615685
52
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/232
Next page
207cc_nl_Chap00_couv_debut_ed01-2014
INSTRUCTIEBOEKJE
207cc_nl_Chap00_couv_debut_ed01-2014
Belangrijke informatie:
Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder
een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT
voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto
veroorzaken. Wij verzoeken u hier rekening mee te houden en raden
PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen
en accessoires voorzien van het betreffende artikelnummer.
Het instructieboekje online
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot,
in de rubriek " MyPeugeot".
Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens
toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is
gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt
weergegeven met dit pictogram:
Als de rubriek "MyPeugeot" niet beschikbaar is op de website van
Peugeot voor uw land, kunt u het instructieboekje op het volgende
internetadres raadplegen:
http://public.servicebox.peugeot.com/ddb/
de link "Boorddocumentatie" op de startpagina (u hoeft zich niet aan
te melden),
de taal,
het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering,
de uitgifteperiode van uw instructieboekje die overeenkomt met de
eerste registratiedatum van uw auto.
Selecteer:
U kunt hier online uw instructieboekje bekijken en hebt toegang tot de
meest recente gegevens via het pictogram:
!
i
1
207cc_nl_Chap00a_Sommaire_ed01-2014
Wij danken u voor uw keuze voor de
207 CC, symbool voor vertrouwen, pas-
sie en inspiratie.
Dit instructieboekje is ontwikkeld om u
in de gelegenheid te stellen onder alle
omstandigheden optimaal gebruik te
maken van de mogelijkheden van uw
207 CC.
In het eerste deel van het boekje is de
belangrijkste informatie samengevat
om u in korte tijd vertrouwd te maken
met de bediening van uw 207 CC.
Vervolgens komen alle details van uw
207 CC op het gebied van comfort, vei-
ligheid en rijden uitgebreid aan bod, zo-
dat u en uw passagiers maximaal van
de auto kunnen genieten.
Elk geleverd model kan, afhankelijk van
de uitvoering en de specifi eke kenmer-
ken voor het land waarvoor de auto be-
stemd is, slechts van een deel van de
in dit boekje vermelde uitrustingen zijn
voorzien.
Verwijzing:
dit symbool verwijst naar de blad-
zijde waar meer informatie over de
desbetreffende functie is te vinden.
Symbolen
Bescherming van het milieu:
dit symbool verschijnt bij adviezen
met betrekking tot de bescherming
van het milieu.
Informatie:
dit symbool vestigt uw aandacht
op aanvullende informatie die u
helpt de gebruiksmogelijkheden
van uw auto optimaal te benutten.
Waarschuwing:
dit symbool geeft waarschuwingen
weer die u absoluut dient te res-
pecteren omwille van uw veiligheid
en die van anderen en om schade
aan uw auto te voorkomen.
Welkom
2
INHOUD
207cc_nl_Chap00a_Sommaire_ed01-2014
Instrumentenpanelen 20
Verklikkerlampjes 21
Indicatoren 28
Regelknoppen 32
Displays zonder autoradio 33
Displays met autoradio 35
Kleurendisplay 16x9
(Peugeot Connect Nav) 40
Boordcomputer 42
Ventilatie 45
Verwarming 47
Handbediende airconditioning 47
Ontwaseming - Ontdooiing
achterruit 49
Automatische airconditioning 50
Stoelen 52
Stuurwielverstelling 54
Spiegels 55
Indeling van het interieur 57
Windscherm (windstop) 62
COMFORT 45 64
Sleutel met afstandsbediening 65
Alarm 69
Ruitbediening 71
Portieren 73
Kofferdeksel 76
Brandstoftank 77
Vulpistoolrestrictie (diesel) 79
TOEGANG TOT
DE AUTO 65 79
Lichtschakelaar 80
Statische bochtverlichting 83
Koplampen verstellen 83
Ruitenwisserschakelaar 84
Plafonnier 85
ZICHT 80 85
Kinderzitjes 86
Uitschakelen van de airbag
vóór aan passagierszijde 87
ISOFIX-kinderzitjes 94
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
VOOR KINDEREN
86 96
IN EEN OOGOPSLAG 4 17
CONTROLE TIJDENS
HET RIJDEN 20 44
5
4
3
2
1
ECO-RIJDEN 18 19
3
INHOUD
207cc_nl_Chap00a_Sommaire_ed01-2014
Richtingaanwijzers 97
Urgence-oproep of
Assistance-oproep 97
Gevarendriehoek 97
Alarmknipperlichten 98
Claxon 98
Controlesysteem
bandenspanning 99
Hulpsystemen bij het remmen 100
Stabiliteitscontrolesystemen 101
Veiligheidsgordels 102
Airbags 105
VEILIGHEID 97 108
Parkeerrem 109
Handgeschakelde
versnellingsbak 109
Opschakelindicator 110
Automatische transmissie 111
Snelheidsbegrenzer 114
Snelheidsregelaar 116
Parkeerhulp 118
RIJDEN 109 119
Motorkap 121
Brandstoftank leeg (Diesel) 121
Benzinemotoren 122
Dieselmotor 123
Niveaus controleren 124
Controles 126
ONDERHOUD 120 127
Bandenreparatieset 128
Wiel verwisselen 133
Sneeuwkettingen 137
Een lamp vervangen 138
Zekeringen vervangen 142
Accu 147
Eco-mode 149
Ruitenwisserblad vervangen 149
Slepen van de auto 150
Trekken van een aanhanger 151
Accessoires 153
PRAKTISCHE
INFORMATIE 128 153
Benzinemotoren 154
Gewichten auto's met
benzinemotoren 155
Dieselmotor 156
Gewichten auto's met
dieselmotoren 157
Afmetingen 158
Identifi catie 159
TECHNISCHE
GEGEVENS
154 160
AUDIO en
TELEMATICA 161 214
Urgence-oproep of
Assistance-oproep 161
Peugeot Connect Nav 163
Peugeot Connect Sound 195
INDEX 219 223
7
8
6
9
10
VISUELE INDEX 215 218
4
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
EXTERIEUR
Wegklapbaar dak
Het wegklapbare dak biedt u de moge-
lijkheid uw auto in een handomdraai om
te toveren van coupé naar cabriolet en
omgekeerd.
Statische bochtverlichting
Deze extra verlichting zorgt auto-
matisch voor een optimaal zicht in
bochten.
Parkeerhulp achter met grafische
weergave en geluidssignalen
Deze functie waarschuwt u tijdens het
achteruitrijden voor obstakels achter de
auto.
Controlesysteem bandenspanning
Deze functie bewaakt de banden-
spanning van alle banden en waar-
schuwt u in het geval van een lekke
band of een te lage bandenspanning.
Windscherm (Windstop)
In de cabriolet-stand zorgt het
windscherm ervoor dat de inzit-
tenden vóór minder last heb-
ben van de rijwind.
Bandenreparatieset
Deze complete set bestaat uit een
compressor en een fl acon met af-
dichtmiddel voor een tijdelijke repa-
ratie van de band.
6
83 99
128
61
118
i i
5
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
OPENEN
Sleutel met afstandsbediening
A. Uitklappen/inklappen van de sleutel.
B. Ontgrendelen van de auto.
C. Ontgrendelen en op een kier zetten
van het kofferdeksel.
En verder...
D. Normale vergrendeling
of
Supervergrendeling van de
auto.
Brandstoftank
1. Openen van de brandstofvulklep.
2. Openen en bevestigen van de
brandstofvuldop.
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer
50 liter.
Bagageruimte
Van buitenaf
Van binnenuit
1. Volledig ontgrendelen van de auto
of ontgrendelen van het kofferdek-
sel en ontgrendelen van de auto.
2. Openen van het kofferdeksel.
1. Sleutel in het contactslot.
2. Ontgrendelen met de schakelaar van
de centrale vergrendeling of met de
hendel voor openen van het portier.
Bij auto's met dieselmotoren is in
de opening van de brandstoftank
een speciale voorziening aange-
bracht waardoor het onmogelijk is
om benzine te tanken.
65
76
77
79
!
!
i
6
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
OPENEN
Wegklapbaar dak
Tijdens het wassen van uw auto:
- vergrendel de auto,
- sproei niet in de richting van het
bovenste gedeelte van de ruiten.
- houd bij het wassen van de
auto met een hogedrukreiniger
het uiteinde van de lans min-
stens 1 meter bij de ruiten en
de portierrubbers vandaan.
Wacht na het wassen van uw auto
of na een regenbui tot het dak is op-
gedroogd alvorens het te openen.
De bediening van het dak is vol-
ledig voor eigen risico van de be-
stuurder.
Let erop dat er zich, tijdens het
openen of sluiten van het dak,
geen personen in de buurt van
het bedieningsmechanisme bevin-
den; hiermee wordt risico op letsel
voorkomen.
Het is sterk af te raden het dak te
bedienen bij harde wind.
Het is raadzaam het dak bij draai-
ende motor te bedienen.
Dit is mogelijk als de wagensnel-
heid lager is dan 10 km/h.
Bij afgezette motor kunt u het dak
maximaal twee keer bedienen, om
te voorkomen dat de accu ontla-
den raakt.
Voorwaarden
Zet het contact aan.
Verzeker u ervan dat:
- de auto zich niet in de eco-mode
bevindt (zie de desbetreffende ru-
briek),
- de accuspanning voldoende is
(het verklikkerlampje op de be-
dieningsschakelaar van het dak
brandt),
- de zekering van het dak in orde is
(zie de desbetreffende rubriek),
- de ruitbediening is gereset (zie de
desbetreffende rubriek),
- de buitentemperatuur hoger is
dan -15 °C.
Voorzorgsmaatregelen vóór het
bedienen van het dak
Zet de auto stil op een horizontale
ondergrond.
Controleer of er geen voorwerpen
zijn die het bewegen van het dak
kunnen hinderen:
- er mogen geen voorwerpen op de
beweegbare hoedenplank 1 of op
het bagageafdekscherm 2 zijn ge-
plaatst,
- eventuele bagage mag het afdek-
scherm niet omhoogdrukken.
Zorg ervoor dat het bagageafdek-
scherm 2 goed is vastgemaakt.
Sluit het kofferdeksel op de juiste
manier.
Onderhoud
Open en sluit het dak minstens
één keer per maand volledig om
het systeem in perfecte staat te
houden.
i
!
!
7
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
OPENEN
Bewegingen van het wegklapbare dak
Openen van het dak
Trek aan deze schakelaar
tot het dak volledig is ge-
opend.
Sluiten van het dak
Druk op deze schakelaar tot
het dak volledig is gesloten.
Laat de schakelaar niet los als het
dak nog niet geheel geopend of
gesloten is.
Laat de schakelaar bij gevaar ech-
ter los; het dak stopt direct met
bewegen. Als het gevaar is gewe-
ken, kan de bediening van het dak
worden voltooid.
Als de beweging nog niet he-
lemaal is beëindigd, wordt u
gewaarschuwd door een geluids-
signaal en een melding op het
multifunctionele display die bij het
bereiken van bepaalde snelheden
zullen worden herhaald.
Overgang naar de stand "cabriolet":
- de vier ruiten worden geopend,
- het kofferdeksel gaat open,
- het dak wordt opgevouwen in de ba-
gageruimte,
- het kofferdeksel gaat dicht.
Door de schakelaar na het openen
of sluiten te blijven bedienen, wor-
den de vier ruiten gesloten.
De schakelaars van de ruitbediening
en de schakelaar voor het gelijktijdig
openen van de vier ruiten zijn tijdens
het bedienen van het dak geblokkeerd.
De elektronische eenheid van de
dakbediening kan de beweging
van het dak uit voorzorg onder-
breken (bijvoorbeeld: snel achter
elkaar openen en sluiten van de
portieren en het dak). Laat in dat
geval de schakelaar los en bedien
de schakelaar vervolgens op-
nieuw om de gewenste beweging
van het dak te beëindigen.
Storing
Trek in het geval van een storing
van het dak de handrem aan, zet
het contact af, start de motor op-
nieuw en probeer het dak nog-
maals te openen of sluiten.
Raadpleeg het PEUGEOT-net-
werk als het probleem zich blijft
voordoen.
Overgang naar de stand "coupé":
- de vier ruiten worden geopend,
- het kofferdeksel gaat open,
- het dak vouwt zich uit en wordt auto-
matisch vergrendeld,
- het kofferdeksel gaat dicht.
Het einde van deze beweging wordt be-
vestigd door een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display.
Het einde van deze beweging wordt be-
vestigd door een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display.
8
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
INTERIEUR
Airconditioning met gescheiden
regeling
Deze functie maakt het mogelijk de air-
conditioning voor de bestuurders- en
passagierszijde afzonderlijk in te stellen.
Aan de hand van deze instellingen en de
weersomstandigheden wordt de aircondi-
tioning vervolgens automatisch geregeld.
Automatische transmissie
Deze uitvoering combineert de voor-
delen van zowel een volautomatische
functie, met twee specifi eke program-
ma's, als een handgeschakelde functie.
Audio- en
communicatiesystemen
Deze systemen kunnen zijn voorzien
van de nieuwste technologie: de MP3-
compatible Peugeot Connect Sound, de
Peugeot Connect USB met Bluetooth
handsfree set, of de Peugeot Connect
Nav met kleurendisplay 16x9, het JBL
audiosysteem, extra aansluitingen.
Peugeot Connect Nav
Ruitbediening
Aan bestuurderszijdse worden
de ruiten automatisch elektrisch
geopend en gesloten.
163
195
202
71
111
50
Peugeot Connect Sound
Peugeot Connect USB
9
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
COCKPIT
1. Schakelaar snelheidsregelaar/-
begrenzer.
2. Hendel stuurwielverstelling.
3. Schakelaar verlichting en
richtingaanwijzers.
4. Instrumentenpaneel.
5. Airbag bestuurder.
Claxon.
6. Versnellingshendel.
7. Handrem.
8. Schakelaar wegklapbaar dak.
Schakelaar ruitbediening (4 ruiten
tegelijk).
9. Hendel motorkapontgrendeling.
10. Schakelaars buitenspiegels.
Schakelaars ruitbediening.
11. Zekeringkast.
12. Koplampverstelling.
13. Verstelbaar en afsluitbaar
zijventilatierooster.
14. Zijruitontwaseming.
15. Luidspreker (medium/tweeter).
16. Voorruitontwaseming.
10
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
COCKPIT
1. Contact-/stuurslot.
2. Stuurkolomschakelaar autoradio.
3. Schakelaar ruitenwissers/
ruitensproeiers/boordcomputer.
4. Schakelaar alarmknipperlichten.
5. Multifunctioneel display.
Verklikkerlampjes
veiligheidsgordels.
6. Zonnesensor.
7. Airbag passagier.
8. Dashboardkastje/Uitschakeling
airbag aan passagierszijde/
Aansluitingen audio/video.
9. Schakelaar stoelverwarming.
10. 12V-aansluiting.
11. USB-aansluiting.
12. Schakelaar elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP/ASR).
Schakelaar centrale vergrendeling.
Schakelaar alarm.
13. Bedieningspaneel verwarming/
airconditioning.
14. Opbergvak.
15. Audio-en telematicasysteem.
16. Middelste verstelbare en afsluitbare
ventilatieroosters.
i
!
11
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
COMFORT
En verder...
5. Toegang tot de achterzitplaatsen.
6. Stoelverwarming.
Voorstoel verstellen Stuurwiel verstellen
1. Verstelling in lengterichting.
2. Hoogteverstelling.
3. Rugleuningverstelling.
4. Hoogteverstelling van de hoofd-
steun.
1. Ontgrendelen van het stuurwiel met
de hendel.
2. Verstellen van het stuurwiel in hoog-
te en diepte.
3. Vergrendelen van het stuurwiel met
de hendel.
Uit veiligheidsoverwegingen moe-
ten deze handelingen bij stilstaan-
de auto worden uitgevoerd.
52
54
i
12
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
COMFORT
Buitenspiegels verstellen
A. Selecteren van de buitenspiegel.
B. Verstellen van de buitenspiegel.
C. In de middenstand zetten van de se-
lectieschakelaar.
En verder...
D. Inklappen/uitklappen.
Binnenspiegel instellen
1. Selecteren van de dagstand van de
spiegel.
2. Verstellen van de binnenspiegel.
Veiligheidsgordels vóór
A. Omdoen van de riem.
B. Vastmaken van de gesp.
C. Controleren of de riem goed vast zit
door aan de riem te trekken.
55
56
103
i
13
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
ZICHT
Verlichting Ruitenwissers
Ring B
Mistlampen vóór en mistachter-
licht.
Ring A Schakelaar A: ruitenwissers vóór
2. Hoge snelheid.
1. Normale snelheid.
I. Interval.
0. Uit
Eén keer wissen.
Ruitensproeiers: trek de schakelaar
naar u toe.
Uit.
Automatisch inschakelen ver-
lichting.
Parkeerlicht.
Dimlicht/grootlicht.
Op dit moment zijn de automati-
sche ruitenwissers niet beschik-
baar bij de 207 CC.
80 81 84
14
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
VENTILATIE
Aanbevolen instellingen
Automatische airconditioning: het is raadzaam de volautomatische werking te selecteren met de toets "AUTO".
Gewenste werking
Verwarming of handbediende airconditioning
Luchtverdeling
Luchtopbrengst
Luchtrecirculatie/
Toevoer van buitenlucht
Temperatuur
Handbediende
Airconditioning
WARM
KOUD
ONTWASEMEN
ONTDOOIEN
15
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Instrumentenpaneel Rij drukschakelaars
A. Als het contact wordt aangezet,
moet de wijzer van de brandstofme-
ter omhoog gaan.
B.
Bij draaiende motor moet het verklikker-
lampje laag brandstofniveau uitgaan.
C.
Als het contact wordt aangezet, moet
de motorolieniveaumeter enkele secon-
den de melding "OIL OK" weergeven.
Ga indien nodig tanken of vul olie bij.
Het branden van een verklikkerlampje
geeft de staat van de desbetreffende
functie aan.
A. Uitschakeling ESP/ASR.
1. Als het contact wordt aangezet,
gaan de oranje en rode verklikker-
lampjes branden.
2. Bij draaiende motor moeten deze
lampjes weer uitgaan.
Raadpleeg de desbetreffende bladzijde
als er lampjes blijven branden.
Verklikkerlampjes
B. Centrale vergrendeling.
C. Uitschakeling interieurbeveiliging.
20
21
101
74
69
!
16
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
Airbag voorpassagier Contactslot
1. Open het dashboardkastje.
2. Steek de sleutel in de schakelaar.
3. Selecteer de stand:
"ON" (inschakelen) wanneer een
passagier op de voorstoel zit of een
kinderzitje "met het gezicht in de rij-
richting" is bevestigd,
"OFF" (uitschakelen) wanneer een
kinderzitje "met de rug in de rijrich-
ting" is bevestigd.
4. Verwijder de sleutel zonder de stand
van de schakelaar te veranderen.
1. Stand Stop .
2. Stand Contact .
3. Stand Starten .
A. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
links voor niet vastgemaakt of los-
gemaakt (rood).
B. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
rechts voor niet vastgemaakt of los-
gemaakt (rood).
Veiligheidsgordels voor
Zorg dat er geen gewicht (bijvoor-
beeld een zware sleutelhanger...)
aan de sleutel hangt: dit kan na-
melijk storingen aan het contact-
slot veroorzaken.
VEILIGHEID VOOR DE INZITTENDEN
STARTEN
106
103
67
17
IN EEN OOGOPSLAG
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
RIJDEN
Snelheidsbegrenzer "LIMIT"
Weergave op het instrumentenpaneel
1. Selecteren/deactiveren van de snel-
heidsbegrenzer.
2. Verlagen van de ingestelde snel-
heid.
3. Verhogen van de ingestelde snelheid.
4. Snelheidsbegrenzing aan/uit.
Het instellen van de snelheid is alleen
mogelijk bij draaiende motor.
Als de snelheidsregelaar of -begrenzer
is ingeschakeld, verschijnen de instel-
lingen van het systeem op het instru-
mentenpaneel.
1. Selecteren/deactiveren van de snel-
heidsregelaar.
2. Verlagen van de ingestelde snelheid.
3. Verhogen van de ingestelde snelheid.
4. Snelheidsregeling aan/uit.
Het instellen van een snelheid en het
activeren van de snelheidsregelaar is
alleen mogelijk bij een wagensnelheid
hoger dan 40 km/h, vanaf de vierde ver-
snelling bij een handgeschakelde ver-
snellingsbak (tweede bij automatische
transmissie).
Snelheidsregelaar "CRUISE"
Snelheidsregelaar
Snelheidsbegrenzer
114
116
18
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
ECO-RIJDEN
Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO
2
-uitstoot van
uw auto verminderen.
Maak optimaal gebruik van de versnellingsbak
Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnel-
lingsbak, rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de
tweede versnelling in en schakel bij het accelereren bij
voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling.
Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie
of een elektronisch gestuurde versnellingsbak, gebruik dan
bij voorkeur de automatische stand en trap het gaspedaal
niet bruusk of diep in.
De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schake-
len die het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg
het op het instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies
zo snel mogelijk op.
Bij auto's met een elektronisch gestuurde versnellingsbak
of een automatische transmissie wordt de opschakelindica-
tor uitsluitend in de handmatige stand weergegeven.
Kies voor een soepele rijstijl
Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op
de motor in plaats van het rempedaal te gebruiken en trap
het gaspedaal geleidelijk in. Als u deze aanwijzingen na-
leeft, neemt het brandstofverbruik en de CO
2
-uitstoot af en
wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt.
Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht
voldoende is.
Laat de motor vooral 's winters na het starten niet statio-
nair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto
warmt sneller op als u rijdt.
Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur
(DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer, enz.) op de auto
aan om het elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofver-
bruik, te beperken.
Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat.
Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf
een snelheid van ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar
(indien aanwezig).
Gebruik op slimme wijze de elektrische voorzieningen
Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto
hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatie-
roosters alvorens de airconditioning in te schakelen.
Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de
ventilatieroosters geopend.
Gebruik de voorzieningen in het interieur die de tempera-
tuurstijging kunnen beperken (blinderingspaneel van het
panoramadak, zonneschermen, enz.).
Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste tempe-
ratuur is bereikt (behalve bij auto's met een automatische
airconditioning).
Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit
zodra deze niet meer nodig zijn als deze niet automatisch
worden aangestuurd.
Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
19
207cc_nl_Chap00b_prise en main_ed01-2014
Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik
Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de
zwaarste voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk
bij de achterbank.
Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, im-
periaal, etsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Ge-
bruik liever een dakkoffer.
Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal.
Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, olie-
lter, luchtfi lter en interieurfi lter vervangen, enz.) en houd u
daarbij aan het in het garantie- en onderhoudsboekje voor-
geschreven interval.
Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer
afslaan; zo voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt.
Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden
door zomerbanden.
Houd u aan de onderhoudsvoorschriften
Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude ban-
den), houd u daarbij aan de bandenspanning die staat
vermeld op de sticker op de portiersponning aan bestuur-
derszijde.
Controleer de bandenspanning met name:
- voor een lange rit,
- bij de wisseling van de seizoenen,
- als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.
Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van
de wielen van de aanhanger of de caravan te controleren.
U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het
gemiddelde brandstofverbruik zich stabiliseert.
1
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
20
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
INSTRUMENTENPANELEN BENZINE - DIESEL MET HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK OF AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
De klokken en verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel geven informatie over
de werking van de auto.
5. Display.
6. Knop nulstelling.
Knop voor de nulstelling van de ge-
selecteerde functie (dagtellerof on-
derhoudsindicator).
7. Dimmer dashboardverlichting.
Knop voor de instelling van de licht-
sterkte van de dashboardverlich-
ting.
8. Automatische transmissie.
Geeft het geselecteerde program-
ma en de ingeschakelde versnelling
aan.
Klokken
1. Toerenteller.
Geeft het motortoerental aan
(x 1.000/min).
2. Brandstofniveaumeter.
Geeft de resterende hoeveelheid
brandstof in de tank aan.
3. Koelvloeistoftemperatuurmeter.
Geeft de koelvloeistoftemperatuur
aan (°Celsius).
4. Snelheidsmeter.
Geeft de wagensnelheid aan(km/h
of mph).
A. Snelheidsbegrenzer
of
Snelheidsregelaar.
(km/h of mph)
B. Dagteller.
(km of miles)
C. Onderhoudsindicator.
(km of miles), vervolgens:
Motorolieniveaumeter.
vervolgens:
Kilometerteller.
(km of miles)
Deze drie functies worden achter-
eenvolgens weergegeven als het
contact wordt aangezet.
Display
Raadpleeg voor meer informatie
over de werking en de weergave
van een bepaalde functie de des-
betreffende rubriek.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
21
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
VERKLIKKERLAMPJES
De verklikkerlampjes geven de bestuurder informatie over de werking van een sys-
teem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of waarschuwen de bestuurder in het geval
van een storing (waarschuwingslampje).
Bij het aanzetten van het contact
Als het contact wordt aangezet, gaan bepaalde waarschuwingslampjes enkele se-
conden branden.
Zodra de motor wordt gestart, moeten deze lampjes weer uitgaan.
Als het lampje blijft branden, controleer dan voordat u gaat rijden welke functie het betreft.
Verklikkerlampjes kunnen constant
branden of knipperen.
Een aantal verklikkerlampjes heeft
beide mogelijkheden. Of het con-
stant branden of knipperen van
een verklikkerlampje duidt op een
storing, is afhankelijk van de wer-
kingsfase van de auto.
Bijbehorende waarschuwingen
Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan branden in combinatie met een geluids-
signaal en een melding op het multifunctionele display.
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Richtingaanwijzer
links
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar
omlaag beweegt.
Richtingaanwijzer
rechts
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar
omhoog beweegt.
Dimlicht permanent.
De lichtschakelaar staat in
de stand "Dimlicht".
Grootlicht permanent.
Als u de lichtschakelaar
naar u toe trekt.
Trek aan de lichtschakelaar om terug te
schakelen naar dimlicht.
Verklikkerlampjes ingeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie is inge-
schakeld.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
22
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Mistlampen
vóór
permanent.
De mistlampen vóór zijn
ingeschakeld.
Draai de ring twee standen naar achteren om de
mistlampen vóór uit te schakelen.
Mistachterlichten
permanent.
De mistachterlichten zijn
ingeschakeld.
Draai de ring naar achteren om de
mistachterlichten uit te schakelen.
Voorgloeien
dieselmotor
permanent.
Het contactslot staat in de
tweede stand (Contact).
Wacht met starten tot het controlelampje is gedoofd.
De wachttijd is afhankelijk van de
weersomstandigheden.
Handrem permanent.
De handrem is
aangetrokken of niet goed
vrijgezet.
Zet de handrem vrij zodat het controlelampje
uitgaat; trap het rempedaal in.
Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.
Raadpleeg de rubriek "Handrem" voor meer
informatie over de handrem.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
23
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld.
Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display.
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Passagiersairbag
permanent.
De schakelaar in het
dashboardkastje staat in de
stand " OFF ".
De frontairbag aan
passagierszijde is
uitgeschakeld.
U kunt een kinderzitje met
de "rug in de rijrichting"
plaatsen, behalve in het
geval van een storing
in het airbagsysteem
(verklikkerlampje airbags
brandt).
Zet de schakelaar in de stand " ON " om de
frontairbag aan passagierszijde in te schakelen.
Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen
kinderzitje met de "rug in de rijrichting".
ESP/ASR permanent.
De toets lin het midden
van het dashboard
wordt ingedrukt. Het
bijbehorende controle-
lampje gaat branden.
De functie ESP/ASR wordt
uitgeschakeld.
ESP: dynamische stabiliteits-
controle.
ASR: antispinregeling.
Druk opnieuw op de toets om de functie ESP/
ASR handmatig weer in te schakelen. Het
controlelampje dooft.
Het systeem wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld bij snelheden hoger dan ongeveer
50 km/h.
De functie ESP/ASR wordt automatisch weer
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
24
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Waarschuwingslampjes
Als bij draaiende motor of tijdens het rijden
een van de volgende waarschuwings-
lampjes gaat branden, wijst dit op een
storing in het desbetreffende systeem en
moet de bestuurder actie ondernemen.
Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat
branden de aanvullende informatie, die via een melding op het multifunctio-
nele display wordt weergegeven.
Raadpleeg indien nodig het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
STOP
permanent, alleen
of in combinatie
met een ander
waarschuwingslampje,
een geluidssignaal en
een melding op het
display.
Dit verklikkerlampje brandt bij:
- een ernstige storing aan
het remsysteem,
- een te hoge
koelvloeistoftemperatuur,
- een lekke band.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige
plaats, omdat de motor onder het rijden kan
afslaan.
Zet het contact af en neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Service
tijdelijk.
Er is een kleine storing
opgetreden waarbij geen
specifi ek verklikkerlampje
gaat branden.
Identifi ceer de storing met behulp van de melding op
het display zoals bijvoorbeeld:
- het motorolieniveau,
- het niveau van de ruitensproeiervloeistof,
- de batterij van de afstandsbediening,
- vervuiling van het roetfi lter, bij uitvoeringen met
dieselmotor (zie de rubriek "Roetfi lter (diesel)").
Raadpleeg in andere gevallen het PEUGEOT-
netwerk of eengekwalifi ceerde werkplaats.
permanent.
Er is een ernstige storing
opgetreden waarbij geen specifi ek
verklikkerlampje gaat branden.
Identifi ceer de storing met behulp van de melding op
het display en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Remsysteem
permanent, in
combinatie met
het STOP-lampje.
Het remvloeistofniveau is
te laag.
Stop onmiddellijk op een veilige plek. Vul het niveau
bij met remvloeistof voorzien van een artikelnummer
van PEUGEOT. Als het probleem zich blijft voordoen,
laat het systeem dan controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door eengekwalifi ceerde werkplaats.
+
permanent, in
combinatie met het
waarschuwingslampje
ABS en het STOP-lampje.
Er is een storing in
de elektronische
remdrukregelaar (EBD).
Stop onmiddellijk op een veilige plek.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalifi ceerde werkplaats.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
25
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Antiblokkeersysteem
(ABS)
permanent.
Er is een storing in het
antiblokkeersysteem.
De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg
zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalifi ceerde werkplaats.
Dynamische
stabiliteitscontrole
(CDS/ASR)
knippert.
De CDS-/ASR-regeling is
actief.
Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt
voor een betere koersstabiliteit.
permanent.
Storing in het CDS-/ASR-systeem,
tenzij deze is uitgeschakeld (toets
ingedrukt en verklikkerlampje van
de toets brandt).
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalifi ceerde
werkplaats.
Zelfdiagnose
motor
knippert.
Er is een storing in het
motormanagementsysteem.
Kans op beschadiging van de katalysator.
Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk
of door een gekwalifi ceerde werkplaats.
permanent.
Er is een storing in de
emissieregeling.
Het verklikkerlampje moet doven als de motor
wordt gestart.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een ge-
kwalifi ceerde werkplaats als dit niet het geval is.
Laag
brandstofniveau
permanent.
Als het lampje gaat branden
zit er nog ongeveer 5 liter
brandstof in de tank.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat
u met een lege tank strandt.
Dit verklikkerlampje gaat elke keer na het
aanzetten van het contact branden zolang er niet
voldoende brandstof getankt is.
Inhoud brandstoftank: ongeveer 50 liter
(Benzine) of 48 liter (Diesel).
Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,
hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het
injectiesysteem beschadigd raken.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
26
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Te hoge
koelvloeistoftemperatuur
permanent
rood.
De temperatuur van de
koelvloeistof is te hoog.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Wacht met het eventueel bijvullen van de
koelvloeistof tot de motor is afgekoeld.
Als het probleem zich blijft voordoen, raadpleeg
dan het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats.
Motoroliedruk permanent.
Er is een storing in de
motorsmering.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Parkeer de auto, zet het contact af en raadpleeg
het PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats.
Laadstroom
accu *
permanent.
Er is een storing in het
laadstroomcircuit van de accu
(vervuilde of losgeraakte
accuklemmen, aandrijfriem
dynamo niet correct
gespannen of gebroken...).
Het lampje moet bij het starten van de motor
uitgaan.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalifi ceerde werkplaats als dit niet het geval is.
Een of meer
portier e n
geopend
permanent, bij
een snelheid
lager dan
10 km/h.
Een portier, de achterklep
of de achterruit is niet goed
gesloten.
Sluit het desbetreffende carrosseriedeel.
permanent in
combinatie
met een
geluidssignaal,
bij een snelheid
hoger dan
10 km/h.
* Volgens land van bestemming.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
27
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Controlelampje brandt Oorzaak Acties / Opmerkingen
Airbags
tijdelijk.
Het lampje brandt
gedurende enkele
seconden en dooft als het
contact wordt aangezet.
Het lampje moet doven zodra de motor wordt
gestart.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalifi ceerde werkplaats als dit niet het geval is.
permanent.
Er is een storing in
een van de airbags
of de pyrotechnische
gordelspanners.
Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Veiligheidsgordel
niet vastgemaakt
of losgemaakt.
permanent, en
knippert vervolgens
in combinatie met
een in volume
toenemend
geluidssignaal.
De bestuurder en/of de
voorpassagier heeft zijn
veiligheidsgordel niet
vastgemaakt of losgemaakt.
Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de
gesphouder.
Stuurbekrachtiging
permanent.
Er is een storing met
betrekking tot de
stuurbekrachtiging.
Rijd voorzichtig en met lage snelheid.
Laat het systeem nakijken door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Aanwezigheid
water in
brandstof
permanent.
Er bevindt zich water in het
brandstoffi lter.
Risico van beschadiging van het inspuitsysteem
bij dieselmotoren.
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Bochtverlichting
knippert.
Er is een storing in de
bochtverlichting.
Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Lekke band blijft branden.
Eén of meerdere
banden zijn lek of de
bandenspanning is te laag.
Stop onmiddellijk maar vermijd abrupte
manoeuvres met het stuur en de remmen.
Repareer of vervang de beschadigde band en laat
de bandenspanning zo snel mogelijk controleren.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
28
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Onderhoudsindicator
De onderhoudsindicator geeft aan hoe-
veel kilometer u nog verwijderd bent
van het eerstvolgende onderhoud vol-
gens het onderhoudsschema van de
fabrikant.
Deze afstand wordt berekend vanaf de
laatste nulstelling van de onderhouds-
indicator op basis van de afgelegde
afstand en de verstreken tijd sinds de
laatste onderhoudsbeurt.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is meer dan 1.000 km
Als het contact wordt aangezet, gaat
gedurende enkele seconden de onder-
houdssleutel branden. De kilometertel-
ler geeft de resterende kilometers tot
het eerstvolgende onderhoud aan.
Voorbeeld: De afstand tot het eerstvol-
gende onderhoud bedraagt 4.800 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft
het display gedurende enkele secon-
den 4.800 km aan:
Enkele seconden na het aanzetten van
het contact verdwijnt de sleutel ; de
teller geeft weer de kilometerstand en
de stand van de dagteller aan.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is minder dan 1.000 km
Voorbeeld: de afstand tot het eerstvol-
gende onderhoud bedraagt 900 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft
het display gedurende enkele secon-
den 900 km aan:
Enkele seconden na het aanzetten
van het contact treedt de kilometertel-
ler weer in werking en blijft de sleutel
branden om aan te geven dat er bin-
nenkort onderhoudswerkzaamheden
uitgevoerd moeten worden.
1
i
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
29
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Als u na deze handeling de accu
wilt loskoppelen, vergrendel dan de
auto en wacht minimaal 5 minuten.
Het op 0 zetten van de onderhouds-
indicator zal anders niet worden
opgeslagen.
Op 0 zetten van de
onderhoudsintervaldicator
De onderhoudsintervalindicator moet
na elke onderhoudsbeurt op 0 gezet
worden.
Voer dit als volgt uit:
zet het contact af,
druk op de resetknop van de dagtel-
ler en houd deze ingedrukt,
zet het contact aan; de kilometertel-
ler begint terug te tellen,
laat de knop los als het display
"=0" aangeeft; de sleutel verdwijnt.
De factor tijd kan worden mee-
gewogen bij de nog af te leggen
kilometers, afhankelijk van de rij-
gewoonten van de bestuurder.
De sleutel kan ook gaan branden
als de in het garantie- en onder-
houdsboekje vermelde tijd sinds de
laatste onderhoudsbeurt is over-
schreden.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is overschreden
Als het contact wordt aangezet, gaat
gedurende enkele seconden de sleutel
knipperen om aan te geven dat de on-
derhoudswerkzaamheden zo spoedig
mogelijk uitgevoerd moeten worden.
Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgen-
de onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.
Als het contact wordt aangezet, geeft het dis-
play gedurende enkele seconden -300 km aan:
Enkele seconden na het aanzetten
van het contact treedt de kilometertel-
ler weer in werking en blijft de sleutel
branden .
1
i
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
30
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Een controle van het olieniveau
is alleen betrouwbaar als de auto
op een vlakke, horizontale onder-
grond staat en de motor minstens
30 minuten niet heeft gedraaid.
Motorolieniveaumeter *
Olieniveau correct
Te weinig olie
Storing in de motorolieniveaumeter
Als de aanduiding "OIL" knippert in
combinatie met het verklikkerlampje
Service, een geluidssignaal en een
melding, is het motorolieniveau te laag.
Controleer het olieniveau met de peil-
stok. Als blijkt dat het olieniveau te laag
is, moet olie worden bijgevuld om te
voorkomen dat ernstige motorschade
ontstaat.
Zie de rubriek "Controle van de niveaus".
Als de aanduiding "OIL --" knippert,
duidt dit op een storing in de motorolie-
niveaumeter.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Bij uitvoeringen met een elektrische
motorolieniveaumeter wordt na het
aanzetten van het contact eerst de
onderhoudsindicator weergegeven en
vervolgens gedurende enkele secon-
den het motorolieniveau.
* Volgens uitvoering.
Bij een storing in de elektrische
motorolieniveaumeter wordt het
motorolieniveau niet meer gecon-
troleerd.
Zolang het systeem defect is, moet
u het motorolieniveau met de peil-
stok in de motorruimte meten.
Zie de rubriek "Controle van de ni-
veaus".
1
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
31
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Koelvloeistoftemperatuurmeter
De koelvloeistoftemperatuurmeter geeft
de bestuurder tijdens het rijden informa-
tie over de koelvloeistoftemperatuur.
Als bij draaiende motor de wijzer zich
bevindt in:
- zone A , is de temperatuur in orde,
- zone B , is de temperatuur te hoog.
Het verklikkerlampje te hoge koel-
vloeistoftemperatuur 1 gaat branden
in combinatie met het verklikker-
lampje STOP , een geluidssignaal
en een melding op het multifunctio-
nele display.
Stop zo snel mogelijk op een veilige
plaats.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
De temperatuur en de druk in het koel-
circuit beginnen na enkele minuten rij-
den te stijgen.
Alvorens koelvloeistof bij te vullen:
wacht tot de motor is afgekoeld,
draai de dop twee omwentelingen
los om de druk te laten dalen,
verwijder vervolgens de dop,
vul bij tot aan het merkteken "MAXI"
(cirkelvormig streepje).
Bij de benzinemotoren wordt de
motorkoeling elektronisch aange-
stuurd om het brandstofverbruik te
verminderen. De koelvloeistoftem-
peratuur is dus niet meer alleen af-
hankelijk van de buitentemperatuur
en de gebruiksomstandigheden
van de auto.
Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de
koelvloeistoftemperatuur in stads-
verkeer bij koud weer iets hoger is
dan bij warm weer (bij de normale
werking kan een temperatuur ont-
staan die hoger is dan 100°).
1
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
32
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Kilometerteller en dagteller Dimmer dashboardverlichting
U kunt de lichtsterkte van de dashboardver-
lichting handmatig aanpassen aan het licht
van de omgeving. De dimmer van de dash-
boardverlichting kan alleen worden gebruikt
als de verlichting van de auto is ingescha-
keld, uitgezonderd de dagrijverlichting.
De kilometerteller en dagteller worden
gedurende 30 seconden weergegeven
bij het afzetten van het contact, bij het
openen van het bestuurdersportier en
bij het vergrendelen en ontgrendelen
van de auto.
Dagteller
De dagteller geeft het aantal gereden
kilometers weer nadat de bestuurder de
teller op 0 heeft gezet.
Actief
Druk op de knop om de sterkte van
de dashboardverlichting te variëren.
Als de verlichting de zwakste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer feller te maken.
of
Als de verlichting de sterkste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer zwakker te maken.
Laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.
Inactief
De dashboardverlichting kan niet wor-
den ingesteld als de verlichting van de
auto is uitgeschakeld of, bij auto's met
dagrijverlichting, in de dagstand staat.
Druk bij aangezet contact op de
knop tot de dagteller op 0 staat.
Verander om aan de plaatselijke regel-
geving te kunnen voldoen de eenheid
van de afstand (km of mijl) zodat deze
overeenkomt met de eenheid die wordt
gebruikt in het land waar u zich bevindt.
Dit kunt u doen via het confi guratiemenu.
Kilometerteller
De kilometerteller geeft de totale kilo-
meterstand van de auto aan.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
33
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
MONOCHROOM DISPLAY A (ZONDER
PEUGEOT CONNECT SOUND)
Toetsen Algemeen menu
Het display kan met behulp van drie
toetsen worden bediend:
- "Retour" om de uitgevoerde han-
deling af te breken,
- "MENU" om een overzicht van de
menu's of submenu's weer te geven,
- "OK" om het gewenste menu of
hulpmenu te selecteren.
Druk op de toets "MENU" om een
overzicht van de diverse menu's in
het algemene menu weer te geven:
- confi guratie van de auto,
- opties,
- instellingen display,
- talen,
- eenheden.
Druk op de toets "OK" om het
gewenste menu te selecteren.
Weergave op het display
Dit display kan de volgende informatie
weergeven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur * (de tempera-
tuur knippert bij kans op gladheid),
- controle van te openen carrosserie-
delen (portieren, achterklep, ...),
- informatie van de boordcomputer
(zie de desbetreffende rubriek).
Het display kan tijdelijk waarschuwings-
meldingen (bijv.: "Storing emissierege-
ling") of informatie (bijv.: "Achterklep
open") weergeven. Deze kunnen wor-
den gewist door op de toets "Retour"
te drukken.
* Uitsluitend bij auto's met airconditioning.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
34
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Confi guratie van de auto
Opties
Als het menu "Opties" is geselecteerd,
kan de status van de verschillende
functies worden weergegeven (geacti-
veerd, gedeactiveerd, storing).
Talen
Als het menu "Talen" is geselecteerd,
kan de taal van de weergave van het
display worden gewijzigd (Français,
Italiano, Nederlands, Portugues, Por-
tugues-Brasil, Deutsch, English, Es-
pañol).
Instellingen display
Als het menu "Instellingen disp." is ge-
selecteerd, kunnen de volgende para-
meters worden ingesteld:
- jaar,
- maand,
- dag,
- uren,
- minuten,
- tijdsaanduiding in 12 of 24 uur.
Eenheden
Als het menu "Eenheden" is geselec-
teerd, kunnen de eenheden van de vol-
gende parameters worden gewijzigd:
- temperatuur (°C of °F),
- brandstofverbruik (l/100 km, mpg of
km/l).
Selecteer een parameter en druk op
de toets "OK" om de waarde te wij-
zigen.
Wacht ongeveer 10 seconden tot de
gewijzigde waarde is opgeslagen of
druk op de toets "Retour" om de
uitgevoerde handeling af te breken.
Vervolgens keert het display terug naar
het vorige scherm.
Als het menu "Confi g. auto" is geselec-
teerd, kunnen de volgende functies ge-
activeerd of gedeactiveerd worden:
- de bochtverlichting (zie de rubriek
"Zicht"),
- de follow me home-verlichting (zie
het hoofdstuk "Zicht").
Om veiligheidsredenen mag de be-
stuurder het multifunctionele dis-
play alleen bedienen als de auto
stilstaat.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
35
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
MONOCHROOM DISPLAY A
Toetsen
Weergave op het display
Dit display kan de volgende informatie
weergeven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur * (er verschijnt
een melding bij kans op gladheid),
- controle van te openen carrosserie-
delen (portieren, achterklep...),
-
informatie van de autoradio (radio, CD...),
- de boordcomputerfuncties (zie de
desbetreffende rubriek).
Het display kan tijdelijk waarschuwings-
meldingen (bijv.: "Storing emissierege-
ling") of informatie (bijv.: "Achterklep
open") weergeven. Deze kunnen wor-
den gewist door op de toets "Retour"
te drukken.
Algemeen menu
Druk op de toets "MENU" om het
algemene menu weer te geven en
op de toets " " of " " om door de
items op het display te scrollen:
- radio-CD,
- confi guratie van de auto,
- opties,
- instellingen display,
- talen,
- eenheden.
Druk op de toets "OK" om het ge-
wenste menu te selecteren.
Druk op het bedieningspaneel van uw
Peugeot Connect Sound:
op de toets "MENU" voor toegang
tot het algemene menu ,
op de toets " " of " " om door de
items op het display te scrollen,
op de toets "MODE" om de perma-
nent weergegeven toepassing te
wijzigen (boordcomputer, audio...),
op de toets " " of " " om de waar-
de van een instelling te wijzigen,
op de toets "OK" om te bevestigen,
of
op de toets "Retour" om de uitge-
voerde handeling af te breken.
Radio-CD
Als de Peugeot Connect Sound is in-
geschakeld en het menu "Radio-CD" is
geselecteerd, kunnen de functies van
de radio (RDS, REG) of de CD-speler
(introscan, willekeurig afspelen, herha-
len van CD) worden geactiveerd of ge-
deactiveerd.
Raadpleeg voor meer informatie over
de radio/CD-speler de rubriek Peugeot
Connect Sound.
* Uitsluitend bij auto's met airconditioning.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
36
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Om veiligheidsredenen mag de be-
stuurder het multifunctionele dis-
play alleen bedienen als de auto
stilstaat.
Instellingen display
Als het menu "Instellingen disp." is ge-
selecteerd, kunnen de volgende para-
meters worden ingesteld:
- jaar,
- maand,
- dag,
- uren,
- minuten,
- tijdsaanduiding in 12 of 24 uur.
Talen
Als het menu "Talen" is geselecteerd,
kan de taal van de weergave van het
display worden gewijzigd (Français,
Italiano, Nederlands, Portugues, Por-
tugues-Brasil, Deutsch, English, Es-
pañol).
Eenheden
Als het menu "Eenheden" is geselec-
teerd, kunnen de eenheden van de vol-
gende parameters worden gewijzigd:
- temperatuur (°C of °F),
- brandstofverbruik (l/100, mpg of
km/l).
Selecteer een parameter en druk op
de toets " " of " " om de waarde
te wijzigen.
Druk op de toets " " of " " om de
vorige of volgende parameter te se-
lecteren.
Druk op de toets "OK" om de gewij-
zigde waarde op te slaan en terug
te keren naar het vorige scherm of
druk op de toets "Retour" om de
uitgevoerde handeling af te breken.
Confi guratie van de auto
Opties
Als het menu "Opties" is geselecteerd,
kan de status van de verschillende
functies worden weergegeven (geacti-
veerd, gedeactiveerd, storing).
Als het menu "Confi g. auto" is geselec-
teerd, kunnen de volgende functies ge-
activeerd of gedeactiveerd worden:
- de bochtverlichting (zie het hoofd-
stuk "Zicht"),
- de follow me home-verlichting (zie
het hoofdstuk "Zicht").
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
37
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
MONOCHROOM DISPLAY C
* Uitsluitend bij auto's met airconditioning.
Weergave op het display
Dit display kan de volgende informatie
weergeven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur * (de tempera-
tuur knippert bij kans op gladheid),
- controle van te openen carrosserie-
delen (portieren, achterklep...),
- audiofuncties (radio, CD...),
- informatie van de boordcomputer
(zie de desbetreffende rubriek).
Het display kan tijdelijk waarschuwings-
meldingen (bijv.: "Storing emissierege-
ling") of informatie (bijv.: "Automatische
verlichting actief") weergeven. Deze
kunnen worden gewist door op de toets
"Retour" te drukken.
Druk op het bedieningspaneel van de
uw Peugeot Connect Sound:
op de toets "MENU" voor toegang
tot het algemene menu ,
op de toets " " of " " om door de
items op het display te scrollen,
op de toets "MODE" om de perma-
nent weergegeven toepassing te
wijzigen (boordcomputer, audio...),
op de toets " " of " " om de waar-
de van een instelling te wijzigen,
op de toets "OK" om te bevestigen,
of
op de toets "Retour" om de uitge-
voerde handeling af te breken.
Druk op de toets "MENU" om het
algemene menu weer te geven :
- audiofuncties,
- boordcomputer,
- persoonlijke instellingen - confi gu-
ratie,
- telefoon (handsfree set).
Druk op de toets " " of " " om het
gewenste menu te selecteren en
bevestig door op de toets "OK" te
drukken.
Toetsen Algemeen menu
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
38
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Druk op de toets "MENU" voor toe-
gang tot het algemene menu.
Druk op de pijlen en vervolgens
op de toets "OK" om het menu
"Boordcomputer" te selecteren.
Kies in het menu "Boordcomputer"
één van de volgende functies:
Menu "Audiofuncties"
Als de autoradio Peugeot Connect
Sound is ingeschakeld en dit menu is
geselecteerd, kunnen de functies van
de radio (RDS, REG, RadioText) of de
CD-speler (introscan, willekeurig afspe-
len, herhalen van CD) worden geacti-
veerd of gedeactiveerd.
Raadpleeg voor meer informatie over
de audiofuncties de rubriek Peugeot
Connect Sound.
Afstand tot de eindbestemming
invoeren
Met deze functie kunt u een geschatte
waarde tot de eindbestemming invoeren.
Menu "Boordcomputer"
Via dit menu kunt u verschillende in-
formaties met betrekking tot de auto
raadplegen (logboek waarschuwings-
meldingen, status van functies...).
Logboek waarschuwingsmeldingen
Geeft een overzicht van de actieve
waarschuwingsmeldingen door deze
achtereenvolgens op het multifunctio-
nele display weer te geven.
Status van de functies
Deze functie geeft aan of de verschil-
lende functies van de auto in- of uitge-
schakeld zijn.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
39
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Om veiligheidsredenen mag de be-
stuurder het multifunctionele dis-
play alleen bedienen als de auto
stilstaat.
Parameters van de auto instellen
Via dit menu kunnen verschillende sys-
temen van de auto geactiveerd of uitge-
schakeld worden:
- de bochtverlichting (zie het hoofd-
stuk "Zicht"),
- de follow me home-verlichting (zie
het hoofdstuk "Zicht"),
- parkeerhulp achter (zie het hoofd-
stuk "Rijden").
Menu "Telefoon"
Als de autoradio Peugeot Connect
Soundis ingeschakeld en dit menu
is geselecteerd, kunt u uw Bluetooth
handsfree set confi gureren (koppe-
len), de verschillende indexen van de
telefoon raadplegen (lijst gesprekken,
diensten...) en uw gesprekken beheren
(opnemen, ophangen, wisselgesprek,
discretiefunctie...).
Raadpleeg voor meer informatie over
de telefoonfunctie de rubriek Peugeot
Connect Sound.
Confi guratie display
Als dit menu is geselecteerd, kunnen de
volgende parameters worden geselec-
teerd:
- instellen lichtsterkte-video,
- instellen datum en tijd,
- kiezen van eenheden.
Taalkeuze
Als dit menu is geselecteerd, kan de
taal van de weergave van het display
worden gewijzigd (Deutsch, English,
Español, Français, Italiano, Neder-
lands, Portugues, Portugues-Brasil,
Türkçe ** ).
Voorbeeld: instellen van de tijdsduur
van de follow me home-verlichting
Menu "Persoonlijke instellingen-
configuratie"
Als dit menu is geselecteerd, kunnen
de volgende functies worden geselec-
teerd:
- parameters van de auto,
- confi guratie van het display,
- taalkeuze.
Druk op de toets " " of " " en ver-
volgens op "OK" om het gewenste
menu te selecteren.
Druk op de toets " " of " " en ver-
volgens op "OK" om het item "Fol-
low me home" te selecteren.
Druk op de toets " " of " " om
de gewenste waarde in te stellen
(15, 30 of 60 seconden) en druk op
de toets "OK" om te bevestigen.
Druk op de toets " " of " " en ver-
volgens op "OK" om "OK" te selec-
teren en bevestigen of op de toets
"Retour" om de uitgevoerde han-
deling af te breken.
** Volgens land van bestemming.
1
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
40
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
KLEURENDISPLAY 16X9 (MET
PEUGEOT CONNECT NAV)
Weergave op het display
Het display geeft automatisch en direct
de volgende informatie weer:
- de tijd,
- de datum,
- de hoogte,
- de buitentemperatuur (bij kans op
gladheid knippert de weergegeven
temperatuur),
- controle van te openen carrosserie-
delen,
- waarschuwingsmeldingen en mel-
dingen over de status van de func-
ties van de auto, die tijdelijk worden
weergegeven,
- de audiofuncties,
- de informatie van de boordcomputer,
- de informatie van het navigatiesys-
teem.
Bediening
Om met het bedieningspaneel van de
Peugeot Connect Nav één van de func-
ties te selecteren:
druk op de toets "RADIO" , "MU-
SIC" , "NAV" , "TRAFFIC" , "SET-
UP" of "PHONE" om toegang te
krijgen tot het desbetreffende menu,
draai aan de draaiknop om een item
te selecteren,
druk op de draaiknop om de selectie
te bevestigen,
of
druk op de toets "Retour" om de
uitgevoerde handeling af te breken
en terug te keren naar het vorige
scherm.
Raadpleeg voor meer informa-
tie over deze functies de rubriek
"Audio en telematica" of het spe-
cifi eke boekje dat u bij de boord-
documentatie hebt ontvangen.
1
!
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
41
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Menu "SETUP"
Druk op de toets "SETUP" om naar
het menu "SETUP" te gaan. Dit
menu biedt toegang tot de volgende
functies:
- "Taal",
- "Datum en tijd",
- "Weergave",
- "Parameters auto",
- "Eenheden",
- "Parameters systeem".
Talen
Via dit menu kunt u de taal van het
display instellen: Deutsch, English, Es-
pañol, Français, Italiano, Nederlands,
Polski, Portugues, Türkçe * .
Datum en tijd
Via dit menu kunt u de datum en tijd,
het formaat van de datum en het for-
maat van de tijd instellen (zie de rubriek
"Audio en telematica" of het specifi eke
boekje dat u bij de boorddocumentatie
hebt ontvangen).
Weergave
Via dit menu kunt u de helderheid van
het display, de kleuren van het display
en de kleur van de kaart instellen (dag/
nacht of automatisch).
Parameters auto
Via dit menu kunt u verschillende func-
ties ten behoeve van het rijden en het
comfort in- of uitschakelen:
- follow me home-verlichting en duur
(zie de rubriek "Zicht"),
- bochtverlichting (zie de rubriek
"Zicht").
Eenheden
Via dit menu kunt u de eenheden kie-
zen: temperatuur (°C of °F) en verbruik
(km/l, l/100 of mpg).
Parameters systeem
Via dit menu kunt u de fabrieksinstel-
lingen herstellen, de versie van de soft-
ware weergeven en doorlopende tekst
activeren.
Om veiligheidsredenen mag de
bestuurder het multifunctionele
display uitsluitend bedienen als de
auto stilstaat.
* Volgens land van bestemming.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
42
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
BOORDCOMPUTER
Druk herhaaldelijk op de toets op
het uiteinde van de ruitenwisser-
schakelaar om de verschillende
informatie van de boordcomputer
weer te geven.
De boordcomputer kan de volgende in-
formatie weergeven:
De boordcomputer geeft tijdens het rij-
den verschillende informatie (actiera-
dius, brandstofverbruik...).
Op 0 stellen
Monochroom display A
Druk nogmaals op de toets om te-
rug te keren naar de oorspronkelijke
weergave.
Weergave van de informatie
- actieradius,
- momenteel brandstofverbruik,
- afgelegde afstand,
- gemiddeld brandstofverbruik,
- gemiddelde snelheid.
Druk langer dan 2 seconden op de
toets om de afgelegde afstand, het
gemiddelde brandstofverbruik en de
gemiddelde snelheid op 0 te zetten.
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
43
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
- de momentele infor-
matie:
actieradius,
momenteel
brandstofverbruik,
nog af te leggen
afstand,
Kleurendisplay 16/9
Door de toets nogmaals in te druk-
ken, keert u terug naar de huidige
weergave.
Monochroom display C
Druk herhaaldelijk op de toets op
het uiteinde van de ruitenwisser-
schakelaar om de verschillende
standen van de boordcomputer
weer te geven:
Weergave van de informatie
Traject op 0 zetten
- traject "1" :
afgelegde afstand,
gemiddeld
brandstofverbruik,
gemiddelde snelheid,
voor het eerste
traject.
- traject "2" :
afgelegde afstand,
gemiddeld
brandstofverbruik,
gemiddelde snelheid,
voor het tweede
traject.
Druk de toets langer dan 2 secon-
den in zodra het gewenste traject
wordt aangegeven.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhanke-
lijk en hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt
worden voor een dagelijks verbruik en
traject "2" voor een maandelijks ver-
bruik.
BOORDCOMPUTER
De boordcomputer geeft tijdens het rij-
den verschillende informatie (actiera-
dius, brandstofverbruik, ...).
1
!
i
i
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
44
207cc_nl_Chap01_Controle de marche_ed01-2014
Nog af te leggen afstand
(km of miles)
Dit is de nog af te leggen af-
stand tot de eindbestemming.
Deze afstand wordt op elk moment tij-
dens het gebruik van het navigatiesys-
teem berekend of wordt ingevoerd door
de gebruiker.
Bij het ontbreken van de afstand ver-
schijnen streepjes in plaats van cijfers.
Gemiddelde snelheid
(km/h of mph)
Dit is de gemiddelde snelheid
sinds de laatste nulstelling van
de boordcomputer (contact
aan).
Actieradius
(km of miles)
De actieradius geeft op
basis van het gemiddelde
verbruik over de laatst afgelegde kilo-
meters aan hoeveel kilometer u nog
met de resterende brandstof kunt rijden
Momenteel
brandstofverbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het verbruik dat geregis-
treerd is tijdens de laatste se-
conden.
Gemiddeld
brandstofverbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde ver-
bruik sinds de laatste
nulstelling van de boord-
computer.
Afgelegde afstand
(km of miles)
In deze stand geeft de
boordcomputer de afgeleg-
de afstand sinds de laatste
nulstelling aan.
Enkele begrippen...
Zodra de actieradius minder dan 30 km
bedraagt, worden streepjes weergege-
ven. Na het tanken van minimaal 5 liter
brandstof wordt de actieradius opnieuw
berekend en weergegeven zodra deze
meer dan 100 km bedraagt.
Raadpleeg het PEUGEOT-net-
werk of een gekwalifi ceerde werk-
plaats wanneer er tijdens het rijden
streepjes in plaats van cijfers op
het display verschijnen.
Deze informatie verschijnt alleen
als er met een snelheid van meer
dan 30 km/h wordt gereden.
Dit getal kan verhoogd worden
door een verandering in de rijstijl of
van het landschap, die het momen-
tele verbruik aanzienlijk beïnvloedt.
2
COMFORT
45
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
VENTILATIE
Luchtgeleiding
De lucht kan afhankelijk van de instel-
lingen van de bestuurder via verschil-
lende circuits worden toegevoerd:
- rechtstreekse toevoer naar het inte-
rieur (toevoer van buitenlucht),
- toevoer via het verwarmingscircuit,
- toevoer via het circuit van de aircon-
ditioning.
Stel de temperatuurregeling in: de lucht
van de verschillende circuits wordt ge-
mengd om het gewenste comfortniveau
te bereiken.
Stel de luchtverdeling in: de lucht wordt
via de gewenste uitstroomopeningen
over het interieur verdeeld.
Stel de luchtopbrengst in: de aanjager-
snelheid wordt verhoogd of verlaagd.
Luchttoevoer
De lucht in het interieur, die overigens
wordt gefi lterd, wordt van buitenaf toe-
gevoerd via het luchtrooster onder de
voorruit, of is lucht die in het interieur
wordt gerecirculeerd.
Bedieningspaneel
Het systeem wordt bediend via het be-
dieningspaneel A van de middencon-
sole. Afhankelijk van de uitvoering zijn
de volgende functies aanwezig:
- temperatuurregeling,
- luchtopbrengstregeling,
- regeling luchtverdeling,
- ontdooien en ontwasemen,
- handbediende of automatische air-
conditioning.
Luchtverdeling
1. Uitstroomopeningen voor het ontdooi-
en of ontwasemen van de voorruit.
2. Uitstroomopeningen voor het ontdooi-
en of ontwasemen van de zijruiten.
3. Afsluitbare en verstelbare zijventila-
tieroosters.
4. Afsluitbare en verstelbare middelste
ventilatieroosters.
5. Uitstroomopeningen beenruimte voor-
passagiers.
6. Uitstroomopeningen beenruimte ach-
terpassagiers.
2
i
COMFORT
46
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Het airconditioningssysteem is
chloorvrij en is niet schadelijk voor
de ozonlaag.
GEBRUIKSADVIEZEN VOOR DE VERWARMING, VENTILATIE
EN AIRCONDITIONING
Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditi-
oning de volgende gebruiksadviezen in acht:
Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interi-
eur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen,
ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatie-
opening in de bagageruimte vrij blijven.
Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze
sensor dient voor de regeling van de automatische airconditioning.
Zet de airconditioning minstens één tot twee keer per maand vijf tot tien
minuten aan om het systeem in perfecte staat te houden.
Controleer regelmatig de staat van het interieurfi lter en laat de lterele-
menten periodiek vervangen.
Wij raden u een gecombineerd interieurfi lter aan. Dankzij het toegevoegde
speciale actieve middel draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de in-
zittenden en een schoon interieur (vermindering van allergische reacties,
stank en vetaanslag).
Laat om de perfecte werking van de airconditioning te garanderen het
systeem regelmatig controleren zoals voorgeschreven in het garantie- en
onderhoudsboekje.
Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een
steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk
worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.
Als de auto lange tijd in de zon heeft gestaan en de temperatuur in het interi-
eur hoog is opgelopen, zet dan de ruiten enige tijd open.
Zorg ervoor dat de aanjagersnelheid voldoende hoog is ingesteld, zodat de
lucht in het interieur goed ververst wordt.
Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat zich een klein plas-
je water onder de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
2
COMFORT
47
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
VERWARMING / VENTILATIE
Bedieningspaneel met knoppen
Bedieningspaneel met toetsen
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING
Bedieningspaneel met knoppen
Bedieningspaneel met toetsen
2
i
COMFORT
48
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
2. Luchtopbrengst
Draai de knop in één van
de vier standen om de ge-
wenste luchtopbrengst te
verkrijgen.
Voorruit, zijruiten en
beenruimte.
Beenruimte (gesloten
ventilatieroosters).
Middelste ventilatieroosters en
zijventilatieroosters.
Draai de knop van blauw
(koel) naar rood (warm) om
de temperatuur naar be-
hoefte in te stellen.
Voorruit en zijruiten.
1. Temperatuurregeling
De luchtstroom kan worden
gevarieerd door de knop in
een middenstand te zetten,
aangegeven met "●".
De verwarming/ventilatie en aircondi-
tioning werken uitsluitend bij draaiende
motor.
VERWARMING / VENTILATIE EN
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING
Bedieningspaneel met knoppen
4. Toevoer van buitenlucht/
Luchtrecirculatie
De toevoer van buitenlucht voorkomt
het beslaan van de voorruit en de zij-
ruiten.
De recirculatiestand dient om de lucht-
toevoer af te sluiten bij stank en stof-
overlast.
Schakel zo snel mogelijk de toevoer
van buitenlucht weer in om te voorko-
men dat de luchtkwaliteit in het interieur
achteruitgaat en de ruiten beslaan.
Bedieningspaneel met toetsen
Ontdooien - Ontwasemen
Ga voor het snel ontdooien of ontwasemen
van de voorruit en zijruiten als volgt te werk:
schuif de knop van de luchttoevoer-
regeling 4 in de stand "Toevoer van
buitenlucht",
draai de knop van de luchtverdeling
3 in de stand "Voorruit",
draai de knoppen van de tempera-
tuurregeling 1 en de luchtopbrengst
2 in de maximale stand,
sluit de middelste ventilatieroosters,
schakel de airconditioning in met de
toets "A/C" .
Wanneer de knop van de lucht-
opbrengstregeling in de stand 0
wordt gezet (uitschakeling van
het systeem), wordt het ther-
mische comfort niet meer ge-
regeld. Er blijft door de rijwind
echter nog wel een kleine lucht-
stroom gehandhaafd.
3. Luchtverdeling
Schuif de knop naar rechts in de
stand "Luchtrecirculatie in het interi-
eur".
Schuif de knop naar links in de
stand "Toevoer van buitenlucht".
Druk op de toets om de lucht in het in-
terieur te laten recirculeren. Het verklik-
kerlampje brandt om aan te geven dat
de luchtrecirculatie is ingeschakeld.
Druk nogmaals op de toets om de
toevoer van buitenlucht weer in te
schakelen. Het verklikkerlampje
gaat uit.
2
i
COMFORT
49
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
5. Airconditioning AAN/UIT
De airconditioning kan tijdens
alle seizoenen effectief ge-
bruikt worden, mits de ruiten
zijn gesloten:
De achterruitverwarming kan wor-
den ingeschakeld met de toets op
het bedieningspaneel van de ver-
warming of airconditioning.
ONTWASEMING - ONTDOOIING
ACHTERRUIT
Schakel, zodra de omstan-
digheden het toelaten, de
achterruit- en buitenspiegelver-
warming uit omdat een gerin-
ger stroomverbruik leidt tot een
verlaging van het brandstofver-
bruik.
Als de motor wordt afgezet voordat
de achterruitverwarming automatisch
wordt uitgeschakeld, wordt de achter-
ruitverwarming weer ingeschakeld
als de motor weer wordt gestart.
Aan
De ontwaseming - verwarming van de
achterruit werkt uitsluitend bij draaiende
motor.
Druk op deze toets om de achterruit
en de buitenspiegels (afhankelijk
van de uitvoering) te ontwasemen.
Het controlelampje van de toets
gaat branden.
Uit
De achterruitverwarming wordt automa-
tisch uitgeschakeld om onnodig stroom-
verbruik te voorkomen.
U kunt de achterruitverwarming ook
eerder uitschakelen door nogmaals
op de toets te drukken. Het contro-
lelampje van de toets gaat uit.
- 's zomers: om de temperatuur in het
interieur te verlagen,
- 's winters, bij vorst: om de ruiten
snel te ontwasemen.
Aan
Druk op de toets "A/C" , het verklik-
kerlampje gaat branden.
De airconditioning werkt niet als de
knop van de luchtopbrengst 2 in de
stand "0" staat.
Uit
Druk nogmaals op de toets "A/C" ,
het verklikkerlampje gaat uit.
De achterruitverwarming wordt uit-
geschakeld als het wegklapbare dak
in de bagageruimte is opgeborgen.
2
i
i
COMFORT
50
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
ventilatie geleidelijk op het optima-
le niveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme
lucht uitsluitend naar de voorruit,
de zijruiten en de beenruimte van
de passagiers verdeeld.
Als de temperatuur in de auto bij
het instappen veel lager of hoger
is dan de ingestelde waarde, heeft
het geen zin om voor een optimale
temperatuur de ingestelde waarde
te wijzigen. Het systeem compen-
seert automatisch en zo snel mo-
gelijk het temperatuurverschil.
De airconditioning werkt uitsluitend bij
draaiende motor.
De bestuurder en voorpassa-
gier kunnen de temperatuur af-
zonderlijk naar wens instellen.
Draai de knop 2 of 3 naar links om
de waarde te verkleinen en naar
rechts om de waarde te vergroten.
Instelling op een waarde van
ongeveer 21 biedt een optimaal comfort.
Desgewenst kunt u een andere waarde in-
stellen, die gebruikelijk tussen 18 en 24 ligt.
Het is raadzaam het verschil tussen de
instellingen links en rechts niet meer
dan 3 te laten bedragen.
4. Automatisch programma
"zicht"
In sommige gevallen kan het
automatische programma
"comfort" niet toereikend blij-
ken om de voorruit en zijruiten
snel condens- en ijsvrij te ma-
ken (vocht, veel inzittenden,
vorst...).
Kies dan het automatisch program-
ma "zicht".
Het systeem regelt automatisch de air-
conditioning en de luchtopbrengst en
zorgt voor een optimale luchttoevoer
naar de voorruit en zijruiten.
Automatische werking
Druk op de toets "AUTO" .
Het symbool "AUTO"
wordt weergegeven.
2.
Temperatuurregeling bestuurderszijde
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING MET GESCHEIDEN REGELING
Het is raadzaam deze stand te gebrui-
ken: het systeem regelt de temperatuur,
de luchtopbrengst, de luchtverdeling en
de luchtrecirculatie automatisch en op-
timaal aan de hand van de door u inge-
stelde waarde.
Het systeem kan tijdens alle seizoenen
effectief gebruikt worden, mits de ruiten
zijn gesloten.
De op het display weergegeven waarde
heeft betrekking op een bepaald com-
fortniveau en niet op de temperatuur in
graden Celsius of Fahrenheit.
1. Automatisch programma "comfort"
3.
Temperatuurregeling passagierszijde
2
!
!
i
COMFORT
51
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Druk nogmaals op de toets "zicht" of
op de toets "AUTO" om dit program-
ma af te sluiten. Het verklikkerlampje
in de toets gaat uit en het symbool
"AUTO" wordt weergegeven.
Druk op deze toets om de
airconditioning uit te scha-
kelen.
6. Regeling luchtverdeling
Druk deze toets herhaalde-
lijk in om de luchtstroom te
verdelen naar:
7. Regeling luchtopbrengst
Druk op de toets "kleine
propeller" om de luchtop-
brengst te verkleinen.
8.
Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie
Uitschakelen van het systeem
Druk op de toets "kleine propeller"
tot het symbool van de ventilateur is
verdwenen.
Hierdoor worden alle functies van het
systeem uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer
geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel
een kleine luchtstroom gehandhaafd.
Druk nogmaals op de toets "grote
propeller" of "AUTO" om het sys-
teem weer met de laatst ingestelde
waarden in te schakelen.
Druk deze toets in om de
lucht in het interieur te laten
recirculeren. Het symbool
van de luchtrecirculatie
wordt weergegeven.
5. Airconditioning AAN/UIT
Het is niet raadzaam om langdurig
met uitgeschakelde airconditioning
te rijden.
Gebruik de luchtrecirculatie alleen
als dit echt nodig is (kans op be-
slaan van de ruiten en verminde-
ring van de luchtkwaliteit).
- de voorruit, de zijruiten en de been-
ruimte,
- de voorruit en zijruiten (ontwase-
men of ontdooien),
- de middelste ventilatieroosters en
zijventilatieroosters,
- de middelste ventilatieroosters, de zij-
ventilatieroosters en de beenruimte,
- de beenruimte.
Druk op de toets "grote
propeller" om de luchtop-
brengst te vergroten.
Het symbool van de luchtopbrengst, de
ventilateur, wordt afhankelijk van de in-
gestelde waarde geleidelijk voller.
Deze stand dient om de toevoer van
buitenlucht bij stank en stofoverlast af
te sluiten.
Druk zodra de omstandigheden het
toelaten de toets nogmaals in om de
toevoer van buitenlucht weer te ac-
tiveren en het beslaan van de ruiten
te voorkomen.
Voor een maximale afkoeling of
opwarming van het interieur kan
de temperatuurregeling op een
waarde lager dan 14 of hoger dan
28 worden ingesteld.
Draai de knop 2 of 3 naar links
tot "LO" wordt weergegeven of
naar rechts tot "HI" wordt weer-
gegeven.
Handmatig instellen
Het is mogelijk één of meer functies van
de airconditioning handmatig in te stel-
len, terwijl de overige functies automa-
tisch worden geregeld.
Druk op de toets "AUTO" om de au-
tomatische werking van de aircondi-
tioning te hervatten.
Als de airconditioning wordt uitgescha-
keld, wordt het thermische comfort niet
meer geregeld (vocht, beslagen ruiten).
Druk de toets nogmaals in om de
automatische werking van de air-
conditioning te hervatten. De aan-
duiding "A/C" wordt weergegeven.
2
!
COMFORT
52
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
VOORSTOELEN
Om uw rijpositie optimaal in te kunnen
stellen zijn de voorstoelen voorzien van
een verstelling in lengterichting, een
rugleuningverstelling en verstelbare
hoofdsteunen.
1. Verstelling in lengterichting
Til de beugel op en schuif de stoel
naar voren of naar achteren.
2. Hoogteverstelling van de
bestuurders- en passagiersstoel
Trek de hendel omhoog of duw deze
omlaag totdat de gewenste stand
bereikt is.
3. Rugleuningverstelling
Duw de handgreep naar achteren.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar achteren voor dat het schuiven van de stoel niet wordt verhinderd door perso-
nen of hinderlijke voorwerpen op de vloer achter de stoel om te voorkomen dat de stoel wordt geblokkeerd. Onderbreek
het schuiven van de stoel meteen als dit het geval is.
2
!
!
COMFORT
53
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
4. Toegang tot de achterbank
Trek aan de handgreep om de rugleuning
naar voren te klappen en schuif de stoel
vooruit.
Als de stoel wordt teruggeduwd, komt
deze automatisch weer in de oorspronke-
lijke stand terug.
Trek de hoofdsteun omhoog om
hem hoger te zetten.
Druk op de nok A en trek de hoofd-
steun omhoog om hem te verwijde-
ren.
Steek om de hoofdsteun terug te
zetten de pennen in de openingen
van de rugleuning tot de hoofdsteun
op zijn plaats blijft.
Druk op de nok A en duw de hoofd-
steun gelijktijdig omlaag om hem la-
ger te zetten.
Zorg ervoor dat het terugschuiven
in de oorspronkelijke stand niet
wordt verhinderd; deze stand is
noodzakelijk om de stoel te ver-
grendelen in de lengterichting.
5. Hoogteverstelling hoofdsteun
Voor de veiligheid is het frame van
de hoofdsteun gekarteld om te
voorkomen dat de hoofdsteun zakt
in het geval van een aanrijding.
De juiste stand van de hoofdsteun
is als de bovenzijde van de hoofd-
steun zich ter hoogte van de bo-
venzijde van het hoofd bevindt .
Ga nooit rijden als de hoofdsteu-
nen zijn verwijderd. De hoofd-
steunen moeten zijn geplaatst en
correct zijn afgesteld.
2
!
i
!
COMFORT
54
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
ACHTERBANK
Vaste achterbank met twee plaatsen,
voorzien van roll-bars voor uw bescher-
ming bij het over de kop slaan van de auto.
Laat de roll-bars na een ongeval
controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
STUURWIELVERSTELLING
Zorg dat de auto stilstaat en trek
aan de hendel om het stuurwiel te
ontgrendelen.
Verstel het stuurwiel in hoogte en
diepte voor een optimale zithouding.
Druk de hendel goed vast om het
stuurwiel te vergrendelen.
Voer deze handelingen om veilig-
heidsredenen uitsluitend uit bij stil-
staande auto.
6. Schakelaars stoelverwarming
Bij draaiende motor is de stoelverwar-
ming voor elke voorstoel apart regel-
baar.
Met de draaiknop naast de voorstoel
kan de stoelverwarming ingescha-
keld worden en kan de gewenste
stand worden geselecteerd:
0 : Uit.
1 : Laag.
2 : Gemiddeld.
3 : Hoog.
De geselecteerde stand van de
stoelverwarming blijft nadat het
contact is afgezet nog twee minu-
ten in het geheugen.
2
i
!
!
COMFORT
55
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
SPIEGELS
Buitenspiegels
De verstelbare buitenspiegels zorgen
voor het benodigde zicht naar achteren
bij een inhaalmanoeuvre of het parke-
ren van de auto.
Verstellen
Zet de knop A naar links of rechts
om de desbetreffende spiegel te se-
lecteren.
Duw de knop B in de 4 richtingen
om de spiegel af te stellen.
Zet de knop A weer in het midden.
Het automatisch in- en uitklappen
van de buitenspiegels kan worden
uitgeschakeld door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalifi ceer-
de werkplaats.
Klap de elektrisch bedienbare bui-
tenspiegels nooit handmatig in of uit.
Inklappen
Van buitenaf: vergrendel de auto
met de afstandsbediening of de
sleutel.
Van binnenuit: trek bij aangezet con-
tact de schakelaar A naar achteren.
Als de spiegels zijn ingeklapt met behulp
van de schakelaar A , klappen ze niet au-
tomatisch uit bij het ontgrendelen van de
auto. Trek opnieuw aan de schakelaar A .
De weergegeven objecten lijken
in de spiegels verder af dan ze in
werkelijkheid zijn.
Hiermee moet rekening worden gehou-
den om de afstand ten opzichte van ach-
teropkomend verkeer goed in te schatten.
Uitklappen
Van buitenaf: ontgrendel de auto
met de afstandsbediening of de
sleutel.
Van binnenuit: trek bij aangezet con-
tact de schakelaar A naar achteren.
Uit veiligheidsoverwegingen moe-
ten de spiegels zo zijn afgesteld dat
de dode hoek zo klein mogelijk is.
2
i
COMFORT
56
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Binnenspiegel
Verstelbare spiegel voor het zicht recht
achter de auto.
De binnenspiegel is voorzien van een
antiverblindingsstand waardoor de
spiegel donkerder wordt en de bestuur-
der minder hinder ondervindt van bij-
voorbeeld de zon en van de koplampen
van achteropkomend verkeer.
Verstellen
Stel de spiegel af als deze in de
dagstand staat.
Zodra de achteruitversnelling
wordt ingeschakeld, wordt de spie-
gel in de dagstand gezet voor een
maximaal zicht naar achteren.
Automatisch dimmende
binnenspiegel
Binnenspiegel met handbediende
dag-/nachtstand
Dag-/nachtstand
Trek aan het hendeltje om de spie-
gel in de nachtstand te zetten.
Duw het hendeltje naar voren om
de spiegel terug te zetten in de dag-
stand.
Dankzij een sensor die de hoeveelheid
licht die vanaf de achterzijde van de auto
op de spiegel valt meet, gaat de binnen-
spiegel geleidelijk en automatisch over
van de dag- in de nachtstand.
2
!
COMFORT
57
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
ZONNEKLEP
De zonneklep kan zowel omlaag als
naar opzij worden geklapt en is voor-
zien van een make-upspiegel met ver-
lichting.
Open als het contact aan is het
afdekkapje. De verlichting van de
make-upspiegel gaat automatisch
branden.
De zonneklep bevat tevens een moge-
lijkheid voor het opbergen van pasjes.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- gebruik uitsluitend matten die
op de bevestigingen van de
auto passen; het gebruik van
deze bevestigingen is verplicht.
- gebruik nooit meer dan één mat
per plaats.
Bij gebruik van niet door
PEUGEOT goedgekeurde matten
kan de bediening van de pedalen
worden gehinderd en kan de wer-
king van de snelheidsregelaar/-be-
grenzer negatief worden beïnvloed.
De door PEUGEOT goedgekeurde
matten zijn voorzien van twee be-
vestigingen onder de stoel.
MATTEN
De matten zijn uitneembaar en bescher-
men de vloerbedekking van de auto.
Terugplaatsen
Terugplaatsen van de mat aan de be-
stuurderszijde:
leg de mat goed op zijn plaats,
druk de bevestigingen vast,
controleer of de mat goed vastzit.
Bevestigen
Gebruik, wanneer u een nieuwe mat
bevestigt aan bestuurderszijde, uitslui-
tend de bevestigingen uit het bijgele-
verde zakje.
De overige matten worden gewoon op
de vloerbedekking gelegd.
Verwijderen
Verwijderen van de mat aan de bestuur-
derszijde:
zet de stoel in de achterste stand,
maak de bevestigingen los,
verwijder vervolgens de mat.
2
COMFORT
58
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
INDELING VAN HET INTERIEUR
1. Dashboardkastje met verlichting
(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)
2. Opbergvak met antislipmat
3. Kaartenhouder
4. Portiervak
5. Opbergvak met antislipmat
6. USB-aansluiting
(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)
7. 12V-aansluiting
(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)
8. Bekerhouder
2
i
COMFORT
59
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Dashboardkastje met verlichting
Het dashboardkastje bestaat uit een
open bovenste opbergvak en speciale
ruimtes voor het opbergen van een es
mineraalwater, het instructieboekje van
de auto, ...
In het deksel zijn speciale ruimtes ge-
creëerd voor een pen, een bril, munten,
kaarten, een blikje, ...
Het dashboardkastje is voorzien van
een slot.
Trek de handgreep omhoog om het
te openen.
De verlichting van het dashboardkastje
treedt in werking zodra het wordt ge-
opend.
In het dashboardkastje bevindt zich de
schakelaar voor het uitschakelen van
de airbag aan passagierszijde A .
Als uw auto is uitgerust met airconditi-
oning, bevat het dashboardkastje een
afsluitbare ventilatiebuis B , via welke
het dashboardkastje wordt voorzien van
dezelfde airconditioning als het interieur.
12V-aansluiting
Til, wanneer u een accessoire van
12 V (maximaal vermogen: 120 W)
wilt aansluiten, het deksel op en
sluit een geschikte adapter aan.
PEUGEOT CONNECT USB - USB-BOX
De AUX-aansluitmodule, die bestaat uit
een JACK-aansluiting en/of een USB-
poort, bevindt zich op de middenconsole.
Hierop kunt u draagbare apparatuur aan-
sluiten, zoals een iPod
®
of een USB-stick.
De USB-box leest bepaalde formaten
audiobestanden op de draagbare ap-
paratuur en speelt ze af via de luidspre-
kers van de audio-installatie in de auto.
U kunt deze bestanden beheren met de
toetsen op het stuur of het bedienings-
paneel van de autoradio en ze weerge-
ven op het multifunctionele display.
Tijdens het gebruik van draagbare ap-
paratuur wordt deze automatisch op-
geladen, wanneer aangesloten op de
USB-poort.
Raadpleeg voor meer informatie
over het gebruik van deze uitrus-
ting de rubriek "Audio en telema-
tica".
Neem het maximale vermogen van de
aansluiting in acht (kans op beschadi-
ging van uw accessoire).
2
COMFORT
60
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
INDELING VAN DE
BAGAGERUIMTE
1. Bagageafdekscherm
(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)
2. Opberghoes voor het
windscherm
(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)
3. Riem
2
i
!
i
COMFORT
61
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Als het dak is weggeklapt, kan het
gedeelte van de bagageruimte dat
bestemd is voor uw bagage worden be-
grensd.
Bagageafdekscherm
Als het windscherm is gedemonteerd
en opgevouwen, kan het in de be-
schermhoes worden opgeborgen.
De hoes kan aan de rechterzijde van de
bagageruimte met behulp van een riem
worden vastgemaakt.
Opberghoes van het
windscherm
Als het bagageafdekscherm ge-
plaatst is, moet het volgende in
acht worden genomen:
- de bagage mag het afdekscherm
nooit naar boven drukken,
- er mag nooit bagage op het af-
dekscherm worden geplaatst.
Het bagageafdekscherm moet altijd
worden geplaatst voordat het weg-
klapbare dak wordt geopend (zie de
rubriek "In een oogopslag - § Ope-
nen").
Zie "Monteren/demonteren van het
windscherm" op de volgende blad-
zijden voor meer informatie over
het plaatsen van het windscherm.
2
COMFORT
62
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Opgevouwen scherm
MONTEREN/DEMONTEREN VAN
HET WINDSCHERM (WINDSTOP)
Als het dak is weggeklapt, zorgt het
windscherm voor meer comfort in het
interieur.
Het verticale gedeelte van het scherm
kan worden neergeklapt om het zicht
naar achteren bij het achteruitrijden te
verbeteren.
Het windscherm wordt in vier delen op-
gevouwen in de beschermhoes geleverd.
Uitgevouwen scherm
Monteren
Klik de uiteinden van het geheel
vast.
Vouw het scherm uit door de twee
delen 90° te openen tot u een klik
hoort.
Vouw de geleiders van het frame uit.
Bevestig de geleiders in de houders
achter de veiligheidsgordels achter.
Vouw beide delen uit tot aan de aan-
slag.
2
i
COMFORT
63
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Bevestig de pennen van het frame
in de openingen in de zijbekleding
achter.
Wanneer het scherm voor het eerst
wordt geplaatst:
plaats een steeksleutel (10) op het
zeskante gedeelte van de pen,
draai de pen aan elke zijde vaster of
losser om de diepte af te stellen.
Controleer ten slotte of het scherm
goed vastzit voordat u het gaat ge-
bruiken als het dak is weggeklapt.
Demonteren
Duw de steunen van de pennen in
en trek eraan om ze uit de openin-
gen in de zijbekleding achter te ver-
wijderen.
Bij het sluiten van het dak hoeft het
windscherm niet te worden gede-
monteerd.
2
COMFORT
64
207cc_nl_Chap02_Confort_ed01-2014
Trek het scherm naar voren om de
geleiders uit de houders achter de
veiligheidsgordels achter te halen.
Vouw de geleiders van het frame
op.
Vouw het scherm op door de twee
grote delen op elkaar te leggen.
Maak elk uiteinde afzonderlijk los.
Vouw beide delen afzonderlijk op el-
kaar.
Opbergen
Berg het opgevouwen scherm op in
de beschermhoes.
Gebruik de bevestigingsriem voor
de hoes aan de rechterzijde van de
bagageruimte (zie § "Indeling van
de bagageruimte").
3
!
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
65
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
De supervergrendeling blokkeert
het van binnenuit en van buitenaf
openen van de portieren.
Als de supervergrendeling is in-
geschakeld, is ook de vergren-
delingsschakelaar in het interieur
buiten werking.
Schakel daarom nooit de superver-
grendeling in als er zich iemand in
de auto bevindt.
Als één van de portieren of de ach-
terklep geopend is, werkt de cen-
trale vergrendeling niet.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING
U kunt om de auto te ontgrendelen of ver-
grendelen de centrale vergrendeling be-
dienen met de sleutel in het portierslot of
met de afstandsbediening. De sleutel met
afstandsbediening dient tevens voor de
lokalisatie en het starten van de auto en
maakt deel uit van de diefstalbeveiliging.
Uitklappen van de sleutel
Druk op de knop A om de sleutel uit
te klappen.
Ontgrendelen van de auto
Het ontgrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer 2 seconden
snel knipperen van de richtingaanwij-
zers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels au-
tomatisch uitgeklapt (volgens uitvoering).
Als na het ontgrendelen van de
auto niet een portier of de achter-
klep wordt geopend, wordt de auto
na 30 seconden automatisch weer
vergrendeld. Het alarm wordt ech-
ter niet opnieuw ingeschakeld.
Supervergrendeling met de
afstandsbediening
Druk op het gesloten hangslot om
de auto te vergrendelen.
Druk binnen 5 seconden nogmaals
op het gesloten hangslot om de su-
pervergrendeling van de auto in te
schakelen.
Druk op het geopende
hangslot om de auto te
ontgrendelen.
Ontgrendelen met de sleutel in het
portierslot
Draai de sleutel linksom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto te ontgrendelen.
Druk op het gesloten
hangslot om de auto te
vergrendelen.
Normale vergrendeling met de sleutel
Draai de sleutel rechtsom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto te vergrendelen.
Het vergrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer 2 seconden
branden van de richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels au-
tomatisch ingeklapt (volgens uitvoering).
Ontgrendelen met de
afstandsbediening
Supervergrendeling met de sleutel
Draai de sleutel rechtsom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto te vergrendelen.
Draai de sleutel binnen 5 secon-
den nogmaals rechtsom om de su-
pervergrendeling van de auto in te
schakelen.
De supervergrendeling wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer 2 secon-
den branden van de richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels au-
tomatisch ingeklapt (volgens uitvoering).
Normale vergrendeling met de
afstandsbediening
Vergrendelen van de auto
3
i
TOEGANG TOT DE AUTO
66
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Als de auto is vergrendeld en per
ongeluk wordt ontgrendeld zonder
dat binnen 30 seconden een por-
tier wordt geopend, wordt de auto
automatisch weer vergrendeld.
Let op: in dat geval wordt het alarm
niet opnieuw ingeschakeld.
Het automatisch in-en uitklappen
van de buitenspiegels kan worden
uitgeschakeld door het PEUGEOT-
netwerk.
Inklappen van de sleutel
Druk op de knop A om de sleutel in
te klappen.
Lokaliseren van de auto
Druk op het gesloten hangslot om
de eerder vergrendelde auto te lo-
kaliseren op een parkeerplaats.
De plafonnier gaat branden en de knip-
perlichten knipperen gedurende enkele
seconden.
Elektronische startblokkering
In de sleutel is een chip aangebracht die
over een specifi eke code beschikt. Om
te kunnen starten, moet bij het aanzetten
van het contact de code van de sleutel
worden herkend door de startblokkering.
Deze elektronische startblokkering
blokkeert het motormanagementsys-
teem zodra het contact wordt afgezet
en voorkomt zo het starten van de mo-
tor bij een inbraak.
Diefstalbeveiliging
Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door dit
verklikkerlampje in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het display.
De auto kan dan niet gestart wor-
den. Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.
Druk langer dan 2 seconden
op de ontgrendelingsknop
van de afstandsbediening.
De achterklep wordt op een
kier gezet.
Ontgrendelen en op een kier
zetten van de achterklep
Bewaar de sticker die u bij de afl evering
van uw auto samen met de sleutels is
overhandigd zorgvuldig op een plaats
buiten de auto.
3
i
!
TOEGANG TOT DE AUTO
67
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Starten van de motor
Steek de sleutel in het contactslot.
Het systeem herkent de code van
de startblokkering.
Draai de sleutel rechtsom in de
stand 3 (Starten) .
Laat zodra de motor draait de sleu-
tel los.
Afzetten van de motor
Zet de auto stil.
Draai de sleutel linksom in de stand
1 (Stop) .
Verwijder de sleutel uit het contact-
slot.
Storing afstandsbediening
Na het losnemen en weer aansluiten
van de accukabels, het vervangen van
de batterij van de afstandsbediening
of een storing in de afstandsbediening
kan de auto niet meer met de afstands-
bediening ontgrendeld, vergrendeld en
gelokaliseerd worden.
Ontgrendel of vergrendel de auto
eerst met de sleutel in het slot.
Synchroniseer vervolgens de af-
standsbediening.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk als de storing niet
is verholpen.
Batterij vervangen
Batterij ref.: CR1620 / 3 V.
Synchroniseren
Zet het contact af.
Zet de sleutel in de stand 2 (Con-
tact) .
Druk zo snel mogelijk gedurende
enkele seconden op de vergrendel-
knop (gesloten hangslot) van de af-
standsbediening.
Zet het contact af en verwijder de
sleutel uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu weer.
Als de batterij van de afstands-
bediening leeg is, wordt u
gewaarschuwd door dit verklik-
kerlampje, een geluidssignaal
en een melding op het multi-
functionele display.
Wip het huis met een muntstuk bij
het oog los.
Verwijder de lege batterij.
Schuif de nieuwe batterij in de juiste
richting op zijn plaats.
Klik het huis vast.
Synchroniseer de afstandsbedie-
ning.
Waarschuwingssignaal sleutel
Als het bestuurdersportier wordt
geopend terwijl de sleutel nog in
het contact steekt, klinkt er een
geluidssignaal.
Bij het afzetten van de motor is de
rembekrachtiging niet meer actief.
3
!
TOEGANG TOT DE AUTO
68
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Sleutels verloren
Ga met het kentekenbewijs van de auto, uw legitimatiebewijs en indien moge-
lijk de sticker met de sleutelcode naar het PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transpon-
der opzoeken en voor nieuwe sleutels zorgen.
Gooi de lege batterijen van de af-
standsbediening niet weg: ze be-
vatten metalen die schadelijk zijn
voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een spe-
ciaal verzamelpunt.
Afstandsbediening
De radiografi sche afstandsbediening is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te spelen, om
te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik en
het zicht van uw auto. De afstandsbediening kan dan onbruikbaar worden en
moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.
Geen enkele afstandsbediening kan functioneren als de sleutel in het contact-
slot zit, zelfs als het contact uitstaat, behalve voor het synchroniseren.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot
het interieur belemmeren.
Laat uit veiligheidsoverwegingen geen kinderen alleen achter in de auto.
Neem in alle gevallen de sleutel mee als u de auto verlaat.
Diefstalbeveiliging
Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot
storingen leiden.
Bij het aanschaffen van een gebruikte auto
Laat door het PEUGEOT-netwerk controleren of alle in uw bezit zijnde sleu-
tels met uw auto zijn gelinkt, zodat u er zeker van kunt zijn dat deze sleutels
de enige zijn waarmee uw auto ontgrendeld en gestart kan worden.
3
!
i
TOEGANG TOT DE AUTO
69
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
ALARM
Dit systeem beveiligt uw auto tegen in-
braak en diefstal. Het systeem bestaat
uit een omtrek- en een interieurbevei-
liging en is voorzien van een anti-in-
braakfunctie.
Vergrendelen van de auto met
volledig ingeschakeld alarm
Breng geen wijzigingen aan het
alarmsysteem aan, dit kan leiden
tot storingen.
De interieurbeveiliging wordt uit-
sluitend uitgeschakeld als deze
procedure wordt uitgevoerd na het
afzetten van het contact.
Wanneer het dak is weggeklapt
(cabriolet), wordt de interieurbevei-
liging automatisch uitgeschakeld.
Vergrendelen van de auto met
alleen de omtrekbeveiliging
Inschakelen
Zet het contact af en verlaat de auto.
Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling in met de ver-
grendelknop van de afstandsbedie-
ning.
Het alarm wordt ingeschakeld; het ver-
klikkerlampje van de knop A zal één
keer per seconde knipperen.
De omtrekbeveiliging wordt 5 seconden
na het indrukken van de vergrendel-
knop van de afstandsbediening inge-
schakeld.
De interieurbeveiliging wordt 45 seconden
na het indrukken van de vergrendelknop
van de afstandsbediening ingeschakeld.
Als een portier of het kofferdeksel niet
goed is gesloten, wordt de auto niet
vergrendeld, maar zal de omtrekbevei-
liging, net als de interieurbeveiliging, na
45 seconden worden ingeschakeld.
Omtrekbeveiliging
Dit systeem houdt de te openen carros-
seriedelen van de auto in de gaten.
Het alarm gaat af als iemand probeert
in te breken door een portier, het koffer-
deksel of de motorkap te forceren.
Interieurbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er bewegin-
gen in het interieur worden waargenomen.
Het alarm gaat af als er een ruit wordt
ingeslagen of als iets of iemand in de
auto beweegt.
Schakel de interieurbeveiliging uit als
u tijdens uw afwezigheid een ruit een
stukje open wilt laten of als er een huis-
dier in de auto achterblijft.
Anti-inbraakfunctie
Dit systeem treedt in werking als ie-
mand probeert het alarm te saboteren.
Het alarm gaat af als iemand probeert
de kabels van de sirene, de bedienings-
eenheid of de accu door te knippen.
Uitschakelen
Ontgrendel de auto met de ontgren-
delknop van de afstandsbediening.
Het alarm wordt uitgeschakeld; het ver-
klikkerlampje van de knop A gaat uit.
Uitschakelen van de
interieurbeveiliging
Zet het contact af.
Druk binnen 10 seconden op de
knop A tot het verklikkerlampje blijft
branden.
Verlaat de auto.
Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling snel in met de
vergrendelknop van de afstandsbe-
diening.
Alleen de omtrekbeveiliging wordt inge-
schakeld; het verklikkerlampje van de
knop A zal één keer per seconde knip-
peren.
3
!
TOEGANG TOT DE AUTO
70
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Afgaan van het alarm
Als het alarm afgaat, treedt de sirene in
werking en knipperen de richtingaanwij-
zers ongeveer dertig seconden.
Nadat het alarm is gestopt, zijn de om-
trek- en interieurbeveiliging weer actief.
Als het alarm 10 keer achter elkaar
is afgegaan, wordt het bij de elfde
keer uitgeschakeld.
Als het lampje van de knop A snel
knippert, betekent dit dat het alarm
tijdens uw afwezigheid is afgegaan.
Het lampje stopt met knipperen als
het contact wordt aangezet.
Om te voorkomen dat tijdens het
wassen van uw auto het alarm af-
gaat, is het raadzaam de auto in
dat geval met de sleutel in het slot
van het bestuurdersportier af te
sluiten.
Storing afstandsbediening
Ontgrendel de auto met de sleutel in
het slot van het bestuurdersportier.
Open het portier; het alarm gaat af.
Zet het contact aan; het alarm stopt.
* Volgens land van bestemming.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het
verklikkerlampje van de knop A gedu-
rende 10 seconden blijft branden, duidt
dit op een storing in de verbinding met
de sirene.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te schakelen
Vergrendel de auto of schakel de su-
pervergrendeling in met de sleutel in
het slot van het bestuurdersportier.
Automatisch inschakelen *
Afhankelijk van de wetgeving in uw land
kan één van de volgende gevallen zich
voordoen:
- Het alarm wordt 45 seconden na-
dat de auto met behulp van de af-
standsbediening is vergrendeld,
geactiveerd, ongeacht de toestand
van de portieren en het kofferdek-
sel.
- Het alarm wordt 2 minuten nadat het
laatste portier of het kofferdeksel is
gesloten, geactiveerd.
Om het afgaan van het alarm bij het
openen van een portier of het koffer-
deksel te voorkomen, moet eerst op
de ontgrendelknop van de afstands-
bediening worden gedrukt.
Inschakelen van de
interieurbeveiliging
Ontgrendel de auto met de ontgren-
delknop van de afstandsbediening.
Vergrendel de auto weer met de af-
standsbediening.
Het alarm wordt weer ingeschakeld met
twee beveiligingsniveaus; het verklik-
kerlampje van de knop A zal één keer
per seconde knipperen.
3
!
i
TOEGANG TOT DE AUTO
71
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
RUITBEDIENING
U kunt de ruiten handmatig of automa-
tisch openen en sluiten. De ruiten zijn
voorzien van een bedieningssysteem
voor de vier ruiten bij alle uitvoeringen.
1. Schakelaar ruitbediening be-
stuurderszijde.
2. Schakelaar ruitbediening passa-
gierszijde.
Met de schakelaar aan de desbetref-
fende zijde wordt zowel de voorste ruit
als de achterste zijruit bediend.
Elektrisch bedienbare ruiten
met eentrapsbediening
U hebt twee mogelijkheden:
Het sluiten van de ruiten geschiedt
alleen handmatig en heeft geen
beveiliging tegen beknellen (uitge-
zonderd bestuurderszijde).
Uit veiligheidsoverwegingen wor-
den de ruiten in stappen gesloten;
let echter altijd goed op.
Nadat het contact is afgezet, wer-
ken de schakelaars van de ruit-
bediening nog 45 seconden, of
totdat een van de portieren wordt
geopend.
Druk op of trek aan de scha-
kelaar 1 . De ruit stopt zodra
u de schakelaar loslaat.
Elektrisch bedienbare ruiten
- handbediende stand
Duw of trek de schakelaar 1 tot het
zware punt. De ruit stopt zodra de
schakelaar wordt losgelaten.
De achterste zijruit opent alleen als de
voorste ruit volledig geopend is.
- automatische stand
Duw de schakelaar 1 tot voorbij het
zware punt. De ruit opent of sluit
volledig nadat u de schakelaar hebt
losgelaten.
Druk opnieuw op de schakelaar om
het openen of sluiten te stoppen.
Als u de schakelaar ingedrukt houdt,
wordt de achterste zijruit geopend of
gesloten.
De achterste zijruit opent alleen als de
voorste ruit volledig geopend is.
3
!
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
72
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Bediening van de vier ruiten
Met deze bediening kunnen alle ruiten
worden geopend of gesloten.
Resetten
Nadat de accukabels los zijn geweest
of na een storing moet de ruitbediening
worden gereset:
laat de schakelaar los en trek hem
opnieuw omhoog totdat de ruit vol-
ledig is gesloten,
houd de schakelaar na het sluiten
nog ongeveer 1 seconde vast,
druk op de schakelaar om de ruit
automatisch te openen,
druk als de ruit volledig is geopend
nogmaals op de schakelaar en houd
deze nog ongeveer 1 seconde vast.
Neem bij het verlaten van de auto,
zelfs voor een korte periode, altijd
de sleutel uit het contact.
Wanneer tijdens het bedienen van
de ruit iets tussen de ruit en de
sponning bekneld raakt, moet de
ruit weer worden geopend. Druk
daarvoor op de desbetreffende
schakelaar.
Wanneer de bestuurder de ruit aan
passagierszijde bedient, moet deze
ervan verzekerd zijn dat niets het cor-
recte sluiten van de ruit verhindert.
De bestuurder moet ervan verze-
kerd zijn dat de passagiers op de
juiste manier gebruik maken van
de elektrische ruitbediening.
Let er met name op dat kinderen
zich tijdens het bedienen van de
ruit niet kunnen bezeren.
Druk op schakelaar 3 en laat deze
weer los. De ruiten openen volledig.
Door opnieuw op de schakelaar te
drukken, stoppen de ruiten.
of
Trek aan schakelaar 3 en houd deze
vast. De ruiten sluiten volledig.
Als u de schakelaar loslaat voor-
dat de ruiten volledig gesloten zijn,
stoppen ze.
Het inschakelen van deze bedie-
ning geschiedt onder volledige
verantwoordelijkheid van de be-
stuurder.
Met deze procedure wordt de wer-
king van de ruitbediening en de au-
tomatische functie bij het openen
van de portieren ruiten gereset.
3
!
i
i
!
TOEGANG TOT DE AUTO
73
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
PORTIEREN
Ontgrendel de auto met de af-
standsbediening of de sleutel en
trek aan de portiergreep.
De ruit opent automatisch enkele
millimeters wanneer het portier ge-
opend wordt.
Van binnenuit
Trek aan de portiergreep om het
portier te openen; hiermee worden
alleen de portieren ontgrendeld.
De ruit opent automatisch enkele
millimeters wanneer het portier ge-
opend wordt.
De portieren kunnen niet met de
portiergrepen worden geopend op
het moment dat de supervergren-
deling is ingeschakeld.
Sluiten
De ruit gaat na enkele seconden au-
tomatisch weer omhoog en zorgt voor
een perfecte afdichting bij een gesloten
portier.
Als een portier niet goed is gesloten:
- bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden.
Als u het portier langer dan een
minuut geopend houdt, gaat de ruit
weer omhoog.
Trek nogmaals aan de handgreep
om het systeem weer te activeren.
Het kofferdeksel wordt niet gelijk-
tijdig met de portieren ontgrendeld
(zie § "Bagageruimte").
Voorkom bij het wassen van de
auto dat de bovenzijde van de rui-
ten wordt besproeid.
Openen
Van buitenaf
3
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
74
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Als de auto van buitenaf is ver-
grendeld of de supervergrendeling
is ingeschakeld, knippert het rode
lampje en is de knop A inactief.
Gebruik in dat geval de af-
standsbediening of de sleutel
om de auto te ontgrendelen.
Handmatige centrale vergrendeling
Deze functie biedt de mogelijkheid de
portieren en het kofferdeksel van bin-
nenuit handmatig en volledig te ver-
grendelen of te ontgrendelen.
Vergrendelen
Druk op de knop A om de auto te
vergrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat bran-
den.
Als één van de portieren is ge-
opend, werkt de centrale vergren-
deling van binnenuit niet.
Ontgrendelen
Druk, met de sleutel in het contact-
slot, nogmaals op de knop A om de
auto te ontgrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat uit.
3
!
TOEGANG TOT DE AUTO
75
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Noodbediening
Functie die het mogelijk maakt om de
portieren mechanisch te vergrendelen
en ontgrendelen in het geval van een
storing in de centrale vergrendeling.
Steek de sleutel in het slotplaat in
de zijkant van het portier en draai de
sleutel een achtste omwenteling .
Vergrendelen van het bestuurdersportier
Steek de sleutel in het slot en draai
deze rechtsom.
Ontgrendelen van het
bestuurdersportier
Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.
Vergrendelen van het passagiersportier
Ontgrendelen van het
passagiersportier
Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde.
De automatische centrale vergren-
deling werkt niet als een van de
portieren is geopend.
Als de achterklep is geopend, is de
automatische centrale vergrende-
ling van de portieren actief.
Beveiligingssysteem
Deze functie zorgt ervoor dat de portie-
ren en de achterklep tijdens het rijden
automatisch en volledig worden ver-
grendeld.
U kunt de functie desgewenst inschake-
len of uitschakelen.
Inschakelen
Druk langer dan 2 seconden op
deze knop.
Op het multifunctionele display ver-
schijnt een melding ter bevestiging.
Ontgrendelen
Druk als sneller wordt gereden dan
10 km/h op deze knop om de portie-
ren en de achterklep tijdelijk te ont-
grendelen.
Vergrendelen
Zodra sneller wordt gereden dan
10 km/h, worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Uitschakelen
Druk nogmaals langer dan 2 secon-
den op deze knop.
Op het multifunctionele display ver-
schijnt een melding ter bevestiging.
3
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
76
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
KOFFERDEKSEL
Openen
Ontgrendel het kofferdeksel of de
auto met de afstandsbediening of
de sleutel, trek aan de handgreep
en trek het kofferdeksel omhoog.
Ontgrendelen en op een kier
zetten van het kofferdeksel
Druk langer dan twee secon-
den op de ontgrendelingsknop
van de afstandsbediening.
Het kofferdeksel wordt op een
kier gezet.
In het geval van een lege accu
is het kofferdeksel vergrendeld.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Antidiefstalbeveiliging van de bagageruimte
De bagageruimte is zo ontworpen dat
deze optimaal tegen diefstal is bevei-
ligd, ook als het dak is weggeklapt.
Daarom kan als de auto is vergrendeld
en het dak is weggeklapt het kofferdek-
sel niet worden ontgrendeld:
- door de portiergreep in het interieur
te bedienen zonder dat de sleutel
zich in het contactslot bevindt,
-
door op de schakelaar A van de centra-
le vergrendeling te drukken zonder dat
de sleutel zich in het contactslot bevindt.
- bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden.
Sluiten
Trek het kofferdeksel omlaag aan
de handgreep aan de binnenzijde.
Als het kofferdeksel niet goed is geslo-
ten:
Automatische vergrendeling
van het kofferdeksel
Als het dak is weggeklapt, de auto
is vergrendeld en u het kofferdeksel
ontgrendelt door op de ontgrende-
lingsknop van het kofferdeksel op
de afstandsbediening te drukken,
wordt het kofferdeksel automatisch
weer vergrendeld zodra u het sluit.
Als u in dit geval de sleutel per
ongeluk in de bagageruimte hebt
laten liggen, druk dan onmiddellijk
op de schakelaar A van de centrale
vergrendeling om het kofferdeksel
weer te ontgrendelen en de sleutel
uit de bagageruimte te halen.
3
i
TOEGANG TOT DE AUTO
77
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Zolang de brandstoftankdop niet is
vastgedraaid, kan de sleutel niet uit
de dop worden verwijderd.
BRANDSTOFTANK
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer
50 liter (Benzine) of 48 liter (Diesel).
Bij het openen van de brandstoftank-
dop kan een aanzuiggeluid van lucht
hoorbaar zijn. Dit is normaal en komt
doordat de afdichting van het brandstof-
circuit een onderdruk veroorzaakt.
Veilig tanken:
zet altijd de motor af,
open de brandstoftankklep,
steek de sleutel in de dop en draai
de sleutel linksom,
Na het tanken:
breng de dop aan,
draai de sleutel naar rechts en ver-
wijder deze vervolgens uit de dop,
sluit de brandstoftankklep.
verwijder de dop en bevestig deze
aan de haak aan de binnenzijde van
de klep,
u kunt de auto aftanken, maar laat
het vulpistool nooit meer dan
3 keer afslaan . Indien dit wel ge-
beurt, kunnen er storingen optre-
den.
Waarschuwing brandstofniveau
Als dit controlelampje gaat
branden, is het minimale niveau
in de brandstoftank bereikt. Op
het moment dat het lampje gaat
branden, bevindt zich nog on-
geveer 5 liter brandstof in de tank.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voor-
komen dat u met een lege tank strandt.
Raadpleeg indien u strandt met een
lege tank (Diesel) de rubriek "Onder-
houd".
Tanken
Op een label aan de binnenzijde van de
tankklep staat de voorgeschreven soort
brandstof voor uw auto aangegeven.
Voor een juiste weergave van de brand-
stofmeter is het raadzaam minimaal
5 liter brandstof te tanken.
3
DIESEL
TOEGANG TOT DE AUTO
78
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
Brandstofkwaliteit voor
benzinemotoren
Brandstofkwaliteit voor
dieselmotoren
Auto's met benzinemotoren kunnen
probleemloos rijden op biobrandstof-
fen van het type E10 en E24 (deze be-
vatten resp. 10% en 24% ethanol) die
voldoen aan de Europese richtlijnen
EN 228 en EN 15376.
Brandstoffen van het type E85 (deze
bevatten tot 85% ethanol) zijn uitslui-
tend geschikt voor auto's die speciaal
bestemd zijn voor dit type brandstof
(BioFlex-auto's). De kwaliteit van de
ethanol moet voldoen aan de Europese
richtlijn EN 15293.
Auto's die kunnen rijden op brandstof-
fen met een ethanolgehalte tot 100%
(type E100), worden alleen verkocht in
Brazilië.
Auto's met dieselmotoren kunnen pro-
bleemloos rijden op biobrandstoffen die
aan de huidige en toekomstige Europe-
se richtlijnen voldoen (diesel die voldoet
aan de richtlijn EN 590 gemengd met
biobrandstof die voldoet aan de richtlijn
EN 14214) en die aan de pomp getankt
kunnen worden (met een gehalte aan
methyl-estervetzuren van 0 tot 7%).
Het gebruik van biobrandstof B30 is
mogelijk bij bepaalde dieselmotoren
op voorwaarde dat de bijzondere on-
derhoudsvoorschriften strikt worden
nageleefd. Raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde werk-
plaats.
Het gebruik van elk ander type (bio)
brandstof (zuivere of verdunde plant-
aardige of dierlijke olie, stookolie ...)
is nadrukkelijk verboden (kans op scha-
de aan de motor en het brandstofcir-
cuit).
3
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
79
207cc_nl_Chap03_Ouvertures_ed01-2014
VULPISTOOLRESTRICTIE
(DIESEL) *
Dit mechanisme is aangebracht in au-
to's met een dieselmotor, waardoor het
onmogelijk is om benzine te tanken.
Hiermee wordt schade aan motoren,
ontstaan door het tanken van de ver-
keerde brandstof, voorkomen.
Deze voorziening, die in de tankope-
ning is ingebouwd, is zichtbaar zodra u
de brandstoftankdop verwijdert.
Werking
Wanneer u bij een dieseluitvoering een
benzinetankpistool in de tankopening
plaatst, wordt dit tegengehouden door
een klep, waardoor het vergrendeld
blijft en er dus niet getankt kan worden.
Probeer in dat geval niet toch te tan-
ken maar kies een dieseltankpistool.
Het vullen van de brandstoftank
met behulp van een jerrycan is wel
mogelijk.
Houd de tuit van de jerrycan recht,
druk deze niet tegen de klep van
de vulpistoolrestrictie en giet voor-
zichtig om ervoor te zorgen dat de
brandstof netjes in de vulopening
stroomt.
* Volgens land van bestemming.
Reizen naar het buitenland
Omdat de tankpistolen voor het
tanken van Diesel per land kunnen
verschillen, kan de aanwezigheid
van een tankbeveiliging op de auto
er toe leiden dat tanken niet moge-
lijk is.
Wij adviseren u daarom voordat u
naar het buitenland afreist bij het
PEUGEOT-netwerk te informeren
of uw auto geschikt is om in het
desbetreffende land te kunnen tan-
ken.
4
80
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
LICHTSCHAKELAAR
Met de lichtschakelaar kunt u de ver-
lichting van de auto selecteren en in-
schakelen.
Handbediende functies
De lichtschakelaar bestaat uit de ring A
en de hendel B .
A . ring voor de selectie van de stand
van de hoofdverlichting:
Uitvoering zonder automatische
verlichting
Uitvoering met automatische
verlichting
uit,
automatische verlichting.
alleen parkeerlicht,
B. trek de hendel naar u toe om over
te schakelen van dim- naar grootlicht
en terug.
dimlicht of grootlicht,
Verklikkerlampjes
Een verklikkerlampje op het instrumen-
tenpaneel geeft aan dat de geselecteer-
de verlichting is ingeschakeld.
Hoofdverlichting
De lichtschakelaar heeft verschillende
standen om de zichtbaarheid van de
auto en het zicht van de bestuurder aan
te passen aan de omgeving:
- parkeerlicht: om gezien te worden,
- dimlicht: voor een optimaal zicht zon-
der medeweggebruikers te verblinden,
- grootlicht: voor een optimaal zicht
op wegen waar het omgevingslicht
onvoldoende is.
Aanvullende verlichting
Uw auto is voorzien van aanvullende
verlichting voor specifi eke rijomstandig-
heden:
- mistachterlicht: voor een optimale
zichtbaarheid van achteren,
- mistlampen vóór: voor extra zicht,
- bochtverlichting voor een optimaal
zicht in bochten.
Instellingen
Het verlichtingssysteem van uw auto heeft
verschillende extra automatische functies
die afzonderlijk kunnen worden ingesteld:
- follow me home-verlichting,
- automatische verlichting,
- statische bochtverlichting.
Als de verlichting is uitgeschakeld of
alleen de parkeerlichten zijn ingescha-
keld, kunt u een lichtsignaal geven door
de hendel naar u toe te trekken.
4
!
81
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
Uitvoering met mistlampen vóór en
mistachterlicht
mistlampen vóór en mistach-
terlicht
C. ring voor de selectie van de mistver-
lichting.
De mistverlichting kan worden ingescha-
keld in combinatie met dim- en grootlicht.
Draai de ring C naar voren om de
mistverlichting in te schakelen.
Draai de ring C twee keer naar ach-
teren om het mistachterlicht uit te
schakelen.
Wanneer de verlichting automatisch
wordt uitgeschakeld (in de stand AUTO)
of het dimlicht handmatig wordt uitge-
schakeld, blijven de mistverlichting en
de parkeerlichten branden.
Draai de ring naar achteren om de
mistverlichting uit te schakelen. De
parkeerlichten worden automatisch
uitgeschakeld.
Vergeet niet de mistlampen uit te
zetten zodra het niet meer nodig is.
Bij helder weer zijn de mistlampen
verblindend voor medeweggebrui-
kers en daarom niet toegestaan.
Weer inschakelen van de
verlichting nadat het contact
afgezet is geweest
Draag de ring A in de stand "0" (verlich-
ting uit) en vervolgens in de gewenste
stand om de verlichting weer in te scha-
kelen.
Bij het openen van het bestuurderspor-
tier klinkt gedurende enige tijd een ge-
luidssignaal om u te waarschuwen dat
de verlichting is ingeschakeld.
De verlichting gaat na enige tijd, afhan-
kelijk van de laadtoestand van de accu
(inschakelen van de eco-mode), auto-
matisch uit.
Op het instrumentenpaneel gaat
dit verklikkerlampje branden.
* Volgens land van bestemming.
Motorvoertuigverlichting overdag *
Bij auto's met motorvoertuigverlichting
overdag wordt bij het starten van de
auto automatisch het dimlicht ingescha-
keld.
De dashboardverlichting (het multifunc-
tionele display, het bedieningspaneel
van de airconditioning, ...) gaat niet
branden, tenzij de automatische ver-
lichting wordt ingeschakeld of de ver-
lichting handmatig wordt ingeschakeld.
4
!
82
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch in-
geschakeld.
Dek de met de regensensor ge-
combineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Deze sensor regelt de automati-
sche verlichting.
Storing
Bij een storing in de lichtsen-
sor gaat de verlichting branden
en wordt het pictogram service
weergegeven in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
op het display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Automatische verlichting
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de licht-
sterkte van de omgeving onvoldoende
is (gesignaleerd door de sensor achter
de binnenspiegel) of zodra de ruiten-
wissers worden ingeschakeld.
De verlichting wordt automatisch uitge-
schakeld als de lichtsterkte van de om-
geving weer voldoende is of het wissen
is gestopt.
Handmatige follow me home-
verlichting
(follow me home)
Deze functie zorgt ervoor dat na het af-
zetten van het contact de dimlichten nog
even blijven branden om het uitstappen
in het donker te vergemakkelijken.
Inschakelen
Geef bij afgezet contact een "licht-
signaal" met de hendel B .
Geef nogmaals een "lichtsignaal"
om de functie te deactiveren.
Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto met de
afstandsbediening of na de ingestelde
tijd wordt de follow me home-verlichting
automatisch uitgeschakeld.
Inschakelen
Draai de ring A in de stand " AUTO ".
Het inschakelen wordt bevestigd
door een melding op het display.
Uitschakelen
Draai de ring A in een andere stand
dan de stand " AUTO ". Het uitscha-
kelen wordt bevestigd door een mel-
ding op het display.
Automatische follow me home-
verlichting
Als de automatische verlichting is inge-
schakeld, blijft bij weinig omgevingslicht
het dimlicht branden bij het afzetten van
het contact.
4
i
83
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
STATISCHE
BOCHTVERLICHTING
Als het dimlicht of grootlicht is ingescha-
keld, zorgt deze functie ervoor dat de licht-
bundels de richting van de weg volgen met
een extra hoek van ongeveer 30°.
Deze functie is vooral effectief bij lage en
gemiddelde wagensnelheden (binnen
de bebouwde kom, bochtige wegen, ...).
met bochtverlichting
zonder bochtverlichting
Configuratie
Inschakelen
De functie wordt ingeschakeld als bij
een bepaalde wagensnelheid het stuur
met een bepaalde hoek wordt gedraaid.
Storing
Deze functie kan wor-
den geactiveerd of
gedeactiveerd via het con-
guratiemenu van het mul-
tifunctionele display.
De functie is standaard ge-
activeerd.
In het geval van een storing
knippert dit pictogram op het
instrumentenpaneel in combi-
natie met een melding op het
multifunctionele display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
KOPLAMPEN VERSTELLEN
Stand "0" : basisinstelling.
Verstel de koplampen afhankelijk van
de belading van uw auto om verblinding
van medeweggebruikers te voorkomen.
0. 1 of 2 personen op de voorstoelen.
-. 3 personen.
1. 4 personen.
2. 4 personen + maximaal toegestane
belading.
3. Bestuurder + maximaal toegestane
belading.
Uitschakelen
De functie is uitgeschakeld als het stuur
wordt teruggedraaid naar de rechtuitstand.
De functie wordt tevens uitgeschakeld
als de achteruitversnelling wordt inge-
schakeld.
Reizen naar het buitenland
Wanneer u uw auto gaat gebruiken in
een land waarin het verkeer aan de
andere kant van de weg rijdt, moet de
afstelling van de dimlichten worden ge-
wijzigd om te voorkomen dat tegemoet-
komend verkeer wordt verblind.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
4
i
i
84
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
RUITENWISSERSCHAKELAAR
Met behulp van de ruitenwisserscha-
kelaar kunt u de ruitenwissers vóór in-
schakelen om regen en vuil van de ruit
te wissen.
De ruitenwissers vóór zorgen voor een
optimaal zicht voor de bestuurder, on-
geacht de weersomstandigheden.
Handmatig inschakelen
Schakel de ruitenwissers handmatig in
met behulp van de schakelaar A .
hoge snelheid (hevige neer-
slag),
normale snelheid (matige re-
genval),
interval (wissnelheid aange-
past aan de wagensnelheid),
uit,
één keer wissen (duw de hen-
del omlaag).
Uitvoering met intervalstand
Ruitenwissers vóór
A. selecteer de wissnelheid met de
schakelaar:
Ruitensproeiers vóór en
koplampsproeiers
Trek de ruitenwisserschakelaar
naar u toe. De ruitensproeiers tre-
den in werking, waarna enige tijd de
ruitenwissers worden ingeschakeld
om de ruit schoon te wissen.
De koplamsproeiers worden alleen ge-
activeerd als de dimlichten branden
en de auto rijdt .
Bij auto's met dagrijverlichting moet
de lichtschakelaar in de stand dim-
lichten worden gezet om de kop-
lampsproeiers te activeren.
Bij auto's met automatische air-
conditioning wordt tijdens het be-
dienen van de ruitensproeiers vóór
automatisch de luchttoevoer afge-
sloten om stank in het interieur te
voorkomen.
Het automatisch wissen is op dit
moment niet beschikbaar op de
207CC.
4
i
85
ZICHT
207cc_nl_Chap04_Visibilite_ed01-2014
Speciale stand van de ruitenwissers
voor
Als de ruitenwisserschakelaar binnen
één minuut nadat het contact is afgezet
wordt bediend, bewegen de ruitenwis-
sers naar het midden van de voorruit.
Deze stand kan worden gebruikt voor's
winters parkeren en het vervangen of
het reinigen van de ruitenwisserbladen.
Zet het contact aan en bedien de rui-
tenwisserschakelaar om de ruitenwis-
sers na de werkzaamheden weer in de
ruststand te zetten.
PLAFONNIER
A. Plafonnier
B. Kaartleeslampjes
In deze stand gaat de interieur-
verlichting geleidelijk branden:
Kaartleeslampjes
Druk bij aangezet contact op de
desbetreffende schakelaar.
Als de interieurverlichting perma-
nent is ingeschakeld, blijft deze
gedurende een bepaalde tijd bran-
den, afhankelijk van de situatie:
- bij afgezet contact: ongeveer
10 minuten,
- in de eco-modus: ongeveer
30 seconden,
- bij draaiende motor: onbeperkt.
- als de auto wordt ontgrendeld,
-
als de sleutel uit het contact wordt verwijderd,
- als een portier wordt geopend,
- als op de vergrendelingsknop van
de afstandsbediening wordt gedrukt
om de auto te lokaliseren.
De interieurverlichting gaat geleidelijk uit:
- als de auto wordt vergrendeld,
- als het contact wordt aangezet,
- 30 seconden na het sluiten van het
laatste portier.
Permanent uit.
Permanent aan.
Plafonnier
5
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
86
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
PEUGEOT beveelt u aan kinderen op de
volgende manier in uw auto te vervoeren:
- tot 2 jaar op de passagiersstoel
met "de rug in de rijrichting ",
- vanaf 2 jaar op de buitenste
zitplaats achter met "het ge-
zicht in de rijrichting" .
Voor meer informatie, zie § "Be-
vestiging kinderzitjes met de veilig-
heidsgordel".
ALGEMENE INFORMATIE
MET BETREKKING TOT
KINDERZITJES
Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp van
uw auto veel aandacht heeft besteed
aan veiligheidsvoorzieningen voor uw
kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook
afhankelijk van u zelf.
Volg voor een optimale veiligheid de
volgende adviezen op:
- conform de Europese wetgeving
dienen kinderen jonger dan
12 jaar of kleiner dan 1,50 meter
in gehomologeerde, aan het li-
chaamsgewicht aangepaste kin-
derzitjes op met veiligheidsgordels
of ISOFIX-bevestigingen uitgeruste
plaatsen te worden vervoerd * ,
- de veiligste plaats voor het ver-
voeren van een kind is volgens
de statistieken een plaats op de
achterbank van uw auto ,
- kinderen tot 9 kg moeten zowel
voor- als achterin met de rug in
de rijrichting worden vervoerd.
KINDERZITJE VÓÓR
"Met het gezicht in de rijrichting"
Wanneer een kinderzitje met het gezicht in
de rijrichting op de passagiersstoel voor
wordt geplaatst, moet de stoel van de auto
in de middelste stand met de rugleuning
rechtop worden gezet en mag de airbag aan
passagierszijde niet worden uitgeschakeld.
"Met de rug in de rijrichting"
Wanneer een kinderzitje met de rug in
de rijrichting op de passagiersstoel
voor wordt geplaatst, moet de airbag
aan passagierszijde zijn uitgeschakeld.
Anders kan het kind bij het afgaan
van de airbag levensgevaarlijk ge-
wond raken .
Middelste stand
* De regels voor het vervoeren van
kinderen zijn per land verschillend.
Raadpleeg de wetgeving hierover in
uw land.
5
i
!
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
87
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
UITSCHAKELEN VAN DE AIRBAG
VÓÓR AAN PASSAGIERSZIJDE
Dit voorschrift wordt tevens vermeld
op de waarschuwingssticker aan bei-
de zijden van de zonneklep aan pas-
sagierszijde. Conform de wettelijke
voorschriften vindt u op de volgende
tabellen deze waarschuwing in alle be-
nodigde talen.
Plaats nooit een kind in een kinder-
zitje "met de rug in de rijrichting"
op de voorpassagiersstoel als de
airbag vóór aan passagierszijde is
ingeschakeld. Het kind kan in dat
geval bij een aanrijding ernstig en
zelfs dodelijk gewond raken.
Airbag aan passagierszijde OFF
Raadpleeg de rubriek "Airbags"
voor meer informatie over het uit-
schakelen van de airbag vóór aan
passagierszijde.
5
AR
BG
НИКОГА НЕ инсталирайте детско столче на седалка с АКТИВИРАНА предна ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА. Това можеда причини СМЪРТ
или СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на детето.
CS
NIKDY neumisťujte dětské zádržné zařízení orientované směrem dozadu na sedadlo chráněné AKTIVOVANÝM čelním AIRBAGEM. Hrozí
nebezpečí SMRTI DÍTĚTE nebo VÁŽNÉHO ZRANĚNÍ.
DA
Brug aldrig en bagudvendt barnestol på et sæde der er beskyttet af en aktiv airbag. Død eller alvorlig skade på barnet kan forekomme.
DE
Verwenden Sie NIEMALS einen Kindersitz oder Babyschale gegen die Fahrtrichtung bei AKTIVIERTEM Airbag, TOD oder ERNSTHAFTE VER-
LETZUNGEN können die Folge sein.
EL
Μη χρησιμοποιείτε ΠΟΤΕ παιδικό κάθισμα με την πλάτη του προς το εμπρός μέρος του αυτοκινήτου, σε μια θέση που προστατεύεται από
ΜΕΤΩΠΙΚΟ αερόσακο που είναι ΕΝΕΡΓΟΣ. Αυτό μπορεί να έχει σαν συνέπεια το ΘΑΝΑΤΟ ή το ΣΟΒΑΡΟ ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ του ΠΑΙΔΙΟΥ
EN
NEVER use a rearward facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it, DEATH or SERIOUS INJURY to the CHILD
can occur
ES
NO INSTALAR NUNCA EL SISTEMA DE RETENCIÓN PARA NIÑOS DE ESPALDAS AL SENTIDO DE LA CIRCULACIÓN SOBRE UN ASIENTO
PROTEGIDO CON UN COJÍN INFLABLE FRONTAL ( AIRBAG ) ACTIVADO. ESTO PUEDE CAUSAR LA MUERTE DEL BEBE O HERIRLO
GRAVEMENTE.
ET
Ärge kasutage kunagi lapse turvatooli seljaga sõidusuunas sõiduki istmel mis on kaitstud AKTIVEERITUD TURVAPADJAGA. See võib põhjustada
lapsele RASKEID VIGASTUSI või SURMA.
FI
ÄLÄ KOSKAAN aseta lapsen turvaistuinta selkä ajosuuntaan istuimelle, jonka edessä suojana on käyttöön aktivoitu TURVATYYNY. Sen laukeami-
nen voi aiheuttaa LAPSEN KUOLEMAN tai VAKAVAN LOUKKAANTUMISEN.
FR
NE JAMAIS installer de système de retenue pour enfants faisant face vers l’arrière sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLABLE frontal
ACTIVÉ.
Cela peut provoquer la MORT de l’ENFANT ou le BLESSER GRAVEMENT
HR
NIKADA ne postavljati dječju sjedalicu leđima u smjeru vožnje na sjedalo zaštićeno UKLJUČENIM prednjim ZRAČNIM JASTUKOM. To bi moglo
uzrokovati SMRT ili TEŠKU OZLJEDU djeteta.
HU
SOHA ne használjon menetiránynak háttal beszerelt gyermekülést olyan ülésen, amely AKTIVÁLT ÁLLAPOTÚ (BEKAPCSOLT) FRONTLÉGZSÁK-
KAL van védve. Ez a gyermek halálát vagy súlyos sérülését okozhatja.
IT
NON installare MAI seggiolini per bambini posizionati in senso contrario a quello di marcia su un sedile protetto da un AIRBAG frontale ATTIVATO.
Ciò potrebbe provocare la MORTE o FERITE GRAVI al bambino.
LT
NIEKADA neįrenkite vaiko prilaikymo priemonės su atgal atgręžtu vaiku ant sėdynės, kuri saugoma VEIKIANČIOS priekinės ORO PAGALVĖS.
Išsiskleidus oro pagalvei vaikas gali būti MIRTINAI arba SUNKIAI TRAUMUOTAS.
LV
NAV PIEĻAUJAMS uzstādīt uz aizmuguri vērstu bērnu sēdeklīti priekšējā pasažiera vietā, kurā ir AKTIVIZĒTS priekšējais DROŠĪBAS GAISA
SPILVENS.
Tas var izraisīt BĒRNA NĀVI vai radīt NOPIETNUS IEVAINOJUMUS.
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
88
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
5
MT
Qatt m’ghandek thalli tifel/tifl a marbut f’siggu dahru lejn l-Airbag attiva, ghaliex tista’ tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/tifl a
NL
Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD. Bij het afgaan van de airbag
kan het KIND ERNSTIG OF DODELIJK GEWOND raken.
NO
Installer ALDRI et barnesete med ryggen mot kjøreretningen i et sete som er beskyttet med en frontal AKTIVERT KOLLISJONSPUTE, BARNET
risikerer å bli DREPT eller HARDT SKADET.
PL
NIGDY nie instalować fotelika dziecięcego w pozycji "tyłem do kierunku jazdy"na siedzeniu wyposażonym w CZOŁOWĄ PODUSZKĘ POWIETRZNĄ
w stanie AKTYWNYM.W przeciwnym razie dziecko narażone będzie na ŚMIERĆ lub BARDZO POWAŻNE OBRAŻENIA CIAŁA w momenicie
wyzwolenia poduszki powietrznej
PT
NUNCA instale um sistema de retenção para crianças de costas para a estrada, num banco protegido por um AIRBAG frontal ACTIVADO. Esta
instalação poderá provocar FERIMENTOS GRAVES ou a MORTE da CRIANÇA.
RO
Nu instalati NICIODATA un sistem de retinere pentru copii, dispus cu spatele in directia de mers, pe un loc din vehicul protejat cu AIRBAG frontal
ACTIVAT. Aceasta ar putea provoca MOARTEA COPILULUI sau RANIREA lui GRAVA.
RU
ВО ВСЕХ СЛУЧАЯХ ЗАПРЕЩАЕТСЯ использовать обращенное назад детское удерживающее устройство на сиденье, защищенном
ФУНКЦИОНИРУЮЩЕЙ ПОДУШКОЙ БЕЗОПАСНОСТИ, установленной перед этим сиденьем.
Это может привести к ГИБЕЛИ РЕБЕНКА или НАНЕСЕНИЮ ЕМУ СЕРЬЕЗНЫХ ТЕЛЕСНЫХ ПОВРЕЖДЕНИЙ
SK
NIKDY nepoužívajte na prednom sedadle chránenom AKTÍVNYM AIRBAGOM detské zadržiavacie zariadenie umiestnené v proti smere jazdy.
Môže to spôsobiť SMRŤ, alebo VÁŽNE ZRANENIE DIEŤAŤA.
SL
NIKOLI ne nameščajte otroškega sedeža s hrbtom v smeri vožnje, če je VARNOSTNA BLAZINA pred sprednjim sopotnikovim sedežem AKTI-
VIRANA. Takšna namestitev lahko povzroči SMRT OTROKA ali HUDE POŠKODBE.
SR
NIKADA ne koristite dečje sedište koje se okreće unazad na sedištu zaštićenim AKTIVNIM VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred njega, jer mogu nastu-
piti SMRT ili OZBILJNA POVREDA DETETA.
SV
Använd ALDRIG en bakåtvänd barnstol i ett säte skyddat av en AKTIV AIRBAG framför det. Det kan orsaka ALLVARLIGA eller DÖDLIGA skador
på barnet.
TR
KESİNLKLE HAVA YASTIĞI AKTİF olan ön koltuğa yüzü arkaya dönük bir çocuk koltuğu yerleştirmeyiniz. Bu ÇOCUĞUN ÖLMESİNE veya ÇOK
AĞIR YARALANMASINA sebep olabilir.
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
89
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
5
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
90
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
KINDERZITJE ACHTERIN
"Rug in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met de
rug in de rijrichting" achterin plaatst de
voorstoel naar voren en zet de rugleu-
ning van de voorstoel rechtop, zodat
het kinderzitje de voorstoel niet raakt.
"Gezicht in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met het ge-
zicht in de rijrichting" achterin plaatst
de voorstoel naar voren en zet de rug-
leuning van de voorstoel rechtop, zodat
de benen van het kind de voorstoel niet
raken.
Controleer of de veiligheidsgordel
goed is aangetrokken.
Controleer bij kinderzitjes met een
steun of deze steun stabiel op de
vloer staat. Verzet indien nodig de
voorstoel van de auto.
5
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
91
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
DOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES
PEUGEOT levert een reeks kinderzitjes met een artikelnummer die met een
driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
Groep 0 : vanaf de geboorte tot 10 kg
Groep 0+ : vanaf de geboorte tot 13 kg
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.
Groep 2 en 3 : van 15 tot 36 kg
"KLIPPAN Optima"
Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg) gebruik alleen de zitverhoging.
5
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
92
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
BEVESTIGING KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen met de veiligheids-
gordel van een universeel gehomologeerd kinderzitje (a) in uw auto, gerangschikt naar het gewicht van het kind en de plaats
in de auto.
(a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto's met de veiligheidsgordel kan
worden bevestigd.
(b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. Reiswiegen en "autobedjes" mogen niet
op de passagiersstoel vóór worden bevestigd.
(c) Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te
bevestigen.
(d) Zet bij het plaatsen van een kinderzitje de voorstoel naar voren en zet de rug-
leuning rechtop zodat er voldoende ruimte voor het kinderzitje en de benen
van het kind is. De voorstoel hoeft dan ook niet in de middelste stand te staan.
U : plaats geschikt voor het bevestigen van een universeel goedgekeurd kinderzitje
met de veiligheidsgordel, kinderzitje geplaatst met de rug in de rijrichting of het
gezicht in de rijrichting.
U(R) : hetzelfde als U , maar met de stoel van de auto in de hoogste stand.
Plaats
Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie
Tot 13 kg
(groep 0 (b) en 0+)
Tot ± 1 jaar
9 tot 18 kg
(groep 1)
Van ± 1 tot ± 3 jaar
15 tot 25 kg
(groep 2)
Van ± 3 tot ± 6 jaar
22 tot 36 kg
(groep 3)
Van ± 6 tot ±
10 jaar
Passagiersstoel vóór (c)
- vaste stoel U U U U
- in hoogte
verstelbaar
U(R) U(R) U(R) U(R)
Zitplaats links of
rechts achter (d)
U U U U
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje
met een rugleuning te bevestigen
op een passagiersstoel. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kin-
derzitje is verwijderd.
5
!
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
93
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES
Kinderen voorin
Plaatsen van een stoelverhoger
Verwijder de hoofdsteun alvorens een
kinderzitje met een rugleuning te plaat-
sen op een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om
te voorkomen dat de hoofdsteun door
de auto vliegt bij krachtig afremmen.
Plaats de hoofdsteun terug zodra het
kinderzitje is verwijderd.
De onjuiste bevestiging van een kin-
derzitje brengt de veiligheid van het
kind in gevaar bij een aanrijding.
Controleer of er geen veiligheidsgor-
del of gesp van de veiligheidsgordel
onder het kinderzitje zit; dat zou de
stabiliteit van het zitje in gevaar kun-
nen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels
of het tuigje van het kinderzitje, zelfs
bij korte ritten, worden vastgemaakt
waarbij de speling ten opzichte van
het lichaam van het kind zoveel mo-
gelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het kin-
derzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen
het kinderzitje is gespannen en dat
de gordel het kinderzitje stevig op zijn
plaats houdt. Schuif de passagiers-
stoel, wanneer deze versteld kan wor-
den, indien nodig naar voren.
Laat bij de achterzitplaatsen altijd vol-
doende ruimte tussen de voorstoel en:
-
het kinderzitje "met de rug in de rijrichting",
- de voeten van het kind in het kinder-
zitje "met het gezicht in de rijrichting".
Schuif daartoe de voorstoel naar vo-
ren en zet de rugleuning ervan, indien
nodig, rechter op.
Zorg er voor een optimale bevestiging
van het kinderzitje "met het gezicht in
de rijrichting" voor dat de afstand tus-
sen de rugleuning van het zitje en de
rugleuning van de stoel van de auto zo
klein mogelijk is. Laat indien mogelijk
de rugleuning van het zitje tegen de
rugleuning van de stoel aandrukken.
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen op de passa-
giersstoel vóór is per land verschillend.
Raadpleeg de in uw land geldende re-
gelgeving.
Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet
met het gezicht in de rijrichting op de
voorpassagiersstoel worden vervoerd,
behalve als de achterzitplaatsen reeds
zijn bezet door andere kinderen of als
de achterzitplaatsen niet gebruikt kun-
nen worden of afwezig zijn.
Schakel de airbag aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug
in de rijrichting op de voorstoel wordt
geplaatst. Het kind kan anders bij het
afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.
Het bovenste gedeelte van de veilig-
heidsgordel moet over de schouder
van het kind liggen zonder de hals te
raken.
Controleer of de heupgordel goed
over de bovenbenen van het kind ligt.
PEUGEOT beveelt aan een stoelver-
hoger met rugleuning te gebruiken
voorzien van een gordelgeleider ter
hoogte van de schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht
achter in een auto,
- nooit een kind of een dier in een
auto achter wanneer alle ruiten
gesloten zijn en de auto in de zon
staat,
- de sleutels nooit binnen bereik
van de kinderen achter in de auto.
5
!
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
94
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje
kan het kind bij een aanrijding ern-
stig letsel oplopen.
Raadpleeg het overzicht voor de
bevestiging van ISOFIX-kinderzit-
jes in uw auto, waarin staat ver-
meld welke kinderzitjes voor welke
zitplaatsen geschikt zijn.
ISOFIX-BEVESTIGINGEN
Elke zitplaats is voorzien van drie be-
vestigingsringen:
- twee bevestigingsringen A , die zich
tussen de rugleuning en de zitting
van de zitplaats bevinden, aange-
geven met een merkteken,
- één bevestigingsring B achter de
stoel, Top Tether genoemd, voor de
bevestiging van de bovenste riem.
Aan de Top Tether kan de bovenste be-
vestigingsriem (indien aanwezig) van
een kinderzitje worden vastgemaakt. Bij
een frontale aanrijding beperkt dit sys-
teem het naar voren kantelen van het
kinderzitje.
De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor
een veilige, degelijke en snelle monta-
ge van het kinderzitje in uw auto.
Uw auto voldoet aan de meest recente
ISOFIX-normen .
De hieronder aangegeven zitplaatsen
zijn uitgerust met de voorgeschreven
ISOFIX-bevestigingen:
De ISOFIX-kinderzitjes zijn voorzien
van twee sloten die aan de twee beves-
tigingsringen A kunnen worden veran-
kerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien
voorzien van een bovenste beves-
tigingsriem die kan worden vastge-
maakt aan de bevestigingsring B .
Kinderzitje vastmaken aan de Top Tether:
- verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens het kinderzitje op
deze zitplaats te bevestigen (plaats
de hoofdsteun terug zodra het kin-
derzitje is verwijderd),
- voer de riem van het kinderzitje over
de rugleuning van de zitplaats, tus-
sen de openingen voor de pennen
van de hoofdsteun door,
- bevestig de aansluiting van de boven-
ste bevestigingsriem aan de ring B ,
-
trek de bovenste bevestigingsriem strak.
Houd u nauwgezet aan de mon-
tagevoorschriften die in de hand-
leiding van het kinderzitje zijn
vermeld.
5
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
95
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
ISOFIX-KINDERZITJE
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te
bevestigen.
Verstel de voorstoel van de auto zodanig dat de voeten van het kind de rugleuning niet raken.
Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.
Aanbevolen door PEUGEOT en goedgekeurd voor uw auto
ISOFIX-kinderzitje met TOP TETHER
"RÖMER Duo Plus ISOFIX"
(gewichtsgroep B1 )
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Dit wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst.
Wordt bevestigd aan de ogen A en, met behulp van de bovenste riem, aan
het oog B , genaamd TOP TETHER.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
5
i
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
96
207cc_nl_Chap05_Securite enfants_ed01-2014
OVERZICHT BEVESTIGING ISOFIX-KINDERZITJES
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-
kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aan-
gegeven met een letter ( A t/m G ).
IUF: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een u niverseel gehomologeerd
I SOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting en een bovenste riem
(" T op Tether" bevestiging).
IL-SU:
zitplaats geschikt voor de bevestiging van een s emi- u niverseel gehomologeerd I SOFIX-kinderzitje:
-
rug in de rijrichting voorzien van een bovenste riem ("Top Tether" bevestiging) of een steun,
- gezicht in de rijrichting voorzien van een steun.
Raadpleeg paragraaf "Isofi x-bevestigingen" voor meer informatie over de bevesti-
ging van de bovenste riem ("Top Tether" bevestiging).
X: plaats niet geschikt voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje uit de aan-
gegeven gewichtsgroep.
Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie
Tot 10 kg (groep 0)
Tot ca. 6 maanden
Tot 10 kg
(groep 0)
Tot 13 kg
(groep 0+)
Tot ca. 1 jaar
Van 9 tot 18 kg (groep 1)
Van ca. 1 tot ca. 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg *
"rug in de
rijrichting"
"rug in de
rijrichting"
"gezicht in de
rijrichting"
ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1
ISOFIX-kinderzitjes
universeel en semi-
universeel geschikt voor
bevestiging op de passagie
rsstoel
X IL-SU IL-SU
IUF
IL-SU
* Reiswiegen en "autobedjes" mogen niet op de passagiersstoel vóór worden be-
vestigd.
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje
met een rugleuning te bevestigen
op een passagiersstoel. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kin-
derzitje is verwijderd.
6
i
i
!
VEILIGHEID
97
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
RICHTINGAANWIJZERS
Gebruik de richtingaanwijzers om een
verandering van rijrichting of rijstrook
aan te geven.
Wanneer bij een snelheid van meer
dan 60 km/h de richtingaanwijzers
na meer dan 20 seconden nog niet
zijn uitgeschakeld, wordt automa-
tisch het knippergeluid versterkt.
Links: duw de hendel omlaag.
Rechts: duw de hendel omhoog.
Drie keer knipperen
Beweeg de schakelaar kort omhoog
of omlaag, zonder deze door de
weerstand te drukken. De desbe-
treffende richtingaanwijzers zullen
drie keer knipperen.
URGENCE-OPROEP OF
ASSISTANCE-OPROEP
Raadpleeg de rubriek "Audio en tele-
matica" voor meer informatie over het
gebruik van deze voorziening.
Hiermee kunt u een noodoproep of
hulpoproep doen naar de hulpdiensten
of de desbetreffende PEUGEOT-help-
desk.
Deze veiligheidsuitrusting vormt een
aanvulling op de alarmknipperlichten.
Elke auto moet zijn voorzien van een
gevarendriehoek.
GEVARENDRIEHOEK
Op de weg plaatsen van de
gevarendriehoek
Plaats de gevarendriehoek achter
de auto, houd u daarbij aan de ter
plaatse geldende regels.
Voordat u uit de auto stapt om de
gevarendriehoek uit te vouwen en
te plaatsen moet u de alarmknip-
perlichten inschakelen en uw refl ec-
terende veiligheidsvest aantrekken.
Raadpleeg voor het uit- en invou-
wen van de gevarendriehoek de
gebruiksaanwijzing van de fabri-
kant.
6
i
VEILIGHEID
98
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
ALARMKNIPPERLICHTEN
Gebruik de alarmknipperlichten om het
overige verkeer te waarschuwen in het
geval van le, pech, slepen of een on-
geval.
Druk deze knop in: de richtingaan-
wijzers knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als
het contact is afgezet.
Automatisch inschakelen van
de alarmknipperlichten
Bij een noodstop worden de alarmknip-
perlichten, afhankelijk van de mate van
remvertraging, automatisch ingescha-
keld.
Zodra er weer gas wordt gegeven gaan
de alarmknipperlichten uit.
U kunt de alarmknipperlichten ech-
ter ook uitschakelen door de knop in
te drukken.
CLAXON
Druk op een van de spaken van het
stuurwiel.
Gebruik de claxon alleen wanneer
het echt nodig is, in de volgende
gevallen:
- onmiddellijk gevaar,
- inhalen van fi etsers of voetgan-
gers,
- naderen van een onoverzichte-
lijke bocht.
Gebruik de claxon om medeweggebrui-
kers te waarschuwen bij gevaar.
6
!
i
i
i
VEILIGHEID
99
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
CONTROLESYSTEEM
BANDENSPANNING
Dit systeem controleert automatisch de
bandenspanning tijdens het rijden.
Alle reparaties aan een wiel dat met
dit systeem is uitgerust en het vervan-
gen van een band moeten worden uit-
gevoerd door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Wanneer bij het verwisselen een
wiel is gemonteerd dat niet door
uw auto wordt gedetecteerd (voor-
beeld: montage van winterban-
den), dient het systeem door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwa-
lifi ceerde werkplaats opnieuw ge-
initialiseerd te worden.
Ondanks dit systeem moet de ban-
denspanning (zie de rubriek "Iden-
tifi catie") nog regelmatig worden
gecontroleerd. De bandenspan-
ning heeft een belangrijke invloed
op het rijgedrag van de auto en
de slijtage van de banden, vooral
onder zware rijomstandigheden
(zware lading, hoge rijsnelheden).
De bandenspanning dient minimaal
één keer per maand gecontroleerd
te worden, bij koude banden. Denk
eraan ook de bandenspanning van
het reservewiel te controleren.
Het bandenspanningscontrolesys-
teem kan tijdelijk worden verstoord
door radiogolven in hetzelfde fre-
quentiegebied.
Elk ventiel is voorzien van een sensor,
die een waarschuwingssignaal uitzendt
als de bandenspanning te laag is (snel-
heid hoger dan 20 km/h).
Te lage bandenspanning
Er verschijnt een melding op het mul-
tifunctionele display, in combinatie met
een geluidssignaal, om aan te geven
welke band(en) het betreft.
Controleer zo snel mogelijk de ban-
denspanning.
Dit dient te worden uitgevoerd bij koude
banden.
Dit verklikkerlampje en het
verklikkerlampje STOP gaan
branden op het instrumenten-
paneel in combinatie met een
geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display
die aangeeft welke band(en)
het betreft.
Stop onmiddellijk, maar vermijd abrupte
manoeuvres met het stuur en de remmen.
Vervang de beschadigde band (lek-
ke band of veel te lage bandenspan-
ning) en laat de bandenspanning zo
snel mogelijk controleren.
Lekke band
Het bandenspanningscontrolesysteem is
niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen
inhoudt dat de waakzaamheid en verant-
woordelijkheid van de bestuurder niet door
het systeem kunnen worden vervangen.
Sensor(en) niet gedetecteerd of
defect
Er verschijnt een melding op het mul-
tifunctionele display, in combinatie met
een geluidssignaal, om aan te geven
van welk(e) wiel(en) de bandenspan-
ning niet meer gecontroleerd wordt of
om aan te geven dat er een storing in
het systeem zit.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats om de
defecte sensor(en) te vervangen.
Deze melding wordt ook weerge-
geven als één van de wielen niet
op de auto aanwezig is (bij repa-
ratie) of als er één of meerdere
wielen zonder sensor op de auto
worden gemonteerd.
Het reservewiel is niet voorzien
van een sensor.
6
!
i
!
VEILIGHEID
100
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
HULPSYSTEMEN BIJ HET
REMMEN *
Uw auto is voorzien van drie systemen
die u helpen om de auto in een noodsi-
tuatie veilig tot stilstand te brengen:
- het antiblokkeersysteem (ABS),
- de elektronische remdrukregelaar
(REF),
- de noodremassistentie (AFU).
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
Deze systemen zorgen tijdens het rem-
men voor een betere stabiliteit en be-
stuurbaarheid van uw auto, vooral op
een slecht of glad wegdek.
Trap het rempedaal bij een nood-
stop krachtig en volledig in en laat
het niet los.
Zorg er bij vervanging van de wie-
len (banden en velgen) voor dat er
wielen worden gemonteerd die aan
de voorschriften van de construc-
teur voldoen.
Storing
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding
op het display, duidt dit op een
storing in het antiblokkeersysteem. Door
deze storing zou u tijdens het remmen de
controle over uw auto kunnen verliezen.
Als dit waarschuwingslampje
gaat branden in combinatie
met de controlelampjes STOP
en ABS , een geluidssignaal
en een melding op het display, duidt dit
op een storing in de elektronische rem-
drukregelaar. Door deze storing zou u
tijdens het remmen de controle over uw
auto kunnen verliezen.
Stop op een veilige plaats.
Raadpleeg in beide gevallen het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Brake Assist System (BAS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in nood-
gevallen de optimale remdruk sneller
wordt bereikt, zodat de remafstand klei-
ner wordt.
* Volgens land van bestemming.
Inschakelen
Het antiblokkeersysteem treedt auto-
matisch in werking zodra een van de
wielen dreigt te blokkeren.
Als het antiblokkeersysteem ingrijpt,
is dat merkbaar aan het trillen van het
rempedaal; dit is de normale werking.
Inschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal sneller wordt ingetrapt dan
een bepaalde grenswaarde.
Het systeem zorgt er dan voor dat de
benodigde bedieningskracht minder
wordt en dat de effectiviteit van het rem-
men wordt vergroot.
Trap het rempedaal bij een nood-
stop zeer krachtig in en laat het
pedaal niet los.
6
!
VEILIGHEID
101
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
De systemen ASR en ESP zor-
gen voor meer veiligheid tijdens
het rijden. De bestuurder mag zich
echter nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's of het te
hard rijden.
De goede werking van de syste-
men wordt verzekerd door de na-
leving van de voorschriften van
de constructeur op het gebied van
wielen (banden en velgen), onder-
delen van het remsysteem, elek-
tronische onderdelen, alsmede de
montageprocedure en het uitvoe-
ren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Uitschakelen
In uitzonderlijke omstandigheden (als
de auto vastzit in de modder, sneeuw,
in mulle grond, ...) kan het nuttig zijn de
systemen ASR en ESP uit te schake-
len, zodat de wielen kunnen spinnen en
weer grip kunnen krijgen.
Druk op de knop "ESP OFF" , die
zich in het midden van het dash-
board bevindt.
Als dit verklikkerlampje op het instru-
mentenpaneel en het verklikkerlampje
van de knop branden, zijn de systemen
ASR en ESP uitgeschakeld.
Opnieuw inschakelen:
Deze systemen worden automatisch
weer ingeschakeld als het contact op-
nieuw wordt aangezet of vanaf 50 km/h.
Druk nogmaals op de knop "ESP
OFF" om de systemen handmatig
weer in te schakelen.
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display,
duidt dit op een storing in deze syste-
men.
Laat het controleren door het PEUGEOT
netwerk.
STABILITEITSCONTROLESYSTEMEN
Inschakelen
De systemen worden automatisch inge-
schakeld zodra de motor wordt gestart.
Antislipregeling
(ASR) en elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
De systemen worden geacti-
veerd zodra de wielen te weinig
grip hebben of de koers van de
auto afwijkt van de door de be-
stuurder gewenste richting.
In dat geval gaat dit controle-
lampje op het instrumentenpa-
neel knipperen.
De antislipregeling verbetert de tractie
van de wielen om doorslippen te voor-
komen, door in te grijpen op de remmen
van de aangedreven wielen en op het
motorkoppel.
Het elektronisch stabiliteitsprogramma
grijpt in via de remmen van één of meer
wielen en via het motorkoppel om de
auto (binnen de grenzen van de na-
tuurkundige wetmatigheden) weer in de
juiste koers te brengen.
6
!
VEILIGHEID
102
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
VEILIGHEIDSGORDELS
ROLL-BARS
Systeem dat de inzittenden beschermt
bij het over de kop slaan van de auto,
mits ze hun veiligheidsgordel dragen.
De roll-bars zijn achter de rugleuning
van de achterbank aangebracht. Ze
zijn voorzien van de inscriptie "Rollover
Protection".
Activering
Ze worden gelijktijdig geactiveerd wan-
neer de auto over de kop slaat.
Storing in de werking
Als dit verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel gaat branden, in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het multifunctio-
nele display, neem dan contact op
met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalifi ceerde werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Om een goede werking en active-
ring van de roll-bars te garanderen
als wordt gedetecteerd dat de auto
over de kop slaat, is het nodig dat:
-
er geen enkel accessoire dat niet
is voorzien van een artikelnummer
van PEUGEOT contact maakt met
of is bevestigd aan de roll-bars,
-
er geen voorwerpen aanwezig zijn die
de roll-bars blokkeren of afremmen,
- er geen voorwerpen aanwezig
zijn in de zone boven de roll-bars.
Veiligheidsgordels vóór
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien
van een pyrotechnische gordelspanner
en een gordelkrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra be-
scherming van de bestuurder en pas-
sagier in het geval van een frontale
aanrijding. Bij een krachtige aanrijding
zorgen de pyrotechnische gordelspan-
ners ervoor dat de veiligheidsgordels
stevig tegen de lichamen van de inzit-
tenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn
actief zodra het contact wordt aangezet.
De gordelkrachtbegrenzer beperkt de
kracht waarmee de gordel tegen het
lichaam van de inzittende getrokken
wordt, waardoor deze beter wordt be-
schermd.
6
VEILIGHEID
103
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
Omdoen Verklikkerlampje veiligheidsgordel
Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gesphouder.
Controleer of de gordel goed is vast-
gemaakt door even aan de riem te
trekken.
Als het contact wordt aangezet,
gaat dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel branden
om aan te geven dat de be-
stuurder * en/of voorpassagier
zijn gordel nog niet heeft vastgemaakt.
Als de wagensnelheid hoger is dan 20 km/h,
knippert gedurende 2 minuten het verklikker-
lampje in combinatie met een steeds sterker
worden geluidssignaal. Na deze 2 minuten
blijft het verklikkerlampje branden zolang de
bestuurder * en/of voorpassagier zijn veilig-
heidsgordel niet heeft vastgemaakt.
Losmaken
Druk op de rode knop van de gesp-
houder.
1. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
links voor.
2. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
rechts voor.
In de middelste rij gaat het verklikker-
lampje 1 of 2 branden.
Rij verklikkerlampjes
veiligheidsgordel
Veiligheidsgordels achter
De achterbank is voorzien van twee
driepunts veiligheidsgordels met oprol-
automaat.
Omdoen
Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gesphouder.
Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door even aan de riem
te trekken.
Losmaken
Druk op de rode knop van de gesp-
houder.
* Volgens land van bestemming.
6
i
VEILIGHEID
104
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
Alvorens te gaan rijden dient de
bestuurder te controleren of alle
passagiers hun veiligheidsgordel
goed hebben omgedaan en vast-
gemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tij-
dens het rijden hun veiligheidsgor-
del dragen, ook al betreft het een
korte rit.
Draai de gespen van de veilig-
heidsgordels niet om; de gordels
zijn dan niet voldoende effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien
van een oprolautomaat die ervoor
zorgt dat de lengte van de gordel
automatisch wordt aangepast aan
de lichaamsbouw van de gebruiker.
De gordel wordt automatisch opge-
rold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het
gebruik van de gordel of deze goed
is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mo-
gelijk op het bekken worden ge-
plaatst.
De schoudergordel moet langs het
holle gedeelte van de schouder
worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien
van een automatische blokkeer-
inrichting die in werking treedt bij
een aanrijding, een noodstop of
het over de kop slaan van de auto.
U kunt de blokkeerinrichting de-
blokkeren door stevig aan de riem
te trekken en deze weer los te la-
ten, zodat de riem weer een stukje
wordt opgerold.
Voor een effectieve werking van de vei-
ligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam te
worden gedragen,
- moet deze in een vloeiende bewe-
ging naar voren worden getrokken,
zonder dat de gordel gedraaid raakt,
- mag deze door niet meer dan één
persoon worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of
rafels vertonen,
- mag er om te voorkomen dat de gor-
del niet goed werkt, niets aan wor-
den gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheids-
voorschriften moeten werkzaamheden
en controles aan de veiligheidsgor-
dels worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats, die tevens voor de
garantie zorgt en de werkzaamheden
volgens de voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw
auto regelmatig controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats, vooral als de gor-
dels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeep-
sop of een reinigingsmiddel voor textiel,
verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
Controleer na het neerklappen of ver-
stellen van een stoel of de achterbank
of de gordel zich op de juiste plaats be-
vindt en goed is opgerold.
Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of klei-
ner dan 1,50 m gebruik van een ge-
schikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet
meer dan één persoon gedragen wor-
den.
Laat nooit een kind op schoot zitten
tijdens het rijden.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen, afhanke-
lijk van de aard en de kracht van de
aanrijding , vóór en onafhankelijk van
de airbags afgaan. Het activeren van
de gordelspanners gaat gepaard met
wat onschadelijke rook en een knal,
als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het sys-
teem is geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikker-
lampje van de airbag branden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren en eventueel vervangen
door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalifi ceerde werkplaats.
6
!
i
VEILIGHEID
105
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen om
de inzittenden te beschermen bij ern-
stige aanrijdingen. De airbags vormen
een aanvulling op de werking van de
veiligheidsgordels met gordelkrachtbe-
grenzers.
De elektronische schoksensoren re-
gistreren in dat geval de frontale en
zijdelingse aanrijdingen waaraan de re-
gistratiezones voor een aanrijding wor-
den blootgesteld:
- bij een ernstige aanrijding worden
de airbags onmiddellijk opgeblazen
en dragen zo bij aan een betere be-
scherming van de inzittenden van
de auto; direct na de aanrijding ont-
snapt het gas uit de airbags zodat
noch het zicht, noch het eventueel
verlaten van de auto door de inzit-
tenden wordt belemmerd,
- bij een minder ernstige aanrijding of
een aanrijding van achteren en in
bepaalde gevallen waarin de auto
over de kop slaat, treden de airbags
niet in werking. De veiligheidsgor-
dels zorgen in deze situaties voor
de bescherming van de inzittenden.
De airbags werken alleen als het
contact aan is.
De airbags werken slechts een-
maal. Als er een tweede aanrijding
plaatsvindt (tijdens hetzelfde of
een volgend ongeval), werken de
airbags niet meer.
Registratiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Airbags vóór
Activering
De airbags worden allebei opgeblazen,
behalve als de airbag vóór aan pas-
sagierszijde is uitgeschakeld, bij een
ernstige frontale aanrijding binnen (een
gedeelte van) de impactzone vóór ( A ),
in de lengterichting van de auto en van-
af de voorzijde richting de achterzijde
van de auto, die zich op een horizontale
ondergrond moet bevinden.
De airbag vóór wordt opgeblazen tus-
sen de inzittende vóór en het dash-
board om te verhinderen dat deze naar
voren wordt geworpen.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat rook en een knal,
als gevolg van de activering van
de pyrotechnische lading die in het
systeem is geïntegreerd.
Deze rook is niet schadelijk, maar
kan voor personen die daar gevoe-
lig voor zijn irriterend werken.
De knal die bij de ontsteking wordt
geproduceerd, kan het gehoor ge-
durende een korte periode enigs-
zins verminderen.
De airbags vóór beschermen bij een
frontale aanrijding het hoofd en de borst
van de bestuurder en voorpassagier.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd
in het stuurwiel en de passagiersairbag
in het dashboard boven het dashboard-
kastje.
6
!
!
VEILIGHEID
106
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag aan passagierszijde
altijd uit als u een kinderzitje met
de rug in de rijrichting op de voor-
stoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan
van de airbag levensgevaarlijk ge-
wond raken.
Plaats geen kinderzitje met de rug
in de rijrichting op de voorstoel als
de twee verklikkerlampjes van de
airbags permanent blijven branden.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of een ge-
kwalifi ceerde werkplaats.
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde
kan worden uitgeschakeld:
zet het contact af , steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde 1 ,
draai deze in de stand "OFF" ,
verwijder de sleutel zonder de stand
van de schakelaar te veranderen.
Afhankelijk van de uitvoering
van uw auto brandt dit verklik-
kerlampje hetzij op het instru-
mentenpaneel hetzij in de rij
drukschakelaars, bij aangezet
contact zolang de airbag is uit-
geschakeld.
Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" hebt verwijderd, zet dan de
schakelaar 1 weer op "ON" om de air-
bag opnieuw in te schakelen en zo de
veiligheid van uw passagier te garan-
deren.
Storing
Als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat bran-
den in combinatie met een ge-
luidssignaal en een melding op
het multifunctionele display, laat
het systeem dan zo snel mogelijk con-
troleren door het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats. Het is
mogelijk dat de airbags bij een zware
aanrijding niet afgaan.
6
!
VEILIGHEID
107
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
* Volgens land van bestemming.
Knie-airbag *
De knie-airbag beschermt bij een ern-
stige frontale aanrijding de knieën van
de bestuurder.
Deze airbag bevindt zich in het dash-
board, onder de stuurkolom.
Activering
De knie-airbag wordt gelijktijdig met de
airbags vóór opgeblazen.
Zij-airbags
De zij-airbags beschermen de bestuur-
der en de voorpassagier bij een ernsti-
ge zijdelingse aanrijding om de kans op
borstletsel te verkleinen.
De zij-airbags zijn aan de zijde van de
portieren in de rugleuningen van de
voorstoelen aangebracht.
Activering
De zij-airbags worden aan de desbe-
treffende zijde opgeblazen bij een ern-
stige zijdelingse aanrijding binnen (een
gedeelte van) de impactzone opzij B,
loodrecht op de lengteas van de auto
en vanaf de buitenzijde richting de bin-
nenzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De zij-airbag wordt opgeblazen tussen
de inzittende vóór en het desbetreffen-
de portierpaneel.
Registratiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Bij een lichte zijdelingse aanrijding
of bij het over de kop slaan, kan het
zijn dat de airbag niet wordt geac-
tiveerd.
Bij een aanrijding van achteren of
een frontale aanrijding wordt de
airbag niet geactiveerd.
Storing in de werking
Als dit verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel gaat branden,
in combinatie met een geluidssig-
naal en een melding op het display,
neem dan contact op met het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats
om het systeem te laten controleren. De
kans bestaat dat de airbags bij een ernstige
aanrijding niet worden geactiveerd.
6
!
VEILIGHEID
108
207cc_nl_Chap06_Securite_ed01-2014
Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften voor een
maximale effectiviteit van de airbags:
Maak er een gewoonte van om nor-
maal rechtop in de voorstoelen te zit-
ten.
Draag altijd een correct afgestelde
veiligheidsgordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...). Dit zou de
goede werking van de airbag kunnen
belemmeren of de inzittenden bij het
afgaan van de airbag kunnen verwon-
den.
Laat na een aanrijding of diefstal van
uw auto de airbagsystemen controle-
ren.
Alle werkzaamheden aan airbagsys-
temen moeten worden uitgevoerd
door het PEUGEOT-netwerk of door
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Zelfs als alle voorzorgsmaatregelen
worden nageleefd, is een kans op
verwondingen of lichte brandwonden
aan hoofd, borst of armen tijdens het
afgaan van een airbag niet uitgeslo-
ten. De airbag wordt vrijwel onmiddel-
lijk opgeblazen (enkele milliseconden)
en loopt vervolgens meteen weer leeg
waarbij de warme gassen via de daar-
toe bestemde openingen worden af-
gevoerd.
* Volgens land van bestemming.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuur-
wielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten niet op het dashboard rusten.
Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kun-
nen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op.
Bevestig of plak geen voorwerpen op het stuurwiel of het dashboard. Als de air-
bag wordt opgeblazen, kunnen deze voorwerpen verwondingen veroorzaken.
Knie-airbag *
Houd uw knieën niet dichter bij het stuurwiel dan noodzakelijk is.
Zij-airbags
Bedek de stoelen uitsluitend met de daarvoor bestemde stoelhoezen die het
activeren van de zij-airbags niet verhinderen. Raadpleeg voor informatie over
het gamma geschikte stoelhoezen voor uw auto het PEUGEOT-netwerk (zie de
rubriek "Accessoires").
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van
de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel.
Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.
7
!
!
!
i
RIJDEN
109
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Draai bij het parkeren van de auto
op een helling de wielen vast tegen
het trottoir, trek de parkeerrem aan
en schakel een versnelling in.
PARKEERREM
Aantrekken
Trek de hefboom van de parkeer-
rem volledig aan om uw auto stil te
zetten.
Als tijdens het rijden dit verklik-
kerlampje en het verklikkerlampje
STOP branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display, geeft dit aan
dat de parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
Vrijzetten
Trek de hefboom van de parkeerrem
licht omhoog, druk de ontgrendel-
knop in en duw de hefboom geheel
omlaag.
HANDGESCHAKELDE
6-VERSNELLINGSBAK
Inschakelen van de 5
e
of de
6
e
versnelling
Beweeg de versnellingshendel zo
ver mogelijk naar rechts om de 5
e
of
de 6
e
versnelling in te schakelen.
Als dit advies niet wordt nageleefd, kan
de versnellingsbak onherstelbaar be-
schadigd raken (per ongeluk inschake-
len van de 3
e
of 4
e
versnelling).
Schakel de achteruitversnelling al-
leen in als de auto stilstaat en de
motor stationair draait.
Rijd stapvoets als u over een on-
dergelopen weg rijdt of een beek
doorkruist.
Voor uw veiligheid en om het star-
ten van de motor te vergemakke-
lijken:
- zet de versnellingshendel altijd
in de neutraalstand,
- trap het koppelingspedaal in.
Inschakelen van de
achteruitversnelling
Trek de ring onder de pookknop
omhoog en beweeg de versnellings-
hendel eerst naar links en dan naar
voren.
7
!
RIJDEN
110
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
* Afhankelijk van de motoruitvoering.
OPSCHAKELINDICATOR *
Dit systeem adviseert de bestuurder op
te schakelen om het brandstofverbruik
te verminderen bij auto's met een hand-
geschakelde versnellingsbak.
Werking
Het systeem is uitsluitend bedoeld om
een zuinige rijstijl te hanteren.
Afhankelijk van de rijomstandigheden
en de uitrusting van uw auto kan het
systeem u adviseren één of meer ver-
snellingen op te schakelen. U kunt deze
aanwijzingen opvolgen zonder de tus-
senliggende versnellingen in te hoeven
schakelen.
Het is niet verplicht om de aanbevolen
versnellingen ook daadwerkelijk in te
schakelen. De keuze van de optimale
versnelling hangt namelijk altijd af van
de situatie op de weg, de verkeersdruk-
te en de veiligheid. De bestuurder blijft
dan ook altijd zelf verantwoordelijk voor
het al dan niet opvolgen van het scha-
keladvies van het systeem.
Deze functie kan niet worden uitge-
schakeld.
Voorbeeld:
- U rijdt in de derde versnelling.
- U trapt het gaspedaal redelijk ver in.
- Het systeem kan u in dit geval advi-
seren een hogere versnelling in te
schakelen.
De informatie wordt in de vorm van een
pijl op het display van het instrumenten-
paneel weergegeven.
Afhankelijk van de uitrusting van uw auto
verschijnt de pijl in combinatie met het
nummer van de aanbevolen versnelling.
In rijsituaties waarin veel van
de motor wordt gevraagd (diep
intrappen van het gaspedaal,
bijvoorbeeld tijdens een inhaalma-
noeuvre...) zal het systeem geen
schakeladvies geven.
Het systeem zal u nooit adviseren om:
- de eerste versnelling in te
schakelen,
- de achteruitversnelling in te
schakelen,
- terug te schakelen.
7
RIJDEN
111
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Bij de automatische transmissie met
vier versnellingen kunt u kiezen uit au-
tomatisch schakelen, aangevuld met
de programma's Sport en Sneeuw, en
handmatig schakelen.
Deze transmissie heeft dus vier ge-
bruiksmogelijkheden:
- automatisch schakelen: het scha-
kelen wordt elektronisch aange-
stuurd door de transmissie,
- programma Sport: dit schakelpro-
gramma maakt een meer dynami-
sche rijstijl mogelijk,
- programma Sneeuw: dit schakel-
programma vereenvoudigt het rij-
den op een ondergrond met weinig
grip,
- handmatig schakelen: deze stand
maakt het zelf schakelen met de se-
lectiehendel mogelijk.
Selectiehendel
P. Parkeerstand.
- Stilzetten van de auto, met of zon-
der aangetrokken handrem.
- Starten van de motor.
R. Achteruitversnelling.
- Achteruitrijden, stilstaande auto,
stationair toerental.
N. Neutraalstand.
- Stilzetten van de auto, met aange-
trokken handrem.
- Starten van de motor.
D. Automatische werking.
M + / - . Zelf schakelen tussen de vier
versnellingen.
Beweeg de selectiehendel kort naar
voren om één versnelling op te
schakelen.
of
Beweeg de selectiehendel kort naar
achteren om één versnelling terug
te schakelen.
Weergave op het instrumentenpaneel
Wanneer u de selectiehendel door het
schakelpatroon beweegt, verschijnt het
desbetreffende pictogram op het instru-
mentenpaneel.
P. Parking (parkeerstand)
R. Reverse (achteruitversnelling)
N. Neutral (neutraalstand)
D. Drive (automatisch schakelen)
S. Programma Sport
. Programma Sneeuw
1 2 3 4 . Ingeschakelde versnelling bij
handmatig schakelen
-. Ongeldige waarde bij handmatig
schakelen
Als dit pictogram op het
instrumentenpaneel ver-
schijnt, trap dan het rempe-
daal in (bijv.: starten van de
motor).
Schakelpatroon
1. Selectiehendel.
2. Toets "S" (sport) .
3. Toets " " (sneeuw) .
Intrappen van het rempedaal
7
!
!
i
RIJDEN
112
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Wegrijden
Trek de handrem aan.
Selecteer de stand P of N .
Start de motor.
Als niet aan de bovenstaande voor-
waarden wordt voldaan, klinkt een
geluidssignaal in combinatie met een
waarschuwingsmelding.
Trap bij draaiende motor het rempe-
daal in.
Zet de handrem vrij.
Selecteer de stand R , D of M .
Laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint te rijden.
Als tijdens het rijden per ongeluk
de stand N wordt geselecteerd,
laat het motortoerental dan zakken
tot stationair toerental, zet de se-
lectiehendel in de stand D en trap
het gaspedaal weer in.
Laat bij temperaturen onder -23°C
de motor gedurende vier minuten
stationair draaien. Dit is belangrijk
voor de goede werking en de levens-
duur van de motor en transmissie.
De transmissie werkt dan in de auto-
adaptieve stand, zonder dat u zelf hoeft
te schakelen. De transmissie kiest voort-
durend de meest geschikte versnelling,
afhankelijk van de rijstijl, het profi el van
de weg en de belading van de auto.
Automatisch schakelprogramma
Selecteer de stand D om automa-
tisch te laten schakelen tussen de
vier versnellingen.
Op het instrumentenpaneel
verschijnt de aanduiding.
Programma Sneeuw " "
Druk op de toets " " als de motor is
gestart.
De transmissie past zich aan voor het
rijden op gladde wegen.
Het schakelprogramma zorgt ervoor dat
u gemakkelijker kunt rijden op een on-
dergrond met weinig grip.
S Op het instrumentenpaneel
verschijnt de aanduiding.
Programma Sport "S"
Druk op de toets "S" als de motor is
gestart.
Het schakelprogramma maakt dan auto-
matisch een dynamische rijstijl mogelijk.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand N als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand P of R als de auto niet vol-
ledig stilstaat.
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en de
stand R , D of M is geselecteerd, zet
de auto zich zelfs al in beweging als
het gaspedaal niet is ingetrapt.
Laat bij draaiende motor daarom geen
kinderen alleen in de auto achter.
Trek de handrem aan en selecteer
de stand P indien er onderhouds-
werkzaamheden moeten worden
uitgevoerd bij draaiende motor.
Programma's Sport en Sneeuw
Deze twee specifi eke programma's vul-
len de automatische werking aan onder
bijzondere rijomstandigheden.
Terugkeren naar het
automatische programma
Om terug te keren naar het automati-
sche programma kunt u het program-
ma Sport of Sneeuw op elk gewenst
moment uitschakelen door opnieuw
op de desbetreffende toets te drukken.
Voor een maximale acceleratie zon-
der de stand van de selectiehendel te
wijzigen, moet het gaspedaal volledig
worden ingetrapt (kickdown). De trans-
missie schakelt automatisch terug of
handhaaft de ingeschakelde versnelling
totdat de motor het maximumtoerental
bereikt.
Bij het remmen schakelt de transmissie
automatisch terug om sterker op de mo-
tor af te remmen.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt
de transmissie niet naar een hogere
versnelling als u het gaspedaal plotse-
ling loslaat.
7
!
i
i
RIJDEN
113
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de se-
lectiehendel in de stand P of N bewe-
gen om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan
om de auto stil te zetten.
Storing
De automatische transmissie kan
beschadigd raken:
- als u gelijktijdig het gas- en het
rempedaal intrapt,
- als u, wanneer de accu geen
stroom levert, de selectiehen-
del geforceerd in de stand P of
een andere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met
draaiende motor (fi les...), kunt u,
om brandstof te besparen, de se-
lectiehendel in de stand N zetten
en de handrem aantrekken.
Handmatig schakelen
Selecteer de stand M om sequentieel te
schakelen tussen de vier versnellingen.
Duw de selectiehendel naar het symbool
+ om één versnelling op te schakelen.
Trek de selectiehendel naar het
symbool - om één versnelling terug
te schakelen.
D en verschijnen achtereen-
volgens de ingeschakelde
versnellingen.
Als het motortoerental te laag
of te hoog is, knippert de ge-
selecteerde versnelling enkele secon-
den en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergege-
ven.
Er kan elk moment van de stand D
(rijden in de automatische stand) naar
de stand M (rijden in de handbediende
stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest
de transmissie automatisch de stand
M1 .
De programma's Sport en Sneeuw kun-
nen niet worden ingeschakeld in de
handbediende stand.
Als de selectiehendel niet in de
stand P staat, verschijnt bij het ope-
nen van het bestuurdersportier of na
ongeveer 45 seconden een waar-
schuwingsmelding op het display.
Zet de selectiehendel in de
stand P ; de melding verdwijnt.
Het schakelen naar een andere versnel-
ling kan alleen als de snelheid van de
auto en het toerental van de motor dit
toestaan, anders wordt er tijdelijk over-
gegaan op de automatische bediening.
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is inge-
schakeld (de selectiehendel
bevindt zich tussen twee stan-
den in).
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluids-
signaal en een waarschuwings-
melding op het display, duidt dit op een
storing in de transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met
een noodprogramma en blijft de 3e ver-
snelling ingeschakeld. U kunt dan een
hevige schok voelen bij het selecteren
van R vanuit de stand P , of R vanuit de
stand N . Dit beschadigt de transmissie
niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhan-
kelijk van de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats.
Rijd stapvoets wanneer u op een
ondergelopen weg rijdt of een beek
doorkruist.
7
i
RIJDEN
114
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
SNELHEIDSBEGRENZER
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat
de wagensnelheid de door de bestuur-
der ingestelde maximumsnelheid over-
schrijdt.
Als de ingestelde maximumsnelheid is
bereikt, heeft het dieper intrappen van
het gaspedaal geen effect.
Het inschakelen van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt handmatig: de inge-
stelde snelheid dient minimaal 30 km/h
te bedragen.
Het uitschakelen van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt eveneens handmatig
met de hendel.
Door het gaspedaal tot voorbij het zwa-
re punt in te trappen, kan de ingestelde
snelheid tijdelijk worden overschreden.
Als het gaspedaal vervolgens gelei-
delijk weer wordt losgelaten en de
wagensnelheid onder de ingestelde
maximumsnelheid komt, wordt de snel-
heidsbegrenzer weer geactiveerd.
De ingestelde maximumsnelheid blijft
na het afzetten van het contact opge-
slagen in het geheugen.
De bediening van de snelheidsbegren-
zer is ondergebracht in de hendel A .
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer
2. Toets voor het verlagen van de inge-
stelde snelheid
3. Toets voor het verhogen van de in-
gestelde snelheid
4. Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsbegrenzing
De informatie van de snelheidsbegren-
zer wordt weergegeven op het display
van het instrumentenpaneel.
5 . Snelheidsbegrenzing in-/uitgescha-
keld
6 . Snelheidsbegrenzer geselecteerd
7 . Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display
Bij het gebruik van de snelheids-
begrenzer moet de bestuurder
te allen tijde de snelheidslimiet in
acht nemen, zijn aandacht op het
verkeer blijven vestigen en zijn ver-
antwoordelijkheid nemen.
7
!
RIJDEN
115
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Bij een steile afdaling kan de snel-
heidsbegrenzer niet voorkomen
dat de ingestelde snelheid wordt
overschreden.
Om te voorkomen dat de werking
van de pedalen wordt geblokkeerd:
- controleer of de mat goed is be-
vestigd,
- gebruik nooit meer dan één mat
per plaats.
Programmeren
Draai de knop 1 in de stand "LI-
MIT" : de snelheidsbegrenzer is
geselecteerd, maar nog niet inge-
schakeld (OFF).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snel-
heid niet verhoogd, behalve als het gaspedaal met kracht
wordt ingetrapt, tot voorbij het zware punt.
De begrenzer wordt dan tijdelijk uitgeschakeld en de inge-
stelde snelheid gaat op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch
als het gas wordt losgelaten.
Uitschakelen van de functie
Draai de knop 1 in de stand "0" : de selectie van de snel-
heidsbegrenzer wordt ongedaan gemaakt. Op het dis-
play wordt weer de kilometerteller weergegeven.
Storing
In het geval van een storing in de
snelheidsbegrenzer wordt de inge-
stelde snelheid gewist en knipperen de
streepjes op het display. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Er kan een snelheid worden inge-
steld zonder de begrenzer in te
schakelen.
Stel de snelheid in door op de toets 2 of 3 te drukken
(bijv.: 110 km/h).
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met
de toetsen 2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.
Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4 .
Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nog-
maals op de toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd
op het display (OFF).
Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nog-
maals op de toets 4 .
7
i
RIJDEN
116
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
SNELHEIDSREGELAAR
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een constante
ingestelde snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Het inschakelen van de snelheidsre-
gelaar geschiedt handmatig waarbij de
ingestelde snelheid minimaal 40 km/h
dient te bedragen en:
- de vierde versnelling moet zijn inge-
schakeld bij een handgeschakelde
versnellingsbak,
- de tweede versnelling moet zijn in-
geschakeld bij het rijden in de hand-
matige stand van een automatische
transmissie,
- de stand D moet geselecteerd zijn
bij een automatische transmissie.
Het uitschakelen van de snelheids-
regelaar geschiedt handmatig met de
hendel, door het rem- of koppelingspe-
daal in te trappen of, om veiligheids-
overwegingen, door activering van het
ESP.
Door het gaspedaal in te trappen, kan
de ingestelde snelheid tijdelijk worden
overschreden.
Om weer terug te keren naar de inge-
stelde snelheid is het voldoende het
gaspedaal los te laten.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist.
De bediening van de snelheidsregelaar
is ondergebracht in de hendel A .
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar
2. Toets voor het verlagen van de inge-
stelde snelheid
3. Toets voor het verhogen van de in-
gestelde snelheid
4. Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsregelaar
De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.
5. Snelheidsregelaar AAN/UIT
6. Snelheidsregelaar geselecteerd
7. Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display
Bij het gebruik van de snelheidsre-
gelaar moet de bestuurder te allen
tijde de snelheidslimiet in acht ne-
men, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en zijn verantwoor-
delijkheid nemen.
Houd uw voeten altijd in de buurt
van de pedalen.
7
!
RIJDEN
117
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Let tijdens het gebruik van de snel-
heidsregelaar op wanneer u de snel-
heid met de toetsen instelt; dit kan
een plotselinge verandering van de
wagensnelheid veroorzaken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet
op gladde wegen of bij zeer druk
verkeer.
Bij een steile afdaling kan de snel-
heidsregelaar niet voorkomen dat
de ingestelde snelheid wordt over-
schreden.
Om te voorkomen dat de werking
van de pedalen wordt geblokkeerd:
- controleer of de mat goed be-
vestigd is,
- gebruik nooit meer dan één mat
per plaats.
Programmeren
Draai de knop 1 in de stand
"CRUISE" : de snelheidsregelaar
is geselecteerd, maar nog niet in-
geschakeld (OFF).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de in-
gestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch
als de snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.
Uitschakelen van de functie
Draai de knop 1 in de stand "0" : de selectie van de snel-
heidsregelaar wordt ongedaan gemaakt. Op het display
wordt weer de kilometerteller weergegeven.
Storing
In het geval van een storing in de
snelheidsregelaar wordt de ingestel-
de snelheid gewist en knipperen de
streepjes op het display. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Stel de snelheid in door de wagen-
snelheid op het gewenste niveau te
brengen en vervolgens op de toets
2 of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h).
Uitschakelen van de snelheidsregelaar: druk op de
toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd op het display
(OFF).
Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nog-
maals op de toets 4 .
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de
toetsen 2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.
7
i
i
RIJDEN
118
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
PARKEERHULP ACHTER MET
GRAFISCHE WEERGAVE EN
GELUIDSSIGNALEN
Dit systeem bestaat uit vier afstands-
sensoren die zijn aangebracht in de
achterbumper.
Het systeem waarschuwt de bestuurder
voor elk obstakel (persoon, auto, boom,
hek…) dat zich achter de auto bevindt.
Het waarschuwt u echter niet voor ob-
jecten die zich direct onder de bumper
bevinden.
Het systeem wordt ingeschakeld zo-
dra de achteruitversnelling wordt inge-
schakeld.
Dit wordt aangegeven door een ge-
luidssignaal.
* Volgens uitvoering.
Paaltjes, pionnen bij wegwerk-
zaamheden of gelijksoortige voor-
werpen worden waargenomen bij
aanvang van de aanrijmanoeuvre,
maar niet meer wanneer de auto te
dicht genaderd is.
Als de auto minder dan ongeveer 30 centi-
meter van het obstakel verwijderd is, is het
geluidssignaal continu hoorbaar en ver-
schijnt het symbool "Gevaar", afhankelijk
van het type multifunctioneel display.
De parkeerhulp is een hulpmid-
del voor de bestuurder die deson-
danks waakzaam moet blijven en
verantwoordelijk is.
De parkeerhulp wordt uitgeschakeld
als de achteruit wordt uitgeschakeld.
De afstand tot het obstakel wordt aan-
gegeven door:
- geluidssignalen, die elkaar sneller
opvolgen naarmate de auto dichter
bij het obstakel komt,
- een grafi sche weergave op het mul-
tifunctionele display * , met blokjes die
steeds dichter bij de auto komen.
7
ii
i
RIJDEN
119
207cc_nl_Chap07_Conduite_ed01-2014
Uitschakelen/activeren parkeerhulp
achter
Storing
Controleer bij slecht weer of in win-
terse omstandigheden of de senso-
ren soms bedekt zijn met modder,
ijs of sneeuw. Bij het inschakelen
van de achteruitversnelling geeft
een geluidssignaal (lange piep-
toon) aan dat de sensoren vuil kun-
nen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssigna-
len geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).
Als er een storing optreedt, gaat
bij het inschakelen van de achter-
uitversnelling dit verklikkerlampje
op het instrumentenpaneel bran-
den en/of wordt er een bericht op
het display weergegeven, in combinatie
met een geluidssignaal (korte pieptoon).
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
De status van de functie wordt op-
geslagen bij het afzetten van het
contact.
De functie wordt automatisch uitge-
schakeld zodra een aanhanger wordt
aangekoppeld of een etsendrager
wordt gemonteerd (auto's voorzien
van een door PEUGEOT aanbevolen
trekhaak of etsendrager).
De parkeerhulp kan
worden geactiveerd of
uitgeschakeld via het con-
guratiemenu van de auto.
8
ONDERHOUD
120
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
PEUGEOT & TOTAL
PARTNERS IN PRESTATIES
EN VERMINDERING VAN HET
BRANDSTOFVERBRUIK
Innovatie voor optimale prestaties
De afdelingen Research & Development
van TOTAL ontwikkelen voor PEUGEOT
smeermiddelen die geschikt zijn voor de
nieuwste technologieën die in auto's van het
merk PEUGEOT worden toegepast.
U bent op die manier verzekerd van optima-
le prestaties en een maximale levensduur
van de motor van uw auto.
Vermindering van de uitstoot van
schadelijke stoffen
De smeermiddelen van TOTAL zijn ontwikkeld
om het rendement van de motoren nog verder
te verbeteren en de systemen voor uitlaatgas-
nabehandeling te beschermen. Voor een cor-
recte werking van deze systemen is het van
het grootste belang dat de onderhoudsvoor-
schriften van PEUGEOT worden nageleefd.
ADVISEERT
8
i
!
ONDERHOUD
121
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
MOTORKAP
De motorkap biedt toegang tot de mo-
torruimte, zodat u de verschillende ni-
veaus kunt controleren.
Duw de veiligheidshaak B naar links
en til de motorkap op.
Neem de motorkapsteun C uit de
houder.
Bevestig de motorkapsteun in één
van de twee uitsparingen om de mo-
torkap geopend te houden.
Sluiten
Haal de motorkapsteun uit de uitsparing.
Bevestig de motorkapsteun in de houder.
Laat de motorkap voorzichtig zak-
ken en laat deze aan het einde van
de slag in het slot vallen.
Trek aan de motorkap om te contro-
leren of deze goed is vergrendeld.
BRANDSTOFTANK LEEG
(DIESEL)
Openen
Open het linker voorportier.
Trek de hendel A aan de onderzijde
van het portierkader naar u toe.
De plaats van de ontgrendelingshen-
del in het interieur zorgt ervoor dat de
motorkap niet geopend kan worden
als het linker voorportier is gesloten.
Wees bij warme motor voorzichtig
met het bedienen van de veilig-
heidshaak en de motorkapsteun
(kans op brandwonden).
1.6 HDi-motor
Vul de brandstoftank met minimaal
5 liter diesel.
Open de motorkap.
Maak indien nodig de sierkap los
om de handopvoerpomp te kunnen
bereiken.
Bedien de handopvoerpomp totdat
er weerstand wordt gevoeld (de eer-
ste keer indrukken kan zwaar zijn).
Bedien de startmotor tot de motor
aanslaat (als de motor niet gelijk
aanslaat, wacht dan ongeveer 15 se-
conden en start de motor opnieuw).
Als de motor na meerdere pogingen
niet aanslaat, bedien dan de hand-
opvoerpomp en vervolgens de start-
motor opnieuw.
Plaats de sierkap terug en klem
deze vast.
Sluit de motorkap.
Bij auto's met HDi-motor is het in het
geval van een lege brandstoftank nood-
zakelijk om het brandstofsysteem te
ontluchten: raadpleeg de afbeelding
van de desbetreffende motorruimte.
Als de tank van uw auto is voorzien van
een tankbeveiliging, raadpleeg dan de
rubriek "Tankbeveiliging (Diesel)".
Zorg er in verband met de aanwe-
zigheid van elektrische systemen
voor dat er niet te veel water in de
motorruimte komt (regen, wassen
van de auto enz.).
Als de motor niet direct aanslaat, beëin-
dig dan uw startpoging en herhaal de
procedure.
8
ONDERHOUD
122
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
BENZINEMOTOREN
Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus en het vervangen van bepaalde
onderdelen.
1. Koelvloeistofreservoir.
2. Interieurfi lter.
3. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiers.
4. Luchtfi lter.
5. Remvloeistofreservoir.
6. Zekeringkast.
7. Accu.
8. Oliepeilstok.
9. Motorolie (bij) vullen.
8
ONDERHOUD
123
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
DIESELMOTOR
Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus, het vervangen van bepaalde onder-
delen en het ontluchten van het brandstofcircuit.
1. Koelvloeistofreservoir.
2. Interieurfi lter.
3. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiers.
4. Handopvoerpomp.
5. Remvloeistofreservoir.
6. Zekeringkast.
7. Accu.
8. Oliepeilstok.
9. Motorolie (bij)vullen.
10. Luchtfi lter.
8
ONDERHOUD
124
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
NIVEAUS CONTROLEREN
Controleer de onderstaande niveaus
regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij
anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald
niveau het desbetreffende circuit con-
troleren door het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Let bij werkzaamheden onder de motor-
kap goed op want bepaalde delen van
de motor kunnen zeer heet zijn (kans
op brandwonden).
Motorolieniveau
Het motorolieniveau kan bij
aangezet contact worden
gecontroleerd via de motor-
olieniveaumeter op het instru-
mentenpaneel (volgens uitvoering) of
met de oliepeilstok.
De controle van het motorolieniveau is al-
leen betrouwbaar als de auto op een hori-
zontale ondergrond staat en de motor ten
minste 30 minuten niet heeft gedraaid.
Het is normaal dat u tussen twee on-
derhoudsbeurten door olie moet bijvul-
len. PEUGEOT adviseert u om elke
5000 km het olieniveau te controleren
en, indien nodig, olie bij te vullen.
Controle met de oliepeilstok
Raadpleeg de rubriek "Benzinemotor"
of "Dieselmotor" om te zien waar de
oliepeilstok zich bevindt in de motor-
ruimte van uw auto.
Trek aan het gekleurde uiteinde
om de oliepeilstok volledig uit de
schacht te trekken.
A = MAXI
B = MINI
Als u ziet dat het oliepeil boven het
merkteken A of onder het merkteken B
ligt, start de motor dan niet .
- Als het oliepeil boven het merkte-
ken MAXI ligt (kans op motorscha-
de), neem dan contact op met het
PEUGEOT-netwerk of met een ge-
kwalifi ceerde werkplaats.
- Als het oliepeil lager is dan het
merkteken MINI , vul dan altijd mo-
torolie bij.
Eigenschappen van de olie
Controleer voordat u olie bijvult of ver-
verst of de motorolie die u wilt gebruiken
overeenkomt met de door de fabrikant
aanbevolen motorolie voor uw auto en
motoruitvoering.
Motorolie bijvullen
Raadpleeg de rubriek "Benzinemotor"
of "Dieselmotor" om te zien waar de
olievuldop zich bevindt in de motorruim-
te van uw auto.
Draai de dop van de vulopening.
Giet de olie voorzichtig in de ope-
ning om morsen op motoronder-
delen te voorkomen (dit kan brand
veroorzaken).
Wacht enkele minuten en controleer
vervolgens nogmaals het oliepeil
met de peilstok.
Vul indien nodig nog olie bij.
Draai nadat u het oliepeil nogmaals
hebt gecontroleerd de dop zorgvul-
dig op de vulopening en steek de
peilstok weer in de schacht.
Na het bijvullen zal de olieniveaume-
ter op het dashboard bij het aanzetten
van het contact na 30 minuten de juiste
waarde aangeven.
Olie verversen
Raadpleeg het garantie- en onder-
houdsboekje voor het verversingsinter-
val voor uw auto.
Om een verminderde betrouwbaarheid
van de motor en de emissieregeling te
voorkomen, is het gebruik van additie-
ven in de motorolie niet toegestaan.
Veeg de peilstok af met een schone,
niet pluizende doek.
Steek de oliepeilstok weer volledig
in de schacht en trek hem er weer
uit om het oliepeil te controleren: het
oliepeil is correct als het tussen de
merktekens A en B ligt.
8
!
ONDERHOUD
125
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
Koelvloeistofniveau
Remvloeistofniveau
Het remvloeistofniveau dient zich zo dicht
mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevin-
den. Controleer indien dit niet het geval is of
de remblokken van uw auto zijn versleten.
Het koelvloeistofniveau dient
zich zo dicht mogelijk bij het
merkteken "MAXI" te bevinden,
maar mag beslist niet hoger zijn.
Als de motor warm is, wordt de tem-
peratuur van de koelvloeistof geregeld
door de koelventilateur. Deze kan ook
bij afgezet contact werken.
Bij uitvoeringen voorzien van een
roetfi lter kan de motor bij afgezet
contact nog (gaan) werken, zelfs bij
koude motor.
Wacht bovendien alvorens werkzaam-
heden aan het koelsysteem uit te voe-
ren ten minste 1 uur nadat de motor
gedraaid heeft, omdat het koelsysteem
onder druk staat.
Draai om brandwonden te voorkomen
de dop eerst 2 omwentelingen los om
de druk te laten dalen. Verwijder, als de
druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.
Niveau ruiten- en
koplampsproeiervloeistof *
Een te laag vloeistofniveau van
de ruiten- en koplampsproeiers
wordt aangegeven door een
geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display.
Vul bij de eerstvolgende gelegenheid
het reservoir bij.
* Volgens land van bestemming.
Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven remvloeistof.
Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven koelvloeistof.
Type ruiten- en
koplampsproeiervloeistof
Gebruik voor een optimale reiniging en
om te voorkomen dat de vloeistof be-
vriest, geen water voor het bijvullen of
vervangen van deze vloeistof.
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het garantie- en onder-
houdsboekje voor het voorgeschreven
verversingsinterval.
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie en andere vloei-
stoffen.
De meeste van deze vloeistoffen
zijn bijtend en schadelijk voor de
gezondheid.
Gooi afgewerkte olie en andere
vloeistoffen niet in het riool, in het
water of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de
daarvoor bestemde containers bij
het PEUGEOT-netwerk of een ge-
kwalifi ceerde werkplaats.
Niveau brandstofadditief (diesel
met roetfilter)
Een te laag additiefniveau wordt aange-
geven door het verklikkerlampje service
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het multifunctionele
display.
Afgewerkte producten
Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk
uitvoeren door het PEUGEOT- netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.
8
i
ONDERHOUD
126
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
CONTROLES
Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, de
bladzijden in het garantie- en onderhouds-
boekje die betrekking hebben op de motor-
uitvoering van uw auto voor het controleren
van bepaalde onderdelen volgens het on-
derhoudsschema van de constructeur.
Laat de controles eventueel uitvoeren
door het PEUGEOT-netwerk of door
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om
regelmatig te controleren of
de accupolen en -klemmen
schoon zijn, vooral bij warm
weer en in de winter.
Raadpleeg voordat u de accukabels
losneemt de rubriek "Accu" voor meer
informatie over de te nemen voorzorgs-
maatregelen.
Luchtfilter en interieurfilter
Laat de lters periodiek ver-
vangen volgens de in het ga-
rantie- en onderhoudsboekje
aangegeven intervallen.
Als de omgeving (veel stof...)
en het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geeft, moeten de
lters twee keer zo vaak worden ver-
vangen .
Een verstopt interieurfi lter kan de pres-
taties van de airconditioning verstoren
en onaangename geuren veroorzaken.
Roetfilter (diesel)
De weergave van het verklikkerlampje ser-
vice in combinatie met een melding, geeft
aan dat het roetfi lter verstopt begint te raken.
Oliefilter
Laat bij het olie verversen te-
vens het oliefi lter vervangen.
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het
vervangingsinterval.
Ga zodra de omstandigheden het
toelaten het roetfi lter regenereren
door met een snelheid van meer
dan 60 km/h te rijden tot het lampje
dooft.
Het onderhoud van het roetfi lter
moet worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Als langdurig met zeer lage snel-
heid wordt gereden of de motor
langdurig stationair draait, kan bij
gasgeven soms rook uit de uitlaat
waargenomen worden. Dit heeft
geen invloed op de prestaties en
heeft geen gevolgen voor het mi-
lieu.
8
!
ONDERHOUD
127
207cc_nl_Chap08_Verifi cations_ed01-2014
Gebruik uitsluitend door PEUGEOT
aanbevolen producten of gelijk-
waardige kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke orga-
nen als het remsysteem te optimali-
seren, selecteert en biedt PEUGEOT
specifi eke producten aan.
Vanwege de kans op beschadiging
van het elektrische systeem is het
reinigen van de motorruimte met
een hogedrukreiniger niet toege-
staan .
Na het wassen van de auto kan een
laagje vocht, of in de winter ijs, zich
afzetten op de remschijven en -
blokken. Dit kan de werking van het
remsysteem negatief beïnvloeden.
Trap het rempedaal enkele keren
licht in om de remmen te drogen en
van het ijslaagje te ontdoen.
Automatische transmissie
De automatische transmissie
is onderhoudsvrij (olie verver-
sen niet noodzakelijk).
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het
interval van de controle.
Staat van remschijven/
remtrommels
Raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceer-
de werkplaats voor informatie
over het controleren van de
slijtage van de remschijven
en/of remtrommels.
Handgeschakelde
versnellingsbak
De versnellingsbak is onder-
houdsvrij (olie verversen niet
noodzakelijk).
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het
interval van de niveaucon-
trole.
Remblokken
De slijtage van de remblokken
is sterk afhankelijk van de rijstijl,
vooral bij stadsverkeer en veel
korte ritten. Hierdoor kan het
noodzakelijk blijken om de rem-
blokken vaker, tussen twee onderhouds-
controles door, te laten controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages,
duidt een te laag remvloeistofniveau
erop dat de remblokken versleten zijn.
Handrem
Als de handrem een te grote
slag heeft of als het systeem
minder goed werkt, moet de
handrem zelfs tussen twee
onderhoudscontroles door
worden afgesteld.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats.
9
i
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
128
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
BANDENREPARATIESET
Beschrijving van de set
De sticker met snelheidslimiet I
moet op het stuurwiel worden ge-
plakt om u te herinneren aan het
feit dat de band tijdelijk is gerepa-
reerd.
Rijd na het repareren met behulp
van de bandenreparatieset niet
sneller dan 80 km/h.
A. Schakelaar stand "Reparatie" of
"Op spanning brengen".
B. Aan/uit schakelaar "I/O" .
C. Knop voor leeg laten lopen.
D. Manometer (bar en psi).
E. Opbergvak met:
- kabel + adapter voor 12V-aanslui-
ting,
- diverse opblaasnippels voor ac-
cessoires als ballonnen, etsban-
den, ...
F. Flacon met afdichtmiddel.
G. Witte slang met dop voor de repara-
tie.
H. Zwarte slang voor het op spanning
brengen.
I. Sticker met snelheidslimiet.
De volledige set voor de reparatie van
een band bestaat uit een compressor
en een acon met afdichtmiddel. Hier-
mee kunt u de band tijdelijk repareren ,
zodat u de dichtstbijzijnde garage kunt
bereiken.
Met deze reparatieset kunnen de mees-
te lekke banden worden gerepareerd,
als het lek zich in het loopvlak of de hiel
van de band bevindt.
De elektrische installatie van de
auto biedt de mogelijkheid een
compressor aan te sluiten en te ge-
bruiken voor de duur die nodig is
om een gerepareerde lekke band
op spanning te brengen of om een
klein opblaasartikel op te blazen.
9
i !
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
129
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Verwijder het voorwerp dat de
lekkage heeft veroorzaakt niet uit
de band.
Let op: dit product is schadelijk
(ethyleenglycol, colofonium...)
bij inname en irriterend voor de
ogen.
Houd het middel buiten het be-
reik van kinderen.
Reparatiemethode
1. Afdichting van het lek
Zet het contact af. Rol de witte slang G volledig uit.
Draai de dop van de witte slang los.
Sluit de witte slang aan op het ven-
tiel van de lekke band.
Sluit de stekker van de compres-
sor aan op de 12V-aansluiting in de
auto.
Start de motor en laat deze draaien.
Schakel de compressor niet in
voordat de witte slang is aan-
gesloten op het ventiel van de
band: het afdichtmiddel wordt
anders buiten de band gespoten.
Zet de schakelaar A in de
stand "Reparatie".
Controleer of de schakelaar
B in de stand "O" staat.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
130
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Als na vijf tot zeven minuten de
gewenste bandenspanning niet
is bereikt, is de band niet te re-
pareren met de bandenrepara-
tieset; neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een ge-
kwalifi ceerde werkplaats om u
verder te helpen.
Activeer de compressor door de
schakelaar B in de stand "I" te zet-
ten, tot de bandenspanning 2,0 bar
bedraagt.
Het afdichtmiddel wordt onder druk
in de band gespoten; neem ge-
durende deze handeling de slang
niet los van de aansluiting (kans op
spatten).
Verwijder de set en draai de dop van
de witte slang vast.
Zorg ervoor dat restanten van de
vloeistof niet op of in de auto terecht
kunnen komen. Houd de set binnen
handbereik.
Maak direct een rit van ongeveer
vijf kilometer met matige snelheid
(tussen 20 en 60 km/h), zodat het
afdichtmiddel het lek kan dichten.
Zet de auto stil en controleer de re-
paratie en de bandenspanning met
de set.
9
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
131
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Ga zo snel mogelijk naar een
servicepunt van het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats.
Vergeet niet de technicus te ver-
tellen dat u de set hebt gebruikt.
Na nadere inspectie kan de tech-
nicus u vertellen of de band ge-
repareerd kan worden of moet
worden vervangen.
2. Op spanning brengen
Zet de schakelaar A in de
stand "Bandenspanning".
Rol de zwarte slang H vol-
ledig uit.
Sluit de zwarte slang aan op het
ventiel van de gerepareerde band.
Sluit de stekker van de compressor
weer aan op de 12V-aansluiting in
de auto.
Start de motor opnieuw en laat de
motor draaien.
Breng de band met behulp van de
compressor op de voorgeschre-
ven spanning (spanning verhogen:
schakelaar B in stand "I" ; spanning
verlagen: schakelaar B in stand "O"
en knop C indrukken), zoals ver-
meld op de bandenspanningssticker
in de portieropening aan bestuur-
derszijde.
Als de bandenspanning sterk daalt,
is het lek niet goed gedicht; neem
contact op met het PEUGEOT-net-
werk of een gekwalifi ceerde werk-
plaats om u verder te helpen.
Verwijder de set en berg deze op.
Rijd niet harder dan 80 km/h en niet
verder dan 200 km.
9
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
132
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Let op dat er geen afdichtmiddel
uit de fl acon stroomt.
De uiterste gebruiksdatum staat
op de patroon vermeld.
De patroon met afdichtmiddel kan
slechts één keer gebruikt worden
en moet daarna worden vervan-
gen, ook als hij niet leeg is.
Werp de patroon na gebruik niet
weg, maar lever deze in bij het
PEUGEOT-netwerk of een offi ci-
eel inzamelpunt.
Vergeet niet om bij het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats een nieuwe patroon
met afdichtmiddel te kopen.
Uitnemen van de flacon
Berg de zwarte slang op.
Neem het gebogen aansluitstuk van
de witte slang los.
Houd de compressor rechtop.
Draai de acon aan de onderzijde
los.
Controle / aanpassen
bandenspanning
U kunt de compressor, zonder inspui-
ting van het afdichtmiddel, ook gebrui-
ken om:
- uw bandenspanning te controleren
of uw banden op spanning te bren-
gen,
- andere opblaasbare voorwerpen op
te pompen (ballen, fi etsbanden...).
Draai de schakelaar A in de
stand "Op spanning bren-
gen".
Rol de zwarte slang H vol-
ledig uit.
Sluit de zwarte slang aan op het
ventiel van de band of van de ac-
cessoire.
Breng indien nodig eerst een van de
meegeleverde verloopstukken aan.
Sluit de stekker van de compressor
aan op de 12V-aansluiting van de
auto.
Start de auto en laat de motor draaien.
Breng de band op spanning met be-
hulp van de compressor (op span-
ning brengen: schakelaar B in stand
"I" ; leeg laten lopen: schakelaar B
in stand "O" en druk op de knop C ),
zoals staat aangegeven op de ban-
denspanningssticker van de auto of
het opblaasbare voorwerp.
Verwijder de set en berg deze op.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
133
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
* Volgens land van bestemming.
WIEL VERWISSELEN *
In het geval van een lekke band kunt u
het wiel met het bij de auto geleverde
gereedschap verwisselen volgens de
onderstaande procedure.
Toegang tot het gereedschap
Het gereedschap bevindt zich in een
houder op de bodem van de bagage-
ruimte, onder het reservewiel.
Zie paragraaf "Toegang tot het reser-
vewiel" op de volgende bladzijde voor
meer informatie over de toegang tot het
gereedschap.
Beschikbaar gereedschap
1. Wielsleutel.
Hiermee kan de wieldop worden
verwijderd en kunnen de wielbou-
ten worden losgedraaid.
2. Krik met geïntegreerde slinger.
Hiermee kan de auto worden opgekrikt.
3. Gereedschap voor het verwijde-
ren van sierdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen
velgen de sierdoppen van de
wielbouten worden verwijderd.
4. Dop voor het verwijderen van slot-
bouten (in het dashboardkastje).
Hiermee kunnen met behulp van
de wielsleutel de speciale slot-
bouten worden verwijderd.
5. Afneembaar sleepoog.
Zie de paragraaf "Slepen van uw
auto".
Al dit gereedschap is specifi ek voor
uw auto. Gebruik het niet voor an-
dere doeleinden.
Overige accessoires
Wiel met wieldop
Demonteren: verwijder eerst de
wieldop door deze met behulp van
de wielsleutel 1 bij de ventielope-
ning los te wippen en vervolgens
los te trekken.
Monteren: Plaats de wieldop, be-
gin bij de ventielopening en druk
de wieldop rondom met de hand
vast.
9
i
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
134
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Toegang tot het reservewiel
Het noodreservewiel bevindt zich onder
de vloer van de bagageruimte.
Om bij het reservewiel te komen:
sluit het dak,
open het kofferdeksel,
til de vloer op.
Bevestiging van het
noodreservewiel
Indien uw auto is voorzien van
lichtmetalen velgen is het nor-
maal dat bij het monteren van het
noodreservewiel de ringen van de
bouten de velg niet raken. Als de
bouten volledig zijn aangedraaid,
zorgt het conische draagvlak van
de bouten voor de bevestiging van
het noodreservewiel.
Verwijderen van het reservewiel
Maak de riem los.
Til het reservewiel aan de achter-
zijde op en trek het naar u toe.
Verwijder het wiel uit de bagage-
ruimte.
Terugplaatsen van het reservewiel
Leg het reservewiel in de reserve-
wielbak.
Plaats de riem en maak deze vast.
Plaats de vloerplaat terug.
Detectie te lage bandenspanning
Het reservewiel is niet voorzien
van een bandenspanningssen-
sor. Laat het repareren van de
lekke band uitvoeren door het
PEUGEOT-netwerk.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
135
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Stilzetten van de auto
Zet de auto op een plaats waar het
verkeer niet gehinderd wordt en zorg
ervoor dat de auto op een vlakke en
bij voorkeur horizontale, stabiele en
stroeve ondergrond staat.
Trek de handrem aan, zet het
contact af en schakel de eerste
versnelling * in om de wielen te
blokkeren.
Plaats indien nodig een wielblok
onder het wiel kruislings tegenover
het te verwisselen wiel.
U dient er zeker van te zijn dat alle
inzittenden de auto hebben verla-
ten en zich op een veilige plaats
bevinden.
Ga nooit onder een auto liggen die
alleen op de krik steunt; gebruik
een kriksteun.
Demonteren van het wiel
Procedure
Verwijder de chromen sierdop van de
wielbouten met het gereedschap 3 .
Bevestig, volgens uitvoering, de
dop 4 op de wielsleutel 1 en draai
de slotbout een omwenteling los.
Draai de overige wielbouten een
omwenteling los met alleen de wiel-
sleutel 1 .
Plaats de krik 2 onder één van de
twee steunpunten aan de voorzijde
A of achterzijde B (bij het te verwis-
selen wiel).
Draai de krik 2 uit tot het voetstuk op
de grond staat. Zorg ervoor dat het
voetstuk zich loodrecht onder het
gebruikte steunpunt A of B bevindt.
Krik de auto op tot er voldoende
ruimte tussen het wiel en de grond
is om het (niet lekke) reservewiel te
monteren.
Verwijder de wielbouten en leg ze
op een schone plaats weg.
Verwijder het wiel.
* stand P van de automatische
transmissie.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
136
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Na het verwisselen van het wiel
Bij gebruik van een noodreserve-
wiel:
monteer de wieldop niet,
rijd niet harder dan 80 km/h.
Laat zo snel mogelijk het aan-
haalmoment van de wielbouten
en de bandenspanning van het
reservewiel controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Laat de lekke band zo spoedig mo-
gelijk repareren en verwissel hem
met het reservewiel.
Monteren van het wiel
Procedure
Plaats het wiel op de naaf.
Draai de wielbouten met de hand
vast.
Draai de slotbout met de wielsleutel
1 en de dop 4 (volgens uitvoering)
enigszins vast.
Draai de overige wielbouten enigs-
zins vast met alleen de wielsleutel 1 .
Laat de krik zakken.
Vouw de krik 2 op en verwijder hem.
Draai de slotbout vast met de wiel-
sleutel 1 en de dop 4 (volgens uit-
voering).
Draai de overige wielbouten vast
met alleen de wielsleutel 1 .
Bevestig de verchroomde doppen
op de overige wielbouten.
Berg het gereedschap op in de hou-
der op de bodem van de bagage-
ruimte.
Berg de lekke band op in een hoek
van de bagageruimte.
9
i
i
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
137
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
SNEEUWKETTINGEN
Onder winterse omstandigheden verbe-
teren sneeuwkettingen de tractie en het
remgedrag van de auto.
Uitsluitend de voorwielen mo-
gen van sneeuwkettingen worden
voorzien. Een noodreservewiel
mag niet worden voorzien van een
sneeuwketting.
Houd u altijd aan de ter plekke
geldende regelgeving over het ge-
bruik van sneeuwkettingen en de
maximaal toegestane snelheid.
Montagetips
Als u onderweg sneeuwkettingen
moet monteren, zet de auto dan
langs de kant van de weg stil op een
vlakke ondergrond.
Trek de handrem aan en plaats
eventueel wielblokken voor of ach-
ter de wielen om te voorkomen dat
de auto wegglijdt.
Monteer de sneeuwkettingen, volg
daarbij de aanwijzingen van de fa-
brikant.
Rijd langzaam weg en rijd een klein
stukje met een snelheid van maxi-
maal 50 km/h.
Zet de auto stil en controleer of de
kettingen correct gespannen zijn.
Rijd niet met sneeuwkettingen op
een sneeuwvrij gemaakte weg
om schade aan de banden en
het wegdek te voorkomen. Het is
raadzaam voor vertrek het mon-
teren van de sneeuwkettingen te
oefenen; doe dit op een vlakke en
droge ondergrond. Als uw auto is
voorzien van lichtmetalen velgen,
controleer dan of de ketting en de
bevestigingen de velg niet raken.
Gebruik uitsluitend kettingen die ge-
schikt zijn voor het type velg van uw
auto:
Maat van de af
fabriek gemonteerde
banden
Specifi caties van
de kettingen
205/45 R17
Maximale
afmeting van de
schakels: 7 mm
Neem voor meer informatie over
sneeuwkettingen contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats.
9
i
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
138
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
EEN LAMP VERVANGEN
1. Richtingaanwijzers (PY21W
amberkleurig).
2. Parkeerlicht (W5W).
3. Dimlicht (H7-55W).
4. Grootlicht (H1-55W).
5. Bochtverlichting (H7-55W).
6. Mistlampen (H11-55W).
Richtingaanwijzers
Bij het vervangen van lampen moet
de verlichting minstens enkele mi-
nuten uitgeschakeld zijn (risico van
ernstige verbranding).
Raak de lamp niet met de vin-
gers aan, maar gebruik een
niet-pluizende doek.
In verband met het behoud van de
kwaliteit van de koplampen mogen
uitsluitend anti-UV-lampen worden
gebruikt.
Vervang een kapotte lamp altijd
door een nieuwe lamp met dezelf-
de specifi caties.
Uitvoeringen met conventionele lampen
De amberkleurige lampen (rich-
tingaanwijzers) moeten worden
vervangen door lampen met de-
zelfde kleur en eigenschappen.
Draai de lamphouder een kwart om-
wenteling en verwijder hem.
Trek de lamp uit de lamphouder en
vervang de lamp.
Monteer de lamp in de omgekeerde
volgorde.
De koplampunits zijn voorzien van glas
van polycarbonaat met een speciale
vernislaag:
reinig de koplampen nooit met
een droge of schurende doek en
gebruik geen oplosmiddelen,
gebruik een spons met zeepwater of
een pH-neutraal product,
wanneer u met een hogedrukreini-
ger hardnekkig vuil probeert te ver-
wijderen, houd de straal dan nooit
langdurig op de koplampen, de
achterlichten en de randen ervan
gericht, om beschadiging van de
vernislaag en de afdichtrubbers te
voorkomen.
Uitvoeringen met bochtverlichting
Verlichting vóór
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
139
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Geïntegreerde zijknipperlichten
Mistlampen
Raadpleeg voor het vervangen van
deze lampen het PEUGEOT-netwerk.
Steek ter hoogte van het midden
van het zijknipperlicht een schroe-
vendraaier tussen het zijknipperlicht
en de voet van de buitenspiegel.
Wip het zijknipperlicht met de
schroevendraaier los.
Neem de stekker van het zijknipper-
licht los.
Monteer het zijknipperlicht in de omge-
keerde volgorde.
Een nieuw zijknipperlicht is verkrijgbaar
bij het PEUGEOT-netwerk.
Parkeerlicht
Neem de stekker van de koplamp
los.
Trek aan de borglip en verwijder de
kunststof beschermkap.
Draai de lamphouder een kwart om-
wenteling en verwijder hem.
Trek de lamp uit de lamphouder en
vervang de lamp.
Monteer de lamp in de omgekeerde
volgorde.
Dimlicht, grootlicht of
bochtverlichting
Neem de stekker van de koplamp
los.
Trek aan de borglip en verwijder de
desbetreffende kunststof bescherm-
kap.
Neem de stekker van de desbetref-
fende lamp los.
Duw de borgveer open en verwijder
de lamp.
Monteer de lamp in de omgekeerde
volgorde.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
140
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Achterlichten
1. Remlichten (P 21 W).
2. Achterlichten (LED's).
3. Mistachterlichten (P 21 W).
4. Richtingaanwijzers
(PY 21 W amberkleurig).
5. Achteruitrijlichten (R 10 W).
Lampen vervangen
Deze lampen (behalve de lampen met LED's)
kunnen van buitenaf worden vervangen:
open eerst het deksel om bij de be-
vestigingsbout te komen,
verwijder de bevestigingsbout van
de achterlichtunit,
verwijder de achterlichtunit via de
buitenzijde,
neem de stekker van de achterlicht-
unit los,
verwijder het afdichtrubber van de
achterlichtunit,
druk de vier borglippen in en verwij-
der de lamphouder,
draai de lamp een kwart omwente-
ling en vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeer-
de volgorde.
De amberkleurige lampen (rich-
tingaanwijzers) moeten worden
vervangen door lampen met de-
zelfde kleur en eigenschappen.
9
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
141
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Lamp derde remlicht vervangen
(LED's)
Neem voor het vervangen van dit type
lamp met LED's contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats.
Lamp van de kentekenplaatverlichting
vervangen (W 5 W)
Steek een kleine schroevendraaier
in één van de buitenste gaten van
het lampglas.
Duw de schroevendraaier naar bui-
ten om het lampglas los te maken.
Verwijder het lampglas.
Trek de lamp uit de lamphouder en
vervang de lamp.
Wassen met een hogedrukspuit
Richt bij het wassen van hardnek-
kig vuil met een hogedrukspuit niet
direct op de koplampen, de verlich-
ting en de omringende delen om te
voorkomen dat de lak en de afdich-
ting beschadigd raken.
9
!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
142
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
PEUGEOT is niet aansprakelijk
voor kosten die voortvloeien uit
het verhelpen van storingen ver-
oorzaakt door het monteren van
extra accessoires die niet door
PEUGEOT aanbevolen en gele-
verd worden of door voorzieningen
die niet volgens de voorschriften
zijn gemonteerd. Dit geldt met
name wanneer het stroomverbruik
van alle aangesloten apparaten
meer dan 10 milliampère bedraagt.
Monteren van elektrische acces-
soires
Bij het ontwerp van het elektrische
circuit van uw auto is reeds reke-
ning gehouden met de montage
van zowel de standaarduitrusting
als eventuele opties.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats
voordat u andere elektrische voor-
zieningen of accessoires in de auto
monteert of laat monteren.
ZEKERINGEN VERVANGEN
In het geval van een storing in een be-
paalde functie kunt u de desbetreffende
defecte zekering vervangen volgens de
onderstaande procedure.
Toegang tot het gereedschap
De tang voor het verwijderen van zeke-
ringen bevindt zich aan de binnenzijde
van het deksel van de zekeringkast
dashboard:
trek het deksel aan de bovenzijde
los,
verwijder het deksel volledig,
maak de tang los.
Vervangen van een zekering
Voordat u een zekering vervangt, dient
u de oorzaak van de storing op te spo-
ren en te (laten) verhelpen.
U kunt aan de draad van een zeke-
ring zien of deze defect is.
Gebruik de speciale tang om de ze-
kering uit de zekeringkast te verwij-
deren.
Vervang een defecte zekering al-
tijd door een zekering met dezelfde
stroomsterkte.
Selecteer de zekering aan de hand
van het nummer op de zekering-
kast, de op de zekering aangegeven
stroomsterkte en het onderstaande
overzicht.
Goed
Defect
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
143
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Zekeringen dashboard
De zekeringkast bevindt zich aan de
onderzijde van het dashboard (linker-
zijde).
Toegang tot de zekeringen
zie de paragraaf "Toegang tot het
gereedschap".
Overzicht zekeringen
Zekering Ampère Functies
G37 30 A Voeding eenheid wegklapbaar dak.
G38 20 A Hifi versterker.
G39 20 A Stoelverwarming bestuurder en voorpassagier.
G40 40 A Voeding servicecentrale trekhaakaansluiting.
Zekering Ampère Functies
F1 - Niet gebruikt.
F2 - Niet gebruikt.
F3 5 A
Elektronische eenheid airbags en pyrotechnische
gordelspanners.
F4 10 A
Schakelaar koppelingspedaal, diagnoseaansluiting,
automatisch dimmende binnenspiegel,
airconditioning, sensor verdraaiing stuurwiel, pomp
roetfi lter (diesel).
F5 30 A
Elektrisch bedienbare ruiten achter, wegklapbaar
dak.
F6 30 A
Elektrisch bedienbare ruiten vóór, voeding
inklapbare buitenspiegels.
F7 5 A
Plafonnier vóór, kaartleeslampjes, verlichting
zonneklep, verlichting dashboardkastje.
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
144
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Zekering Ampère Functies
F8 20 A
Autoradio/telefoon, multifunctioneel
display, stuurkolomschakelaars, detectie
te lage bandenspanning, servicecentrale
trekhaakaansluiting, alarm (naderhand gemonteerd).
F9 30 A
12V-aansluiting vóór, plafonnier vóór, kaartleeslampjes,
verlichting zonneklep, verlichting dashboardkastje.
F10 15 A
Sirene alarm, elektronische eenheid alarm,
bochtverlichting.
F11 15 A
Diagnoseaansluiting, contactslot met circuit lage stroomsterkte,
elektronische eenheid automatische transmissie.
F12 15 A
Lichtsensor, servicecentrale trekhaakaansluiting,
wegklapbaar dak.
F13 5 A
Servicecentrale motor, relais ABS,
rempedaalschakelaar met twee functies.
F14 15 A
Instrumentenpaneel, controlepaneel veiligheidsgordels,
koplampverstelling, airconditioning, autoradio, handsfree
set, elektronische eenheid parkeerhulp achter.
F15 30 A Vergrendeling en supervergrendeling.
F17 40 A Achterruit- en buitenspiegelverwarming.
SH - Shunt tijdens opslag.
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
145
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Zekeringen motorruimte
De zekeringkast bevindt zich onder de
motorkap, naast de accu (links).
Toegang tot de zekeringen
Maak het deksel los.
Vervang de zekering (zie de desbe-
treffende paragraaf).
Sluit na het vervangen van de zeke-
ring zorgvuldig het deksel voor een
goede afdichting van de zekering-
kast.
Overzicht zekeringen
Zekering Ampère Functies
F1 20 A
Voeding elektronische eenheid motor en
voedingsrelais motorventilateurgroep, elektrokleppen
distributie en absorptievat (1,6 liter THP 16V),
luchthoeveelheidsmeter (diesel), inspuitpomp
(diesel), sensor water in brandstoffi lter (diesel), EGR-
elektrokleppen, voorverwarming inlaatlucht (diesel).
F2 15 A Claxon.
F3 10 A Ruitensproeier vóór.
F4 20 A Koplampsproeiers.
F5 15 A
Brandstofpomp (benzine), elektrokleppen turbo
(1,6 liter THP 16V).
F6 10 A Wagensnelheidssensor, automatische transmissie.
F7 10 A
Elektrische stuurbekrachtiging, bochtverlichting,
voedingsrelais bochtverlichting, eenheid
veiligheidsschakeling (diesel).
F8 20 A Voeding startmotor.
F9 10 A
Elektronische eenheid ABS/ESP, rempedaalschakelaar.
F10 30 A
Regelorganen elektronische eenheid motor (benzine:
bobines, elektrokleppen, lambdasonden, verstuivers,
verwarmingselementen, elektronische thermostaat)
(diesel: elektrokleppen, verwarmingselementen).
F11 40 A Aanjager airconditioning.
F12 30 A Lage/hoge snelheid ruitenwissers vóór.
F13 40 A
Voeding intelligente servicecentrale (BSI) (+ na contact).
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
146
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Zekering Ampère Functies
F14 30 A Brandstofvoorverwarming (diesel).
F15 10 A Grootlicht links.
F16 10 A Grootlicht rechts.
F17 15 A Dimlicht links.
F18 15 A Dimlicht rechts.
Overzicht hoofdzekeringen
* De hoofdzekeringen zorgen voor
een extra beveiliging van de elektri-
sche installatie. Werkzaamheden aan
de hoofdzekeringen dienen door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats uitgevoerd te worden.
Zekering Ampère Functies
Zekeringkast 1
MF1 * 70 A Motorventilateurgroep.
MF2 * 20 A / 30 A Pomp ABS/ESP
MF3 * 20 A / 30 A Elektrokleppen ABS/ESP.
MF4 * 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).
MF5 * 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).
MF6 * 30 A Extra motorventilateurgroep (1,6 liter THP 16V).
MF7 * 80 A Zekeringkast interieur.
MF8 * - Niet gebruikt.
Zekeringkast 2
MF9 * 80 A Eenheid verwarming (diesel).
MF10 * 80 A Elektrische stuurbekrachtiging.
MF11 * 40 A Elektromotor Valvetronic (1,6 liter THP 16V).
9
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
147
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
ACCU
Procedure voor het opladen van de
accu en voor het gebruik van een hul-
paccu voor het starten van de motor
met behulp van startkabels.
Toegang tot de accu
Starten van de motor met een
hulpaccu en startkabels
Sluit de rode kabel aan op de (+)
pool van de ontladen accu A en ver-
volgens op de (+) pool van de hul-
paccu B .
Sluit de groene of zwarte kabel aan
op de (-) pool van de hulpaccu B .
Sluit het andere uiteinde van de
groene of zwarte kabel aan op een
van de auto verwijderd massapunt.
Stel de startmotor van de helpende
auto in werking.
Stel de startmotor van de andere
auto in werking en laat de motor
draaien.
Wacht tot de motor stationair draait
en neem dan de kabels los.
De accu bevindt zich in de motorruimte.
Toegang tot de accu:
open de motorkap met de hendel in
het interieur en vervolgens de veilig-
heidshaak aan de buitenzijde,
bevestig de motorkapsteun,
til de kunststof afdekkap van de (+)
pool op.
Bepaalde functies van de auto
werken mogelijk niet zolang de
laadtoestand van de accu onvol-
doende is.
9
!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
148
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Laad de accu niet op zonder de ac-
cupoolklemmen los te nemen.
Maak de accupoolklemmen niet los
bij draaiende motor.
Accu's bevatten schadelijke stof-
fen, zoals zwavelzuur en lood. Ac-
cu's moeten volgens de wettelijke
voorschriften worden afgevoerd en
mogen in geen geval bij het huis-
vuil terechtkomen.
Lever lege batterijen en accu's in
bij een speciaal inzamelpunt.
Laden met behulp van een
acculader
Maak de accupoolklemmen los.
Volg de aanwijzingen van de fabri-
kant van de acculader.
Sluit de accukabels weer aan, te be-
ginnen met de (-) kabel.
Controleer of de accupolen en de
klemmen schoon zijn. Indien ze be-
dekt zijn met een (witte of groene)
oxidatielaag, neem dan de accuka-
bels los en reinig de polen en klem-
men.
Het is raadzaam de accu los te
koppelen als uw auto langer dan
een maand buiten gebruik is.
Vóór het loskoppelen van de
accukabels
Wacht 2 minuten na het afzetten
van het contact.
Sluit de ruiten en de voorportieren
alvorens de accukabels los te kop-
pelen.
Na het weer aansluiten van de
accukabels
Zet het contact aan en wacht
1 minuut alvorens de motor te star-
ten, zodat de elektronische syste-
men geïnitialiseerd kunnen worden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats
als er zich na deze handeling toch
nog problemen voordoen.
Raadpleeg de desbetreffende ru-
briek voor het zelf opnieuw initiali-
seren van:
- de sleutel met afstandsbediening,
- de elektrische bedienbare ruiten,
- het GPS-navigatiesysteem (vol-
gens uitvoering).
Loskoppelen van de pluspool (+)
Weer aansluiten van de pluspool (+)
Plaats de geopende accupoolklem
E op de pluspool (+) van de accu.
Druk verticaal op de accupoolklem
E om hem goed tegen de accu aan
te drukken.
Zet de accupoolklem vast door de
pasnok opzij te bewegen en vervol-
gens de hendel D omlaag te duwen.
Forceer de hendel niet bij het omlaag-
duwen, aangezien de accupoolklem
niet kan worden vergrendeld als deze
niet correct is geplaatst; herhaal de pro-
cedure.
Trek de hendel D zo ver mogelijk
omhoog om de accupoolklem E te
ontgrendelen.
9
!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
149
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Als de accu ontladen is, kan de
motor niet gestart worden (zie de
desbetreffende paragraaf).
Als het wegklapbare dak wordt ge-
opend of gesloten, zal dit worden
voltooid. Het dak kan echter niet
opnieuw worden bediend.
ECO-MODE
De eco-mode bepaalt de maximale ge-
bruiksduur van een aantal functies om
te voorkomen dat de accu ontladen
raakt.
Nadat de motor is afgezet, kunt u een
aantal elektrische functies zoals radio,
ruitenwissers, dimlichten, plafonnier, ...
nog in totaal maximaal 30 minuten ge-
bruiken.
Uitschakelen van de eco-mode
De functies worden automatisch weer
ingeschakeld als de motor gestart wordt.
Start om de functies direct weer te
kunnen gebruiken de motor en laat
deze gedurende enige tijd draaien.
De beschikbare tijd bedraagt het dub-
bele van de tijd dat de motor heeft ge-
draaid. Deze tijd zal echter altijd tussen
de 5 en 30 minuten bedragen.
Inschakelen van de eco-mode
Na deze 30 minuten geeft een melding
op het multifunctionele display aan dat
de eco-mode is ingeschakeld en de ac-
tieve functies worden in de ruststand
gezet.
RUITENWISSERBLAD
VERVANGEN
De ruitenwisserbladen kunnen zonder
gereedschap worden vervangen.
Demonteren van een wisserblad
vóór
Til de desbetreffende ruitenwisser-
arm op.
Maak het wisserblad los en verwij-
der het.
Monteren van een wisserblad
vóór
Controleer bij de ruitenwissers de
lengte van het wisserblad, omdat
het kortste blad aan de passagiers-
zijde van de auto gemonteerd moet
worden.
Breng het nieuwe wisserblad aan en
klik het vast.
Zet de ruitenwisserarm voorzichtig
terug.
SPAARFASE
De spaarfase stuurt de elektrische func-
ties van de auto aan om het ontladen
van de accu te voorkomen.
Tijdens het rijden kunnen in verband
met de laadtoestand van de accu enkele
functies (airconditioning, achterruitver-
warming, ...) tijdelijk worden uitgescha-
keld.
Deze functies worden automatisch in-
geschakeld zodra de laadtoestand van
de accu dit toelaat.
9
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
150
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
SLEPEN VAN DE AUTO
U kunt uw auto laten slepen door een
andere auto of een andere auto slepen
met behulp van het sleepoog.
Toegang tot het gereedschap
Slepen van uw auto
Trek aan het klepje in de voorbum-
per om het los te maken.
Draai het sleepoog vast tot de aan-
slag.
Bevestig de sleepstang.
Schakel de alarmknipperlichten van
uw auto in.
Maak het klepje in de achterbumper
los door op de onderkant ervan te
drukken.
Draai het sleepoog vast tot de aan-
slag.
Bevestig de sleepstang.
Schakel de alarmknipperlichten van
de te slepen auto in.
Slepen van een andere auto
Het sleepoog bevindt zich in een hou-
der op de bodem van de bagageruimte,
onder de laadvloer:
sluit het dak,
open het kofferdeksel,
til de vloerplaat op,
neem het sleepoog uit de houder.
Zet de versnellingshendel in de
neutraalstand (stand N bij de
automatische transmissie).
Het niet opvolgen van deze bij-
zonderheid kan er toe leiden
dat bepaalde onderdelen van
het remsysteem beschadigd
raken en de rembekrachtiging
niet werkt bij het opnieuw star-
ten van de motor.
9
!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
151
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Algemene aanwijzingen
Volg de huidige wetgeving in uw
land op.
Controleer of het gewicht van de
trekkende auto hoger is dan van
de auto die wordt gesleept.
Er moet iemand achter het stuur
van de gesleepte auto blijven zit-
ten. Deze persoon moet beschik-
ken over een geldig rijbewijs.
Gebruik bij het slepen met 4 wielen
op de grond altijd een goedgekeur-
de sleepstang; touwen en riemen
zijn verboden.
De bestuurder van de slepende
auto moet voorzichtig wegrijden.
Bij het slepen van de auto met
stilstaande motor zijn de rem- en
stuurbekrachtiging uitgeschakeld.
Laat uw auto in de volgende geval-
len slepen door een professioneel
bergingsbedrijf :
- als de auto is gestrand op de
autosnelweg,
- bij auto's met vierwielaandrij-
ving,
- als het niet mogelijk is de ver-
snellingsbak in de neutraal-
stand te zetten, het stuurslot
te ontgrendelen of de handrem
los te zetten,
- bij takelen met slechts twee
wielen op de grond,
- bij het ontbreken van een goed-
gekeurde sleepstang...
TREKKEN VAN EEN AANHANGER
Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor
het vervoer van personen en bagage,
maar is tevens geschikt voor het trek-
ken van een aanhanger.
Het rijden met een aanhanger heeft
veel invloed op het rijgedrag van de
auto en vergt daarom extra aandacht
van de bestuurder.
Gewichtsverdeling
Verdeel het gewicht in de caravan/aan-
hanger gelijkmatig, plaats zware voor-
werpen zo dicht mogelijk bij de as en
houd u aan de toegestane kogeldruk.
Door een geringere luchtdichtheid ne-
men de prestaties van de motor af als
men op grotere hoogte boven de zee-
spiegel komt. Trek boven de 1000 m
10% van het maximale aanhangerge-
wicht af en herhaal dit voor elke vol-
gende 1000 m.
Zijwind
Houd er rekening mee dat de zijwind-
gevoeligheid van de auto groter is.
De trekhaak bestaat uit een mechanisch systeem
voor het aankoppelen van een aanhanger of het
monteren van een etsendrager en een elektri-
sche aansluiting voor de verlichting en signalering.
Wij raden u aan gebruik te maken
van een speciaal door PEUGEOT
geteste en goedgekeurde trekhaak
inclusief bedrading en deze door
het PEUGEOT-netwerk of een ge-
kwalifi ceerde werkplaats te laten
monteren.
Als de trekhaak wordt gemonteerd
door een bedrijf dat niet tot het
PEUGEOT-netwerk behoort, moet
de montage altijd volgens de voor-
schriften van de fabrikant worden
uitgevoerd.
Adviezen
Koeling
Het trekken van een aanhanger op een
helling veroorzaakt een hogere koel-
vloeistoftemperatuur.
De koelventilator wordt elektrisch be-
diend en is niet afhankelijk van het mo-
tortoerental.
Pas uw snelheid aan om het toeren-
tal te beperken.
Raadpleeg de rubriek "Technische
gegevens" voor de gewichten en aan-
hangergewichten die voor uw auto van
toepassing zijn.
9
i
!
PRAKTISCHE INFORMATIE
152
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
Het maximale aanhangergewicht is af-
hankelijk van het hellingspercentage en
de buitentemperatuur.
Als het waarschuwingslampje
van de koelvloeistoftempera-
tuur gaat branden in combinatie
met het waarschuwingslampje
STOP , stop dan zo snel moge-
lijk en zet de motor af.
Remmen
Het trekken van een aanhanger ver-
lengt de remweg.
Bij een lange afdaling is het, om te
voorkomen dat de remmen oververhit
raken, raadzaam om op de motor af te
remmen.
Banden
Controleer de bandenspanning van
de auto en de aanhanger en breng
deze indien nodig op de juiste waar-
de.
De parkeerhulp wordt automatisch
uitgeschakeld als bij het aankoppe-
len van een aanhanger een originele
PEUGEOT-trekhaak wordt gebruikt.
Let in elk geval goed op de aanwijzing
van de koelvloeistoftemperatuurmeter.
Verlichting
Controleer de verlichting van de
aanhanger.
BAGAGEREK OP HET
KOFFERDEKSEL
Bij het PEUGEOT-netwerk is een speci-
aal voor uw Coupé Cabriolet ontworpen
bagagerek voor op het kofferdeksel als
accessoire leverbaar.
Volg de aanwijzingen van de fabrikant
op voor de montage en het gebruik.
Let, wanneer u bagage op het rek plaatst,
op dat het derde remlicht en de kenteken-
plaat niet aan het zicht onttrokken worden.
Zodra er bagage op het rek ge-
plaatst is, mag het wegklapbare dak
absoluut niet meer worden bediend.
9
i
!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
153
207cc_nl_Chap09_Info pratiques_ed01-2014
ACCESSOIRES
Een ruime keuze aan accessoires en
originele onderdelen wordt u aangebo-
den door het PEUGEOT-netwerk.
Deze accessoires en onderdelen zijn
getest en goedgekeurd ten aanzien van
bedrijfszekerheid en veiligheid.
Ze zijn volledig aangepast aan uw auto,
zijn voorzien van een artikelnummer en be-
schikken over de garantie van PEUGEOT.
Afhankelijk van de lokale wetge-
ving kan de aanwezigheid van
bepaalde veiligheidsuitrusting
verplicht zijn: veiligheidsvesten,
gevarendriehoeken, een set reser-
velampen, reservezekeringen, een
brandblusser, een verbandtrom-
mel, spatlappen aan de achterzijde
van de auto.
Het monteren van elektrische appa-
ratuur of accessoires die niet onder
een artikelnummer in het assortiment
van PEUGEOT voorkomen, kan lei-
den tot storingen in het elektronisch
systeem van uw auto en een ver-
hoogd stroomverbruik veroorzaken.
Houd hier rekening mee en neem
contact op met een vertegenwoor-
diger van het merk PEUGEOT om u
te laten informeren over het assor-
timent uitrustingen en accessoires
voorzien van een artikelnummer.
"Comfort" :
windgeleiders, zonneschermen opzij en
zonnescherm achter, kledinghanger voor
bevestiging aan de hoofdsteun, midden-
armsteun vóór, opbergruimte onder hoe-
denplank, parkeerhulp voor en achter...
Installeren van
radiocommunicatiezenders
Voordat u radiozenders met bui-
tenantenne als uitrusting achteraf
monteert, kunt u bij het PEUGEOT-
netwerk de technische gegevens
(frequentieband, maximaal uit-
gangsvermogen, positie antenne,
specifi eke installatievoorschriften)
van de voor montage geschikte
zenders opvragen, conform de
Richtlijn Elektromagnetische Com-
patibiliteit (2004/104/EG).
"Transportoplossingen":
kunststof bak bagageruimte, bagage-
net, aansteker, allesdragers, etsen-
drager voor bevestiging op de trekhaak,
etsendrager voor bevestiging op de al-
lesdragers, skidragers, dakkoffers...
De trekhaak moet door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalifi ceerde
werkplaats worden gemonteerd.
"Style":
aluminium pookknop, achterklepspoiler,
gestyleerde spatlappen, lichtmetalen
velgen, wieldoppen, kappen voor chro-
men buitenspiegels, carrosserieset.
* Om te voorkomen dat de werking
van de pedalen wordt geblokkeerd :
- controleer of de mat goed op zijn
plaats ligt en goed is bevestigd,
- leg nooit meerdere matten boven
op elkaar.
"Veiligheid":
inbraakalarm, graveren van ruiten, wiel-
bouten met slot, zitverhogingen en kin-
derzitjes, alcolholtest, verbandtrommel,
gevarendriehoek, veiligheidsvest, loka-
lisatiesysteem gestolen auto, set voor
tijdelijke bandenreparatie, sneeuwket-
tingen, sneeuwsokken, mistlampen
vóór...
"Bescherming" :
matten * , stoelhoezen geschikt voor
stoelen met zij-airbags, aluminium of
PVC dorpellijsten...
"Multimedia" :
autoradio's, navigatiesystemen, hands-
free sets, CD-wisselaar, luidsprekers,
DVD-speler, kit voor de aansluiting van
een MP3- of draagbare CD-speler, USB
Box...
PEUGEOT ruitensproeiervloeistof, rei-
nigings-/onderhoudsmiddelen voor in-
terieur en exterieur.
10
154
TECHNISCHE GEGEVENS
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN
BENZINEMOTOREN 1,6 l VTi 120 pk
VERSNELLINGSBAK KEN
Handgeschakeld
(5 versnellingen)
Automatisch
(4 versnellingen)
Cilinderinhoud (cm
3
) 1598
Boring x slag (mm) 77 x 85,8
Max. vermogen * : ECE-norm (kW) 88
Toerental bij max. vermogen (tr/min) 5750
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 160
Toerental bij max. koppel (tr/min) 4250
Brandstof Loodvrij
Katalysator Ja
INHOUD OLIE (in liter)
Motor (met fi lter) 4,25 4,25
* Het maximumvermogen komt overeen met het op de testbank gehomologeerde vermogen, onder de door de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/EC) opgelegde voorwaarden.
10
TECHNISCHE GEGEVENS
155
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het
opgegeven aanhangergewicht dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Max. snelheid bij het trekken van een aanhanger 100 km/h (of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 80 km/h)).
Bij hoge buitentemperatuur zullen ter bescherming van de motor de prestaties minder zijn. Verminder het aanhangergewicht
als de buitentemperatuur meer dan 37°C bedraagt.
GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (in kg)
Benzinemotor 1,6 l VTi 120 pk
Versnellingsbakken Handgeschakeld Automatisch
- Ledig gewicht rijklaar * 1417 1455
- Nuttig laadvermogen 292 312
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
1709 1767
- Maximaal toegestaan treingewicht
max. hellingspercentage 12% 2559 2647
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
max. hellingspercentage 10% of 12% - -
- Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1040 1060
- Aanhanger ongeremd 600 600
- Aanbevolen kogeldruk 42 43
* Het ledig gewicht rijklaar komt overeen met het ledig gewicht plus het gewicht van de bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de be-
lading van de auto wordt verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht
beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
10
156
TECHNISCHE GEGEVENS
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN
DIESELMOTOR 1,6 l HDi 112 pk
VERSNELLINGSBAK Handgeschakeld (6 versnellingen)
Cilinderinhoud (cm
3
) 1560
Boring x slag (mm) 75 x 88,3
Max. vermogen * : ECE-norm (kW) 80
Toerental bij max. vermogen (tr/min) 4000
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 240
Toerental bij max. koppel (tr/min) 1750
Brandstof Diesel
Katalysator Ja
Roetfi lter Ja
INHOUD OLIE (in liter)
Motor (met fi lter) 3,75
* Het maximumvermogen komt overeen met het op de testbank gehomologeerde vermogen, onder de door de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/EC) opgelegde voorwaarden.
10
TECHNISCHE GEGEVENS
157
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het
opgegeven aanhangergewicht dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Max. snelheid bij het trekken van een aanhanger 100 km/h (of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 80 km/h)).
Bij hoge buitentemperatuur zullen ter bescherming van de motor de prestaties minder zijn. Verminder het aanhangergewicht
als de buitentemperatuur meer dan 37°C bedraagt.
GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (in kg)
Dieselmotor 1,6 l HDi 112 pk
Versnellingsbak Handgeschakeld
- Ledig gewicht rijklaar * 1475
- Nuttig laadvermogen 308
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
1783
- Maximaal toegestaan treingewicht
max. hellingspercentage 12% 2673
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
max. hellingspercentage 10% of 12% -
- Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1070
- Aanhanger ongeremd 600
- Aanbevolen kogeldruk 43
* Het ledig gewicht rijklaar komt overeen met het ledig gewicht plus het gewicht van de bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de be-
lading van de auto wordt verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht
beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
10
158
TECHNISCHE GEGEVENS
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
AFMETINGEN (IN MM)
10
i
TECHNISCHE GEGEVENS
159
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
IDENTIFICATIE
Een te lage bandenspanning ver-
oorzaakt een hoger brandstofver-
bruik.
Controleer de bandenspanning
minimaal één keer per maand, bij
koude banden.
A. Serienummer onder de motorkap.
Dit nummer is ingeslagen in de carros-
serie, bij het interieurfi lter.
B. Serienummer op het dashboard.
Dit nummer staat op een sticker en is
zichtbaar door de voorruit.
C. Bandenspanningssticker/laksticker.
Dit nummer staat op een eenmalige
sticker op de middenstijl, bij de slotplaat
van het bestuurdersportier.
Het bevat de volgende informatie:
- bandenspanning, auto leeg en bela-
den,
- bandenmaat (inclusief de belas-
tingsindex en het snelheidssymbool
van de band),
- kleurcode van de lak.
De auto is voorzien van verschillende zichtbare merktekens voor de identifi catie
en registratie van de auto.
10
160
TECHNISCHE GEGEVENS
207cc_nl_Chap10_Caracteristiques_ed01-2014
161
207cc_nl_Chap11a_BTA_ed01-2014
URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP
162
207cc_nl_Chap11a_BTA_ed01-2014
URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP
Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing
heeft waargenomen, wordt onafhankelijk van het
eventueel afgaan van de airbags, automatisch een
noodoproep gedaan.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep
geannuleerd. Het groene LED-lampje dooft.
Wanneer u deze toets op een willekeurig moment langer dan 8 seconden
ingedrukt houdt, annuleert u de oproep.
Bij het aanzetten van het contact, gaat het
groene lampje 3 seconden branden. Dit duidt
op een goede werking van het systeem.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag geannuleerd.
Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht.
Druk langer dan 2 seconden op deze toets voor het
aanvragen van hulp bij het stranden van de auto.
Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is verstuurd*.
WERKING VAN HET SYSTEEM
Het groene LED-lampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de
verbinding tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het
lampje uit.
Deze oproep wordt beheerd door de PEUGEOT-Urgence alarmcentrale
die de informatie over de lokalisatie van de auto ontvangt en een
waarschuwing kan zenden naar de gekwalifi ceerde hulpdiensten.
In landen waar de alarmcentrale niet operationeel is of wanneer
de lokalisatie uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de oproep meteen
doorgestuurd naar de hulpdiensten (112), zonder lokalisatie.
Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op deze toets.
Het knipperen van het groene LED-lampje en een geluidssignaal
bevestigen dat de oproep naar de alarmcentrale
PEUGEOT-Urgence is verstuurd * .
*
Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde voorwaarden en beschikbaarheid.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Het oranje lampje knippert: er is een storing
in het systeem.
Het oranje lampje blijft branden: de
noodbatterij moet vervangen worden.
Raadpleeg in beide gevallen het
PEUGEOT-netwerk.
Wanneer u uw auto buiten het PEUGEOT-netwerk hebt gekocht, raden
wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten
controleren en eventueel confi gureren. In een meertalig land kunt u het
systeem laten confi gureren in de offi ciële landstaal van uw voorkeur.
Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de diensten
PEUGEOT CONNECT aan de klant, behoudt de constructeur zich het
recht voor om op elk willekeurig moment het telematicasysteem in de auto
te wijzigen.
163
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
De Peugeot Connect Nav is zodanig gecodeerd dat
deze uitsluitend in uw auto functioneert.
PEUGEOT CONNECT NAV
Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen
die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren
bij stilstaande auto.
Na het afzetten van de motor schakelt de Peugeot
Connect Nav zichzelf tijdens de overgang naar de eco-
modus uit om te voorkomen dat de accu ontladen raakt.
RADIO MULTIMEDIA / BLUETOOTH
®
-TELEFOON
GPS EUROPA OP SD-KAART
01 Basisfuncties
INHOUD
02 Stuurkolomschakelaars
03 Algemene werking
04 Navigatie
05 Verkeersinformatie
06 Radio
07 Mediaspelers
08 Bluetooth
®
-telefoon
09 Menustructuur display
Veelgestelde vragen
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
164
165
166
169
177
179
180
183
186
190
164
01
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
BASISFUNCTIES
Motor afgezet:
- Kort indrukken: aan/uit.
- Lang indrukken: CD
pauzeren, geluidsweergave
radio onderbreken.
Draaiende motor:
-
Kort indrukken: CD pauzeren,
geluidsweergave radio onderbreken.
- Lang indrukken: resetten van het systeem.
Toegang tot het
Menu "Radio".
Weergave van het
zenderoverzicht.
Toegang tot het
Menu "Muziek".
Weergave van
tracks.
Lang indrukken: toegang tot de audio-
instellingen: geluidsverdeling voor/achter,
links/rechts, lage-/hogetonenregeling,
sfeerinstellingen, loudness, automatische
volumecorrectie, standaardinstellingen.
Selectieknop voor de
weergave op het display,
afhankelijk van de
context van het menu.
Kort indrukken:
contextmenu of bevestigen.
Lang indrukken: specifi ek
contextmenu van de
weergegeven lijst.
Toegang tot het
Menu "SETUP".
Lang indrukken :
toegang tot het
GPS-bereik en de
demo-modus.
Toegang tot het Menu
"Telefoon". Weergave van
het logboek gesprekken.
Uitwerpen van de CD.
Selecteren van de vorige/volgende
radiozender .
Selecteren van de vorige/volgende titel van
een CD of vorig/volgend MP3-bestand.
Selecteren van het vorige/volgende item
in een lijst.
Selecteren van de vorige/volgende
radiozender in het overzicht.
Selecteren van de vorige/
volgende MP3-afspeellijst.
Selecteren van het vorige/
volgende pagina in een lijst.
Huidige bewerking afbreken.
Toegang tot het
Menu "Verkeer".
Weergave van
de actuele
verkeersinformatie.
SD-kaartlezer,
uitsluitend voor
navigatie.
Toegang tot
het Menu
"Navigatie".
Weergave
van de laatst
gekozen
bestemmingen.
Toegang tot het Menu "MODE".
Selecteren van het achtereenvolgens weergeven
van:
Radio, Kaart, NAV (tijdens navigatie), Telefoon
(tijdens een gesprek), Boordcomputer.
Lang indrukken: black-panelfunctie (DARK).
Toetsen 1 t/m 6 :
Selecteren van een in het
geheugen opgeslagen
radiozender.
Lang indrukken: in het
geheugen opslaan van de
huidige radiozender.
Volumeregeling (individueel
voor iedere geluidsbron,
inclusief berichten en
waarschuwingen van het
navigatiesysteem).
165
02
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
STUURKOLOMSCHAKELAARS
RADIO: selecteren van de vorige/volgende
voorkeuzezender.
Selecteren van het volgende item uit het
adresboek.
RADIO: selecteren van de volgende
radiozender in de lijst.
Lang indrukken: automatisch zoeken
naar zenders in oplopende volgorde.
CD: selecteren van het volgende nummer.
CD: ingedrukt houden: snel vooruitspoelen.
Volume verhogen.
Wijzigen van de geluidsbron.
Bellen vanuit het adresboek.
Telefoon opnemen/ophangen.
Langer dan 2 seconden indrukken:
toegang tot het adresboek.
Volume verlagen .
RADIO: selecteren van de vorige
radiozender in de lijst.
Lang indrukken: automatisch zoeken
naar zenders in afl opende volgorde.
CD: selecteren van het vorige nummer.
CD: ingedrukt houden: snel
terugspoelen.
Mute; geluid onderbreken:
gelijktijdig indrukken
van de toetsen van de
volumeregeling.
Geluid weer inschakelen:
indrukken van een van
de twee toetsen van de
volumeregeling.
166
03
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
ALGEMENE WERKING
Raadpleeg de rubriek "Menustructuur display" voor een
gedetailleerd overzicht van de keuzemogelijkheden binnen de
menu's.
Door meerdere keren achter elkaar op de toets MODE te drukken, krijgt u toegang tot de volgende menu's:
Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht,
niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder
schoonmaakmiddel.
RADIO
/MULTIMEDIASPELERS
/MULTIMEDIASPELERS
TELEFOON
(Tijdens een telefoongesprek)
KAARTWEERGAVE OP
VOLLEDIG SCHERM
NAVIGATIE
(Tijdens navigatie)
SETUP :
taalkeuze * , datum en tijd * , weergave, parameters
van de auto * , eenheden en systeeminstellingen
"Demo-modus".
VERKEER :
TMC-informatie en berichten.
* Afhankelijk van de uitvoering.
BOORDCOMPUTER
167
03
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
ALGEMENE WERKING
Door de draaiknop OK in te drukken krijgt
u toegang tot de snelkeuzemenu's.
WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT
NAVIGATIE (TIJDENS NAVIGATIE):
BOORDCOMPUTER:
Navigatie stoppen
Bericht herhalen
Alternatieve route
Route-informatie
Bestemming tonen
Trajectinformatie
Navigatiecriteria
Vermijdcriteria
Aantal satellieten
Kaart verplaatsen
Gespr. bericht
Navigatie-opties
Logboek waarschuwingen
Status van functies
1
2
3
3
2
1
1
1
3
1
1
1
1
2
TELEFOON:
Ophangen
In de wacht zetten
Bellen
DTMF-tonen
Privémodus
Micro uit
1
1
1
1
1
1
168
03
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
ALGEMENE WERKING
WEERGAVE AFHANKELIJK VAN DE CONTEXT
KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG SCHERM:
Navig. stoppen/Navigatie hervatten
Bestemming
Points of Interest
Positie-info
Kaartinstellingen
Kaart verplaatsen
1
1
1
1
1
1
RADIO :
FM
Verkeersinformatie (TA)
RDS
Radiotekst
Regioprog. (REG)
AM
AM
Verkeersinformatie(TA)
AM-lijst vernieuwen
FM
1
2
1
2
2
2
2
2
2
2
MULTIMEDIASPELERS:
Verkeersinformatie (TA)
Afspeelopties
Normale afspeelvolgorde
Shuffl e
Map herhalen
Kies geluidsbron
Introscan
1
1
2
2
2
2
1
169
04
1
2
3
5
6
4
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE
EEN BESTEMMING KIEZEN
Druk nogmaals op de toets NAV
of selecteer de functie Menu
"Navigatie" en druk vervolgens op de
draaiknop om te bevestigen.
Selecteer de functie "Bestemming
invoeren" en druk op de draaiknop
om te bevestigen.
Druk op de toets NAV.
Selecteer de letters van de
plaatsnaam één voor één en druk
telkens op de draaiknop om een
letter te bevestigen.
Selecteer het land en draai
vervolgens aan de draaiknop om
de plaats te selecteren. Druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Plaats de SD-kaart met navigatiegegevens in de lezer op het
bedieningspaneel om de navigatiefuncties te gebruiken.
De navigatiegegevens op de SD-kaart mogen niet worden gewijzigd.
Updates van navigatiegegevens zijn verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een lijst van
plaatsen in het gekozen land beschikbaar die kunnen worden
geselecteerd door de eerste letters van de plaatsnaam in te voeren.
Selecteer de functie "Adresinvoer"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Onder de functie Menu "Navigatie" verschijnen de 20 laatst
gekozen bestemmingen.
Menu "Navigatie"
Bestemming invoeren
Adresinvoer
170
04
7
8
9
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
Om een bestemming te wissen; selecteer vanaf de stappen 1 tot 3 "Uit laatste bestemmingen kiezen".
Door lang op een van de bestemmingen te drukken verschijnt een lijst met handelingen, waarin u kunt kiezen voor:
Bestemming wissen
Laatste bestemmingen wissen
Herhaal de stappen 5 t/m 7 om de
"Straat" en het "Huisnummer" in te
voeren.
Draai aan de draaiknop en selecteer
OK.
Druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Selecteer de functie "Opslaan in adresboek" om het ingevoerde
adres als kaart op te slaan. Druk op de draaiknop om de selectie te
bevestigen.
Uw Peugeot Connect Nav kan maximaal 500 kaarten opslaan.
Voor een snellere invoer is het mogelijk rechtstreeks een postcode
in te voeren via de functie "Postcode".
Gebruik het virtuele toetsenbord om de letters en cijfers in te
voeren.
Selecteer vervolgens "Navigatie
starten" en druk op de draaiknop om
te bevestigen.
Tijdens de navigatie kan de laatste
aanwijzing worden herhaald door het
uiteinde van de lichtschakelaar in te
drukken.
Instellingen van de kaart
Met de draaiknop kan worden in- en uitgezoomd op de kaart.
Met het snelkeuzemenu van KAART VOLLEDIG SCHERM is het
mogelijk de kaart te verplaatsen of de richting te kiezen.
Druk op MODE tot de kaart op het volledige scherm wordt
weergegeven. Druk op de draaiknop en selecteer vervolgens
"Kaartinstellingen". Selecteer "2,5D kaart" of "2D-kaart"; in dit
laatste geval kunt u kiezen voor "Noord boven" of "Richting boven".
Selecteer de navigatiecriteria:
"Snelste route", "Kortste route" of "Geoptimaliseerde route" en druk
op de draaiknop om te bevestigen.
Er kan ook een bestemming worden geselecteerd vanuit "Uit
adresboek kiezen" of "Uit laatste bestemmingen kiezen".
Uit laatste bestemmingen kiezen
Uit adresboek kiezen
Navigatie starten
NAVIGATIE
171
04
1
2
3
5
4
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE
EEN THUISADRES KIEZEN EN
NAVIGEREN NAAR "THUIS"
Druk twee keer op de toets NAV om
het Menu "Navigatie" weer te geven.
Om een adres als "Thuis" aan te wijzen, moet het
desbetreffende adres zijn opgeslagen in het adresboek,
bijvoorbeeld via "Bestemming invoeren" / "Adresinvoer" en
vervolgens "Opslaan in adresboek".
Selecteer "Menu" en "Adresboek"
en bevestig. Selecteer vervolgens
"Adresbestand zoeken" en bevestig.
Selecteer "Bestemming invoeren" en
bevestig. Selecteer "Uit adresboek
kiezen" en bevestig.
Selecteer "Aanwijzen als "thuis"" en
bevestig om op te slaan.
Selecteer het adresbestand van het
thuisadres en bevestig. Selecteer
vervolgens "Bestand wijzigen" en
bevestig.
Druk om het navigeren naar "Thuis" te starten twee keer op
NAV, zodat het Menu "Navigatie" wordt weergegeven. Selecteer
"Bestemming invoeren" en bevestig.
Selecteer vervolgens "Navigatie "THUIS"" en bevestig om de
navigatie te starten.
Menu "Navigatie"
Bestemming invoeren
Adresboek
Bestand wijzigen
Aanwijzen als "thuis"
172
04
4
3
2
1
7
6
5
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE
NAVIGATIEOPTIES
Selecteer de functie "Routedynamiek".
Deze functie geeft toegang tot de
opties "Verkeersonafhankelijk" en
"Semi-dynamisch".
Selecteer de functie "Vermijdcriteria".
Deze functie geeft toegang tot de
optie VERMIJDEN (autosnelwegen,
tolwegen, veerboten).
Draai aan de draaiknop en
selecteer de functie "Herberekenen"
om rekening te houden met de
geselecteerde navigatieopties. Druk
op de draaiknop om te bevestigen.
Druk op de toets NAV.
Druk nogmaals op de toets NAV of
selecteer de functie Menu Navigatie
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Selecteer de functie "Navigatiecriteria"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen. Met deze functie kunnen
de navigatiecriteria worden gewijzigd.
Selecteer de functie "Routeopties"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Herberekenen
Vermijdcriteria
Routedynamiek
Navigatiecriteria
Routeopties
Menu Navigatie
De route die uw Peugeot Connect Nav berekent, hangt af van de
geselecteerde navigatieopties.
Door het wijzigen van deze opties kan een totaal verschillende route
worden berekend.
173
04
7
6
5
4
3
2
1
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
Menu "Navigatie"
TUSSENSTOP TOEVOEGEN
Voer bijvoorbeeld een nieuw adres in.
Selecteer na het invoeren van het
nieuwe adres "OK" en druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Selecteer "Herberekenen" en druk
op de draaiknop om te bevestigen.
Druk op de toets NAV.
Druk nogmaals op de toets NAV
of selecteer de functie Menu
"Navigatie" en druk op de draaiknop
om te bevestigen.
Selecteer de functie "Tussenstop
toevoegen" (maximaal 5 tussenstops) en
druk op de draaiknop om te bevestigen.
Selecteer de functie "Tussenstops"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
OK
Adresinvoer
Tussenstop toevoegen
Tussenstops
Herberekenen
De tussenstop moet zijn gepasseerd of gewist voordat de navigatie
naar de volgende bestemming kan worden hervat. Zo niet, dan
leidt uw Peugeot Connect Nav u systematisch naar de vorige
tussenstop.
Na het selecteren van de bestemming kunnen tussenstops aan de route
worden toegevoegd.
NAVIGATIE
174
04
8
6
7
4
3
5
2
1
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE
POINTS OF INTEREST ZOEKEN
Druk op de toets NAV.
Druk nogmaals op de toets NAV of
selecteer de functie Menu "Navigatie"
en druk op de toets om te bevestigen.
Selecteer de functie "POI dichtbij"
om points of interest in de nabijheid
van de auto te zoeken.
Selecteer de functie "POI zoeken"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Menu "Navigatie"
POI zoeken
POI dichtbij
Selecteer de functie "POI in plaats"
om points of interest in de gewenste
plaats te zoeken. Kies het land en
voer vervolgens de plaatsnaam in met
behulp van het virtuele toetsenbord.
Selecteer de functie "POI bij route"
om points of interest in de nabijheid
van de route te zoeken.
Selecteer de functie "POI in land"
om points of interest in het gewenste
land te zoeken.
Selecteer de functie "POI bij
bestemming" om points of
interest in de omgeving van de
eindbestemming te zoeken.
POI bij bestemming
POI bij route
POI in land
POI in plaats
Via de toets LIST op het virtuele toetsenbord is een overzicht van
plaatsnamen in het geselecteerde land beschikbaar.
Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de
omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...).
175
04
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE
POI-LIJST
* Afhankelijk van beschikbaarheid in het land.
Dit pictogram verschijnt als er zich meerdere Points
of Interest in hetzelfde gebied bevinden. Door op
dit pictogram in te zoomen kunt u de verschillende
Points of Interest bekijken.
Points of Interest bekijken.
Tankstation
Tankstation met LPG
Garage
PEUGEOT
Autocircuit
Parkeergarage
Parkeerterrein
Parkeerplaats
Hotel
Restaurant
Wegrestaurant
Picknickplaats
Cafetaria
Treinstation
Busstation
Haven
Industrieterrein
Supermarkt
Bank
Geldautomaat
Tennisbaan
Zwembad
Golfbaan
Wintersportcentrum
Theater
Luchthaven
Attractiepark
Ziekenhuis
Apotheek
Politiebureau
School
Postkantoor
Museum
Tourist info
Risicozone *
Bioscoop
176
04
5
6
3
2
1
4
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
NAVIGATIE-INSTELLINGEN
Selecteer "Instellen risicozones" voor
toegang tot de functies "Op kaart
weergeven", "Visuele waarschuwing"
en "Akoestische waarschuwing".
Selecteer de functie "POI-
categorieën op kaart" om de POI's
die standaard op de kaart worden
weergegeven in te stellen.
Druk op de toets NAV.
Druk nogmaals op de toets NAV
of selecteer de functie Menu
"Navigatie" en druk op de draaiknop
om te bevestigen.
Selecteer de functie "Instellingen"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
POI-categorieën op kaart
Instellingen
Instellen risicozones
Menu "Navigatie"
NAVIGATIE
Selecteer de functie "Navigatievolume"
en draai aan de draaiknop om het
volume van de verschillende gesproken
berichttypen (verkeersinformatie,
waarschuwingsmeldingen…) in te stellen.
Navigatievolume
Het volume van de POI-waarschuwingen kan alleen tijdens het
uitzenden ervan worden aangepast.
UPDATEN POI'S
De uitgebreide procedure voor het update van de POI's is
beschikbaar op de site https://www.wipinforadars.fr.
Hiervoor is een speler vereist die compatibel is met SDHC
(High Capacity).
Als het navigatiesysteem is ingeschakeld en de kaart op het display wordt weergegeven,
kunt u de spraakbediening in- of uitschakelen door op het knopje te drukken en
vervolgens "Gespr. instructie" te selecteren of deze selectie juist ongedaan te maken.
Gespr. instructie
177
05
2
1
3
4
5
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
VERKEERSINFORMATIE
INSTELLEN VAN DE FILTERS EN DE
WEERGAVE VAN TMC-BERICHTEN
Selecteer vervolgens de gewenste
straal van het fi lter (in km),
afhankelijk van de route, en bevestig
door op de draaiknop te drukken.
Wanneer alle berichten over het
traject worden geselecteerd, wordt
aanbevolen een geografi sche
lter (over een straal van 5 km
bijvoorbeeld) toe te voegen om
het aantal berichten dat op de
kaart verschijnt te verkleinen.
Het geografi sch fi lter volgt de
verplaatsing van de auto.
De fi lters werken onafhankelijk van elkaar en cumulatief.
Het is raadzaam om een fi lter op de route en een fi lter rondom de
auto in te schakelen van:
- 3 km of 5 km voor een gebied met een dicht wegennet,
- 10 km voor een gebied met een normaal wegennet,
- 50 km voor lange trajecten (autosnelweg).
Druk nogmaals op de toets TRAFFIC
of selecteer het Menu "Verkeer"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Druk op de toets TRAFFIC.
Een TMC-bericht (Trafi c Message Channel) is informatie met betrekking
tot het verkeer en het weer die in real time wordt ontvangen en
doorgestuurd naar de bestuurder in de vorm van gesproken berichten en
visuele waarschuwingen op de navigatiekaart.
Het navigatiesysteem kan in dat geval een alternatieve route voorstellen.
Selecteer de functie "Geografi sch
lter" en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Berichten op route
De lijst met TMC-berichten verschijnt onder Menu "Verkeer" op
volgorde van nabijheid.
Alleen waarsch.berichten op route
Menu "Verkeer"
Selecteer het gewenste fi lter:
Alle waarschuwingsberichten
Alle berichten
De berichten verschijnen op de kaart en in de lijst.
Druk op "Return" om het fi lter uit te
schakelen.
Geografi sch fi lter
178
05
2
1
3
2
1
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
BELANGRIJKSTE PICTOGRAMMEN TMC
Druk op de draaiknop als de huidige
geluidsbron op het display wordt
weergegeven.
Het snelkeuzemenu van de geluidsbron verschijnt en geeft toegang tot:
Selecteer Verkeersinfo (TA) en druk
ter bevestiging op de draaiknop
voor toegang tot de desbetreffende
instellingen.
Verkeersinfo (TA)
- het station zendt verkeersinformatie uit.
VERKEERSINFORMATIE BELUISTEREN
Rood-gele driehoek: verkeersberichten, bijvoorbeeld:
Zwart-blauwe driehoek: algemene informatie, bijvoorbeeld:
Weerberichten
Verkeerssituatie gewijzigd
Explosiegevaar
Verkeersinformatie
Wegversmalling
Wegafsluiting
Wind
Gladheid
Manifestatie
Mist
Ongeval
Gevaar
Parkeerplaats
Oponthoud
Verboden in te rijden
Sneeuw/ijs
Werkzaamheden
File
VERKEERSINFORMATIE
De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het luisteren
naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd moet deze functie
een radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen.
Zodra er een bericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat
moment wordt weergegeven (Radio, CD, ...) automatisch onderbroken en
wordt de verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen,
wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat.
- het station zendt geen verkeersinformatie uit.
- de weergave van verkeersinformatie is uitgeschakeld.
179
06
3
2
11
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
SELECTEREN VAN EEN ZENDER
Druk tijdens het luisteren naar de
radio op de draaiknop.
Het snelkeuzemenu van de radiofunctie verschijnt en geeft toegang
tot de volgende opties:
Selecteer de gewenste functie
en druk op de draaiknop om te
bevestigen en de desbetreffende
instellingen te wijzigen.
Verkeersinfo
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar
de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven
luisteren zonder dat u zelf de frequentie hoeft te wijzigen. Sommige
RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat
de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit
verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen.
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook
als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en
heeft niets te maken met een storing in de autoradio.
RDS - REGIONALE FUNCTIE
Druk op de toets RADIO om
de alfabetische lijst met lokaal
ontvangen zenders weer te geven.
Selecteer het gewenste station
met de draaiknop en druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Regioprog. (REG)
Radiotekst
RDS
Druk tijdens het luisteren naar de radio op een
van de toetsen om de vorige of volgende zender
in de lijst te selecteren.
Druk langer dan 2 seconden op een van de numerieke toetsen om
de zender waarop is afgestemd op te slaan.
Druk op de numerieke toets om naar de zender te luisteren die
onder die toets is opgeslagen.
AM
Houd een van de toetsen lang ingedrukt om
automatisch in afl opende of oplopende volgorde
naar zenders te zoeken.
RADIO
180
07
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
MULTIMEDIASPELERS
CD, CD MET MP3- OF WMA-BESTANDEN
INFORMATIE EN TIPS
Selecteer bij het branden van een CD-R of CD-RW de standaard
ISO 9660 niveau 1, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen
afspelen.
Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze
niet goed wordt afgespeeld.
Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor
het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in
(maximaal 4 x) voor een optimale geluidskwaliteit.
Voor het branden van een multisessie-CD is het raadzaam de
standaard Joliet te gebruiken.
De Peugeot Connect Nav speelt bestanden met de extensie ".mp3"
en een bitrate van 8 tot 320 Kbps en bestanden met de extensie
".wma" en een bitrate van 5 tot 384 Kbps af.
Ook bestanden met een VBR (Variable Bit Rate) kunnen worden
afgespeeld.
Geluidsbestanden met een andere extensie (.mp4, .m3u...) kunnen
niet worden afgespeeld.
De formaten MP3 (afkorting van MPEG 1, 2 & 2.5 Audio Layer 3)
en WMA (afkorting van Windows Media Audio, eigendom van
Microsoft) zijn standaarden voor het comprimeren van geluid die
de mogelijkheid bieden enkele tientallen nummers op één CD te
plaatsen.
Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en verwijder
speciale tekens (bijv.: " ? ; ù) om problemen met het afspelen of de
weergave te voorkomen.
181
07
3
2
1
6
4
5
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
MUZIEK SELECTEREN/BELUISTEREN
CD, MP3-/WMA-CD
Het afspelen of weergeven van een MP3-/WMA-speellijst kan
worden beïnvloed door het gebruikte programma voor het branden
van de CD en/of de instellingen. Wij raden u aan voor het branden
van een CD de standaard ISO 9660 te gebruiken.
Druk op de toets MUSIC.
Selecteer de functie "Kies muziek"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Druk op de toets omhoog/omlaag
om de volgende/vorige map te
selecteren.
Selecteer de gewenste geluidsbron:
CD, MP3-/WMA-CD. Druk op de
draaiknop om te bevestigen. Het
afspelen begint.
Kies muziek
Druk nogmaals op de toets MUSIC
of selecteer de functie Menu Muziek
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
Druk op een van de toetsen om een
nummer te selecteren.
Houd een van de toetsen ingedrukt
om snel vooruit of terug te spoelen.
Menu Muziek
De lijst met nummers of MP3-/WMA-bestanden verschijnt onder
het Menu Muziek.
MULTIMEDIASPELERS
182
07
4
3
1
2
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
MULTIMEDIASPELERS
Sluit het externe apparaat
(mp3-/WMA-speler…) met een
geschikte audiokabel aan op de
JACK-audioaansluiting of op de
USB-poort.
Druk op de toets MUSIC en druk
nogmaals op de toets of selecteer de
functie Menu Muziek en druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Selecteer de geluidsbron AUX
en druk op de draaiknop om te
bevestigen, waarna het afspelen
automatisch begint.
Selecteer de functie "Extern toestel"
en druk op de draaiknop om het
externe apparaat te activeren.
Extern toestel
AUX-INGANG GEBRUIKEN (AUX)
Menu Muziek
JACK/USB-KABEL NIET MEEGELEVERD
De weergave- en bedieningsfuncties lopen via de externe
apparatuur zelf.
183
08
1
2
3
4
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
BLUETOOTH-TELEFOON
* De beschikbaarheid van diensten hangt af van het gsm-netwerk, de
simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur.
Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw
provider welke diensten voor u toegankelijk zijn.
KOPPELEN VAN EEN TELEFOON/
EERSTE KOPPELING
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree set
van de Peugeot Connect Nav mag om veiligheidsredenen en
vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de
bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto
en met aangezet contact.
Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en
controleer of deze "voor alle apparatuur zichtbaar"
is (zie de gebruiksaanwijzing van uw telefoon).
Voer de toegangscode in met de telefoon. De in
te voeren code wordt weergegeven op het display
van het systeem.
Bepaalde telefoons worden automatisch elke keer
dat het contact wordt aangezet weer gekoppeld.
Er wordt een melding weergegeven om de
koppeling te bevestigen.
Druk om een andere telefoon te
koppelen op de toets PHONE,
selecteer vervolgens Menu
"Telefoon" en druk op de draaiknop
om te bevestigen.
Als de telefoon is gekoppeld, kan de Peugeot Connect Nav
de contacten en de gesprekkenlijst synchroniseren. Deze
synchronisatie kan enkele minuten duren * .
U kunt ook via de telefoon de koppeling tot stand brengen (zie de
gebruiksaanwijzing van de telefoon).
Ga voor meer informatie over bijvoorbeeld de compatibiliteit en
extra ondersteuning naar www.peugeot.nl.
Druk op de toets PHONE.
Selecteer als de telefoon nog niet
gekoppeld is geweest "Telefoon
zoeken" en druk op de draaiknop om
te bevestigen. Selecteer vervolgens
de naam van de telefoon.
Telefoon zoeken
184
08
1
2
2
1
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
* De beschikbaarheid van diensten hangt af van het gsm-netwerk, de
simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur.
Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw
provider welke diensten voor u toegankelijk zijn.
BLUETOOTH-TELEFOON
KOPPELEN VAN EEN TELEFOON
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set
van de Peugeot Connect Nav mag om veiligheidsredenen en
vanwege het feit dat deze handeling de volledige aandacht van de
bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto
en met aangezet contact.
Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon en
controleer of deze "voor alle apparatuur zichtbaar"
is (zie de gebruiksaanwijzing van uw telefoon).
De laatst gekoppelde telefoon wordt automatisch
opnieuw gekoppeld.
Er wordt een melding weergegeven om de
kopeling te bevestigen.
Als er al een andere telefoon
gekoppeld is en deze koppeling moet
veranderd worden, druk dan op de
toets PHONE, selecteer vervolgens
Menu "Telefoon" en druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Als de telefoon is gekoppeld, kan Peugeot Connect Nav
de contacten en de gesprekkenlijst synchroniseren. Deze
synchronisatie kan enkele minuten duren * .
De lijst met eerder gekoppelde telefoons (maximaal 4) verschijnt
op het multifunctionele display. Selecteer de gewenste telefoon om
deze opnieuw te koppelen.
Ga voor meer informatie over bijvoorbeeld de compatibiliteit en
extra ondersteuning naar www.peugeot.nl.
Druk op de toets PHONE.
Selecteer "Telefoon koppelen".
Selecteer de telefoon en druk op de
draaiknop om te bevestigen.
Telefoon koppelen
185
08
1
3
2
2
1
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
Selecteer "Ja" om de oproep te
accepteren of "Nee" om de oproep
te weigeren en bevestig door op de
draaiknop te drukken.
EEN OPROEP ONTVANGEN BELLEN
Wanneer u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een pop-
upvenster op het multifunctionele display.
Ja
Druk op de toets PHONE om het
gesprek te beëindigen of druk op de
draaiknop, selecteer "Gespr.beëind."
en bevestig door op de draaiknop te
drukken.
Gespr.beëind.
Druk op de toets PHONE.
Selecteer "Nummer bellen" en voer
het nummer in met het toetsenbord
op het display.
Selecteer de functie Menu "Telefoon"
en druk op de draaiknop om te
bevestigen.
De lijst met de laatste 20 vanuit de auto gevoerde telefoongesprekken
verschijnt onder het Menu "Telefoon". U kunt een nummer selecteren
en op de draaiknop drukken om naar dit nummer te bellen.
Nee
Het telefoonnummer kunt u ook kiezen uit het adresboek. Selecteer
daarvoor "Bellen vanuit adresboek". Met de Peugeot Connect Nav
kunnen maximaal 1000 records (telefoonnummers) worden opgeslagen.
Druk langer dan twee seconden op de toets op het stuurwiel om het
adresboek te openen.
Menu "Telefoon"
Nummer bellen
U kunt ook rechtstreeks bellen via de telefoon; zet de auto in dat
geval uit veiligheidsoverwegingen stil.
BLUETOOTH-TELEFOON
Druk op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar
om de oproep te accepteren of om het gesprek te
beëindigen.
Druk, om een nummer te wissen, op de toets PHONE en vervolgens lang op
een telefoonnummer waarna de volgende keuze op het scherm verschijnt:
Druk, om een nummer te wissen, op de toets PHONE en vervolgens lang op
een telefoonnummer waarna de volgende keuze op het scherm verschijnt:
Druk, om een nummer te wissen, op de toets PHONE en vervolgens lang op
Vermelding wissen
Lijst wissen
186
09
RADIO
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Menu "Verkeer"
Alle berichten op route
Waarsch.berichten op route
Alleen waarschuwingsberichten
Alle soorten berichten
Binnen een straal van
3 km
Filter op afstand
Binnen een straal van
5 km
Binnen een straal van
10 km
Binnen een straal van
50 km
Binnen een straal van 100 km
Menu "Muziek"
Kies de geluidsbron
Geluidsinstellingen
Balans / Fader
Bass / Treble
Geen
Effecten
Klassiek
Jazz
Rock/pop
Techno
Vocaal
Loudness
Snelheidsafhankelijk volume
Geluidsinstellingen terugzetten
Menu "Radio"
Golfl engte
AM
Geen
FM
Handmatig afstemmen
Geluidsinstellingen
Balans / Fader
Bass / Treble
Effecten
BASISFUNCTIE
KEUZE A
keuze A1
keuze A2
KEUZE B...
1
2
3
1
2
4
1
2
3
4
3
3
3
3
2
2
2
2
4
4
4
4
4
3
3
3
3
3
2
3
2
2
3
3
3
3
1
2
3
2
3
187
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
Navigatie hervatten/Navigatie afbreken
Bestemming invoeren
GPS-coördinaten
Invoer op kaart
Etappes
Tussenstop toevoegen
Navigatie naar "mijn huis"
Uit adresboek kiezen
Route optimaliseren
Uit laatste bestemmingen kiezen
Tussenstop vervangen
Tussenstop wissen
Route herberekenen
Snelste route
Kortste route
Compromis tijd / afstand
POI zoeken
POI dichtbij
Navigatieopties
Navigatiecriteria
Kortste route
Snelste route
Menu "Navigatie"
Plaats
Straat
Adres invoeren
Land
Navigatie naar "mijn huis"
Stadscentrum
Huisnummer
Navigatie starten
Postcode
Opslaan in adresboek
Kruising
Adres invoeren
Dichtbij bestemming
In een plaats
In een land
Langs de route
Vanuit adresboek
3
3
Uit laatste bestemmingen kiezen
Informatie TMC-zender
Loudness
Snelheidsafhankelijk volume
Geluidsinstellingen terugzetten
3
3
3
1
2
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
3
2
3
3
2
3
4
4
4
4
3
3
3
3
4
4
4
2
4
2
3
3
3
3
3
3
4
Klassiek
Jazz
Rock/pop
Techno
Vocaal
4
4
4
4
4
188
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
Geen veerboten
Route herberekenen
Instellingen
Volume gesproken berichten
POI's op kaart
Instellen risicozones
Op kaart weergeven
Visuele waarschuwing
Akoestische waarschuwing
3
2
4
3
3
3
4
4
4
Nummer bellen
Bellen vanuit adresboek
Menu "Telefoon"
Telefoon zoeken
Gesprekkenlijsten
Telefoon koppelen
Beltoon selecteren
Volume beltoon instellen
Gekoppelde telefoons
Mailboxnummer invoeren
Instellingen
Telefoon ontkoppelen
Telefoon hernoemen
Koppeling verwijderen
Alle koppelingen verwijderen
Details weergeven
MENU "SETUP"
Taal *
English
Español
Deutsch
Italiano
Français
Nederlands
Polski
Portuguese
Datum en tijd *
Datum en tijd instellen
Datumformaat
Tijdformaat
1
2
2
2
2
3
3
4
4
4
4
4
2
3
3
3
1
2
3
3
3
3
3
3
3
3
3
3
3
2
Geen snelwegen
Rekening houden met verkeer
Zonder omleiding
Met bevestiging
Uitsluitingen
Geen tolwegen
Compromis tijd / afstand
3
3
4
4
4
4
4
* Beschikbaar volgens uitvoering.
189
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
** De parameters verschillen per uitvoering.
Dark blue
Kleur kaart
Nachtmodus voor kaart
Eenheden
Dagmodus voor kaart
Parameters auto **
Informatie auto
Logboek waarschuwingen
Status van functies
Temperatuur
Celsius
Fahrenheit
Afstand
Kilometers en verbruik l/100 km
Kilometers en verbruik km/l)
Miles (verbruik: MPG)
Parameters systeem
Auto. dag/nacht voor kaart
Fabrieksinstellingen terugzetten
Softwareversie
Automatisch bladeren
3
4
4
2
4
3
4
4
2
3
4
4
3
4
4
4
2
4
3
3
3
Kleur
Pop titanium
Toffee
Blue steel
Technogrey
3
4
4
4
4
Weergave
Helderheid
2
3
190
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
Er is een verschil in
geluidskwaliteit tussen
de verschillende
geluidsbronnen (radio,
CD...).
Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) voor elke geluidsbron
afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere
geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Controleer of de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) zijn
afgestemd op de verschillende geluidsbronnen.
Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen,
hoge tonen, fader, balans) in de middelste stand
te zetten, de geluidssfeer "Geen" te selecteren en
de functie Loudness in de stand "Actief" te zetten
als de CD-speler is geselecteerd en in de stand
"Inactief" te zetten als de radio is geselecteerd.
De CD wordt steeds
uitgeworpen of kan niet
worden afgespeeld door
de CD-speler.
De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen,
bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de
autoradio gelezen kunnen worden.
De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de
autoradio wordt herkend.
- Controleer of de CD met de juiste zijde boven
in de speler is geplaatst.
- Controleer de staat van de CD: de CD kan
niet worden gelezen als deze te veel is
beschadigd.
-
Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is
gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk "Audio".
- De CD-speler van de autoradio kan geen
DVD's afspelen.
- De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's
is onvoldoende om deze door de autoradio te
laten afspelen.
De CD-speler levert een
slechte geluidskwaliteit.
De gebruikte CD is bekrast of van slechte kwaliteit.
Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg
ze zorgvuldig op.
De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, geluidssfeer) zijn niet op de
CD-speler afgestemd.
Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen
op 0, zonder een geluidssfeer te selecteren.
191
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
De voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
Het verkeerde golfbereik is geselecteerd.
Druk op de toets BAND AST om het golfbereik
(AM, FM1, FM2, FMAST) terug te vinden waarin
de voorkeuzezenders zijn opgeslagen.
De ontvangstkwaliteit
van de beluisterde
radiozender neemt
geleidelijk af of de
voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation
of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt.
Activeer de functie "RDS" om het systeem te
laten controleren of er een sterkere zender in het
gebied aanwezig is.
De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.)
veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is
ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te
maken met een storing in de autoradio.
De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat
of ondergrondse parkeergarage).
Laat de antenne controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Het geluid van de radio
valt 1 tot 2 seconden
weg.
Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een
eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station.
Schakel de functie "RDS" uit als dit verschijnsel
zich te vaak en steeds op hetzelfde traject
voordoet.
Na het afzetten van
de motor wordt de
radio na enkele
minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand
van de accu dat toestaat.
Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de
autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto
ontladen raakt.
Start de motor om de accu op te laden.
192
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
De optie
"Verkeersinformatie (TA)"
is aangevinkt, maar de
les op de route worden
niet direct gemeld.
Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de
verkeersinformatie te ontvangen.
Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt
ontvangen (weergave van de pictogrammen van
de verkeersinformatie op de kaart).
In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen, ...)
verkeersinformatie beschikbaar.
Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is
afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie.
Ik word gewaarschuwd
voor een risicozone die
niet op mijn route ligt.
Het systeem waarschuwt voor alle komende risicozones op de
route binnen een bepaald bereik. Het detecteert ook risicozones op
nabijgelegen straten of parallelwegen.
Zoom in op de kaart om de exacte locatie van de
risicozones te kunnen bepalen.
De geluidswaarschuwing
voor risicozones werkt
niet.
De geluidswaarschuwing is niet actief.
Activeer de geluidswaarschuwing in Menu
"Navigatie", Instellingen, Instellen risicozones.
Het waarschuwingssignaal is afgesteld op de laagste volume.
U kunt het volume van de waarschuwing afstellen
wanneer u door een risicozone rijdt.
De hoogte wordt niet
weergegeven.
Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot drie minuten duren
voordat er meer dan drie satellieten correct worden ontvangen.
Wacht tot het systeem volledig is opgestart.
Controleer of het GPS van ten minste drie
satellieten een signaal ontvangt (druk lang op de
toets SETUP, selecteer vervolgens "GPS-bereik").
De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de
omgeving (tunnel, ...) en het weer.
Dit is een normaal verschijnsel. De werking van
het systeem is afhankelijk van de ontvangst van
het GPS-signaal.
De routeberekening
wordt niet voltooid.
De vermijdcriteria zijn wellicht in tegenspraak met de huidige locatie
(uitsluiting van tolwegen tijdens het rijden op een tolweg).
Controleer de vermijdcriteria.
193
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
Na het plaatsen van
een CD duurt het lang
voordat het systeem
reageert.
Na het plaatsen van een informatiedrager moet het systeem een aantal
gegevens uitlezen (afspeellijst, titel, artiest). Dit kan enige tijd in beslag
nemen.
Dit is normaal.
Het lukt niet om mijn
Bluetooth-telefoon te
koppelen.
Mogelijk is de Bluetooth-functie van de telefoon uitgeschakeld of is het
toestel niet zichtbaar voor andere apparatuur.
- Controleer of de Bluetooth-functie van uw
telefoon is ingeschakeld.
- Controleer of uw telefoon zichtbaar is.
Het geluid van de
Bluetooth telefoon is niet
hoorbaar.
Het geluid wordt bepaald door zowel het systeem als de telefoon.
Verhoog eventueel het volume van de Peugeot
Connect Nav en indien nodig ook van de telefoon
tot het maximale niveau.
194
207cc_nl_Chap11b_RNEG_ed01-2014
195
PEUGEOT CONNECT SOUND
Uw Peugeot Connect Sound is zodanig gecodeerd dat
deze uitsluitend in uw auto functioneert.
Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen
die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren
bij stilstaande auto.
Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de
autoradio zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de
accu ontladen raakt.
AUTORADIO / BLUETOOTH
®
01 Basisfuncties
02 Stuurkolomschakelaars
03 Hoofdmenu
04 Audio
05 Peugeot Connect USB
06 Peugeot Connect Bluetooth
07 Menustructu(u)r(en) display(s)
Veelgestelde vragen
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
196
197
198
199
202
205
208
213
INHOUD
196
01
BASISFUNCTIES
Uitwerpen van de CD.
Selecteren van de geluidsbron:
radio, audio-CD-/MP3-CD-speler,
USB, Jack-aansluiting, streaming
audio, AUX-ingang.
Selecteren van de weergave
op het display:
Datum, audiofuncties,
boordcomputer en telefoon.
Automatisch zoeken naar
zenders in afl opende/
oplopende volgorde.
Selecteren van het vorige/volgende
nummer van de CD, MP3 of USB.
Instellen van de
geluidsweergave:
geluidsverdeling
voor/achter, links/
rechts, loudness,
geluidssferen.
Weergave van de lijst
radiozenders.
Lang indrukken:
nummers van de CD of
de MP3-afspeellijsten
(CD / USB).
Functie TA
(verkeersinformatie) AAN/UIT.
Lang indrukken: toegang
tot de PTY-functie *
(programmatypen radio).
Weergave van het
algemene menu.
Met de toets DARK kan de weergave van het display
worden gewijzigd voor extra rijcomfort 's nachts.
1
e
keer indrukken: alleen verlichting van het
bovenste gedeelte.
2
e
keer indrukken: display volledig uitschakelen.
3
e
keer indrukken: terugkeren naar de
normale weergave.
Aan/uit en volumeregeling.
Toetsen 1 t/m 6:
Selecteren van een opgeslagen
voorkeuzezender.
Lang indrukken: opslaan van een
zender als voorkeuzezender.
Selecteren van een lagere/hogere
radiofrequentie.
Selecteren van de vorige/volgende
MP3-afspeellijst.
Selecteren van bestandenlijst /
muziekstijl / artiest / vorige of volgende
afspeellijst van het USB-apparaat.
Bevestigen.
Selecteren van het
golfbereik FM1, FM2,
FMast en AM.
Huidige bewerking
verlaten.
* Beschikbaar afhankelijk van uitvoering.
197
02
STUURKOLOMSCHAKELAARS
Radio: selecteren van de vorige/volgende
voorkeuzezender.
USB : selecteren van het genre / artiest /
index van de lijst.
Selecteren van het vorige/volgende item
van een menu.
Wijzigen van de geluidsbron.
Bevestigen van een selectie.
Telefoon opnemen/ophangen.
Langer dan 2 seconden indrukken:
toegang tot het telefoonmenu.
Radio: automatisch zoeken naar
zenders in afl opende volgorde.
CD/MP3/USB: selecteren van het vorige
nummer.
CD/USB: continu indrukken: versneld
terugspoelen.
Naar een ander item van de lijst.
Radio: automatisch zoeken naar
zenders in oplopende volgorde.
CD/MP3/USB: selecteren van het
volgende nummer.
CD/USB: continu indrukken: versneld
vooruitspoelen.
Naar een ander item van de lijst.
Volume verhogen.
Volume verlagen.
Mute: geluid onderbreken
door het gelijktijdig
indrukken van de
volumetoetsen.
Geluid weer inschakelen:
druk op een van de
twee volumetoetsen.
198
03
HOOFDMENU
GELUIDSBRON
:
radio, CD, USB, externe
apparatuur.
Display C
Raadpleeg voor een compleet
overzicht van de beschikbare
menu's de rubriek "Menustructuur
scherm".
TELEFOON
:
handsfree set,
koppelingen,
gespreksbeheer.
PERSOONLIJKE
INSTELLING -
CONFIGURATIE
:
parameters van de auto,
weergave, talen.
BOORDCOMPUTER
:
afstanden invoeren,
waarschuwingsmeldingen,
status van functies.
Display A
199
04
1
2
3
4
1
2
3
4
SOURCE
BAND
AST
LIST
REFRESH
MENU
AUDIO
Druk herhaalde malen op de toets
SOURCE om de radiofunctie te
selecteren.
Druk op de toets BAND AST om het
golfbereik te selecteren: FM1, FM2,
FMast of AM.
Druk kort op een van de toetsen om
automatisch naar zenders te zoeken.
Druk op een van de toetsen om
handmatig naar hogere/lagere
frequenties te zoeken.
Druk op de toets LIST REFRESH
voor een lijst van de beschikbare
zenders in het gebied waar u zich
bevindt (maximaal 30 zenders).
Druk langer dan 2 seconden op de
toets om deze lijst bij te werken.
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de
RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de
RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de
te maken met een storing in de autoradio.
RDS
RADIO
SELECTEREN VAN EEN ZENDER
Druk op de toets MENU.
Selecteer AUDIOFUNCTIES en druk
op OK.
Selecteer de functie VOORKEUZE
FM-BAND en druk op OK.
Selecteer RDS VOLGEN
ACTIVEREN en druk op OK. Op het
display verschijnt de aanduiding RDS.
Als de radiofunctie is ingeschakeld, druk dan direct op OK om de
RDS-functie in of uit te schakelen.
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de sterkste
frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren. Sommige RDS-
zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de frequenties van
de zender niet het hele land dekken. Bij slechte ontvangst kkan het daarom zijn
dat de radio tijdens het rijden overschakelt op een regionale zender.
200
04
1
2
3
1
SOURCE
AUDIO
Gebruik alleen CD's met een ronde vorm.
Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande
CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de
CD-speler.
Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CD-
speler; deze zal de CD automatisch afspelen.
CD
EEN CD AFSPELEN
Als er in de CD-speler al een CD is
geplaatst die u wilt beluisteren, druk dan
herhaalde malen op de toets SOURCE
om de CD-functie te selecteren.
Druk op een van de toetsen om een
nummer van de CD te selecteren.
Druk op de toets LIST REFRESH om de lijst met nummers van de
CD weer te geven.
Houd een van de toetsen ingedrukt
om versneld vooruit of terug te
spoelen.
VERKEERSINFORMATIE
BELUISTEREN
Druk op de toets TA om de weergave
van verkeersinformatie te activeren of
uit te schakelen.
De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het
luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd
De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het
luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd
De functie TA (Traffi c Announcement) geeft voorrang aan het
moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt,
luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd
moet deze functie een radiozender die deze berichten uitzendt,
luisteren naar de verkeersinformatie. Om te worden geactiveerd
goed kunnen ontvangen. Zodra er een bericht wordt uitgezonden,
wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven
(Radio, CD, ...) automatisch onderbroken en wordt de
wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven
(Radio, CD, ...) automatisch onderbroken en wordt de
wordt de geluidsbron die op dat moment wordt weergegeven
verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen,
(Radio, CD, ...) automatisch onderbroken en wordt de
verkeersinformatie doorgegeven. Zodra het bericht is afgelopen,
(Radio, CD, ...) automatisch onderbroken en wordt de
wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat.
201
04
1
2
3
SOURCE
Het formaat MP3 (afkorting van MPEG 1,2 & 2.5 Audio
Layer 3) is een standaard voor het comprimeren van geluid die de
mogelijkheid biedt enkele tientallen speellijsten op één CD te plaatsen.
Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard
ISO 9660 niveau 1,2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen
afspelen.
Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze
niet goed wordt afgespeeld.
Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor
het branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid
(maximaal 4x) in voor een optimale geluidskwaliteit.
Voor het branden van een multisessie-CD is het raadzaam de
standaard Joliet te gebruiken.
De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie
".mp3" en een samplingfrequentie van 22,05 kHz of 44,1 kHz af.
Geluidsbestanden met een andere extensie (.wma, .mp4, .m3u...)
kunnen niet worden afgespeeld.
Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en verwijder
speciale tekens (bijv.: " ", ?, ù) om problemen met het afspelen of
de weergave te voorkomen.
MP3-CD
INFORMATIE EN TIPS
AUDIO
Lege CD's worden niet herkend en kunnen het audiosysteem
beschadigen.
Plaats een MP3-CD in de speler.
De CD-speler scant vervolgens de CD tot alle nummers zijn
gevonden, hierdoor kan het enkele tot enkele tientallen seconden
duren voordat het afspelen begint.
MP3-CD
EEN MP3-CD AFSPELEN
De CD-speler kan CD's met maximaal 255 MP3-bestanden,
verdeeld over 8 speellijsten, afspelen. Het is echter raadzaam het
aantal afspeellijsten tot twee te beperken om een lange laadtijd
van de CD te voorkomen.
Bij het afspelen wordt geen rekening gehouden met de mappenstructuur.
Alle bestanden worden op hetzelfde niveau weergegeven.
Als er al een CD in het apparaat zit die
u wilt beluisteren, druk dan herhaalde
malen op de toets SOURCE om de
CD-functie te selecteren.
Druk op een van de toetsen om een
nummer van de CD te selecteren.
Druk op de toets LIST REFRESH om de speellijsten van de MP3-
CD weer te geven.
Houd een van de toetsen ingedrukt
om snel vooruit of terug te spoelen.
202
05
1
1
2
3
USB-BOX - PEUGEOT CONNECT USB
Het systeem stelt playlists samen (tijdelijk geheugen). De tijd die
hiervoor nodig is, hangt af van de capaciteit van de USB-uitrusting.
Gedurende deze tijd zijn andere bronnen beschikbaar.
De playlists worden iedere keer dat het contact wordt afgezet of
een USB-stick wordt aangesloten, geactualiseerd.
Bij een eerste aansluiting wordt een indeling in mappen als indeling
aangeboden. Bij een volgend gebruik wordt de laatstgekozen
mappenstructuur aangehouden.
Sluit de USB-stick direct of via een snoer aan op
de USB-poort. Als de autoradio is ingeschakeld,
wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt
de USB-poort. Als de autoradio is ingeschakeld,
wordt de USB-bron gedetecteerd zodra deze wordt
de USB-poort. Als de autoradio is ingeschakeld,
aangesloten. Het lezen begint automatisch na een
bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de
aangesloten. Het lezen begint automatisch na een
bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de
aangesloten. Het lezen begint automatisch na een
USB-stick.
bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de
USB-stick.
bepaalde tijd, afhankelijk van de capaciteit van de
De herkende bestandsformaten zijn .mp3 (uitsluitend
mpeg1 layer 3) en .wma (uitsluitend standaard 9,
De herkende bestandsformaten zijn .mp3 (uitsluitend
mpeg1 layer 3) en .wma (uitsluitend standaard 9,
De herkende bestandsformaten zijn .mp3 (uitsluitend
comprimeren met 128 kbit/s).
mpeg1 layer 3) en .wma (uitsluitend standaard 9,
comprimeren met 128 kbit/s).
mpeg1 layer 3) en .wma (uitsluitend standaard 9,
Bepaalde formaten playlists (m3u, ...) worden
geaccepteerd.
Wanneer de laatst gebruikte stick opnieuw wordt
aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij
Wanneer de laatst gebruikte stick opnieuw wordt
aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij
Wanneer de laatst gebruikte stick opnieuw wordt
de laatst beluisterde track van de desbetreffende stick.
aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij
de laatst beluisterde track van de desbetreffende stick.
aangesloten, gaat het afspelen automatisch verder bij
Deze module bestaat uit een USB-poort en
een Jack-aansluiting * . De bestanden van een
draagbare MP3-speler of een USB-stick worden
overgebracht op uw Peugeot Connect Sound
zodat de muziek via de luidsprekers van de auto
kan worden beluisterd.
USB-stick (1.1, 1.2 en 2.0) of Apple
®
speler van
®
speler van
®
de vijfde generatie of hoger:
- de USB-stick moet in FAT of FAT 32
geformateerd zijn (niet compatibel met
NTFS-formaat),
- het snoer van de Apple
®
speler is
®
speler is
®
noodzakelijk,
- navigatie door de bestanden is ook mogelijk
via de bediening op het stuurwiel.
Een lijst met geschikte uitrustingen en compatible compressies is
beschikbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
GEBRUIK VAN DE USB-BOX -
PEUGEOT CONNECT USB
AANSLUITEN VAN EEN USB-STICK
De Apple
®
speler van oudere generaties en
®
speler van oudere generaties en
®
spelers die gebruik maken van het MTP-
protocol * :
- afspelen uitsluitend via een Jack-Jack-snoer
(niet meegeleverd),
- navigatie door de bestanden is mogelijk via
het externe apparaat.
* Afhankelijk van de uitvoering.
203
3
4
05
2
1
LIST
REFRESH
LIST
REFRESH
GEBRUIK VAN DE USB-BOX -
PEUGEOT CONNECT USB
Druk LIST kort in voor de indeling die u
de vorige keer hebt gekozen.
Navigeer in de lijst met behulp van de
toetsen links/rechts en omhoog/omlaag.
Bevestig de selectie door op OK te
drukken.
De beschikbare lijsten zijn Artiest, Genre en Playlist (zoals
weergegeven via de Apple
®
spelers).
®
spelers).
®
Selectie en Navigatie zijn hierboven beschreven in de
stappen 1 t/m 4.
Sluit geen harde schijf of een niet-audio USB-apparaat aan op de
USB-poort, aangezien hierdoor uw installatie beschadigd kan raken.
AANSLUITEN VAN APPLE SPELERS
®
AANSLUITEN VAN APPLE SPELERS
®
AANSLUITEN VAN APPLE SPELERS
-VIA DE USB-POORT
®
-VIA DE USB-POORT
®
Druk op een van deze toetsen om
tijdens het lezen naar de vorige/
volgende track te gaan volgens de
weergegeven indeling.
Houd een van de toetsen ingedrukt
voor snel vooruit/achteruit verplaatsen.
Druk op een van deze toetsen om te
gaan naar volgende/vorige Genre,
Map, Artiest of Playlist, afhankelijk
van de weergegeven indeling tijdens
het lezen.
Druk LIST lang in voor het weergeven
van de indelingen.
Kies per Map / Artiest / Genre / Playlist,
druk op OK om de gekozen indeling te
bevestigen en vervolgens opnieuw op OK
om de keuze vast te leggen.
- per Map: alle mappen met audio-
bestanden die door het systeem
worden herkend.
- per Artiest: alle artiestennamen
worden weergegeven in ID3 Tag en
in alfabetische volgorde.
- per Genre : alle genres worden
weergegeven in ID3 Tag.
- per Playlist : zoals weergegeven in
de playlist van de USB-stick of het
USB-apparaat aangesloten op de
USB-poort.
USB-BOX - PEUGEOT CONNECT USB
204
05
1
2
1
2
SOURCE
De weergave- en bedieningsfuncties verlopen via
de externe apparatuur zelf.
Stel eerst het volume van uw draagbare
apparatuur af.
Stel vervolgens het volume van de
autoradio af.
AUX-INGANG GEBRUIKEN
VOLUMEREGELING EXTERNE
APPARATUUR
RCA-AANSLUITING
Sluit het externe apparaat (MP3-speler...)
met behulp van een adapterkabel (niet
meegeleverd) op de audioaansluitingen
(wit en rood, type RCA) aan.
Druk herhaalde malen op de toets
SOURCE om AUX te selecteren.
De AUX-aansluiting RCA dient om een extern apparaat (MP3-
speler…) aan te sluiten.
USB-BOX - PEUGEOT CONNECT USB
205
06
1
2
3
4
5
6
7
8
9
MENU
OK
PEUGEOT CONNECT BLUETOOTH
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem
van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het
feit dat deze handeling de volledige aandacht van de bestuurder
vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met
aangezet contact.
Druk op de toets MENU.
Er wordt een venster weergegeven met de melding dat het
systeem bezig is met zoeken.
Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon
en zorg ervoor dat deze "waarneembaar is voor
iedereen" (confi guratie van de telefoon).
Kies in het menu:
- Bluetooth-telefoon - Audio
- Bluetooth confi guratie
- Zoeken via Bluetooth
De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de simkaart en de
compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met
uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies.
BLUETOOTH-TELEFOON
DISPLAY C
Met het menu TELEFOON krijgt u onder andere toegang tot de
volgende functies: Adresboek * , Logboek gesprekken, Beheer van
de koppelingen.
De eerste vier herkende telefoons worden in dit venster weergegeven.
Op het scherm wordt een toetsenbord weergegeven:
voer een code van minimaal 4 cijfers in.
Bevestig met OK.
Op het scherm verschijnt de melding dat de koppeling is geslaagd.
Selecteer in de lijst de te koppelen telefoon. U kunt slechts één
telefoon per keer koppelen.
Op het scherm van de geselecteerde telefoon wordt een
bericht weergegeven. Voer, om de koppeling te accepteren, in
de telefoon dezelfde code in en bevestig vervolgens met OK.
De toegestane automatische verbinding wordt geactiveerd nadat
de telefoon is geconfi gureerd.
Het adresboek en het logboek gesprekken zijn na de
synchronisatie beschikbaar.
(Afhankelijk van model en uitvoering)
* Als uw telefoon volledig compatibel is.
Mocht de koppeling niet gelukt zijn dan kunt u het,
een onbeperkt aantal keren, nogmaals proberen.
Raadpleeg de site www.peugeot.nl voor meer informatie
(compatibiliteit, extra informatie, ...).
KOPPELEN VAN EEN TELEFOON / EERSTE VERBINDING
206
06
1
2
1
2
1
OK
EEN GESPREK ONTVANGEN
Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het
verschijnen van een venster op het display van de auto.
Selecteer met behulp van de
toetsen de knop JA op het scherm
en bevestig met OK.
Druk op de toets op het stuurwiel om het gesprek
te accepteren.
BELLEN
Selecteer in het menu Bluetooth-telefoon - Audio "Beheer van het
telefoongesprek" en vervolgens "Bellen", "Logboek gesprekken" of
"Adresboek".
Druk gedurende meer dan twee seconden op de
toets op het stuurwiel om toegang te krijgen tot uw
adresboek. Gebruik vervolgens de rolknop om het
nummer te selecteren.
Of
Gebruik, als de auto stilstaat, het toetsenbord van
uw telefoon om een nummer in te voeren.
Druk gedurende het gesprek meer dan twee
seconden op de toets op het stuurwiel.
Bevestig met OK om het gesprek te beëindigen.
PEUGEOT CONNECT BLUETOOTH
EEN GESPREK BEËINDIGEN
207
1
2
3
SOURCE
06
Start de koppelingsprocedure tussen de telefoon
en de auto. Deze procedure kan gestart worden
via het telefoonmenu van de auto of via het
toetsenbord van de telefoon; zie hiervoor de
eerder beschreven stappen 1 t/m 9. Tijdens de
koppeling moet de auto stilstaan en het contact
aanstaan.
Selecteer in het telefoonmenu de te koppelen telefoon.
Het audiosysteem wordt automatisch verbonden met de zojuist
gekoppelde telefoon.
BLUETOOTH STREAMING AUDIO *
Draadloze overdracht van muziekbestanden van de telefoon naar
het audiosysteem van de auto. De telefoon moet de desbetreffende
Bluetooth-profi elen (A2DP/AVRCP) kunnen ondersteunen.
* Volgens de compatibiliteit van de telefoon.
** In sommige gevallen moet het afspelen van audiobestanden via het
toetsenbord worden geactiveerd.
*** Als de telefoon deze functie ondersteunt.
Activeer de bron Streaming door op
de toets SOURCE ** te drukken. Via
de toetsen op het bedieningspaneel
van de radio en de bediening
op het stuurwiel kunt u op de
gebruikelijke wijze de muziekstukken
aansturen *** . De informatie over de
muziekstukken kan op het display
worden weergegeven.
PEUGEOT CONNECT BLUETOOTH
208
07
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Radio-CD
BASISFUNCTIE
* De parameters variëren afhankelijk van de auto.
Keuze A
Keuze B...
Display
A
Keuze
A1
Keuze A11
Mode REG
CD herhalen
Random Play
Config auto *
RW achter aan
Opties
Follow-me-home
Diagnose
Volgen RDS
Raadplegen
Beëindigen
1
2
1
3
1
2
3
3
1
2
2
2
2
1
2
2
209
07
Eenheden
Temperatuur : °Celsius / °Fahrenheit
Brandstofverbruik: KM/L - L/100 - MPG
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Inst.Weergave
Maand
Dag
Uren
Minuten
Jaar
12 H/24 H weergave
Talen
Italiano
Nederlands
Portuguès
Portuguès-brasil
Français
Deutsch
English
Español
1
2
2
1
2
2
2
2
2
2
1
2
2
2
2
2
2
2
2
210
07
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Wanneer u op de toets OK drukt, komt u in de verkorte menu's terecht,
afhankelijk van de weergave op het scherm:
Display
C
aanzetten/uitzetten RDS
aanzetten/uitzetten modus REG
aanzetten/uitzetten radiotext
RADIO
aanzetten/uitzetten Intro
CD/MP3-CD
aanzetten/uitzetten herhalen tracks (de
hele huidige CD voor CD, de hele huidige
map voor MP3-CD)
aanzetten/uitzetten random play (de hele
huidige CD voor CD, de hele huidige map
voor MP3-CD)
aanzetten/uitzetten herhalen van tracks
(van de map / artiest / genre / huidige
afspeellijst)
USB
aanzetten/uitzetten random play (shuffl e)
(van de map / artiest / genre / huidige
afspeellijst)
1
1
1
1
1
1
1
1
211
07
Display
C
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Audiofuncties
RDS-functie
inschakelen/uitschakelen
Voorkeuze FM
REG-functie
inschakelen/uitschakelen
Weergave radiotext (RDTXT)
inschakelen/uitschakelen
1
2
3
4
3
4
3
4
Afspeelmogelijkheden
RPT-functie (CD herhalen)
inschakelen/uitschakelen
RDM-functie (random)
inschakelen/uitschakelen
2
3
4
3
4
Boordcomputer
Afstand : x km
Invoeren afstand tot eindbestemminig
Diagnose
Logboek waarschuwingsmeldingen
Functies in- of uitgeschakeld
Status van de functies
*
1
2
3
3
2
3
2
Door het indrukken van de toets MENU is de
volgende weergave mogelijk:
* De parameters variëren afhankelijk van de auto.
212
07
MENUSTRUCTUUR DISPLAY
Bluetooth telefoon
Toestel aansluiten/afkoppelen
Raadplegen koppelingen
Bluetooth confi guratie
Telefoonfunctie
Audio streaming functie
Verwijderen koppeling
Zoeken via Bluetooth
Logboek van oproepen
Bellen
Index
Huidige gesprek beëindigen
Beheer van een gesprek
Inschakelen mutefunctie
1
2
3
3
3
4
4
4
2
3
4
2
3
3
Regeling weergave
Confi guratie display
Parameters van de auto defi niëren
*
Persoonlijke instelling - configuratie
normale weergave
omgekeerde weergave
regeling helderheid (- +)
D atum en tijd instellen
dag/maand/jaar instellen
uren/minuten instellen
keuze cyclus 12u/24u
Keuze van eenheden
l/100 km - mpg - km/l
°Celsius / °Fahrenheit
Taalkeuze
1
2
4
3
2
4
4
3
4
4
2
3
4
4
4
* De parameters variëren afhankelijk van de auto.
213
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
Er is een verschil in
geluidskwaliteit tussen
de verschillende
geluidsbronnen (radio,
CD...).
Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) voor elke geluidsbron
afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere
geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Controleer of de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, geluidssfeer, loudness) zijn
afgestemd op de verschillende geluidsbronnen.
Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen,
hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de
middelste stand te zetten, de geluidssfeer "Geen"
te selecteren en de functie Loudness in de stand
"Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd
en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is
geselecteerd.
De CD wordt steeds
uitgeworpen of kan niet
worden afgespeeld door
de CD-speler.
De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen,
bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de
autoradio gelezen kunnen worden.
De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de
autoradio wordt herkend.
- Controleer of de CD met de juiste zijde boven
in de speler is geplaatst.
- Controleer de staat van de CD: de CD kan niet
worden gelezen als deze te veel is beschadigd.
- Controleer de inhoud van de CD als deze zelf
is gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk
Audio.
- De CD-speler van de autoradio kan geen
DVD's afspelen.
- De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's
is onvoldoende om deze door de autoradio te
laten afspelen.
Op het display wordt
de melding "Storing
USB-randapparatuur"
weergegeven.
De Bluetooth-verbinding
wordt onderbroken.
De batterijspanning van de randapparatuur is misschien te laag.
Laad de batterij van de randapparatuur op.
De USB-stick wordt niet herkend.
De stick is misschien defect.
Formateer de stick opnieuw.
Ik heb geen toegang tot
mijn voicemail.
Er zijn slechts weinig telefoons en providers die deze functionaliteit
ondersteunen.
214
VRAAG
ANTWOORD
OPLOSSING
De CD-speler levert een
slechte geluidskwaliteit.
De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit.
Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg
ze zorgvuldig op.
De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, geluidssfeer) zijn niet op de
CD-speler afgestemd.
Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen
op 0, zonder een geluidssfeer te selecteren.
De voorkeuzezenders kunnen
niet worden ontvangen
(geen geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
Het verkeerde golfbereik is geselecteerd.
Druk op de toets BAND AST om het golfbereik
(AM, FM1, FM2, FMAST) terug te vinden waarin
de voorkeuzezenders zijn opgeslagen.
De functie TA
(verkeersinformatie) is
ingeschakeld, maar ik krijg geen
verkeersinformatie te horen.
De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het regionale
netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden.
Stem af op een zender die wel verkeersinformatie
uitzendt.
De ontvangstkwaliteit
van de beluisterde
radiozender neemt
geleidelijk af of de
voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation
of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt.
Activeer de functie RDS om het systeem te laten
controleren of er een sterkere zender in het
gebied aanwezig is.
De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.)
veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is
ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te
maken met een storing in de autoradio.
De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat
of ondergrondse parkeergarage).
Laat de antenne controleren door het
PEUGEOT -netwerk.
Het geluid van de radio
valt 1 tot 2 seconden
weg.
Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een
eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station.
Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich
te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet.
Na het afzetten van de
motor wordt de radio
na enkele minuten
automatisch uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand
van de accu dat toestaat.
Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de autoradio
is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt.
Start de motor om de accu op te laden.
De melding "het
audiosysteem is
oververhit" verschijnt op
het display.
Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge
omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een
thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-speler
uitschakelt.
Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om
het systeem te laten afkoelen.
215
VISUELE INDEX
207cc_nl_Chap12_Recherche visuelle_ed01-2014
EXTERIEUR
Buitenspiegels ............................55
Lichtschakelaar......................80-82
Statische bochtverlichting ........... 83
Koplampverstelling .....................83
Lampen vervangen ............138-139
- koplampen
- mistlampen
- zijknipperlichten
Ruitbediening,
achterste zijruiten ................71-72
Portieren ................................73-75
- openen/sluiten
- centrale vergrendeling
- noodbediening
Alarm .....................................69-70
Sleutel met
afstandsbediening ...............65-68
- openen/sluiten
- inbraakbeveiliging
- starten
- batterij
Accessoires ..............................153
Wegklapbaar dak .......................6-7
Brandstoftank .............................77
Tankbeveiliging ........................... 79
Bagageruimte .............................76
Wiel verwisselen ................133-136
- gereedschap
- demonteren
Bagagerek op het kofferdeksel
.....152
Parkeerhulp met grafi sche weergave
en geluidssignalen ............... 118-119
Trekhaak ............................151-152
Slepen ...............................150-151
Lampen vervangen ............140-141
- achterlichten
- 3
e
remlicht
- kentekenplaatverlichting
Noodremassistentie ..................100
Stabiliteitscontrole ....................101
Controlesysteem
bandenspanning .......................99
Bandenspanning.......................159
Bandenreparatieset ...........128-132
Sneeuwkettingen ...................... 137
216
VISUELE INDEX
207cc_nl_Chap12_Recherche visuelle_ed01-2014
INTERIEUR
Indeling bagageruimte ...........60-61
- bagageafdekscherm
- windscherm
- riemen
Bevestigen van het
windscherm .........................62-64
Gevarendriehoek ........................ 97
Kinderzitjes ............................86-93
ISOFIX-bevestigingen ...........94-96
Voorstoelen............................52-54
Achterbank .................................54
Veiligheidsgordels..............102-104
Airbags ..............................105-108
Matten.........................................57
Dashboardkastje.........................59
Uitschakeling airbag aan
passagierszijde ............86-87, 106
Roll-bars ...................................102
217
VISUELE INDEX
207cc_nl_Chap12_Recherche visuelle_ed01-2014
COCKPIT
Multifunctionele displays........33-41
Verklikkerlampjes
veiligheidsgordels ...................103
Alarmknipperlichten .................... 98
Instrumentenpanelen ..................20
Verklikkerlampjes...................21-27
Meters....................................28-31
Opschakelindicator ................... 110
Knoppen .....................................32
- kilometerteller
- dimmer dashboardverlichting
Lichtschakelaar......................80-82
Koplampverstelling .....................83
Snelheidsbegrenzer........... 114-115
Snelheidsregelaar.............. 116-117
Buitenspiegels ............................55
Ruitbediening.........................71-72
Zekeringkast dashboard ....142-144
Stuurwiel verstellen ....................54
Claxon ........................................98
Plafonnier ...................................85
Binnenspiegel ............................. 56
Zonneklep ...................................57
Ruitenwisserschakelaar.........84-85
Ruitenwisserblad vervangen .......149
Boordcomputer ......................42-44
Peugeot Connect Nav .......163-194
Peugeot Connect Sound .....195-214
Datum/tijd instellen ................33-41
Noodoproep of
pechhulpoproep ................ 97, 162
Ventilatie ................................45-46
Verwarming............................47-48
Handbediende
airconditioning .....................47-49
Automatische airconditioning
.....50-51
Indeling interieur ....................58-59
- dashboardkastje
- 12V-aansluiting/USB-aansluiting
Centrale vergrendeling/
ontgrendeling .......................74-75
Versnellingsbak ......... 109, 111-113
Handrem ................................... 109
Bediening wegklapbaar dak ......6-7
Ruitbediening..............................72
Motorkap openen......................121
218
VISUELE INDEX
207cc_nl_Chap12_Recherche visuelle_ed01-2014
TECHNISCHE GEGEVENS - ONDERHOUD
Brandstoftank leeg (diesel) .......121
Niveaus controleren...........124-125
- olie
- remvloeistof
- koelvloeistof
- vloeistof ruiten-/koplampsproeiers
Lampen vervangen ............138-141
- voor
- achter
Benzinemotoren .......................154
Gewichten (benzinemotor) .......155
Dieselmotor ..............................156
Gewichten (dieselmotor)...........157
Afmetingen ...............................158
Identifi catie ...............................159
Motorkap openen......................121
Onder de motorkap (benzine) ....122
Onder de motorkap (diesel) ......123
Controle van onderdelen .....126-127
- luchtfi lter
- interieurfi lter
- oliefi lter
- remblokken/-schijven
Zekeringkast motorruimte .....145-146
Accu...................................147-148
Spaarfase/eco-mode ................149
219
INDEX
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
Aanhanger
......................................
Aanhanger ......................................Aanhanger
151
Aanhangergewichten
..............
154, 156
Aansluiting 12V
................................
59
Accessoires
....................................
153
Accu
........................................
126, 147
Accu laden
......................................
147
Achterlichten
...................................
140
Achterruitverwarming
........................
49
Achteruitrijlicht
................................
140
Afmetingen
.....................................
158
Afstandsbediening
......................
65, 68
Airbags
.....................................
27, 105
Airbags vóór
...................................
Airbags vóór ...................................Airbags vóór
105
Airconditioning
..................................
18
Airconditioning
(handbediend)
.........................
46, 47
Alarmknipperlichten
....................
97, 98
Alarmsysteem
...................................
69
Algemeen menu
.............................
198
Antispinregeling (ASR)
.............
25, 101
Audio-
aansluitingen
.........
59, 182, 202, 204
Automatische
airconditioning
.........................
46, 50
Automatische
transmissie
....................
18, 111, 126
Automatisch inschakelen
alarmknipperlichten
.......................
98
Automatisch inschakelen
verlichting
......................................
82
AUX-aansluiting
..............................
182
AUX
-aansluitingen
............
59, 202, 204
CD MP3
..................................
181, 201
CD-/MP3 -speler
.....................
CD-/MP3 -speler .....................CD-/MP3 -speler
181, 201
Centrale vergrendeling
.....................
74
Claxon
..............................................
98
Configuratie van de auto
....
166, 186, 210
Controle motorolieniveau
.................
30
Controles
........................
122, 123, 126
A
Bagageafdekscherm
.........................
61
Bagagerek op het kofferdeksel
......
152
Bagageruimte
...................................
76
Banden
.............................................
18
Bandenreparatieset
........................
128
Bandenspanning
.......................
18, 159
Bandenspanningscontrole
(met set)
......................................
128
Bandenspanning te laag
(detectie)
.......................................
99
Batterij afstandsbediening
..........
67, 68
Batterij afstandsbediening
vervangen
......................................
67
Bediening autoradio aan
stuurkolom
...................................
197
Bedieningspaneel
...........................
164
Bekerhouder
.....................................
Bekerhouder .....................................Bekerhouder
58
Beladen
....................................
18, 152
Benzinemotor
...........................
Benzinemotor ...........................Benzinemotor
78, 122
Binnenspiegel
...................................
56
Bluetooth
(handsfree set)
............
183, 184, 205
Bluetooth (telefoon)
................
183, 184
Bochtverlichting
........................
83, 138
Boordcomputer
...........................
Boordcomputer ...........................Boordcomputer
42, 43
Brandstof
....................................
Brandstof ....................................Brandstof
18, 78
Brandstofniveaumeter
......................
Brandstofniveaumeter ......................Brandstofniveaumeter
77
Brandstoftank
.............................
77, 79
Brandstof tanken
........................
77–79
Brandstoftank leeg (diesel)
.............
121
Brandstofverbruik
.............................
18
Brandstofvulklep
.........................
77, 79
Buitenspiegels
..................................
55
B
C
D
E
Dagrijverlichting
................................
80
Dagteller
...........................................
Dagteller ...........................................Dagteller
32
Dashboardkastje
...............................
59
Dashboardverlichting
........................
32
Derde remlicht
................................
140
Detectie te lage bandenspanning
.....
99
Dieselmotor
......................
Dieselmotor ......................Dieselmotor
78, 121, 123
Dimlicht
.....................................
80, 138
Dimmer dashboardverlichting
...........
32
Display instrumentenpaneel
.....
20, 110
Eco-mode
.......................................
149
Eco-rijden (adviezen)
.......................
18
Electronic Stability Program (ESC)
.....
25
Elektronische startblokkering
.....
66, 68
Elektronisch gestuurde
versnellingsbak
..............................
18
Elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
.......
101
ESP/ASR
........................................
101
Extra ingang
...................
182, 202, 204
220
INDEX
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
Handgeschakelde
versnellingsbak
......
18, 109, 110, 126
Handrem
.................................
109, 126
Handsfree set
.................
183, 184, 205
Hoofdsteunen vóór
.....................
Hoofdsteunen vóór .....................Hoofdsteunen vóór
52, 54
Hoogte- en diepteverstelling
stuurwiel
........................................
54
Hulpoproep
...............................
97, 162
Gevarendriehoek
..............................
97
Gewichten
...............................
154, 156
GPS
................................................
169
Grootlicht
..................................
80, 138
JACK-aansluiting
............................
202
Instrumentenpaneel
..........................
20
Instrumentenpanelen
........................
20
Interieurfilter
....................................
126
Interieurfilter (vervangen)
...............
126
Interieurverlichting
............................
85
ISOFIX
..............................................
95
ISOFIX
bevestigingen
................................
94
ISOFIX kinderzitjes
.....................
94–96
Make-upspiegel
................................
57
Matten
...............................................
57
Mat verwijderen
................................
57
Menustructuren
display
.........................
186, 208, 210
Milieu
..........................................
18, 68
Milieubewust rijden
...........................
18
Mistachterlicht
...........................
80, 140
Mistlampen vóór
.......................
Mistlampen vóór .......................Mistlampen vóór
80, 138
Monochroom display
......
198, 208, 210
Motoren
..................................
154, 156
Motorkap
.........................................
121
Motorkapsteun
................................
121
Motorolie
.........................................
124
Motorolieniveaumeter
...............
Motorolieniveaumeter ...............Motorolieniveaumeter
30, 124
MP3 (CD)
...............................
181, 201
Multifunctioneel display
(met autoradio)
..................
35, 37, 40
Multifunctioneel display
(zonder autoradio)
.........................
33
Multimediaspelers
...........................
180
G
F
H
J
M
I
K
L
Follow me home verlichting
........
80, 82
Functie snelweg
(richtingaanwijzers)
.......................
97
Laden accu
.....................................
147
Lampen vervangen
.................
138, 140
Lekke band
.............................
128, 133
Lichtschakelaar
.................................
80
Lokaliseren van de auto
...................
66
Luchtfilter
........................................
Luchtfilter ........................................Luchtfilter
126
Luchtfilter
(vervangen)
.................................
126
Luchtrecirculatie
.........................
47, 50
Identificatiegegevens
......................
159
Identificatie (stickers)
......................
159
Indeling bagageruimte
......................
60
Indeling interieur
...............................
Indeling interieur ...............................Indeling interieur
58
Inhoud brandstoftank
........................
77
Instellen van de
uitrustingen
..................
166, 186, 210
Instellingen van het systeem
....
166, 186
Kaartenhouder
..................................
Kaartenhouder ..................................Kaartenhouder
58
Kaartleeslampjes
..............................
85
Kentekenplaatverlichting
................
140
Kilometerteller
...................................
32
Kinderen
...............................
92, 94–96
Kinderzitjes
.................................
90, 93
Kinderzitjes (conventioneel)
.......
86, 92
Kleurcode lak
..................................
159
Kleurendisplay 16/9
..........
40, 166, 186
Klokje
................................................
33
Knie-airbag
.....................................
107
Koelvloeistoftemperatuurmeter
.........
31
Kofferdeksel sluiten
..........................
76
Koplampsproeiers
.............................
84
Koplampverstelling
...........................
83
Krik
.................................................
133
221
INDEX
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
Parkeerhulp
....................................
118
Parkeerhulp achter met grafische
weergave en geluidssignalen
......
118
Parkeerlichten
...................
80, 138, 140
PEUGEOT CONNECT
ASSISTANCE
..............................
162
Peugeot Connect
Nav
................
40, 163, 164, 166, 186
Peugeot Connect Plug
...................
202
PEUGEOT CONNECT SOS
..........
162
Peugeot Connect
Sound
..........................
195, 208, 210
Plafonnier
.........................................
Plafonnier .........................................Plafonnier
85
Portieren
...........................................
73
Oliefilter
..........................................
Oliefilter ..........................................Oliefilter
126
Oliefilter (vervangen)
......................
126
Olieniveau
.................................
30, 124
Oliepeilstok
...............................
30, 124
Olieverbruik
....................................
124
Onder de motorkap
................
122, 123
Onderhoudscontroles
...........
18, 28, 29
Onderhoudsindicator
..................
Onderhoudsindicator ..................Onderhoudsindicator
28, 29
Ontdooien
...................................
47, 49
Ontgrendelen
....................................
65
Ontgrendelen bagageruimte
.......
65, 76
Ontgrendelen van binnenuit
.............
74
Ontluchten brandstofsysteem
.........
121
Ontwasemen
....................................
47
Opbergvakken
..................................
58
Opbergvakken portieren
...................
58
Openen bagageruimte
......................
76
Openen brandstofvulklep
.................
77
N
O
P
Radio
......................................
179, 199
Regeling luchtopbrengst
.............
47, 50
Regeling luchtverdeling
..............
47, 50
Regelmatige controles
....................
126
R
Navigatiesysteem
...........................
169
Niveau brandstofadditief diesel
......
124
Niveau koelvloeistof
.......................
Niveau koelvloeistof .......................Niveau koelvloeistof
124
Niveau koplampsproeiervloeistof
......
Niveau koplampsproeiervloeistof ......Niveau koplampsproeiervloeistof
124
Niveau remvloeistof
........................
Niveau remvloeistof ........................Niveau remvloeistof
124
Niveau ruitensproeiervloeistof
........
Niveau ruitensproeiervloeistof ........Niveau ruitensproeiervloeistof
124
Niveaus controleren
...............
122–124
Noodbediening portieren
..................
75
Noodoproep
..............................
97, 162
Noodremassistentie
........................
100
Noodremassistentie (AFU)
.............
100
Nulstelling dagteller
..........................
Nulstelling dagteller ..........................Nulstelling dagteller
32
Nulstelling onderhoudsindicator
.......
Nulstelling onderhoudsindicator .......Nulstelling onderhoudsindicator
29
Openen motorkap
...........................
121
Openen portieren
.......................
73, 75
Openen ruiten
...................................
71
Openen wegklapbaar dak
..................
4
Opschakelindicator
.........................
Opschakelindicator .........................Opschakelindicator
110
Overzicht gewichten
...............
154, 156
Overzicht motoren
..................
154, 156
Overzicht zekeringen
......................
142
Regelmatig onderhoud
.....................
18
Regeneratie roetfilter
......................
Regeneratie roetfilter ......................Regeneratie roetfilter
126
Rembekrachtigingsysteem
.............
100
Remblokken
....................................
126
Remlichten
......................................
140
Remschijven
...................................
126
Reservewiel
....................................
133
Resetten van de ruitbediening
.........
71
Resetten van het op een kier
zetten van de portierruiten
............
71
Richtingaanwijzers
............
97, 138, 140
Riem
.................................................
60
Risicozones (update)
......................
176
Roetfilter
.........................................
Roetfilter .........................................Roetfilter
126
Roll-bars
.........................................
102
Ruitbediening
....................................
71
Ruitbediening
(vier ruiten tegelijk)
.........................
71
Ruitensproeiers
................................
84
Ruitenwisserbladen vervangen
......
149
Ruitenwissers
...................................
84
Ruitenwisserschakelaar
....................
84
Schakelaars stoelverwarming
..........
54
Schakelaar wegklapbaar dak
.............
4
Selectiehendel automatische
transmissie
...................................
111
Selectiehendel handgeschakelde
versnellingsbak
............................
109
Serienummer auto
..........................
159
Set voor tijdelijke bandenreparatie
.....
128
Slepen van een auto
......................
150
S
222
INDEX
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
Uitschakelen airbag passagier
.......
Uitschakelen airbag passagier .......Uitschakelen airbag passagier
105
Updaten risicozones
.......................
176
USB-aansluiting
........................
59, 202
USB Box
...........................................
59
Zekeringen vervangen
....................
142
Zekeringkast dashboard
.................
142
Zekeringkast motorruimte
...............
142
Zij-airbags
.......................................
107
Zijknipperlicht
..................................
138
Zonneklep
.........................................
57
Zuinig rijden
......................................
18
Waarschuwingssignaal sleutel in
contact
...........................................
67
Waarschuwing vergeten
verlichting
......................................
80
Wegklapbaar dak
...............................
4
Wegklapbaar dak sluiten
....................
4
Wiel demonteren
............................
133
Wiel monteren
................................
133
Wielsleutel
......................................
133
Wiel verwisselen
.............................
133
Windscherm
................................
61, 62
U
W
V
Z
Tankbeveiliging
.................................
79
Technische gegevens
.............
154, 156
Te laag brandstofniveau
...................
77
Telefoon
..................................
183, 184
Teller
.................................................
Teller .................................................Teller
20
Temperatuurregeling
...................
47, 50
Tijdelijke bandenspanning
(met set)
......................................
128
Tijd instellen
......................................
33
TMC (verkeersinformatie)
...............
177
T
Sleutel met
afstandsbediening
.............
65, 66, 68
Sneeuwkettingen
............................
137
Snelheidsbegrenzer
........................
114
Snelheidsregelaar
...........................
116
Snelmenu's
.............................
167, 168
Spaarfase
.......................................
149
Starten van de auto
..................
67, 111
Statische bochtverlichting
.................
83
Stilzetten van de auto
...............
67, 111
Stoelen achter
..........................
Stoelen achter ..........................Stoelen achter
54, 102
Stoelen verstellen
.......................
52, 54
Stoelverwarming
...............................
54
Streaming audio Bluetooth
.............
207
Stuurslot
...........................................
66
Stuurwiel (verstellen)
........................
54
Supervergrendeling
..........................
65
Synchroniseren
afstandsbediening
.........................
67
Synchroniseren van de
afstandsbediening
.........................
67
Veiligheidsgordels
...................
102, 104
Veiligheidsvoorzieningen
voor kinderen
........
86, 90, 92, 94–96
Ventilatie
...............................
18, 45, 46
Ventilatieroosters
..............................
45
Vergrendeling kofferdeksel
...............
76
Vergrendeling portieren
....................
65
Vergrendeling van binnenuit
.............
74
Verkeersinformatie
(TA)
..............................
178, 179, 200
Verkeersinformatie
(TMC)
..................................
177, 178
Verklikkerlampjes
..................
21, 23, 24
Verklikkerlampje service
...................
24
Verlichting
.........................................
80
Verlichting overdag
...........................
80
Versnellingshendel
...........................
18
Verversen
.......................................
124
Toegang tot de achterbank
.........
52, 54
Toerenteller
.......................................
Toerenteller .......................................Toerenteller
20
Toevoer van buitenlucht
.............
47, 50
Trekhaak
.........................................
151
Verwarming
.................................
18, 47
Voorstoelen
.................................
52, 54
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
207cc_nl_Chap13_Index alpha_ed01-2014
02-14
207cc_nl_Chap14_couv_fi n_ed01-2014
Dit instructieboekje behandelt alle be-
schikbare uitrustingen van dit model.
Dit instructieboekje maakt onlosmake-
lijk deel uit van uw auto. Vergeet niet
dit boekje bij doorverkoop van uw auto
aan de nieuwe eigenaar te geven.
Reproductie of vertaling, zelfs ge-
deeltelijk, is verboden zonder schrif-
telijke toestemming van Automobiles
PEUGEOT.
Gedrukt in de EU
Néerlandais
Uw auto is, afhankelijk van het uit-
rustingsniveau, de uitvoering en de
specifi eke kenmerken voor het land
waarvoor de auto bestemd is, slechts
van een deel van de in dit boekje ver-
melde uitrustingen voorzien.
Aansprakelijkheid voor de gegeven
beschrijvingen en illustraties wordt niet
aanvaard. Automobiles PEUGEOT be-
houdt zich het recht voor tussentijds
wijzigingen aan te brengen in de door
haar gevoerde modellen en de bijbe-
horende uitrusting en accessoires,
zonder verplicht te zijn dit instructie-
boekje aan te passen.
Automobiles PEUGEOT verklaart dat,
door toepassing van de voorschriften
in de Europese regelgeving (Richtlijn
2000/53) met betrekking tot autowrak-
ken, wordt voldaan aan de in deze
richtlijn gestelde doelen en dat recy-
cleerbare materialen worden gebruikt
voor de fabricage van producten die
door haar worden verkocht.
207cc_nl_Chap14_couv_fi n_ed01-2014
Néerlandais
NE.14207.0670
www.peugeot.com
52


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Peugeot 207 CC - 2014 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Peugeot 207 CC - 2014 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 11,8 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Peugeot 207 CC - 2014

Peugeot 207 CC - 2014 User Manual - English - 232 pages

Peugeot 207 CC - 2014 User Manual - German - 232 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info