624149
48
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/123
Next page
IN EEN OOGOPSLAG
4 -
COCKPIT
1. Schakelaar snelheidsregelaar/-
begrenzer.
2. Hendel stuurwielverstelling.
3. Schakelaar verlichting en
richtingaanwijzers.
4. Instrumentenpaneel.
5. Airbag bestuurder.
Claxon.
6. Versnellingshendel.
7. Handrem.
8. Hendel motorkapontgrendeling.
9. Zekeringkast.
10. Schakelaar elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP/ASR).
11. Blokkeerschakelaar
ruitbediening achter.
12. Uitschakeling airbag aan
passagierszijde.
13. Koplampverstelling.
14. Verstelbaar en afsluitbaar
zijventilatierooster.
15. Zijruitontwaseming.
16. Luidspreker (tweeter).
17. Voorruitontwaseming.
5
IN EEN OOGOPSLAG
-
COCKPIT
1. Contact-/stuurslot.
2. Stuurkolomschakelaar
autoradio.
3. Schakelaar ruitenwissers/
ruitensproeiers/boordcomputer.
4. Middelste verstelbare en
afsluitbare ventilatieroosters.
5. Schakelaar alarmknipperlichten.
Schakelaar centrale
vergrendeling.
6. Multifunctioneel display.
7. Airbag passagier.
8. Dashboardkastje.
9. Schakelaar elektrisch
bedienbare ruiten achter.
10. Schakelaar stoelverwarming
(volgens land van bestemming).
11. Schakelaar elektrisch
bedienbare ruiten vóór.
12. Schakelaar elektrisch
bedienbare spiegels.
13. Aansteker.
14. Asbak vóór.
15. Bedieningspaneel verwarming/
airconditioning.
16. Autoradio RD3.
IN EEN OOGOPSLAG
6 -
OPENEN
MotorkapBrandstoftank
A. Vergrendelen van de auto.
B. Ontgrendelen van de auto.
: 57
1. Openen van de brandstofvuldop.
Inhoud van de brandstoftank: onge-
veer 50 liter.
: 62
Enkele sleutel -
afstandsbediening
A. Hendel motorkapontgrendeling
interieur.
7
IN EEN OOGOPSLAG
-
OPENEN
Portieren
Openen/sluiten voorportieren.
: 59
1. Vergrendelen.
2. Ontgrendelen.
3. Vergrendelen met de
afstandsbediening
(gelijktijdig met de portieren).
4. Ontgrendelen met de
afstandsbediening
(gelijktijdig met de portieren).
: 61
Achterklep
B. Veiligheidshaak.
C. Motorkapsteun.
: 62
IN EEN OOGOPSLAG
8 -
COMFORT
Voorstoel verstellen
1. Verstelling in lengterichting.
2. Hoogte- en hoekverstelling van
de hoofdsteun.
3. Toegang tot de achterzitplaatsen
(3-deurs).
4. Hoogteverstelling.
5. Rugleuningverstelling.
6. Schakelaar stoelverwarming
(volgens land van bestemming).
Ga nooit rijden als de hoofd-
steunen zijn verwijderd.
: 46
9
IN EEN OOGOPSLAG
-
COMFORT
Buitenspiegels elektrisch
verstellen
1. Selecteren van de dagstand van
de spiegel.
2. Verstellen van de binnenspiegel.
: 69
A. Selecteren van de linker of
rechter buitenspiegel.
B. Verstellen van de buitenspiegel.
C. In de middenstand zetten van de
selectieschakelaar.
D. Elektrisch inklappen/uitklappen.
: 69
A. Verstellen van de buitenspiegel.
B. Handmatig inklappen/uitklappen.
: 69
Binnenspiegel instellen Buitenspiegels handmatig
verstellen
IN EEN OOGOPSLAG
10 -
COMFORT
Veiligheidsgordels vóór
2. In hoogte verstellen.
: 86
Stuurwiel verstellen
1. Ontgrendelen.
2. In hoogte verstellen.
3. Vergrendelen.
: 70
1. Vastmaken.
11
IN EEN OOGOPSLAG
-
ZICHT
Ruitenwissers
Uit.
Parkeerlicht.
Dimlicht/grootlicht.
Automatisch inschakelen
verlichting.
Ring B
of
Mistachterlicht.
Uit.
Interval.
Ruitensproeier.
: 66
Mistlampen vóór en mist-
achterlicht.
Ruitenwisser achter (ring A)
Verlichting
Ring A
: 63
Ruitenwissers vóór
2 Hoge snelheid.
1 Normale snelheid.
I Interval.
of
AUTO Automatisch wissen.
0 Uit.
â Eén keer wissen (omlaag
duwen).
Ruitensproeiers: trek de schakelaar
naar u toe.
: 65
IN EEN OOGOPSLAG
12 -
VENTILATIE
1. Regeling luchtverdeling.
2. Toevoer van buitenlucht.
3. Temperatuurregeling.
4. Achterruitverwarming en
verwarming buitenspiegels.
5. Regeling luchtopbrengst.
6. Schakelaar airconditioning.
: 42
1. Regeling luchtopbrengst.
2. Regeling luchtverdeling.
3. Toevoer van buitenlucht.
4. Schakelaar airconditioning.
5. Achterruitverwarming en
verwarming buitenspiegels.
6. Uit.
7. Temperatuurregeling.
8. Automatisch programma
"comfort".
9. Automatisch programma
"zicht".
: 44
1. Regeling luchtverdeling.
2. Toevoer van buitenlucht.
3. Temperatuurregeling.
4. Achterruitverwarming en
verwarming buitenspiegels.
5. Regeling luchtopbrengst.
: 41
Verwarming Handbediende airconditioning Automatische airconditioning
13
IN EEN OOGOPSLAG
-
VENTILATIE
Aanbevolen instellingen
Gewenste
werking...
Verwarming of handbediende airconditioning
Luchtverdeling
Luchtopbrengst
Luchtrecirculatie/
Toevoer van
buitenlucht
Temperatuur
Handbediende
airconditioning
WARM
KOUD
ONTWASEMEN
ONTDOOIEN
Automatische airconditioning: het is raadzaam de volautomatische werking te selecteren met de toets "AUTO".
IN EEN OOGOPSLAG
14 -
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Instrumentenpaneel
A. Als het contact wordt aangezet,
moet de wijzer van de
brandstofniveaumeter omhoog
gaan.
B. Bij draaiende motor moet
het verklikkerlampje laag
brandstofniveau uitgaan.
C. Als het contact wordt aangezet,
moet de motorolieniveaumeter
enkele seconden één tot zes
blokjes weergeven.
Ga indien nodig tanken of vul olie
bij.
: 17, 24
Verklikkerlampjes
1. Als het contact wordt aangezet,
gaan de oranje en rode
verklikkerlampjes branden.
2. Bij draaiende motor moeten
deze lampjes weer uitgaan.
Raadpleeg de desbetreffende blad-
zijde als er lampjes blijven branden.
: 19
Schakelaars
Het branden van een lampje geeft de
staat van de desbetreffende functie
aan.
A. Blokkering ruitbediening achter.
: 68
B. Uitschakeling ESP en ASR.
: 82
C. Centrale vergrendeling/
ontgrendeling.
: 60
15
IN EEN OOGOPSLAG
-
VEILIGHEID VOOR DE INZITTENDEN
Airbag voorpassagier
1. Steek de sleutel in de
schakelaar.
2. Selecteer de stand:
"ON" (inschakelen) wanneer
een passagier op de voorstoel
zit of een kinderzitje "met het
gezicht in de rijrichting" is
bevestigd,
"OFF" (uitschakelen) wanneer
een kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" is bevestigd.
3. Verwijder de sleutel zonder
de stand van de schakelaar te
veranderen.
: 84
Veiligheidsgordel bestuurder
en airbags
A. Verklikkerlampje
veiligheidsgordel bestuurder niet
vastgemaakt of weer losgemaakt
(rood).
B. Verklikkerlampje airbag
passagier; brandt als de airbag
is uitgeschakeld.
C. Verklikkerlampje airbags; gaat
uit na het aanzetten van het
contact.
: 21
STARTEN
Contact
1. Stand Stop.
2. Stand Accessoires.
3. Stand Aan.
4. Stand Starten.
IN EEN OOGOPSLAG
16 -
RIJDEN
Snelheidsbegrenzer
1. Selecteren/deactiveren van de
snelheidsbegrenzer.
2. Verlagen van de ingestelde
snelheid.
3. Verhogen van de ingestelde
snelheid.
4. Snelheidsbegrenzer aan/uit.
De snelheidsbegrenzer werkt alleen
bij een ingestelde snelheid vanaf
30 km/h.
Het instellen van de snelheid is al-
leen mogelijk bij draaiende motor.
: 77
Snelheidsregelaar
1. Selecteren/deactiveren van de
snelheidsregelaar.
2. Verlagen van de ingestelde
snelheid.
3. Verhogen van de ingestelde
snelheid.
4. Snelheidsregelaar aan/uit.
Het instellen van een snelheid en het
activeren van de snelheidsregelaar
is alleen mogelijk bij een wagensnel-
heid hoger dan 40 km/h, vanaf de
vierde versnelling (handgeschakelde
versnellingsbak).
: 79
Weergave op het
instrumentenpaneel
Als de snelheidsregelaar of -begren-
zer is geselecteerd, worden de instel-
lingen hiervan weergegeven op het
display A van het instrumentenpaneel
en gaat het verklikkerlampje B op het
instrumentenpaneel branden wan-
neer het systeem wordt ge
activeerd.
Snelheidsregelaar
Snelheidsbegrenzer
17
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
1. Verklikkerlampje
veiligheidsgordel
2. Verklikkerlampje uitschakeling
airbag passagier
3. Verklikkerlampje airbags
4. Verklikkerlampje mistlampen
vóór
5. Verklikkerlampje
antiblokkeersysteem (ABS)
6. Verklikkerlampje mistachterlicht
7. Verklikkerlampje voorgloeien
dieselmotor
8. Richtingaanwijzer links
9. Kilometerteller,
onderhoudsindicator,
motorolieniveaumeter en
snelheidsbegrenzer/-regelaar
10. Richtingaanwijzer rechts
11. Verklikkerlampje emissieregeling
12. Verklikkerlampje grootlicht
13. Verklikkerlampje handrem,
te laag remvloeistofniveau
en storing elektronische
remdrukregelaar
14. Verklikkerlampje dimlicht
15. Verklikkerlampje laden van de accu
16. Verklikkerlampje motoroliedruk
en motorolietemperatuur
17. Temperatuurmeter motorolie
18. Schakelaar dagteller/
kilometerteller
19. Verklikkerlampje STOP
20. Snelheidsmeter
21. Koelvloeistoftemperatuurmeter
22. Toerenteller
23. Dimmer dashboardverlichting
24. Brandstofmeter
25. Verklikkerlampje
brandstofreserve
26. Verklikkerlampje elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP/ASR)
27. Verklikkerlampje
snelheidsbegrenzer/-regelaar
INSTRUMENTENPANEEL: BENZINE - DIESEL (HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK)
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
18 -
1. Verklikkerlampje
veiligheidsgordels
2. Verklikkerlampje uitschakeling
airbag passagier
3. Verklikkerlampje airbags
4. Verklikkerlampje mistlampen
vóór
5. Verklikkerlampje
antiblokkeersysteem (ABS)
6. Verklikkerlampje mistachterlicht
7. Richtingaanwijzer links
8. Kilometerteller,
onderhoudsindicator,
motorolieniveaumeter en
snelheidsbegrenzer/-regelaar
9. Richtingaanwijzer rechts
10. Verklikkerlampje emissieregeling
11. Verklikkerlampje grootlicht
12. Verklikkerlampje handrem,
te laag remvloeistofniveau
en storing elektronische
remdrukregelaar
13. Verklikkerlampje dimlicht
14. Verklikkerlampje laden van de accu
15. Verklikkerlampje motoroliedruk
en motorolietemperatuur
16. Schakelprogramma's
17. Schakelstandindicatie
18. Schakelaar dagteller/
kilometerteller
19. Verklikkerlampje STOP
20. Snelheidsmeter
21. Koelvloeistoftemperatuurmeter
22. Toerenteller
23. Dimmer dashboardverlichting
24. Brandstofmeter
25. Verklikkerlampje
brandstofreserve
26. Verklikkerlampje elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP/ASR)
27. Verklikkerlampje
snelheidsbegrenzer/-regelaar
INSTRUMENTENPANEEL: BENZINE (AUTOMATISCHE TRANSMISSIE)
19
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
VERKLIKKERLAMPJES
Een verklikkerlampje dat constant blijft branden of bij draaiende motor knippert, is een teken dat het desbetreffende
onderdeel of systeem niet goed werkt.
Sommige verklikkerlampjes kunnen branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het multifunc-
tionele display. Negeer een dergelijke waarschuwing niet, maar raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk.
Stop onmiddellijk indien tijdens het rijden het verklikkerlampje STOP gaat branden, maar zorg ervoor dat u uw auto
op een zo veilig mogelijke plaats tot stilstand brengt.
Verklikkerlampje
STOP
Gekoppeld aan de verklikkerlampjes:
- motoroliedruk en
motorolietemperatuur,
- handrem,
- remvloeistofniveau,
- storing elektronische
remdrukregelaar.
Gekoppeld aan de koelvloeistoftem-
peratuurmeter.
Stop als het lampje bij draaiende
motor knippert onmiddellijk.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Verklikkerlampje
motoroliedruk
en -temperatuur
Gekoppeld aan het verklikkerlampje
STOP.
Stop onmiddellijk.
Wijst op hetzij:
- te lage oliedruk.
- te weinig olie in het
smeersysteem. Vul indien nodig
olie bij.
- een te hoge temperatuur van de
motorolie. Het verklikkerlampje
brandt in combinatie
met een geluidssignaal.
Matig uw snelheid om de
motorolietemperatuur te laten
dalen.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Verklikkerlampje
handrem, te laag
remvloeistofniveau
en elektronische
remdrukregelaar (REF)
Gekoppeld aan het verklikkerlampje
STOP.
Wijst op:
- een (iets) aangetrokken
handrem,
- een te laag remvloeistofniveau
(als het lampje ook bij losse
handrem blijft branden),
- een storing in de elektronische
remdrukregelaar, als het
verklikkerlampje brandt
in combinatie met het
verklikkerlampje ABS.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
20 -
Verklikkerlampje laden
van de accu
Wijst op:
- een storing in het laadcircuit,
- loszittende aansluitingen van de
accu of de startmotor,
- een gebroken of te slappe
dynamoriem,
- een defecte dynamo.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Verklikkerlampje
emissieregeling
(volgens uitvoering)
Gaat bij het aanzetten van het con-
tact enkele seconden branden.
Als het lampje bij draaiende motor
gaat branden, wijst dit op een storing
in het injectie-/ontstekingssysteem of
in de emissieregeling.
Als het verklikkerlampje knippert, kan
bij een benzinemotor de katalysator
beschadigd raken.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Voorgloeien (diesel)
Wacht met het starten van
de motor tot dit lampje uit is.
Als de temperatuur al hoog genoeg
is, gaat het lampje gedurende minder
dan 1 seconde branden en kunt u de
motor direct starten.
Verklikkerlampje
brandstofreserve
Op het moment dat
dit lampje gaat branden, bedraagt de
actieradius nog minimaal 50 km (tan-
kinhoud: ca. 50 liter).
Verklikkerlampje
snelheidsbegrenzer/-
regelaar
Dit lampje gaat branden als
de snelheidsbegrenzer of -
regelaar wordt ingeschakeld.
Verklikkerlampje
elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP/ASR)
Dit lampje gaat elke keer dat het con-
tact wordt aangezet enkele secon-
den branden.
Tijdens het rijden gaat dit lampje
branden als het systeem in werking
treedt.
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
blijft het lampje branden in combina-
tie met een melding op het multifunc-
tionele display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
als het verklikkerlampje bij draaiende
motor en tijdens het rijden blijft bran-
den.
Verklikkerlampje
antiblokkeersysteem
(ABS)
Dit lampje gaat elke keer dat het con-
tact wordt aangezet enkele secon-
den branden.
Als het lampje bij een snelheid van
meer dan 12 km/h blijft branden of
gaat branden, wijst dit op een storing
in het antiblokkeersysteem.
De normale remwerking met rembe-
krachtiging blijft echter behouden.
Als het lampje gaat branden in com-
binatie met een geluidssignaal en
een melding op het multifunctionele
display, wijst dit op een storing in het
antiblokkeersysteem.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
21
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
Verklikkerlampje
veiligheidsgordel
Dit lampje gaat branden als,
bij ingeschakeld contact, de bestuur-
der zijn veiligheidsgordel niet heeft
vastgemaakt.
Bij een snelheid hoger dan 20 km/h knippert
het lampje gedurende ongeveer 2 minuten
in combinatie met een steeds luider wor-
dend geluidssignaal en een melding op het
multifunctionele display. Het verklikkerlamp-
je blijft branden zolang de bestuurder zijn
veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt.
Verklikkerlampje
uitschakeling airbag
passagier
Als dit lampje gaat branden in combina-
tie met een melding op het multifunctio-
nele display, wijst dit erop dat de airbag
aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Zolang de airbag aan passagierszij-
de is uitgeschakeld, blijft het verklik-
kerlampje branden.
Raadpleeg in alle gevallen dat het lamp-
je knippert het PEUGEOT-netwerk.
Verklikkerlampje
airbags
Dit lampje gaat elke keer dat
het contact wordt aangezet enkele
seconden branden.
Als het lampje bij draaiende motor
gaat branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
multifunctionele display, wijst dit op
een storing in het airbagsysteem.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Temperatuurmeter motorolie
Bij draaiende motor geeft de meter
de temperatuur van de motorolie
aan:
- Wijzer in zone (C):
olietemperatuur is in orde.
- Wijzer in zone (D):
olietemperatuur is te hoog.
Verminder uw snelheid om de
olietemperatuur te laten dalen.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
- Wijzer in zone (A): temperatuur
is in orde.
- Wijzer in zone (B): temperatuur
is te hoog. Het verklikkerlampje
STOP knippert.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
21
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
Verklikkerlampje
veiligheidsgordel
Dit lampje gaat branden als,
bij ingeschakeld contact, de bestuur-
der zijn veiligheidsgordel niet heeft
vastgemaakt.
Bij een snelheid hoger dan 20 km/h knippert
het lampje gedurende ongeveer 2 minuten
in combinatie met een steeds luider wor-
dend geluidssignaal en een melding op het
multifunctionele display. Het verklikkerlamp-
je blijft branden zolang de bestuurder zijn
veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt.
Verklikkerlampje
uitschakeling airbag
passagier
Als dit lampje gaat branden in combina-
tie met een melding op het multifunctio-
nele display, wijst dit erop dat de airbag
aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Zolang de airbag aan passagierszij-
de is uitgeschakeld, blijft het verklik-
kerlampje branden.
Raadpleeg in alle gevallen dat het lamp-
je knippert het PEUGEOT-netwerk.
Verklikkerlampje
airbags
Dit lampje gaat elke keer dat
het contact wordt aangezet enkele
seconden branden.
Als het lampje bij draaiende motor
gaat branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
multifunctionele display, wijst dit op
een storing in het airbagsysteem.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Temperatuurmeter motorolie
Bij draaiende motor geeft de meter
de temperatuur van de motorolie
aan:
- Wijzer in zone (C):
olietemperatuur is in orde.
- Wijzer in zone (D):
olietemperatuur is te hoog.
Verminder uw snelheid om de
olietemperatuur te laten dalen.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
- Wijzer in zone (A): temperatuur
is in orde.
- Wijzer in zone (B): temperatuur
is te hoog. Het verklikkerlampje
STOP knippert.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
22 -
Display stand
selectiehendel
automatische transmissie
Verklikkerlampjes
automatische transmissie
Park (Parkeerstand)
Reverse (Achteruit)
Neutral (Neutraalstand)
Drive (Rijstand)
Handbediening:
1e versnelling ingeschakeld
2e versnelling ingeschakeld
3e versnelling ingeschakeld
4e versnelling ingeschakeld
Verklikkerlampje "SPORT"
Dit lampje gaat branden als het
schakelprogramma "SPORT"
wordt ingeschakeld.
Verklikkerlampje "SNEEUW"
Dit lampje gaat branden als het
schakelprogramma "SNEEUW"
wordt ingeschakeld.
Storing
Een storing wordt aangegeven door
het knipperen van de verklikkerlamp-
jes Sport en Sneeuw in combinatie
met een geluidssignaal en een mel-
ding op het multifunctionele display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
23
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
Onderhoudsindicator
Deze geeft aan hoeveel kilometer u
nog verwijderd bent van de eerstvol-
gende onderhoudscontrole volgens
het onderhoudsschema.
5 seconden na het aanzetten van het
contact geeft de teller weer de nor-
male kilometerstand of de stand van
de dagteller aan.
De afstand tot de eerstvolgende
onderhoudscontrole is minder
dan 1.000 km.
Voorbeeld: er is nog 900 km af te leggen
tot de eerstvolgende onderhoudscontrole.
Bij het aanzetten van het contact en ge-
durende 5 seconden daarna geeft de
teller aan:
5 seconden na het aanzetten van het
contact geeft de teller weer de nor-
male kilometerstand aan, maar het
lampje blijft branden.
Dit om aan te geven dat er binnen-
kort onderhoudswerkzaamheden
uitgevoerd moeten worden. De kilo-
metertotaalstand of de stand van de
dagteller wordt aangegeven.
De afstand tot de eerstvolgende
onderhoudscontrole is overschreden.
Elke keer als het contact wordt aangezet,
gaat het lampje gedurende 5 seconden
knipperen en geeft de teller het aantal ki-
lometers aan dat er te veel gereden is.
Voorbeeld: er had 300 km eerder
een onderhoudscontrole uitgevoerd
moeten worden.
Bij het aanzetten van het contact en
gedurende 5 seconden daarna geeft
de teller aan:
DISPLAY OP HET
INSTRUMENTENPANEEL
Dit heeft na het aanzetten van het
contact 3 verschillende functies:
- onderhoudsindicator,
- motorolieniveaumeter,
-
kilometerteller, deze wordt na het
uitzetten van het contact gedurende
30 seconden weergegeven.
Het display geeft tevens informatie
met betrekking tot de snelheidsre-
gelaar of -begrenzer indien één van
beide is ingeschakeld (zie het desbe-
treffende hoofdstuk).
5 seconden na het aanzetten van het
contact geeft de teller weer de nor-
male kilometerstand aan, maar het
lampje blijft branden. De kilometerto-
taalstand of de stand van de dagtel-
ler wordt aangegeven.
Werking
Zodra het contact wordt aangezet,
gaat het lampje (een sleutel die onder-
houdswerkzaamheden symboliseert)
gedurende 5 seconden branden. De
teller geeft (afgerond) het resterende
aantal kilometers tot de eerstvolgende
onderhoudscontrole aan.
Voorbeeld: er is nog 4800 km af te
leggen tot de eerstvolgende onder-
houdscontrole. Bij het aanzetten van
het contact en gedurende 5 secon-
den daarna geeft de teller aan:
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
24 -
Op 0 zetten van de
onderhoudsindicator
Het PEUGEOT-netwerk zet de on-
derhoudsindicator na elke onder-
houdscontrole weer op 0.
De onderhoudsindicator kan op de
volgende wijze op 0 worden gezet:
- zet het contact af,
- druk op de knop 1 en houd deze
ingedrukt,
- zet het contact aan.
De kilometerteller begint 10 seconden
af te tellen,
- houd de knop 1 gedurende
10 seconden ingedrukt.
De teller geeft [= 0] aan en het lampje
met de sleutel gaat uit.
Motorolieniveaumeter
Bij het aanzetten van het contact
wordt de onderhoudsindicator en-
kele seconden weergegeven en ver-
volgens gedurende 10 seconden het
motorolieniveau.
Storing motorolieniveaumeter
Het knipperen van de zes segmen-
ten duidt op een storing in de motor-
olieniveaumeter.
Er bestaat kans op ernstige motor-
schade.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Te veel olie
Als de zes segmenten knipperen en
"max" wordt weergegeven, is het
motorolieniveau te hoog, waardoor
ernstige motorschade kan ontstaan.
Controleer het olieniveau met de
peilstok. Als blijkt dat het olieniveau
te hoog is, raadpleeg dan zo snel
mogelijk het PEUGEOT-netwerk.
Te weinig olie
Als de zes segmenten knipperen en
"min" wordt weergegeven, is het mo-
torolieniveau te laag, waardoor ern-
stige motorschade kan ontstaan.
Controleer het olieniveau met de peil-
stok. Als blijkt dat het olieniveau te
laag is, moet olie worden bijgevuld.
Controle van het olieniveau met
de peilstok is alleen betrouwbaar
als de auto op een vlakke, hori-
zontale ondergrond staat en de
motor minstens 15 minuten niet
heeft gedraaid.
25
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
-
KILOMETERTELLER
Druk op de knop 1 om te schakelen
tussen:
- de kilometerteller,
- de dagteller,
- de weergave van de
snelheidsregelaar of -begrenzer
indien één van beide is
ingeschakeld.
Druk, als de dagteller is ingeschakeld,
op de knop 1 tot de nullen verschijnen
om de dagteller op nul te zetten.
DIMMER
DASHBOARDVERLICHTING
Druk, tijdens het branden van de ver-
lichting, op de knop om de sterkte van
de dashboardverlichting te verande-
ren. Als de verlichting de zwakste (of
felste) stand heeft bereikt, laat dan
de knop los en druk deze vervolgens
opnieuw in om de verlichting weer
feller (of zwakker) te maken.
Laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.
ALARMKNIPPERLICHTEN
Druk de knop in, de richtingaanwij-
zers knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook
als het contact is afgezet.
Automatische ontsteking van
de alarmknipperlichten
Bij een noodstop schakelen de alarm-
knipperlichten, afhankelijk van de rem-
vertraging die optreedt, automatisch
in. De alarmknipperlichten blijven knip-
peren totdat er opnieuw gas wordt ge-
geven.
U kunt de alarmknipperlichten echter
ook uitschakelen door de knop in te
drukken.
MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS
26 -
KLOKJE
Instellen van de parameters
Houd de knop 1 gedurende twee se-
conden ingedrukt om de gegevens in
te stellen. Zodra een gegeven knip-
pert, kan het worden gewijzigd.
Vervolgens kunnen door het indruk-
ken van de knop 1 in onderstaande
volgorde de verschillende gegevens
geselecteerd worden:
- taal,
- uren (12 of 24 uur),
- minuten,
- jaar,
- maand,
- dag,
- temperatuureenheden (graden
Celsius of Fahrenheit).
Door de knop 2 in te drukken kan het
geselecteerde gegeven gewijzigd
worden. Houd de knop ingedrukt om
de instelling in een hoger tempo te
wijzigen (terug naar het begin na de
laatste waarde).
Als de knop gedurende 7 seconden
niet wordt ingedrukt, geeft het dis-
play het basisscherm weer en zijn de
gewijzigde gegevens opgeslagen.
Opmerking: druk kort op de knop 2
om gedurende enkele seconden de
buitentemperatuur weer te geven.
Knop 1: instellen van de uren.
Knop 2: instellen van de minuten.
Houd de knop ingedrukt om de tijd in
een hoger tempo in te stellen.
DISPLAY A
Dit display kan de volgende informa-
tie weergeven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur
(knippert bij kans op gladheid),
- de informatie van de radio,
- de controle op geopende
portieren (bijv.: "portier links voor
geopend", ...),
- de waarschuwingsmeldingen
(bijv.: "batterij afstandsbediening
leeg") en de status van de
functies van de auto (bijv.:
"spaarstand actief"), kort
weergegeven.
27
MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS
-
Instellen van de gegevens
Druk knop 1 in en houd deze ge-
durende 2 seconden ingedrukt. Het
eerste gegeven knippert en kan wor-
den veranderd.
Hierna kunnen door het indrukken
van knop 1 achereenvolgens de ver-
schillende gegevens geselecteerd
worden:
- taal,
- snelheidseenheden (km of mijl),
- temperatuureenheden (graden
Celsius of Fahrenheit),
- tijdsaanduiding (in 12 of 24 uur),
- uren,
- minuten,
- jaar,
- maand,
- dag.
Door het indrukken van knop 2 kan
het geselecteerde gegeven worden
gewijzigd. Houd de knop ingedrukt
om de gegevens in een hoger tempo
in te stellen.
Als de knop gedurende 7 seconden
niet wordt ingedrukt, geeft het display
het oorspronkelijke scherm weer en
zijn de wijzigingen opgeslagen.
MONOCHROOM DISPLAY B
Dit kan de volgende informatie weer-
geven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur (knippert
bij kans op gladheid),
- informatie van de autoradio,
- controle op geopende portieren.
Het display geeft schematisch
aan of een portier geopend is,
- waarschuwingen (bijv.: "storing
laden accu") of berichten (bijv.:
"brandstofniveau laag") die
tijdelijk worden weergegeven,
kunnen worden gewist door op
knop 1 of 2 te drukken,
- de boordcomputer.
AUDIO
28 -
AUTORADIO RD3
Hendel Functie
1 - Indrukken (achterzijde) Volume verhogen
2 - Indrukken (achterzijde) Volume verlagen
1 + 2 - Gelijktijdig indrukken Geluid onderbreken (mute); geluid keert terug door indrukken van een willekeurige toets
3 - Indrukken
Automatisch zoeken naar zenders in oplopende frequentie (radio) - Volgende nummer
selecteren (CD)
4 - Indrukken

selecteren (CD)
5 - Op het uiteinde drukken Wijzigen van de geluidsbron (radio/CD/CD-wisselaar)
6 - Draaien (rechtsom) Selecteren van volgende opgeslagen zender (radio) - Selecteren van volgende CD
7 - Draaien (linksom) Selecteren van vorige opgeslagen zender (radio) - Selecteren van vorige CD
29
AUDIO
-
Toets Functie
A AAN/UIT-schakelaar radio.
B - Verlagen van volume.
C + Verhogen van volume.
D RDS
RDS-functie AAN/UIT.
Langer dan 2 seconden indrukken: aan-/uitzetten van de regionale functie.
E TA
Voorrang voor verkeersinformatie AAN/UIT.
Langer dan 2 seconden indrukken: PTY-functie AAN/UIT.
H
¯
Instelling van bassen, hoge tonen, loudness, balans en automatische volumeregeling.
I
5
Hoger instellen van de aan de toets H gekoppelde functies.
J
6
Lager instellen van de aan de toets H gekoppelde functies.
L
8
Handmatig en automatisch zoeken van zenders in oplopende frequentie.
Volgende nummer (CD) of PTY (radio) selecteren.
M MAN Handmatige/automatische functie van de toetsen L en N.
N
7

Vorige nummer (CD) of PTY (radio) selecteren.
P CH.CD
Selecteren van de CD-wisselaar.
Langer dan 2 seconden indrukken: in willekeurige volgorde afspelen.
Q CD
Selecteren van de CD-speler.
Langer dan 2 seconden indrukken: in willekeurige volgorde afspelen.
R Radio
Selecteren van de radiofunctie. Selecteren van het golfbereik FM1, FM2, FMAST, AM.
Langer dan 2 seconden indrukken: automatisch opslaan van voorkeuzezenders (autostore).
S
5
Uitwerpen van de CD.
1 t/m 6 1 2 3 4 5 6
Selectie van een opgeslagen zender.
Langer dan 2 seconden indrukken: opslaan van een zender.
1 t/m 5 1 2 3 4 5 Selecteren van CD's in de CD-wisselaar.
AUDIO
30 -
ALGEMENE FUNCTIES
AUDIO-INSTELLINGEN
Loudness-functie
Met deze functie kunnen de bassen
en hoge tonen bij een gering volume
versterkt worden. Druk op de toetsen
I of J om de functie in of uit te scha-
kelen.
Aan/uit
Druk, als het contact
AAN is of in de stand
ACCESSOIRES staat,
op de knop A om de
radio aan of uit te zet-
ten.
De radio kan gedurende 30 minu-
ten werken zonder dat het contact
aanstaat.
Diefstalbeveiliging
De radio is zodanig gecodeerd dat
deze alleen in uw auto functioneert.
Het heeft geen enkele zin de radio in
een andere auto te monteren.
De diefstalbeveiliging is volledig
automatisch en behoeft daarom
niet te worden ingeschakeld of in-
gesteld.
REGELING VAN HET
VOLUME
Druk herhaaldelijk op de toets C om
het volume te verhogen en op de
toets B om het te verlagen.
Door langer op de toetsen C en B te
drukken wordt het volume sneller ge-
regeld.
Bassen
Toonregeling
Druk, als er "TREB" op het display
wordt weergegeven, op de toets I of
J om de hoge tonen in te stellen.
- "TREB -9" minimum instelling
hoge tonen.
- "TREB 0" normale stand.
- "TREB +9" maximum instelling
hoge tonen.
Druk herhaaldelijk op
de toets H om achter-
eenvolgens de bassen
(BASS), de hoge to-
nen (TREB), de loud-
ness-functie (LOUD),
de fader (FAD), de
balans (BAL) en de
automatische aanpassing van het
volume te kiezen.
Deze functie wordt na enkele secon-
den automatisch weer uitgeschakeld
als er geen instellingen gewijzigd
worden of door de toets H na het be-
reiken van de functie voor de auto-
matische aanpassing van het volume
nogmaals in te drukken.
Opmerking: de instellingen voor de
bassen, de hoge tonen en de loud-
ness zijn gekoppeld aan de op dat
moment ingeschakelde geluidsbron.
Zo kan de toonhoogte voor de ra-
dio, CD of CD-wisselaar verschillend
worden ingesteld.
Druk, als er "BASS"
op het display wordt
weergegeven, op de
toets I of J om de bas-
sen in te stellen.
- "BASS -9"
minimum instelling
bassen.
- "BASS 0" normale stand.
- "BASS +9" maximum instelling
bassen.
31
AUDIO
-
RADIOFUNCTIE
Selecteren van de radiofunctie
Selecteren van het golfbereik
Faderregeling
Druk, als er "FAD" op het display wordt
weergegeven, op de toets I of J.
Met de toets I wordt het volume vóór
versterkt.
Met de toets J wordt het volume ach-
ter versterkt.
Balansregeling
Druk, als er "BAL" op het display wordt
weergegeven, op de toets I of J.
Met de toets I wordt het volume
rechts versterkt.
Met de toets J wordt het volume links
versterkt.
Automatische volumeregeling
Met deze functie wordt het volume
automatisch aangepast aan het ge-
luidsniveau ten gevolge van de snel-
heid van de auto.
Druk op de toets I of J om de functie
in- of uit te schakelen.
Druk op de toets R.
Druk herhaaldelijk kort
op de toets R om de
  
FMast of AM te kie-
zen.
Opmerkingen over de
radio-ontvangst
De ontvangst van uw autoradio wijkt
af van de ontvangst van uw radio
thuis. De ontvangst van langegolf,
middengolf en FM-zenders (frequen-
tiemodulatie) kan door diverse oorza-
ken worden gestoord. Dit ligt niet aan
de kwaliteit van het apparaat, maar
aan de opbouw van de radiosignalen
en de wijze van verzenden.
Bij AM-zenders kunnen er storingen
optreden als er onder hoogspan-
ningskabels, in tunnels of onder via-
ducten wordt gereden.
Bij FM-zenders kunnen de afstand
      
signaal door grote obstakels (ber-
gen, gebouwen, enz.) en het zender-
bereik oorzaak zijn van een mindere
ontvangst.
31
AUDIO
-
RADIOFUNCTIE
Selecteren van de radiofunctie
Selecteren van het golfbereik
Faderregeling
Druk, als er "FAD" op het display wordt
weergegeven, op de toets I of J.
Met de toets I wordt het volume vóór
versterkt.
Met de toets J wordt het volume ach-
ter versterkt.
Balansregeling
Druk, als er "BAL" op het display wordt
weergegeven, op de toets I of J.
Met de toets I wordt het volume
rechts versterkt.
Met de toets J wordt het volume links
versterkt.
Automatische volumeregeling
Met deze functie wordt het volume
automatisch aangepast aan het ge-
luidsniveau ten gevolge van de snel-
heid van de auto.
Druk op de toets I of J om de functie
in- of uit te schakelen.
Druk op de toets R.
Druk herhaaldelijk kort
op de toets R om de
  
FMast of AM te kie-
zen.
Opmerkingen over de
radio-ontvangst
De ontvangst van uw autoradio wijkt
af van de ontvangst van uw radio
thuis. De ontvangst van langegolf,
middengolf en FM-zenders (frequen-
tiemodulatie) kan door diverse oorza-
ken worden gestoord. Dit ligt niet aan
de kwaliteit van het apparaat, maar
aan de opbouw van de radiosignalen
en de wijze van verzenden.
Bij AM-zenders kunnen er storingen
optreden als er onder hoogspan-
ningskabels, in tunnels of onder via-
ducten wordt gereden.
Bij FM-zenders kunnen de afstand
      
signaal door grote obstakels (ber-
gen, gebouwen, enz.) en het zender-
bereik oorzaak zijn van een mindere
ontvangst.
AUDIO
32 -
Handmatig afstemmen
Druk op de toets "MAN".
Druk kort op de toets L of N om res-
pectievelijk de volgende of vorige
zender te selecteren.
Als deze toets wordt vastgehouden,
blijft de radio in de gekozen volgorde
frequenties afzoeken.
Het zoeken stopt zodra de toets
wordt losgelaten.
Als de toets "MAN" opnieuw wordt
ingedrukt, wordt teruggekeerd naar
het automatisch afstemmen op een
zender.
Automatisch opslaan van
FM-zenders (autostore)
De autoradio slaat automatisch de
6 beste FM-zenders op. Deze zen-
ders worden op de FMast-band op-
geslagen.
Als er minder dan 6 zenders worden
gevonden, blijven de resterende ge-
heugens ongewijzigd.
Automatisch afstemmen
Handmatig opslaan van zenders
Kies het gewenste station.
Houd één van de voorkeuzetoetsen
"1" t/m "6" langer dan twee secon-
den ingedrukt.
Het geluid valt weg en keert weer te-
rug: de desbetreffende zender is nu
opgeslagen.
Houd de toets R lan-
ger dan twee secon-
den ingedrukt.
Oproepen van opgeslagen
zenders
Telkens als een van de toetsen "1"
t/m "6" wordt ingedrukt, wordt de
desbetreffende zender weergege-
ven.
Druk kort op één van de toetsen L
of N om respectievelijk de volgende
of vorige zender te selecteren. Als
deze toets wordt vastgehouden, blijft
de radio in de gekozen volgorde fre-
quenties afzoeken.
De radio stopt bij de eerste zender
die na het loslaten van de toets wordt
gevonden.
Als de functie TA is ingeschakeld,
wordt alleen afgestemd op zenders
die verkeersinformatie uitzenden.
Eerst worden de sterkste zenders
afgezocht in de stand "LO". Daarna
wordt in de stand "DX" ook naar
zwakkere zenders gezocht.
Druk twee keer kort op de toets L
of N om direct in de stand "DX" op
de zwakkere zenders af te kunnen
stemmen.
33
AUDIO
-
RDS
Verkeersinformatie (TA) Regionale functie (REG)
Sommige gekoppelde zenders zen-
den op bepaalde tijdstippen op de-
zelfde frequentie verschillende,
regionale programma's uit. Met deze
functie kan een regionaal program-
ma worden beluisterd.
Houd hiervoor de toets "RDS" lan-
ger dan twee seconden ingedrukt om
deze functie in of uit te schakelen.
Volgen van RDS-zenders
Op het display wordt de naam van
de zender aangegeven. Als de RDS-
functie is ingeschakeld, zoekt de
radio steeds de sterkste zender die
hetzelfde programma uitzendt.
Druk op de toets "TA"
om deze functie in of
uit te schakelen.
Op het display ver-
schijnt:
- "TA" als deze functie is
ingeschakeld.
- "(TA)" als deze functie wel
ingeschakeld, maar niet
beschikbaar is.
Als deze functie is ingeschakeld,
wordt de geluidsbron die op dat mo-
ment te horen is (radio, CD of CD-
wisselaar) onderbroken om voorrang
te verlenen aan de ontvangen ver-
keersinformatie.
Druk op de toets "TA" om de ver-
keersinformatie te onderbreken, de
functie is dan uitgeschakeld.
Opmerking: het volume van de
verkeersinformatie is onafhanke-
lijk van het normale volume van de
radio. U kunt dit instellen met de
volumeknop. De instelling wordt
opgeslagen en gebruikt bij vol-
gende berichten.
Druk kort op de toets
"RDS" om de functie
in of uit te schakelen.
Op het multifunctione-
le display verschijnt:
- "RDS" als deze functie is
ingeschakeld.
- "(RDS)" als deze functie
wel ingeschakeld, maar niet
beschikbaar is.
Gebruik van de RDS-functie
(Radio Data Systeem) op FM
De RDS-functie biedt de mogelijk-
heid om naar een zender te luisteren,
ongeacht de verschillende frequen-
ties die voor deze zender gebruikt
worden in de diverse regio's.
AUDIO
34 -
EON
Dit systeem maakt koppelingen tus-
sen zenders in hetzelfde gebied. Bij
dit systeem is het mogelijk om au-
tomatisch naar andere zenders bin-
nen het gebied over te schakelen die
verkeersinformatie of een PTY-pro-
grammering uitzenden.
De EON-functie werkt alleen als de
functie TA of PTY is ingeschakeld.

(PTY-functie)
Met behulp van deze functie kunnen zenders
    
cultuur, sport, pop...) beluisterd worden.
Zoeken van een PTY-programmering:
Houd, als FM is gese-
lecteerd, de toets "TA"
langer dan twee se-
conden ingedrukt om
deze functie in of uit te schakelen.
- Schakel de PTY-functie in,
- Druk kort op één van de toetsen
L of N om een overzicht met de
verschillende programmatypes
weer te geven,
- Als er een programma naar
wens wordt weergegeven, houd
dan één van de toetsen L of
N langer dan twee seconden
ingedrukt om automatisch af te
stemmen (na het afstemmen
wordt de PTY-functie weer
uitgeschakeld).
In de stand PTY kunnen de ver-
schillende programmatypes wor-
den opgeslagen. Houd daarvoor de
voorkeuzetoetsen "1" t/m "6" langer
dan twee seconden ingedrukt. Een
bepaalde programmering kan nu
worden opgeroepen door de desbe-
treffende toets kort in te drukken.
35
AUDIO
-
Uitwerpen van een CD
Selecteren van een nummer van
de CD
Random-functie (RDM)
Houd, op het moment dat de CD-
speler als geluidsbron is gekozen,
de toets Q 2 seconden ingedrukt.
De nummers van de CD worden nu
in een willekeurige volgorde afge-
speeld. Druk de toets Q opnieuw
2 seconden in om weer op normaal
spelen over te schakelen.
De random-functie wordt uitgescha-
keld zodra de radio wordt uitgezet.
CD-SPELER
Druk op de toets L om het volgende
nummer te selecteren.
Druk op de toets N om terug te gaan
naar het begin van het afgespeelde
nummer of het vorige nummer.
Versneld afspelen
Houd één van de toetsen L of N in-
gedrukt om de CD versneld vooruit of
achteruit af te spelen.
Het versneld afspelen stopt zodra de
toets wordt losgelaten.
Zodra een CD in de
CD-speler wordt ge-
stoken met de be-
drukte zijde naar
boven gericht, zal de CD-speler de
CD automatisch afspelen.
Als er al een CD in het apparaat zit,
druk dan op de toets Q.
Druk op de toets S om
de CD uit de CD-spe-
ler te werpen.
Het gebruik van gekraste
CD's kan storingen ver-
oorzaken.
Gebruik uitsluitend CD's
met een ronde vorm.
Selecteren van de CD-speler
AUDIO
36 -
RADIO-ONTVANGST
(ANTENNE AFSTELLEN)
Opmerkingen over de radio-ont-
vangst. Een autoradio moet onder
heel andere omstandigheden functi-
oneren dan een radio in huis. De ont-
vangst van AM- (middengolf, lange
golf) en FM-zenders (frequentiemo-
dulatie) kan door diverse oorzaken
worden gestoord. Dit ligt niet aan de
kwaliteit van het apparaat, maar aan
de opbouw van de radiosignalen en
de wijze van verzenden.
Bij AM-zenders kunnen er storingen
optreden als er onder hoogspan-
ningskabels, in tunnels of onder via-
ducten wordt gereden.
Bij FM-zenders kunnen de afstand
-
naal door grote obstakels (bergen,
gebouwen enz.) en het zenderbereik
oorzaak zijn van een mindere ont-
vangst.
3-/5-deurs: stand van de aan de voor-
zijde gemonteerde antenne voor een
optimale ontvangst.
De achterop het dak gemonteerde
vaste antenne hoeft niet te worden
afgesteld (voorgeregelde antenne).
37
AUDIO
-
AUDIOSYSTEEM 206
Presentatie
Uw 206 is voorzien van een audiosy-
steem van het merk JBL, afgestemd
op het interieur van de auto.
Een multifunctionele versterker
(1) van 240 Watt (geïntegreerd in
de subwoofer in de bagageruimte)
stuurt 8 topklasse luidsprekers en
de subwoofer afzonderlijk aan.
De luidsprekers bevinden zich:
- in de voorstijlen: twee Tweeters
(2) voor de weergave van de
hoge tonen vóór in de auto.
- in de voorportieren: twee
Woofers (3) voor de weergave
van de bassen (lage tonen)
voorin.
- in de achterportieren: twee
Tweeters (4) geïntegreerd in
twee Woofers (5) voor een
optimaal evenwicht tussen de
verschillende geluidsfrequenties
achter in de auto
- in de bagageruimte: een
Subwoofer (6) voor de
weergave van diepe bassen in
het gehele interieur.
U zult ongetwijfeld genieten van
de dynamiek en de diepte van de
geluidsweergave in de auto.
Het systeem zorgt voor een opti-
male weergave en verdeling van
het geluid in de auto, zowel voorin
als achterin.
Instellen in de CD- of radiofunctie
De basisfuncties zijn gelijk aan die
van de autoradio.
Er zijn geen extra instellingen nodig.
Om echter volledig te kunnen genie-
ten van het JBL audiosysteem, wordt
geadviseerd om de AUDIO-instellin-
gen (BASS, TREB, FAD, BAL) in de
stand "0" (nul) te zetten en de Loud-
ness (LOUD) in de stand "ON" voor
de CD-functie en in de stand "OFF"
voor de radiofunctie.
COMFORT
38 -
39
COMFORT
-
VENTILATIE
1. Uitstroomopeningen
voorruitontwaseming.
2. Uitstroomopeningen
zijruitontwaseming.
3. Zijventilatieroosters.
4. Middelste ventilatieroosters.
5. Uitstroomopening voor
beenruimte voor.
6. Uitstroomopening voor
beenruimte achter (uitsluitend bij
uitvoeringen met automatische
airconditioning).
Gebruiksadviezen en
opmerkingen
Zet de knop van de luchtopbrengst
zodanig dat de interieurlucht goed
ververst wordt.
Als de knop van de luchtopbrengst
in de stand OFF wordt gezet, wordt
het thermische comfort niet meer ge-
regeld. Door de rijwind blijft er nog
wel een kleine luchtstroom gehand-
haafd.
Stel de luchtverdeling in naargelang
de behoefte en de klimatologische
omstandigheden.
Wijzig de instelling van de tempera-
tuur geleidelijkom een optimaal com-
fort te bereiken.
Zet de knop van de luchttoevoer in
de stand "Buitenlucht" voor een snel-
le ontwaseming.
Als de temperatuur in de auto zeer
hoog blijft nadat deze lang in de zon
heeft gestaan, kunt u het interieur
kort ventileren.
Let erop dat voor een gelijkmatige
verdeling van de lucht naar het interi-
eur de uitstroomopeningen onder de
voorruit, de verschillende ventilatie-
roosters en de ventilatieopeningen
voor de beenruimte vrij blijven.
Bij een zware belasting van de mo-
tor (trekken van een zware aanhan-
ger op een steile helling bij een hoge
buitentemperatuur) kan de aircondi-
tioning tijdelijk worden uitgeschakeld
voor een optimale trekkracht van de
motor.
Controleer regelmatig de staat van
     
motorkap ter hoogte van de voorruit
   
periodiek te worden vervangen. Laat

vervangen als de omstandigheden
dit vereisen.
Het airconditioningssysteem is chloor-
vrij en is niet schadelijk voor de ozon-
laag.
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per
maand 5 tot 10 minuten aan om het
systeem in perfecte staat te houden.
Bij stilstand is het normaal dat er
onder de auto een plasje water ver-
schijnt, aangezien de airconditioning
het condenswater druppelsgewijs
afvoert via een daarvoor bestemde
afvoeropening.
Gebruik de airconditioning niet als
deze niet koelt en laat het systeem in
dat geval door controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
COMFORT
40 -
ONTDOOIEN EN
ONTWASEMEN
Achterruitverwarming en
verwarming buitenspiegels
Druk de schakelaar bij draai-
ende motor in om de ach-
terruitverwarming en de
verwarming van de buiten-
spiegels in te schakelen.
De achterruitverwarming gaat na on-
geveer 12 minuten automatisch uit.
Druk nogmaals op de schakelaar om
de achterruitverwarming opnieuw ge-
durende 12 minuten in te schakelen.
Het is mogelijk de achterruitverwar-
ming eerder uit te schakelen door de
schakelaar nogmaals in te drukken.
Schakel zodra de omstandigheden
het toelaten de achterruitverwarming
en verwarming buitenspiegels uit
aangezien een laag stroomverbruik
zorgt voor een vermindering van het
brandstofverbruik.
Handmatig ontwasemen
Snel ontwasemen van de voorruit en
zijruiten:
- schakel de airconditioning in,
- zet schakelaars van de
temperatuurregeling en de
luchttoevoer in de maximale
stand,
- sluit de middelste
ventilatieroosters,
- zet de knop van de luchttoevoer
naar links in de stand
"Buitenlucht".
Automatisch ontwasemen,
programma "Zicht"
In sommige gevallen kan het pro-
gramma AUTO niet toereikend blij-
ken om de voorruit en zijruiten snel
condens- en ijsvrij te maken (vocht,
veel inzittenden, vorst...).
Kies dan het programma "zicht",
door op deze toets te drukken, dat
zorgt voor een snelle ontwaseming
van de ruiten.
Druk nogmaals op de toets AUTO
om dit programma af te sluiten en
terug te keren naar het programma
AUTO.
41
COMFORT
-
VERWARMING/VENTILATIE
De verwarming en ventilatie werken uitsluitend bij draaiende motor.
2. Luchtverdeling
1. Temperatuurregeling
Draai de knop van blauw (koud) naar
rood (warm) om de temperatuur naar
behoefte in te stellen.
Luchtstroom naar voorruit en
zijruiten (ontwasemen-ont-
dooien).
Luchtstroom naar voorruit,
portierruiten en beenruimte.
Luchtstroom naar de been-
ruimte.
Luchtstroom naar interieur
(linker, rechter en middelste
ventilatieroosters).
Deze instelling wordt aanbevolen bij
een koud klimaat.
Deze instelling wordt aanbevolen bij
een warm klimaat.
De luchtstroom kan worden geva-
rieerd door de knop in een tussen-
stand te zetten.
3. Regeling luchtopbrengst
Draai de knop in één van de
vier standen om de gewenste
luchtopbrengst te verkrijgen.
4. Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie
De luchtrecirculatie dient om de toe-
voer van buitenlucht bij stank en stof-
overlast af te sluiten.
De toevoer van buitenlucht voorkomt
het beslaan van de voorruit en de zij-
ruiten.
Toevoer van buitenlucht.
Luchtrecirculatie.
Zet om de luchtrecirculatiestand te
gebruiken de knop 4 naar rechts in
de stand "Luchtrecirculatie".
Zet, zodra de omstandigheden
dit toelaten, de knop 4 weer in de
stand "Toevoer van buitenlucht" om
te voorkomen dat de luchtkwaliteit
in het interieur afneemt.
COMFORT
42 -
AIRCONDITIONING
De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor.
De airconditioning werkt niet als
de knop voor de regeling van de
luchtopbrengst op "OFF" staat.
Laat de airconditioning regelmatig
controleren om het systeem in per-
fecte staat te houden.
1. Airconditioning AAN/UIT
De airconditioning kan tijdens alle seizoenen effectief gebruikt worden, mits de
ruiten zijn gesloten. Het systeem stelt u in staat de temperatuur in het interieur
's zomers te verlagen en zorgt in de winter bij temperaturen boven 0°C voor een
snelle ontwaseming van beslagen ruiten.
2. Temperatuurregeling
Draai de knop van blauw (koud) naar
rood (warm) om de temperatuur naar
behoefte in te stellen.
Druk de schakelaar in, het
verklikkerlampje gaat bran-
den.
43
COMFORT
-
Luchtstroom naar voorruit en
zijruiten (ontwasemen - ont-
dooien).
Luchtstroom naar voorruit,
portierruiten en beenruimte.
Luchtstroom naar de been-
ruimte.
3. Luchtverdeling
Luchtstroom naar interieur
(linker, rechter en middelste
ventilatieroosters). Deze in-
stelling wordt aanbevolen bij
een warm klimaat.
Deze instelling wordt aanbevolen bij
een koud klimaat.
De luchtstroom kan worden geva-
rieerd door de knop in een tussen-
stand te zetten.
4. Regeling luchtopbrengst
Draai de knop in één van de-
vier standen om de gewenste
luchtopbrengst te verkrijgen.
Toevoer van buitenlucht.
Luchtrecirculatie
De luchtrecirculatie dient om de toe-
voer van buitenlucht bij stank en stof-
overlast af te sluiten.
De toevoer van buitenlucht voorkomt
het beslaan van de voorruit en de zij-
ruiten.
Als de luchtrecirculatiestand gebruikt
wordt terwijl de airco is ingescha-
keld, wordt de capaciteit van de airco
vergroot en worden de ruiten sneller
ontwasemd.
Als de luchtrecirculatiestand bij voch-
tig weer wordt gebruikt, bestaat het
risico dat de ruiten beslaan.
Zet om de luchtrecirculatiestand te
gebruiken de knop 5 naar rechts.
Zet, zodra de omstandigheden dit
toelaten, de knop 5 weer in de stand
"Toevoer van buitenlucht" om te voor-
komen dat de luchtkwaliteit in het in-
terieur afneemt.
5. Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie
COMFORT
44 -
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor.
Automatische werking
2. Regeling door het programma
AUTO
Druk op de toets "AUTO".
Het is raadzaam deze stand
te gebruiken: het systeem
regelt de temperatuur, de
luchtopbrengst, de luchtverdeling
naar de luchtroosters en de lucht-
recirculatie automatisch en optimaal
aan de hand van de door u ingestel-
de waarde. Het systeem kan tijdens
alle seizoenen effectief gebruikt wor-
den, mits de ruiten zijn gesloten.
Opmerking: voor uw comfort worden
de instellingen tussen twee startmo-
menten opgeslagen, mits de tempe-
ratuur in het interieur nauwelijks is
veranderd. Is dit wel het geval, dan
treedt het automatische programma
weer in werking.
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
ventilatie geleidelijk op het optimale
niveau gebracht.
Als de temperatuur in de auto bij het
instappen veel lager of hoger is dan
de ingestelde waarde, heeft het geen
zin om voor het gewenste comfort de
ingestelde waarde te wijzigen. Het
systeem compenseert automatisch
en zo snel mogelijk het temperatuur-
verschil.
Handmatig verstellen
Al naar gelang uw wensen kunt u
de automatische bediening van het
systeem handmatig aanpassen. De
overige functies worden automatisch
geregeld.
Bij het indrukken van de toets AUTO
zal het systeem weer volledig auto-
matisch functioneren.
1. Temperatuurregeling
De op het display weergege-
ven waarde heeft betrekking
op een bepaald comfortni-
veau en niet op de werkelijke
temperatuur in graden Cel-
sius of Fahrenheit.
Druk op de pijltjestoetsen 1 (omhoog
en omlaag) om deze waarde te wijzi-
gen. Instelling op ongeveer 21 biedt
een optimaal comfort.
45
COMFORT
-
3. Airconditioning AAN/UIT
Bij het indrukken van deze
toets wordt de luchtverver-
sing uitgeschakeld.
De aanduiding ECO ver-
schijnt op het display. Druk de toets
nogmaals in om de automatische
werking van de airconditioning te
hervatten. De aanduiding A/C ver-
schijnt op het display.
4. Luchtverdeling
Druk deze toets herhaalde
malen in om de luchtstroom
te verdelen naar:
- de voorruit (ontwasemen of
ontdooien).
- de voorruit en de beenruimte.
- de beenruimte.
- de linker, rechter en middelste
ventilatieroosters en de
beenruimte.
- de linker, rechter en middelste
ventilatieroosters.
5. Luchtopbrengst
Druk op de toets "+"
of "-" om de luchtop-
brengst respectieve-
lijk te vergroten of te
verkleinen.
6. Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie
7. Uitschakelen van het systeem
Bij het indrukken van de toets
OFF worden alle functies van
het systeem uitgeschakeld.
De temperatuur en de ontwaseming
worden dan niet meer geregeld,
maar er blijft een kleine luchtstroom
gehandhaafd.
Het systeem wordt opnieuw met de
laatste instellingen ingeschakeld
door op de toets OFF, AUTO of zicht
te drukken.
Opmerking: druk op de toets toe-
voer van buitenlucht 7 om de lucht-
toevoer volledig af te sluiten.
Bij het indrukken van deze
toets wordt de lucht in het in-
terieur gerecirculeerd. De re-
circulatiestand, aangegeven
op het display, dient om de toevoer
van buitenlucht bij stank en stofover-
last af te sluiten.
Gebruik de luchtrecirculatie alleen
als dit echt nodig is (kans op beslaan
van de ruiten en vermindering van de
luchtkwaliteit).
Druk de toets nogmaals in om de au-
tomatische toevoer van buitenlucht
te hervatten.
Opmerkingen
Om het beslaan van de ruiten te
voorkomen is het raadzaam de stand
ECO bij koud of vochtig weer niet te
gebruiken.
Laat de airconditioning regelmatig
controleren om het systeem in per-
fecte staat te houden.
COMFORT
46 -
47
COMFORT
-
VOORSTOELEN
Toegang tot de achterbank is
niet mogelijk als de rugleuning
van de voorstoel volledig naar
achteren is geklapt.
B. Druk één van de twee handgrepen
met de hand naar voren om de
rugleuning neer te klappen.
De zitting gaat hierbij niet naar
voren.
Als de rugleuning wordt
teruggeduwd, komt deze
automatisch weer in de
oorspronkelijke stand terug.
Rijd nooit zonder hoofd-
steunen; de hoofdsteunen
moeten zijn geplaatst en
correct zijn afgesteld.
"Kommavormige" hoofdsteunen
achter
De hoofdsteunen hebben een ge-
bruiksstand (hoog) en een opberg-
stand (laag) en kunnen worden
verwijderd.
Naar beneden: Druk de blokkeerpal
op de geleider in.
Verwijderen: trek de hoofdsteun om-
hoog tot aan de aanslag en druk op
de ontgrendelingsknop.
1 - Verstelling in lengterichting.
Til de beugel op en schuif de stoel
naar voren of naar achteren.
2 - Hoogte- en hoekverstelling
hoofdsteun
Naar boven: trek de hoofdsteun om-
hoog.
De juiste stand van de hoofdsteun
is als de bovenzijde van de hoofd-
steun zich ter hoogte van de bo-
venzijde van het hoofd bevindt.
De hoofdsteun is voorzien van een
blokkeermechanisme waardoor de
hoofdsteun niet naar beneden kan
schuiven (veiligheidsvoorziening bij
een botsing).
Voor het lager zetten van de hoofd-
steun moet tegelijkertijd:
- de blokkeerpal op de linker
geleider worden ingedrukt en
- de hoofdsteun naar beneden
worden geschoven.
Druk de blokkeerpal op de geleider in
om een hoofdsteun te verwijderen.
De hoek van de hoofdsteunen kan
ook worden afgesteld.
3 - Toegang tot de achterbank
3-deurs: A of B (volgens uitvoering)
A. Druk één van de twee
handgrepen met de hand naar
voren om de rugleuning neer te
klappen en de stoel naar voren
te schuiven.
Als de stoel wordt teruggeduwd,
komt deze automatisch weer in
de oorspronkelijke stand terug.
Let erop dat niet wordt
verhinderd dat de stoel weer in
de oorspronkelijke stand wordt
teruggeschoven; dit is nodig om
de stoel te vergrendelen.
4 - Hoogteverstelling
Trek de hendel omhoog.
Verplaats uw gewicht om de stoel te
verstellen.
5 - Rugleuningverstelling
Duw de hendel naar achteren.
6 - Schakelaars stoelverwarming
Druk de schakelaar in. De tempera-
tuur wordt automatisch geregeld.
Druk nogmaals op de schakelaar om
de verwarming weer uit te schakelen.
47
COMFORT
-
VOORSTOELEN
Toegang tot de achterbank is
niet mogelijk als de rugleuning
van de voorstoel volledig naar
achteren is geklapt.
B. Druk één van de twee handgrepen
met de hand naar voren om de
rugleuning neer te klappen.
De zitting gaat hierbij niet naar
voren.
Als de rugleuning wordt
teruggeduwd, komt deze
automatisch weer in de
oorspronkelijke stand terug.
Rijd nooit zonder hoofd-
steunen; de hoofdsteunen
moeten zijn geplaatst en
correct zijn afgesteld.
"Kommavormige" hoofdsteunen
achter
De hoofdsteunen hebben een ge-
bruiksstand (hoog) en een opberg-
stand (laag) en kunnen worden
verwijderd.
Naar beneden: Druk de blokkeerpal
op de geleider in.
Verwijderen: trek de hoofdsteun om-
hoog tot aan de aanslag en druk op
de ontgrendelingsknop.
1 - Verstelling in lengterichting.
Til de beugel op en schuif de stoel
naar voren of naar achteren.
2 - Hoogte- en hoekverstelling
hoofdsteun
Naar boven: trek de hoofdsteun om-
hoog.
De juiste stand van de hoofdsteun
is als de bovenzijde van de hoofd-
steun zich ter hoogte van de bo-
venzijde van het hoofd bevindt.
De hoofdsteun is voorzien van een
blokkeermechanisme waardoor de
hoofdsteun niet naar beneden kan
schuiven (veiligheidsvoorziening bij
een botsing).
Voor het lager zetten van de hoofd-
steun moet tegelijkertijd:
- de blokkeerpal op de linker
geleider worden ingedrukt en
- de hoofdsteun naar beneden
worden geschoven.
Druk de blokkeerpal op de geleider in
om een hoofdsteun te verwijderen.
De hoek van de hoofdsteunen kan
ook worden afgesteld.
3 - Toegang tot de achterbank
3-deurs: A of B (volgens uitvoering)
A. Druk één van de twee
handgrepen met de hand naar
voren om de rugleuning neer te
klappen en de stoel naar voren
te schuiven.
Als de stoel wordt teruggeduwd,
komt deze automatisch weer in
de oorspronkelijke stand terug.
Let erop dat niet wordt
verhinderd dat de stoel weer in
de oorspronkelijke stand wordt
teruggeschoven; dit is nodig om
de stoel te vergrendelen.
4 - Hoogteverstelling
Trek de hendel omhoog.
Verplaats uw gewicht om de stoel te
verstellen.
5 - Rugleuningverstelling
Duw de hendel naar achteren.
6 - Schakelaars stoelverwarming
Druk de schakelaar in. De tempera-
tuur wordt automatisch geregeld.
Druk nogmaals op de schakelaar om
de verwarming weer uit te schakelen.
COMFORT
48 -
- plaats de veiligheidsgordel onder
de geleider 2.
- trek aan de knop 3 om de
rugleuning 4 los te maken.
- verwijder de hoofdsteun, of
schuif deze omlaag.
- klap de rugleuning 4 neer.
Kantel altijd eerst de zitting om-
hoog alvorens de rugleuning neer
te klappen (voorkomen van be-
schadiging).
ZITPLAATSEN ACHTER
Neerklappen van de zitplaatsen achter:
- til de zitting 1 aan de voorzijde op.
- klap de zitting 1 tegen de
rugleuning van de voorstoelen.
Terugplaatsen:
- klap de rugleuning omhoog.
- klap de zitting neer.
- breng de sluitingen van de
veiligheidsgordels in de juiste
positie alvorens de zitting aan de
voorzijde te vergrendelen.
Let op dat de gordels niet worden
vastgeklemd.
49
COMFORT
-
- plaats de veiligheidsgordel onder
de geleider 2.
- trek aan de knoppen 3 om de
rugleuning 4 los te maken.
- verwijder de hoofdsteunen, of
schuif deze omlaag.
- klap de rugleuning 4 neer.
Kantel altijd eerst de zitting om-
hoog alvorens de rugleuning neer
te klappen (voorkomen van be-
schadiging).
ACHTERBANK
Neerklappen van de achterbank:
-
til de zitting 1 aan de voorzijde op.
- klap de zitting 1 tegen de
rugleuning van de voorstoelen.
Terugplaatsen:
- klap de rugleuning omhoog.
- klap de zitting neer.
- breng de sluitingen van de
veiligheidsgordels in de juiste
positie alvorens de zitting aan de
voorzijde te vergrendelen.
Let op dat de gordels niet worden
vastgeklemd.
COMFORT
50 -
VERVOER VAN LANGE
VOORWERPEN
Voorstoel:
- Klap de rugleuning neer met de
hendel 5 (zie de desbetreffende
paragraaf).
Verwijderen van
achterbankzitting
- Klap de zitting tegen de
rugleuning van de voorstoelen.
- Knijp de lippen in om de zitting
los te maken.
- Verwijder de zitting.
Neerklapbare rugleuning
- Verwijder de hoofdsteun om
de rugleuning volledig neer te
kunnen klappen.
- Druk de knop 5 naar achteren om
de rugleuning neer te klappen.
Achterbank:
- Verwijder de zitting.
- Klap de rugleuning naar voren.
49
COMFORT
-
- plaats de veiligheidsgordel onder
de geleider 2.
- trek aan de knoppen 3 om de
rugleuning 4 los te maken.
- verwijder de hoofdsteunen, of
schuif deze omlaag.
- klap de rugleuning 4 neer.
Kantel altijd eerst de zitting om-
hoog alvorens de rugleuning neer
te klappen (voorkomen van be-
schadiging).
ACHTERBANK
Neerklappen van de achterbank:
-
til de zitting 1 aan de voorzijde op.
- klap de zitting 1 tegen de
rugleuning van de voorstoelen.
Terugplaatsen:
- klap de rugleuning omhoog.
- klap de zitting neer.
- breng de sluitingen van de
veiligheidsgordels in de juiste
positie alvorens de zitting aan de
voorzijde te vergrendelen.
Let op dat de gordels niet worden
vastgeklemd.
51
COMFORT
-
"Met het gezicht in de rijrichting"
Wanneer een kinderzitje met het ge-
zicht in de rijrichting op de passagiers-
stoel voor wordt geplaatst, moet de
stoel van de auto in de middelste stand
met de rugleuning rechtop worden ge-
zet en mag de airbag aan passagiers-
zijde niet worden uitgeschakeld.
BEVESTIGEN VAN EEN
KINDERZITJE MET EEN
DRIEPUNTS VEILIGHEIDSGORDEL
ALGEMENE INFORMATIE
MET BETREKKING TOT
KINDERZITJES
* De regels voor het vervoeren
van kinderen zijn per land
verschillend. Raadpleeg hiervoor
de wetgeving in uw land.
Middelste stand
Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp
van uw auto veel aandacht heeft be-
steed aan veiligheidsvoorzieningen
voor uw kinderen, is hun veiligheid
natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.
Volg voor een optimale veiligheid de
volgende adviezen op:
- conform Richtlijn 2003/20
dienen kinderen jonger
dan 12 jaar of kleiner dan
1,50 m in gehomologeerde,
aan het lichaamsgewicht
aangepaste kinderzitjes op met
veiligheidsgordels of ISOFIX-
bevestigingen * uitgeruste
plaatsen te worden vervoerd,
- de veiligste plaats voor het
vervoeren van een kind is
volgens de statistieken een
plaats op de achterbank van
uw auto,
- kinderen tot 9 kg moeten
zowel voor- als achterin met
de rug in de rijrichting worden
vervoerd.
PEUGEOT beveelt u aan kinderen
op de achterzitplaatsen van uw
auto te vervoeren:
- met de rug in de rijrichting tot
2 jaar,
- met het gezicht in de
rijrichting vanaf 2 jaar.
"Met de rug in de rijrichting"
Wanneer een kinderzitje met de rug
in de rijrichting op de passagiers-
stoel voor wordt geplaatst, moet de
airbag aan passagierszijde zijn uit-
geschakeld. Anders kan het kind bij
het afgaan van de airbag levens-
gevaarlijk gewond raken.
COMFORT
52 -
Airbag aan passagierszijde OFF
Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
L1
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting
geplaatst.
Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg
L2
"KIDDY Life"
Omwille van de veiligheid van jonge
kinderen (van 9 tot 18 kg), raadt
PEUGEOT u aan de
gordelbeschermer te gebruiken.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L3
"RECARO Start".
L4
"KLIPPAN
Optima"
Vanaf 6 jaar
(ongeveer 22 kg):
gebruik alleen de
zitverhoging.
DOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES
PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes, voorzien van een artikelnum-
mer, die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
COMFORT
56 -
ADVIEZEN VOOR
KINDERZITJES
De onjuiste bevestiging van een kin-
derzitje brengt de veiligheid van het
kind in gevaar bij een aanrijding.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels
of het tuigje van het kinderzitje, zelfs
bij korte ritten, worden vastgemaakt
waarbij de speling ten opzichte van
het lichaam van het kind zoveel mo-
gelijk moet worden beperkt.
Zorg er voor een optimale bevestiging
van het kinderzitje met "het gezicht in
de rijrichting" voor dat de rugleuning
van het kinderzitje tegen de rugleuning
van de stoel van de auto rust en dat de
hoofdsteun geen belemmering vormt.
Als de hoofdsteun verwijderd moet
worden, berg deze dan zorgvuldig
op om te voorkomen dat de hoofd-
steun door de auto vliegt bij krachtig
afremmen.
Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet
met "het gezicht in de rijrichting" op de
passagiersstoel voor worden vervoerd,
behalve als de achterzitplaatsen al be-
zet zijn door andere kinderen of als de
achterbank niet bruikbaar, neergeklapt
of verwijderd is.
Schakel de airbag aan passagierszij-
de uit zodra een kinderzitje «met de
rug in de rijrichting» op de voorstoel
wordt geplaatst. Het kind kan anders
bij het afgaan van de airbag levens-
gevaarlijk gewond raken.
Plaatsen van een stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de veilig-
heidsgordel moet over de schouder
van het kind liggen zonder de hals te
raken.
Controleer of de heupgordel goed
over de bovenbenen van het kind ligt.
PEUGEOT beveelt aan een stoelver-
hoger met rugleuning te gebruiken
voorzien van een gordelgeleider ter
hoogte van de schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht
achter in een auto,
- nooit een kind of een dier in een
auto achter wanneer alle ruiten
gesloten zijn en de auto in de
zon staat,
- de sleutels nooit binnen bereik
van de kinderen achter in de auto.
Gebruik de kindersloten om te voor-
komen dat de portieren achter per
ongeluk geopend worden.
Zorg er voor dat de portierruiten ach-
ter niet verder dan voor 1/3 deel ge-
opend worden.
Plaats zonneschermen om uw jonge
kinderen tegen de zon te beschermen.
COMFORT
52 -
Airbag aan passagierszijde OFF
Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
L1
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting
geplaatst.
Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg
L2
"KIDDY Life"
Omwille van de veiligheid van jonge
kinderen (van 9 tot 18 kg), raadt
PEUGEOT u aan de
gordelbeschermer te gebruiken.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L3
"RECARO Start".
L4
"KLIPPAN
Optima"
Vanaf 6 jaar
(ongeveer 22 kg):
gebruik alleen de
zitverhoging.
DOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES
PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes, voorzien van een artikelnum-
mer, die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
53
COMFORT
-
BEVESTIGEN VAN KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL
Overeenkomstig de Europese wetgeving (Richtlijn 2000/3) geeft het overzicht de mogelijkheden weer voor het bevestigen
met de veiligheidsgordel van een universeel (a) goedgekeurd kinderzitje afhankelijk van het gewicht van het kind en de plaats
in de auto.
Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie
Plaats
Tot 13 kg
(groep 0 (b) en 0+)
Tot ± 1 jaar
9 - 18 kg
(groep 1)
Van 1 tot ± 3 jaar
15 - 25 kg
(groep 2)
Van 3 tot ± 6 jaar
22 - 36 kg
(groep 3)
Van 6 tot ± 10 jaar
Passagiersstoel
vóór (c)
Vaste of in hoogte
verstelbare stoel
U U U U
Buitenste zitplaats
en achter
U U U U
Middelste
zitplaats achter
Driepunts
veiligheidsgordel
X UF UF UF
Middelste zitplaats
achter (d)
Tweepunts
veiligheidsgordel
X UF UF UF
(a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat
in alle auto's met de veiligheidsgordel
kan worden bevestigd.
(b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg.
(c) Raadpleeg de wetgeving in uw land
voordat u uw kind op deze zitplaats
installeert.
(d) De kinderzitjes "RECARO Start"
(L3) en "KLIPPAN Optima" (L4)
mogen niet op de middelste
zitplaats achter worden geplaatst
als deze zitplaats is voorzien van
een tweepuntsgordel.
U: Plaats geschikt voor het bevestigen
van een universeel goedgekeurd
kinderzitje met de veiligheidsgordel.
Kinderzitje geplaatst met de rug
in de rijrichting of het gezicht in de
rijrichting.
UF: Plaats geschikt voor het
bevestigen van een universeel
goedgekeurd kinderzitje met de
veiligheidsgordel.
Kinderzitje uitsluitend geplaatst
met het gezicht in de rijrichting.
X: Plaats niet geschikt voor het
bevestigen van een kinderzitje uit
de aangegeven gewichtsgroep.
COMFORT
54 -
Het betreft 2 ringen die zijn geplaatst
tussen de rug en de zitting van de
stoel.
De ISOFIX-kinderzitjes beschikken
over 2 sloten die eenvoudig aan deze
ringen kunnen worden verankerd.
ISOFIX-BEVESTIGINGEN
De ISOFIX-bevestigingen zorgen
voor een betrouwbare, degelijke en
snelle montage van het kinderzitje in
uw auto.
Deze zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-bevestigingen.
55
COMFORT
-
ISOFIX KINDERZITJE AANBEVOLEN DOOR PEUGEOT EN GEHOMOLOGEERD VOOR UW AUTO
Het RÖMER Duo B1)
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst.
Voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de boven-
ste ISOFIX-bevestiging, de TOP TETHER.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
Dit kinderzitje kan ook worden be-
vestigd op zitplaatsen die niet zijn
voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Het is in dat geval verplicht het kin-
derzitje met de normale driepunts
veiligheidsgordel op de zitplaats van
de auto te bevestigen.
Volg bij het plaatsen van het kin-
derzitje de gebruiksaanwijzing van
de fabrikant van het zitje.
57
TOEGANG TOT DE AUTO
-
SLEUTELS
Met behulp van de sleutels kan de
airbag aan passagierszijde worden
uitgeschakeld en kan het contact-/
stuurslot worden bediend.
Lokaliseren van de auto
Om de eerder vergrendelde auto te
lokaliseren op een parkeerplaats:
F Druk op de knop A, de
plafonniers gaan branden en
de knipperlichten knipperen
gedurende enkele seconden.
Batterij van
afstandsbediening vervangen
Type batterij: CR2016 / 3 V.
Als de batterij leeg is, verschijnt in
combinatie met een geluidssignaal de
melding "Batterij afstandsbediening
leeg" op het multifunctionele display.
Draai de schroef los en wip het huis
met een muntstuk bij het oog los om
de batterij te vervangen.
Als de afstandsbediening na het ver-
vangen van de batterij niet werkt,
moet deze opnieuw gesynchroni-
seerd worden.
Waarschuwingssignaal sleutel
Als het bestuurdersportier wordt ge-
opend terwijl de sleutel nog in het
contact steekt, klinkt er een geluids-
signaal.
Synchroniseren van de
afstandsbediening
F Zet het contact uit.
F Zet het contact weer aan.
F Druk direct gedurende enkele
seconden op de knop A.
F Zet het contact uit en verwijder
de sleutel uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu
weer.
Zonder centrale
vergrendeling/ontgrendeling
Met behulp van de sleutel kunnen
eveneens de voorportieren, de ach-
terklep en de brandstofvuldop ont-
grendeld en vergrendeld worden.
Met centrale vergrendeling/
ontgrendeling
Met behulp van de sleutel in het slot
van een voorportier kunnen alle por-
tieren en de achterklep gelijktijdig
vergrendeld of ontgrendeld worden.
Als een van de portieren of de ach-
terklep geopend is, werkt de centrale
vergrendeling niet.
Met centrale vergrendeling/
ontgrendeling met
afstandsbediening
Druk op de knop A om de auto te ver-
grendelen.
Het vergrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer twee
seconden branden van de richting-
aanwijzers.
Druk op de knop B om de auto te ont-
grendelen.
Dit wordt bevestigd door het snel
knipperen van de richtingaanwijzers.
Druk de knop van de afstandsbedie-
ning niet buiten het bereik van de
auto in. Hierdoor kan het systeem
buiten werking raken. In dat geval
moet de afstandsbediening opnieuw
gesynchroniseerd worden (zie het
desbetreffende hoofdstuk).
TOEGANG TOT DE AUTO
58 -
ELEKTRONISCHE
STARTBLOKKERING
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo
het starten van de motor bij een inbraak.
In de sleutel is een chip aangebracht

Bij het aanzetten van het contact moet de code
van de sleutel worden herkend door de startblok-
kering, waarna de motor gestart kan worden.
Noteer de sleutelnummers
zorgvuldig. De sleutelcode is
als streepjescode aangege-
ven op het label bij de sleutel.

is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop
van de afstandsbediening te spelen
om te voorkomen dat de portieren
per ongeluk ontgrendeld worden.
De afstandsbediening kan niet
functioneren als de sleutel in het
contactslot zit, zelfs als het contact
uitstaat, behalve voor het herpro-
grammeren.
Het rijden met vergrendelde portie-
ren kan in geval van nood de toe-
gang tot het interieur belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen
(kinderen in de auto) de sleutel
met afstandsbediening mee als u
de auto verlaat, zelfs al is dit voor
korte duur.
Druk nooit op de knoppen van uw
afstandsbediening buiten het bereik
van uw auto.
De afstandsbediening kan dan on-
bruikbaar worden en moet in dat
geval opnieuw worden geprogram-
meerd.
Let er bij het aanschaffen van een
gebruikte auto op dat uw sleutels
door het PEUGEOT-netwerk in het
elektronische geheugen worden
opgeslagen, zodat u er zeker van
kunt zijn dat de in uw bezit zijnde
sleutels de enige zijn waarmee de
auto kan worden gestart:
Breng geen wijzigingen aan in de
elektronische startblokkering.
Bij een storing in het systeem
zal, als het contact wordt aangezet
(2e stand van de sleutel), het verklik-
kerlampje van de schakelaar cen-
trale vergrendeling op het middelste
gedeelte van het dashboard snel
gaan knipperen.
De auto kan dan niet gestart wor-
den.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.
Bij verlies van de sleutels
Als u uw sleutels verliest, kunt u zich
met het kentekenbewijs van de auto
en uw identiteitsbewijs wenden tot
het PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan dan de
code van de sleutel en de afstands-
bediening achterhalen en nieuwe
sleutels bestellen.
TOEGANG TOT DE AUTO
58 -
ELEKTRONISCHE
STARTBLOKKERING
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo
het starten van de motor bij een inbraak.
In de sleutel is een chip aangebracht

Bij het aanzetten van het contact moet de code
van de sleutel worden herkend door de startblok-
kering, waarna de motor gestart kan worden.
Noteer de sleutelnummers
zorgvuldig. De sleutelcode is
als streepjescode aangege-
ven op het label bij de sleutel.

is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop
van de afstandsbediening te spelen
om te voorkomen dat de portieren
per ongeluk ontgrendeld worden.
De afstandsbediening kan niet
functioneren als de sleutel in het
contactslot zit, zelfs als het contact
uitstaat, behalve voor het herpro-
grammeren.
Het rijden met vergrendelde portie-
ren kan in geval van nood de toe-
gang tot het interieur belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen
(kinderen in de auto) de sleutel
met afstandsbediening mee als u
de auto verlaat, zelfs al is dit voor
korte duur.
Druk nooit op de knoppen van uw
afstandsbediening buiten het bereik
van uw auto.
De afstandsbediening kan dan on-
bruikbaar worden en moet in dat
geval opnieuw worden geprogram-
meerd.
Let er bij het aanschaffen van een
gebruikte auto op dat uw sleutels
door het PEUGEOT-netwerk in het
elektronische geheugen worden
opgeslagen, zodat u er zeker van
kunt zijn dat de in uw bezit zijnde
sleutels de enige zijn waarmee de
auto kan worden gestart:
Breng geen wijzigingen aan in de
elektronische startblokkering.
Bij een storing in het systeem
zal, als het contact wordt aangezet
(2e stand van de sleutel), het verklik-
kerlampje van de schakelaar cen-
trale vergrendeling op het middelste
gedeelte van het dashboard snel
gaan knipperen.
De auto kan dan niet gestart wor-
den.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.
Bij verlies van de sleutels
Als u uw sleutels verliest, kunt u zich
met het kentekenbewijs van de auto
en uw identiteitsbewijs wenden tot
het PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan dan de
code van de sleutel en de afstands-
bediening achterhalen en nieuwe
sleutels bestellen.
59
TOEGANG TOT DE AUTO
-
PORTIEREN
Openen van binnenuit
Vergrendelen/ontgrendelen van
binnenuit
Waarschuwing "portier open"
Als bij draaiende motor een portier
niet goed is gesloten, zal een ge-
luidssignaal te horen zijn in combina-
tie met een melding of bijbehorende
afbeelding op het multifunctionele
display.
Tijdens het rijden gaat, als de knop
van de plafonnier in de stand "ver-
lichting gaat branden als een portier
wordt geopend" staat, de plafonnier
knipperen.
Zonder centrale vergrendeling
Druk de knop A in om het portier
te vergrendelen. De vergrendeling
werkt alleen voor het desbetreffende
portier.
Met de knop van het bestuurderspor-
tier kunnen het portier en de achter-
klep worden vergrendeld.
Trek aan de knop A of aan de hand-
greep om het portier te ontgrendelen.
Met centrale vergrendeling
Druk op de knop B om te vergrende-
len/ontgrendelen.
Openen van buitenaf
TOEGANG TOT DE AUTO
60 -
KINDERBEVEILIGING
Beide achterportieren zijn voorzien
van een kinderbeveiliging om het ope-
nen van binnenuit te verhinderen.
Draai de knop 1 een achtste omwen-
teling (45 graden) met de contact-
sleutel.
Automatische centrale
portiervergrendeling
Zodra sneller wordt gereden dan
10 km/h, kunnen de portieren auto-
matisch worden vergrendeld.
Druk om bij een snelheid hoger dan
10 km/h de portieren tijdelijk te ont-
grendelen kort op de knop B.
U kunt deze functie desgewenst in-
schakelen of uitschakelen.
Uitschakelen
Druk lang op de knop B.
Opmerkingen: als een van de portie-
ren geopend is, werken de vergrende-
ling van binnenuit en de automatische
centrale vergrendeling niet.
Als de achterklep is geopend, blijft de
automatische centrale vergrendeling
van de portieren actief.
Inschakelen
Druk lang op de knop B.
Bij het inschakelen van de functie is
een geluidssignaal te horen in com-
binatie met een melding op het multi-
functionele display.
Deze melding verschijnt opnieuw bij
iedere keer dat er gestart wordt.
61
TOEGANG TOT DE AUTO
-
VERGRENDELEN OF
ONTGRENDELEN VAN DE
ACHTERKLEP
Zonder centrale vergrendeling
Draai de sleutel van A naar C om de
klep te vergrendelen.
Draai de sleutel van A naar B en
druk de greep in, trek vervolgens de
achterklep open.
NOODBEDIENING
Hiermee kan bij een eventuele sto-
ring in de centrale vergrendeling, de
achterklep ontgrendeld worden:
- klap de achterbank naar
voren om vanuit de auto in de
bagageruimte te komen,
- trek aan de bekleding van
de achterklep om deze los te
maken,
- trek de slotstang 1 omhoog.
Waarschuwingsmelding
"achterklep open"
Als de achterklep niet goed is gesloten:
- wordt u bij draaiende motor
gewaarschuwd door een
geluidssignaal en een melding
of een afbeelding op het
multifunctionele display,
- gaat tijdens het rijden de
plafonnier knipperen als de knop
daarvan in deze stand staat.
Met centrale vergrendeling
Het vergrendelen en ontgrendelen
van de achterklep gebeurt gelijktijdig
met het ver- of ontgrendelen van de
portieren.
De verlichting van de bagageruim-
te gaat automatisch aan zodra de
achterklep geopend wordt.
TOEGANG TOT DE AUTO
62 -
MOTORKAP OPENEN
Binnenzijde: trek aan de hendel aan
de linkerzijde onder het dashboard.
Buitenzijde: druk de veiligheidshaak
omhoog en til de motorkap op.
MOTORKAPSTEUN
Plaats de stang in de uitsparing om
de motorkap te ondersteunen.
Druk de stang in de houder alvorens
de motorkap te sluiten.
BRANDSTOF TANKEN
Het tanken dient met afgezette mo-
tor te geschieden.
Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.
Trek de tankdop uit de vulopening.
Op een label staat de voorgeschre-
ven soort brandstof aangegeven.
Laat het vulpistool bij het aftanken
van de auto nooit meer dan 3 keer
automatisch uitspringen. Indien dit
wel gebeurt, kunnen er storingen op-
treden.
De inhoud van de brandstoftank
bedraagt ca. 50 liter.
Sluiten
Laat de motorkap voorzichtig zakken
en laat deze aan het einde van de
slag in het slot vallen.
Controleer of de motorkap goed ver-
grendeld is.
63
ZICHT
-
LICHTSCHAKELAAR
Overschakelen van dim- naar
grootlicht
Trek de hendel naar u toe.
Auto's met mistlampen vóór en
mistachterlicht (ring C)
Parkeerlichten
Dim-/grootlicht
Automatisch
inschakelen van de
verlichting
Mistachterlicht
Mistlampen vóór (draai de
ring 1 stand naar voren).
Mistlampen vóór en
mistachterlicht (draai
de ring 2 standen naar
voren).
Opmerking: draai de ring twee stan-
den naar achteren om achtereen-
volgens het mistachterlicht en de
mistlampen vóór te doven.
Opmerking: wanneer de verlichting
automatisch wordt uitgeschakeld of
het dimlicht met de lichtschakelaar
wordt uitgeschakeld, blijven de mist-
lampen vóór, het mistachterlicht en
de parkeerlichten branden (draai de
ring naar achteren om de mistlam-
pen vóór uit te schakelen. De par-
keerlichten worden dan automatisch
uitgeschakeld).
Auto's met mistachterlicht
(ring B)
Het mistachterlicht werkt alleen in
combinatie met dimlicht en grootlicht.
Opmerking: wanneer de verlichting
automatisch wordt uitgeschakeld,
blijven het mistachterlicht en het
dimlicht branden (draai de ring naar
achteren om het mistachterlicht uit
te schakelen. Het dimlicht en de par-
keerlichten worden dan automatisch
uitgeschakeld).
De mistlampen vóór werken in com-
binatie met de parkeerlichten en het
dimlicht.
Lichten uit
Mistlampen vóór/mistachterlicht
De mistlampen en het mistachterlicht
worden ingeschakeld door de ring
naar voren te draaien en uitgeschakeld
door de ring naar achteren te draaien.
Het branden van de mistlampen wordt
aangegeven door een verklikkerlamp-
je op het instrumentenpaneel.
Geluidssignaal vergeten verlichting
Als het contact is afgezet, het automatisch
inschakelen van de verlichting is uitge-
schakeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, klinkt een geluidssignaal om aan
te geven dat de verlichting nog brandt.
Verlichting vóór en achter
Draai ring A om de verlichting in te
schakelen.
ZICHT
64 -
Follow me home
De parkeer- en dimlichten kunnen ge-
durende ongeveer 30 seconden blij-
ven branden als u de auto verlaat:
- zet het contact in de stand
STOP.
- zet de verlichtingsschakelaar in
de stand 0.
- geef een lichtsignaal.
- verlaat en vergrendel de auto.
AUTOMATISCH
INSCHAKELEN VAN DE
VERLICHTING
Het parkeerlicht en het dimlicht wor-
den automatisch ingeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving on-
voldoende is of als de ruitenwissers
onafgebroken wissen en worden uit-
geschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving weer voldoende is of de
ruitenwissers worden uitgeschakeld.
Bij mist of sneeuw kan de lichtsen-
sor voldoende licht waarnemen en
zullen de lichten niet automatisch
worden ingeschakeld. Indien no-
dig moet u het dimlicht handmatig
inschakelen.

functie ingeschakeld.
In- of uitschakelen van de functie:
- zet het contact in de stand
accessoires (1e stand van de
sleutel).
- zet de lichtschakelaar in de
stand AUTO/0.
- houd het uiteinde van de
lichtschakelaar meer dan
4 seconden ingedrukt.
Dek de lichtsensor, die aan de re-
gensensor is gekoppeld en zich in
het midden van de voorruit, achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Deze sensor regelt de automati-
sche verlichting.
Controle van werking
Bij helder of regenachtig
weer, zowel overdag als 's
nachts, zijn de mistlampen
vóór en het mistachterlicht
verblindend voor medeweggebrui-
kers en daarom niet toegestaan.
Vergeet niet de mistlampen uit te
zetten zodra ze niet meer nodig
zijn.
Richtingaanwijzers
Links: omlaag.
Rechts: omhoog.
Uitschakelen
Bij het uitschakelen van de functie
klinkt een geluidssignaal.
Als de bestuurder de verlichting hand-
matig bedient, wordt de functie tijdelijk
uitgeschakeld.
Bij een storing in de lichtsensor
wordt de verlichting ingeschakeld,
klinkt een geluidssignaal en verschijnt
een melding op het multifunctionele
display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Inschakelen
Bij het inschakelen van de functie is
een geluidssignaal te horen en ver-
schijnt een melding op het multifunc-
tionele display.
ZICHT
64 -
Follow me home
De parkeer- en dimlichten kunnen ge-
durende ongeveer 30 seconden blij-
ven branden als u de auto verlaat:
- zet het contact in de stand
STOP.
- zet de verlichtingsschakelaar in
de stand 0.
- geef een lichtsignaal.
- verlaat en vergrendel de auto.
AUTOMATISCH
INSCHAKELEN VAN DE
VERLICHTING
Het parkeerlicht en het dimlicht wor-
den automatisch ingeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving on-
voldoende is of als de ruitenwissers
onafgebroken wissen en worden uit-
geschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving weer voldoende is of de
ruitenwissers worden uitgeschakeld.
Bij mist of sneeuw kan de lichtsen-
sor voldoende licht waarnemen en
zullen de lichten niet automatisch
worden ingeschakeld. Indien no-
dig moet u het dimlicht handmatig
inschakelen.

functie ingeschakeld.
In- of uitschakelen van de functie:
- zet het contact in de stand
accessoires (1e stand van de
sleutel).
- zet de lichtschakelaar in de
stand AUTO/0.
- houd het uiteinde van de
lichtschakelaar meer dan
4 seconden ingedrukt.
Dek de lichtsensor, die aan de re-
gensensor is gekoppeld en zich in
het midden van de voorruit, achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Deze sensor regelt de automati-
sche verlichting.
Controle van werking
Bij helder of regenachtig
weer, zowel overdag als 's
nachts, zijn de mistlampen
vóór en het mistachterlicht
verblindend voor medeweggebrui-
kers en daarom niet toegestaan.
Vergeet niet de mistlampen uit te
zetten zodra ze niet meer nodig
zijn.
Richtingaanwijzers
Links: omlaag.
Rechts: omhoog.
Uitschakelen
Bij het uitschakelen van de functie
klinkt een geluidssignaal.
Als de bestuurder de verlichting hand-
matig bedient, wordt de functie tijdelijk
uitgeschakeld.
Bij een storing in de lichtsensor
wordt de verlichting ingeschakeld,
klinkt een geluidssignaal en verschijnt
een melding op het multifunctionele
display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Inschakelen
Bij het inschakelen van de functie is
een geluidssignaal te horen en ver-
schijnt een melding op het multifunc-
tionele display.
65
ZICHT
-
RUITENWISSERSCHAKELAAR
Ruitenwissers vóór met
automatische stand
2 Hoge snelheid
(hevige neerslag).
1 Normale snelheid
(matige regenval).
AUTO Automatisch wissen.
0 Uit.
â Eén keer wissen
(omlaag duwen).
In de stand AUTO wordt de snelheid
van de wissers aangepast aan de
hoeveelheid neerslag.
Langer dan 1 minuut nadat het
contact is afgezet dient de schake-
laar weer geactiveerd te worden:
- zet de schakelaar in een
willekeurige stand.
- zet de schakelaar vervolgens in
de gewenste stand.
Ruitensproeiers en
koplampsproeiers
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u
toe. De ruitensproeiers treden in wer-
king, waarna gedurende enige tijd de
ruitenwissers worden ingeschakeld.
Als het dim-/grootlicht is ingeschakeld,
worden tegelijk ook de koplampsproeiers
geactiveerd.
Ruitenwissers vóór met
intervalstand
2 Hoge snelheid
(hevige neerslag).
1 Normale snelheid
(matige regenval).
I Interval.
0 Uit.
â Eén keer wissen
(omlaag duwen).
In de Intervalstand wordt de snelheid
van de wissers aangepast aan de rij-
snelheid.
ZICHT
66 -
Automatische ruitenwissers
In de stand AUTO werkt de ruiten-
wisser automatisch en wordt de
snelheid van de wissers aan de
hoeveelheid neerslag aangepast.
Dek de regensensor, op
de voorruit achter de bin-
nenspiegel, niet af.
Zet het contact uit als
de auto gewassen wordt in een
wasstraat of zorg ervoor dat de
schakelaar niet in de stand AUTO
staat.
Wacht 's winters met het inscha-
kelen van het automatisch wissen
tot de voorruit ontdooid is.
Ruitenwisser achter
Ruitensproeier achter
Draai de ring A in de eerste
stand voor de intervalscha-
keling.
Nadat het contact is afge-
zet en weer is aangezet, dient de
schakelaar opnieuw te worden ge-
activeerd. Zet daarvoor de schake-
laar eerst in een willekeurige stand en
zet hem vervolgens in de gewenste
stand.
Draai de ring A voorbij de
eerste stand, zodat de rui-
tensproeier in werking treedt
en vervolgens de ruitenwis-
ser enige tijd wordt inge-
schakeld.
Controle van werking
Inschakelen
Bij het inschakelen van de automati-
sche ruitenwissers verschijnt een mel-
ding op het multifunctionele display.
In het geval van een storing wordt
de bestuurder gewaarschuwd met
een geluidssignaal.
Als de schakelaar in de stand AUTO
staat, werken de ruitenwissers dan in
de intervalstand.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
Automatische werking
ruitenwisser achter
Als de ruitenwissers vóór zijn inge-
schakeld en u de achteruitversnel-
ling inschakelt, wordt de ruitenwisser
achter ingeschakeld in de interval-
stand.
Opmerking: laat bij gebruik van een
-
len door het PEUGEOT- netwerk of
maak gebruik van een speciale, door
het PEUGEOT-netwerk gehomolo-

67
ZICHT
-
BOORDCOMPUTER
Als de knop op het uiteinde van de
ruitenwisserschakelaar meermaals
wordt ingedrukt, worden achtereen-
volgens aangegeven:
Display B
- de actieradius,
- de afgelegde afstand,
- het gemiddelde verbruik,
- het momentele verbruik,
- de gemiddelde snelheid.
Op 0 zetten
Druk meer dan 2 seconden op de
knop.
Actieradius
In deze stand geeft de computer aan
hoeveel kilometer u nog met de res-
terende hoeveelheid brandstof kunt
rijden.
Opmerking: dit getal kan verhoogd
worden door een verandering in de
rijstijl of van het landschap, die een
aanzienlijke verlaging van het mo-
mentele verbruik tot gevolg heeft.
Als de actieradius minder dan
30 km bedraagt, worden drie streep-
jes weergegeven. Na het tanken
wordt de actieradius weer weerge-
geven zodra deze meer dan 100 km
bedraagt.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
wanneer er tijdens het rijden horizon-
tale streepjes in plaats van cijfers op
het display verschijnen.
Afgelegde afstand
In deze stand geeft de boordcom-
puter de afgelegde afstand sinds de
laatste nulstelling aan.
Gemiddeld verbruik
Dit is het gemiddelde brandstofver-
bruik sinds de laatse nulstelling van
de boordcomputer.
Momenteel verbruik
Dit is het gemiddelde brandstofver-
bruik dat geregistreerd is tijdens de
laatste seconden.
Deze informatie verschijnt alleen als
er met een snelheid van meer dan
30 km/h wordt gereden.
Gemiddelde snelheid
Dit is de gemiddelde snelheid sinds
de laatste nulstelling van de boord-
computer (contact aan).
ZICHT
68 -
ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN
2. Schakelaar ruitbediening
passagierszijde
ZIJRUITEN ACHTER
(3-DEURS)
Kantel de hendel naar voren en duw
de ruit open.
Neem bij het verlaten van
de auto, zelfs voor een
korte periode, altijd de
sleutel uit het contact.
Wanneer tijdens het bedienen van
de ruit iets tussen de ruit en de
sponning bekneld raakt, moet de
ruit weer worden geopend. Druk
daarvoor op de desbetreffende
schakelaar.
Wanneer de bestuurder de ruit
aan passagierszijde bedient, moet
deze ervan verzekerd zijn dat
niets het correcte sluiten van de
ruit verhindert.
De bestuurder moet ervan verze-
kerd zijn dat de passagiers op de
juiste manier gebruik maken van
de elektrische ruitbediening.
Zorg ervoor dat ook kinderen zich
tijdens het bedienen van de ruiten
niet kunnen bezeren.
Met behulp van deze schakelaar
kan de bediening van de elektrisch
bediende ruiten achter geblokkeerd
worden.
Druk 1 keer op de schakelaar (het
lampje van de knop gaat branden)
om de blokkering te activeren. Druk
nogmaals op de schakelaar (het
lampje gaat uit) om de blokkering te
deactiveren.
Blokkeerschakelaar elektrisch
bedienbare ruiten achter
(beveiliging voor kinderen)
1. Schakelaar ruitbediening
bestuurderszijde
- Handbediening:
Duw of trek de schakelaar 1 tot
het zware punt. De ruit stopt
zodra de toets wordt losgelaten.
- Automatische bediening:
Duw of trek de schakelaar 1 tot
voorbij het zware punt. De ruit
opent of sluit volledig.
Het automatisch sluiten werkt alleen
bij de ruit van het bestuurdersportier
en bij draaiende motor.
3. Schakelaar ruitbediening links
achter.
4. Schakelaar ruitbediening
rechts achter.
69
ZICHT
-
Binnenspiegel
De binnenspiegel kent 2 standen:
- dagstand (normaal),
- nachtstand (antiverblinding).
De spiegel kan in de dag- en nacht-
stand gezet worden met behulp van
het hendeltje aan de onderzijde.
Handmatig verstelbare
buitenspiegels
Stel de spiegel met behulp van de
hendel in de gewenste stand.
Tijdens het parkeren kunnen de bui-
tenspiegels handmatig ingeklapt
worden.
Elektrisch verstelbare
buitenspiegels
Draai knop 1 naar links of rechts om de
desbetreffende spiegel te selecteren.
Duw knop 1 in de vier richtingen om
de spiegel af te stellen.
De weergegeven objecten in
de spiegels aan bestuurders-
en passagierszijde lijken ver-
der af dan ze in werkelijkheid
zijn.
Hiermee moet rekening worden ge-
houden om de afstand ten opzichte
van achteropkomend verkeer goed
in te schatten.
Elektrisch inklapbare
spiegels
Draai, als het contact aan is, knop 1
in stand A.
INDELINGEN
70 -
KOPLAMPEN
VERSTELLEN
Afhankelijk van de belading van de
auto wordt aanbevolen de koplam-
pen te verstellen.
0. 1 of 2 personen op de
voorstoelen.
-. 3 personen.
1. 5 personen.
2. 5 personen + maximaal
toegestane belading.
3. Bestuurder + maximaal
toegestane belading.
Stand 0: basisinstelling.
STUURWIEL IN HOOGTE
VERSTELLEN
Druk bij stilstaande auto de hendel
naar beneden om het stuurwiel te ont-
grendelen.
Zet het stuurwiel in de gewenste
stand en trek aan de hendel om het
stuurwiel te vergrendelen.
CLAXON
Druk op een van de spaken
van het stuurwiel.
71
INDELINGEN
-
PLAFONNIERS
Kaartleeslampje (knop B)
Draai, als de sleutel in de stand acces-
soires staat of als het contact is aange-
zet, de knop B rechts- of linksom.
VENSTERS VOOR TOL-/
PARKEERKAARTEN
De athermische voorruit bevat twee
niet-reflecterende gedeelten aan
weerskanten van de binnenspiegel.
Hier kunnen de tol- en/of parkeer-
kaarten worden bevestigd.
ZONNEKLEP
De zonnekleppen zijn voorzien van
make-upspiegels, aan bestuurders-
zijde is deze met een klepje afge-
dekt.
Permanent uit.
Brandt constant als het
contact aan is of in de stand
accessoires staat.
Plafonnier vóór (knop A)
In deze stand gaat de plafon-
nier ongeveer 30 seconden
branden:
- als de auto wordt ontgrendeld,
- als een portier wordt geopend,
- als de achterklep wordt
geopend,
- als het contact wordt afgezet.
De plafonnier gaat uit als de auto
wordt vergrendeld.
De plafonnier knippert als tijdens het
rijden een portier of de achterklep
niet goed is gesloten.
INDELINGEN
72 -
DASHBOARDKASTJE
Trek aan de handgreep om het dash-
boardkastje te openen.
De verlichting van het dashboard-
kastje gaat dan branden.
1. Vak voor boorddocumentatie.
2. Bekerhouder.
3. Pennenhouder.
4. Brillenvak.
5. Kaartenvak.
6. Muntenvak.
ASBAK VÓÓR
Sluit de asbak om deze te verwijderen.
Trek aan de lip en trek de asbak om-
hoog.
AANSTEKER
Druk de aansteker in en wacht en-
kele ogenblikken tot de aansteker uit
zichzelf terugspringt.
Hij kan worden gebruikt als het con-
tact in de stand accessoires (1e stand
van de sleutel) of AAN staat.
73
INDELINGEN
-
Bagagenet
Bevestig het bagagenet aan de sjoro-
gen op de vloer van de bagageruimte
en op de achterbankleuning.
Er zijn meerdere mogelijkheden om
de hoedenplank op te bergen:
- achter de voorstoelen,
- achter de achterbank, met
behulp van het bagagenet,
- plat in de bagageruimte.
Hoedenplank
Verwijderen van de hoedenplank:
- maak de twee koorden 1 los,
- til de hoedenplank iets op en
verwijder hem.
INDELING BAGAGERUIMTE
Riemen
Met behulp van een riem aan de zij-
kant van de bagageruimte kunnen
diverse voorwerpen (bidons, ver-
bandtrommel, ...) worden vastgezet.
RIJDEN
74 -
AUTOMATISCHE
TRANSMISSIE MET
"TIPTRONIC TECHNIEK
SYSTEEM PORSCHE"
Bij de automatische transmissie
met vier versnellingen kunt u kiezen
uit automatische bediening, aange-
vuld met de programma's sport en
sneeuw, of sequentiële bediening.
Schakelpatroon
F Kies de gewenste stand
door de selectiehendel in het
schakelpatroon te verplaatsen.
De gekozen stand wordt
met een pictogram in het
instrumentenpaneel aangegeven.
Park (parkeerstand): om de auto stil
te zetten of te starten, met of zonder
gebruik van de handrem.
Reverse (achteruitversnelling): om
achteruit te rijden (schakel deze
stand alleen in als de auto stilstaat
en de motor stationair draait).
Neutral (neutraalstand): om de motor
te starten en de auto te parkeren,
met gebruik van de handrem.
Laat, als bij het wegrijden per ongeluk de
selectiehendel in de stand N staat, het
motortoerental terugvallen tot stationair
voordat de stand D wordt geselecteerd
om vervolgens weer gas te geven.
Drive (rijstand): om automatisch te
schakelen tijdens het rijden.
Manual (sequentiële stand): om zelf
te schakelen.
S: programma sport.
T: programma sneeuw.
Wegrijden
Starten in de stand P en wegrijden:
F Trap altijd het rempedaal in
om uit de stand P te kunnen
schakelen,
F Selecteer de stand R, D of M en
laat langzaam het rempedaal
los; de auto begint te rijden.
U kunt ook starten vanuit de stand N:
F Trap het rempedaal in en zet de
handrem los,
F Selecteer de stand R, D of M en
laat langzaam het rempedaal
los; de auto begint te rijden.
Starten
F Controleer of de handrem
is aangetrokken en zet de
selectiehendel in stand P of N,
F Draai het contact in de stand
Starten.
LET OP
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en de stand
R, D of M is geselecteerd, zet de
auto zich al in beweging, zelfs als het
gaspedaal niet wordt ingedrukt.
Laat daarom geen kinderen al-
leen in de auto achter als de motor
draait.
Trek de handrem aan en selecteer
de stand P indien er onderhouds-
werkzaamheden moeten worden uit-
gevoerd bij draaiende motor.
75
RIJDEN
-
Automatische bediening
Automatisch schakelen in de vier
versnellingen:
F Selecteer de stand D in het
schakelpatroon.
De versnellingsbak kiest voortdurend
de meest geschikte versnelling afhan-
kelijk van de volgende parameters:
 
- de belading van de auto.
De versnellingsbak werkt dan auto-
matisch, zonder dat u zelf hoeft te
schakelen.
Om de veiligheid te verbeteren scha-
kelt de versnellingsbak niet naar een
hogere versnelling als u het gaspe-
daal plotseling loslaat.
Handmatige bediening
Handmatig schakelen in de vier ver-
snellingen:
F Selecteer de stand M in het
schakelpatroon,
F Duw de selectiehendel naar het
symbool + om op te schakelen,
F Trek de selectiehendel naar
het symbool - om terug te
schakelen.
Er kan elk moment van de stand D
(rijden in de automatische stand)
naar de stand M (rijden in de handbe-
diende stand) worden geschakeld.
LET OP
Zet de selectiehendel nooit in de
stand N als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand P of R als de auto niet volledig
stilstaat.
Zet de selectiehendel nooit in een
andere stand om af te remmen op
een glad wegdek.
Opmerkingen
Voor een maximale acceleratie zon-
der de stand van de selectiehendel
te wijzigen, moet het gaspedaal vol-
ledig worden ingedrukt (kick down).
De versnellingsbak schakelt automa-
tisch terug of handhaaft de ingescha-
kelde versnelling totdat de motor het
maximum toerental bereikt.
Bij het remmen schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug om ster-
ker op de motor af te remmen.
Programma's Sport en Sneeuw
Naast het auto-adaptieve program-
ma heeft u de beschikking over twee

De gekozen stand wordt in het instru-
mentenpaneel aangegeven.
Programma Sport
F Druk op de toets S als de motor
is gestart.
De versnellingsbak maakt automa-
tisch een dynamische rijstijl mogelijk.
Programma Sneeuw
Dit programma zorgt ervoor dat u ge-
makkelijker kunt rijden op een onder-
grond met weinig grip.
F Druk op de toets T als de motor
is gestart.
De versnellingsbak past zich aan
voor het rijden op gladde wegen.
Opmerking: U kunt op elk moment
terugkeren naar het auto-adaptatie-
ve programma.
F Druk nogmaals op de toets S of
T om het huidige programma uit
te schakelen.
Opmerkingen
Het schakelen naar een andere ver-
snelling kan alleen als de snelheid
van de auto en het toerental van de
motor dit toestaan, anders wordt er
tijdelijk overgegaan op de automati-
sche bediening.
Als de auto stopt of langzaam rijdt,
kiest de automatische transmissie
automatisch de stand M1.
De programma's S (sport) en T
(sneeuw) kunnen niet worden inge-
schakeld in de handbediende stand.
RIJDEN
76 -
HANDREM
Storing
Een storing wordt aangegeven door
een geluidssignaal in combinatie met
de melding "Storing automatische
transmissie" op het multifunctio-
nele display, de aanduiding "-" en
het knipperen van de pictogrammen
Sport en Sneeuw op het instrumen-
tenpaneel.
In dit geval werkt de versnellingsbak
met een noodprogramma (blokkering
in de 3e versnelling). U kunt dan een
hevige schok waarnemen bij het se-
lecteren van R vanuit de stand P, of
R vanuit de stand N, (zonder gevaar
voor de versnellingsbak).
Rijd niet harder dan 100 km/h of de
ter plaatse geldende maximumsnel-
heid.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Als de accu geen stroom
levert en de selectiehen-
del in de stand P staat,
is het onmogelijk om
naar een andere stand te
schakelen.
Forceer in geen enkel geval de
selectiehendel; dit kan schade
aan de automatische transmissie
veroorzaken.
Als tijdens het rijden dit ver-
klikkerlampje en het verklik-
kerlampje STOP branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op
het multifunctionele display, geeft dit
aan dat de handrem nog(iets) is aan-
getrokken.
Draai bij het parkeren van
de auto op een helling de
wielen richting trottoir, trek
de handrem aan en scha-
kel een versnelling in.
Aantrekken
Trek, als de auto volledig stilstaat, de
handrem aan.
Loszetten
Trek aan de hefboom, druk de knop
in en duw de handrem geheel om-
laag.
RIJDEN
76 -
HANDREM
Storing
Een storing wordt aangegeven door
een geluidssignaal in combinatie met
de melding "Storing automatische
transmissie" op het multifunctio-
nele display, de aanduiding "-" en
het knipperen van de pictogrammen
Sport en Sneeuw op het instrumen-
tenpaneel.
In dit geval werkt de versnellingsbak
met een noodprogramma (blokkering
in de 3e versnelling). U kunt dan een
hevige schok waarnemen bij het se-
lecteren van R vanuit de stand P, of
R vanuit de stand N, (zonder gevaar
voor de versnellingsbak).
Rijd niet harder dan 100 km/h of de
ter plaatse geldende maximumsnel-
heid.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Als de accu geen stroom
levert en de selectiehen-
del in de stand P staat,
is het onmogelijk om
naar een andere stand te
schakelen.
Forceer in geen enkel geval de
selectiehendel; dit kan schade
aan de automatische transmissie
veroorzaken.
Als tijdens het rijden dit ver-
klikkerlampje en het verklik-
kerlampje STOP branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op
het multifunctionele display, geeft dit
aan dat de handrem nog(iets) is aan-
getrokken.
Draai bij het parkeren van
de auto op een helling de
wielen richting trottoir, trek
de handrem aan en scha-
kel een versnelling in.
Aantrekken
Trek, als de auto volledig stilstaat, de
handrem aan.
Loszetten
Trek aan de hefboom, druk de knop
in en duw de handrem geheel om-
laag.
77
RIJDEN
-
SNELHEIDSBEGRENZER
Deze snelheidsbegrenzer is van de
nieuwste generatie, waarbij de inge-
stelde snelheid wordt weergegeven
op een display op het instrumenten-
paneel.
Met dit systeem kan de bestuurder
een maximumsnelheid instellen, zo-
dat deze niet wordt overschreden.
Als de maximumsnelheid is bereikt,
heeft het dieper intrappen van het
gaspedaal geen effect.
De begrenzer werkt met een inge-
stelde snelheid vanaf 30 km/h en
blijft ook bij bediening van het rem- of
koppelingspedaal geactiveerd.
Het systeem kan worden bediend:
- bij stilstaande auto, met
draaiende motor,
of
- tijdens het rijden.
Op dat moment gaat ook het
verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel branden.
Weergave op het
instrumentenpaneel
Druk, als de snelheidsbegrenzer is
geactiveerd, op deze knop om de ki-
lometerteller/dagteller weer te geven.
Na enkele seconden, of door nog-
maals op de knop te drukken, keert
het display terug naar de weergave
van de snelheidsbegrenzer.
Selecteren van de functie
F Draai de knop 1 in de stand
LIMIT. De begrenzer is dan nog
niet actief. Het display geeft het
volgende weer.
Instellen van een snelheid
Er kan een snelheid worden ingesteld
zonder de begrenzer in te schakelen.
Als de toets 2 of 3 kort wordt inge-
drukt, wordt de ingestelde snelheid
met 1 km/h verlaagd of verhoogd.
Druk lang op de toets om de ingestel-
de snelheid met 5 km/h te verlagen
of verhogen.
Houd de toets ingedrukt om de inge-
stelde snelheid in stappen van 5 km/h
te verlagen of verhogen.
Inschakelen/uitschakelen van de
begrenzer
Druk op de toets 4 om de begren-
zer in te schakelen. Druk nogmaals
op de toets om de begrenzer uit te
schakelen.
Als de begrenzer is ingeschakeld,
verschijnt op het display (bijv. bij
110 km/h):
RIJDEN
78 -
Overschrijden van de ingestelde
snelheid
Als het gaspedaal geleidelijk dieper
wordt ingetrapt, wordt de snelheid
niet verhoogd. Als het gaspedaal
echter met kracht wordt ingetrapt,
tot voorbij het zware punt,
wordt de begrenzer tijdelijk uitge-
schakeld en knippert de ingestel-
de snelheid op het display (bijv. bij
110 km/h):
Opmerking: ook als de begrenzer
(bijv. bij een steile afdaling) niet kan
voorkomen dat de ingestelde snel-
heid wordt overschreden, knippert
deze snelheid op het display.
Laat om de begrenzer weer in te
schakelen het gaspedaal los om de
wagensnelheid te verlagen tot een
snelheid lager dan de ingestelde
snelheid.
Uitschakelen van de functie
F Draai de knop 1 in de stand
0 of zet het contact af om het
systeem uit te schakelen. De
laatst ingestelde snelheid blijft in
het geheugen opgeslagen.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
Storing
In het geval van een storing van de
snelheidsbegrenzer wordt de inge-
stelde snelheid gewist en verschijnt
het volgende op het display:
Bij een steile afdaling of bij
het krachtig intrappen van het
gaspedaal, kan de snelheids-
begrenzer niet voorkomen
dat de ingestelde snelheid
wordt overschreden.
Bij het gebruik van de snelheidsbegren-
zer moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn aan-
dacht op het verkeer blijven vestigen
en zijn verantwoordelijkheid nemen.
Om te voorkomen dat de werking
van de pedalen wordt gehinderd:
-
controleer of de mat goed op zijn plaats
ligt en of deze goed is bevestigd.
-
leg nooit meerdere matten boven op
elkaar.
Het is raadzaam uw voeten altijd dicht bij de
pedalen te houden.
79
RIJDEN
-
SNELHEIDSREGELAAR
Deze snelheidsregelaar van de laat-
ste generatie geeft de ingestelde
snelheid weer op het instrumenten-
paneel.
Hiermee kan de bestuurder met een
constante ingestelde snelheid rijden.
Deze voorziening werkt alleen bij
snelheden boven ongeveer 40 km/h
vanaf de 4e versnelling bij auto's met
handgeschakelde versnellingsbak.
Bij auto's met automatische trans-
missie moet bij een snelheid hoger
dan 40 km/h de selectiehendel in de
stand D staan of moet in de sequen-
tiële stand minimaal de tweede ver-
snelling zijn ingeschakeld.
Op dat moment gaat ook het
verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel branden.
Weergave op het
instrumentenpaneel
Druk, als de snelheidsregelaar is ge-
activeerd, op deze knop om de kilo-
meterteller/dagteller weer te geven.
Na enkele seconden, of door nog-
maals op de knop te drukken, keert
het display terug naar de weergave
van de snelheidsregelaar.
Selecteren van de functie
F Zet de draaiknop 1 in de stand
CRUISE. De snelheidsregelaar
is nog niet geactiveerd en er is
nog geen snelheid ingesteld.
Op het display verschijnt
achtereenvolgens:
Eerste keer activeren/instellen
van een snelheid
Druk op de toets 2 of 3 zodra de
gewenste snelheid is bereikt. De
snelheid is nu in het geheugen op-
geslagen en op het display verschijnt
(bijv. bij 110 km/h):
Opmerking: het is mogelijk even gas
te geven zonder dat de snelheidsre-
gelaar wordt uitgeschakeld. De inge-
stelde snelheid zal dan knipperen.
Als het gaspedaal wordt losgelaten,
wordt de ingestelde snelheid weer
aangenomen.
Snelheidsregelaar onderbreken
Als u het rijden met de snelheidsre-
gelaar wilt onderbreken:
F Druk op de toets 4 of trap op het
rem- of koppelingspedaal.
Op het display verschijnt (bijv. bij 110 km/h):
Het verklikkerlampje op het instru-
mentenpaneel gaat uit.
RIJDEN
80 -
Snelheidsregelaar opnieuw
activeren
Druk, na het onderbreken van de
snelheidsregelaar, op de toets 4. De
auto neemt de laatst ingestelde snel-
heid weer aan.
Op het display verschijnt (bijv. bij 110 km/h):
U kunt de snelheidsregelaar ook op-
nieuw activeren door op de toets 2 of
3 te drukken. Het systeem slaat dan
de snelheid op waarmee op dat mo-
ment gereden wordt.
Ingestelde snelheid wijzigen
Voor het verhogen van de ingestelde
snelheid zijn er twee mogelijkheden:
Zonder het gaspedaal te gebruiken:
F Druk op de toets 3.
Als de toets kort wordt ingedrukt,
wordt de snelheid met 1 km/h ver-
hoogd.
Als de toets lang wordt ingedrukt,
wordt de snelheid met 5 km/h ver-
hoogd.
Als de toets ingedrukt gehouden
wordt, wordt de snelheid in stappen
van 5 km/h verhoogd.
Met het gaspedaal:
F Geef gas tot de gewenste
snelheid is bereikt,
F Druk op de toets 2 of 3.
Ingestelde snelheid verlagen:
F Druk op de toets 2.
Als de toets kort wordt ingedrukt, wordt
de snelheid met 1 km/h verlaagd.
Als de toets lang wordt ingedrukt, wordt
de snelheid met 5 km/h verlaagd.
Als de toets ingedrukt gehouden
wordt, wordt de snelheid in stappen
van 5 km/h verlaagd.
Ingestelde snelheid annuleren
F Als bij stilstaande auto het
contact wordt afgezet, wordt de
ingestelde snelheid gewist.
Uitschakelen van de functie
F Draai de knop 1 in de stand 0
om het systeem uit te schakelen.
Storing
In het geval van een storing van de snel-
heidsregelaar wordt de ingestelde snel-
heid gewist en knipperen de streepjes
gedurende enkele seconden:
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
Let bij het wijzigen van de
ingestelde snelheid door
het ingedrukt houden van
de toets goed op omdat
de snelheid zeer snel kan worden
verhoogd of verlaagd.
Gebruik de snelheidsregelaar niet op
gladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan de snelheids-
regelaar niet voorkomen dat de inge-
stelde snelheid wordt overschreden.
Bij het gebruik van de snelheidsrege-
laar moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn aan-
dacht op het verkeer blijven vestigen
en zijn verantwoordelijkheid nemen.
Om te voorkomen dat de werking van de
pedalen wordt gehinderd:
-
controleer of de mat goed op zijn plaats
ligt en of deze goed bevestigd is.
- leg nooit meerdere matten
boven op elkaar.
Het is raadzaam uw voeten altijd dicht bij
de pedalen te houden.
81
VEILIGHEID
-
ANTIBLOKKEERSYSTEEM
(ABS) EN
ELEKTRONISCHE
REMDRUKREGELAAR (REF)
Het antiblokkeersysteem zorgt sa-
men met de elektronische remdruk-
regelaar tijdens het remmen voor
een betere stabiliteit en handelbaar-
heid van uw auto, vooral op slecht of
glad wegdek.
Zorg er bij het vervangen van de wie-
len (banden en velgen) voor dat er
gehomologeerde wielen worden ge-
monteerd.
Het antiblokkeersysteem treedt au-
tomatisch in werking als één van de
wielen dreigt te blokkeren.
NOODREMASSISTENTIE
Dit systeem zorgt ervoor dat in nood-
gevallen de optimale remdruk sneller
wordt bereikt, zodat de remafstand
kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld
als de snelheid waarmee het rem-
pedaal wordt ingedrukt groot is en
zorgt ervoor dat de benodigde be-
dieningskracht minder wordt en dat
de effectiviteit van het remmen wordt
vergroot.
Trap bij een noodstop het rempedaal
volledig in zonder los te laten.
Bij een noodstop worden, afhankelijk
van de optredende remvertraging,
de alarmknipperlichten automatisch
ingeschakeld. Ze worden uitgescha-
keld zodra weer wordt gasgegeven.
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding, duidt dit op een sto-
ring in het antiblokkeersysteem, waar-
door u tijdens het remmen de controle
over de auto zou kunnen verliezen.
Als dit verklikkerlampje en
het verklikkerlampje STOP
gaan branden in combinatie
met een geluidssignaal en
een melding, duidt dit op een storing
van de elektronische remdrukrege-
laar, waardoor u tijdens het remmen
de controle over de auto zou kunnen
verliezen.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg in beide gevallen het
PEUGEOT-netwerk.
De normale werking van het anti-
blokkeersysteem kan merkbaar zijn
door trillingen in het rempedaal.
Trap het rempedaal bij een nood-
stop zo krachtig mogelijk in en
laat het niet los.
VEILIGHEID
82 -
ANTISPINREGELING
(ASR) EN ELEKTRONISCH
STABILITEITSPROGRAMMA
(ESP)
Uitschakelen van het ASR/ESP-
systeem
In bijzondere omstandigheden (als de
auto vastzit in de modder, sneeuw, in
mulle grond,...) kan het nuttig zijn het
ASR- en ESP-systeem uit te schake-
len, zodat de wielen kunnen spinnen
en weer grip kunnen krijgen.
F Druk op de schakelaar "ESP
OFF", die zich links onder het
stuurwiel bevindt.
Controle van werking
De systemen ASR en ESP
zorgen voor meer veilig-
heid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich ech-
ter nooit laten verleiden tot het ne-
men van meer risico's of te hard
rijden.
De goede werking van de syste-
men wordt verzekerd door de na-
leving van de voorschriften van
de constructeur op het gebied
van wielen (banden en velgen),
onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen en de
procedures voor montage en het
uitvoeren van werkzaamheden
door het PEUGEOT-netwerk.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Werking van het ASR- en
ESP-systeem
Het verklikkerlampje van de
schakelaar en het pictogram
gaan branden in combinatie
met een melding op het mul-
tifunctionele display: het ASR/ ESP-
systeem is uitgeschakeld.
Het systeem wordt opnieuw:
F automatisch ingeschakeld als
het contact wordt afgezet.
F handmatig ingeschakeld door
nogmaals op de schakelaar te
drukken.
Bij een storing in de syste-
men zal het verklikkerlamp-
je van de schakelaar gaan
knipperen en het pictogram
verschijnen.Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk om de systemen
te laten controleren.
Als het ASR- of ESP-sy-
steem ingrijpt, knippert het
desbetreffende pictogram.
Inschakelen van het ASR- en
ESP-systeem
Als het contact is aangezet, zijn het
ASR- en ESP-systeem altijd inge-
schakeld.
Deze systemen staan in verbinding
met het ABS en zijn hier een aanvul-
ling op.
Het ASR-systeem past de aandrijf-
kracht aan om het doorspinnen van
de wielen te voorkomen via de rem-
men van de aangedreven wielen en
de motor. De ASR zorgt ook voor
meer koersstabiliteit bij het accele-
reren.
Het ESP-systeem grijpt automatisch
in via het remsysteem en de motor
als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste
richting. In extreme situaties kan het
systeem de auto echter niet altijd on-
der controle houden.
83
VEILIGHEID
-
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen
voor een betere veiligheid van de in-
zittenden bij ernstige aanrijdingen: ze
vormen een aanvulling op de werking
van de veiligheidsgordels met gordel-
krachtbegrenzers. De elektronische
schoksensoren registreren in dat ge-
val de frontale en zijdelingse aanrijdin-
gen waaraan de registratiezones voor
een aanrijding (zie schema) worden
blootgesteld: als de drempelwaarde
voor het in werking treden wordt over-
schreden, worden de airbags onmid-
dellijk opgeblazen en beschermen ze
de inzittenden van de auto.
Direct na de aanrijding ontsnapt het
gas zodat noch het zicht, noch het
eventueel verlaten van de auto door
de inzittenden wordt belemmerd.
Bij een minder ernstige aanrijding of
een aanrijding van achteren en in be-
paalde gevallen waarin de auto over
de kop slaat, treden de airbags niet
in werking. De veiligheidsgordels
zorgen in deze situaties voor een af-
doende bescherming. De kracht van
de aanrijding is afhankelijk van het
soort obstakel en de snelheid van de
auto op dat moment.
De airbags werken alleen als het
contact aan is.
Opmerking: het uit de air-
bags ontsnappende gas kan
enigszins irriteren.
Registratiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het multifunc-
tionele display, raadpleeg dan het
PEUGEOT-netwerk om het systeem
te laten controleren. De kans bestaat
dat de airbags bij een ernstige aanrij-
ding niet worden geactiveerd.
Storing airbag vóór
AIRBAGS VÓÓR
Deze zijn voor de bestuurder in het mid-
den van het stuurwiel en voor de pas-
sagier in het dashboard aangebracht.
Ze worden tegelijkertijd geactiveerd,
behalve als de airbag aan passagiers-
zijde is uitgeschakeld, bij een ernstige
frontale aanrijding binnen de impact-
zone A, in de lengterichting van de
auto en vanaf de voorzijde richting de
achterzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De airbag wordt opgeblazen tussen de
inzittende vóór en het dashboard om
de voorwaartse beweging van de inzit-
tende te dempen. De kans op hoofd- en
borstletsel wordt daardoor verminderd.
VEILIGHEID
84 -
ZIJ-AIRBAGS EN
WINDOW-AIRBAGS
De zij-airbags zijn aan de zijde van
de portieren in de rugleuningen van
de voorstoelen aangebracht.
De zij-airbags worden aan de des-
betreffende zijde opgeblazen bij een
ernstige zijdelingse aanrijding binnen
de impactzone opzij B, loodrecht op
de lengteas van de auto en vanaf de
buitenzijde richting de binnenzijde
van de auto, die zich op een hori-
zontale ondergrond moet bevinden.
De zij-airbag wordt opgeblazen tus-
sen de inzittende vóór en het des-
betreffende portierpaneel. De kans
op borstletsel bij de voorpassagiers
wordt daardoor verminderd.
De achterpassagiers worden door de
zij-airbags achter op dezelfde manier
beschermd als de voorpassagiers
door de zij-airbags vóór.
Het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel brandt
zolang de airbag is uitge-
schakeld.
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het multifunc-
tionele display, raadpleeg dan het
PEUGEOT-netwerk om het systeem
te laten controleren. De kans bestaat
dat de airbags bij een ernstige aanrij-
ding niet worden geactiveerd.
Uitschakeling (controle) De window-airbags zijn aangebracht
in de hemelbekleding.
De window-airbag wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór en achter
en de ruiten. De kans op hoofdletsel
wordt daardoor verminderd. Bij een
lichte aanrijding of bij over de kop
slaan, kan het zijn dat de airbag niet
wordt geactiveerd. Bij een aanrijding
van achteren of een frontale aanrijding
wordt de airbag niet geactiveerd.
Uitschakelen airbag aan
passagierszijde
Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag aan passagierszij-
de altijd uit als u een kinderzitje
met de rug in de rijrichting op de
voorstoel plaatst. Anders kan een
kind bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken.
F Zet het contact uit, steek de
sleutel in de schakelaar voor
uitschakelen van de airbag aan
passagierszijde 1, draai deze in
de stand "OFF" en verwijder de
sleutel zonder de stand van de
schakelaar te veranderen.
In de stand "OFF" werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventu-
ele aanrijding niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd,
zet dan de schakelaar weer in de
stand "ON" om de airbag opnieuw in
te schakelen en zo de veiligheid van
uw passagier te garanderen.
Storing airbags
85
VEILIGHEID
-
Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften
voor een maximale effec-
tiviteit van de airbags:
Draag altijd een correct afgestelde
veiligheidsgordel.
Maak er een gewoonte van om nor-
maal rechtop in de voorstoelen te
zitten.
Zorg dat er zich niets bevindt tus-
sen de airbag en de inzittenden
(kinderen, huisdieren, objecten...).
Dit kan de goede werking van de
airbag belemmeren en/of de inzit-
tende bij het opblazen van de air-
bag verwonden.
Het is beslist niet toegestaan om
werkzaamheden uit te voeren
aan airbagsystemen. Alleen het
PEUGEOT-netwerk heeft hiervoor

Laat na een aanrijding of diefstal
van uw auto de airbagsystemen
controleren.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spa-
ken vast en laat uw handen niet op
het stuurwielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten
niet op het dashboard rusten.
Tracht roken in de auto zoveel moge-
lijk te vermijden. Als de airbag wordt
opgeblazen, kunnen brandende si-
garetten of een pijp brandwonden of
ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak
geen gaten in de stuurwielbekleding
en sla er niet op.
Window-airbags
Bevestig nooit iets op de stijlen of
op de hemelbekleding, dit zou bij
het afgaan van de window-airbags
kunnen leiden tot hoofdletsel.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat onschadelijke rook
en een knal, als gevolg van de acti-
vering van de pyrotechnische lading
die in het systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan
irriterend zijn voor personen die hier
gevoelig voor zijn. De knal die bij
de ontsteking wordt geproduceerd,
kan het gehoor gedurende een kor-
te periode enigszins verminderen.
Zelfs als alle bovenstaande voor-
schriften worden nageleefd, blijft
de kans bestaan op letsel en lichte
brandwonden aan het hoofd, de
borst of de armen als de airbag
wordt geactiveerd. De airbag wordt
namelijk zeer snel opgeblazen (bin-
nen ongeveer 30 milliseconden) en
loopt vervolgens even snel leeg,
waarbij de warme gassen via de
daarvoor bestemde openingen naar
buiten stromen.
De airbags werken slechts een-
maal. Als er een tweede aanrijding
plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een
volgend ongeval), werken de air-
bags niet meer.
Zij-airbags
Bedek de stoelen alleen met goedge-
keurde stoelhoezen. Deze belemme-
ren het activeren van de zij-airbags
niet. Raadpleeg het PEUGEOT-net-
werk.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning
van de stoelen, dit zou bij het afgaan
van de airbags kunnen leiden tot ver-
wondingen aan armen of middel.
Ga niet onnodig dicht tegen het por-
tierpaneel zitten.
VEILIGHEID
84 -
ZIJ-AIRBAGS EN
WINDOW-AIRBAGS
De zij-airbags zijn aan de zijde van
de portieren in de rugleuningen van
de voorstoelen aangebracht.
De zij-airbags worden aan de des-
betreffende zijde opgeblazen bij een
ernstige zijdelingse aanrijding binnen
de impactzone opzij B, loodrecht op
de lengteas van de auto en vanaf de
buitenzijde richting de binnenzijde
van de auto, die zich op een hori-
zontale ondergrond moet bevinden.
De zij-airbag wordt opgeblazen tus-
sen de inzittende vóór en het des-
betreffende portierpaneel. De kans
op borstletsel bij de voorpassagiers
wordt daardoor verminderd.
De achterpassagiers worden door de
zij-airbags achter op dezelfde manier
beschermd als de voorpassagiers
door de zij-airbags vóór.
Het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel brandt
zolang de airbag is uitge-
schakeld.
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het multifunc-
tionele display, raadpleeg dan het
PEUGEOT-netwerk om het systeem
te laten controleren. De kans bestaat
dat de airbags bij een ernstige aanrij-
ding niet worden geactiveerd.
Uitschakeling (controle) De window-airbags zijn aangebracht
in de hemelbekleding.
De window-airbag wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór en achter
en de ruiten. De kans op hoofdletsel
wordt daardoor verminderd. Bij een
lichte aanrijding of bij over de kop
slaan, kan het zijn dat de airbag niet
wordt geactiveerd. Bij een aanrijding
van achteren of een frontale aanrijding
wordt de airbag niet geactiveerd.
Uitschakelen airbag aan
passagierszijde
Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag aan passagierszij-
de altijd uit als u een kinderzitje
met de rug in de rijrichting op de
voorstoel plaatst. Anders kan een
kind bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken.
F Zet het contact uit, steek de
sleutel in de schakelaar voor
uitschakelen van de airbag aan
passagierszijde 1, draai deze in
de stand "OFF" en verwijder de
sleutel zonder de stand van de
schakelaar te veranderen.
In de stand "OFF" werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventu-
ele aanrijding niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd,
zet dan de schakelaar weer in de
stand "ON" om de airbag opnieuw in
te schakelen en zo de veiligheid van
uw passagier te garanderen.
Storing airbags
85
VEILIGHEID
-
Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften
voor een maximale effec-
tiviteit van de airbags:
Draag altijd een correct afgestelde
veiligheidsgordel.
Maak er een gewoonte van om nor-
maal rechtop in de voorstoelen te
zitten.
Zorg dat er zich niets bevindt tus-
sen de airbag en de inzittenden
(kinderen, huisdieren, objecten...).
Dit kan de goede werking van de
airbag belemmeren en/of de inzit-
tende bij het opblazen van de air-
bag verwonden.
Het is beslist niet toegestaan om
werkzaamheden uit te voeren
aan airbagsystemen. Alleen het
PEUGEOT-netwerk heeft hiervoor

Laat na een aanrijding of diefstal
van uw auto de airbagsystemen
controleren.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spa-
ken vast en laat uw handen niet op
het stuurwielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten
niet op het dashboard rusten.
Tracht roken in de auto zoveel moge-
lijk te vermijden. Als de airbag wordt
opgeblazen, kunnen brandende si-
garetten of een pijp brandwonden of
ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak
geen gaten in de stuurwielbekleding
en sla er niet op.
Window-airbags
Bevestig nooit iets op de stijlen of
op de hemelbekleding, dit zou bij
het afgaan van de window-airbags
kunnen leiden tot hoofdletsel.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat onschadelijke rook
en een knal, als gevolg van de acti-
vering van de pyrotechnische lading
die in het systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan
irriterend zijn voor personen die hier
gevoelig voor zijn. De knal die bij
de ontsteking wordt geproduceerd,
kan het gehoor gedurende een kor-
te periode enigszins verminderen.
Zelfs als alle bovenstaande voor-
schriften worden nageleefd, blijft
de kans bestaan op letsel en lichte
brandwonden aan het hoofd, de
borst of de armen als de airbag
wordt geactiveerd. De airbag wordt
namelijk zeer snel opgeblazen (bin-
nen ongeveer 30 milliseconden) en
loopt vervolgens even snel leeg,
waarbij de warme gassen via de
daarvoor bestemde openingen naar
buiten stromen.
De airbags werken slechts een-
maal. Als er een tweede aanrijding
plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een
volgend ongeval), werken de air-
bags niet meer.
Zij-airbags
Bedek de stoelen alleen met goedge-
keurde stoelhoezen. Deze belemme-
ren het activeren van de zij-airbags
niet. Raadpleeg het PEUGEOT-net-
werk.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning
van de stoelen, dit zou bij het afgaan
van de airbags kunnen leiden tot ver-
wondingen aan armen of middel.
Ga niet onnodig dicht tegen het por-
tierpaneel zitten.
VEILIGHEID
86 -
VEILIGHEIDSGORDELS
Hoogteverstelling van de veilig-
heidsgordel:
- Verlagen: trek de knop
naar u toe en schuif het
bevestigingspunt omlaag.
- Verhogen: schuif het
bevestigingspunt omhoog.
De veiligheidsgordel omdoen
F Trek de gordel om u heen
en steek de gesp in de
gordelsluiting.
F Trek aan de gordel om de
vergrendeling van de gesp te
controleren.
De veiligheidsgordel losmaken
F Druk op de knop van de
gordelsluiting.
Verklikkerlampje
veiligheidsgordel bestuurder
Als het contact wordt aange-
zet, gaat dit verklikkerlampje
branden.
Het verklikkerlampje blijft branden
zolang de bestuurder zijn veiligheids-
gordel niet heeft vastgemaakt.
Bij een snelheid hoger dan ongeveer
20 km/h gaat het lampje gedurende
twee minuten knipperen in combina-
tie met een steeds sterker wordend
geluidssignaal en een melding op
het multifunctionele display. Na deze
twee minuten blijft het lampje bran-
den zolang de bestuurder zijn veilig-
heidsgordel niet heeft vastgemaakt.
Veiligheidsgordels vóór met
pyrotechnische gordelspanners
en gordelkrachtbegrenzers
Dankzij de toepassing van veilig-
heidsgordels met gordelspanners en
gordelkrachtbegrenzers is de veilig-
heid van de voorste inzittenden bij
frontale aanrijdingen nog verder ver-
beterd. De gordelspanners dienen
om, afhankelijk van de kracht van de
aanrijding, de veiligheidsgordels ste-
vig tegen de lichamen van de inzit-
tenden te trekken.
De veiligheidsgordels met gordel-
spanners werken alleen als het con-
tact is aangezet.
De gordelkrachtbegrenzer beperkt
de kracht waarmee de gordel tegen
het lichaam van de inzittende getrok-
ken wordt.
Veiligheidsgordels achter
De zitplaatsen achter zijn voorzien
van drie driepunts veiligheidsgordels
met oprolautomaat.
87
VEILIGHEID
-
De bestuurder moet ervoor
zorgen dat alle passagiers
tijdens het rijden op de juis-
te wijze hun veiligheidsgor-
del dragen.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tij-
dens het rijden hun veiligheidsgor-
del dragen, ook al betreft het een
korte rit.
Draai de gespen van de veiligheids-
gordels niet om; de gordels zijn dan
niet voldoende effectief.
Als de zitplaatsen zijn voorzien van
armsteunen*, moet de heupgordel
altijd onder de armsteun door wor-
den geleid.
De veiligheidsgordels zijn voorzien
van een oprolautomaat die ervoor
zorgt dat de lengte van de gordel
automatisch wordt aangepast aan
uw lichaamsbouw. De gordel wordt
automatisch opgerold als deze niet
wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het ge-
bruik van de gordel of deze goed is
opgerold.
De heupgordel moet zo laag moge-
lijk op het bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het
holle gedeelte van de schouder
worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien
van een automatische blokkeerin-
richting die in werking treedt bij een
aanrijding, een noodstop of het over
de kop slaan van de auto. U kunt de
blokkeerinrichting deblokkeren door
kort aan de riem te trekken en deze
weer los te laten.
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam
te worden gedragen,
- mag deze door niet meer dan
één volwassen persoon worden
gedragen,
- mag deze geen beschadigingen
of rafels vertonen,
- moet deze in een vloeiende
beweging naar voren worden
getrokken, om te voorkomen dat
de gordel gedraaid raakt,
- mag er om te voorkomen dat de
gordel niet goed werkt niets aan
worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheids-
voorschriften moeten werkzaamhe-
den en controles aan de veiligheids-
gordels worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk, die tevens voor
de garantie zorgt en de werkzaamhe-
den volgens de voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw
auto regelmatig controleren door het
PEUGEOT-netwerk, met name op
beschadigingen van de riem.
Reinig de veiligheidsgordels met
zeepsop of een reinigingsmiddel voor
textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT-
netwerk.
Controleer na het neerklappen of
verstellen van een stoel of de achter-
bank of de gordel zich op de juiste
plaats bevindt en goed is opgerold.
Voorschriften voor kinderen:
- Maak voor kinderen tot 12 jaar
of kleiner dan 1,50 m gebruik
van een geschikt kinderzitje,
- Gebruik geen gordelgeleider*
wanneer een kinderzitje is
geïnstalleerd,
- De veiligheidsgordel mag door
niet meer dan één persoon
gedragen worden,
- Laat nooit een kind op schoot
zitten tijdens het rijden.
De gordelspanners kunnen, afhan-
kelijk van de aard en de kracht
van de aanrijding, vóór en onaf-
hankelijk van de airbags afgaan.
Het activeren van de gordelspan-
ners gaat gepaard met wat onscha-
delijke rook en een knal, als gevolg
van de activering van de pyrotech-
nische lading die in het systeem is
geïntegreerd.
Het verklikkerlampje van de airbag
gaat in ieder geval branden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren en eventueel vervan-
gen door het PEUGEOT-netwerk.
* Volgens uitvoering.
89
ONDERHOUD
-
1,1 LITER (60 PK) EN
1,4 LITER (75 PK)
BENZINEMOTOREN
1. Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiers.
3. Reservoir
koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu.
6. 
7. Motoroliepeilstok.
8. Reservoir motorolie.
ONDERHOUD
90 -
1,6 LITER 16V (110 PK)
BENZINEMOTOR
1. Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiers.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu.
6. 
7. Motoroliepeilstok.
8. Reservoir motorolie.
1,4 LITER HDI
TURBODIESELMOTOR
(70 PK)
1. Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiers.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu.
6. 
7. Motoroliepeilstok.
8. Reservoir motorolie.
9. Handopvoerpomp.
91
ONDERHOUD
-
NIVEAUS CONTROLEREN
2 merktekens op de peil-
stok:
A = maxi.
Het oliepeil mag nooit boven
dit merkteken uitkomen.
B = mini.
Voor het behoud van de be-
drijfszekerheid van de mo-
toren en de emissieregel-
systemen mogen in geen
geval additieven aan de mo-
torolie worden toegevoegd.
Olie verversen
Volgens de aanwijzingen in het on-
derhoudsboekje.
Opmerking: vermijd langdurig huidcon-
tact met afgewerkte olie. Deponeer af-
gewerkte olie in de daarvoor bestemde
containers bij het PEUGEOT-netwerk.
Remvloeistofniveau:
De remvloeistof dient volgens de
door de constructeur voorgeschre-
ven intervallen te worden ververst.
Gebruik remvloeistof die door de
constructeur wordt aanbevolen en
aan de DOT4-normen voldoet.
Opmerking: remvloeistof is een erg
bijtend en schadelijk middel. Vermijd
elk contact met de huid.
Afgewerkte producten
Gooi geen afgewerkte olie, remvloei-
stof of koelvloeistof in het riool, in het
water of op de grond.
Oliepeilstok
Keuze van de viscositeitgraad
De olie dient in ieder geval aan de
voorgeschreven kwaliteitsnormen te
voldoen.
Koelvloeistofniveau
Gebruik uitsluitend door de construc-
teur aanbevolen koelvloeistof.
Als de motor warm is, wordt de tem-
peratuur van de koelvloeistof gere-
geld door de motorventilateur. Wacht
voor werkzaamheden aan het koel-
systeem ten minste 1 uur nadat de
motor gedraaid heeft, omdat de mo-
torventilateur nog kan (gaan) werken
als de sleutel uit het contactslot is
verwijderd en het koelsysteem onder
druk staat.
Draai de dop eerst 2 omwentelingen
los om de druk te laten dalen en te
voorkomen dat de hete koelvloeistof
uit het koelsysteem spuit. Trek, als
de druk eenmaal gedaald is, de dop
los en vul het systeem bij.
Opmerking: de koelvloeistof behoeft
niet te worden ververst.
Bij uitvoeringen voorzien van een
   
bij afgezet contact nog (gaan) wer-
ken, zelfs bij koude motor.
Vloeistofniveau
stuurbekrachtiging
F Open het reservoir bij koude
motor (omgevingstemperatuur),
het vloeistofniveau dient boven
het MINI en dicht bij het MAXI
merkteken te staan.
Vloeistofniveau ruiten- en
koplampsproeiers
Gebruik voor een optimale reiniging
en voor uw eigen veiligheid uitslui-
tend door het PEUGEOT-netwerk
aanbevolen producten.
Voor een optimale reiniging en om
bevriezing te voorkomen, mag het
reservoir niet met water worden bij-
gevuld.
Motorolieniveau
F Regelmatig controleren en tussen
twee verversingen eventueel olie
bijvullen. (Maximum olieverbruik:
0,5 liter per 1000 km.)
De controle dient bij koude motor en ho-
rizontaal geplaatste auto te geschieden,
met behulp van de olieniveaumeter in het
instrumentenpaneel of de oliepeilstok.
ONDERHOUD
92 -
CONTROLES
Handrem
Als de handrem een te grote slag
heeft of als het systeem minder goed
werkt, moet de handrem zelfs tussen
twee onderhoudscontroles worden
afgesteld.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk.
Gebruik uitsluitend de door
PEUGEOT aanbevolen
producten of gelijk
waardige
kwaliteitspro
ducten.
Om de werking van be-
langrijke organen als de stuurbe-
krachtiging en het remsysteem
te optimaliseren, worden door
  
geselecteerd en aangeboden.
Vermijd het schoonspuiten van de
motor om de elektrische systemen
niet te beschadigen.
BRANDSTOFTANK LEEG
(DIESEL)
In het geval van een lege brandstof-
tank is het noodzakelijk het brand-
stofsysteem te ontluchten:
- vul de brandstoftank met
minimaal vijf liter diesel,
- bedien de handpomp van de
ontluchting tot u brandstof in
de transparante slang onder de
motorkap ziet komen,
- houd de sleutel in de stand "D"
(starten) tot de motor aanslaat.
Remblokken
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blij-
ken om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te
laten controleren.
Slijtage remschijven
Raadpleeg voor meer informatie over
de controle van uw remschijven het
PEUGEOT-netwerk.
Oliefilter

volgens het onderhoudsschema.
Luchtfilter en interieurfilter
    
Als de omgeving daartoe aanlei-

keer zo vaak worden vervangen.
Handgeschakelde
versnellingsbak
Niet verversen. Laat het niveau con-
troleren volgens het onderhouds-
schema van de constructeur.
Raadpleeg de bladzijden in het on-
derhoudsboekje die betrekking
hebben op de motoruitvoering van
uw auto voor het controleren van
de belangrijkste niveaus en bepaal-
de onderdelen volgens het onder-
houdsschema van de constructeur.
Accu
Laat uw accu voor de winter contro-
leren door het PEUGEOT-netwerk.
93
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
Toegang tot het reservewiel en de
krik
Het reservewiel bevindt zich in een
metalen houder onder de bagage-
ruimte.
- Neem de wielsleutel 1 uit het
rechter zijpaneel van de
bagageruimte.
- Draai de bout van de
reservewielhouder aan
de binnenzijde onder de
vloerbedekking met de
wielsleutel 1 los.
- Til de reservewielhouder iets
op, duw de haak naar achteren
en laat de reservewielhouder
zakken.
- Neem de doos met de krik 2 uit
het reservewiel.
WIEL VERWISSELEN
Wiel demonteren
- Blokkeer het wiel aan de
achterzijde kruislings tegenover
het te verwisselen wiel met de
doos van de krik.
- Verwijder de wieldop door de
wielsleutel in de opening voor
het ventiel te steken en de
wieldop los te trekken.
- Draai de wielbouten iets los.
- Plaats de krik in één van de
4 daarvoor bestemde
kriksteunen E bij het te
verwisselen wiel onder de auto.
Controleer of het uiteinde van de
krik over het gehele oppervlak
steunt op de grond.
- Krik de auto op, draai de
wielbouten geheel los en
verwijder het wiel.
Parkeren van de auto
- Zet de auto, voor zover mogelijk,
op een horizontale, stabiele en
stroeve ondergrond.
- Trek de handrem aan, schakel de
eerste versnelling of de achteruit
in (stand P bij een automatische
transmissie).
PRAKTISCHE INFORMATIE
94 -
Na het verwisselen van het wiel
- Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment van de wielbouten en de bandenspanning van het reservewiel controleren
door het PEUGEOT-netwerk.
- Laat de lekke band zo spoedig mogelijk repareren en verwissel hem met het reservewiel.
- Het noodreservewiel mag slechts tijdelijk worden gebruikt.
- Bandenspanning van het noodreservewiel: 4,2 bar.
- Maximumsnelheid met het noodreservewiel: 80 km/h.
Verwissel een wiel uit veiligheidsoverwegingen alleen:
- op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond.
- met aangetrokken handrem.
- de 1e versnelling of de achteruit is ingeschakeld.
- blokkeer de auto met de doos van de krik.
- ga nooit onder een auto liggen die alleen op de krik steunt (gebruik bokken).
95
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
BIJZONDERHEDEN
LICHTMETALEN VELGEN
Plaatsen van het reservewiel
Indien uw auto is voorzien van een re-
servewiel met stalen velg is het nor-
maal dat bij het monteren de ringen
van de bouten de velg niet raken. Als
de bouten volledig zijn aangedraaid
zorgt het conische draagvlak van de
bouten voor de bevestiging van het
reservewiel.
Antidiefstalbouten
Als de velgen zijn voorzien van anti-
diefstalbouten (één per wiel), dient u
eerst met behulp van het gele gereed-
schap (in de doos aan de linkerzijde
van de bagageruimte) de chromen dop
en vervolgens de plastic huls te verwij-
deren alvorens de bout los te draaien
met behulp van de dopsleutel (in het
dashboardkastje) en de wielsleutel,
die zich in het rechter zijpaneel van de
bagageruimte bevindt.
Opmerking: noteer de op de dop-
sleutel gegraveerde code nauw-
keurig. Met deze code kunt u bij uw
PEUGEOT-servicepunt een nieuwe
dopsleutel verkrijgen.
Montage van winterbanden
Indien u uw auto voorziet van win-
terbanden met stalen velgen, is het
noodzakelijk speciale bouten te ge-
bruiken die verkrijgbaar zijn bij het
PEUGEOT-netwerk.
Sierdoppen
De bouten van de lichtmetalen vel-
gen zijn afgedekt met verchroomde
doppen.
Verwijder deze met de gele sleutel 4
alvorens de bouten los te draaien.
De sleutel 4 bevindt zich in het rech-
ter zijpaneel van de bagageruimte.
PRAKTISCHE INFORMATIE
96 -
Dimlicht H7 55W / grootlicht
H1 55W
F Verwijder de beschermkap A om
de lamp H7 55W te vervangen
of B om de lamp H1 55W te
vervangen.
F Neem de stekker(s) C los.
F Druk op het uiteinde van de
borglip(pen) D om deze los te
maken. Vervang de defecte
lamp.
LAMPEN VERVANGEN
Verwijder aan de rechterzijde eerst
de vulpijp van het ruitensproeier-
reservoir om het vervangen van de
lampen te vergemakkelijken:
F draai de nok en de inkeping in lijn,
F trek de vulpijp omhoog.
1. Dimlicht/grootlicht
2. Parkeerlichten
3. Richtingaanwijzers
F Let bij het monteren op de
goede stand van de nokjes en
controleer of de borglip(pen)
stevig vastzit(ten).
F Sluit de stekker(s) weer aan.
F Plaats de beschermkap(pen)
en de vulpijp van het
ruitensproeierreservoir (rechts).
97
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
Richtingaanwijzers PY21W
amberkleurig
F
Draai de stekker met de lamphouder 3
een kwart omwenteling (in de richting van
de voorzijde van de auto) en trek deze los.
F Vervang de lamp.
Zijknipperlichten WY5W
amberkleurig
F Druk het zijknipperlicht naar
voren en trek het los.
F Verwijder en vervang het
zijknipperlicht.
De zijknipperlichten zijn verkrijgbaar
bij het PEUGEOT-netwerk.
Parkeerlicht W5W
F
Draai de stekker met de lamphouder 2
een kwart omwenteling en trek deze los.
F Vervang de lamp.
Raak de lampen uitsluitend
met een droge doek aan.
De koplampunits zijn voor-
zien van een glas van
polycarbonaat met een speciale
vernislaag. Reinig de koplampen
nooit met een droge of schuren-
de doek en gebruik geen oplos-
middelen.
Gebruik een spons en zeepwater.
Hogedrukreiniging
Spuit bij het verwijderen van hard-
nekkig vuil met een hogedrukreiniger
niet rechtstreeks op de omgeving
van de koplampen en achterlichten.
Hierdoor kunnen de lak en de af-
dichting beschadigd raken.
PRAKTISCHE INFORMATIE
98 -
Maak de zijbekleding in de bagage-
ruimte los.
Maak de schuimrubber afdekking los
en steek uw hand achter de afdek-
king om bij de vleugelmoer te ko-
men.
Verwijder de vleugelmoer.
Verwijder de lichtunit.
Druk op de nok A en neem de stek-
ker los.
Verwijder de isolatie.
Duw de borglippen B naar buiten en
verwijder de lamphouder.
Vervang de defecte lamp(en).
Controleer na het vervangen of de
lamphouder, de achterlichtunit en de
schuimrubber afdekking weer goed
op hun plaats zitten.
3e remlicht 5 lampen W5W
Draai de 2 moeren A met behulp van
een 10 mm sleutel los.
Verwijder de lichtunit.
Druk de 2 borglippen B in om de
lamphouder los te nemen.
Vervang de defecte lamp(en).
Achterlichten
1. Richtingaanwijzer P21W.
2. Achteruitrijlicht P21W.
3. Rem-/achterlicht P21/5W.
99
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
Mistlampen vóór H1 55W
Druk aan de onderzijde van het luik
om het los te maken.
Open het luik.
Draai het afdekplaatje om het te ver-
wijderen.
Neem de stekker van de lamp los.
Druk op de uiteinden van de beide
borglippen om de lamp los te ma-
ken.
Mistachterlicht P21W
Neem het mistachterlicht uit de klem-
men en trek deze los.
Draai de stekker met de lamphouder een
kwart omwenteling en trek deze los.
Vervang de lamp.
Kentekenplaatverlichting W5W
Steek een kleine schroevendraaier in
een van de buitenste gaten van het
lampglas.
Duw de schroevendraaier naar bui-
ten om het lampglas los te maken.
Verwijder het lampglas.
Vervang de defecte lamp(en).
PRAKTISCHE INFORMATIE
100 -
ZEKERINGEN VERVANGEN
De zekeringkasten bevinden zich on-
der het dashboard en onder de mo-
torkap.
Goed Defect
Klem A
Zekeringkast dashboard
Draai de schroef een kwart omwente-
ling met een muntstuk los en verwijder
de afdekplaat om bij de zekeringen te
komen.
De reservezekeringen en de tang A
zijn aangebracht aan de binnenkant
van het deksel van de zekeringkast
onder het dashboard.
Vervangen van een zekering
Voordat een zekering wordt vervangen, moet eerst de oorzaak van de storing
opgespoord en verholpen worden. De nummers van de zekeringen zijn aange-
geven op de zekeringkast.
Gebruik de tang A.
Vervang een defecte zekering (stroomsterkte vermeld op zekering) altijd
door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
PRAKTISCHE INFORMATIE
100 -
ZEKERINGEN VERVANGEN
De zekeringkasten bevinden zich on-
der het dashboard en onder de mo-
torkap.
Goed Defect
Klem A
Zekeringkast dashboard
Draai de schroef een kwart omwente-
ling met een muntstuk los en verwijder
de afdekplaat om bij de zekeringen te
komen.
De reservezekeringen en de tang A
zijn aangebracht aan de binnenkant
van het deksel van de zekeringkast
onder het dashboard.
Vervangen van een zekering
Voordat een zekering wordt vervangen, moet eerst de oorzaak van de storing
opgespoord en verholpen worden. De nummers van de zekeringen zijn aange-
geven op de zekeringkast.
Gebruik de tang A.
Vervang een defecte zekering (stroomsterkte vermeld op zekering) altijd
door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
101
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
Zekering Ampère Functies
1 15A Stoelverwarming - sirene alarm
4 20A
Multifunctioneel display - bagageruimteverlichting - autoradio - stuurkolomschakelaars -
trekhaak
5 15A Diagnosesysteem automatische transmissie
6 10A Koelvloeistofniveaumeter - automatische transmissie - autoradio - stuurwielsensor (ESP)
7 15A Dubbele bediening lesauto - naderhand ingebouwd alarmsysteem
9 30A Elektrisch bediende ruiten achter
10 40A Achterruit- en buitenspiegelverwarming
11 15A Ruitenwisser achter
12 30A Elektrisch bediende ruiten vóór - schuif-/kanteldak
14 10A Servicecentrale motor - airbags - stuurkolomschakelaars - regensensor
15 15A Instrumentenpaneel - multifunctioneel display - airconditioning - autoradio
16 30A Bediening centrale portiervergrendeling
20 10A Remlicht rechts
21 15A Remlicht links - derde remlicht
22 20A Plafonnier vóór - kaartleeslampje - verlichting dashboardkastje - aansteker
S1 Shunt Shunt PARC
PRAKTISCHE INFORMATIE
102 -
of
Bij het ontwerp van het
elektrische circuit van uw
auto is reeds rekening ge-
houden met de montage
van zowel de standaard-
uitrusting als eventuele opties.
Raadpleeg het PEUGEOT-net-
werk voordat u andere elektrische
voorzieningen of accessoires in de
auto monteert of laat monteren.
Sommige elektrische accessoires
zelf, of de wijze waarop die zijn
gemonteerd, kunnen de werking
van de elektrische systemen van
de auto (de elektronische bedie-
ningssystemen, het audiosysteem
en het laadcircuit) nadelig beïn-
vloeden.
PEUGEOT is niet aansprakelijk
voor kosten die voortvloeien uit
het verhelpen van storingen ver-
oorzaakt door het monteren van
extra accessoires die niet door
PEUGEOT aanbevolen en gele-
verd worden. Dit geldt ook voor
voorzieningen die niet volgens de
voorschriften van PEUGEOT zijn
gemonteerd en met name voor
apparatuur met een stroomver-
bruik van meer dan 10 mA.
Zekering Ampère Functies
1 * 20A Motorventilateur
2 * 60A ABS/ESP
3 * 30A ABS/ESP
4 * 70A Voeding intelligente servicecentrale
5 * 70A Voeding intelligente servicecentrale
6 * - Vrij
7 * 30A Voeding stuur-/contactslot
8 * 20A Versterker autoradio
Zekeringkast motorruimte
Maak het deksel los om de zekeringkast (naast de accu) in de motorruimte te
openen.
Sluit na de werkzaamheden het deksel zorgvuldig.
* De hoofdzekeringen zorgen voor een extra beveiliging van de elektrische
installatie. Laat werkzaamheden aan hoofdzekeringen alleen door het
PEUGEOT-netwerk uitvoeren.
103
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
Zekering Ampère Functies
1 10A
Elektronische eenheid voorgloeien (diesel) - sensor water in brandstof - schakelaar
achteruitrijlicht - snelheidssensor - luchthoeveelheidsmeter (diesel)
2 15A Elektroklep absorptievat - brandstofpomp
3 10A Elektronische eenheid motor ABS/ESP - remlichtschakelaar ESP
4 10A Elektronische eenheid automatische transmissie - elektronische eenheid motor
5 - Vrij
6 15A Mistlampen vóór
7 20A Koplampsproeierpomp
8 20A
Relais motorventilateur - elektronische eenheid motor - inspuitpomp
diesel - brandstofdrukregelaar diesel - elektroklep motormanagement
9 15A Dimlicht links
10 15A Dimlicht rechts
11 10A Grootlicht links
12 15A Grootlicht rechts
13 15A Claxon
14 10A Ruitensproeierpomp voor en achter
15 30A
Voorverwarming smoorklephuis - inspuitpomp diesel - lambdasonde - elektronische
eenheid motor - luchthoeveelheidsmeter - bobine - elektroklep motormanagement -
voorverwarming brandstof (diesel) - verstuivers
16 30A Relais luchtpomp
17 30A Hoge en lage snelheid ruitenwissers
18 40A Aanjager
PRAKTISCHE INFORMATIE
104 -
ACCU
Laden met behulp van een accu-
lader:
- maak de accupoolklemmen los,
- volg de aanwijzingen van de
fabrikant op de acculader,
- sluit de accukabels weer aan, te
beginnen met de (-) kabel,
- controleer of de accupolen en
de klemmen schoon zijn. Indien
ze bedekt zijn met een (witte of
groene) oxidatielaag, neem dan
de accukabels los en reinig de
polen en de klemmen.
- Wacht na het uitzetten
van het contact
2 minuten alvorens de
accu los te koppelen.
- Maak de accupoolklemmen
niet los bij draaiende motor.
- Laad de accu niet op zonder
de accukabels los te nemen.
- Sluit de ruiten en het dak
voordat de accupoolklemmen
worden losgemaakt.
- Zet, elke keer nadat de
accukabels weer zijn
aangesloten, het contact AAN
en wacht 1 minuut alvorens
de motor te starten, zodat
de elektronische systemen
geïnitialiseerd kunnen
worden. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk als er zich
na deze handeling toch nog
problemen voordoen.
Het is raadzaam de accu los te
koppelen als uw auto langer dan
een maand buiten gebruik is.
ECO-MODE
Nadat de motor is afgezet, wordt een
aantal elektrische voorzieningen (rui-
tenwissers, ruitbediening, plafonniers,
autoradio, telefoon, dimlicht, enz.) na
in totaal ongeveer een half uur auto-
matisch uitgeschakeld, om te voorko-
men dat de accu ontladen raakt.
Op dat moment geeft een melding op
het multifunctionele display aan dat
de eco-mode is ingeschakeld.
De functies worden automatisch
weer ingeschakeld als de motor ge-
start wordt.
Om de functies direct weer te kun-
nen gebruiken, moet de motor wor-
den gestart en moet deze gedurende
enige tijd draaien.
De beschikbare tijd bedraagt het
dubbele van de tijd dat de motor
heeft gedraaid. Deze tijd zal echter
altijd tussen de 5 en 30 minuten be-
dragen.
Starten met een hulpaccu:
- sluit eerst de rode kabel aan
op de (+) polen van de beide
accu's,
- sluit de groene of zwarte kabel
aan op de (-) pool van de
hulpaccu,
- sluit het andere uiteinde van de
groene of zwarte kabel aan op
een zo ver mogelijk van de accu
verwijderd massapunt van de
te starten auto (bijvoorbeeld de
rechter motorsteun),
- stel de startmotor in werking en
start de motor,
- wacht tot de motor stationair
draait en neem dan de kabels los.
Als de accu ontladen is,
kan de motor niet gestart
worden.
105
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
INBOUWEN VAN
LUIDSPREKERS
Er is ruimte voor het inbouwen van:
- luidsprekers met een diameter
van 165 mm in de voorportieren,
- luidsprekers met een
diameter van 130 mm in de
achterportieren,
- tweeters met een diameter van
22,5 mm in de afdekplaten van
de buitenspiegels.
Stekkeraansluitingen
A1 : -
A2 : -
A3 : -
A4 : -
A5 : -
A6 : (+) na contact
A7 : (+) constant
A8 : massa
B1 : (+) Luidspreker rechts achter
B2 : (-) Luidspreker rechts achter
B3 : (+) Luidspreker rechts voor en
tweeter
B4 : (-) Luidspreker rechts voor en
tweeter
B5 : (+) Luidspreker links voor en
tweeter
B6 : (-) Luidspreker links voor en
tweeter
B7 : (+) Luidspreker links achter
B8 : (-) Luidspreker links achter
Raadpleeg voordat u een
autoradio of luidsprekers
in uw auto monteert het
PEUGEOT-netwerk.
AUTORADIO MONTEREN
Uw auto is af fabriek voorzien van:
- dakantenne,
- coaxiale antennekabel,
- basisontstoring,
- bedrading voor luidsprekers
vóór,
- bedrading voor luidsprekers
achter,
- 2 stekkers (8-polig).
PRAKTISCHE INFORMATIE
106 -
Sleepoog voor
SLEPEN VAN DE AUTO
Maak nooit gebruik van de
traverse van de radiateur.
Bijzonderheden automatische
transmissie
Bij het slepen van de auto, zonder
takelen, moet aan de volgende voor-
waarden voldaan worden:
- selectiehendel in stand N,
- rijd met een snelheid van
maximaal 50 km/h en sleep
de auto over een afstand van
maximaal 50 km,
- voeg geen extra vloeistof
toe aan de automatische
transmissie.
Sleepoog achter
Aan de voor- of achterzijde
Bevestig de sleepstang aan het
sleepoog.
Getakeld (slechts 2 wielen op de
grond)
Het takelen van de wagen bij de wie-
len geniet de voorkeur.
Niet getakeld
(vier wielen op de grond)
Gebruik hiervoor altijd een sleep-
stang.
AUTO'S MET
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
(dieselmotor)
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak moet de versnel-
lingshendel tijdens het afslepen in de
neutraalstand staan, omdat anders
bepaalde onderdelen van het remsy-
steem beschadigd kunnen raken en
de rembekrachtiging niet werkt als
de motor opnieuw wordt gestart.
107
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
TREKKEN VAN EEN
AANHANGER, EEN
CARAVAN, EEN BOOT...
Wij raden u aan uitsluitend gebruik te ma-
ken van een speciaal door PEUGEOT ge-
teste en goedgekeurde trekhaak inclusief
bedrading, en deze door het PEUGEOT-
netwerk te laten monteren.
Ook als de montage niet door het PEUGEOT-
netwerk wordt uitgevoerd, moet gebruik wor-
den gemaakt van de voorbereide elektrische
aansluitingen aan de achterzijde van de auto
en moeten de voorschriften van de fabrikant
worden opgevolgd.
Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het
vervoer van personen en bagage, maar is
tevens geschikt voor het trekken van een
aanhanger.
Het rijden met een aanhanger heeft veel
invloed op het rijgedrag van de auto en
vergt daarom extra aandacht van de be-
stuurder.
Door een geringere luchtdichtheid nemen
de prestaties van de motor af als men op
grotere hoogte boven de zeespiegel komt.
Trek boven de 1000 m 10% van het maxi-
mum aanhangergewicht af en herhaal dit
voor elke volgende 1000 m.
Adviezen
Gewichtsverdeling: verdeel het ge-
wicht in de caravan/aanhanger gelijk-
matig en houd u aan de toegestane
kogeldruk.
Koeling: het trekken van een aan-
hanger op een helling veroorzaakt
een hogere koelvloeistoftempera-
tuur.
De koelventilator wordt elektrisch be-
diend en is niet afhankelijk van het
motortoerental.
Gebruik daarom een zo hoog mo-
gelijke versnelling om het toeren-
tal te beperken en pas uw snelheid
aan.Het maximum aanhangerge-
wicht is afhankelijk van het hellings-
percentage en de temperatuur van
de buitenlucht.
Let in elk geval goed op de aanwij-
zing van de koelvloeistoftempera-
tuurmeter.
Bij zeer zware gebruiksomstandighe-
den (het trekken van het maximale
aanhangergewicht op een steile hel-
ling bij hoge temperatuur), kunnen
de prestaties van de motor worden
verhoogd door de airconditioning uit
te schakelen, waardoor het trekken
van de aanhanger minder moeite zal
kosten.
Als het verklikkerlampje van de koel-
vloeistoftemperatuur gaat branden,
stop dan zo snel mogelijk en zet de
motor af.
Banden: controleer de bandenspan-
ning van de auto en de aanhanger en
breng deze indien nodig op de juiste
waarde.
Remmen: het trekken van een aan-
hanger vergroot de remweg.
Verlichting: controleer de verlichting
van de aanhanger.
Zijwind: houd er rekening mee dat
de zijwindgevoeligheid van de auto
groter is.
PRAKTISCHE INFORMATIE
108 -
Aanbrengen/verwijderen van
de mat
Als de vloermat aan bestuurderszijde
verwijderd moet worden, schuif dan
de stoel in de achterste stand en ver-
wijder de bevestigingen.
Leg de vloermat weer terug op de pen
en klem de bevestigingen vast. Con-
troleer of de mat goed is bevestigd.
Om te voorkomen dat de mat onder
de pedalen schuift:
- maak uitsluitend gebruik van mat-
ten die op de reeds in de auto
aanwezige bevestigingen passen.
Het gebruik van deze bevestigin-
gen is verplicht.
- leg nooit twee matten boven op
elkaar.
- Verwijder vogeluitwerp-
selen, hars, teer- en
olievlekken zo snel mo-
gelijk (deze bevatten
agressieve stoffen die
de lak sterk aantasten).
- Reinig de koplampen nooit
met een droge doek of een
schuurmiddel en gebruik geen
luchtige stoffen of oplosmid-
delen; de koplampglazen zijn
vervaardigd van polycarbo-
naat en voorzien van een ver-
nislaag.
- Gebruik geen benzine, petro-
leum of ontvetter voor het reini-
gen van de lak of van kunststof
delen van de carrosserie.
- Laat kleine lakbeschadigingen
(steenslag, pitjes enz.) zo snel
mogelijk bijwerken om corro-
sievorming te voorkomen.
ONDERHOUD VAN DE
CARROSSERIE
Om de lak en de kunststof delen van
de carrosserie in optimale conditie te
houden adviseren wij u om de auto
regelmatig
- met de hand te wassen of,
- gebruik te maken van een was-
straat, maar let op: herhaaldelijk
gebruik van slecht onderhouden
wasstraten kan haarkrasjes ver-
oorzaken wat de lak, vooral zicht-
baar bij donkere tinten, een mat
aspect geeft,
- met een hogedrukspuit te was-
sen: volg de voorschriften die op
de installaties zijn aangebracht
(druk en spuitafstand).
Richt de hogedrukspuit niet op
beschadigde plekken (bijv. in
kleur gespoten bumpers of kop-
lampen): was deze delen met de
hand.
Vermijd ook het binnendringen
van water in de sloten.
Raadpleeg uw PEUGEOT-service-
punt om te weten welke middelen
de beste, de meest doeltreffende, de
minst gevaarlijke en de milieuvrien-
delijkste zijn.
109
PRAKTISCHE INFORMATIE
-
ACCESSOIRES VOOR UW 206
Maak voor uw PEUGEOT alleen ge-
bruik van de door het merk gehomo-
logeerde accessoires en originele
onderdelen.
Al deze accessoires en onderdelen zijn,
na getest en goedgekeurd te zijn ten
aanzien van bedrijfszekerheid en vei-
ligheid, aangepast aan uw PEUGEOT,
iets wat PEUGEOT niet van andere
producten kan garanderen.
Het PEUGEOT-netwerk biedt u een
ruime keuze aan originele, door
PEUGEOT goedgekeurde accessoi-
res met PEUGEOT-garantie:
Reizen en vrije tijd: Trekhaak, ba-
gagerek op kofferdeksel, kunst-
stof bak bagageruimte, allesdragers,
  -
    
de spoiler of de achterruit), sneeuw-
kettingen, ...
Styling: Lichtmetalen velgen, wiel-
doppen, spatlappen, schuif-/kan-
teldak, (maak voor montage alleen
gebruik van originele PEUGEOT pro-
ducten), mistlampen vóór , achter-
klepspoiler, sportuitlaat, aluminium
en houten sierpanelen, dorpellijsten,
carrosserieset, spatbordverbreders,
een in twee kleuren uitgevoerd stuur-
wiel, ...
Uitrusting interieur: Middenarm-
steun, schrijftafeltje, beschermings-
hoes passagiersstoel, stoelhoezen
geschikt voor zij-airbags, matten,
-
houder, opbergbox voor CD's, tele-
foonhouder, portierwindschermen,
opbergvak onder hoedenplank, zon-
neschermen, ...
Technologie: Audio-/telefoonsysteem,
handsfree set, navigatiesysteem, CD-
wisselaars, autoradio's, luidsprekers,
radiosierpaneel, hoedenplank met vier
luidsprekers,
Veiligheid: Alarminstallaties, ruiten
graveren, wielbouten met slot, ge-
varendriehoek, verbanddoos, veilig-
heidsvest, stoelverhogers en kinder-

Entreprise: Ombouwpakket tot be-
drijfswagen, ...
Afhankelijk van het land
van bestemming is de
aanwezigheid van een
veiligheidsvest, een geva-
rendriehoek en een lampenset in
de auto verplicht.
Montage van radio- en commu-
nicatieapparatuur
Voor het achteraf inbouwen van
radio- en communicatieappara-
tuur met externe antenne, advise-
ren wij u het PEUGEOT-netwerk
te raadplegen.
Het PEUGEOT-netwerk kan u infor-
meren over de gegevens van toege-
stane apparatuur (frequentiebereik,
maximaal uitgaand vermogen, plaat-
   -
den voor montage), overeenkomstig
de richtlijn Elektromagnetische Com-
patibiliteit (2004/104/CE).
Het monteren van elektrische uit-
rustingen of accessoires die niet
onder een artikelnummer in het
assortiment van PEUGEOT voor-
komen, kan storingen in het elek-
tronisch systeem van uw auto
veroorzaken.
Houd rekening met deze bijzonder-
heid en wij raden u aan contact op
te nemen met een vertegenwoordi-
ger van het merk PEUGEOT om u
te laten informeren over het assor-
timent uitrustingen en accessoires
voorzien van een artikelnummer.
TECHNISCHE GEGEVENS
110 -
Modellen
Type variant uitvoering
2CHFX
2AHFX
2CKFW
2AKFW
2CKFWA
2AKFWA
2ANFUA
2BNFUA
2CNFUA
2HNFUA
2JNFUA
2KNFU
2ANFUB
2BNFUB
2CNFUB
2HNFUB
2JNFUB
Motor 1,1 liter 1,4 liter 1,6 liter 16 V
Cilinderinhoud (cm
3
) 1124 1360 1587
Boring x slag (mm) 72 x 69 75 x 77 78,5 x 82
Maximum vermogen: ECE-norm (kW) 44,1 55 80
Toerental bij maximum vermogen (/min) 5500 5500 5800
Maximum koppel: ECE-norm (Nm) 94 120 147
Toerental bij maximum koppel (/min) 2700 2800 400
Brandstof Loodvrij Loodvrij Loodvrij
Katalysator Ja Ja Ja
Versnellingsbak
Handgeschakeld
(5 versn.)
Handgeschakeld
(5 versn.)
Automaat
(4 versn.)
Handgeschakeld
(5 versn.)
Automaat
(4 versn.)
Inhoud olie (in liters)

3,2 (2) - 3,4 (3)
3(2) - 3,25 (3) 3(2) - 3,25 (3) 3(2) - 3,25 (3)
3,2 (2) - 3,4 (3)
Versnellingsbak - differentieel 2 2 - 2 -
MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN, BENZINE
(2) Gewoon aftappen.
(3) Aftappen door afzuigen.
111
TECHNISCHE GEGEVENS
-
MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN, DIESEL
Modellen
Type Variant Uitvoering
2C8HX
2A8HX
2S8HX
2S8HZA
2A8HZA
2C8HZA
Motor 1,4 liter Turbo HDI
Cilinderinhoud (cm
3
) 1398
Boring x slag (mm) 73,7 x 82
Maximum vermogen: ECE-norm (kW) 50
Toerental bij maximum vermogen (/min) 4000
Maximum koppel: ECE-norm (Nm) 160
Toerental bij maximum koppel (/min) 1750
Brandstof Diesel
Katalysator Ja
 Nee
Versnellingsbak
Handgeschakeld
(5 versn.)
Inhoud olie (in liters)

3,8
Versnellingsbak - differentieel 2
TECHNISCHE GEGEVENS
112 -
VERBRUIKSCIJFERS
Volgens richtlijn 80/1268/ECE (liter/100 km)
Motor
Versnellingsbak
Type
Variant
Uitvoering 2...
Binnen
bebouwde
kom
Buiten
bebouwde
kom
Mix
CO
2
-uitstoot
(g/km)
1,1 liter
Handgeschakeld
HFXF 8,2 5 6,2 148
1,4 liter
Handgeschakeld
KFWF 8,4 5 6,3 149
KFWA 8,5 5,2 6,3 151
1,4 liter Automaat KFWR 9,6 5,3 6,9 165
1,6 liter 16V
Handgeschakeld
NFUF 8,6 5,1 6,4 153
HNFUF/NFUA 8,7 5,5 6,7 159
1,6 liter 16V Automaat
NFUR 9,9 5,5 7,1 179
HNFUR 10,2 5,8 7,5 176
NFUB 10,2 5,7 7,4 176
1,4 liter HDI-turbodiesel
Handgeschakeld
8HXF 5,5 3,6 4,3 113
8HZA 5,4 3,7 4,3 112
De aangegeven verbruikscijfers zijn de laatstbekende waarden ten tijde van het drukken van dit boekje. Deze verbruikscijfers
zijn gebaseerd op metingen die zijn uitgevoerd onder wettelijk voorgeschreven gebruiksomstandigheden (richtlijn 80/1268/
ECE) en kunnen varieren afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder, de verkeersomstandigheden, de weersomstandighe-
den, de belading van de auto, de staat van onderhoud van de auto en het gebruik van accessoires.
113
TECHNISCHE GEGEVENS
-
GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (IN KG)
Benzinemotor 1,1 liter 1,4 liter 1,4 liter 1,6 liter 16V 1,6 liter 16V
Versnellingsbak
Handgeschakeld
Handgeschakeld
Automaat
Handgeschakeld
Automaat
Type variant uitvoering: HFX KFWF/A
KFWR
NFUA
NFUF
NFUB
NFUR
Ledig gewicht rijklaar 985 1025 1055 1100 1055
Maximaal technisch toegestane
massa totaal
1405 1450 1480 1567 1614
Maximaal toegestaan treingewicht 1920 2365 2395 2467 2504
Aanhanger ongeremd 485 510 525 550 550
Aanhanger geremd *
(binnen max. toegestaan treingewicht)
700 1100 1100 1100 1100
Aanbevolen kogeldruk 50 50 50 50 50
BESTELUITVOERING
Dieselmotor 1,4 litre HDI 1,4 litre HDI
Versnellingsbak Manuelle Manuelle
Type variant uitvoering:
8HX
8HZA
2S8HZA
2S8HXF
Ledig gewicht rijklaar 1 061 1 049
Maximaal technisch toegestane
massa totaal
1 525 1 525
Maximaal toegestaan treingewicht 2 425 2 425
Aanhanger ongeremd 530 524
Aanhanger geremd * (binnen max.
toegestaan treingewicht)
1 100 1 100
Aanbevolen kogeldruk 50 -
TECHNISCHE GEGEVENS
114 -
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter;
het opgegeven aanhangergewicht dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 100 km/h of de geldende snelheidslimiet in het
desbetreffende land (in Nederland wettelijk 80 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buiten-
temperatuur meer dan 37°C bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de
belading van de auto wordt verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met
een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
115
TECHNISCHE GEGEVENS
-
AFMETINGEN
3-deurs 5-deurs
TECHNISCHE GEGEVENS
116 -
A. Constructeursplaatje op de
middenstijl (plaats volgens
uitvoering).
B. Serienummer op de
carrosserie (plaats volgens
uitvoering).
C. Serienummer op het
dashboard.
D. Bandenspanning en
kleurcode.
De sticker D op de middenstijl geeft
de volgende informatie:
- de maat van de velgen en
banden,
- de door de constructeur
goedgekeurde bandenmerken,
- de bandenspanning
(deze moet minstens eens
per maand bij koude banden
gecontroleerd worden),
- de kleurcode van de lak.
IDENTIFICATIE VAN UW 206
48


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Peugeot 206 SW - 2008 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Peugeot 206 SW - 2008 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 1,48 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Peugeot 206 SW - 2008

Peugeot 206 SW - 2008 User Manual - English - 127 pages

Peugeot 206 SW - 2008 User Manual - German - 123 pages

Peugeot 206 SW - 2008 User Manual - French - 118 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info