie, e7 en e7D = 1 x
SeaTalk
hs
-poort. 100 Mbits/s. Verbinding
RayNet-type.
Nieuwe c-serie en nieuwe e-serie
(exclusief e7 en e7D) = 2 x
SeaTalk
hs
-poort. 100 Mbits/s. Verbinding
RayNet-type.
SeaTalk
ng
1 x SeaTalk
ng
-verbinding
Draadloze verbindingen
WiFi
802.11 b / g
Opmerking: WiFi-verbinding is
alleen van toepassing op multifunctionele
displays met ingebouwde WiFi.
Bluetooth Bluetooth 2.1+ EDR power class 1.5
(ondersteund proel: AVRCP 1.0)
Specicatie interne GPS
De specicatie van de interne GPS is van toepassing op de
volgende multifunctionele displays: Nieuwe a-serie, Nieuwe
c-serie en Nieuwe e-serie (met uitzondering van de e165).
Kanalen 50
Koude start <2 minuten
Gevoeligheid ontvanger-IC
163 dBm-tracking
Satellite Based Augmenting
System (SBAS)
WAAS + EGNOS + MSAS
Bijzondere functies
Actieve storingsreductie
Bedrijfsfrequentie
1575,42 MHz
Signaalontvangst
Automatisch
Update almanak Automatisch
Geodetische datum WGS-84, alternatieven beschikbaar
via Raymarine-displays.
Update-snelheid 1 seconde
Antenne Keramische chip
Nauwkeurigheid
Zonder SBAS: <= 15 meter 95%
van de tijd
Met SBAS: <= 5 meter 95% van
de tijd
Specicatie interne sonar
De specicaties van de interne sonar zijn alleen van toepassing
op multifunctionele displays met sonar.
Bedrijfsfrequenties 50 / 83 / 200 KHz
Zendvermogen
Tot 600 W RMS, afhankelijk van de
transducer
Dieptebereik
Tot 3000 ft (900 m), afhankelijk van
de transducer
Specicaties Sonar/DownVision
Kanalen
2 x CHIRP (1 x sonar en 1 x DownVision)
Bereik van de
straal
Sonar conische straal.
DownVision brede (bak-/stuurboord) en dunne
(voor-/achtersteven) waaiervormige straal.
Diepte
Typische diepteprestatie van 189 m (600 ft). Heeft
betrekking op zowel Sonar- als DownVision-kanalen.
Specicatie elektronische cartograe
Geïntegreerde
elektronische cartograe
Wereldbasiskaart LightHouse-kaarten.
Wereldbasiskaart Navionics.
Compatibele
LightHouse-kaarten
Vector LightHouse-kaarten
Raster LightHouse-kaarten
Compatibele Navionics-
cartograekaarten
Navionics Ready to Navigate
Navionics Silver
Navionics Gold
Navionics Gold+
Navionics Platinum
Navionics Platinum+
Navionics Fish'N Chip
Navionics Hotmaps
Opmerking:
Raadpleeg de Raymarine-website (www.raymarine.nl) voor
de meest recente lijst met ondersteunde kaarten.
Technische specicaties
365
Conformiteitsspecicatie
De verklaring van conformiteit is van toepassing op alle
display-varianten
Conformiteit NMEA 2000-certicering
WiFi Alliance-certicering
Bluetooth-certicering
Europa: 1999/5/EC
Australië en Nieuw-Zeeland:
C-Tick, complianceniveau 2
FCC 47CFR deel 15
Industry Canada RSS210
31.2 c- en e-serie
e7 / e7D fysieke specicaties
Afmetingen Breedte: 233 mm (9,17 in.)
Hoogte (ZONDER de beugel):
145 mm (5,71 in.)
Hoogte (met beugel): 180 mm
(7,09 in.)
Diepte (ZONDER kabels): 64
mm (2,52 in.)
Diepte (met kabels): 160 mm
(6,92 in.)
Gewicht (kale unit)
e7
1,465 kg (3,23 lb.)
e7D
1,550 kg (3,42 lb.)
Gewicht (unit in verpakking)
e7
2,385 kg (5,26 lb.)
e7D
2,423 kg (5,34 lb.)
Fysieke specicaties e95 / e97 / c95 / c97
Afmetingen Breedte: 290 mm (11,42 in.)
Hoogte (ZONDER de beugel):
173 mm (6,81 in.)
Hoogte (met beugel): 212 mm
(8,35 in.)
Diepte (ZONDER kabels): 64
mm (2,52 in.)
Diepte (met kabels): 160 mm
(6,92 in.)
Gewicht (kale unit) e95 / c95
2,165 kg (4,77 lb.)
e97 / c97
2,265 kg (4,99 lb.)
Gewicht (unit in verpakking) e95 / c95
3,540 kg (7,8 lb.)
e97 / c97
3,635 kg (8 lb.)
Fysieke specicaties 125 / e127 / c125 / c127
Afmetingen Breedte: 354 mm (13,94 in.)
Hoogte (ZONDER de beugel):
222 mm (8,74 in.)
Hoogte (met beugel): 256 mm
(10,08 in.)
Diepte (ZONDER kabels): 69
mm (2,72 in.)
Diepte (met kabels): 160 mm
(6,92 in.)
Gewicht (kale unit) e125 / c125
3,320 kg (7,32 lb.)
e127 / c127
366 a Series / c Series / e Series
3,450 kg (7,6 lb.)
Gewicht (unit in verpakking) e125 / c125
4,955 kg (10,9 lb.)
e127 / c127
5,070 kg (11,18 lb.)
Fysieke specicaties e165
Afmetingen Breedte: 426 mm (16,8 in)
Hoogte (ZONDER de beugel): 281,4 mm
(11,1 in)
Hoogte (met beugel): 295 mm (11,6 in)
Diepte (ZONDER kabels): 68,4 mm (2,7
in.)
Diepte (met kabels): 176,6 mm (7 in.)
Gewicht (kale unit) 5,6 kg (12,3lb)
Specicatie e7 / e7D-voeding
Nominale voedingsspanning
12 VDC
Werkspanningsbereik
10,8 VDC tot 15,6 VDC
Zekering / stroomonderbrekers Inline zekering (geplaatst in de
voedingskabel)
7 A. (Standaard 20 mm
glaszekering)
Opgenomen vermogen
Volledige helderheid
e7 10 W
e7D 13,8 W
Energiezuinige modus:
e7 4,3 W
e7D 10,3 W
Opmerking: Het opgenomen
vermogen heeft betrekking op
een belast systeem en voor
modellen met sonar ook op een
actieve 600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg de
Seatalk
ng
-gebruikershandleiding
voor aanvullende informatie).
1
Specicaties voeding c95 / c97 / e95 / e97
Nominale voedingsspanning
12/24 VDC
Werkspanningsbereik
10,8 VDC tot 31,2 VDC
Zekering / stroomonderbrekers Inline zekering (geplaatst in de
voedingskabel)
7 A. (Standaard 20 mm
glaszekering)
Opgenomen vermogen
Volledige helderheid
c95 13,1 W
c97 16,7 W
e95 18 W
e97 22,1 W
Energiezuinige modus:
c95 —5,9 W
c97 9,7 W
e95 11,2 W
e97 14,9 W
Opmerking: Het opgenomen
vermogen heeft betrekking op
een belast systeem en voor
modellen met sonar ook op een
actieve 600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg de
Seatalk
ng
-gebruikershandleiding
voor aanvullende informatie).
1
Specicatie c125 / c127 / e125 / e127-voeding
Nominale voedingsspanning
12/24 VDC
Werkspanningsbereik
10,8 VDC tot 31,2 VDC
Zekering / stroomonderbrekers Inline zekering (geplaatst in de
voedingskabel)
7 A. (Standaard 20 mm
glaszekering)
Opgenomen vermogen
Volledige helderheid
c125 16,3 W
c127 20,8 W
e125 27,6 W
e127 33,5 W
Energiezuinige modus:
c125 —6,1 W
c127 14,6 W
e125 10,9 W
e127 17 W
Opmerking: Het opgenomen
vermogen heeft betrekking op
een belast systeem en voor
modellen met sonar ook op een
actieve 600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg de
Seatalk
ng
-gebruikershandleiding
voor aanvullende informatie).
1
Voedingsspecicatie e165
Nominale
voedingsspanning
12/24 VDC
Werkspanningsbe-
reik
10,8 VDC tot 31,2 VDC
Zekering /
stroomonderbrekers
Inline zekering (geplaatst in de voedingskabel)
7 A. (Standaard 20 mm glaszekering)
Technische specicaties
367
Opgenomen
vermogen
Volledige helderheid
e165 59.5 W
Energiezuinige modus:
e165 10.9 W
Opmerking: Het opgenomen vermogen
heeft betrekking op een belast systeem en
voor modellen met sonar ook op een actieve
600 W-transducer.
LEN (Raadpleeg
de Seatalk
ng
-
gebruikershandleiding
voor aanvullende
informatie).
1
Omgevingsspecicatie
De onderstaande omgevingsspecicaties zijn van toepassing op
alle display-typen
Bedrijfstemperatuur -25ºC tot +55ºC (-13ºF tot 131ºF)
Opslagtemperatuur -30ºC tot +70ºC (-22ºF tot 158ºF)
Relatieve luchtvochtigheid
Maximaal 75%
Waterbestendigheidsclassicatie
IPX6 en IPX7
IPX6 (alleen e165)
Kijkhoek
000
000
000
000
000
000
000000
000000
000000
000000
D12268-1
A
B
C
D
e7 / e7D
e95 / e97 /
c95 / c97
e125 / e127 /
c125 / c127
e165
A
70º 80º 80º 80º
B
70º 80º 80º 80º
C 70º 80º 80º 70º
D
50º 60º 60º 70º
Opmerking: De hierboven genoemde kijkhoeken zijn
vastgesteld op basis van internationaal erkende normen en
dienen alleen te worden gebruikt ter vergelijking. Installeer
het product NIET voordat u de zichtbaarheid op de gewenste
plaats hebt getest.
Specicatie e7 / e7D-display
Formaat 7 in.
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
800 x 480 pixels (WVGA)
Maximaal toegestane aantal
verkeerd verlichte pixels
7
Specicatie e95 / e97 / c95 / c97-display
Formaat 9 in.
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
800 x 480 pixels (WVGA)
Maximaal toegestane aantal
verkeerd verlichte pixels
8
Specicatie e125 / e127 / c125 / c127-display
Formaat 12 in.
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
1280 x 800 pixels (WXGA)
Maximaal toegestane aantal
verkeerd verlichte pixels
8
Specicatie e165-display
Formaat 15,4 in.
Type TFT met LED-achtergrondverlichting
Kleurdiepte 24–bit
Resolutie
1280 x 800 pixels (WXGA)
Beeldverhouding 16:9
Maximaal toegestane
aantal verkeerd verlichte
pixels
8
Gegevensverbindingen
Verbindingen met kabels
NMEA 0183 2x NMEA 0183-poorten:
NMEA-poort 1: invoer en uitvoer, 4800 /
38400 baud
NMEA-poort 2: alleen invoer, 4800 /
38400 baud
Opmerking: NMEA 0183-aansluiting
is niet van toepassing op Nieuwe a-serie
multifunctionele displays.
Netwerk (SeaTalk
hs
)
Nieuwe a-serie, e7 en e7D = 1 x
SeaTalk
hs
-poort. 100 Mbits/s. Verbinding
RayNet-type.
Nieuwe c-serie en nieuwe e-serie
(exclusief e7 en e7D) = 2 x
SeaTalk
hs
-poort. 100 Mbits/s. Verbinding
RayNet-type.
SeaTalk
ng
1 x SeaTalk
ng
-verbinding
Draadloze verbindingen
WiFi
802.11 b / g
Opmerking: WiFi-verbinding is
alleen van toepassing op multifunctionele
displays met ingebouwde WiFi.
Bluetooth Bluetooth 2.1+ EDR power class 1.5
(ondersteund proel: AVRCP 1.0)
368 a Series / c Series / e Series
Specicatie interne GPS
De specicatie van de interne GPS is van toepassing op de
volgende multifunctionele displays: Nieuwe a-serie, Nieuwe
c-serie en Nieuwe e-serie (met uitzondering van de e165).
Kanalen 50
Koude start <2 minuten
Gevoeligheid ontvanger-IC
163 dBm-tracking
Satellite Based Augmenting
System (SBAS)
WAAS + EGNOS + MSAS
Bijzondere functies
Actieve storingsreductie
Bedrijfsfrequentie
1575,42 MHz
Signaalontvangst
Automatisch
Update almanak Automatisch
Geodetische datum WGS-84, alternatieven beschikbaar
via Raymarine-displays.
Update-snelheid 1 seconde
Antenne Keramische chip
Nauwkeurigheid
Zonder SBAS: <= 15 meter 95%
van de tijd
Met SBAS: <= 5 meter 95% van
de tijd
Specicatie interne sonar
De specicaties van de interne sonar zijn alleen van toepassing
op multifunctionele displays met sonar.
Bedrijfsfrequenties 50 / 83 / 200 KHz
Zendvermogen
Tot 600 W RMS, afhankelijk van de
transducer
Dieptebereik
Tot 3000 ft (900 m), afhankelijk van
de transducer
Specicatie video
Signaaltype Composiet
Formaat
PAL of NTSC
Connectortype BNC (female)
Uitvoerresolutie 720p
Specicatie elektronische cartograe
Geïntegreerde
elektronische cartograe
Wereldbasiskaart LightHouse-kaarten.
Wereldbasiskaart Navionics.
Compatibele
LightHouse-kaarten
Vector LightHouse-kaarten
Raster LightHouse-kaarten
Compatibele Navionics-
cartograekaarten
Navionics Ready to Navigate
Navionics Silver
Navionics Gold
Navionics Gold+
Navionics Platinum
Navionics Platinum+
Navionics Fish'N Chip
Navionics Hotmaps
Opmerking:
Raadpleeg de Raymarine-website (www.raymarine.nl) voor
de meest recente lijst met ondersteunde kaarten.
Conformiteitsspecicatie
De verklaring van conformiteit is van toepassing op alle
display-varianten
Conformiteit NMEA 2000-certicering
WiFi Alliance-certicering
Bluetooth-certicering
Europa: 1999/5/EC
Australië en Nieuw-Zeeland:
C-Tick, complianceniveau 2
FCC 47CFR deel 15
Industry Canada RSS210
Technische specicaties
369
370 a Series / c Series / e Series
Hoofdstuk 32: Reserveonderdelen en accessoires
Inhoudsopgave
32.1 Transducer-accessoires op pagina 372
32.2 DownVision-transducers en -accessoires op pagina 372
32.3 Netwerkhardware op pagina 373
32.4 Typen netwerkkabelconnectoren op pagina 373
32.5 Netwerkkabels op pagina 374
32.6 Typen netwerkkabels op pagina 374
32.7 SeaTalk
ng
-kabelcomponenten op pagina 375
32.8 SeaTalk
ng
kabels en accessoires op pagina 375
32.9 SeaTalk-accessoires op pagina 376
32.10 Videokabels op pagina 377
32.11 Reserveronderdelen a65 / a67 op pagina 377
32.12 Reserveonderdelen e7 e7D op pagina 378
32.13 Reserveonderdelen e95 / e97 / c95 / c97 op pagina 378
32.14 Reserveonderdelen e125 / e127 / c125 / c127 op pagina 379
32.15 Reserveonderdelen e165 op pagina 379
Reserveonderdelen en accessoires 371
32.1 Transducer-accessoires
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
P48-sonartransducer A102140
Spiegelmontage.
P58 sonartransducer A102138
Spiegelmontage.
1 m (3,28 ft) Minn
Kota transducer-
adapterkabel
A62363 Alleen voor directe
aansluiting op
multifunctionele
displays met sonar.
0,5 m (1,64 ft) transdu-
ceradapterkabel
E66066 Voor het direct
aansluiten van een
600 watt sonarmodule-
compatibele
sonartransducer op
een multifunctioneel
display met sonar.
32.2 DownVision-transducers en
-accessoires
De volgende DownVision
TM
-accessoires zijn beschikbaar voor
gebruik met multifunctionele displays met DownVision
TM
.
Nummer Artikelnummer
CPT-100 DownVision-transducer
spiegelmontage
A80270
CPT-110 DownVision-transducer
rompdoorvoer (kunststof)
A80277
CPT-120 DownVision-transducer
rompdoorvoer (brons)
A80271
Bescherming spiegelmontage-
transducer voor schepen met een
sleepmotor
A80207
4 m (13,12 ft) transducer-
verlengkabel voor CPT-100-
spiegelmontagetransducer
A80273
372 a Series / c Series / e Series
32.3 Netwerkhardware
Artikel
Artikel-
nummer Opmerkingen
HS5 RayNet-
netwerkswitch
A80007 5–poorts schakelaar voor het
aansluiten van meerdere apparaten
met RayNet-connectoren op het
netwerk. Apparaten met RJ45
SeaTalk
hs
-connectoren kunnen ook
worden aangesloten met behulp van
geschikte adapterkabels.
RJ45 SeaTalk
hs
-
netwerkswitch
E55058 8–poorts schakelaar voor het
aansluiten van meerdere
SeaTalk
hs
-apparaten met
RJ45-connectoren op het netwerk.
RJ45 SeaTalk
hs
-
crossover-koppeling
E55060 Voor het direct aansluiten van
RJ45 SeaTalk
hs
-apparaten op
kleinere systemen waarvoor geen
netwerkswitch vereist is.
Hiermee kunnen
SeaTalk
hs
-apparaten worden
aangesloten op een HS5
Raynet-netwerkswitch (in
combinatie met de passende
adapterkabels).
Hiermee kunnen 2 RJ45
SeaTalk
hs
-kabels met elkaar
worden verbonden voor een
langere kabelverbinding.
Aanbevolen voor interne installaties.
Ethernet RJ45-
koppeling
R32142 Voor het direct aansluiten van
RJ45 SeaTalk
hs
-apparaten op
kleinere systemen waarvoor geen
netwerkswitch vereist is.
Hiermee kunnen
SeaTalk
hs
-apparaten worden
aangesloten op een HS5
Raynet-netwerkswitch (in
combinatie met de passende
adapterkabels).
Hiermee kunnen 2 RJ45
SeaTalk
hs
-kabels met elkaar
worden verbonden voor een
langere kabelverbinding.
Aanbevolen voor externe installaties.
32.4 Typen netwerkkabelconnectoren
Er zijn 2 soorten netwerkkabelconnectoren SeaTalk
hs
en
RayNet.
SeaTalk
hs
-connector gebruikt voor het
aansluiten van SeaTalk
hs
-apparaten op
een Raymarine-netwerkschakelaar via
SeaTalk
hs
kabels.
RayNet-connector gebruikt voor het
aansluiten van Raymarine-netwerkschakelaars
en SeaTalk
hs
-apparaten op het multifunctionele
display met RayNet-kabels. Dit is ook
vereist voor het aansluiten van een
crossover-koppeling wanneer er slechts
één apparaat wordt aangesloten op de
netwerkconnector van het display.
Reserveonderdelen en accessoires 373
32.5 Netwerkkabels
RayNet naar RayNet-kabels
Kabel Artikelnummer
400 mm (1,3 ft) RayNet (F) naar
RayNet (F)-kabel
A80161
2 m (6,56 ft) RayNet (F) naar RayNet
(F)-kabel
A62361
5 m (16,4 ft) RayNet (F) naar RayNet
(F)-kabel
A80005
10 m (32,8 ft) RayNet (F) naar
RayNet (F)-kabel
A62362
20 m (65,6 ft) RayNet (F) naar
RayNet (F)-kabel
A80006
100 mm (3,9 in) RayNet (M) naar
RayNet (M)-kabel
A80162
RayNet haakse koppeling A80262
RayNet-kabeltrekker set van 5 R70014
RayNet-adapterkabels
Kabel Artikelnummer
1 m (3,28 ft) RayNet (F) naar RJ45
SeaTalk
hs
(M)-kabel
A62360
3 m (9,84 ft) RayNet (F) naar RJ45
SeaTalk
hs
(M)-kabel
A80151
10 m (32,8 ft) RayNet (F) naar RJ45
SeaTalk
hs
(M)-kabel
A80159
400 mm (1,3 ft) RayNet (F) naar
RJ45 SeaTalk
hs
(F)-kabel
A80160
100 mm (3,9 in) RayNet (F) naar
RJ45 (F)-kabel
A80247
350 mm (13,78 in) RayNet (M) naar
RJ45 SeaTalk
hs
(M)-kabel
A80272
3 m (9,84 ft) RayNet (F) naar RJ45
SeaTalk
hs
(M)-kabel
A80276
32.6 Typen netwerkkabels
Er zijn 2 typen SeaTalk
hs
-netwerkkabels “patch” en “netwerk”.
Patch voor het aansluiten van de volgende apparaten op
een Raymarine-netwerkschakelaar:
Thermische camera via PoE-injector.
Extra Raymarine-netwerkschakelaar.
PC of laptop met Voyager planningsoftware.
Netwerk voor het aansluiten van de volgende apparaten
op een Raymarine-netwerkschakelaar:
Sonarmodule.
SR100 Sirius weerontvanger.
Extra compatibele Raymarine multifunctionele displays.
SeaTalk
hs
-netwerkkabels
Kabel Artikelnummer
1,5 m (4,9 ft) SeaTalk
hs
-netwerkkabel
E55049
5 m (16,4 ft) SeaTalk
hs
-netwerkkabel
E55050
10 m (32,8 ft) SeaTalk
hs
-
netwerkkabel
E55051
20 m (65,6 ft) SeaTalk
hs
-
netwerkkabel
E55052
SeaTalk
hs
-patchkabels
Kabel Artikelnummer
1,5 m (4,9 ft) SeaTalk
hs
-patchkabel
E06054
5 m (16,4 ft) SeaTalk
hs
-patchkabel
E06055
10 m (32,8 ft) SeaTalk
hs
-patchkabel
E06056
15 m (49,2 ft) SeaTalk
hs
-patchkabel
A62136
20 m (65,6 ft) SeaTalk
hs
-patchkabel
E06057
374 a Series / c Series / e Series
32.7 SeaTalk
ng
-kabelcomponenten
SeaTalk
ng
-kabelcomponenten en hun functies.
Verbinding / kabel Opmerkingen
Backbone-kabel (verschillende
lengtes)
De hoofdkabel voor de overdracht
van data. Verdelers van de
backbone worden gebruikt om
SeaTalk
ng
-apparaten te verbinden.
T-stukconnector
Gebruikt voor het maken van
aansluitingen in de backbone
waarmee de de apparaten kunnen
worden verbonden.
Afsluiter
Vereist voor beide uiteinden van de
backbone.
Inline-afsluiter Gebruikt om een verdelerkabel
direct te verbinden met het uiteinde
van een backbone, handig voor
langere kabels.
Verdelerkabel
Gebruikt om apparaten met de
backbone te verbinden. Apparaten
kunnen via een ringnetwerk worden
aangesloten, of direct op een T-stuk.
SeaTalk
ng
5–wegs connector Gebruikt om verbindingen te
vertakken of te splitsen of extra
verbindingen te maken in SeaTalk-
of SeaTalk
ng
-netwerken.
Eindafdichting
Wordt in ongebruikte
verdelerverbindingen gestoken
van een 5-wegs connector of T-stuk.
32.8 SeaTalk
ng
kabels en accessoires
SeaTalk
ng
kabels en accessoires voor gebruik met compatibele
producten.
Omschrijving Artikelnr. Opmerkingen
SeaTalk
ng
-startersset
T70134 Bevat:
1 x 5-weg connector (A06064)
2 x backbone-terminator
(A06031)
1 x 3 m (9,8 ft) spurkabel
(A06040)
1 x voedingskabel (A06049)
SeaTalk
ng
-backbone-set
A25062 Bevat:
2 x 5 m (16,4 ft)
backbone-kabel (A06036)
1 x 20 m (65,6 ft)
backbone-kabel (A06037)
4 x T-stuk A06028)
2 x backbone-terminator
(A06031)
1 x voedingskabel (A06049)
SeaTalk
ng
0,4 m (1,3 ft)
verdeler
A06038
SeaTalk
ng
1 m (3,3 ft)
verdeler
A06039
SeaTalk
ng
3 m (9,8 ft)
verdeler
A06040
SeaTalk
ng
5 m (16,4 ft)
verdeler
A06041
SeaTalk
ng
0,4 m (1,3 ft)
haakse spur
A06042
SeaTalk
ng
0,4 m (1,3 ft)
backbone
A06033
SeaTalk
ng
1 m (3,3 ft)
backbone
A06034
SeaTalk
ng
3 m (9,8 ft)
backbone
A06035
SeaTalk
ng
5 m (16,4 ft)
backbone
A06036
SeaTalk
ng
9 m (29,5 ft)
backbone
A06068
SeaTalk
ng
20 m (65,6 ft)
backbone
A06037
SeaTalk
ng
naar blanke
uiteinden 1 m (3,3 ft)
verdeler
A06043
SeaTalk
ng
naar blanke
uiteinden 3 m (9,8 ft)
verdeler
A06044
SeaTalk
ng
voedingskabel
A06049
SeaTalk
ng
-afsluiter
A06031
SeaTalk
ng
-T-stuk
A06028 Voor 1 spurverbinding
SeaTalk
ng
5–wegs
connector
A06064 Voor 3 spurverbindingen
SeaTalk
ng
backbone-
extensie
A06030
Reserveonderdelen en accessoires 375
Omschrijving Artikelnr. Opmerkingen
SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-converterset
E22158 Hiermee kunnen
SeaTalk-apparaten worden
aangesloten op een
SeaTalk
ng
-systeem.
SeaTalk
ng
inline-
afsluiter
A80001 Zorgt voor een directe verbinding
tussen een spurkabel en het
uiteinde van een backbone-kabel.
Geen T-stuk vereist.
SeaTalk
ng
-
eindafdichting
A06032
ACU/SPX SeaTalk
ng
-
spurkabel 0,3 m (1,0 ft)
R12112 Voor het aansluiten van een
SPX-koerscomputer of een ACU
op een SeaTalk
ng
-backbone.
SeaTalk (3 pins) naar
SeaTalk
ng
-adapterkabel
0,4 m (1,3 ft)
A06047
SeaTalk naar
SeaTalk
ng
-spur 1 m
(3,3 ft) spur
A22164
SeaTalk2 (5 pins) naar
SeaTalk
ng
-adapterkabel
0,4 m (1,3 ft)
A06048
DeviceNet-
adapterkabel (female)
A06045 Hiermee kunnen NMEA
2000-apparaten worden
aangesloten op een
SeaTalk
ng
-systeem.
DeviceNet-
adapterkabel (male)
A06046 Hiermee kunnen NMEA
2000-apparaten worden
aangesloten op een
SeaTalk
ng
-systeem.
DeviceNet-
adapterkabel (female)
naar blanke uiteinden.
E05026 Hiermee kunnen NMEA
2000-apparaten worden
aangesloten op een
SeaTalk
ng
-systeem.
DeviceNet-
adapterkabel (male)
naar blanke uiteinden.
E05027 Hiermee kunnen NMEA
2000-apparaten worden
aangesloten op een
SeaTalk
ng
-systeem.
32.9 SeaTalk-accessoires
SeaTalk-kabels en -accessoires voor gebruik met compatibele
producten.
Omschrijving Artikelnr. Opmerkingen
3–weg SeaTalk-
aansluitkast
D244
1 m (3,28 ft)
SeaTalk-verlengkabel
D284
3 m (9,8 ft)
SeaTalk-verlengkabel
D285
5 m (16,4 ft)
SeaTalk-verlengkabel
D286
9 m (29,5 ft)
SeaTalk-verlengkabel
D287
12 m (39,4 ft)
SeaTalk-verlengkabel
E25051
20 m (65,6 ft)
SeaTalk-verlengkabel
D288
376 a Series / c Series / e Series
32.10 Videokabels
De volgende videokabel is vereist voor de video in-/-uit-connector
van e95 / e97 / e125 / e127-multifunctionele displays.
Artikelnummer Omschrijving Opmerkingen
R70003 Video-hulpkabel voor
e-modellen
32.11 Reserveronderdelen a65 / a67
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
Flens(-beugel)
montageset
R70147
Instrumentrand
voorzijde
R70148
Zonnekap R70149
Voedingskabel 1,5 m R70157
1,5 m (4,9 ft) haakse
voedingskabel
A80221
Reserveonderdelen en accessoires 377
32.12 Reserveonderdelen e7 e7D
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
Flens(-beugel)
montageset
A62358
Documentatiepakket R62378
Paneelset vlakke
inbouwmontage
R62376
Instrumentrand
voorzijde
R62377
Zonnekap R62365
1,5 m (4,9 ft)
Rechte voedings-
en gegevenskabel
R62379
1,5 m (4,9 ft)
Haakse voedings-
en gegevenskabel
R70029
32.13 Reserveonderdelen e95 / e97 /
c95 / c97
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
Montagebeugelset
c/e-modellen
R70001
Instrumentrand
voorzijde c/e-modellen
R7004
Zonnekap c/e-
modellen
R70005
Instrumentrand
achterzijde
c/e-modellen
R70027
Pakking c/e-modellen
R70079
Montage-adapterset
C90W/E90W
R70008
Montage-adapterset
C80/E80
R70010
Montageschroevenset R62369
Documentatiepakket R70061
1,5 m (4,9 ft)
Rechte voedings-
en gegevenskabel
R62379
1,5 m (4,9 ft)
Haakse voedings-
en gegevenskabel
R70029
378 a Series / c Series / e Series
32.14 Reserveonderdelen e125 / e127 /
c125 / c127
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
Montagebeugelset
c/e-modellen
R70002
Instrumentrand
voorzijde c/e-modellen
R70006
Zonnekap c/e-
modellen
R70007
Instrumentrand
achterzijde
c/e-modellen
R70028
Pakking c/e-modellen
R70080
Montage-adapterset
C120W/E120W
R70009
Montage-adapterset
C120/E120
R70011
Montageschroevenset R62369
Documentatiepakket R70061
1,5 m (4,9 ft)
Rechte voedings-
en gegevenskabel
R62379
1,5 m (4,9 ft)
Haakse voedings-
en gegevenskabel
R70029
32.15 Reserveonderdelen e165
Artikel Artikelnummer Opmerkingen
e165 ensbeugelset
A80176
e165 instrumentrand
voorzijde
R70126
Zonnekap e165 R70127
e165 montageset voor
vlakke inbouw
R70125
1,5 m (4,9 ft)
Rechte voedings-
en gegevenskabel
R62379
1,5 m (4,9 ft)
Haakse voedings-
en gegevenskabel
R70029
Reserveonderdelen en accessoires 379
380 a Series / c Series / e Series
Annexes A NMEA 0183-regels
Het display ondersteunt de volgende NMEA 0183-zinnen. Deze zijn van toepassing op NMEA 0183- en SeaTalk-protocollen.
Regel Omschrijving Zenden Ontvangen
AAM Regel Alarm aankomst waypoint
APB Stuurautomaat regel ‘B’
BWC Peiling en afstand tot waypoint
BWR KoersPeiling en afstand tot waypoint - Rhumb
DBT Diepte onder transducer
DPT Diepte
DSC Regel digitale selectieve oproepinformatie
DSE Regel expansie noodsituatie
DTM Datumreferentieregel
GBS Foutdetectiegegevens GPS-satelliet
GGA Fix-gegevens GPS-systeem
GLC Regel geograsche positie loran C
GLL Geograsche positie breedtegraad/lengtegraad
GSA GPS DOP en actieve satellieten
GSV GPS-satellieten in zicht
HDG Regel koersafwijking en -variatie
HDT Regel ware koers
HDM Regel magnetische koers
MDA Regel meteorologisch composiet
MSK Regel MSK-ontvangerinterface
MSS Regel signaalstatus MSK-ontvanger
MTW Watertemperatuur
MWV Windsnelheid en -hoek
RMB Aanbevolen minimale navigatie-informatie
RMC Aanbevolen minimale specieke GNSS-gegevens
RSD Radarsysteemgegevens
TTM Bericht gevolgd object
VHW Watersnelheid en -koers
VLW Afgelegde afstand door het water
VTG Grondkoers en grondsnelheid
XTE Regel gemeten Cross Track Error
ZDA Tijd en datum
NMEA 0183-regels
381
Annexes B NMEA-gegevensbridging
Met NMEA-gegevensbridging kunnen gegevens op de NMEA
2000-bus van het display worden doorgestuurd naar NMEA
0183-apparaten en vice versa.
Een voorbeeld van NMEA-gegevensbridging is een systeem
dat een GPS-ontvanger van derden bevat, dat is aangesloten
op de NMEA 0183-ingang van een Raymarine-display. De
GPS-gegevens verzonden door de GPS-ontvanger worden
doorgestuurd naar alle daarvoor geschikte apparaten die zijn
aangesloten op de NMEA 2000-bus van het display. Bridging
vindt alleen plaats als de gegevens worden verzonden door een
NMEA 0183-apparaat die nog niet worden verzonden door een
NMEA 2000-apparaat en vice versa.
Voor een lijst met gegevensberichten (PGN-regels) die worden
gebridged tussen NMEA 2000 en NMEA 0183 kunt u de lijst met
ondersteunde NMEA 2000-regels in dit document raadplegen.
382 a Series / c Series / e Series
Annexes C NMEA 2000-zinnen
Het display ondersteunt de volgende NMEA 2000-zinnen. Deze zijn van toepassing op NMEA 2000-, SeaTalk
ng
- en SeaTalk
2-protocollen.
Berichtnummer Berichtomschrijving Zenden Ontvangen
Gebridged
naar NMEA
0183
59392
ISO-bevestiging
59904
ISO-verzoek
60928
ISO-adresclaim
126208 NMEA - groepfunctie opvragen
126464
PGN-lijst verzonden/ontvangen groepfunctie PGN
126992 Systeemtijd
126996
Productinformatie
127237
Besturing koers/track
127245 Roer
127250
Scheepskoers
127251 Draaisnelheid
127257
Stand
127258 Magnetische variatie
127488 Motorparameters, snelle update
127489 Motorparameters, dynamisch
127493 Transmissieparameters, dynamisch
127496 Reisparameters, schip
127497 Reisparameters, motor
127498 Motorparameters, statisch
127505
Vloeistofniveau
127508 Batterijstatus
128259 Snelheid, gerefereerd aan het water
128267 Waterdiepte
128275
Afstandslog
129025 Positie, snelle update
129026
COG & SOG, snelle update
129029 GNSS-positiegegevens
129033 Tijd en datum
129038
AIS klasse A-positierapport
129039 AIS klasse B-positierapport
129040
Uitgebreid AIS-klasse B-positierapport
129041 AIS-rapport (Aids to Navigation, AToN)
129044 Datum
129283
Cross Track Error
129284 Navigatiegegevens
129291
Zakking en drift, snelle update
129301
Tijd naar of vanaf markering
129539
GNSS DOP's
129540
GNSS-satellieten in zicht
129542
Ruisstatistieken GNSS-pseudobereik
129545
GNSS RAIM-uitvoer
129550
GNSS differentiële correctie ontvangerinterface
129551
GNSS differentiële correctie ontvangersignaal
NMEA 2000-zinnen 383
Berichtnummer Berichtomschrijving Zenden Ontvangen
Gebridged
naar NMEA
0183
129793
AIS UTC- en datumrapport
129794
Statische en reisinformatie AIS klasse A
129798
AIS SAR vliegtuigpositierapport
129801
AIS-geadresseerde veiligheidsmelding
129802
Veiligheidsgerelateerde AIS-melding zenden/ontvangen
129808
DSC-oproepinformatie
129809 Statisch gegevensrapport deel A AIS klasse B "CS"
129810 Statisch gegevensrapport deel B, AIS klasse B "CS"
130306 Windgegevens
130310 Omgevingsparameters
130311
Omgevingsparameters
130312 Temperatuur
130313 Vochtigheid
130314 Werkelijke druk
130576
Status klein vaartuig
130577 Richtingsgegevens
130578
Componenten scheepssnelheid
PGN 127489 - ondersteuning motoralarmmeldingen
De volgende motoralarmmeldingen worden ondersteund.
Motorfout
Controleer motor
Temperatuur te hoog
Lage oliedruk
Laag oliepeil
Lage brandstofdruk
Lage systeemspanning
Laag koelvloeistofpeil
Waterstroom
Water in brandstof
Indicator acculaadstand
Hoge turbodruk
Toerentallimiet overschreden
EGR-systeem
Gasklep-positiesensor
Motor noodstopmodus
Waarschuwingsniveau 1
Waarschuwingsniveau 2
Vermogensreductie
Onderhoud vereist
Motorcommunicatiefout
Sub- of secondaire gasklep
Beveiliging starten in vrijstand
Motor slaat af
Onbekende fout
384 a Series / c Series / e Series
Annexes D Connectoren en
pinverbindingen
Voedings-, gegevens- en videoconnector
D121 86-1
1 8
4 9
2 7
3 6
5
11
10
Artikel Opmerkingen
Identicatie PWR / NMEA / Video
Connectortype
11-pins twistlock
Stroombron naar netwerk Geen stroombron voor externe
apparaten
Stroomverzamelaar van netwerk PSU: ingang hoofdvoeding.
NMEA: geen voeding vereist voor
interface.
Video: geen voeding vereist voor
interface.
Kernen en kleuren van voedings-, gegevens- en videokabels
Signaal Pin AWG Kleur
BATT+ 2 16 Rood
BATT-
7
16 Zwart
AFSCHER-
MING
10 26 Zwart
NMEA1 TX+ 8 26
Geel
NMEA1 TX- 9 26 Bruin
NMEA1 RX+ 1 26 Wit
NMEA1 RX- 4 26
Groen
NMEA2 RX+ 3 26
Oranje / wit
NMEA2 RX- 11 26
Oranje / groen
VIDEO IN
6
RG179 coax
VIDEO RTN
5
Scherm
Netwerkconnector
D12187-1
1
58
9 10
67
4
2 3
Artikel Opmerkingen
Identicatie
Netwerk
Connectortype RJ45 (correct waterdicht)
Stroombron naar netwerk Geen stroombron voor externe
apparaten
Stroomverzamelaar van netwerk Geen voeding vereist voor interface
Pin Signaal
1 Rx+
2 Rx-
3 Niet aangesloten
4 Niet aangesloten
5
Tx+
Pin Signaal
6 Tx-
7
Niet aangesloten
8 Niet aangesloten
9
Afscherming
10 Niet aangesloten
Opmerking: Gebruik alleen Raymarine RayNet-kabels voor
het aansluiten van SeaTalk
hs
-apparaten.
SeaTalk
ng
-connector
1
2
3
4
5
6
Item Opmerkingen
Identicatie ST2/NMEA2000
Connectortype STNG
Stroombron naar netwerk Geen stroombron voor externe
apparatuur
Stroomopslag van netwerk <160mA (Alleen interfacebesturing)
Pin Signaal
1 +12V
2 0V
3
Scherm
4
CanH
5
CanL
6
SeaTalk (niet aangesloten)
Opmerking: Gebruik alleen Raymarine-kabels voor het
aansluiten van SeaTalk
ng
Video in/uit-connector
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
QQ JJOO !!33
Q
Q
J
J
O
O
!
!
4
4
Q
Q
J
J
O
O
!
!
5
5
Q
Q
J
J
O
O
!
!
6
6
Q
Q
J
J
O
O
!
!
9
9
Q
Q
J
J
O
O
!
!
:
:
QQ JJOO !!22 44
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
3
3
Q
Q
J
J
O
O
!
!
7
7
Q
Q
J
J
O
O
!
!
8
8
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
1
1
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
2
2
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
5
5
Q
Q
J
J
O
O
!
!
2
2
6
6
PIN Signaal
`1
H-SYNC
2
V-SYNC
3
V–SYNC 0V
4
DDC CLK
5
DDC DATA
6 BLAUW RTN
7
BLAUW
8 Niet gebruikt
9
H–SYNC 0V
10
GROEN RTN
Connectoren en pinverbindingen
385
PIN Signaal
11
GROEN
12
VIDEO IN2
13
VIDEO IN2 RTN
14
ROOD RTN
15
ROOD
Annexes E Schakelpaneeltoepassing
Systemen voor scheepsbesturing en monitoring
Wanneer uw multifunctionele display is geïntegreerd in een
systeem voor scheepsbesturing en monitoring, kan hij uw
stroomcircuits, stroomonderbrekers, schakelaars en apparatuur
besturen en monitoren.
De Schakelpaneeltoepassing kan worden gebruikt om:
De status van stroomcircuits, stroomonderbrekers,
schakelaars en andere apparatuur weer te geven.
Ieder circuit afzonderlijk van stroom te voorzien.
Doorgeslagen stroomonderbrekers te resetten.
De voeding van de verschillende apparaten te regelen.
Gebruikers te informeren over doorgeslagen
stroomonderbrekers.
Aansluiting van systemen voor scheepsbesturing en
monitoring
Het multifunctionele display kan worden aangesloten op een
EmpirBus NXT-systeem voor scheepsbesturing en monitoring
en deze bedienen.
D12738-1
12 V dc
1
2
4
3
5
1
Raymarine multifunctioneel display.
2
EmpirBus NXT DCM (dc-module).
3
SeaTalk
ng
naar DeviceNet-
adapterkabel.
4
EmpirBus NXT MCU (Master
Control Unit).
5
12 VDC-voeding voor backbone.
Opmerking: Zorg ervoor dat uw systeem voor
scheepsbesturing en monitoring is geïnstalleerd
overeenkomstig de instructies van het systeem.
Het schakelpaneel congureren
De schakelpaneeltoepassing dient te worden gecongureerd.
U kunt een conguratiebestand opvragen bij uw
systeemleverancier.
386 a Series / c Series / e Series
Het conguratiebestand laden
De schakelpaneeltoepassing is alleen beschikbaar wanneer er
een geldig conguratiebestand is geladen.
1. U kunt het conguratiebestand opvragen bij uw
systeemleverancier.
2. Sla het conguratiebestand op in de hoofdmap van uw
geheugenkaart.
3. Doe de geheugenkaart in de kaartlezer van uw
multifunctionele display.
4. Selecteer Instellingen in het Home-venster.
5. Selecteer Systeeminstellingen.
6. Selecteer Externe apparaten.
7. Selecteer Instellingen schakelpaneel.
8. Selecteer Cong-bestand installeren.
9. Wanneer u daarom wordt gevraagd selecteert u de
geheugenkaartsleuf dat uw conguratiebestand bevat.
De bestandsbrowser wordt geopend.
10.Selecteer het conguratiebestand.
11. Selecteer OK.
U kunt de Schakelpaneeltoepassing nu toevoegen vanuit het
menu Aanpassen op het Home-venster.
Opmerking: Als uw multifunctionele display slechts 1
kaartsleuf heeft, wordt stap 9 overgeslagen.
Overzicht schakelpaneel
De schakelpaneeltoepassing wordt gebruikt voor het
monitoren en bedienen van compatibele scheepsbesturings-
en monitoringsystemen. De pagina's, paginaindelingen
en stroomschema's van het schip worden bij de installatie
gecongureerd en zijn uniek voor ieder schip. De afbeeldingen
hieronder zijn voorbeelden.
Voorbeeld 1 moduspagina schakelpaneel
Wanneer een moduspagina is gecongureerd, bevat deze
regelaars om te schakelen tussen vooraf gecongureerde modi.
In het bovenstaande voorbeeld zet het selecteren van een
moduspictogram het systeem in de geselecteerde modus.
U kunt door de beschikbare pagina's bladeren om schakelaars
en gecongureerde schakelaargroepen te monitoren of te
bedienen.
Voorbeeld 2 scheepsbesturingspagina
1
3
5
2
4
6
D12739-1
1
Aan/uit-schakelaar.
2
Draaiknop (meerdere mogelijkheden).
3 Positieregelaar.
4 Momentschakelaar.
5
Gegevensitem (wijzerplaat
6
Gegevensitem (tankniveau).
De schakelaars op een Touchscreen gebruiken
Dit is alleen van toepassing op HybridTouch-displays.
Doe het volgende in de schakelpaneeltoepassing:
1. Aan/uit-schakelaar selecteer de schakelaar om aan of
uit te schakelen.
2. Draaiknop selecteer de draaiknop om door de
beschikbaar mogelijkheden te bladeren.
3. Positieregelaar druk in en houd vast om te bewegen.
4. Momentschakelaar selecteer de schakelaar om hem te
activeren.
5. Dimmerschakelaar selecteer en sleep de schakelaar
om de waarde te veranderen.
De schakelaars gebruiken
Doe het volgende in de schakelpaneeltoepassing:
1. Gebruik de Joystick om de betreffende schakelaar te
markeren.
2. Aan/uit-schakelaar druk op OK om aan of uit te
schakelen.
3. Draaiknop wanneer u op OK drukt wordt door de
beschikbare mogelijkheden gebladerd.
4. Positieregelaar druk op OK en gebruik de Joystick om
de richting te veranderen.
5. Momentschakelaar Druk op OK om te activeren.
6. Dimmerschakelaar druk op OK op de schakelaar
en gebruik de Draaiknop om de waarde te veranderen,
selecteer daarna terug om de wijzigingsmodus te verlaten.
Een doorgeslagen stroomonderbreker resetten
Wanneer een stroomonderbreker is doorgeslagen wordt
een pop-upbericht weergegeven op het scherm met alle
gegevens over de doorgeslagen stroomonderbreker en de
opties. De stroomonderbreker wordt eveneens gemarkeerd als
doorgeslagen op de schakelpaneelpagina's.
1. Wanneer een pop-upbericht voor doorgeslagen
stroomonderbreker wordt weergegeven, selecteert u Reset
om de doorgeslagen stroomonderbreker te resetten, of
2. Selecteert u de schakelaar op het schakelpaneel om de
doorgeslagen stroomonderbreker te resetten.
Opmerking: Wanneer u meerdere resets uitvoert kan dit
uw systeem beschadigen. Als een stroomonderbreker blijft
doorslaan dient u daarom de hoofdcircuits te controleren.
Schakelpaneeltoepassing
387
Annexes F Softwareversies
Raymarine maakt regelmatig updates van de software voor multifunctionele displays om verbeteringen, ondersteuning voor meer
hardware en functionaliteit in de gebruikersinterface door te voeren. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijke
verbeteringen en in welke softwareversie ze zijn opgenomen.
Softwareversie
Van toepassing zijnde
producthandleiding
Compatibiliteit van
multifunctionele displays Wijzigingen
LightHouse II V10.xx 81337–10
a65 / a65 WiFi / a67 / a67 WiFi
a68 / a68 WiFi / a75 / a75 WiFi
/ a77 / a77 WiFi / a78 / a78
WiFi / c95 / c97 / c125 / c127
/ e7 / e7D / e95 / e97 / e125 /
e127 / e165
Nieuwe Fishnder-toepassing
Ondersteuning voor meerdere actieve sonarmodules op
het netwerk
De mogelijkheid om meerdere sonarkanalen tegelijk weer
te geven met behulp van pagina's met gesplitst scherm
De mogelijkheid om aangepaste sonarkanaalproelen te
maken
Nieuwe, voor de sonarmodule specieke
Fishnder-simulator
Gecorrigeerde (geïnverteerde) TVG-regelaar op de
CP450C voor alle sonarmodules
Alarmmeldingen van het schakelpaneel kunnen nu op het
hele netwerk worden ingeschakeld/uitgeschakeld
Sjabloon voor horizontaal gesplitst scherm toegevoegd
voor 5,7 en 7 inch MFD's
Ondersteuning toegevoegd voor Navionics Sonar
Log-dieptemeting
Ondersteuning toegevoegd voor updates voor Navionics
Plotter Sync-mobiele kaarten
Updates voor SiriusXM NOAA maritieme zonegrenzen
voor 1 april 2014 bijgewerkt
AIS-alarm voor gevaarlijke objecten standaard ingesteld
op Uit in Simulator-modus en kan niet worden
ingeschakeld.
Taalondersteuning toegevoegd voor Tsjechisch en
Sloveens
LightHouse II V9.45 81337–9
a65 / a65 WiFi / a67 / a67 WiFi
a68 / a68 WiFi / a75 / a75 WiFi
/ a77 / a77 WiFi / a78 / a78
WiFi / c95 / c97 / c125 / c127
/ e7 / e7D / e95 / e97 / e125 /
e127 / e165
Vernieuwen grasche elementen LightHouse II
Optie Gegevensbalk verbergen toegevoegd
Ondersteuning voor LightHouse-kaarten toegevoegd
Verbeteringen in Waypoint-beheer
Verbeteringen in Kaart- en Radar-toepassingsmenu's
Ondersteuning voor meerdere sonars toegevoegd
Geschatte aankomsttijd voor routes toegevoegd
NM & m toegevoegd aan afstandseenheden
Digitale widget toegevoegd aan Schakelpaneel App
Ondersteuning voor DSC via NMEA 2000 toegevoegd
Ondersteuning voor Navionics Gold-chipencryptie
toegevoegd
Japanse verklaring voor gebruiksbeperkingen bijgewerkt
Ondersteuning voor multi-touch-gebaren voor
a-serie-displays toegevoegd
V8.52 81337–9
a65 / a65 WiFi / a67 / a67 WiFi
a68 / a68 WiFi / a75 / a75 WiFi
/ a77 / a77 WiFi / a78 / a78
WiFi / c95 / c97 / c125 / c127
/ e7 / e7D / e95 / e97 / e125 /
e127 / e165
Ondersteuning voor ECI-100 (motoridenticatiewizard)
toegevoegd
V7.43 81337–7
a65 / a65 WiFi / a67 / a67 WiFi
/ c95 / c97 / c125 / c127 / e7 /
e7D / e95 / e97 / e125 / e127
/ e165
Snelknop naar gebruikershandleiding toegevoegd aan
Home-venster.
Opnemen van IP-camera, afspelen en foto maken
toegevoegd aan Camera-toepassing.
Ondersteuning voor Evolution-stuurautomaten
toegevoegd
Stuurautomaatbalk toegevoegd.
388 a Series / c Series / e Series
Softwareversie
Van toepassing zijnde
producthandleiding
Compatibiliteit van
multifunctionele displays Wijzigingen
Ondersteuning voor T200-serie vast gemonteerde
thermische camera's toegevoegd.
Ondersteuning voor CP100- en CP300-sonarmodules
toegevoegd.
Aanvullende gegevenstypen toegevoegd aan de
gegevenstoepassing.
Verbeterde regelaarafbeeldingen in de
gegevenstoepassing.
Verbeterde menu-indelingen in de Kaart- en
Radar-toepassingen.
Ondersteuning voor RMK-9-toetsenbord op afstand
toegevoegd.
Functie toegevoegd voor gelijktijdige software-update van
via het netwerk aangesloten displays en toetsenborden.
Verbeterde motorondersteuning voor brandstofmanager.
Functie toegevoegd waarmee de startpagina kan worden
gekozen.
Het Cartograe-menu toegevoegd aan het
instellingenmenu op het Home-venster.
Compatibiliteitsmodus verwijderd (voor compatibiliteit van
E-Wide- en G-serie).
Stand-by-functie voor stuurautomaat toegevoegd aan de
aan/uit-knop voor displays die geen stuurautomaatknop
hebben.
V6.27 81337–6
a65 / a65 WiFi / a67 / a67 WiFi
/ c95 / c97 / c125 / c127 / e7 /
e7D / e95 / e97 / e125 / e127
/ e165
Sirius Audio-toepassing toegevoegd.
Fusion link-toepassing toegevoegd.
Schakelpaneeltoepassing toegevoegd.
Nieuwe toepassingspictogrammen op het Home-venster
Wijzigingen in de kaartnavigatie met toevoeging van
lijnen voor scheepspositie naar bestemmings-WPT en
startpositie naar bestemmings-WPT.
Taalondersteuning voor IJslands en Bulgaars toegevoegd.
V5.27 81337–5
a65 / a67 / c95 / c97 / c125 /
c127 / e7 / e7D / e95 / e97 /
e125 / e127 / e165
Toevoeging van de brandstofmanager met: berekeningen
van geschatte resterende brandstof, afstand tot
brandstoftank leeg en tijd tot brandstoftank leeg,
gebruikte brandstof en brandstofbesparingsgegevens,
brandstofbereikringen in de kaarttoepassing en een alarm
voor laag brandstofpeil.
Toevoeging van de toepassing document-viewer (pdf).
Toevoeging van Zwenken naar spoor (thermische
camera automatisch zwenken naar AIS-, MARPA- of
MOB-objecten).
Ondersteuning van meerdere JCU's van thermische
camera's.
OSD-menuopties voor thermische camera's zijn nu direct
beschikbaar in het toepassingsmenu van de thermische
camera.
De Video-toepassing wordt nu de Camera-toepassing
genoemd.
Ondersteuning voor via het netwerk aangesloten
IP-camera's in de Camera-toepassing.
Mogelijkheid voor het automatisch bladeren door
de beschikbare video-/camera-invoerkanalen in de
Camera-toepassing.
Ondersteuning voor maximaal 5 motoren in de
Gegevens-toepassing.
Verbeterde selectie van motorgegevens in de
Gegevens-toepassing.
Ondersteuning voor gedetailleerde motorwaarschuwin-
gen.
Softwareversies 389
Softwareversie
Van toepassing zijnde
producthandleiding
Compatibiliteit van
multifunctionele displays Wijzigingen
Toevoeging van bereikregelaars op het scherm in de
Weer-toepassing
Mogelijkheid voor het bekijken van afbeeldingen die zijn
opgeslagen op MicroSD-kaart vanuit menu Mijn gegevens
in het home-venster.
Toevoeging van Demo-video voor de detailhandel.
Mogelijkheid voor het vastleggen van live bus-berichten
(NMEA 0183 en SeaTalk
ng
op MicroSD-kaart.
V4.32 81337–4
c95 / c97 / c125 / c127 / e7 /
e7D / e95 / e97 / e125 / e127
Toevoeging van bereikregelaars op het scherm in de
Kaart- en Radar-toepassingen.
Toevoeging van regelaars voor Versterking, Regen en
Zee op het scherm in de Radar-toepassing.
Toevoeging van regelaars voor Versterking & TVG op het
scherm in de Sonar-toepassing.
Toevoeging van de schuifbalkregelaar.
Toevoeging van nieuwe numerieke regelaars.
Verbeterde snelkoppelingen voor de Aan/Uit-toets voor de
beeldopties Helderheid en Screenshot maken
V3.15 81337–3
c95 / c97 / c125 / c127 / e7 /
e7D / e95 / e97 / e125 / e127
Toegevoegde ondersteuning voor de Raymarine CP450C
CHIRP-sonarmodule.
Toegevoegde ondersteuning voor AIS-functies, met
ondersteuning voor STEDS EAIS-integratie & -weergave
van SAR-vliegtuigen & SART-apparaten.
Toegevoegde beperkte ondersteuning voor de Sirius
maritieme weermodule.
Toegevoegde stand-by-/energiespaarmodus.
Toegevoegde ondersteuning voor RayRemote- en
RayControl-toepassingen.
Verbeterde opties voor aanpassing van het home-venster,
waarmee 9 en 12 inch MFD's tot 4 toepassingen op één
pagina kunnen weergeven.
Standaard brandstof gegevens toegevoegd.
Toegevoegde ondersteuning in Arabisch.
Toevoeging van de Remote Upgrade Utility
waarmee software kan worden geüpload
naar Raymarine-randapparaten met behulp van
SeaTalk
ng
/SeaTalk
hs
.
Weergave van Navigatiehulpmiddelen (Aids To
Navigation, AToNs) voor AIS-objecten wanneer gegevens
worden ontvangen via SeaTalkng of NMEA 0183.
Toegevoegde 1kW-transducerondersteuning aan MFD's
met interne ClearPulse Digitale Echolood-circuits (bijv.
c97/c127/e7D/e97/e127 MFDs) transducer-uitgang
beperkt tot 600W.
De mogelijkheid een getijden- en/of stromingsstation met
behulp van de functie Zoek dichtstbijzijnde te selecteren
is gecorrigeerd.
Toegevoegde controle van NMEA 0183- &
SeaTalkng-gegevens aan de diagnosefuncties.
Vergroot aanraakgebied voor Alarm-pop-ups en
Terug-knoppen.
390 a Series / c Series / e Series
Softwareversie
Van toepassing zijnde
producthandleiding
Compatibiliteit van
multifunctionele displays Wijzigingen
V2.10 81337–1
c95 / c97 / c125 / c127 / e7 /
e7D / e95 / e97 / e125 / e127
De prestaties van het opbouwen van het beeld van
cartograe is verbeterd wanneer cartograe wordt
gedeeld via het SeaTalkhs/RayNet-netwerk.
Toegevoegde ondersteuning voor de weergave van het
brandstofverbruik.
Toevoeging van NMEA 0183- en SeaTalk
ng
-
gegevensbufferdiagnose.
Verbetering van het aanpassen van de gegevensbalk.
Mogelijkheid tot het handmatig wijzigen van de
beeldverhouding in de Video-toepassing.
V1.11 81332–1
e7 / e7D Eerste softwareversie.
Softwareversies 391
392 a Series / c Series / e Series
www.raymarine.com
43


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Raymarine e Series at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Raymarine e Series in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 27,24 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Raymarine e Series

Raymarine e Series Usermanual and installation guide - English - 460 pages

Raymarine e Series User Manual - German - 396 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info