729828
111
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/113
Next page
Handleiding Infotainment
R 4.0 / Navi 4.0 IntelliLink .............. 5
CD 3.0 BT / R 3.0 ........................ 65
FlexDock .................................... 109
Inhoud
Inleiding ......................................... 6
Basisbediening ............................ 14
Radio ........................................... 21
Externe apparaten ....................... 27
Navigatie ...................................... 35
Spraakherkenning ........................ 50
Telefoon ....................................... 51
Trefwoordenlijst ........................... 62
R 4.0 / Navi 4.0 IntelliLink
6 Inleiding
Inleiding
Algemene aanwijzingen ................. 6
Antidiefstalfunctie ........................... 7
Overzicht bedieningselementen .... 8
Gebruik ........................................ 11
Algemene aanwijzingen
Het Infotainmentsysteem biedt u
eersteklas Infotainment voor in uw
auto.
Met de radiofuncties kunt u maximaal
25 zenders op vijf favorietenlijsten
instellen.
U kunt externe gegevensopslagappa‐
raten als andere audiobronnen op het
Infotainmentsysteem aansluiten; via
kabel of via Bluetooth
®
.
Het navigatiesysteem met dynami‐
sche viaplanning brengt u veilig naar
uw bestemming en kan, desgewenst,
files of andere knelpunten omzeilen.
Ook biedt het Infotainmentsysteem
de mogelijkheid om uw mobiele tele‐
foon comfortabel en veilig in de auto
te gebruiken.
U kunt ook specifieke smartphone-
apps via het Infotainmentsysteem
bedienen.
Optioneel kunt u het Infotainmentsys‐
teem bedienen met de knoppen op
het aanraakscherm of stuurwiel, of
door middel van spraakherkenning
(indien uw mobiele telefoon dit onder‐
steunt).
Door het goed doordachte design van
de bedieningselementen, het
aanraakscherm en het overzichtelijke
display kunt u het systeem gemakke‐
lijk en intuïtief bedienen.
Let op
Deze handleiding beschrijft alle voor
de diverse Infotainmentsystemen
beschikbare opties en functies.
Bepaalde beschrijvingen, zoals die
voor display- en menufuncties,
gelden vanwege de modelvariant,
landspecifieke uitvoeringen, speci‐
ale uitrusting en toebehoren wellicht
niet voor uw auto.
Belangrijke informatie over de
bediening en de
verkeersveiligheid
9 Waarschuwing
Het Infotainmentsysteem moet
worden gebruikt zodat er te allen
tijde veilig met de auto kan worden
gereden. Zet bij twijfel de auto aan
de kant en bedien het Infotain‐
mentsysteem terwijl u stilstaat.
Inleiding 7
9 Waarschuwing
In sommige gebieden zijn eenrich‐
tingsstraten en andere wegen en
inritten (bijv. voetgangerszones)
waar u niet mag inrijden niet op de
kaart aangegeven. In dergelijke
gebieden geeft het infotainment‐
systeem mogelijk een waarschu‐
wing die geaccepteerd moet
worden. Hier moet u in het bijzon‐
der letten op eenrichtingsstraten,
wegen en inritten waar u niet mag
inrijden.
Radio-ontvangst
Tijdens de radio-ontvangst kunnen
gesis, geruis, signaalvervorming of
signaaluitval optreden door:
wijzigingen in de afstand tot de
zender
ontvangst van meerdere signa‐
len tegelijk door reflecties
obstakels
Antidiefstalfunctie
Het Infotainmentsysteem is voorzien
van een elektronisch beveiligingssys‐
teem dat het systeem tegen diefstal
beveiligt.
De beveiliging houdt in dat het Info‐
tainmentsysteem alleen in uw auto
werkt en daarom voor een eventuele
dief waardeloos is.
8 Inleiding
Overzicht bedieningselementen
Bedieningspaneel
Inleiding 9
1 Info-Display /
Aanraakscherm ..................... 14
2 Beginmenu ............................ 14
Knoppen op het scherm
voor toegang tot:
Audio: audiofuncties
Gallery: afbeeldings- en
filmfuncties
Telefoon: mobiele-
telefoonfuncties
Weergave: telefoonweergave
of Nav: BringGo
®
app
Navigation: geïntegreerde
navigatie
Instellingen: systeeminstellingen
OnStar: OnStar Wi-Fi-
instellingen ............................ 11
3 Tijd-, datum- en tempera‐
tuuraanduiding ...................... 18
4 g
Kort indrukken:
telefoonmenu openen ........... 55
of telefoonweergave‐
functie openen (indien
geactiveerd) .......................... 33
Lang indrukken:
spraakherkenning
activeren ............................... 50
5 v
Kort indrukken: ga naar de
volgende zender als de
radio actief is ......................... 21
of ga naar het volgende
nummer wanneer externe
apparaten actief zijn .............. 29
Lang indrukken: omhoog
zoeken als de radio actief is . 21
of snel vooruit als externe
apparaten actief zijn .............. 29
6 m
Kort indrukken: infotain‐
mentsysteem inschakelen
indien uitgeschakeld ............. 11
of systeem onderdrukken
indien ingeschakeld ............. 11
Lang indrukken: infotain‐
mentsysteem uitschakelen ...11
Draaien: volume
aanpassen ............................ 11
7 t
Kort indrukken: ga naar de
vorige zender als de radio
actief is .................................. 21
of ga naar het vorige
nummer wanneer externe
apparaten actief zijn .............. 29
Lang indrukken: omlaag
zoeken als de radio actief is . 21
of snel achteruit als
externe apparaten actief
zijn ......................................... 29
8 ;
Kort indrukken: startmenu
openen .................................. 11
Lang indrukken: telefoon‐
weergavefunctie openen
(indien geactiveerd) .............. 33
10 Inleiding
Afstandsbediening op stuurwiel
1 qw
Kort indrukken: open
OnStar-menu mits geen
telefoon verbonden ............... 11
of neem gesprek aan mits
telefoon verbonden ............... 51
of open telefoonmenu mits
telefoon verbonden ............... 55
of laatste nummer in
oproeplijst bellen wanneer
telefoonmenu wordt
weergegeven ........................ 55
of wisselen tussen
gesprekken als
gesprekken in de wacht
staan ..................................... 55
Lang indrukken:
spraakherkenning
activeren ............................... 50
2 SRC (bron) ............................ 11
Drukken: selecteren
audiobron .............................. 11
Omhoog-/omlaagdraaien:
volgende/vorige
voorkeurszender
selecteren wanneer de
radio actief is ......................... 21
of volgende/vorige
nummer/hoofdstuk/
afbeelding selecteren
wanneer externe
apparaten actief zijn .............. 29
of volgende/vorige
nummer in oproeplijst
selecteren wanneer de
telefoonportal actief en de
oproeplijst geopend is ........... 55
Omhoog-/omlaagdraaien
en vasthouden: snel door
de items in de oproeplijst
bladeren ................................ 55
3 +
Indrukken: harder zetten
4
Indrukken: zachter zetten
5 xn
Indrukken: oproep
beëindigen / weigeren ........... 55
of spraakherkenning
uitschakelen .......................... 50
of mutefunctie in- /
uitschakelen .......................... 11
Inleiding 11
Gebruik
Bedieningselementen
Het Infotainmentsysteem wordt
bediend met behulp van functietoet‐
sen, een aanraakscherm en op het
display weergegeven menu's.
Invoer kan naar keuze plaatsvinden
via:
de centrale bedieningseenheid
op het bedieningspaneel 3 8
het aanraakscherm 3 14
audioknoppen op het stuurwiel
3 8
de spraakherkenning 3 50
Het Infotainmentsysteem in- of
uitschakelen
Druk kort op X om het systeem in te
schakelen. Na het inschakelen wordt
de laatst geselecteerde Infotainment‐
bron actief.
Druk lang op X om het systeem uit te
schakelen.
Automatisch uitschakelen
Wanneer het Infotainmentsysteem
met X is ingeschakeld terwijl het
contact is uitgeschakeld, dan wordt
het 10 minuten na de laatste invoer
automatisch weer uitgeschakeld.
Volume instellen
Draai X. De actuele instelling
verschijnt op het display.
Bij het inschakelen van het Infotain‐
mentsysteem wordt automatisch het
laatst geselecteerde volume inge‐
steld, mits dit het maximale inscha‐
kelvolume niet overschrijdt. Voor een
gedetailleerde beschrijving 3 17.
Voor snelheid gecompenseerd
volume
Na inschakeling van het volume met
snelheidscompensatie 3 17 wordt
het volume automatisch zodanig
aangepast dat u geen geluid van het
wegdek of van de rijwind hoort.
Mute
Druk op X om het geluid van het Info‐
tainmentsysteem te onderdrukken.
Druk nogmaals op X om de stilte‐
functie te annuleren. Het laatst gese‐
lecteerde volume wordt weer inge‐
steld.
Bedieningsstanden
Druk op ; om het startmenu weer te
geven.
Let op
Voor een gedetailleerde beschrij‐
ving van de werking van het menu
via het aanraakscherm 3 14.
Audio
Selecteer Audio op het scherm om
het hoofdmenu van de laatst geselec‐
teerde audiomodus te openen.
Selecteer Bron op het scherm om de
interactieve selectiebalk weer te
geven.
12 Inleiding
Om naar een andere audiomodus te
gaan, drukt u op een van de opties
van de interactieve selectiebalk.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van:
Radiofuncties 3 21
Externe apparaten 3 29
Gallery
Selecteer Gallery om het afbeeldin‐
gen- en filmmenu te openen voor de
opgeslagen bestanden van een
extern apparaat, zoals een USB-
apparaat of smartphone.
Selecteer l of m om het afbeeldin‐
gen- of filmmenu weer te geven.
Selecteer de gewenste afbeelding of
het filmbestand voor weergave op het
display.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van:
Afbeeldingsfuncties 3 30
Filmfuncties 3 32
Telefoon
Voordat u de telefoonfunctie kunt
gebruiken moet er een verbinding zijn
gemaakt tussen het Infotainmentsys‐
teem en de mobiele telefoon.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van het opzetten en het tot stand
brengen van een Bluetooth-verbin‐
ding tussen het Infotainmentsysteem
en een mobiele telefoon 3 51.
Als de mobiele telefoon is verbonden,
selecteer dan Telefoon om het hoofd‐
menu weer te geven.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van de werking van de mobiele tele‐
foon via het Infotainmentsysteem
3 55.
Weergave
Maak verbinding met uw smartphone
om smartphone-specifieke apps weer
te geven op het Infotainmentsysteem.
Inleiding 13
Selecteer Weergave om de weerga‐
vefunctie te starten.
Afhankelijk van de smartphone die is
verbonden, verschijnt er een hoofd‐
menu met verschillende apps die u
kunt selecteren.
Voor een gedetailleerde beschrijving
3 33.
Nav
(R 4.0 IntelliLink, indien Weergave
niet beschikbaar is)
Selecteer om de navigatieapplicatie
BringGo te starten Nav.
Voor een gedetailleerde beschrijving
3 33.
Navigatie
(Navi 4.0 IntelliLink)
Druk op ; om het startscherm weer
te geven.
Selecteer Navigatie om de navigatie‐
kaart weer te geven voor het gebied
rondom de huidige locatie.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van de navigatiefuncties 3 35.
Instellingen
Selecteer Instellingen om een menu
met de verschillende systeemgerela‐
teerde instellingen te openen, bijvoor‐
beeld om Geluidsterugmelding bij
aanraken te deactiveren.
OnStar
Select OnStar om een menu met de
OnStar Wi-Fi-instellingen te openen.
Zie de Gebruikershandleiding voor
een gedetailleerde beschrijving.
14 Basisbediening
Basisbediening
Basisbediening ............................ 14
Geluidsinstellingen ...................... 16
Volume-instellingen ..................... 17
Systeeminstellingen ..................... 18
Basisbediening
Het display van het Infotainmentsys‐
teem heeft een aanraakgevoelig
oppervlak voor rechtstreekse interac‐
tie met de getoonde menubedie‐
ningsorganen.
Voorzichtig
Gebruik geen puntige of harde
voorwerpen zoals balpennen,
potloden en dergelijke voor het
aanraakscherm.
9 schermtoets
Druk bij het navigeren door de menu's
in het desbetreffende submenu op
9 om terug te gaan naar het boven‐
liggende menu.
Wanneer de schermtoets 9 niet
wordt getoond, bent u op het hoogste
niveau van het desbetreffende menu.
Druk op ; om het startscherm weer
te geven.
Een schermtoets of menuoptie
selecteren of activeren
Druk op een schermtoets of menu‐
optie.
De desbetreffende systeemfunctie
wordt geactiveerd, er verschijnt een
bericht of een submenu met verdere
opties.
Basisbediening 15
Items in het startmenu
verplaatsen
Druk op de items die u wilt verplaat‐
sen en houd ze ingedrukt tot de picto‐
grammen rood worden omkaderd.
Verplaats uw vinger naar de gewen‐
ste locatie en laat het element los.
Let op
Oefen een gelijkmatige druk uit en
beweeg uw vinger met een
constante snelheid.
Alle andere opties worden opnieuw
ingedeeld.
Druk op een van de toetsen op het
bedieningspaneel om de bewerkings‐
modus af te sluiten.
Let op
De bewerkingsmodus wordt auto‐
matisch verlaten als er 30 seconden
niets wordt gedaan.
Door lijsten scrollen
Als er meer items zijn dan er op het
scherm kunnen worden weergege‐
ven, dan moet u door de lijst bladeren.
Om door een lijst met menuopties te
bladeren kunt u:
Het scherm op een willekeurige
plek aanraken en dit naar boven
of onder slepen.
Let op
Oefen een gelijkmatige druk uit en
beweeg uw vinger met een
constante snelheid.
Druk op S of R aan de boven- of
onderzijde van de schuifbalk.
Beweeg de schuifbalk omhoog
en omlaag met uw vinger.
Druk op de titel van de lijst om terug
te keren naar het begin.
16 Basisbediening
Door de pagina's bladeren
Let op
U kunt alleen door pagina's bladeren
als er meerdere pagina's beschik‐
baar zijn.
Om van de ene pagina naar de
andere te bladeren:
Plaats uw vinger op een willekeu‐
rige plek van het scherm en
beweeg hem naar links om naar
de vorige pagina te gaan of naar
rechts om naar de volgende
pagina te gaan.
Let op
Oefen een gelijkmatige druk uit en
beweeg uw vinger met een
constante snelheid.
Druk op q of p op het scherm.
Snel naar toepassing Audio en
Navigatie gaan
Met behulp van de symbolen k of j
op de bovenste regel van sommige
menu's kunt u rechtstreeks naar een
andere toepassing gaan.
Om rechtstreeks naar het Audio-
menu te gaan, selecteert u k.
Om rechtstreeks naar het Navigatie-
menu te gaan, selecteert u j.
Let op
Het j-symbool is alleen beschik‐
baar als routebegeleiding actief is.
Geluidsinstellingen
In het geluidsinstellingenmenu kan de
geluidsregeling worden ingesteld.
Het menu is toegankelijk vanuit elk
audiohoofdmenu.
Selecteer Menu in het desbetreffende
audiohoofdmenu om het geluidsin‐
stellingenmenu te openen. Blader zo
nodig door de lijst met menuopties en
selecteer Geluidsinstellingen. Het
desbetreffende menu verschijnt.
Basisbediening 17
Equalizermodus
Gebruik deze instelling voor een opti‐
maal geluid voor het genre, bijv.
Rock of Klassiek.
Selecteer de gewenste geluidsstijl in
de interactieve selectiebalk onderaan
het scherm. Als u Aangepast kiest,
kunt u de volgende instellingen hand‐
matig aanpassen.
Bass
Met deze instelling kunt u de lage
frequenties van de audiobronnen
versterken of dempen.
Druk op + of - om de instelling aan te
passen.
Midden
Met deze instelling kunt u de midden‐
frequenties van de audiobron verster‐
ken of dempen.
Druk op + of - om de instelling aan te
passen.
Hoge ton.
Met deze instelling kunt u de hoge
frequenties van de audiobronnen
versterken of dempen.
Druk op + of - om de instelling aan te
passen.
Balance en fader instellen
Gebruik de illustratie rechts van het
menu om balance en fader in te stel‐
len.
Druk op het bijbehorende punt in de
afbeelding om het punt in het interieur
te bepalen waar het geluidsniveau
het hoogst is. Ook kunt u de rode
marker naar het gewenste punt
verschuiven.
Let op
De instellingen voor balance en
fader gelden voor alle audiobron‐
nen. Deze kunnen niet apart voor
elke audiobron worden ingesteld.
Volume-instellingen
Maximaal opstartvolume
aanpassen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Radio, blader door de lijst
en selecteer vervolgens Max.
inschakelvolume.
Raak + of - aan om de instelling aan
te passen of verplaats de schuif op de
volumebalk.
Snelheidsgecompenseerd
volume aanpassen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Radio, blader door de lijst
en selecteer vervolgens Automatisch
volume.
Selecteer een van de opties in de lijst
om de mate van volumeaanpassing
te wijzigen.
Uit: geen harder volume bij een
toenemende snelheid.
Hoog: maximaal hard volume bij een
toenemende snelheid.
Geluidsfeedbackfunctie voor
bediening activeren of
deactiveren
Als de geluidsfeedbackfunctie is
geactiveerd, hoort u een pieptoon als
een schermtoets of menuoptie wordt
bediend.
18 Basisbediening
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Radio en blader in de lijst
naar Geluidsterugmelding bij
aanraken.
Druk op de schermtoets naast
Geluidsterugmelding bij aanraken om
de functie te activeren of deactiveren.
Volume van verkeersinformatie
Stel het gewenste volume van de
verkeersinformatie in wanneer een
verkeersbericht door het systeem
wordt gegeven. De desbetreffende
instelling wordt dan door het systeem
opgeslagen.
Systeeminstellingen
De onderstaande instellingen hebben
betrekking op het hele systeem. Alle
andere instellingen staan beschreven
in de desbetreffende hoofdstukken
van deze handleiding.
Datum- en tijdinstellingen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Tijd en datum om het
desbetreffende submenu weer te
geven.
Tijdformaat instellen
Selecteer de gewenste tijdnotatie
door op het scherm de toetsen 12 h
of 24 h aan te raken.
Datumformaat instellen
U selecteert de gewenste datumno‐
tatie door op Datumformaat instellen
te drukken en een van de beschik‐
bare opties te kiezen.
Automatisch
Selecteer Automatisch om aan te
geven of de datum en tijd automatisch
of handmatig worden ingesteld.
Selecteer Aan - RDS om de datum en
tijd automatisch in te stellen.
Selecteer Uit - Handbediend om de
datum en tijd handmatig in te stellen.
Als Automatisch op Uit -
Handbediend wordt ingesteld, zijn de
submenu-opties Tijd instellen en
Datum instellen beschikbaar.
Tijd en datum instellen
Selecteer Tijd instellen of Datum
instellen om de tijd en datum in te
stellen.
Basisbediening 19
Tik op + of - om de instellingen aan te
passen.
Taalinstellingen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Taal(Language) om het
desbetreffende menu weer te geven.
Om de taal van de menuteksten te
wijzigen, tikt u op de gewenste taal.
Bladerfunctie voor tekst
Als er lange tekst op het scherm
verschijnt, zoals bij titels van
nummers en zendernamen, kan de
tekst continu over het scherm rollen of
kan deze eenmaal over het scherm
rollen en in verkorte vorm worden
weergegeven.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Radio.
Activeer Tekst bladeren als u wilt dat
de tekst continu doorloopt.
Deactiveer de instelling als wilt dat de
tekst bloksgewijs wordt doorlopen.
Display uitzetten
Als u het display niet wilt zien, bijvoor‐
beeld in de nachtelijke uren, kunt u
het display uitzetten.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst en selecteer
Display uitschakelen. Het display
dooft. De audiofuncties blijven actief.
Raak om het display weer in te scha‐
kelen het scherm aan of druk op een
knop.
Fabrieksinstellingen
(R 4.0 IntelliLink)
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst en selecteer Terug
naar fabrieksinstellingen.
Selecteer Voertuiginstellingen
herstellen om alle persoonlijke instel‐
lingen terug te zetten.
Selecteer Alle privégegevens wissen
om de gekoppelde Bluetooth-appara‐
ten en de opgeslagen contactenlijst
en voicemailnummers te verwijderen.
Selecteer Radio-instellingen
herstellen om de geluids- en volume-
instellingen te resetten, alle favorie‐
ten te verwijderen en de gekozen
beltoon te wissen.
In elk van deze gevallen verschijnt er
een waarschuwing. Selecteer
Doorgaan om de instellingen te reset‐
ten.
20 Basisbediening
Fabrieksinstellingen
(Navi 4.0 IntelliLink)
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst en selecteer Terug
naar fabrieksinstellingen.
Voertuiginstellingen
Selecteer Boordinstellingen
terugzetten om alle persoonlijke
instellingen te herstellen.
Er verschijnt een pop-upvenster.
Bevestig het pop-upbericht.
Telefooninformatie
Selecteer Wis alle telefoongegevens
om de gekoppelde Bluetooth-appara‐
ten en de opgeslagen contactenlijst
en voicemailnummers te verwijderen.
Er verschijnt een pop-upvenster.
Bevestig het pop-upbericht.
Radio-instellingen
Selecteer om de geluids- en volume-
instellingen te resetten en alle favor‐
ieten te verwijderen Radio-
instellingen herstellen.
Er verschijnt een pop-upvenster.
Bevestig het pop-upbericht.
Navigatie-instellingen
Selecteer om alle navigatieparame‐
ters en instellingen van het navigatie‐
systeem te resetten Navigatie-
instellingen herstellen. Er verschijnt
een submenu.
Selecteer afhankelijk van welke set
parameters u wilt resetten Navigatie‐
geschiedenis wissen (recente
bestemmingen), Favorieten voor
navigatie wissen (favorieten) of
Navigatie-opties en -instellingen
resetten (bijv. instellingen voor kaart‐
weergave, gesproken instructies of
routeopties).
Er verschijnt een pop-upvenster.
Bevestig het pop-upbericht.
Systeemversie
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst en selecteer
Software informatie.
Als een USB-apparaat is aangeslo‐
ten, kunt u de voertuiginformatie op
dit USB-apparaat opslaan.
Selecteer Systeemupdate en vervol‐
gens Voertuiginfo opslaan op USB.
Neem contact op met uw garage voor
een systeemupdate.
Voertuiginstellingen
De Voertuiginstellingen worden in de
Gebruikershandleiding beschreven.
Radio 21
Radio
Gebruik ........................................ 21
Zender zoeken ............................. 21
Favorietenlijst ............................... 23
Radio Data System ...................... 24
Digital Audio Broadcasting .......... 25
Gebruik
Radio activeren
Druk op ; en selecteer dan Audio.
Het laatst geselecteerde hoofdmenu
audio verschijnt.
Druk op Bron in het radiohoofdmenu
om de interactieve selectiebalk te
openen.
Selecteer het gewenste frequentiebe‐
reik.
De laatst ten gehore gebrachte
zender van het geselecteerde
frequentiebereik wordt ontvangen.
Zender zoeken
Automatisch zender zoeken
Druk kort op t of v op het bedie‐
ningspaneel of op het scherm om
naar de vorige of volgende zender in
het zendergeheugen te gaan.
Handmatig zender zoeken
Druk op t of v op het bedienings‐
paneel. Loslaten wanneer de gewen‐
ste frequentie bijna bereikt is.
De volgende ontvangbare zender
wordt opgezocht en automatisch
afgespeeld.
22 Radio
Let op
Frequentiebereik FM: Als de RDS-
functie is ingeschakeld, wordt er
alleen naar RDS-zenders 3 24
gezocht en als verkeersinformatie
TP is ingeschakeld, wordt er alleen
naar zenders met verkeersinforma‐
tie 3 24 gezocht.
Afstemmen op zender
Druk op B op het scherm. Het
scherm Direct afstemmen verschijnt.
Voer de gewenste frequentie in.
Gebruik r om de ingevoerde cijfers
te verwijderen. Druk zo nodig op d of
c om vervolgens de invoer te wijzi‐
gen.
Bevestig de invoer om de zender te
beluisteren.
Zenderlijsten
Druk op Menu in het radiohoofdmenu
om het bijbehorende submenu voor
de specifieke golfband te openen.
Selecteer Zenderlijst. Alle ontvang‐
bare zenders van het desbetreffende
frequentiebereik en in het huidige
ontvangstgebied worden weergege‐
ven.
Selecteer de gewenste zender.
Let op
De momenteel beluisterde radiozen‐
der wordt aangeduid door het
symbool l naast de naam van de
zender.
Categorielijsten
Tal van radiozenders zenden een
PTY-code uit die het uitgezonden
programmatype aangeeft (bijv.
nieuws). Sommige zenders wijzigen
afhankelijk van de inhoud die op dat
moment wordt uitgezonden ook de
PTY-code.
Het Infotainmentsysteem slaat deze
zenders, gesorteerd op programma‐
type, in de desbetreffende categorie‐
lijst op.
Let op
De lijstoptie Categorieën is alleen
beschikbaar voor de FM- en DAB-
golfband.
Selecteer Categorieën om een
programmatype te zoeken dat door
de zenders wordt aangeboden.
Er verschijnt een lijst met momenteel
beschikbare programmatypes.
Selecteer het gewenste programma‐
type. De lijst met zenders met het
geselecteerde programmatype
verschijnt.
Selecteer de gewenste zender.
Let op
De momenteel beluisterde radiozen‐
der wordt aangeduid door het
symbool l naast de naam van de
zender.
Radio 23
Zenderlijsten bijwerken
Als de zenders in de golfbereik-speci‐
fieke zenderlijst niet meer kunnen
worden ontvangen, moeten de AM-
en DAB-zenderlijst worden bijge‐
werkt.
Let op
De lijst met FM-zenders wordt auto‐
matisch bijgewerkt.
Druk op Menu in het radiohoofdmenu
en selecteer vervolgens Zenderlijst
bijwerken.
Let op
Bij het bijwerken van een lijst van
een zender op een specifiek
frequentiebereik wordt de overeen‐
komstige categorielijst ook bijge‐
werkt.
Het toestel zoekt naar zenders en er
verschijnt een bijbehorend bericht.
Na het zoeken verschijnt de desbe‐
treffende zenderlijst.
Let op
De momenteel beluisterde radiozen‐
der wordt aangeduid door het
symbool l naast de naam van de
zender.
Favorietenlijst
Zenders van alle frequentiebereiken
kunnen handmatig in de favorieten‐
lijsten worden opgeslagen.
U beschikt over vijf favorietenlijsten
met elk vijf favorieten.
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd.
Een zender opslaan
Druk indien nodig op < of > om naar
de gewenste favorietenlijst te blade‐
ren.
Om de actieve radiozender op te
slaan als favoriet, houdt u de gewen‐
ste favorietentoets enkele seconden
lang ingedrukt. De favorietentoets
draagt de bijbehorende frequentie of
zendernaam als titel.
Een zender oproepen
Druk indien nodig op < of > om naar
de gewenste favorietenlijst te blade‐
ren.
Kies de gewenste favoriet.
Het aantal beschikbare
favorietenlijsten instellen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen op het scherm om het
aantal favorietenlijsten vast te stellen
waaruit kan worden gekozen.
Selecteer Radio en vervolgens
Favorieten beheren om het desbe‐
treffende submenu weer te geven.
Activeer of deactiveer de weer te
geven favorietenlijst.
24 Radio
Radio Data System
Radio Data System (RDS) is een
dienst voor FM-zenders die ervoor
zorgt dat de gewenste zender
aanzienlijk sneller wordt gevonden en
zonder problemen wordt ontvangen.
Voordelen van RDS
Op het display verschijnt de
programmanaam van de zender
in plaats van de frequentie.
Tijdens het zoeken naar zenders
stemt het Infotainmentsysteem
alleen af op RDS-zenders.
Het Infotainmentsysteem stemt
altijd af op de zendfrequentie van
de ingestelde zender met de
beste ontvangst via AF (alterna‐
tieve frequentie).
Afhankelijk van de ontvangen
zender geeft het Infotainment‐
systeem radioteksten weer met
bijv. informatie over het actuele
programma.
RDS-configuratie
Tik op Menu in het hoofdmenu FM-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
Blader naar RDS.
Activeer of deactiveer RDS.
Verkeersinformatie
Verkeersinformatiezenders zijn RDS-
zenders die verkeersinformatie
uitzenden. Als verkeersinformatie is
ingeschakeld, wordt de audiobron die
momenteel wordt afgespeeld voor de
duur van het verkeersbericht onder‐
broken.
Verkeersinformatiefunctie activeren
Kies Menu in het hoofdmenu FM-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
Druk op de schermtoets naast
Verkeersberichten om de functie te
activeren of deactiveren.
Let op
In de zenderlijst verschijnt TP naast
de zenders die verkeersinformatie
verschaffen.
Als de verkeersinformatie geacti‐
veerd is, verschijnt [TP] op de boven‐
ste regel van alle menu's. Als de
actuele zender geen verkeersinfor‐
matiezender is, wordt TP grijs weer‐
gegeven en wordt er automatisch
naar de volgende verkeersinformatie‐
zender gezocht. Zodra er een
verkeersinformatiezender wordt
gevonden, wordt TP gemarkeerd. Als
er geen verkeersinformatiezender
wordt gevonden, blijft TP grijs.
Als er een verkeersbericht op de
desbetreffende zender wordt uitge‐
zonden, verschijnt er een bericht.
Druk op het scherm of druk op m om
de melding te onderbreken en naar
de laatst geactiveerde functie te
gaan.
Regio-instelling
Soms zenden RDS-zenders regio‐
naal verschillende programma's op
verschillende frequenties uit.
Kies Menu in het hoofdmenu FM-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen
en blader naar Regio
Activeer of deactiveer Regio.
Radio 25
Als de regio-instelling geactiveerd is,
worden er zo nodig andere frequen‐
ties met dezelfde regionale program‐
ma's geselecteerd. Is de regio-instel‐
ling uitgeschakeld, worden alterna‐
tieve frequenties voor de zenders
geselecteerd zonder rekening te
houden met regionale programma's.
Digital Audio Broadcasting
Digital Audio Broadcasting (DAB)
maakt digitale radio-uitzendingen
mogelijk.
DAB-zenders worden aangeduid met
de programmanaam i.p.v. met de
zendfrequentie.
Algemene informatie
Met DAB kunnen verschillende
programma's (diensten) op
dezelfde frequentie worden
uitgezonden.
Naast hoogwaardige diensten
voor digitale audio is DAB ook in
staat om programmagerela‐
teerde gegevens en een veelheid
aan andere dataservices uit te
zenden, inclusief reis- en
verkeersinformatie.
Zolang een bepaalde DAB-
ontvanger een signaal van een
zender op kan vangen (ook al is
het signaal erg zwak), is de
geluidsweergave gewaarborgd.
Bij een slechte ontvangst wordt
het volume automatisch lager
gezet om onaangename gelui‐
den te voorkomen.
Als het DAB-signaal te zwak is
om door de radio te worden
opgevangen, wordt de weergave
geheel onderbroken. Dit
probleem is te voorkomen door in
het DAB-menu Koppeling DAB-
DAB of Koppeling DAB-FM te
activeren (zie onder).
Interferentie door zenders op
naburige frequenties (een
verschijnsel dat typisch is voor
AM- en FM-ontvangst) doet zich
bij DAB niet voor.
Als het DAB-signaal door natuur‐
lijke obstakels of door gebouwen
wordt weerkaatst, verbetert dit de
ontvangstkwaliteit van DAB,
terwijl AM- en FM-ontvangst in
die gevallen juist aanmerkelijk
verzwakt.
Als DAB-ontvangst is ingescha‐
keld, blijft de FM-tuner van het
Infotainmentsysteem op de
achtergrond actief en zoekt dan
continu naar FM-zenders met de
beste ontvangst. Als TP 3 24
geactiveerd is, worden er
verkeersberichten doorgegeven
van de FM-zender die de beste
ontvangst heeft. Deactiveer TP
als DAB-ontvangst niet door FM-
verkeersberichten moet worden
onderbroken.
DAB-meldingen
Naast hun muziekprogramma's
zenden veel DAB-zenders ook
diverse categorieën berichten uit. Als
u sommige of alle categorieën acti‐
veert, wordt de momenteel ontvan‐
gen DAB-service bij een bericht uit
deze categorieën onderbroken.
Kies Menu in het hoofdmenu DAB-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
26 Radio
Blader door de lijst en selecteer DAB-
aankondigingen om een lijst met de
beschikbare categorieën weer te
geven.
Activeer alle of alleen de gewenste
berichtcategorieën. Er kunnen
verschillende berichtcategorieën
tegelijk worden geselecteerd.
Koppeling DAB-DAB
Als deze functie geactiveerd is, scha‐
kelt het systeem over op dezelfde
service van een ander DAB-ensem‐
ble (indien beschikbaar) als het DAB-
signaal te zwak is om door de radio te
worden opgevangen.
Kies Menu in het hoofdmenu DAB-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
Blader door de lijst en activeer of
deactiveer Koppeling DAB-DAB.
Koppeling DAB-FM
Deze functie maakt het mogelijk om
over te schakelen van een DAB-
zender op een FM-zender of
andersom.
Als deze functie geactiveerd is, scha‐
kelt het systeem over op eenzelfde
FM-zender van de actieve DAB-
service (indien beschikbaar) als het
DAB-signaal te zwak is om door de
radio te worden opgevangen.
Blader door de lijst en activeer of
deactiveer Koppeling DAB-FM.
L-band
Via deze functie kunt u definiëren
welke DAB-frequentiebereiken door
het Infotainmentsysteem moeten
worden ontvangen.
De L-band (normale en satellietradio)
is een andere radiofrequentie die u
daarnaast kunt ontvangen.
Kies Menu in het hoofdmenu DAB-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
Blader door de lijst en activeer of
deactiveer L-band.
Intellitext
Met de functie Intellitext kunt u extra
informatie ontvangen, zoals financi‐
ele informatie, sport en nieuws.
Let op
De beschikbare content is afhanke‐
lijk van de zender en regio.
Kies Menu in het hoofdmenu DAB-
radio om het desbetreffende golf‐
bandspecifieke submenu te openen.
Blader door de lijst en selecteer
Intellitext.
Selecteer één van de categorieën en
kies een specifieke optie om gedetail‐
leerde informatie weer te geven.
EPG
De elektronische programmagids
verschaft informatie over het huidige
en komende programma van de
desbetreffende DAB-zender.
Selecteer Menu in het hoofdmenu
DAB-radio en selecteer vervolgens
Zenderlijst.
Druk op het pictogram naast de
zender om het programma van de
gewenste zender weer te geven.
Externe apparaten 27
Externe apparaten
Algemene informatie .................... 27
Audio afspelen ............................. 29
Afbeeldingen weergeven ............. 30
Films afspelen .............................. 32
Smartphone-applicaties
gebruiken ..................................... 33
Algemene informatie
Er zit een USB-poort voor het aanslui‐
ten van externe apparaten op de
middenconsole.
Let op
U moet de USB-poort altijd schoon
en droog houden.
USB-poort
Op de USB-poort kunt u een mp3-
speler, USB-apparaat, SD Card (via
USB-stekker / adapter) of smart‐
phone aansluiten.
Er kunnen maximaal twee USB-appa‐
raten tegelijk op het infotainmentsys‐
teem aangesloten zijn.
Let op
Voor het verbinden van twee USB-
apparaten hebt u een externe USB-
hub nodig.
Het Infotainmentsysteem kan audio‐
bestanden afspelen, afbeeldingsbe‐
standen weergegeven of filmbestan‐
den afspelen vanaf USB-apparaten.
Na het aansluiten op de USB-poort
werken diverse functies van het
bovenvermelde apparaat via de
knoppen en menu's van het infotain‐
mentsysteem.
Let op
Niet alle aanvullende apparaten
worden ondersteund door het Info‐
tainmentsysteem. In de lijst op onze
website kunt u controleren welke
modellen geschikt zijn.
Een apparaat aansluiten/loskoppelen
Sluit een van bovenstaande appara‐
ten aan op de USB-poort. Gebruik zo
nodig de daartoe bestemde aansluit‐
kabel. De muziekfunctie start auto‐
matisch.
Let op
Bij het verbinden van een niet-lees‐
baar USB-apparaat verschijnt er een
bijbehorende foutmelding en scha‐
kelt het Infotainmentsysteem auto‐
matisch terug naar de vorige functie.
Ontkoppel het USB-apparaat door
een andere functie te selecteren en
dan het USB-apparaat te verwijderen.
28 Externe apparaten
Voorzichtig
Koppel het toestel tijdens het
afspelen niet los. Hierdoor kan het
toestel of het Infotainmentsysteem
beschadigd raken.
USB automatisch starten
Standaard verschijnt het USB-audio‐
menu automatisch zodra een USB-
apparaat is aangesloten.
Indien gewenst kunt u deze functie
deactiveren.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen om het instellingenmenu
te openen.
Selecteer Radio, blader naar USB
automatisch starten en druk op de
schermtoets naast de functie.
Druk nogmaals op de schermtoets
om de functie weer te activeren.
Bluetooth
Apparaten die de Bluetooth-muziek‐
profielen A2DP en AVRCP onder‐
steunen kunnen draadloos met het
Infotainmentsysteem worden verbon‐
den. Het infotainmentsysteem kan de
muziekbestanden afspelen die op
deze apparaten staan.
Een apparaat aansluiten
Voor een gedetailleerde beschrijving
van het tot stand brengen van een
Bluetooth-verbinding 3 52.
Bestandsindelingen en mappen
De maximale capaciteit van een door
het infotainmentsysteem onder‐
steund apparaat is 5000 muziekbe‐
standen, 5000 afbeeldingsbestan‐
den, 500 filmbestanden,
5000 mappen en 15 niveaus
mappenstructuur. Alleen apparaten
met een formattering in het
FAT16 / FAT32-bestandssysteem
worden ondersteund.
Als de audio-metagegevens afbeel‐
dingen bevatten, verschijnen deze
afbeeldingen op het scherm.
Let op
Sommige bestanden worden
wellicht niet goed afgespeeld. Dit
wordt wellicht veroorzaakt door een
ander opnameformaat of de staat
van het bestand.
Bestanden van online-winkels met
digitaal rechtenbeheer (DRM)
kunnen niet worden afgespeeld.
Het infotainmentsysteem kan de
volgende audio-, afbeeldings- en film‐
bestanden op externe apparaten
afspelen/weergeven.
Audiobestanden
De afspeelbare audiobestandsinde‐
lingen zijn MP3 (MPEG-1 layer 3,
MPEG-2 layer 3), WMA, AAC, AAC+,
ALAC OGG WAF (PCM), AIFF, 3GPP
(alleen audio), Audio Books en
LPCM. iPod
®
en iPhone
®
apparaten
spelen ALAC, AIFF, Audio Books en
LPCM af.
Bij het afspelen van een bestand met
ID3 tag-informatie kan het Infotain‐
mentsysteem informatie weergeven,
bijv. over de titel van de track en de
artiest.
Externe apparaten 29
Afbeeldingsbestanden
De weergeefbare afbeeldingsbe‐
standsindelingen zijn JPG, JPEG,
BMP, PNG en GIF.
JPG-bestanden moeten 64 tot
5000 pixels breed en 64 tot
5000 pixels hoog zijn.
BMP-, PNG- en GIF-bestanden
moeten 64 tot 1024 pixels breed en
64 tot 1024 pixels hoog zijn.
De bestandsgrootte van de afbeeldin‐
gen mag niet meer dan 1MB zijn.
Filmbestanden
De afspeelbare videobestandsinde‐
lingen zijn AVI en MP4.
De maximale resolutie is 1280 x
720 pixels. De herhalingsfrequentie
moet minder dan 30 fps zijn.
De bruikbare codec is H.264/MPEG-4
AVC.
De afspeelbare audio-indelingen zijn
MP3, AC3, AAC en WMA.
De weergeefbare ondertitelingsinde‐
ling is SMI.
Audio afspelen
Muziekfunctie activeren
Als het apparaat nog niet met het Info‐
tainmentsysteem verbonden is,
verbind het apparaat dan 3 27.
Doorgaans wordt het desbetreffende
audiohoofdmenu automatisch weer‐
gegeven.
Als het afspelen niet automatisch
wordt gestart, bijvoorbeeld omdat
USB automatisch starten is gedeacti‐
veerd 3 27, moet u de volgende stap‐
pen ondernemen:
Druk op ; en selecteer vervolgens
Audio om het laatst geselecteerde
audiohoofdmenu te openen.
Selecteer Bron in de interactieve
selectiebalk en selecteer vervolgens
de gewenste audiobron om het
desbetreffende audiohoofdmenu te
openen.
Het afspelen van de audiotracks start
automatisch.
Functietoetsen
Afspelen onderbreken en hervatten
Druk op = om het afspelen te onder‐
breken. De knop op het scherm
verandert in l.
Druk op l om het afspelen te hervat‐
ten.
Volgende of vorige track afspelen
Druk op v om de volgende track af
te spelen.
Raak, zodra de track wordt afge‐
speeld, binnen twee seconden t
aan om terug te gaan naar de vorige
track.
30 Externe apparaten
Terug naar het begin van de huidige
track gaan
Raak, wanneer de track wordt afge‐
speeld, na twee seconden t aan.
Snel vooruit en achteruit gaan
Houd t of v ingedrukt. Laat de
toets los om naar de normale afspeel‐
modus terug te keren.
Ook kunt u de schuifbalk die de posi‐
tie van de huidige track aangeeft naar
links of rechts verplaatsen.
Tracks in willekeurige volgorde
afspelen
Druk op n om de tracks in willekeu‐
rige volgorde af te spelen. De
schermtoets verandert in o.
Druk nogmaals op o om de functie
Willekeurige volgorde te deactiveren
en terug te gaan naar de normale
afspeelmodus.
Muziek doorbladeren-functie
Druk op het scherm om het blader‐
scherm weer te geven. U kunt ook
Menu op het hoofdscherm Audio
selecteren om het desbetreffende
audiomenu weer te geven, en vervol‐
gens Muziek doorbladeren selecte‐
ren.
Er verschijnen verschillende catego‐
rieën waarin de tracks gesorteerd
zijn, bijv. Playlists, Artiesten of
Albums.
Selecteer de gewenste categorie,
subcategorie (indien beschikbaar) en
kies dan een track.
Selecteer de track om de weergave te
starten.
Afbeeldingen weergeven
U kunt afbeeldingen van een USB-
apparaat bekijken.
Let op
Uit veiligheidsoverwegingen zijn
bepaalde functies uitgeschakeld
tijdens het rijden.
Afbeeldingsfunctie activeren
Als het apparaat nog niet met het Info‐
tainmentsysteem verbonden is,
verbind het apparaat dan 3 27.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Gallery om het mediahoofdmenu te
openen.
Druk op l om het afbeeldingshoofd‐
menu te openen en een lijst met
opgeslagen afbeeldingen op het
USB-apparaat weer te geven. Selec‐
teer de gewenste afbeelding. Als
deze in een map is opgeslagen, moet
u eerst de desbetreffende map selec‐
teren.
Externe apparaten 31
Raak het scherm aan om de menu‐
balk te verbergen. Raak het scherm
nogmaals aan om de menubalk weer
te tonen.
Functietoetsen
Modus Volledig scherm
Selecteer x om de afbeelding in de
modus Volledig scherm weer te
geven. Druk op het scherm om de
modus Volledig scherm te verlaten.
Volgende of vorige afbeelding
bekijken
Druk op j of veeg naar links om de
volgende afbeelding te bekijken
Druk op i of veeg naar rechts om de
vorige afbeelding te bekijken.
Een afbeelding draaien
Selecteer v om de afbeelding te
draaien.
Inzoomen op een afbeelding
Druk een of meerdere keren op w om
in te zoomen op een afbeelding of om
terug te keren naar het oorspronke‐
lijke formaat.
Een diavoorstelling bekijken
Selecteer t om de afbeeldingen op
het USB-apparaat als diavoorstelling
te bekijken.
Druk op het scherm om de diavoor‐
stelling te beëindigen.
Menu Afbeeldingen
Selecteer Menu op de onderste regel
van het scherm om het Afbeeldingen‐
menu weer te geven.
Tijd diavoorstelling
Kies Tijd diavoorstelling om een lijst
met mogelijke gebruiksduren te zien
en kies de gewenste gebruiksduur.
Klok- en temperatuurweergave
Activeer voor het weergeven van tijd
en temperatuur in de volledige-
schermmodus Klok. Temperatuurdis‐
play.
Display-instellingen
Selecteer Display-instellingen om
een submenu voor de helderheid en
het contrast te openen.
Druk op + of - om de instellingen aan
te passen.
32 Externe apparaten
Films afspelen
U kunt video's op een USB-apparaat
bekijken.
Let op
Voor uw eigen veiligheid werkt de
filmfunctie onderweg niet.
Filmfunctie activeren
Als het apparaat nog niet met het Info‐
tainmentsysteem verbonden is,
verbind het apparaat dan 3 27.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Gallery om het mediahoofdmenu te
openen.
Druk op m om het filmhoofdmenu te
openen en een lijst met opgeslagen
afbeeldingen op het USB-apparaat
weer te geven. Selecteer de gewen‐
ste film. Als deze in een map is opge‐
slagen, moet u eerst de desbetref‐
fende map selecteren.
De film wordt afgespeeld.
Functietoetsen
Volledig scherm
Selecteer x om de film in de modus
Volledig scherm af te spelen. Druk op
het scherm om de modus Volledig
scherm te verlaten.
Afspelen onderbreken en hervatten
Druk op = om het afspelen te onder‐
breken. De knop op het scherm
verandert in l.
Druk op l om het afspelen te hervat‐
ten.
Volgende of vorige track afspelen
Druk op c om het volgende filmbe‐
stand af te spelen.
Druk, zodra de film wordt afgespeeld,
binnen vijf seconden op d om terug
te gaan naar het vorige filmbestand.
Terug naar het begin van de huidige
film gaan
Druk, wanneer de film wordt afge‐
speeld, na vijf seconden op d.
Snel vooruit en achteruit gaan
Houd d of c ingedrukt. Laat de toets
los om naar de normale afspeelmo‐
dus terug te keren.
Filmmenu
Selecteer Menu op de onderste regel
van het scherm om het Menu Film
weer te geven.
Externe apparaten 33
Klok- en temperatuurweergave
Activeer voor het weergeven van tijd
en temperatuur in de volledige-
schermmodus Klok. Temperatuurdis‐
play.
Display-instellingen
Selecteer Display-instellingen om
een submenu voor de helderheid en
het contrast te openen.
Druk op + of - om de instellingen aan
te passen.
Smartphone-applicaties
gebruiken
Telefoonweergave
De smartphone-applicaties Apple
CarPlay™ en Android™ Auto geven
de geselecteerde apps van uw smart‐
phone weer op het Info-Display. U
kunt ze bedienen met de bedienings‐
elementen van het Infotainmentsys‐
teem.
Controleer bij de fabrikant van het
apparaat of deze functie op uw smart‐
phone kan worden gebruikt en of de
applicatie beschikbaar is in uw land.
De smartphone voorbereiden
Android-telefoon: Download de
Android Auto-app naar uw smart‐
phone vanaf de Google Play™ Store.
iPhone: Controleer of Siri
®
op uw
smartphone geactiveerd is.
Telefoonweergave activeren in het
instellingenmenu
Druk op ; om het startscherm weer
te geven en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst naar
Apple CarPlay of Android Auto.
Zorg ervoor dat de desbetreffende
applicatie is geactiveerd.
Mobiele telefoon verbinden
Sluit de smartphone aan op de USB-
poort 3 27.
Telefoonweergave starten
Druk op ; en selecteer vervolgens
Weergave om de telefoonweergave‐
functie te starten.
Let op
Als de toepassing door het infotain‐
mentsysteem wordt herkend, kan
het toepassingspictogram wijzigen
in Apple CarPlay of Android Auto.
U kunt ook enkele seconden ; inge‐
drukt houden om de functie te starten.
Het getoonde telefoonweergave‐
scherm is afhankelijk van uw smart‐
phone en de softwareversie.
Teruggaan naar het startscherm
Druk op ;.
34 Externe apparaten
BringGo
BringGo is een navigatieapp voor het
zoeken naar locaties, kaartweergave
en routebegeleiding.
Let op
Controleer alvorens de app te down‐
loaden of BringGo in de auto is geïn‐
stalleerd.
De app downloaden
Voordat een BringGo met de bedie‐
ningsorganen en menu's van het Info‐
tainmentsysteem kan worden
gebruikt, moet de desbetreffende
applicatie op de smartphone worden
geïnstalleerd.
Download de app van App Store
®
of
Google Play Store.
BringGo activeren in het
instellingenmenu
Druk op ; om het startscherm weer
te geven en selecteer vervolgens
Instellingen.
Blader door de lijst tot BringGo.
Zorg ervoor dat de applicatie is geac‐
tiveerd.
Mobiele telefoon verbinden
Sluit de smartphone aan op de USB-
poort 3 27.
BringGo starten
Druk op ; om de app te starten en
selecteer het pictogram Nav.
Het hoofdmenu van de applicatie
wordt getoond op het Info-Display.
Raadpleeg voor nadere informatie
over het bedienen van de app de
instructies op de website van de fabri‐
kant.
Navigatie 35
Navigatie
Algemene aanwijzingen ............... 35
Gebruik ........................................ 36
Invoer van de bestemming .......... 41
Begeleiding .................................. 46
Algemene aanwijzingen
Dit hoofdstuk gaat over het geïnte‐
greerde navigatiesysteem van Navi
4.0 IntelliLink.
Bij het berekenen van de route houdt
het systeem rekening met de huidige
verkeerssituatie. Hiervoor ontvangt
het Infotainmentsysteem via RDS-
TMC verkeersberichten in het huidige
ontvangstgebied.
Het navigatiesysteem kan echter
geen rekening houden met de actuele
verkeerssituatie, recentelijk veran‐
derde verkeersregels en plotseling
optredende gevaren of knelpunten
(bijv. wegwerkzaamheden).
Voorzichtig
Het gebruik van het navigatiesys‐
teem vrijwaart de bestuurder niet
van zijn verantwoordelijkheid
correct en oplettend aan het
verkeer deel te nemen. De rele‐
vante verkeersregels moeten
zonder uitzondering in acht
worden genomen. Wanneer de
routebegeleiding tegen de
verkeersregels ingaat, moet u
altijd de verkeersregels volgen.
Werking van het
navigatiesysteem
Het navigatiesysteem gebruikt
sensoren om de positie en beweging
van de auto te bepalen. De afgelegde
afstand wordt bepaald door het
signaal van de snelheidsmeter van de
auto, de draaibewegingen in de boch‐
ten door een sensor. De positie wordt
bepaald door de gps-satellieten
(Global Positioning System).
Door vergelijking van de sensorsig‐
nalen met de digitale kaarten is het
mogelijk om de positie met een nauw‐
keurigheid van ongeveer 10 meter te
bepalen.
Het systeem werkt ook bij een slechte
GPS-ontvangst. Dit kan echter wel de
nauwkeurigheid van de positiebepa‐
ling beïnvloeden.
Na het invoeren van het bestem‐
mingsadres of een nuttige plaats of
POI (dichtstbijzijnde tankstation,
36 Navigatie
hotel et cetera) wordt de route vanaf
de actuele locatie tot de geselec‐
teerde bestemming berekend.
De routebegeleiding vindt plaats door
spraakmeldingen, een richtingspijl en
een meerkleurig kaartscherm.
Opmerkingen
TMC- verkeersinformatiesysteem en
dynamische routebegeleiding
Het TMC-verkeersinformatiesysteem
ontvangt van de TMC-radiozenders
alle actuele verkeersinformatie. Deze
informatie wordt gebruikt bij het bere‐
kenen van de volledige route. Daarbij
wordt de route zo gepland dat
volgens de vooraf ingestelde criteria
om verkeersproblemen heen wordt
gereden.
Is er een actueel verkeersprobleem
tijdens een actieve routebegeleiding,
vraagt het systeem - afhankelijk van
de vooraf gemaakte instelling - of de
route veranderd moet worden.
De TMC-verkeersinformatie wordt op
het kaartscherm met symbolen weer‐
gegeven of verschijnt als gedetail‐
leerde tekst in het TMC-meldingen‐
menu.
Om de TMC-verkeersinformatie te
kunnen gebruiken, moet het systeem
TMC-zenders in de relevante regio
ontvangen.
De TMC-stations kunnen in het navi‐
gatiemenu 3 36 worden geselec‐
teerd.
Kaartgegevens
Alle vereiste kaartgegevens zijn in het
Infotainmentsysteem opgeslagen.
Voor het bijwerken van de navigatie‐
kaartgegevens koopt u nieuwe gege‐
vens bij de Opel Dealer of op onze
website http://opel.navigation.com/.
U ontvangt een USB-apparaat met
daarop de update.
Sluit het USB-apparaat aan op de
USB-poort en volg de instructies op
het scherm. Tijdens de update moet
de auto ingeschakeld zijn.
Let op
Tijdens de update blijft de auto
werken. Als de auto wordt uitge‐
schakeld, kan de update worden
onderbroken. De navigatietoepas‐
sing, Bluetooth en andere externe
apparaten werken niet totdat de
update voltooid is.
Gebruik
Druk op ; om de navigatiekaart weer
te geven en selecteer vervolgens het
pictogram Navigatie.
Routebegeleiding niet actief
De kaart wordt weergegeven.
De huidige locatie wordt aange‐
geven met een cirkel met een pijl
voor de rijrichting.
De naam van de weg/straat
waarop u momenteel rijdt,
verschijnt onderaan het scherm.
Navigatie 37
Routebegeleiding actief
De kaart wordt weergegeven.
De actieve route wordt aangeven
met een gekleurde lijn.
De rijdende auto wordt gemar‐
keerd met een cirkel met een pijl
voor de rijrichting.
De volgende afslag wordt aange‐
geven op het afzonderlijke veld
op de linkerzijde van het scherm.
De aankomsttijd of reistijd staat
boven de pijl.
De resterende afstand tot de
bestemming staat boven de pijl.
Kaart manipuleren
Bladeren
Plaats uw vinger op een willekeurige
plek op het scherm en beweeg deze
naar boven, beneden, links of rechts
om de kaart in de gewenste richting
te verschuiven.
De kaart beweegt mee en er wordt
een nieuwe kaartsectie weergege‐
ven.
Selecteer om terug te keren naar de
huidige locatie Centreren aan de
onderkant van het scherm.
Centreren
Druk op de gewenste locatie op het
scherm en houd deze vast. De kaart
wordt rondom deze locatie gecen‐
treerd.
Bij de desbetreffende locatie
verschijnt d in rood en het bijbeho‐
rende adres wordt op een label weer‐
gegeven.
Selecteer om terug te keren naar de
huidige locatie Centreren aan de
onderkant van het scherm.
Zoomen
U zoomt in om een specifieke locatie
op de kaart door twee vingers op het
scherm te zetten en ze uit elkaar te
bewegen.
Gebruik eventueel < op het kaart‐
scherm.
U zoomt uit en geeft een groter
gebied rond de geselecteerde locatie
weer door twee vingers op het
scherm te zetten en ze naar elkaar
toe te bewegen.
38 Navigatie
Gebruik eventueel ] op het kaart‐
scherm.
Schermtoets Annuleren
Bij actieve routebegeleiding staat er
een schermtoets Annuleren aan de
linkerkant van het scherm.
Selecteer voor annuleren van de
actieve routebegeleidingssessie
Annuleren.
Gedurende enkele seconden
verschijnt er een schermtoets Hervat
rit op het kaartscherm. Selecteer
Hervat rit om de geannuleerde bege‐
leidingssessie opnieuw te starten.
Schermtoets Overzicht
Bij actieve routebegeleiding staat er
een schermtoets Overzicht aan de
linkerkant van het scherm.
Selecteer Overzicht om een overzicht
van de actuele route weer te geven.
De kaart verandert in het gewenste
routeoverzicht.
Selecteer nogmaals Overzicht om
terug te keren naar het normale
scherm.
f
schermtoets
Als routebegeleiding actief is en u op
een snelweg rijdt, staat er nog een
schermtoets f onderaan de kaart.
Selecteer f om een lijst met alle
komende tankstations weer te geven.
Bij het selecteren van een gewenste
uitrit kunt u nuttige plaatsen in het
betreffende gebied opvragen en
routebegeleiding naar sommige van
deze locaties starten 3 41.
x schermtoets
Selecteer in een menu of submenu
x om rechtstreeks terug naar de
kaart te gaan.
Huidige locatie
Selecteer de straatnaam onderaan
het scherm. Er verschijnt informatie
over de huidige locatie.
Selecteer om de huidige locatie op te
slaan als een favoriet Favoriet. Het
pictogram f is gevuld en de locatie is
opgeslagen in de favorietenlijst.
Kaartinstellingen
Kaartweergave
U kunt kiezen uit drie verschillende
kaartweergaven.
Navigatie 39
Selecteer L op het kaartscherm en
druk steeds weer op de schermtoets
Kaartweergave om tussen de opties
om te schakelen.
Afhankelijk van de eerdere instelling
is de schermtoets voorzien van de
benaming 3D display, 2D display of
2D noorden boven. De kaartweer‐
gave verandert met de schermtoets.
Selecteer de gewenste optie.
Kaartkleuren
Afhankelijk van de hoeveelheid
buitenlicht kan de kleurstelling van
het kaartscherm (lichte kleuren voor
overdag en donkere kleuren voor 's
nachts) worden aangepast.
Selecteer L op het kaartscherm om
het Opties-menu weer te geven.
Selecteer Navigatie-instellingen en
vervolgens Kleurmodus van kaart.
De standaardinstelling is
Automatisch. Wanneer Automatisch
wordt geactiveerd, past het scherm
zich automatisch aan.
Activeer eventueel Dag (licht) of
Nacht (donker) voor een alleen licht
of alleen donker scherm.
Autozoomfunctie
Als de autozoomfunctie geactiveerd
is (standaardinstelling), verandert het
zoomniveau automatisch bij het
anderen van een afslag bij actieve
routebegeleiding. Op deze manier
hebt u altijd een goed overzicht van
de desbetreffende manoeuvre.
Als de autozoomfunctie gedeacti‐
veerd is, blijft het geselecteerde
zoomniveau hetzelfde gedurende de
gehele routebegeleiding.
Selecteer voor het deactiveren van
de functie L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en raak
vervolgens de schuifbalk naast
Automatisch zoomen aan.
Raak de schermtoets nogmaals aan
om de functie weer te activeren.
Pictogrammen van POI (nuttige
plaatsen) op de kaart
POI's zijn punten van algemeen nut,
bijv. tankstations of restaurants.
Welke POI-categorieën op de kaart
worden weergegeven, kunt u naar
eigen inzicht aanpassen.
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en vervol‐
gens Op kaart tonen.
Activeer de gewenste POI-catego‐
rieën.
Verkeersvoorvallen op de kaart
Verkeersvoorvallen kunnen recht‐
streeks op de kaart worden aangege‐
ven.
Selecteer voor het activeren van de
functie L op de kaart om het Opties-
menu weer te geven. Selecteer
40 Navigatie
Verkeersinfo op de kaart. De scherm‐
toets verandert in de
activeringsmodus.
Selecteer Verkeersinfo op de kaart
opnieuw om de functie te deactive‐
ren.
Tijdsaanduiding
De tijdsaanduiding tijdens actieve
routebegeleiding kan op twee manie‐
ren worden weergegeven: de reste‐
rende tijd (tot het bereiken van de
bestemming) of de aankomsttijd
(wanneer de bestemming wordt
bereikt).
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en vervol‐
gens Weergave tijd tot bestemming.
Activeer de gewenste optie in het
submenu.
Let op
Tijdens actieve routebegeleiding
kunt u de tijdsaanduiding wijzigen
door simpelweg op het tijdsaandui‐
dingsveld op het scherm te tikken.
Waarschuwingsvoorkeuren
Indien gewenst kunt u in bepaalde
verkeerszones een extra melding
ontvangen.
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en vervol‐
gens Voorkeur voor
waarschuwingen.
Als Flitser is geactiveerd, wordt u
gewaarschuwd bij het naderen van
een vaste flitscamera.
Let op
Deze functie is alleen beschikbaar
als een dergelijk waarschuwings‐
systeem voldoet aan de geldende
wetgeving van het land waarin u zich
bevindt.
Activeer de gewenste optie.
Gesproken begeleiding
De routebegeleiding kan worden
ondersteund door gesproken instruc‐
ties van het systeem.
Let op
De functie Gesproken navigatie-
instructies wordt niet ondersteund
door alle talen. Als er geen gespro‐
ken instructies beschikbaar zijn,
klinkt er automatisch een toon uit het
systeem om een komende
manoeuvre aan te geven.
Activering
De functie Gesproken begeleiding is
standaard geactiveerd. Selecteer
voor het deactiveren van de functie
L op de kaart om het Opties-menu
weer te geven en raak Spraakbege‐
leiding aan. De schermtoets veran‐
dert.
Selecteer de schermtoets nogmaals
om de functie weer te activeren.
Instellingen gesproken begeleiding
Selecteer om te bepalen welke
systeemmeldingen tijdens actieve
routebegeleiding kunnen assisteren
L op de kaart, Navigatie-instellingen
en vervolgens Spraakbegeleiding.
Als Normale spraakbegeleiding geac‐
tiveerd is, kondigt een stem de
volgende te nemen afslag aan.
Als Alleen signaal geactiveerd is, klin‐
ken er alleen pieptonen bij wijze van
melding.
Navigatie 41
In het submenu van Aanwijzingen
tijdens een gesprek kunt u de moge‐
lijke gesproken meldingen tijdens een
telefoongesprek instellen.
Activeer de gewenste opties.
Let op
Gesproken begeleidingsinstructies
klinken alleen als Spraakbegelei‐
ding is geactiveerd in het Opties-
menu, zie hierboven.
Informatie
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en vervol‐
gens Over.
U kunt de teksten van de algemene
voorwaarden of de privacyverklaring
van de fabrikant inzien via de betref‐
fende menuopties.
De versie van de navigatiekaart wordt
weergegeven.
Invoer van de bestemming
De navigatietoepassing biedt diverse
opties voor het instellen van een
bestemming met routebegeleiding.
Bestemmingsinvoer via kaart
U kunt bestemmingen rechtstreeks
vanaf het kaartscherm invoeren.
Persoonlijke adressen op de kaart
U kunt twee adressnelkoppelingen
(bijv. Huis en Werk) van te voren defi‐
niëren om de routebegeleiding naar
deze twee punten gemakkelijk te star‐
ten. U kunt de adressen definiëren in
het instellingenmenu en afzonderlijk
markeren. Daarna kunt u ze recht‐
streeks vanaf de kaart selecteren.
Selecteer om de adressen op te slaan
L op de kaart, Navigatie-instellingen
en vervolgens Mijn Plaatsen instellen.
Selecteer één van de menuopties
(standaard Thuis en Werk). Gebruik
het toetsenbord om de vereiste gege‐
vens in te voeren in het adresveld. Zie
hieronder voor een gedetailleerde
beschrijving van het toetsenbord.
Selecteer om de naam van het
persoonlijke adres te wijzigen c om
het toetsenbord te verbergen en
selecteer een van de opties in de lijst.
Voer eventueel een nieuwe naam in
het eerste invoerveld in.
Tik indien nodig op een van de invoer‐
velden om het toetsenbord opnieuw
weer te geven en selecteer Gereed.
De locatie wordt opgeslagen als snel‐
koppeling.
Selecteer om routebegeleiding naar
een van deze locaties te starten de
schermtoets ═ op de kaart. De twee
bestemmingen worden weergege‐
ven.
Selecteer één van de schermtoetsen.
Het Routes -menu verschijnt.
Activeer de gewenste route en selec‐
teer Zoeken om routebegeleiding te
starten.
Bestemming selecteren via kaart
Blader naar het gewenste kaartge‐
deelte. Druk op de gewenste locatie
op het scherm en houd deze vast. De
kaart wordt rondom deze locatie
gecentreerd.
Bij de desbetreffende locatie
verschijnt d in rood en het bijbeho‐
rende adres wordt op een label weer‐
gegeven.
42 Navigatie
Raak het label aan. Het Meer
informatie -menu verschijnt. Selec‐
teer Zoeken om routebegeleiding te
starten.
Invoer via toetsenbord
Selecteer ½ op de kaart om het zoek‐
menu bestemming weer te geven.
U kunt rechtstreeks een zoekterm,
bijv. adres, POI-categorie of -naam,
vermelding uit het telefoonboek, favo‐
riet, recente bestemming of coördina‐
ten in het invoerveld bovenaan het
zoekmenuscherm invoeren.
Let op
Coördinaten moeten als volgt
worden ingevoerd: breedtegraad,
lengtegraad bijv, "43,3456,
9,432435".
Selecteer eventueel Adres, Speciale
best. of Afrit om een zoeksjabloon te
gebruiken. Raak indien nodig q aan
om door de pagina te bladeren.
Selecteer ?123 om naar het toet‐
senbord met cijfers en symbolen te
gaan. Selecteer ABC op dezelfde
positie op het toetsenbord om weer
naar het toetsenbord met letters te
gaan.
Druk op de betreffende schermtoets
om een letterteken in te voeren. Als u
de toets loslaat, wordt het teken inge‐
voerd.
Houd de lettertekentoets ingedrukt
om gerelateerde letters in een pop-
upmenu te bekijken. Laat deze los en
selecteer dan de gewenste letter.
Selecteer voor het invoeren van
hoofdletters b en voer het gewenste
letterteken in.
Selecteer k om een teken te verwij‐
deren. Selecteer het kleine x in het
invoerveld om de gehele invoer te
verwijderen.
Zodra er lettertekens worden inge‐
voerd, doet het systeem suggesties
voor zoektermen. Elk volgende letter‐
teken wordt tijdens het vergelijkings‐
proces overwogen.
Navigatie 43
Selecteer indien gewenst een van de
gesuggereerde zoektermen. Selec‐
teer na het invullen van de invoervel‐
den Zoeken op het toetsenbord. Het
menu Resultaten wordt weergege‐
ven.
Selecteer de gewenste bestemming.
Het Meer informatie -menu verschijnt.
Selecteer Zoeken om routebegelei‐
ding te starten.
Op basis van de ingevoerde letters
maakt het systeem ook een lijst aan
met mogelijke bestemmingen samen‐
gesteld uit vermeldingen in het tele‐
foonboek, POI's, adressen, recente
bestemmingen en favorieten. Raak
c onderaan het scherm aan om het
toetsenbord te verbergen en naar de
lijst te gaan.
Tik in het invoerveld om het toet‐
senbord opnieuw weer te geven.
Selecteer indien gewenst een
bestemming uit de lijst. Het Meer
informatie -menu verschijnt. Selec‐
teer Zoeken om routebegeleiding te
starten.
Lijsten met selecteerbare
bestemmingen
Selecteer om naar de lijsten te gaan
½ op de kaart en raak indien nodig
q aan om door de pagina te bladeren.
Selecteer een van de opties:
Recent: lijst met recent gebruikte
bestemmingen
Favorieten: lijst met als favorie‐
ten opgeslagen bestemmingen
Contacten: lijst met adressen die
zijn opgeslagen in de contacten
op de mobiele telefoon die
momenteel via Bluetooth verbon‐
den is
Blader om een bestemming uit een
van de lijsten te kiezen door de betref‐
fende lijst en selecteer de gewenste
bestemming. Het Meer informatie -
menu verschijnt. Selecteer Zoeken
om routebegeleiding te starten.
Recente bestemmingen
De lijst met recente bestemmingen
wordt automatisch gevuld met
bestemmingen die zijn gebruikt bij de
routebegeleiding.
De adressen in de lijst met recente
bestemmingen kunnen worden opge‐
slagen als favorieten. Ga naar de lijst
met recente bestemmingen, selec‐
teer n naast het gewenste adres om
extra functieknoppen weer te geven
en selecteer f. Als het pictogram
gevuld is, is het adres opgeslagen in
de favorietenlijst.
Adressen kunnen uit de lijst met
recente bestemmingen worden
verwijderd. Ga naar de lijst met
recente bestemmingen, selecteer n
naast het gewenste adres en selec‐
teer e om het betreffende adres te
verwijderen.
44 Navigatie
Favorieten
Favorieten kunnen worden toege‐
voegd wanneer er een pictogram f
naast een adres staat. Wanneer het
sterpictogram gevuld is, wordt het
betreffende adres opgeslagen als
een favoriet.
U kunt de positie van een favoriet in
de lijst wijzigen. Ga naar de favorie‐
tenlijst, selecteer n naast de gewenste
favoriet om extra functieknoppen
weer te geven en selecteer Q of P.
U kunt de naam van een favoriet wijzi‐
gen. Ga naar de favorietenlijst, selec‐
teer n naast de gewenste favoriet om
extra functieknoppen weer te geven
en selecteer o. Er verschijnt een toet‐
senbord. Voer de gewenste naam in
en selecteer vervolgens Gereed.
U kunt favorieten verwijderen. Ga
naar de favorietenlijst, selecteer n
naast de gewenste favoriet om extra
functieknoppen weer te geven en
selecteer f. De favoriet is gedeacti‐
veerd (niet gevulde ster). Als u het
pictogram weer selecteert, wordt de
favoriet opnieuw geactiveerd
(gevulde ster). Bij het verlaten van de
favorietenlijst terwijl er favorieten
gedeactiveerd zijn, worden deze uit
de lijst verwijderd.
Contacten
U kunt zoeken naar adressen in de
lijst met behulp van het toetsenbord.
Voer de eerste letters in van het
woord (naam of adres) die/dat u wilt
zoeken. Alle vermeldingen met een
woord dat begint met deze letters
worden weergegeven.
Zie hierboven voor een gedetail‐
leerde beschrijving van het toet‐
senbord.
Categorie zoeken
U kunt ook op categorieën naar POI's
zoeken.
Selecteer ½ op de kaart en selecteer
vervolgens Speciale best..
Let op
Stel indien gewenst de locatie
rondom welke u wilt zoeken naar
POI's in via invoer met het toet‐
senbord in het tweede invoerveld
(standaardinstelling: Nabij) en
gebruik dan het categoriezoek‐
menu.
Blader indien vereist naar de gewen‐
ste pagina en selecteer een van de
hoofdcategorieën in het menu.
Afhankelijk van de geselecteerde
categorie kunnen en verschillende
subcategorieën beschikbaar zijn.
Navigatie 45
Navigeer door de subcategorieën
totdat u de lijst met Resultaten
bereikt.
Selecteer de gewenste POI. Het
Meer informatie-menu verschijnt.
Selecteer Zoeken om routebegelei‐
ding te starten.
Lijst met Resultaten
In de lijst met Resultaten staan
verschillende mogelijke bestemmin‐
gen.
Als routebegeleiding actief is, zijn er
twee verschillende tabbladen
beschikbaar.
Kies tussen de tabbladen:
Op route: mogelijke bestemmin‐
gen langs de momenteel actieve
route
Bij de bestemming: mogelijke
bestemmingen rondom de
bestemming van de route
U kunt de lijst op twee verschillende
manieren sorteren. Selecteer l
rechtsboven op het scherm en acti‐
veer de gewenste optie.
Als u sorteren op relevantie activeert,
probeert het systeem u de beste over‐
eenkomst met uw zoekterm te geven.
Als u sorteren op afstand activeert,
zet het systeem de bestemmingen op
volgorde van afstand tot uw huidige
locatie.
Menu Meer informatie
Na het selecteren van een bestem‐
ming verschijnt het menu Meer
informatie.
Favorieten opslaan
Activeer om de betreffende bestem‐
ming als een favoriet op te slaan
Favoriet (gevulde ster: favoriet opge‐
slagen, niet gevulde ster: favoriet niet
opgeslagen).
46 Navigatie
De bestemming is opgeslagen als
een favoriet en kan dan worden bena‐
derd via de favorietenlijst.
Telefoongesprek initiëren
In sommige gevallen, bijv. als er een
POI is geselecteerd, kan er bij de
betreffende bestemming een tele‐
foonnummer staan. Selecteer y om
dit telefoonnummer te bellen.
Route instellen
Als het systeem meer dan één moge‐
lijke route vindt, kunt u kiezen tussen
de gesuggereerde routes.
Selecteer Routes om een lijst met alle
door het systeem gedetecteerde
routes weer te geven. Activeer de
gewenste route en selecteer Zoeken
om routebegeleiding te starten.
Routes met diverse
bestemmingen
Na het starten van routebegeleiding
kunt u bestemmingen toevoegen aan
de actieve route, bijv. om onderweg
een vriend op te halen of om te stop‐
pen bij een tankstation.
Let op
Er kunnen max. vijf bestemmingen
in één route worden gecombineerd.
Start routebegeleiding naar de
gewenste bestemming.
Selecteer om een andere bestem‐
ming toe te voegen L op de kaart en
selecteer vervolgens Bestemming
toevoegen. Het menu voor bestem‐
ming zoeken wordt weergegeven.
Navigeer naar de gewenste bestem‐
ming. Het Meer informatie -menu
verschijnt. Selecteer Via.
Let op
Als u Zoeken selecteert, wordt route‐
begeleiding naar de eerst geselec‐
teerde bestemming gestopt en wordt
routebegeleiding naar de nieuwe
bestemming gestart.
De bestemmingen zijn gerangschikt
in de volgorde waarin ze zijn inge‐
voerd en de laatste bestemming is
degene waarheen u het eerst wordt
geleid. Ter controle of bevestiging
onderweg, verschijnt de naam van de
volgende bestemming boven de
aankomsttijd en afstand.
U kunt de volgorde van de bestem‐
mingen wijzigen 3 46.
Begeleiding
Het navigatiesysteem begeleidt de
route via visuele en gesproken
instructies (spraakbegeleiding).
Visuele instructies
Visuele instructies worden op het
display weergegeven.
Let op
Wanneer routebegeleiding actief is
en u niet in de navigatietoepassing
zit, worden afslagen aangegeven
door pop-upberichten bovenaan het
scherm.
Navigatie 47
Gesproken begeleiding
Gesproken navigatie-instructies
geven bij het naderen van een krui‐
sing aan welke richting u moet
volgen.
De functie Gesproken instructies acti‐
veren 3 36.
Raak de grote afslagpijl aan de linker‐
kant van het scherm aan om de laat‐
ste gesproken instructie nogmaals te
beluisteren.
Routebegeleiding starten en
annuleren
Selecteer om routebegeleiding te
starten Zoeken in het menu Meer
informatie nadat u een bestemming
hebt geselecteerd 3 41.
Selecteer om routebegeleiding te
annuleren Annuleren aan de linker‐
kant van het scherm 3 36.
Lijst met bestemmingen
De lijst met Bestemmingen bevat alle
bestemmingen op de momenteel
actieve route.
Raak j op het veld voor tijd en afstand
aan. De Bestemmingen -lijst
verschijnt.
Selecteer als er een telefoonnummer
bij staat y om het te bellen.
Selecteer om de volgorde van de
bestemmingen te wijzigen h op het
veld van de bestemming waarvan de
positie moet worden veranderd. De
volgorde wordt gewijzigd en de gese‐
lecteerde bestemming wordt op de
eerste positie gezet.
Selecteer om een bestemming te
verwijderen uit de route e op het veld
van de betreffende bestemming. De
bestemming wordt verwijderd en de
route wordt opnieuw bepaald.
Lijst met afslagen
De volgende afslag wordt aangege‐
ven op de linkerzijde van het scherm.
Selecteer a onder de aangegeven
afslag om de lijst met afslagen weer
te geven. De lijst met afslagen bevat
alle komende afslagen op de actieve
route.
48 Navigatie
Blader om een afslag op de kaart
weer te geven door de lijst en raak de
gewenste afslag aan. De kaart springt
naar de desbetreffende locatie op de
kaart.
Selecteer om een traject te vermijden
n naast de betreffende afslag. Er
verschijnt een m-symbool.
Selecteer om de route zonder het
betreffende traject opnieuw te bere‐
kenen m. De route wordt gewijzigd.
Selecteer de bovenstaande pijl in de
lijst om terug te gaan naar het
normale navigatiekaartscherm.
Verkeersinstellingen
Voor wat betreft verkeersvoorvallen
zijn er verschillende opties beschik‐
baar.
Verkeersinformatie
De verkeersinformatie bevat alle door
het systeem waargenomen verkeers‐
voorvallen.
Selecteer om naar de verkeersinfor‐
matie te gaan L op de kaart en
vervolgens Verkeersinformatie. De
lijst verschijnt.
Kies als routebegeleiding actief is
tussen de tabbladen:
Op route: verkeersvoorvallen
langs de actieve route
In de buurt: verkeersvoorvallen
dicht bij de huidige locatie van de
auto
Verkeersvoorvallen
Blader indien nodig naar het gewen‐
ste verkeersvoorval.
Selecteer om meer informatie weer te
geven het betreffende verkeersvoor‐
val.
Lijstsortering
U kunt de lijst Nabij op twee verschil‐
lende manieren organiseren.
Selecteer om de sorteervolgorde te
wijzigen l in de rechterbovenhoek
van het scherm. Het Volgorde
verkeersproblemen -menu verschijnt.
Activeer de gewenste optie.
Verkeerszender
Indien gewenst kunt u de zender voor
verkeersberichten met de verkeersin‐
formatie persoonlijk instellen.
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen en vervol‐
gens Verkeersinformatie bron.
Er verschijnt een lijst met alle momen‐
teel beschikbare verkeerszenders.
Standaard is Automatisch geacti‐
veerd. De zender wordt automatisch
door het systeem aangepast.
Activeer als u de verkeersinformatie
van een specifieke zender wenst de
betreffende zender.
Functie Verkeer vermijden
Wanneer het systeem een route naar
een bestemming bepaalt, houdt het
rekening met verkeersvoorvallen.
Navigatie 49
Bij actieve routebegeleiding kan de
route worden aangepast aan de hand
van ontvangen verkeersberichten.
Selecteer voor het instellen van de
parameters voor deze wijzigingen L
op de kaart om het Opties-menu weer
te geven. Selecteer Navigatie-
instellingen, Routeopties en vervol‐
gens Auto nieuwe route i.v.m.
verkeer.
Activeer als u het systeem automa‐
tisch aan de hand van nieuwe
verkeersberichten de route wilt laten
aanpassen Automatisch nieuwe
route berekenen.
Activeer als u wilt worden geraad‐
pleegd wanneer er een route wordt
aangepast Altijd vragen.
Activeer als u niet wilt dat routes
worden gewijzigd Nooit.
Route-instellingen
U kunt parameters voor selecteren
van weg en route instellen.
Wegtypes
Indien gewenst, kunt u bepaalde
wegtypes vermijden.
Selecteer L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Vermijden op route en activeer
de wegtypes waarvan u wilt dat ze
worden vermeden.
Let op
Als routebegeleiding actief is
wanneer u de weginstellingen
wijzigt, wordt de route op basis van
de nieuwe instellingen herberekend.
Routetype
Selecteer voor het instellen van het
routetype L op de kaart om het
Opties-menu weer te geven. Selec‐
teer Navigatie-instellingen,
Routeopties en vervolgens
Routetype.
Activeer de gewenste optie:
Snelste voor de snelste route
Eco-vriendelijk voor een route
voor een milieuvriendelijke rijstijl
50 Spraakherkenning
Spraakherkenning
Algemene informatie .................... 50
Gebruik ........................................ 50
Algemene informatie
Via de spraakdoorschakel-toepas‐
sing van het Infotainmentsysteem
hebt u toegang tot de spraakherken‐
ningscommando's op uw smart‐
phone. Raadpleeg de gebruiksaan‐
wijzing van uw smartphone om te
controleren of uw smartphone deze
functie ondersteunt.
Om de spraakdoorschakel-toepas‐
sing te kunnen gebruiken, moet de
smartphone op het infotainmentsys‐
teem zijn aangesloten via een USB-
kabel 3 27 of via Bluetooth 3 52.
Gebruik
Spraakherkenning activeren
Houd g op het bedieningspaneel of
qw op het stuurwiel ingedrukt om
een spraakherkenningssessie te star‐
ten. Er verschijnt een spraakcom‐
mandobericht op het scherm.
Zodra er een pieptoon heeft geklon‐
ken kunt u een commando uitspre‐
ken. Raadpleeg voor informatie over
de ondersteunde commando's de
gebruiksaanwijzing bij uw smart‐
phone.
Volume van gesproken commando's
aanpassen
Draai aan m op het bedieningspaneel
of druk op + / - rechts op het stuurwiel
om het volume van de gesproken
instructies hoger of lager te zetten.
Spraakherkenning deactiveren
Druk op xn op het stuurwiel. Het
spraakcommandobericht verdwijnt
en de spraakherkenningssessie
wordt beëindigd.
Telefoon 51
Telefoon
Algemene aanwijzingen ............... 51
Bluetooth-verbinding .................... 52
Noodoproep ................................. 54
Bediening ..................................... 55
Mobiele telefoons en CB-
zendapparatuur ........................... 59
Algemene aanwijzingen
De telefoonfunctie biedt u de moge‐
lijkheid om via een microfoon en de
luidsprekers van de auto telefoonge‐
sprekken te voeren en met het Info‐
tainmentsysteem van de auto de
belangrijkste functies van de mobiele
telefoon te bedienen. Om de telefoon‐
functie te kunnen gebruiken, moet de
mobiele telefoon een Bluetooth-
verbinding hebben met het Infotain‐
mentsysteem.
Niet alle functies van de telefoon
worden door elke mobiele telefoon
ondersteund. Welke telefoonfuncties
bruikbaar zijn, hangt af van de desbe‐
treffende mobiele telefoon en van de
netwerkprovider. Verdere informatie
hierover kunt u in de gebruiksaanwij‐
zing van uw mobiele telefoon vinden.
U kunt hierover ook informatie vragen
bij uw netwerkprovider.
Belangrijke informatie voor de
bediening en de
verkeersveiligheid
9 Waarschuwing
Mobiele telefoons hebben invloed
op uw omgeving. Daarom zijn er
veiligheidsvoorschriften en richtlij‐
nen opgesteld. Alvorens gebruik
te maken van de telefoonfunctie
dient u op de hoogte te zijn van de
desbetreffende richtlijnen.
9 Waarschuwing
Het gebruik van de telefoon in
handsfree-modus tijdens het
rijden kan gevaarlijk zijn doordat
uw concentratie afneemt tijdens
het telefoneren. Parkeer uw auto
voordat u de telefoon in hands‐
free-modus gebruikt. Volg de
bepalingen van het land waarin u
zich bevindt.
Volg de voorschriften die in
sommige gebieden gelden op en
zet uw mobiele telefoon uit als
52 Telefoon
mobiel telefoneren verboden is,
als de mobiele telefoon interferen‐
tie veroorzaakt of als er zich
gevaarlijke situaties kunnen voor‐
doen.
Bluetooth
De telefoonfunctie is gecertificeerd
door de Bluetooth Special Interest
Group (SIG).
Meer informatie over de specificatie
kunt u op internet op http://www.blue‐
tooth.com vinden.
Bluetooth-verbinding
Bluetooth is een standaard voor het
draadloos verbinden van bijv.
mobiele telefoons, smartphones of
andere apparaten.
Het koppelen en verbinden van Blue‐
tooth-apparaten aan/met het Infotain‐
mentsysteem vindt plaats via het
menu Bluetooth. Het koppelen
bestaat uit het uitwisselen van een
pincode tussen het Bluetooth-appa‐
raat en het Infotainmentsysteem.
Menu Bluetooth
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth om het Blue‐
tooth-menu weer te geven.
Een apparaat koppelen
Opmerkingen
U kunt maximaal tien apparaten
met het systeem koppelen.
Er kan slechts één gekoppeld
apparaat tegelijk met het Infotain‐
mentsysteem worden verbon‐
den.
Koppelen is slechts één keer
noodzakelijk, tenzij het apparaat
van de lijst met gekoppelde
apparaten wordt gewist. Als het
apparaat eerder verbonden was,
brengt het Infotainmentsysteem
de verbinding automatisch tot
stand.
Door de bediening van Bluetooth
wordt de accu van het apparaat
aanzienlijk belast. Sluit het appa‐
raat daarom aan op een USB-
poort, zodat het wordt opgela‐
den.
Een nieuw apparaat koppelen
1. Activeer de Bluetooth-functie van
het Bluetooth-apparaat. Voor
nadere informatie verwijzen we u
naar de gebruiksaanwijzing van
het Bluetooth-apparaat.
2. Druk op ; en selecteer vervol‐
gens Instellingen op het display.
Selecteer Bluetooth en dan
Apparaatbeheer om het desbe‐
treffende menu weer te geven.
Telefoon 53
Let op
Als er geen telefoon is verbonden, is
het menu Apparaatbeheer ook
toegankelijk via het telefoonmenu:
Druk op ; en selecteer dan
Telefoon.
3. Druk op Apparaat zoeken. Alle
detecteerbare Bluetooth-appara‐
ten in de omgeving verschijnen in
een nieuwe zoekresultatenlijst.
4. Druk op het Bluetooth-apparaat
dat u wilt koppelen.
5. Bevestig de koppelprocedure:
Als SSP (secure simple
pairing) wordt ondersteund:
Bevestig de berichten op het
Infotainmentsysteem en het
Bluetooth-apparaat.
Als SSP (secure simple
pairing) niet wordt onder‐
steund:
Op het Infotainmentsysteem:
er verschijnt een Info-bericht
waarin u wordt gevraagd om
een pincode op uw Blue‐
tooth-apparaat in te voeren.
Op het Bluetooth-apparaat:
voer de pincode in en beves‐
tig de ingevoerde gegevens.
6. Het Infotainmentsysteem en het
apparaat zijn gekoppeld.
Let op
Na het koppelen van het Bluetooth-
apparaat geeft h naast het Blue‐
tooth-apparaat aan dat de telefoon‐
functie geactiveerd is en geeft y aan
dat de functie Streaming audio via
Bluetooth geactiveerd is.
7. Het telefoonboek wordt automa‐
tisch naar het Infotainmentsys‐
teem gedownload. Afhankelijk
van de telefoon moet het Infotain‐
mentsysteem toegang verkrijgen
tot het telefoonboek. Bevestig zo
nodig de berichten op het Blue‐
tooth-apparaat.
Als deze functie niet door het
Bluetooth-apparaat wordt onder‐
steund, verschijnt er een bijbeho‐
rend bericht.
De Bluetooth-pincode wijzigen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth en vervolgens
Gekoppelde PIN-code wijzigen om
het desbetreffende submenu weer te
geven. Er verschijnt een toetsenblok.
Voer de gewenste viercijferige
pincode in.
Selecteer ⇦ om een ingevoerd
nummer te wissen.
Bevestig dit door Invoeren te selecte‐
ren.
Een gekoppeld apparaat
verbinden
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
54 Telefoon
Selecteer Bluetooth en dan
Apparaatbeheer om het desbetref‐
fende menu weer te geven.
Selecteer het Bluetooth-apparaat dat
u wenst te koppelen. Het apparaat is
verbonden.
Let op
Het verbonden toestel en de
beschikbare opties worden gemar‐
keerd.
Verbinding van apparaat
verbreken
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth en dan
Apparaatbeheer om het desbetref‐
fende menu weer te geven.
Selecteer het momenteel verbonden
Bluetooth-apparaat. Er verschijnt een
bericht dat u moet beantwoorden.
Selecteer Ja om het apparaat los te
koppelen.
Een apparaat wissen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth en dan
Apparaatbeheer om het desbetref‐
fende menu weer te geven.
Selecteer e naast het Bluetooth-
apparaat. Er verschijnt een bericht
dat u moet beantwoorden.
Selecteer Ja om het apparaat te
wissen.
Apparaatinfo
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth en dan Apparaat‐
informatie om het desbetreffende
menu weer te geven.
De weergegeven informatie omvat
Apparaatnaam, Adres en Pincode.
Noodoproep
9 Waarschuwing
Het tot stand brengen van de
verbinding kan niet onder alle
omstandigheden worden gega‐
randeerd. Daarom is het belangrijk
dat u bij gesprekken van levens‐
belang (bijv. bij het inroepen van
medische hulp) niet alleen op een
mobiele telefoon vertrouwt.
Voor sommige netwerken kan het
noodzakelijk zijn dat er op de juiste
manier een geldige simkaart in de
mobiele telefoon is aangebracht.
9 Waarschuwing
Let erop dat u met uw mobiele
telefoon kunt bellen en ontvangen
indien u zich in een gebied bevindt
met een voldoende sterk signaal.
Noodoproepen zijn niet onder alle
omstandigheden en in alle mobie‐
letelefoonnetwerken mogelijk: er
kunnen problemen optreden,
wanneer bepaalde netwerkdien‐
sten en/of telefoonfuncties actief
zijn. U kunt hierover uw lokale
netwerkexploitant raadplegen.
Het alarmnummer kan per land en
regio variëren. We adviseren u het
juiste alarmnummer voor de rele‐
vante regio van tevoren op te
vragen.
Telefoon 55
Een noodoproep doen
Vorm het noodnummer (bijv. 112).
De telefoonverbinding met de alarm‐
centrale wordt tot stand gebracht.
Antwoord als het dienstdoende
personeel u vragen stelt over het
noodgeval.
9 Waarschuwing
Beëindig het gesprek pas als de
alarmcentrale u daarom vraagt.
Bediening
Zodra er een Bluetooth-verbinding
tussen uw mobiele telefoon en het
Infotainmentsysteem tot stand is
gebracht, kunt u tal van functies van
uw mobiele telefoon via het Infotain‐
mentsysteem bedienen.
Let op
In de handsfree-modus is bediening
van de mobiele telefoon nog steeds
mogelijk, bijv. een gesprek beant‐
woorden of het volume regelen.
Na het tot stand brengen van een
verbinding tussen de mobiele tele‐
foon en het Infotainmentsysteem
worden er gegevens van de mobiele
telefoon naar het Infotainmentsys‐
teem verstuurd. Afhankelijk van de
mobiele telefoon en de hoeveelheid
over te dragen gegevens kan dit
enige tijd in beslag nemen. Tijdens
deze periode is bediening van de
mobiele telefoon via het Infotainment‐
systeem slechts beperkt mogelijk.
Let op
Niet alle mobiele telefoons bieden
volledige ondersteuning van de tele‐
foonfunctie van de auto. Daarom
kan het bereik aan hieronder
beschreven functies afwijken.
Hoofdmenu Telefoon
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon om het desbetreffende
menu weer te geven.
Let op
Het Telefoon hoofdmenu is alleen
beschikbaar als er via Bluetooth een
mobiele telefoon met het infotain‐
mentsysteem verbonden is. Voor
een gedetailleerde beschrijving
3 52.
Veel functies van de mobiele telefoon
kunt u nu bedienen via het hoofd‐
menu van de telefoon (en bijbeho‐
rende submenu's) en via de telefoon‐
specifieke knoppen op het stuurwiel.
56 Telefoon
Telefoongesprek initiëren
Een telefoonnummer invoeren
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
Voer een telefoonnummer in met het
toetsenblok in het telefoonhoofd‐
menu.
Druk op ⇦ of houd deze toets inge‐
drukt om een of meerdere ingevoerde
tekens te wissen.
Druk op v op het scherm of druk op
qw op het stuurwiel om het kiezen te
starten.
Het telefoonboek gebruiken
Let op
Bij het koppelen van een mobiele
telefoon aan het infotainmentsys‐
teem via Bluetooth wordt het tele‐
foonboek van de mobiele telefoon
automatisch gedownload 3 52.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
Selecteer Contacten in het telefoon‐
hoofdmenu.
Let op
Het g-symbool naast een telefoon‐
nummer geeft aan dat het contact is
opgeslagen op de simkaart.
Snelzoeken
1. Selecteer u om een lijst met alle
contactpersonen weer te geven.
2. Blader door de lijst met contact‐
personen.
3. Druk op de contactpersoon die u
wilt bellen. Er verschijnt een menu
met alle telefoonnummers die
voor het geselecteerde contact
zijn opgeslagen.
4. Selecteer het gewenste telefoon‐
nummer om de oproep te starten.
Zoekmenu
Als het telefoonboek veel contactper‐
sonen bevat, kunt u via het zoekmenu
de gewenste contactpersoon zoeken.
Selecteer o in het menu Contacten
om het zoektabblad weer te geven.
De letters zijn alfabetisch gegroe‐
peerd op de schermtoetsen: abc, def,
ghi, jkl, mno, pqrs, tuv en wxyz.
Gebruik ⇦ om een ingevoerde letters
te wissen.
1. Selecteer de knop met de eerste
letter van de contactpersoon
waarnaar u wilt zoeken.
Bijvoorbeeld: Als de contactper‐
soon die u wilt zoeken met een 'g'
Telefoon 57
begint, selecteert u de knop ghi op
het scherm.
Alle contactpersonen verschijnen
die een van de letters op deze
toets bevatten, in dit geval 'g', 'h'
en 'i'.
2. Selecteer de knop met de tweede
letter van de contactpersoon
waarnaar u wilt zoeken.
3. Blijf meer letters van de contact‐
persoon die u wilt zoeken invoe‐
ren totdat de gewenste contact‐
persoon verschijnt.
4. Druk op de contactpersoon die u
wilt bellen. Er verschijnt een menu
met alle telefoonnummers die
voor het geselecteerde contact
zijn opgeslagen.
5. Selecteer het gewenste telefoon‐
nummer om de oproep te starten.
Het volgende scherm verschijnt.
Contactinstellingen
U kunt de contactenlijst op voor- of
achternaam sorteren.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen om het desbetreffende
menu weer te geven.
Selecteer Bluetooth en vervolgens
Sorteervolgorde. Activeer de gewen‐
ste optie.
Belhistorie gebruiken
Alle ontvangen, uitgaande of gemiste
oproepen worden vastgelegd.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
Selecteer Oproephistorie in het tele‐
foonhoofdmenu.
Selecteer q voor uitgaande oproe‐
pen, r voor gemiste oproepen, s
voor binnenkomende oproepen en
p voor alle oproepen. De desbetref‐
fende oproeplijst wordt weergegeven.
Selecteer de gewenste vermelding
om de oproep te starten.
Een nummer opnieuw kiezen
Het systeem kan het laatst gekozen
telefoonnummer opnieuw kiezen.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
58 Telefoon
Selecteer v op het scherm of druk op
qw op het stuurwiel.
Snelkiesnummers gebruiken
Snelkiesnummers die op de mobiele
telefoon zijn opgeslagen, kunt u ook
met het toetsenblok van het telefoon‐
hoofdmenu kiezen.
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
Houd het desbetreffende getal op het
toetsenblok ingedrukt om de oproep
te starten.
Inkomend telefoongesprek
Een oproep aannemen
Als er bij een inkomende oproep een
audiomodus, bijv. de radio- of USB-
modus, actief is, wordt het geluid van
de audiobron onderdrukt en blijft dit
zo totdat het gesprek wordt beëin‐
digd.
Er verschijnt een melding met het
telefoonnummer of de naam van de
beller (indien beschikbaar).
Selecteer v in het bericht of druk op
qw op het stuurwiel om de oproep te
beantwoorden.
Een oproep weigeren
Selecteer J in het bericht of druk op
xn op het stuurwiel om de oproep
te weigeren.
Beltoon wijzigen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth en dan Beltonen
om het desbetreffende menu weer te
geven. Er verschijnt een lijst met alle
gekoppelde apparaten.
Kies het gewenste apparaat. Er wordt
een lijst weergegeven met alle belto‐
nen voor dit apparaat.
Selecteer een van de beltonen.
Functies tijdens het gesprek
Tijdens een telefoongesprek
verschijnt het hoofdmenu op het
display.
Handsfree-modus tijdelijk
deactiveren
Activeer m om het mobiele telefoon‐
gesprek te vervolgen.
Deactiveer m om terug te keren naar
de handsfree-modus.
Telefoon 59
Microfoon tijdelijk deactiveren
Activeer n om de microfoon uit te
schakelen.
Deactiveer n om de microfoon weer
te activeren.
Telefoongesprek beëindigen
Selecteer J om het gesprek te
beëindigen.
Voicemailbox
U kunt uw voicemailbox via het Info‐
tainmentsysteem bedienen.
Voicemailnummer
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Bluetooth. Blader door de
lijst en selecteer Voicemailnummers.
Er verschijnt een lijst met alle gekop‐
pelde apparaten.
Kies de desbetreffende telefoon. Er
verschijnt een toetsenblok.
Voer het voicemailnummer van de
desbetreffende telefoon in.
Voicemailbox bellen
Druk op ; en selecteer vervolgens
Telefoon.
Selecteer t op het scherm. De
voicemailbox wordt gebeld.
U kunt het voicemailnummer ook met
de telefoontoetsen invoeren.
Mobiele telefoons en CB-
zendapparatuur
Montage- en
gebruiksvoorschriften
Bij de montage en het gebruik van
een mobiele telefoon moeten de
modelspecifieke montagehandlei‐
ding en de gebruiksvoorschriften van
de fabrikant van de telefoon en de
handsfree-carkit in acht genomen
worden. Anders kan de typegoedkeu‐
ring van de auto vervallen (EU-richt‐
lijn 95/54/EG).
Aanbevelingen voor een storingsvrij
gebruik:
Professioneel geïnstalleerde
buitenantenne om het grootst
mogelijke bereik te verkrijgen
Maximaal zendvermogen van
10 W
Installatie van de telefoon op een
daartoe geschikte plek, neem de
relevante opmerking in de
Gebruikershandleiding, hoofd‐
stuk Airbagsysteem, in aanmer‐
king.
Informatie inwinnen over de voor‐
ziene montageposities voor de
buitenantenne of de toestelhouder en
de mogelijkheden tot het gebruik van
apparaten met een zendvermogen
van meer dan 10 W.
Het gebruik van een handsfree-carkit
zonder buitenantenne voor mobiele
telefoons type GSM 900/1800/1900
en UMTS is alleen toegestaan
wanneer het maximale zendvermo‐
gen van de mobiele telefoon niet
hoger is dan 2 W bij GSM 900 en niet
hoger is dan 1 W bij de andere types.
60 Telefoon
Uit veiligheidsoverwegingen wordt
telefoneren tijdens het rijden afgera‐
den. Ook bij handsfree telefoneren
kan de aandacht op het verkeer
verslappen.
9 Waarschuwing
Gebruik van zendapparatuur en
mobiele telefoons die niet aan de
bovenstaande normen voor
mobiele telefoons voldoen en radi‐
o's is alleen toegestaan met een
buitenantenne op de auto.
Voorzichtig
Mobiele telefoons en zendappara‐
tuur kunnen als de voornoemde
aanwijzingen niet in acht worden
genomen bij gebruik in het interi‐
eur zonder buitenantenne aanlei‐
ding geven tot functiestoringen in
de autoelektronica.
Telefoon 61
62
Trefwoordenlijst
A
Afbeeldingen weergeven.............. 30
Afbeeldingsbestanden.................. 27
Afbeelding via USB activeren....... 30
Algemene aanwijzingen..... 6, 35, 51
Algemene informatie.............. 27, 50
Bluetooth................................... 27
DAB........................................... 25
Infotainmentsysteem................... 6
Navigatie................................... 35
Smartphone-applicaties............ 27
Telefoon.................................... 51
USB........................................... 27
Antidiefstalfunctie .......................... 7
Audio afspelen.............................. 29
Audiobedieningsknoppen aan
stuurwiel...................................... 8
Audiobestanden........................... 27
Audio via USB activeren............... 29
Automatisch volume..................... 17
B
Basisbediening............................. 14
Bediening...................................... 55
Externe apparaten.................... 27
Menu......................................... 14
Navigatiesysteem...................... 36
Radio......................................... 21
Telefoon.................................... 55
Bedieningselementen
Infotainmentsysteem................... 8
Stuurwiel..................................... 8
Bedieningspaneel Infotainment...... 8
Begeleiding .................................. 46
Beginmenu................................... 14
Bel
Beltoon...................................... 55
Functies tijdens het gesprek..... 55
Inkomend gesprek.................... 55
Telefoongesprek initiëren.......... 55
Beltoon
Beltoon wijzigen........................ 55
Beltoonvolume.......................... 17
Bestandsindelingen
Afbeeldingsbestanden.............. 27
Audiobestanden........................ 27
Filmbestanden........................... 27
Bluetooth
Algemene informatie................. 27
Apparaat aansluiten.................. 27
Bluetooth-verbinding................. 52
Koppelen................................... 52
Menu Streaming audio via
Bluetooth................................... 29
Telefoon.................................... 55
Bluetooth-verbinding.................... 52
BringGo........................................ 33
63
C
Contacten..................................... 41
D
DAB.............................................. 25
Digital Audio Broadcasting........... 25
Display-instellingen................. 30, 32
F
Favoriete lijsten
Zenders ophalen....................... 23
Zenders opslaan....................... 23
Favorieten..................................... 41
Favorietenlijst............................... 23
Filmbestanden.............................. 27
Films afspelen.............................. 32
Film via USB activeren................. 32
G
Gebruik....................... 11, 21, 36, 50
Bluetooth................................... 27
Menu......................................... 14
Navigatiesysteem...................... 36
Radio......................................... 21
Telefoon.................................... 55
USB........................................... 27
Geluidsinstellingen....................... 16
Gesproken begeleiding................ 36
H
Het navigatiesysteem activeren...36
I
Infotainmentsysteem inschakelen 11
Intellitext....................................... 25
Invoer van de bestemming .......... 41
K
Kaarten......................................... 36
Koppelen...................................... 52
L
Lijst met afslagen.......................... 46
M
Maximaal opstartvolume............... 17
Menubediening............................. 14
Mobiele telefoons en CB-
zendapparatuur ........................ 59
Mute.............................................. 11
N
Navigatie
Bestemmingsinvoer................... 41
Contacten.................................. 41
Favorieten................................. 41
Huidige locatie........................... 36
Kaart manipuleren..................... 36
Kaartupdate.............................. 35
Kaartvenster.............................. 36
Lijst met afslagen...................... 46
Recente bestemmingen............ 41
Routebegeleiding...................... 46
TMC-zenders...................... 35, 46
Verkeersincidenten................... 46
Noodoproep.................................. 54
Nuttige plaatsen............................ 41
O
Oproepenhistorie.......................... 55
Overzicht bedieningselementen..... 8
R
Radio
Afstemmen op zender............... 21
DAB configureren...................... 25
DAB-berichten........................... 25
Digital audio broadcasting
(DAB)........................................ 25
Favoriete lijsten......................... 23
Frequentiebereik selecteren..... 21
Gebruik...................................... 21
Inschakelen............................... 21
Intellitext.................................... 25
Radio Data System (RDS)........ 24
RDS configureren...................... 24
Regio-instelling.......................... 24
Regionaal.................................. 24
Zender zoeken.......................... 21
Zenders ophalen....................... 23
Zenders opslaan....................... 23
Radio activeren............................. 21
Radio Data System ...................... 24
RDS.............................................. 24
64
Regio-instelling............................. 24
Regionaal..................................... 24
Routebegeleiding......................... 46
S
Selectie van frequentiebereik....... 21
Smartphone.................................. 27
Telefoonweergave.................... 33
Smartphone-applicaties
gebruiken.................................. 33
Snelkiesnummers......................... 55
Spraakherkenning........................ 50
Stemherkenning........................... 50
Streaming audio via Bluetooth
activeren.................................... 29
Systeeminstellingen...................... 18
T
Telefoon
Algemene informatie................. 51
Beltoon selecteren.................... 55
Bluetooth................................... 51
Bluetooth-verbinding................. 52
Een nummer invoeren............... 55
Functies tijdens het gesprek..... 55
Hoofdmenu Telefoon................ 55
Inkomend gesprek.................... 55
Noodoproepen.......................... 54
Oproepenhistorie...................... 55
Snelkiesnummer....................... 55
Telefoonboek............................ 55
Telefoon activeren........................ 55
Telefoonboek................................ 55
Telefoonweergave........................ 33
TMC-zenders................................ 35
U
USB
Afbeeldingenmenu USB............ 30
Algemene informatie................. 27
Apparaat aansluiten.................. 27
Audiomenu USB........................ 29
Filmmenu USB.......................... 32
V
Verkeersincidenten....................... 46
Volume
Automatisch volume.................. 17
Beltoonvolume.......................... 17
Maximaal opstartvolume........... 17
Stiltefunctie................................ 11
Volume aanraakpiep................. 17
Volume instellen........................ 11
Volume TP................................ 17
Volumebegrenzing bij hoge
temperaturen............................. 11
Voor snelheid
gecompenseerd volume............ 17
Volume aanraakpiep.................... 17
Volume-instellingen...................... 17
Volume TP.................................... 17
Z
Zenders ophalen.......................... 23
Zenders opslaan........................... 23
Zender zoeken.............................. 21
Inleiding ....................................... 66
Radio ........................................... 79
Cd-speler ..................................... 87
AUX-ingang ................................. 90
USB-poort .................................... 91
Streaming audio via Bluetooth ..... 94
Telefoon ....................................... 96
Trefwoordenlijst ......................... 106
CD 3.0 BT / R 3.0
66 Inleiding
Inleiding
Algemene aanwijzingen ............... 66
Antidiefstalfunctie ......................... 67
Overzicht bedieningselementen ..68
Gebruik ........................................ 73
Basisbediening ............................ 75
Geluidsinstellingen ...................... 76
Volume-instellingen ..................... 77
Algemene aanwijzingen
Het infotainmentsysteem biedt u
eersteklas infotainment voor in uw
auto.
Met de radiotunerfuncties kunt u
maximaal 36 zenders op
zes favoriete pagina's registreren.
De geïntegreerde cd-speler onder‐
houdt u met audio- en MP3/WMA-
CD’s.
U kunt externe gegevensopslagappa‐
raten als andere audiobronnen op het
Infotainmentsysteem aansluiten; via
kabel of via Bluetooth
®
.
Ook is het Infotainmentsysteem
uitgevoerd met een telefoonportal
waarmee u uw mobiele telefoon
comfortabel en veilig in de auto kunt
gebruiken.
Daarnaast kan het infotainmentsys‐
teem worden bediend met behulp van
de bedieningstoetsen op het stuur‐
wiel.
Door het goeddoordachte design van
de bedieningselementen en de
heldere displays kunt u het systeem
gemakkelijk en intuïtief bedienen.
Let op
Deze handleiding beschrijft alle voor
de diverse Infotainmentsystemen
beschikbare opties en functies.
Bepaalde beschrijvingen, zoals die
voor display- en menufuncties,
gelden vanwege de modelvariant,
landspecifieke uitvoeringen, speci‐
ale uitrusting en toebehoren wellicht
niet voor uw auto.
Belangrijke informatie over de
bediening en de
verkeersveiligheid
9 Waarschuwing
Het Infotainmentsysteem moet
worden gebruikt zodat er te allen
tijde veilig met de auto kan worden
gereden. Zet bij twijfel de auto aan
de kant en bedien het Infotain‐
mentsysteem terwijl u stilstaat.
Inleiding 67
Radio-ontvangst
Tijdens de radio-ontvangst kan gesis,
geruis, signaalvervorming of signaal‐
uitval optreden door:
wijzigingen in de afstand tot de
zender
ontvangst van meerdere signa‐
len tegelijk door reflecties
obstakels
Antidiefstalfunctie
Het Infotainmentsysteem is voorzien
van een elektronisch beveiligingssys‐
teem dat het systeem tegen diefstal
beveiligt.
De beveiliging houdt in dat het Info‐
tainmentsysteem alleen in uw auto
werkt en daarom voor een eventuele
dief waardeloos is.
68 Inleiding
Overzicht bedieningselementen
Bedieningspaneel CD 3.0 BT
Inleiding 69
1 m VOL
Drukken: Infotainment-
systeem in-/uitschakelen ....... 73
Draaien: volume
aanpassen ............................ 73
2 Display
3 MENU-TUNE
Centrale bediening voor
selectie en navigatie in
menu's .................................. 75
4 AUX-ingang ........................... 90
5 P BACK
Menu: één niveau terug ........ 75
Invoer: wissen laatste
teken of gehele invoer .......... 75
6 CONFIG
Systeeminstellingen .............. 73
7 u
Radio: vooruit zoeken ........... 79
Cd/mp3/wma: nummer
vooruit overslaan ................... 88
8 FAV 1-2-3
Radiofavorieten en
Autostore-lijsten .................... 81
9 MEDIA
Media activeren of naar
andere audiobron gaan ......... 73
10 TP
Activeren of deactiveren
verkeersberichten ................. 83
11 RADIO
Activeren radio of wijzigen
golfband ................................ 79
12 TONE
Tooninstellingen .................... 76
13 s
Radio: achteruit zoeken ........ 79
Cd/mp3/wma: informatie
achteruit overslaan ............... 88
14 INFO
Radio: Informatie over
huidig station
Cd/mp3/wma: informatie
over de huidige track
15 y / @
Openen hoofdmenu
telefoon ................................. 96
of mutefunctie in-/
uitschakelen .......................... 73
16 Disksleuf
17 d
Disc uitwerpen ...................... 88
18 Radiozendertoetsen 1 - 6
Lang drukken: station
opslaan ................................. 81
Kort drukken: station
selecteren ............................. 81
70 Inleiding
Bedieningspaneel R 3.0
Inleiding 71
1 m VOL
Drukken: Infotainment-
systeem in-/uitschakelen ....... 73
Draaien: volume
aanpassen ............................ 73
2 Display
3 MENU-TUNE
Centrale bediening voor
selectie en navigatie in
menu's .................................. 75
4 AUX-ingang ........................... 90
5 P BACK
Menu: één niveau terug ........ 75
Invoer: wissen laatste
teken of gehele invoer .......... 75
6 CONFIG
Systeeminstellingen .............. 73
7 u
Vooruit zoeken ...................... 79
8 FAV 1-2-3
Radiofavorieten en
Autostore-lijsten .................... 81
9 AUX
Randapparaat activeren ....... 73
10 TP
Activeren of deactiveren
verkeersberichten ................. 83
11 RADIO
Activeren radio of wijzigen
golfband ................................ 79
12 TONE
Tooninstellingen .................... 76
13 s
Achteruit zoeken ................... 79
14 INFO
Informatie over de huidige
radiozender
15 @
Mutefunctie activeren/
deactiveren ........................... 73
16 Radiozendertoetsen 1 - 6
Lang drukken: station
opslaan ................................. 81
Kort drukken: station
selecteren ............................. 81
72 Inleiding
Audiobedieningsknoppen aan
stuurwiel
1 7
Kort indrukken:
telefoongesprek aannemen ..96
of functie Opnieuw kiezen
activeren ............................. 100
of nummer bellen in
oproeplijst ............................ 100
Lang indrukken:
gesprekslijst openen ........... 100
of handsfreemodus in-/
uitschakelen ........................ 100
2 SRC (bron) ............................ 73
Drukken: selecteren
audiobron .............................. 73
Bij een actieve radio:
hoger/lager zetten om
volgende/vorige
voorkeurszender te
selecteren ............................. 79
Bij een actieve cd-speler:
hoger/lager zetten om
volgende/vorige cd/mp3/
wma-track te selecteren ........ 88
Met actief telefoonportaal
en open bellijst (zie
punt 1): draai omhoog/
omlaag voor het
selecteren van volgende/
vorige vermelding in bellijst . 100
Bij een actief
telefoonportal en
gesprekken in de wacht:
omhoog/omlaag draaien
om tussen gesprekken te
schakelen ............................ 100
3 +
Volume verhogen
4
Volume verlagen
5 xn
Indrukken: oproep
beëindigen/weigeren ........... 100
of oproeplijst sluiten ............ 100
of mutefunctie in-/
uitschakelen .......................... 73
Inleiding 73
Gebruik
Bedieningselementen
Het Infotainmentsysteem wordt
bediend met behulp van functietoet‐
sen, een knop MENU-TUNE en
menu's op het display.
Keuzen worden ingevoerd via het
bedieningspaneel op het Infotain‐
mentsysteem 3 68
Of deze kunnen via de audiobedie‐
ningselementen op het stuur worden
gemaakt 3 68.
Het Infotainmentsysteem in- of
uitschakelen
Druk de X VOL-knop kort in. Na het
inschakelen wordt de laatst geselec‐
teerde Infotainmentbron actief.
Druk opnieuw op X VOL om het
systeem uit te schakelen.
Automatisch uitschakelen
Wanneer u het Infotainmentsysteem,
terwijl het contact uitgeschakeld is,
met behulp van X VOL inschakelt,
dan wordt het 10 minuten na de laat‐
ste invoer automatisch weer uitge‐
schakeld.
Volume instellen
Draai m VOL. De actuele instelling
verschijnt op het display.
Bij het inschakelen van het Infotain‐
mentsysteem wordt automatisch het
laatst geselecteerde volume inge‐
steld mits deze instelling het maxi‐
male volume bij het starten niet over‐
schrijdt (zie onderstaand).
U kunt het volgende afzonderlijk
invoeren:
het maximale inschakelvolume
3 77
het volume van verkeersberich‐
ten 3 77
Voor snelheid gecompenseerd
volume
Na inschakelen van het voor snelheid
gecompenseerd volume 3 77 wordt
het volume automatisch zodanig
aangepast dat u geen geluid van het
wegdek of van de rijwind hoort.
Stiltefunctie
Druk op y / @ of @ (als telefoonportaal
beschikbaar is: enkele seconden
indrukken) om de audiobronnen te
dempen.
Stiltefunctie uitschakelen: draai aan
m VOL of druk op y / @ (als telefoon‐
portaal beschikbaar is: enkele secon‐
den indrukken) of druk nogmaals op
@.
Volumebegrenzing bij hoge
temperaturen
Bij zeer hoge interieurtemperaturen
begrenst het Infotainmentsysteem
het maximaal instelbare volume.
Indien nodig wordt het maximale
volume automatisch verlaagd.
Bedieningsstanden
Radio
Druk op RADIO om het radiohoofd‐
menu te openen of te wisselen tussen
de verschillende frequentiebereiken.
Druk op MENU-TUNE om naar de
frequentiebereikmenu's met opties
voor zenderselectie te gaan.
74 Inleiding
Voor een gedetailleerde beschrijving
van de radiofuncties 3 79.
Audiospelers
R 3.0
Druk op AUX om de modus AUX te
activeren.
CD 3.0 BT
Druk één of meerdere keren op
MEDIA om naar het hoofdmenu CD,
USB, iPod
®
of AUX te gaan of om
tussen deze menu's te wisselen.
Druk op MENU-TUNE om naar de
betreffende menu's met opties voor
trackselectie te gaan.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van CD-spelerfuncties 3 87, AUX-
functies 3 90, USB-poortfuncties
3 91 en functies voor streaming
audio via Bluetooth 3 94.
Telefoon
Druk kort op y / @ om naar het tele‐
foonmenu te gaan.
Druk op MENU-TUNE om naar het
telefoonmenu met opties voor het
invoeren en selecteren van nummers
te gaan.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van de telefoonportal 3 96.
Systeeminstellingen
De taal aanpassen
De menuteksten op het display van
het infotainmentsysteem zijn beschik‐
baar in diverse talen.
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer de menuoptie Talen
(Languages) in het menu
Instellingen om het betreffende menu
weer te geven.
Kies de gewenste taal voor de menu‐
teksten.
Let op
Voor een gedetailleerde beschrij‐
ving van de menubediening 3 75.
Tijd- en datuminstellingen
Vind een gedetailleerde beschrijving
in de Gebruikershandleiding.
Voertuiginstellingen
Vind een gedetailleerde beschrijving
in de Gebruikershandleiding.
Andere instellingen
U vindt een gedetailleerde beschrij‐
ving voor alle andere instellingen in
de betreffende hoofdstukken.
Fabrieksinstellingen terugzetten
Alle instellingen, bijv. de volume- en
geluidsinstellingen, de favorietenlijs‐
ten of de lijst met Bluetooth-appara‐
ten, kunnen worden teruggezet op de
fabrieksinstellingen.
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen. Selecteer
Auto-instellingen en vervolgens
Fabrieksinstellingen herstellen.
In het submenu wordt u een vraag
gesteld. Selecteer Ja om alle waar‐
den op de fabriekswaarden terug te
zetten.
Inleiding 75
Basisbediening
MENU-TUNE-knop
De knop MENU-TUNE is het centrale
bedieningselement voor de menu's.
Draai MENU-TUNE om:
een menuoptie markeren
een numerieke waarde instellen
Druk op MENU-TUNE om:
de gemarkeerde optie selecteren
of inschakelen
een ingestelde waarde bevesti‐
gen
een systeemfunctie in- of
uitschakelen
Knop P BACK
Druk kort op de toets P BACK:
een menu te verlaten
van een submenu naar het
volgende, hogere menuniveau te
gaan
het laatste teken van een teken‐
reeks te wissen
Houd P BACK enkele seconden
ingedrukt om de hele invoer te
wissen.
Voorbeelden van de
menubediening
Een optie selecteren
Draai MENU-TUNE om de cursor
(= gekleurde achtergrond) naar de
gewenste optie te verplaatsen.
Druk op MENU-TUNE om de gemar‐
keerde optie te selecteren.
Submenu's
Een pijltje aan de rechterkant van het
menu geeft aan dat na er na het
selecteren van die optie een
submenu met verdere opties
verschijnt.
Een instelling activeren
Draai MENU-TUNE om de gewenste
instelling te markeren.
Druk op MENU-TUNE om de instel‐
ling te activeren.
Een waarde instellen
Draai MENU-TUNE om de actuele
waarde van de instelling te wijzigen.
Druk op MENU-TUNE om de inge‐
stelde waarde te bevestigen.
76 Inleiding
De cursor gaat dan over naar de
volgende waarde. Na het instellen
van alle waarden gaat u automatisch
terug naar het naasthogere menuni‐
veau.
Een instelling aanpassen
Draai MENU-TUNE om de instelling
bij te stellen.
Druk op MENU-TUNE om de instel‐
ling te bevestigen.
Een functie in- of uitschakelen
Draai MENU-TUNE om de functie die
u in of uit wilt schakelen te markeren.
Druk op MENU-TUNE om tussen de
instellingen Aan en Uit te wisselen.
Een tekenreeks invoeren
Tekenreeksen invoeren, bijv. pinco‐
des of telefoonnummers:
Draai MENU-TUNE om het gewenste
teken te markeren.
Druk op MENU-TUNE om het gemar‐
keerde teken te bevestigen.
Het laatste teken in de tekenreeks
kan worden gewist met de optie k op
het display of door op P BACK te
drukken. Door P BACK ingedrukt te
houden wordt de complete invoer
verwijderd.
Wijzig de positie van de cursor in de
al ingevoerde tekenreeks door ◀ of ▶
op het display te selecteren.
Geluidsinstellingen
In het geluidsinstellingenmenu kunt u
voor elk radiofrequentiebereik en
voor elke audiospeler afzonderlijk de
geluidskarakteristieken instellen.
Druk op TONE om het geluidsinstel‐
lingenmenu te openen.
Lage, middelhoge en hoge tonen
instellen
Blader door de lijst en selecteer Bas,
Midrange of Treble.
Stel voor de geselecteerde optie de
gewenste waarde in.
Inleiding 77
Volumeverdeling voor en achter
instellen
Blader door de lijst en selecteer
Fader.
Stel de gewenste waarde in.
Volumeverdeling rechts en links
instellen
Blader door de lijst en selecteer
Balans.
Stel de gewenste waarde in.
Een geluidsstijl selecteren
Blader door de lijst en selecteer EQ
(equalizer). Het menu EQ-
instellingen wordt weergegeven.
De getoonde opties bieden voor de
desbetreffende muziekstijl geoptima‐
liseerde voorkeursinstellingen voor
de lage, middelhoge en hoge tonen.
Selecteer de gewenste optie.
Eén instelling op "0" zetten
Selecteer de gewenste optie en druk
enkele seconden op MENU-TUNE.
De waarde wordt teruggezet op "0".
Alle instellingen op "0" of "UIT"
zetten
Druk enkele seconden op TONE.
Alle waarden worden op "0" terugge‐
zet, de EQ-voorkeuzeinstelling wordt
op "UIT" gezet.
Volume-instellingen
Snelheidsgecompenseerd
volume aanpassen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen en
vervolgens Autom. volumeregeling.
De functie Autom. volumeregeling
kan worden gedeactiveerd of de mate
van volumeaanpassing kan worden
geselecteerd in het getoonde menu.
Selecteer de gewenste optie.
78 Inleiding
Maximaal opstartvolume
aanpassen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen en
vervolgens Maximaal startvolume.
Stel de gewenste waarde in.
Volume van verkeersberichten
aanpassen
Het volume van verkeersberichten
kan zodanig vooraf worden ingesteld
dat het met het normale audiovolume
toe- of afneemt.
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen, RDS-
opties en vervolgens TA-volume.
Stel de gewenste waarde in.
Volume van de beltoon
aanpassen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen,
Geluid & Signalen en vervolgens
Belvolume.
Stel de gewenste waarde in.
Radio 79
Radio
Gebruik ........................................ 79
Zender zoeken ............................. 79
Autostore-lijsten ........................... 80
Favorietenlijst ............................... 81
Frequentiebereikmenu's .............. 81
Radio Data System ...................... 83
Digital Audio Broadcasting .......... 85
Gebruik
Radio activeren
Druk op RADIO om het radiohoofd‐
menu te openen.
De laatst ten gehore gebrachte
zender wordt weergegeven.
Frequentiebereik selecteren
Druk één of meerdere malen op
RADIO om het gewenste frequentie‐
bereik te selecteren.
De laatst ten gehore gebrachte
zender van dat frequentiebereik
wordt weergegeven.
Zender zoeken
Automatisch zender zoeken
Druk kort op s of u om de
volgende zender in het zendergeheu‐
gen weer te geven.
Handmatig zender zoeken
Houd s of u ingedrukt. Loslaten
als de gewenste frequentie bijna is
bereikt op het frequentiedisplay.
De volgende ontvangbare zender
wordt opgezocht en automatisch
afgespeeld.
Let op
Handmatig zender zoeken: Als de
radio geen station vindt, schakelt hij
automatisch naar een gevoeliger
zoekniveau. Als er dan nog geen
station wordt gevonden, zal de laatst
actieve frequentie weer worden
gekozen.
Let op
Frequentiebereik FM: Als de RDS-
functie is ingeschakeld, wordt er
alleen naar RDS-zenders 3 83
gezocht en als verkeersinformatie
80 Radio
TP is ingeschakeld, wordt er alleen
naar zenders met verkeersinforma‐
tie 3 83 gezocht.
Handmatig zenders afstemmen
Druk in het radiohoofdmenu op
MENU-TUNE om naar het betref‐
fende frequentiebereikmenu te gaan
en selecteer handmatig afstemmen.
Draai op het frequentiedisplay dat
verschijnt aan MENU-TUNE en stel
de optimale ontvangstfrequentie in.
Autostore-lijsten
De ontvangen zenders in een
bepaald frequentiebereik kunnen met
de autostorefunctie automatisch
worden opgezocht en opgeslagen.
Elk frequentiebereik heeft
2 Autostore-lijsten (AS-zenders 1,
AS-zenders 2), waarin elk 6 zenders
kunnen worden opgeslagen.
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd door i.
Automatische zenderopslag
Houd FAV 1-2-3 ingedrukt totdat een
bericht over automatisch opslaan
verschijnt. De 12 sterkste zenders in
het actuele frequentiebereik worden
in de 2 autostore lijsten opgeslagen.
Druk op MENU-TUNE om de Auto‐
store-procedure te annuleren.
Zenders handmatig opslaan
Zenders kunnen ook handmatig in de
autostorelijsten worden opgeslagen.
Selecteer de zenders die u wilt
opslaan.
Druk één of meerdere keren op
FAV 1-2-3 om naar de gewenste lijst
over te schakelen.
De zender opslaan in een lijstpositie:
druk op de desbetreffende zender‐
knop 1...6 tot een bevestigingsbericht
wordt weergegeven.
Let op
Handmatig opgeslagen zenders
worden bij het automatisch zenders
opslaan overschreven.
Let op
Voor het werken met deze functie
moet de functie AS-zenders geacti‐
veerd zijn (zie onderstaand).
Een zender oproepen
Druk één of meerdere keren op
FAV 1-2-3 om naar de gewenste lijst
over te schakelen.
Druk kort op één van de voorkeur‐
toetsen 1...6 om de zender in de
bijbehorende lijstpositie op te roepen.
Let op
Voor het werken met deze functie
moet de functie AS-zenders geacti‐
veerd zijn (zie onderstaand).
Functie Autostore-zenders
activeren
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen en
daarna AS-zenders om naar het
betreffende menu te gaan.
Radio 81
Stel de autostorezenders voor het
betreffende frequentiebereik in op
Aan.
Favorietenlijst
Zenders van alle frequentiebereiken
kunnen handmatig in de favorieten‐
lijsten worden opgeslagen.
In elke favorietenlijst kunnen
6 zenders worden opgeslagen. Het
aantal beschikbare favorietenlijsten
kan worden ingesteld (zie hieronder).
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd door i.
Een zender opslaan
Selecteer de zenders die u wilt
opslaan.
Druk één of meerdere keren op
FAV 1-2-3 om naar de gewenste lijst
over te schakelen.
De zender opslaan in een lijstpositie:
druk op de desbetreffende zender‐
knop 1...6 tot een bevestigingsbericht
wordt weergegeven.
Een zender oproepen
Druk één of meerdere keren op
FAV 1-2-3 om naar de gewenste lijst
over te schakelen.
Druk kort op één van de voorkeur‐
toetsen 1...6 om de zender in de
bijbehorende lijstpositie op te roepen.
Het aantal beschikbare
favorietenlijsten instellen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen en
daarna Radio-favorieten om het
menu Max. aantal favorietenpagina's
te openen.
Selecteer het gewenste aantal
beschikbare favorietenlijsten.
Frequentiebereikmenu's
Andere manieren voor het instellen
van zenders zijn beschikbaar via
frequentiebereikspecifieke menu's.
Let op
De volgende displays worden als
voorbeeld getoond.
Zenderlijsten
Draai in een radiohoofdmenu aan
MENU-TUNE om de zenderlijst van
het betreffende frequentiebereik te
openen.
De ontvangbare radiozenders in het
actuele ontvangstgebied worden
getoond.
82 Radio
Let op
Als er van tevoren geen zenderlijst
is aangemaakt, zoekt het Infotain‐
mentsysteem automatisch naar
zenders.
Selecteer de gewenste zender.
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd door i.
Zenderlijsten bijwerken
Druk in een radiohoofdmenu op
MENU-TUNE om het betreffende
frequentiebereikmenu te openen.
Als de zenders in de frequentiebe‐
reikspecifieke zenderlijst niet meer
kunnen worden ontvangen:
Selecteer de betreffende menuoptie
om de zenderlijst bij te werken in het
betreffende frequentiebereikmenu,
bijv. Lijst met FM-zenders bijwerken.
Het zoeken naar zenders wordt
gestart. Als het zoeken is voltooid,
klinkt de laatst ontvangen zender.
Druk op MENU-TUNE om het zoeken
naar een zender te annuleren.
Let op
Bij het bijwerken van een lijst van
een zender op een specifiek
frequentiebereik wordt de overeen‐
komstige categorielijst ook bijge‐
werkt.
Favorietenlijst
Druk in een radiohoofdmenu op
MENU-TUNE om het betreffende
frequentiebereikmenu te openen.
Selecteer Favorietenlijst. Alle
zenders die in de favorietenlijst zijn
opgeslagen, worden weergegeven.
Selecteer de gewenste zender.
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd door i.
Categorielijsten
Tal van radiozenders zenden een
PTY-code uit die het uitgezonden
programmatype aangeeft (bijv.
nieuws).
Sommige zenders wijzigen ook de
PTY-code afhankelijk van de inhoud
die op dat moment wordt uitgezon‐
den.
Het Infotainmentsysteem slaat deze
zenders, gesorteerd op programma‐
type, in de desbetreffende categorie‐
lijst op.
Zoeken op een programmatype dat
door de zender wordt opgegeven:
selecteer de specifieke categorielij‐
stoptie van het frequentiebereik.
Er verschijnt een lijst met momenteel
beschikbare programmatypes.
Radio 83
Selecteer het gewenste programma‐
type.
Er verschijnt een lijst met zenders die
een programma van het geselec‐
teerde type uitzenden.
Selecteer de gewenste zender.
De categorielijst wordt tijdens de
update van de zenderlijst die bij het
desbetreffende frequentiebereik
hoort eveneens bijgewerkt.
Let op
Het huidige station wordt gemar‐
keerd door i.
DAB-berichten
Naast muziekprogramma's zenden
tal van DAB-zenders 3 85 diverse
berichtcategorieën uit.
De momenteel ontvangen DAB-
service (programma) wordt onderbro‐
ken wanneer er een bericht van voor‐
heen geactiveerde categorieën in de
wacht staat.
Het activeren van berichtcategorieën
Selecteer in DAB-menu de optie
DAB-berichten om het betreffende
menu weer te geven.
Activeer de gewenste berichtcatego‐
rieën.
Er kunnen diverse categorieën
aankondigingen tegelijk worden
geselecteerd.
Let op
DAB-berichten kunnen alleen
ontvangen worden als de DAB-
golfband geactiveerd is.
Radio Data System
Radio Data System (RDS) is een
dienst voor FM-zenders die ervoor
zorgt dat de gewenste zender
aanzienlijk sneller wordt gevonden en
zonder problemen wordt ontvangen.
Voordelen van RDS
Op het display verschijnt de
programmanaam van de gese‐
lecteerde zender i.p.v. de
frequentie.
Tijdens het zoeken naar zenders
stemt het Infotainmentsysteem
alleen af op RDS-zenders.
Het infotainmentsysteem stelt
met behulp van AF (Alternative
Frequency) altijd automatisch af
84 Radio
op de zendfrequentie met de
beste ontvangst van de geselec‐
teerde zender.
Afhankelijk van de ontvangen
zender geeft het Infotainment‐
systeem radiotekst weer die bijv.
informatie over het actuele
programma kan bevatten.
RDS configureren
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Radio-instellingen en
vervolgens RDS-opties.
Zet de optie RDS op Aan of Uit.
Let op
Na het uitschakelen van RDS wordt
deze functie automatisch weer inge‐
schakeld bij het afstemmen op een
andere zender (via de zoekfunctie of
een voorkeuzeknop).
Let op
De volgende opties zijn alleen
beschikbaar als RDS op Aan wordt
gezet.
RDS-opties
In- en uitschakelen van regio-
instelling
Op bepaalde tijden zenden sommige
RDS-zenders regionaal andere
programma's op verschillende
frequenties uit.
Zet optie Regionaal op Aan of Uit.
Als de regio-instelling is ingescha‐
keld, worden er uitsluitend alterna‐
tieve frequenties (AF) met dezelfde
regionale programma's geselecteerd.
Is de regio-instelling uitgeschakeld,
worden alternatieve frequenties voor
de zenders geselecteerd zonder
rekening te houden met regionale
programma's.
RDS-scrolltekst
Sommige RDS-zenders verbergen
de naam van het actuele programma
om aanvullende informatie te kunnen
tonen.
Voorkomen dat aanvullende informa‐
tie wordt weergegeven:
Zet Geen rollende displaytekst op
Aan.
TA-volume
Het volume van verkeersberichten
(TA) kan vooraf worden ingesteld.
Voor een gedetailleerde beschrijving
3 77.
Verkeersinformatie
(TP = Traffic Programme)
Verkeersinformatiezenders zijn RDS-
zenders die verkeersinformatie
uitzenden.
Verkeersinformatie in- of
uitschakelen
Om de stand-by verkeersberichten‐
functie van het Infotainmentsysteem
in- en uit te schakelen:
Druk op de TP-toets.
Als verkeersinformatie is inge‐
schakeld, verschijnt [ ] in het
radiohoofdmenu.
Er worden alleen verkeersinfor‐
matiezenders weergegeven.
Radio 85
Als de actuele zender geen
verkeersinformatiezender is,
wordt er automatisch naar de
volgende verkeersinformatiezen‐
der gezocht.
Wanneer een verkeersinforma‐
tiezender is gevonden, wordt
[TP] in het hoofdmenu van de
radio weergegeven.
Verkeersberichten worden op het
van tevoren ingestelde TA-
volume 3 77 weergegeven.
Als verkeersinformatie is inge‐
schakeld, wordt het afspelen van
de cd-/mp3 voor de duur van het
verkeersbericht onderbroken.
Alleen naar verkeersberichten
luisteren
Schakel verkeersinformatie in en
draai het volume van het infotain‐
mentsysteem helemaal omlaag.
Verkeersberichten blokkeren
Ga als volgt te werk om een verkeers‐
bericht, bijv. tijdens het afspelen van
cd/mp3, te blokkeren:
Druk op de toets TP of de multifunc‐
tionele knop MENU-TUNE om het
annuleringsbericht op het display te
bevestigen.
Het verkeersbericht wordt geannu‐
leerd, maar de verkeersinformatie
blijft ingeschakeld.
Digital Audio Broadcasting
Digital Audio Broadcasting (DAB) is
een innovatief en universeel uitzend‐
systeem.
DAB-zenders worden aangeduid met
de programmanaam i.p.v. met de
zendfrequentie.
Algemene informatie
Met DAB kunnen verschillende
programma's (diensten) op
dezelfde frequentie worden
uitgezonden (ensemble).
Naast hoogwaardige diensten
voor digitale audio is DAB ook in
staat om programmagerela‐
teerde gegevens en een veelheid
aan andere dataservices uit te
zenden, inclusief reis - en
verkeersinformatie.
Zolang een bepaalde DAB-
ontvanger een signaal van een
zender op kan vangen (ook al is
het signaal erg zwak), is de
geluidsweergave gewaarborgd.
Er is fading (zwakker worden van
het geluid dat typerend is voor
AM- of FM-ontvangst). Het DAB-
signaal wordt op een constant
volume weergegeven.
Als het DAB-signaal te zwak is
om door de radio te worden
opgevangen, wordt de weergave
geheel onderbroken. Dit
probleem kan worden vermeden
door in het menu DAB-instellin‐
gen Automatische groeplinks en/
of Automatische links DAB-FM te
activeren.
86 Radio
Interferentie door zenders op
naburige frequenties (een
verschijnsel dat typisch is voor
AM- en FM-ontvangst) doet zich
bij DAB niet voor.
Als het DAB-signaal door natuur‐
lijke obstakels of door gebouwen
wordt weerkaatst, verbetert dit de
ontvangstkwaliteit van DAB,
terwijl AM- en FM-ontvangst in
die gevallen juist aanmerkelijk
verzwakt.
Na het inschakelen van DAB-
ontvangst blijft de FM-tuner van
het Infotainmentsysteem op de
achtergrond actief en zoekt
continu naar de FM-zenders met
de beste ontvangst. Als TP 3 83
geactiveerd is, klinken de
verkeersberichten van de FM-
zender met het krachtigste
signaal. Deactiveer TP als DAB-
ontvangst niet door FM-verkeers‐
berichten moet worden onder‐
broken.
DAB configureren
Druk op CONFIG.
Selecteer Radio-instellingen en
vervolgens DAB-instellingen.
In het configuratiemenu zijn de
volgende opties beschikbaar:
Automatisch ensemble koppelen
Als deze functie ingeschakeld is,
schakelt het systeem over op
dezelfde service van een ander DAB-
ensemble (frequentie) als het DAB-
signaal te zwak is om door de radio te
worden opgevangen.
Zet de functie op Aan of Uit.
Automatisch koppelen DAB-FM
Als deze functie ingeschakeld is,
schakelt het systeem over naar een
overeenkomstige FM-zender van de
actieve DAB-service als het DAB-
signaal te zwak is om door de radio te
worden opgevangen.
Zet de functie op Aan of Uit.
Dynamisch audioaanpassing
Als deze functie geactiveerd is, wordt
het dynamische bereik van het DAB-
signaal gereduceerd. Dat houdt in dat
het volume van hard geluid wordt
gereduceerd en dat van zacht geluid
wordt verhoogd. Daardoor kan het
volume van het Infotainmentsysteem
zo worden afgesteld dat zacht geluid
goed hoorbaar is zonder dat hard
geluid te hard klinkt.
Zet de functie op Aan of Uit.
Bereik selecteren
Selecteer de menuoptie Bandkeuze
om het betreffende menu weer te
geven.
Om te definiëren welke DAB-golfbe‐
reiken door het Infotainmentsysteem
moeten worden ontvangen, activeert
u één van de opties:
L-band: 1452 - 1492 MHz, grond- en
satellietradio
Band III: 174 - 240 MHz, grondradio
Beide
Cd-speler 87
Cd-speler
Algemene aanwijzingen ............... 87
Gebruik ........................................ 88
Algemene aanwijzingen
De cd-speler van het infotainment‐
systeem kan audio-cd's en mp3/
wma-cd's afspelen.
Opmerkingen
Voorzichtig
Plaats in geen geval single-cd's
met een diameter van 8 cm of
speciaal vormgegeven cd's in de
audiospeler.
Plak nooit stickers op uw cd's. De
cd's kunnen in de speler vast blij‐
ven zitten en deze ernstig bescha‐
digen. Een vervanging van uw
toestel is dan noodzakelijk.
De volgende CD-formaten
kunnen worden gebruikt:
CD-ROM Mode 1 en Mode 2.
CD-ROM XA Mode 2, Form 1 en
Form 2.
De volgende bestandsformaten
kunnen worden gebruikt:
ISO 9660 Level 1, Level 2,
Romeo, Joliet.
Het is mogelijk dat MP3- en
WMA-bestanden die in een
ander formaat zijn geschreven
dan hierboven vermeld niet
correct worden afgespeeld en dat
hun bestands- en mapnamen
niet correct worden weergege‐
ven.
Audio-cd's met kopieerbeveili‐
ging die niet voldoen aan de
audio-cd-standaard, worden
mogelijk niet correct of zelfs hele‐
maal niet afgespeeld.
Zelfgebrande cd-r's en cd-rw's
zijn kwetsbaarder dan voorbe‐
speelde cd's. Ga op een correcte
manier met de cd's om. Dit geldt
vooral voor zelfgebrande cd-r's
en cd-rw's (zie hieronder).
Zelfgebrande cd-r's en cd-rw's
worden mogelijk niet correct of
zelfs helemaal niet afgespeeld. In
dergelijke gevallen is er dus niets
mis met de apparatuur.
Bij Mixed-Mode-CD’s (waarop
audiotracks en gecomprimeerde
bestanden, bijv. MP3) kunnen
88 Cd-speler
audiotrackgedeelte en de
gecomprimeerde bestanden
separaat worden afgespeeld.
Zorg dat er bij het wisselen van
cd's geen vingerafdrukken op de
cd's komen.
Berg cd's onmiddellijk veilig op
na het uitnemen uit de cd-speler
om ze tegen beschadiging en vuil
te beschermen.
Vuil en vloeistof op de cd's
kunnen de lens van de cd-speler
binnen in het apparaat vies
maken en storingen veroorza‐
ken.
Bescherm cd's tegen warmte en
direct zonlicht.
De volgende beperkingen gelden
voor mp3/wma-cd's:
Bit rate: 8 kbit/s - 320 kbit/s
Samplingfrequentie: 48 kHz,
44,1 kHz, 32 kHz (voor mpeg-1)
en 24 kHz, 22,05 kHz, 16kHz
(voor mpeg-2)
De volgende beperkingen zijn
van toepassing op gegevens die
op een mp3/wma-cd zijn opge‐
slagen:
Aantal tracks: max. 999
Aantal tracks per mapniveau:
max. 512
Diepte mappenstructuur: max.
10 niveaus
Let op
Dit hoofdstuk beschrijft alleen het
afspelen van mp3-bestanden,
aangezien het werken met mp3- en
wma-bestanden hetzelfde is. Bij het
laden van een cd met wma-bestan‐
den verschijnen er mp3-gerela‐
teerde menu's.
Gebruik
Cd afspelen starten
Druk één of meerdere keren op
MEDIA om naar het hoofdmenu Cd of
Mp3 te gaan.
Is er een CD in de CD-speler, wordt
het afspelen van de CD gestart.
Afhankelijk van de data die op de
audio- of mp3-cd is opgeslagen
verschijnt er op het display verschil‐
lende informatie over de cd en de
huidige muziektrack.
Cd plaatsen
Plaats de CD met de bedrukte kant
naar boven in de CD-sleuf totdat de
CD naar binnen wordt getrokken.
Let op
Bij het plaatsen van een cd
verschijnt 0 op het display.
Naar de volgende of vorige track
gaan
Druk kort op s of u.
Snel vooruit of achteruit
Houd s of u ingedrukt voor snel
vooruit of achteruit van de huidige
track.
Tracks selecteren met behulp van
het audio-cd-menu
Druk op MENU-TUNE om het menu
Cd op te roepen.
Cd-speler 89
Tracks shuffelen
Alle tracks in willekeurige volgorde
afspelen: stel deze functie in op Aan.
Let op
Bij het activeren van deze functie
verschijnt 2 in het betreffende
hoofdmenu.
Herhalen
Een track steeds opnieuw beluiste‐
ren: stel deze functie in op Aan.
Let op
Bij het activeren van deze functie
verschijnt 1 in het betreffende
hoofdmenu.
Tracklijst
Een nummer op een cd selecteren:
selecteer Tracklijst en selecteer
vervolgens de gewenste track.
Mappen
Een track uit een map selecteren:
selecteer Mappen. Er verschijnt een
lijst met alle opgeslagen mappen op
de cd.
Selecteer één van de mappen en
selecteer vervolgens de gewenste
track.
Let op
Deze menuoptie is alleen beschik‐
baar als er een mp3 cd wordt
geplaatst.
Zoeken...
Voor het openen van een menu voor
het zoeken en selecteren van tracks:
selecteer Zoeken....
Selecteer één van de categorieën en
selecteer vervolgens de gewenste
track.
Let op
Deze menuoptie is alleen beschik‐
baar als er een mp3 cd wordt
geplaatst.
Een cd verwijderen
Druk op d.
De cd wordt uit de cd-sleuf geworpen.
Als de cd na het uitwerpen niet wordt
verwijderd, wordt hij na enkele secon‐
den automatisch weer naar binnen
getrokken.
90 AUX-ingang
AUX-ingang
Algemene aanwijzingen ............... 90
Gebruik ........................................ 90
Algemene aanwijzingen
Op het bedieningspaneel van het
Infotainmentsysteem 3 68 zit een
AUX-ingang voor het aansluiten van
externe audiobronnen.
Het is bijvoorbeeld mogelijk om een
draagbare cd-speler op de AUX-
ingang aan te sluiten met een
3,5 mm stekkeringang.
Let op
Deze poort moet u altijd schoon- en
drooghouden.
Gebruik
CD 3.0 BT
Druk één of meerdere malen op
MEDIA om de modus AUX te active‐
ren.
R 3.0
Druk op AUX om de modus AUX te
activeren.
Stel het volume bij door m VOL van
het Infotainmentsysteem te draaien.
Alle andere functies werken alleen via
de bedieningsorganen van de audio‐
bron.
USB-poort 91
USB-poort
Algemene aanwijzingen ............... 91
Opgeslagen audiobestanden
afspelen ....................................... 92
Algemene aanwijzingen
In de middenconsole bevindt zich een
USB-poort voor het aansluiten van
externe audiodatabronnen.
Let op
Deze poort moet u altijd schoon- en
drooghouden.
Op de USB-poort kunt u een mp3-
speler, USB-drive, SD Card (via USB-
aansluiting/adapter) of iPod aanslui‐
ten.
Na het aansluiten op de USB-poort
kunnen diverse functies van de
bovenstaande apparaten worden
bediend via de bedieningsorganen en
menu's van het infotainmentsysteem.
Let op
Niet alle aanvullende apparaten
worden ondersteund door het Info‐
tainmentsysteem.
Opmerkingen
De op de USB-poort aangesloten
externe apparaten moeten
voldoen aan de USB Mass
Storage Class-specificatie (USB
MSC).
Via USB aangesloten apparaten
worden ondersteund volgens
USB-specificatie V 2.0. Maxi‐
male ondersteunde snelheid:
12 Mbit/s.
Alleen apparaten met een
FAT16/FAT32-bestandssysteem
worden ondersteund.
Vaste-schijfstations (HDD)
worden niet ondersteund.
USB-hubs worden niet onder‐
steund.
De volgende bestandsformaten
kunnen worden gebruikt:
ISO9660 Level 1, Level 2,
Romeo, Joliet
Het is mogelijk dat MP3- en
WMA-bestanden die in een
ander formaat zijn geschreven
dan hierboven vermeld niet
correct worden afgespeeld en dat
hun bestands- en mapnamen
niet correct worden weergege‐
ven.
De volgende beperkingen zijn
van toepassing op de bestanden
die op het externe apparaat zijn
opgeslagen:
92 USB-poort
Bit rate: 8 kbit/s - 320 kbit/s
Samplingfrequentie: 48 kHz,
44,1 kHz, 32 kHz (voor mpeg-1)
en 24 kHz, 22,05 kHz, 16kHz
(voor mpeg-2)
Voor de gegevens op externe
apparaten die zijn aangesloten
op de USB-poort gelden de
volgende beperkingen:
Aantal tracks: max. 999
Aantal tracks per mapniveau:
max. 512
Diepte mappenstructuur: max.
10 niveaus
Wma-bestanden met Digital
Rights Management (DRM) van
online-muziekwinkels kunnen
niet worden afgespeeld.
Wma-bestanden kunnen alleen
veilig worden afgespeeld als
deze met Windows Media Player,
minimaal versie 9, zijn aange‐
maakt.
Toepasbare afspeellijstexten‐
sies: .m3u, .pls, .wpl
De afspeellijstitems moeten als
relatieve paden zijn opgemaakt.
Het systeemkenmerk voor
mappen/bestanden dat audioge‐
gevens bevat, mag niet ingesteld
zijn.
Opgeslagen
audiobestanden afspelen
Druk één of meerdere malen op
MEDIA om de modus Mp3 of iPod te
activeren.
Het afspelen van audiogegevens die
op het toestel zijn opgeslagen, wordt
automatisch gestart.
MP3:
iPod:
Toestelspecifiek menu gebruiken
Druk op MENU-TUNE om naar het
menu van het momenteel verbonden
apparaat te gaan.
Tracks shuffelen
Alle tracks in willekeurige volgorde
afspelen: stel deze functie in op Aan.
Let op
Bij het activeren van deze functie
verschijnt 2 in het betreffende
hoofdmenu.
Herhalen
Een track steeds opnieuw beluiste‐
ren: stel deze functie in op Aan.
USB-poort 93
Let op
Bij het activeren van deze functie
verschijnt 1 in het betreffende
hoofdmenu.
Mappen
Een track uit een map selecteren:
selecteer Mappen. Er verschijnt een
lijst met alle opgeslagen mappen op
het toestel.
Selecteer één van de mappen en
selecteer vervolgens de gewenste
track.
Let op
Deze menuoptie is niet beschikbaar
als er een iPod verbonden is.
Zoeken...
Voor het openen van een menu voor
het zoeken en selecteren van tracks:
selecteer Zoeken....
Selecteer één van de categorieën en
selecteer vervolgens de gewenste
track.
Toestel verwijderen
Verwijder het toestel veilig door USB
uitnemen of iPod uitwerpen te selec‐
teren en daarna het toestel te ontkop‐
pelen.
94 Streaming audio via Bluetooth
Streaming audio via
Bluetooth
Algemene informatie .................... 94
Bediening ..................................... 94
Algemene informatie
Bluetooth-compatibele audiobronnen
(bijv. mobiele telefoons voor muziek,
mp3-spelers met Bluetooth enz.) die
het Bluetooth-muziekprotocol A2DP
ondersteunen, werken draadloos op
het Infotainmentsysteem.
Opmerkingen
Het Infotainmentsysteem werkt
alleen met Bluetooth-apparaten
die A2DP (Advanced Audio
Distribution Profile), versie 1.2 of
hoger, ondersteunen.
Het Bluetooth-apparaat moet
AVRCP (Audio Video Remote
Control Profile), versie 1.0 of
hoger ondersteunen. Als het
apparaat AVRCP niet onder‐
steunt, werkt alleen de volume‐
regeling via het infotainmentsys‐
teem.
Maak uzelf voorafgaand aan het
aansluiten van het Bluetooth-
apparaat op het Infotainmentsys‐
teem vertrouwd met de gebruiks‐
aanwijzing voor Bluetooth-func‐
ties van het apparaat.
Bediening
Voorwaarden
Voor de Bluetooth-muziekmodus van
het infotainmentsysteem moet aan de
volgende voorwaarden zijn voldaan:
De Bluetooth-functie van het info‐
tainmentsysteem moet geacti‐
veerd zijn 3 97.
De Bluetooth-functie van de
externe Bluetooth-audiobron
moet geactiveerd zijn (zie
gebruiksaanwijzing van het
apparaat).
Afhankelijk van de externe Blue‐
tooth-audiobron moet u het appa‐
raat wellicht op "zichtbaar" zetten
(zie gebruiksaanwijzing van het
apparaat).
De externe Bluetooth-audiobron
moet met het infotainmentsys‐
teem gekoppeld en verbonden
zijn 3 97.
Streaming audio via Bluetooth 95
Bluetooth-muziekmodus
activeren
Druk één of meerdere malen op
MEDIA om de Bluetooth muziekmo‐
dus te activeren.
Streaming audio via Bluetooth moet
via het Bluetooth-apparaat worden
gestart en onderbroken/gestopt.
Bediening via
infotainmentsysteem
Volume aanpassen
Het volume kan via het Infotainment‐
systeem worden aangepast 3 73.
Naar volgende of vorige track gaan
Druk kort op s of u op het bedie‐
ningspaneel van het Infotainmentsys‐
teem.
96 Telefoon
Telefoon
Algemene aanwijzingen ............... 96
Bluetooth-verbinding .................... 97
Noodoproep ................................. 99
Bediening ................................... 100
Mobiele telefoons en
CB-zendapparatuur .................. 103
Algemene aanwijzingen
De telefoonportal biedt u de mogelijk‐
heid om via een microfoon en de luid‐
sprekers van de auto telefoonge‐
sprekken te voeren en met het info‐
tainmentsysteem van de auto de
belangrijkste functies van de mobiele
telefoon te bedienen. Om het tele‐
foonportaal te kunnen gebruiken,
moet de mobiele telefoon via Blue‐
tooth met het Infotainmentsysteem
verbonden zijn.
Niet alle functies van de telefoonpor‐
tal worden door elke mobiele telefoon
ondersteund. Welke telefoonfuncties
mogelijk zijn, hangt af van de desbe‐
treffende mobiele telefoon en van de
netwerkprovider. Verdere informatie
hierover vindt u in de bedienings‐
handleiding van uw mobiele telefoon.
U kunt hierover ook informatie vragen
bij uw netwerkprovider.
Belangrijke informatie voor de
bediening en de
verkeersveiligheid
9 Waarschuwing
Mobiele telefoons hebben invloed
op uw omgeving. Daarom zijn er
veiligheidsvoorschriften en richtlij‐
nen opgesteld. Alvorens gebruik
te maken van de telefoonfunctie
dient u op de hoogte te zijn van de
desbetreffende richtlijnen.
9 Waarschuwing
Het gebruik van de telefoon in
handsfree-modus tijdens het
rijden kan gevaarlijk zijn doordat
uw concentratie afneemt tijdens
het telefoneren. Parkeer uw auto
voordat u de telefoon in hands‐
free-modus gebruikt. Volg de
bepalingen van het land waarin u
zich bevindt.
Volg de voorschriften die in
sommige gebieden gelden op en
zet uw mobiele telefoon uit als
Telefoon 97
mobiel telefoneren verboden is,
als de mobiele telefoon interferen‐
tie veroorzaakt of als er zich
gevaarlijke situaties kunnen voor‐
doen.
Bluetooth
Het telefoonportal is gecertificeerd
door de Bluetooth Special Interest
Group (SIG).
Meer informatie over de specificatie
vindt u op internet op
http://www.bluetooth.com
Bluetooth-verbinding
Bluetooth is een radionorm voor de
draadloze verbinding van bijv. een
telefoon met andere apparaten.
Gegevens zoals een telefoonboek,
gesprekslijsten, de naam van de
netwerkoperator en de sterkte van de
verbinding kunnen worden overge‐
dragen. Welke functies er beschik‐
baar zijn hangt af van het type tele‐
foon.
Om een Bluetooth-verbinding met het
telefoonportaal tot stand te brengen,
moet de Bluetooth-functie van de
mobiele telefoon worden ingescha‐
keld en de mobiele telefoon worden
ingesteld op "zichtbaar". Raadpleeg
voor meer informatie de gebruiksaan‐
wijzing van de mobiele telefoon.
Bluetooth inschakelen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Bluetooth. In het
submenu wordt u een vraag gesteld.
Zet Bluetooth op Aan door de vraag
naar keuze met Ja of Nee te beant‐
woorden.
Een Bluetooth-apparaat koppelen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen. Selecteer
Telefooninstellingen en vervolgens
Apparaat koppelen.
Of u kunt tweemaal op y / @ drukken.
Het volgende display verschijnt:
Zodra het telefoonportal van het Info‐
tainmentsysteem wordt gedetec‐
teerd, verschijnt het in de apparaten‐
lijst van uw Bluetooth-toestel. Selec‐
teer het telefoonportal.
Voer op verzoek de pincode op uw
Bluetooth-toestel in. De apparaten
worden gekoppeld en verbonden.
Let op
Het telefoonboek van uw mobiele
telefoon wordt automatisch gedown‐
load. De presentatie en volgorde
van de telefoonboekvermeldingen
kunnen op het display van het Info‐
tainmentsysteem en op het display
van de mobiele telefoon verschillend
zijn.
98 Telefoon
Na het tot stand komen van de Blue‐
tooth-verbinding: als er een ander
Bluetooth-apparaat was verbonden
met het Infotainmentsysteem, wordt
dat apparaat nu losgekoppeld van het
systeem.
Als de Bluetooth-verbinding mislukt:
start de bovenstaande procedure
nogmaals of raadpleeg de gebruiks‐
aanwijzing van het Bluetooth-appa‐
raat.
Let op
Aan het Infotainmentsysteem
kunnen maximaal 5 toestellen
worden gekoppeld.
De Bluetooth-code wijzigen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Bluetooth-code wijzigen.
Het volgende display verschijnt:
Voer de gewenste viercijferige
pincode in en bevestig de door u inge‐
voerde gegevens met OK.
Een ander gekoppeld apparaat
verbinden
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Apparatenlijst. Er
verschijnt een lijst met alle Bluetooth-
apparaten die momenteel aan het
infotainmentsysteem gekoppeld zijn.
Let op
Het momenteel met het Infotain‐
mentsysteem verbonden Bluetooth-
toestel wordt aangeduid met 9.
Kies het gewenste apparaat. Er
verschijnt een submenu.
Selecteer de submenuoptie
Selecteren om de verbinding tot
stand te brengen.
Verbinding van apparaat
verbreken
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Apparatenlijst. Er
verschijnt een lijst met alle Bluetooth-
apparaten die momenteel aan het
infotainmentsysteem gekoppeld zijn.
Let op
Het momenteel met het Infotain‐
mentsysteem verbonden Bluetooth-
toestel wordt aangeduid met 9.
Selecteer het gekoppelde apparaat.
Er verschijnt een submenu.
Selecteer de submenuoptie
Verbreken om het apparaat te
ontkoppelen.
Een gekoppeld apparaat
verwijderen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Telefoon 99
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Apparatenlijst. Er
verschijnt een lijst met alle Bluetooth-
apparaten die momenteel aan het
infotainmentsysteem gekoppeld zijn.
Let op
Het momenteel met het Infotain‐
mentsysteem verbonden Bluetooth-
toestel wordt aangeduid met 9.
Kies het gewenste apparaat. Er
verschijnt een submenu.
Als het apparaat aangesloten is, moet
het eerst worden ontkoppeld (zie hier‐
boven).
Selecteer de submenuoptie Wissen
om het apparaat te verwijderen.
Fabriekswaarden terugzetten
De telefooninstellingen, bijv. de appa‐
ratenlijst, de Bluetooth-code en het
belgeluid, kunnen worden teruggezet
op de fabrieksinstellingen.
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen. Selecteer
Telefooninstellingen en vervolgens
Fabrieksinstellingen herstellen.
In het submenu wordt u een vraag
gesteld. Selecteer Ja om alle waar‐
den op de fabriekswaarden terug te
zetten.
Noodoproep
9 Waarschuwing
Het tot stand brengen van de
verbinding kan niet onder alle
omstandigheden worden gega‐
randeerd. Vertrouw daarom niet
alleen op een mobiele telefoon bij
gesprekken van levensbelang
(bijv. bij het inroepen van medi‐
sche hulp).
Voor sommige netwerken kan het
noodzakelijk zijn dat er op de juiste
manier een geldige simkaart in de
mobiele telefoon is aangebracht.
9 Waarschuwing
Denk eraan dat u met uw mobiele
telefoon kunt bellen en ontvangen
indien u zich in een gebied bevindt
met een voldoende sterk signaal.
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen nooddiensten niet op alle
mobiele telefoonnetwerken
worden gebeld; mogelijkerwijs
kunnen deze oproepen niet
gedaan worden wanneer
bepaalde netwerkdiensten en/of
telefoonfuncties actief zijn. U kunt
hierover uw lokale netwerkexploi‐
tant raadplegen.
Het alarmnummer kan per land en
regio variëren. Wij raden u aan het
juiste alarmnummer voor de rele‐
vante regio van tevoren op te
vragen.
Een noodoproep doen
Vorm het noodnummer (bijv. 112).
De telefoonverbinding met de alarm‐
centrale wordt tot stand gebracht.
Antwoord als het dienstdoende
personeel u vragen stelt over het
noodgeval.
100 Telefoon
9 Waarschuwing
Beëindig het gesprek pas als de
alarmcentrale u daarom vraagt.
Bediening
Zodra er een Bluetooth-verbinding
tussen uw mobiele telefoon en het
Infotainmentsysteem tot stand is
gebracht, kunt u tal van functies van
uw mobiele telefoon ook via het Info‐
tainmentsysteem bedienen.
U kunt via het infotainmentsysteem
bijv. een verbinding tot stand brengen
met de telefoonnummers die in uw
mobiele telefoon zijn opgeslagen of
telefoonnummers wijzigen.
Let op
In de handsfree-modus is bediening
van de mobiele telefoon nog steeds
mogelijk, bijv. een gesprek beant‐
woorden of het volume regelen.
Na het tot stand brengen van een
verbinding tussen de mobiele tele‐
foon en het Infotainmentsysteem
worden er gegevens van de mobiele
telefoon naar het Infotainmentsys‐
teem verstuurd. Afhankelijk van het
model telefoon kan dit enkele minu‐
ten duren. Tijdens deze periode is het
bedienen van de mobiele telefoon via
het Infotainmentsysteem slechts
beperkt mogelijk.
Let op
Niet elke mobiele telefoon onder‐
steunt alle functies van de telefoon‐
portal. Zodoende is het mogelijk dat
de functionaliteit die bij deze speci‐
fieke mobiele telefoons staat
beschreven, afwijkt.
Voorwaarden
Voor de handsfreemodus van het
infotainmentsysteem moet aan de
volgende voorwaarden zijn voldaan:
De Bluetooth-functie van het info‐
tainmentsysteem moet geacti‐
veerd zijn 3 97.
De Bluetooth-functie van de
mobiele telefoon moet geacti‐
veerd zijn (zie gebruiksaanwij‐
zing van het apparaat).
De mobiele telefoon moet op
"zichtbaar" staan (zie gebruiks‐
aanwijzing van het apparaat).
De mobiele telefoon moet aan
het infotainmentsysteem gekop‐
peld zijn 3 97.
Handsfreemodus activeren
Druk op y / @ op het bedieningspa‐
neel van het Infotainmentsysteem.
Het hoofdmenu van de telefoon
verschijnt.
Let op
Als er geen mobiele telefoon met het
Infotainmentsysteem verbonden is,
verschijnt Geen telefoon
beschikbaar. Voor een gedetail‐
leerde beschrijving van het tot stand
brengen van een Bluetooth-verbin‐
ding 3 97.
Telefoon 101
Veel functies van de mobiele telefoon
kunnen nu worden bediend via het
hoofdmenu van de telefoon (en bijbe‐
horende submenu's) en via de tele‐
foonspecifieke knoppen op het stuur‐
wiel.
Telefoongesprek initiëren
Handmatig een nummer invoeren
Druk in het telefoonhoofdmenu op
MENU-TUNE om Menu telefoon te
openen.
Selecteer de submenuoptie Nummer
invoeren. Het volgende scherm
verschijnt.
Voer het gewenste nummer in en
selecteer y op het display om het
kiezen te starten.
Let op
Voor het openen van het scherm
Zoeken van het telefoonboek selec‐
teert u 4.
Het telefoonboek gebruiken
Het telefoonboek bevat namen en
nummers van contactpersonen.
Druk in het telefoonhoofdmenu op
MENU-TUNE om Menu telefoon te
openen.
Selecteer de submenuoptie
Telefoonboek. Het volgende scherm
verschijnt.
Net als op een telefoon of mobiele zijn
de letters alfabetisch op het display
gegroepeerd: abc, def, ghi, jkl, mno,
pqrs, tuv en wxyz.
Selecteer de gewenste groep letters.
Het telefoonboek verschijnt met de
vermeldingen die met één van de
letters in de lettergroep beginnen.
Blader door de lijst en selecteer de
naam van de gewenste vermeldin‐
gen.
Blader door de lijst met telefoonnum‐
mers en selecteer het gewenste
nummer. Het systeem kiest het
betreffende telefoonnummer.
Sorteervolgorde van telefoonboek
aanpassen
Na het koppelen en verbinden van
een mobiele telefoon met het Infotain‐
mentsysteem, wordt het telefoonboek
van de mobiele telefoon met
nummers en namen automatisch
naar het Infotainmentsysteem
gedownload.
Het telefoonboek op het Infotainment‐
systeem kan op Voornaam of
Achternaam worden gesorteerd.
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen en
vervolgens Telefoonboek sorteren.
Selecteer de gewenste optie.
102 Telefoon
Bellijsten gebruiken
Alle inkomende, uitgaande of gemiste
oproepen worden geregistreerd in
bijbehorende bellijsten.
Druk in het telefoonhoofdmenu op
MENU-TUNE om Menu telefoon te
openen. Selecteer de submenuoptie
Gesprekslijsten.
Eventueel kunt u de toets y / @
indrukken.
Het volgende scherm verschijnt.
Selecteer de gewenste bellijst, bijv.
Gemiste oproepen. Er verschijnt een
menu met de bijbehorende bellijst.
Telefoongesprek initiëren: selecteer
de gewenste lijstvermelding. Het
systeem kiest het betreffende tele‐
foonnummer.
Telefoonnummer opnieuw kiezen
Het systeem kan het laatst gekozen
telefoonnummer opnieuw kiezen.
Druk op 7 op het stuurwiel om naar
het menu Opnieuw kiezen te gaan.
Druk op 7 om een telefoonnummer te
gaan kiezen.
Druk op xn op het stuurwiel om het
menu Opnieuw kiezen te verlaten.
Gebruik eventueel de knop
MENU-TUNE om Nee op het display
te selecteren.
Inkomend telefoongesprek
Als er bij een inkomende oproep een
audiomodus, bijv. de radio- of cd-
modus, actief is, wordt het geluid van
de betreffende audiomodus onder‐
drukt en blijft dit zo totdat het gesprek
wordt beëindigd.
Oproep beantwoorden: selecteer
Aannemen op het display.
Oproep weigeren: selecteer
Weigeren op het display.
Tweede inkomende oproep
Als er tijdens een gesprek nog een
oproep binnenkomt, verschijnt er een
bericht.
Tweede oproep beantwoorden en
huidig gesprek beëindigen: selecteer
Aannemen op het display.
Tweede oproep weigeren en huidig
gesprek voortzetten: selecteer
Weigeren op het display.
Beltoon wijzigen
Druk op CONFIG om het menu
Instellingen op te roepen.
Selecteer Telefooninstellingen,
Geluid & Signalen en vervolgens
Beltoon. Er verschijnt een lijst met alle
beschikbare beltonen.
Selecteer de gewenste beltoon.
Voor een gedetailleerde beschrijving
van het beltoonvolume 3 77.
Telefoon 103
Functies tijdens een
telefoongesprek
Tijdens een telefoongesprek
verschijnt het hoofdmenu van de tele‐
foon als volgt.
Selecteer Menu op het display om
naar het menu Verbonden te gaan.
Selecteer Ophangen op het display
om het gesprek te beëindigen.
Privémodus activeren
Selecteer in het menu Verbonden de
submenuoptie Gesprek via handset
om het gesprek door te schakelen
naar de mobiele telefoon. Het
volgende display verschijnt.
Selecteer Menu op het display en
daarna Gesprek doorschakelen om
het gesprek terug te schakelen naar
het Infotainmentsysteem.
Microfoon deactiveren/activeren
Zet in het menu Verbonden de
submenuoptie Mic dempen op Aan.
De beller kan u niet meer horen.
Microfoon opnieuw activeren: zet de
submenuoptie Mic dempen weer op
Uit.
Mobiele telefoons en
CB-zendapparatuur
Montage- en
gebruiksvoorschriften
Bij de montage en het gebruik van
een mobiele telefoon moeten de
modelspecifieke montagehandlei‐
ding en de gebruiksvoorschriften van
de fabrikant van de telefoon en de
handsfree-carkit in acht genomen
worden. Anders kan de typegoedkeu‐
ring van de auto vervallen (EU-richt‐
lijn 95/54/EG).
Aanbevelingen voor een storingsvrij
gebruik:
Vakkundig gemonteerde buiten‐
antenne, waardoor de maximale
reikwijdte wordt bereikt.
Maximaal zendvermogen van
10 watt.
Installatie van de telefoon op een
daartoe geschikte plek, neem de
relevante opmerking in de
Gebruikershandleiding, hoofd‐
stuk Airbagsysteem, in aanmer‐
king.
Informatie inwinnen over de voor‐
ziene montageposities voor de
buitenantenne of de toestelhouder en
de mogelijkheden tot het gebruik van
toestellen met een zendvermogen
van meer dan 10 watt.
Het gebruik van een handsfree-carkit
zonder buitenantenne voor mobiele
telefoons type GSM 900/1800/1900
104 Telefoon
en UMTS is alleen toegestaan,
wanneer het maximale zendvermo‐
gen van de mobiele telefoon niet
hoger is dan 2 W bij GSM 900 en niet
hoger is dan 1 W bij de andere types.
Uit veiligheidsoverwegingen wordt
telefoneren tijdens het rijden afgera‐
den. Ook bij handsfree telefoneren
kan de aandacht op het verkeer
verslappen.
9 Waarschuwing
Gebruik van zendapparatuur en
mobiele telefoons die niet aan de
bovenstaande normen voor
mobiele telefoons voldoen en radi‐
o's is alleen toegestaan met een
buitenantenne op de auto.
Voorzichtig
Mobiele telefoons en zendappara‐
tuur kunnen als de voornoemde
aanwijzingen niet in acht worden
genomen bij gebruik in het interi‐
eur zonder buitenantenne aanlei‐
ding geven tot functiestoringen in
de autoelektronica.
Telefoon 105
106
Trefwoordenlijst
A
Algemene aanwijzingen. 87, 90,
91, 96
Infotainmentsysteem................. 66
USB-poort................................. 91
Algemene informatie..................... 94
AUX-ingang............................... 90
Bluetooth-muziek...................... 94
CD-speler.................................. 87
Telefoon.................................... 96
Antidiefstalfunctie ........................ 67
Audiobedieningsknoppen aan
stuurwiel.................................... 68
Automatische volumeregeling...... 77
Autostore-lijsten............................ 80
Zenders ophalen....................... 80
Zenders opslaan....................... 80
AUX-functie activeren................... 90
AUX-ingang
Algemene informatie................. 90
Bediening.................................. 90
Inschakelen............................... 90
Volume aanpassen................... 90
B
Basisbediening............................. 75
Bediening............................. 94, 100
AUX-ingang............................... 90
Bluetooth-muziek...................... 94
CD-speler.................................. 88
Menu......................................... 75
Radio......................................... 79
Telefoon.................................. 100
USB-poort................................. 92
Bedieningselementen
Infotainment-systeem................ 68
Stuurwiel................................... 68
Telefoon.................................... 96
Bedieningspaneel Infotainment.... 68
Bel
Beltoon.................................... 100
Functies tijdens het gesprek...100
Inkomend gesprek.................. 100
Telefoongesprek initiëren........ 100
Beltoon
Beltoon selecteren.................. 100
Beltoonvolume.......................... 77
Bluetooth
Bluetooth-muziek...................... 94
Bluetooth-verbinding................. 97
Telefoon.................................. 100
Bluetooth-muziek
Algemene informatie................. 94
Bediening.................................. 94
Inschakelen............................... 94
Voorwaarden............................. 94
Bluetooth-verbinding.................... 97
107
C
Categorielijst................................. 81
Cd afspelen starten...................... 88
Cd-menu....................................... 88
CD-speler
Algemene informatie................. 87
Cd afspelen starten................... 88
Cd plaatsen............................... 88
Cd-menu................................... 88
Een cd verwijderen.................... 88
Gebruik...................................... 88
Inschakelen............................... 88
CD-speler activeren...................... 88
D
DAB.............................................. 85
Datuminstellingen......................... 73
De radio inschakelen.................... 79
Digital Audio Broadcasting........... 85
Dynamisch audioaanpassing....... 85
F
Favoriete lijsten............................ 81
Zenders ophalen....................... 81
Zenders opslaan....................... 81
Favorietenlijst............................... 81
Frequentiebereikmenu's............... 81
Frequentiebereik selecteren......... 79
Functie Opnieuw kiezen............. 100
G
Gebruik....................... 73, 79, 88, 90
AUX-ingang............................... 90
Bluetooth-muziek...................... 94
CD-speler.................................. 88
Menu......................................... 75
Radio......................................... 79
Telefoon.................................. 100
USB-poort................................. 92
Geluidsinstellingen....................... 76
Gesprekslijsten........................... 100
H
Handsfree telefoonmodus
activeren.................................. 100
I
Infotainmentsysteem inschakelen 73
K
Knop MENU-TUNE....................... 75
M
Maximaal opstartvolume............... 77
Menubediening............................. 75
Mobiele telefoons en
CB-zendapparatuur................. 103
Mute.............................................. 73
N
Noodoproep.................................. 99
O
Opgeslagen audiobestanden
afspelen..................................... 92
Overzicht bedieningselementen... 68
R
Radio
Afstemmen op zender............... 79
Autostorelijsten.......................... 80
Bereik selecteren...................... 85
Categorielijst............................. 81
DAB configureren...................... 85
DAB-berichten........................... 81
Digital audio broadcasting
(DAB)........................................ 85
Dynamisch audioaanpassing.... 85
Favoriete lijsten......................... 81
Frequentiebereik selecteren..... 79
Frequentiebereikmenu's............ 81
Gebruik...................................... 79
Inschakelen............................... 79
Radio Data System (RDS)........ 83
RDS configureren...................... 83
Regio-instelling.......................... 83
Verkeersberichten..................... 83
Verkeersinformatie.................... 83
Zender zoeken.......................... 79
Zenderlijsten.............................. 81
Zenderlijsten bijwerken............. 81
108
Zenders ophalen................. 80, 81
Zenders opslaan................. 80, 81
Radio activeren............................. 79
Radio Data System ...................... 83
RDS.............................................. 83
Regio-instelling............................. 83
S
Streaming audio via Bluetooth
activeren.................................... 94
Systeeminstellingen
Fabrieksinstellingen terugzetten 73
Taal........................................... 73
Tijd en datum............................ 73
Voertuiginstellingen................... 73
T
Taalinstellingen............................. 73
TA-volume.................................... 77
Telefoon
Algemene informatie................. 96
Bedieningselementen............... 96
Beltoon selecteren.................. 100
Bluetooth................................... 96
Bluetooth-verbinding................. 97
Een telefoonnummer kiezen...100
Functies tijdens het gesprek...100
Gesprekslijsten........................ 100
Inkomend gesprek.................. 100
Inschakelen............................. 100
Noodoproepen.......................... 99
Opmerkingen............................. 96
Telefoonboek.......................... 100
Telefoonnummer opnieuw
kiezen...................................... 100
Voorwaarden........................... 100
Telefoonboek.............................. 100
Tijdinstellingen.............................. 73
U
USB-functie activeren................... 92
USB-menu.................................... 92
USB-poort
Activering.................................. 92
Algemene aanwijzingen............ 91
Bediening.................................. 92
Opmerkingen............................. 91
USB-apparaat aansluiten.......... 91
USB-apparaat verwijderen........ 92
USB-menu................................. 92
V
Verkeersberichten........................ 83
Verkeersberichten blokkeren........ 83
Verkeersinformatie....................... 83
Volume
Automatische volumeregeling... 77
Beltoonvolume.......................... 77
Maximaal opstartvolume........... 77
Stiltefunctie................................ 73
TA-volume................................. 77
Volume instellen........................ 73
Volumebegrenzing bij hoge
temperaturen............................. 73
Voor snelheid
gecompenseerd volume............ 77
Volume-instellingen...................... 77
Z
Zenderlijsten................................. 81
Zenderlijsten bijwerken................. 81
Zenders ophalen.................... 80, 81
Zenders opslaan..................... 80, 81
Zender zoeken.............................. 79
FlexDock .................................... 110
Trefwoordenlijst ......................... 112
FlexDock
110 FlexDock
FlexDock
Algemene informatie .................. 110
Gebruik ...................................... 111
Algemene informatie
FlexDock bestaat uit een ingebouwde
basisplaat en verschillende typen
cradles die aan de basisplaat kunnen
worden bevestigd. Door het plaatsen
van een iPhone
®
of een andere
smartphone in de cradle kan de
smartphone via het Infotainmentsys‐
teem, de knoppen op het stuurwiel of
het touchscreen worden bediend.
Voor nadere informatie over het
gebruik van de cradle verwijzen wij u
naar de bij elke cradle meegeleverde
handleiding van de cradle.
9 Waarschuwing
Met het FlexDock verbonden
toestellen moeten zodanig worden
gebruikt dat de bestuurder niet
wordt afgeleid en dat de verkeers‐
veiligheid op geen enkel moment
in het geding komt. Houd u altijd
aan de betreffende wet- en regel‐
geving van het land waarin u rijdt.
Deze wetgeving kan verschillen
van de informatie in deze handlei‐
ding. Zet bij twijfel uw auto aan de
kant en bedien de apparatuur
terwijl u stilstaat.
Let op
Gebruik via de USB-aansluiting niet
tegelijkertijd een andere audiobron
om superposities van beide audio‐
bronnen te voorkomen.
Voorzichtig
Laat de mobiele telefoon ter voor‐
koming van diefstal bij het verlaten
van de auto niet in het FlexDock
achter.
FlexDock 111
Gebruik
Cradle op de basisplaat
bevestigen
1. Haal de kap van de basisplaat.
2. Druk de cradle in de basisplaat en
klap deze neer.
Smartphone aansluiten op het
Infotainmentsysteem
Universele smartphone
Sluit de smartphone met de aansluit‐
kabel aan op de slede.
iPhone
De iPhone wordt bij het plaatsen in de
cradle automatisch verbonden.
Afhankelijk van de aanwezige soft‐
ware en hardware kan de functionali‐
teit van de iPhone beperkt zijn.
De smartphone bedienen
Bij het verbinden van de smartphone
via FlexDock heeft deze dezelfde
functionaliteit als wanneer deze via
de USB-aansluiting wordt aangeslo‐
ten. Zie de betreffende instructies in
deze handleiding voor gedetailleerde
informatie.
Voor het gebruik van de telefoonfunc‐
tie of de functie Streaming audio via
Bluetooth moet er een Bluetooth-
verbinding tot stand worden gebracht.
Zie de betreffende instructies in deze
handleiding en de gebruiksaanwijzing
bij de smartphone voor gedetailleerde
informatie.
Cradle van de basisplaat
verwijderen
1. Druk op de ontgrendelingsknop
en verwijder de cradle.
2. Bevestig de cradle op de basis‐
plaat.
112
Trefwoordenlijst
A
Algemene informatie................... 110
B
Basisplaat................................... 111
C
Cradle......................................... 111
F
FlexDock..................................... 111
G
Gebruik....................................... 111
www.opel.com
Copyright by Opel Automobile GmbH, Rüsselsheim, Germany.
De gegevens in deze publicatie waren correct op de onderstaande uitgiftedatum. Wijzigingen in de techniek, uitrusting of vorm van de auto's ten opzichte van de gegevens in deze
publicatie, alsmede wijzigingen van deze publicatie zelf blijven Opel Automobile GmbH voorbehouden.
Uitgave: maart 2018, Opel Automobile GmbH, Rüsselsheim.
Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier.
*ID-OADAILSE1803-NL*
ID-OADAILSE1803-nl
111


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Opel Adam Infotainment 2018 - Navi 4.0 IntelliLink at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Opel Adam Infotainment 2018 - Navi 4.0 IntelliLink in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 2,15 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info