810459
16
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/372
Next page
Basishandelingen
Basishandelingen voor het multimediasysteem
Instellingen en
registratie Registreren en instellen van diverse elementen
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
Gebruik van Bluetooth® of Wi-Fi®
Navigatie
Bedienen van het kaartscherm
Zoeken op de kaart
Activeren van de routebegeleiding
Audiosysteem Luisteren naar de radio
Muziek luisteren
Handsfree
bellen Voor handsfree gebruik van een mobiele telefoon
Extra diensten Gebruik van extra diensten
Parking Assist-
systeem Controleren van de situatie rondom de auto
Bijlage Referentie-informatie
Verklaring
Index Alfabetisch zoeken
1
2
3
4
5
6
7
8
9
NX 450h+ NX 350h NX 350 NX 250 NX 200
PZ471-78492-NL
L/O 01/11/2021
Inleiding
Ter informatie ........................... 7
Veiligheidsinstructies ............. 10
Over deze handleiding........... 11
Overzicht................................ 13
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen........... 16
Overzicht multimediascherm.. 18
Hoofdmenu ............................ 20
Statusiconen .......................... 22
Bedienen van het
touchscreen ......................... 24
Basisfuncties scherm............. 27
Invoeren van letters en
cijfers ................................... 29
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm........................... 30
Weergave van de actuele
locatie van de auto............... 32
Wijzigen van de schaal van
de kaart................................ 33
Wijzigen van de kaartrichting. 34
Verschuiven van de kaart ...... 35
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen
audiosysteem en
volumeregeling .................... 36
Selecteren van de audiobron. 38
Wijzigen van de lay-out van
de toetsen op het
keuzescherm voor de
audiobron............................. 40
Aansluiten op een USB-
aansluiting............................ 41
1-4. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem
met behulp van
spraakbediening .................. 42
Spraakbediening starten........ 45
Uitspreken van een
spraakcommando ................ 48
Informatie zoeken met
behulp van het toetsenbord . 53
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel .................. 56
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen........................... 62
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van
een gebruikersprofiel ........... 64
Identificatiemethode voor
een bestuurder instellen ...... 67
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem .............. 69
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm ................................. 72
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen
van de spraakbediening....... 74
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ...... 76
INHOUDSOPGAVE
2
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen ........ 77
Bijwerken en controleren
van de software-informatie .. 80
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen
navigatiesysteem ................. 84
Wijzigen van de
kaartinstellingen................... 85
Route-instellingen .................. 88
Instellingen begeleiding ......... 91
Instellingen
verkeersinformatie ............... 93
Overige instellingen ............... 94
2-9. Geluids- en media-
instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen................ 97
Overschakelen naar een
andere schermmodus ........ 100
Instellen van de
beeldkwaliteit ..................... 101
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron102
2-10. Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen......................... 103
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten
instellen.............................. 105
3
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten........................... 110
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen......... 113
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf
het multimediasysteem ...... 114
Wissen van een
geregistreerd Bluetooth®-
apparaat............................. 118
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat .......... 119
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
primair apparaat................. 123
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
secundair apparaat ............ 124
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-
apparaten........................... 125
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®............. 127
3-3. Gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto ................. 130
Gebruik van Apple CarPlay
met een ongeregistreerde
smartphone........................ 133
Gebruik van Apple CarPlay
met een geregistreerde
smartphone........................ 136
Gebruik van Android Auto.... 139
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple
CarPlay of Android Auto .... 140
INHOUDSOPGAVE
3
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten
die gebruikmaken van
Wi-Fi®................................ 146
Connected Navigation ......... 148
Connected Navigation (met
geïntegreerd
navigatiesysteem).............. 149
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor
een punt............................. 150
Scherm met kaartopties....... 151
Weergeven van POI-iconen. 152
Kaartinstellingen .................. 153
Snelwegmodus .................... 157
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een
bestemming ....................... 158
Scherm voor zoeken van
bestemming ....................... 159
Scherm met een overzicht
van de zoekresultaten........ 162
Toevoegen van een
tussenpunt ......................... 163
Bestemmingen instellen
vanaf uw smartphone ........ 164
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route................................... 166
Een demo van de
routebegeleiding bekijken .. 168
Wijzigen van route-opties .... 169
Wijzigen van de route .......... 170
Punten om langs te rijden
instellen op een route ........ 171
Tussenpunten bewerken...... 172
4-5. Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm ... 173
Rijstrookweergaveschermen 175
Opnieuw zoeken van een
route................................... 177
Specifieke
stembegeleidingstermen.... 178
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied.................. 179
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio........ 182
Naar DAB luisteren .............. 185
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio .... 188
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via een USB-stick .............. 189
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 191
Videobestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 194
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via iPod/iPhone.................. 197
Afspelen vanaf een iPod/
iPhone................................ 198
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Apple CarPlay .............. 201
Afspelen via Apple CarPlay . 202
INHOUDSOPGAVE
4
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Android Auto ................ 205
Android Auto afspelen ......... 206
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-
audio .................................. 208
Bluetooth®-audio afspelen ... 210
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Miracast®..................... 213
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten ...... 214
Afspelen via Miracast®......... 215
6Handsfree bellen
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen ................ 218
Voorzorgsmaatregelen
wanneer u de auto
verkoopt of wegdoet .......... 222
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert ... 223
6-2. Handsfree bellen met behulp
van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen (type A) ... 227
Bedienen met de
stuurwieltoetsen (type B) ... 229
6-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis........... 231
Bellen via de lijst met
favorieten ........................... 233
Bellen vanuit contactenlijst .. 234
Bellen via het toetsenblok.... 235
Pechhulp van Lexus bellen.. 236
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal ...... 237
6-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden ..... 238
Oproepen weigeren ............. 240
6-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het
belscherm .......................... 241
Een onderbroken oproep
beantwoorden .................... 243
Iemand anders bellen
tijdens een lopend gesprek 245
Een conferencecall starten .. 246
Beëindigen van gesprekken 247
6-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen ................ 248
6-7. Bewerken van
contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens................ 250
Nieuwe contactgegevens
aan contacten toevoegen .. 255
Favorieten registreren.......... 258
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de
berichtfunctie ..................... 260
Bellen via de berichtfunctie.. 265
7Extra diensten
7-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ............................ 268
INHOUDSOPGAVE
5
Weergeven van het
webbrowserscherm............ 269
Bedienen van het
webbrowserscherm............ 270
8Parking Assist-systeem
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
Functies Lexus Parking
Assist Monitor .................... 276
Weergeven van het
begeleidingsscherm........... 278
Wijzigen van de
weergavemodus voor
rijlijnen................................ 280
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de Lexus
Parking Assist Monitor ....... 285
8-2. Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View
Monitor............................... 296
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
P staat................................ 300
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
D of N staat........................ 302
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
R staat ............................... 310
Het scherm als de
buitenspiegels zijn
ingeklapt ............................ 318
Inzoomen op het scherm ..... 319
Weergeven van transparant
beeld onder de auto........... 321
Wijzigen van de instellingen
van de Panoramic View
Monitor............................... 323
Voorzorgsmaatregelen bij
het gebruik van de
Panoramic View Monitor.... 325
Als u bepaalde
verschijnselen opmerkt ...... 342
9Bijlage
9-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen
worden gebruikt. ................ 346
Verklaring ............................. 355
Index .......................................... 368
INHOUDSOPGAVE
6
Inleiding
Ter informatie
Multimediahandleiding
In deze handleiding wordt de werking van het multimediasysteem
beschreven. Lees deze handleiding en de "handleiding van de auto"
zorgvuldig door, zodat u de mogelijkheden op de juiste wijze kunt
benutten.
De inhoud van deze handleiding verschilt in sommige gevallen mogelijk
van het systeem, bijvoorbeeld als gevolg van software-updates en
wijzigingen in de specificaties.
Deze handleiding bevat informatie over systeemsoftwareversie 1001
en eerder. Raadpleeg de onderstaande URL voor de meest recente
informatie. Lees voordat u dit systeem gebruikt de informatie met
betrekking tot de nieuwste softwareversie.
Afhankelijk van het land of gebied is de software-updateservice mogelijk
niet beschikbaar.
NX 450h+
URL:
https://www.lexus.eu/manual?parameter=om78492e.nx.2109.phev.mm
QR-code:
NX 350h
URL:
https://www.lexus.eu/manual?parameter=om78492e.nx.2109.hev.mm
QR-code:
Inleiding
7
NX 350/NX 250/NX 200
URL:
https://www.lexus.eu/manual?parameter=om78492e.nx.2109.cv.mm
QR-code:
De in deze handleiding getoonde schermen wijken mogelijk af
van het daadwerkelijke scherm van het systeem, afhankelijk van
de beschikbaarheid van functies, status van de aanmelding en
kaartgegevens die beschikbaar waren op het moment dat deze
handleiding werd gemaakt.
De bedrijfsnamen en producten die in deze handleiding worden
vermeld, zijn handelsmerken en/of geregistreerde handelsmerken van
hun respectievelijke bedrijven.
Disclaimer over compensatie bij gegevensverlies
Dit systeem slaat gegevens op in het interne geheugen. Data die zijn
opgeslagen in het geheugen kunnen corrupt raken of verloren gaan door
storingen, reparaties, softwarefouten en andere oorzaken.
Toyota accepteert geen enkele aansprakelijkheid en biedt geen
compensatie aan met betrekking tot schade die direct en/of indirect
voortvloeit uit problemen met de opslag van data in het interne geheugen.
Inleiding
8
Verwijderen van de 12V-accu
Als het contact UIT wordt gezet, worden alle gegevens in het systeem
opgeslagen. Als de 12V-accu wordt losgenomen voordat de gegevens zijn
opgeslagen, worden de gegevens mogelijk niet goed opgeslagen.
Inleiding
9
Veiligheidsinstructies
Houd u aan de volgende instructies om dit systeem zo veilig mogelijk te
gebruiken.
Het systeem is bedoeld om u te assisteren bij het bereiken van uw
bestemming en zal dit, mits goed gebruikt, ook doen. U bent als bestuurder
verantwoordelijk voor het veilig functioneren van de auto en voor de
veiligheid van uw passagiers. Gebruik de functies van dit systeem zodanig
dat ze geen afleiding vormen en een veilige rit niet beletten. De veiligheid
tijdens het rijden moet altijd als eerste prioriteit gezien worden. Neem
tijdens het rijden altijd de verkeersregels in acht. Als een verkeerssituatie
recentelijk gewijzigd is, kan het routebegeleidingssysteem u van verkeerde
informatie voorzien, zoals het advies om een eenrichtingsweg in te rijden.
Luister tijdens het rijden zo veel mogelijk naar de stembegeleiding en werp
alleen een blik op het scherm als de wegsituatie dit toelaat. Vertrouw
echter nooit volledig op de informatie van de stembegeleiding. Gebruik
deze alleen als referentie. U hoort mogelijk onjuiste, verlate of helemaal
geen stembegeleiding als het systeem de actuele positie niet correct kan
vaststellen.
De gegevens in het systeem zijn soms niet volledig. De wegsituatie,
inclusief beperkingen (niet links afslaan, straten afgesloten, enz.) wijzigt
regelmatig. Kijk daarom, voordat u een instructie van het systeem gaat
opvolgen, of deze handeling veilig en legitiem kan worden uitgevoerd.
Het systeem kan u niet waarschuwen voor zaken als de veiligheid van
een gebied, de toestand van het wegdek en de beschikbaarheid van
hulpdiensten. Als u niet overtuigd bent van de veiligheid van een bepaald
gebied, rijd dit gebied dan niet in. Het systeem ondersteunt de bestuurder,
maar vervangt nooit diens persoonlijke beoordeling.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen mag de bestuurder het systeem tijdens het rijden
niet bedienen. Onvoldoende aandacht voor de weg en het verkeer kan
resulteren in een ongeval.
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de toestand van de
weg.
Inleiding
10
Over deze handleiding
Geeft uitleg over de symbolen die in deze handleiding worden gebruikt.
Symbolen in deze handleiding
Symbolen Betekenis
WAARSCHUWING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren
in ernstig letsel wanneer de voorzorgsmaatregelen niet in acht
worden genomen.
OPMERKING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren in
schade of storingen aan de auto of de uitrusting wanneer de
voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen.
Geeft bedienings- of werkingsprocedures aan.
Geeft uitleg in plaats van beschrijvingen over bedieningsmethoden en
functies die u dient te kennen en die handig zijn om te weten.
Symbolen in afbeeldingen
Symbolen Betekenis
Geeft de handeling aan voor het bedienen van knoppen en dergelijke
(drukken, draaien, enz.)
Inleiding
11
Symbolen Betekenis
Geeft het onderdeel of de positie aan waarover uitleg wordt gegeven.
Inleiding
12
Overzicht
Instrumentenpaneel
Onderstaande afbeelding heeft betrekking op een auto met linkse
besturing.
AMicrofoon ........................................................................................ Blz. 43
BStuurwieltoetsen
Audiobediening ..................................................................................Blz. 38
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening ...........Blz. 45
Bellen........................................................................................Blz. 227,229
CWeergave ......................................................................................... Blz. 16
DKnop [ VOL] ............................................................................... Blz. 36
EUSB-aansluiting .............................................................................. Blz. 41
Inleiding
13
Inleiding
14
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen........... 16
Overzicht multimediascherm.. 18
Hoofdmenu ............................ 20
Statusiconen .......................... 22
Bedienen van het
touchscreen ......................... 24
Basisfuncties scherm............. 27
Invoeren van letters en
cijfers ................................... 29
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm........................... 30
Weergave van de actuele
locatie van de auto............... 32
Wijzigen van de schaal van
de kaart................................ 33
Wijzigen van de kaartrichting. 34
Verschuiven van de kaart ...... 35
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen
audiosysteem en
volumeregeling .................... 36
Selecteren van de audiobron. 38
Wijzigen van de lay-out van
de toetsen op het
keuzescherm voor de
audiobron............................. 40
Aansluiten op een USB-
aansluiting............................ 41
1-4. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem
met behulp van
spraakbediening .................. 42
Spraakbediening starten........ 45
Uitspreken van een
spraakcommando ................ 48
Informatie zoeken met
behulp van het toetsenbord . 53
15
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het multimediasysteem
Display en bedieningselementen
14 inch display
9,8 inch display
AWeergave
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks aan te raken.
BKnop [ VOL]
Hiermee kunt u het audiosysteem in- of uitschakelen en het volume regelen.
INFORMATIE
Het LCD-scherm lijkt mogelijk vaag of donker, afhankelijk van de omgeving of
de kijkhoek.
Het scherm kan mogelijk niet goed worden afgelezen als er zonlicht of licht van
een andere externe lichtbron op schijnt.
Het scherm lijkt mogelijk donker of kan niet goed worden afgelezen wanneer u
een gepolariseerde zonnebril draagt.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen dient de bestuurder het display tijdens het rijden zo
min mogelijk te bedienen en dient hij/zij de auto stil te zetten om het display
te bedienen. Het bedienen van het display tijdens het rijden is gevaarlijk; u
kunt bijvoorbeeld per ongeluk aan het stuur draaien of er kunnen zich andere
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
16
WAARSCHUWING
onvoorziene ongelukken voordoen. Kijk bovendien tijdens het rijden alleen indien
nodig en zo kort mogelijk naar het display.
OPMERKING
Gebruik het display niet gedurende lange tijd wanneer de motor <het
hybridesysteem> is uitgeschakeld. Anders kan de 12V-accu ontladen raken.
Systeem herstarten
Wanneer het systeem erg traag reageert, kunt u het systeem herstarten.
Houd de knop [ VOL]
gedurende ten minste 3
seconden ingedrukt.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
17
1
Basishandelingen
Overzicht multimediascherm
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer een icoon wordt
gekozen.
BMicrofoontoets
Geeft het spraakherkenningsscherm weer voor verbale bediening van het
navigatiesysteem, het audiosysteem, de klimaatregeling en diverse andere
functies.
CStatusiconen
De klok en iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden
bovenaan op het scherm weergegeven.
DToetsen klimaatregeling
Voor het bedienen van de airconditioning en de voertuigfuncties.*1
INFORMATIE
De weergegeven informatie kan verschillen afhankelijk van het formaat van het
multimediascherm.
Alleen 14 inch display:
Kies [ ] op het kaartscherm om
de kaart in een groter formaat weer
te geven en kies [ ] op het
audioscherm om de informatie in een
groter formaat weer te geven.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu (Blz. 20)
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
18
Spraakbediening starten (Blz. 45)
Statusiconen (Blz. 22)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
19
1
Basishandelingen
Hoofdmenu
De op het scherm weer te geven functie kan worden gewijzigd door een
icoon te kiezen.
: Apple CarPlay®
Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
: Android Auto
Geeft het Android Auto-scherm weer.
: Navigatiesysteem
Geeft het kaartscherm weer. Het navigatiesysteem kan worden bediend
om een bestemming te zoeken of andere aan het navigatiesysteem
gerelateerde taken uit te voeren.
: Audio
Geeft het audiobedieningsscherm weer. De gewenste bron kan worden
geselecteerd om audio af te spelen.
: Telefoon
Geeft het telefoonscherm weer. Er kan een via Bluetooth® aangesloten
mobiele telefoon worden gebruikt om handsfree te bellen.
: Voertuiginformatie*1
Geeft het voertuiginformatiescherm weer. Hiermee kunt u
voertuiginformatie, zoals het brandstofverbruik en de instellingen van de
uitrusting van de auto, weergeven.
: Extra diensten
Geeft het scherm met apps weer.
Deze functie is in sommige landen niet beschikbaar. Neem voor meer
informatie (overzicht met landen waar een service beschikbaar is,
bediening, instellingen, enz.) contact op met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
20
: Instellingen
Geef het instellingenscherm weer. De instellingen van het
multimediasysteem en de voertuiginstellingen kunnen worden gewijzigd.
INFORMATIE
De Apple CarPlay-/Android Auto-iconen worden weergegeven wanneer een
ondersteund apparaat verbinding maakt met het systeem en de desbetreffende
functie wordt ingeschakeld.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
21
1
Basishandelingen
Statusiconen
De tijd en iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden
bovenaan op het scherm weergegeven.
Geeft de huidige tijd weer. Wanneer u de klok kiest, wordt het scherm met
de datum en tijd weergegeven.
Geeft de status van de verbinding weer van de via Bluetooth® aangesloten
mobiele telefoon. Als u het icoon kiest, wordt het scherm voor Bluetooth®-
instellingen weergegeven.
Geeft het ontvangstbereik van de aangesloten mobiele telefoon weer.
Geeft de actuele ladingstoestand van de batterij van de aangesloten
mobiele telefoon weer.
Geeft de status van het delen van gegevens met de Toyota Center Server
weer.
Geeft de ontvangststatus van de datacommunicatiemodule (DCM) weer.*1
Geeft het Wi-Fi®-ontvangstniveau weer.
Wordt weergegeven wanneer de Lexus Parking Assist-sensor actief is.*1
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
22
Wordt weergegeven wanneer er handsfree wordt gebeld terwijl een ander
scherm dan het telefoonscherm wordt weergegeven.
Wordt weergegeven wanneer internetradio is ingeschakeld.*2
Wordt weergegeven wanneer de voeding van een draadloze lader is
ingeschakeld.*1
INFORMATIE
De weergegeven actuele ladingstoestand van de mobiele telefoon wijkt
mogelijk af van wat op de mobiele telefoon wordt weergegeven. Bovendien
kan de actuele ladingstoestand mogelijk niet worden weergegeven, afhankelijk
van het type telefoon.
U kunt mogelijk Wi-Fi® niet gebruiken wanneer de ontvangst slecht is.
Als u uw mobiele telefoon gebruikt op plaatsen of in een toestand zoals
onderstaande, kunt u mogelijk geen verbinding maken via Bluetooth®:
De mobiele telefoon bevindt zich achter of onder een stoel, in het
dashboardkastje of in het consolevak.
De mobiele telefoon maakt contact met of is afgeschermd door metalen
voorwerpen.
Als de mobiele telefoon is ingesteld op de spaarstand, wordt de Bluetooth®-
verbinding mogelijk automatisch verbroken. Als dat gebeurt, schakel dan de
spaarstand op de mobiele telefoon uit.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem (Blz.
69)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
*1 : Indien aanwezig
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
23
1
Basishandelingen
Bedienen van het touchscreen
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks met een vinger aan te raken.
Aanraken
Raak het scherm voorzichtig aan. U
kunt items op het scherm selecteren.
Slepen
Beweeg uw vinger terwijl deze het
scherm aanraakt. U kunt door de lijst-
en kaartschermen scrollen.
Swipen
Swipe snel met uw vingertop over
het scherm. U kunt door de lijst- en
kaartschermen scrollen.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
24
Twee vingers naar elkaar toe bewegen/twee vingers van elkaar af
bewegen
Beweeg twee vingers naar elkaar
toe/van elkaar af terwijl u het scherm
aanraakt. U kunt in- en uitzoomen op
de kaarten.
INFORMATIE
Om sommige functies te bedienen, moet u mogelijk uw vinger op het scherm
houden of dubbeltikken (het scherm 2 keer achter elkaar snel aanraken).
Het gevoeligheidsniveau bij het aanraken van het scherm kan worden
gewijzigd.
U kunt het responsgeluid wanneer een schermtoets wordt aangeraakt in- of
uitschakelen.
Op grotere hoogten werkt het swipen mogelijk niet goed.
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem (Blz.
69)
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen
INFORMATIE
Als de toetsen op het scherm niet reageren, neem dan uw vinger van het
scherm en probeer het nogmaals.
In de volgende situaties reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken ze
niet goed:
Als handschoenen worden gedragen
Als het scherm met een vingernagel wordt bediend
Als het scherm tegelijkertijd met een andere vinger of de handpalm wordt
aangeraakt
Er zit vuil of water op het scherm
Als er een plastic folie of coating op het scherm zit
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
25
1
Basishandelingen
Als de auto zich in de buurt bevindt van een televisiezendmast,
elektriciteitscentrale, tankstation, radiozender, videowall, luchthaven of
andere locatie waar sterke radiogolven of elektromagnetische velden
aanwezig zijn
Wanneer u een draagbaar draadloos communicatieapparaat, zoals een
radio of mobiele telefoon, in de auto vervoert of oplaadt
Als het scherm wordt aangeraakt of bedekt met een metalen voorwerp zoals
een van de onderstaande, reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken
ze niet goed:
Een kaart met metaal erop, zoals aluminiumfolie
Een pakje sigaretten met aluminiumfolie
Een portemonnee, handtas of tas met metalen onderdelen
Muntgeld
Media zoals CD's en DVD's en een USB-kabel.
Als het systeem wordt gestart terwijl u een vinger op het scherm houdt,
reageren de schermtoetsen mogelijk niet. Neem uw vinger van het scherm
en probeer het nogmaals. Als de toetsen nog steeds niet reageren, zet dan het
contact UIT en start het systeem opnieuw.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar af bewegen wordt niet ondersteund
voor de kaart-app van Apple CarPlay.
OPMERKING
Raak om het scherm te beschermen, het scherm voorzichtig met uw vinger aan
wanneer u het bedient.
Bedien het touchscreen uitsluitend met uw vinger.
Reinig het scherm voorzichtig met een brillendoekje of een vergelijkbare zachte
doek. Als u het scherm hard aanraakt met uw vinger of een ruwe doek, kunnen
er krassen op het oppervlak van het scherm komen.
Gebruik geen wasbenzine of alkalische vloeistoffen om het scherm te reinigen.
Anders kan het scherm beschadigd raken.
Onder bepaalde omstandigheden kan het scherm enigszins warm aanvoelen.
Wees voorzichtig, want bij langdurig aanraken kunnen lichte brandwonden
ontstaan.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
26
Basisfuncties scherm
Als er meerdere kandidaten zijn, zoals instellingen en audio, wordt er
een lijstscherm weergegeven. Scrol door de lijst om het gewenste item
te selecteren.
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer u een icoon kiest.
BSubmenu
Geeft items weer in een lijst. U kunt door de lijst scrollen door middel van
slepen of swipen.
CBeschrijvingsgebied
Geeft gedetailleerde informatie weer over het item dat u in het submenu hebt
geselecteerd.
DBroodkruimellijst
Geeft schermtitels weer in een hiërarchie. Wanneer u [] kiest, gaat u één
niveau hoger in de hiërarchie.
INFORMATIE
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
Zoeken in een lijst
Wanneer u tekst kiest in een index,
wordt het gewenste item uit de lijst
weergegeven.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
27
1
Basishandelingen
Instellingen in- of uitschakelen
Wanneer u een item kiest, wordt de
instelling in- of uitgeschakeld
: Aan
: Uit
Meerdere instellingsopties
Wanneer u een item kiest waar
[ ] achter staat, kunt u een item
selecteren uit meerdere opties.
Aanpassen van het niveau
Door de cursor te verschuiven, kunt u
het instellingsniveau aanpassen.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu (Blz. 20)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
28
Invoeren van letters en cijfers
U kunt letters en cijfers invoeren met behulp van het toetsenbord. Als u
letters invoert, wordt voorspellende tekst weergegeven.
Schermvoorbeeld
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten en
terugkeren naar het vorige scherm.
: Geeft voorgestelde tekst weer op basis van de huidige tekstinvoer.
: Eén karakter wissen.
: Wijzigt het toetsenbord.
: Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
[Go] (ga) : Voer een zoekopdracht uit op basis van invoertekst.
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten.
: Schakelt over naar de invoermodus voor cijfers en symbolen.
: Schakelt over naar de invoermodus voor letters.
: Schakelt over naar het invoerscherm voor handgeschreven tekst.
INFORMATIE
Het weergegeven toetsenbordtype verschilt per functie.
Houd uw vinger op [ ] om rechtstreeks het toetsenbordtype te selecteren.
Dubbeltik op [ ] om de letters voor invoer vast te zetten op hoofdletters.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
29
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het navigatiesysteem
Kaartscherm
De informatie die op het kaartscherm wordt weergegeven en het doel ervan
zijn als volgt. Kies [ ] in het hoofdmenu.
AActuele locatie
Geeft de actuele locatie en richting van de auto weer.
BWeergave rijstrookinformatie
Geeft de doorgaande rijstroken en afslagen weer op een kruispunt/knooppunt.
(Alleen beschikbaar voor kruispunten/knooppunten met informatie in de
kaartgegevens.)
Tijdens de routebegeleiding wordt de voorgestelde rijstrook gemarkeerd.
CWeergave naam
Afhankelijk van de situatie wordt het volgende weergegeven: (Alleen
beschikbaar voor punten met informatie in de kaartgegevens.)
Namen van wegen waarop wordt gereden
DWeergave schaal
Geeft de schaal van de weergegeven kaart weer.
EMerkteken richting
Geeft de kaartrichting weer. Hiermee kunt u de kaartrichting wijzigen.
Raadpleeg het wijzigen van de kaartrichting voor meer informatie over het
wijzigen van de kaartrichting.
FToets inzoomen/uitzoomen
In- en uitzoomen op de kaart.
GToets display-instellingen
Geeft het scherm voor display-instellingen weer. Hiermee kunnen ook de
display-instellingen voor POI's in de buurt, enz. worden gewijzigd.
HToets Bestemming
Geeft het scherm voor het zoeken van de bestemming weer.
IMicrofoontoets
Geeft het spraakherkenningsscherm weer.
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
30
Verwante onderwerpen
Weergave van de actuele locatie van de auto (Blz. 32)
Wijzigen van de kaartrichting (Blz. 34)
Kaartinstellingen (Blz. 153)
Zoeken van een bestemming (Blz. 158)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 42)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
31
1
Basishandelingen
Weergave van de actuele locatie van de auto
De actuele locatie van de auto wordt weergegeven met het merkteken voor
de actuele locatie [ ].
Kies, als u door het kaartscherm hebt gescrold, [ ] of [ ] in het
hoofdmenu om op de kaart terug te keren naar de actuele locatie van de
auto.
INFORMATIE
Als de auto nieuw is of een accupool is losgenomen en weer is aangesloten,
wijkt de actuele locatie van de auto mogelijk af van de locatie [ ] die
wordt aangegeven met het merkteken voor de actuele locatie [ ]. Na een
tijdje rijden wordt de weergegeven actuele locatie [ ] echter automatisch
gecorrigeerd via Map Matching en de ontvangen GPS-informatie. (Afhankelijk
van de situatie kan dit enkele minuten duren.) Als er geen GPS-informatie
wordt ontvangen en de actuele locatie niet automatisch wordt gecorrigeerd,
breng dan de auto op een veilige plaats tot stilstand en corrigeer de actuele
locatie handmatig.
De vorm van het merkteken voor de actuele locatie [ ] is afhankelijk van de
kleur van de kaart.
Verwante onderwerpen
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave (Blz. 86)
IJking positie/richting (Blz. 96)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
32
Wijzigen van de schaal van de kaart
Er kan op het kaartscherm worden ingezoomd/uitgezoomd.
Kies [ ] of [ ] op het kaartscherm.
De schaal kan ook worden gewijzigd door te dubbeltikken of door twee
vingers naar elkaar toe/van elkaar af te bewegen op het scherm.
Inzoomen door dubbeltikken: raak het scherm 2 keer snel aan.
Houd uw vinger op [ ]/[ ] om de schaal van de kaart traploos te
wijzigen.
Stadskaart
Wanneer de kaart volledig is ingezoomd, kan een stadsplattegrond worden
weergegeven.
Kies [ ] wanneer de schaal van de kaart 50 m is.
Kies [ ] of beweeg uw vingers naar elkaar toe op het scherm om de
weergave van de stadsplattegrond te annuleren.
INFORMATIE
Als het actuele gebied niet in de kaartgegevens is opgenomen, wordt de
stadsplattegrond niet weergegeven.
Als de auto naar een gebied rijdt/de kaart naar een gebied wordt
gescrold waarvoor geen stadsplattegrond beschikbaar is, wordt de echte
stadsplattegrond automatisch geannuleerd.
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
33
1
Basishandelingen
Wijzigen van de kaartrichting
De kaartrichting kan worden vastgezet of worden gekoppeld aan de
rijrichting van de auto. Wijzig de richting naar wens.
Telkens als op [ ] op de kaart wordt gedrukt, wijzigt de kaartrichting
tussen “noorden boven”, “rijrichting boven” en “3D-weergave”.
Noorden boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met het noorden naar boven,
ongeacht de rijrichting van de auto.
Rijrichting boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met de rijrichting van de auto naar
boven.
3D-kaart [ ]
Toont een 3D-weergave van de kaart. In de 3D-weergave wordt de kaart
altijd weergegeven met de rijrichting van de auto naar boven.
INFORMATIE
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
De kaartrichting “rijrichting boven” of “3D-weergave” geldt alleen voor het
scherm dat de actuele locatie toont. Voor andere schermen (bestemming
instellen, weergave volledige route, enz.) wordt de kaart altijd met het noorden
boven weergegeven. Zodra u terugkeert naar het scherm met de actuele
locatie zal de kaartrichting weer op “rijrichting boven” of “3D-weergave” worden
ingesteld.
Verwante onderwerpen
Instellen van weergavehoek (Blz. 86)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
34
Verschuiven van de kaart
De kaart kan worden verschoven door een nieuw middelpunt te kiezen.
Raak een punt op de kaart aan.
Het gekozen punt wordt het nieuwe middelpunt van de kaart.
De locatie of POI waarnaar de kaart is verschoven kan worden ingesteld
als bestemming of als favoriet. Als het een POI betreft waarvoor
informatie beschikbaar is, kan deze ook worden weergegeven.
Door op [ ] te drukken na het verschuiven van de kaart, kan het
desbetreffende punt worden ingesteld als een nieuwe bestemming of als
tussenpunt.
Kies [ ] of [ ] om terug te keren naar de huidige positie van de auto.
INFORMATIE
U kunt het kaartscherm verschuiven door het aan te raken, te slepen of te swipen.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het touchscreen (Blz. 24)
Wijzigen van de kaartrichting (Blz. 34)
Informatie weergeven voor een punt (Blz. 150)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
35
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het audiosysteem
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling
Het audiosysteem kan worden uitgeschakeld wanneer dit niet in gebruik is
of het volume kan op een geschikt niveau worden ingesteld.
Het systeem kan worden gebruikt wanneer het contact in stand ACC of
AAN staat.
OPMERKING
Gebruik het audiosysteem niet gedurende langere tijd wanneer de motor <het
hybridesysteem> uitgeschakeld is. Anders raakt de 12V-accu mogelijk leeg.
Stel bij het luisteren naar audio het volume op een passend niveau in, dat u in
staat stelt om veilig te rijden.
Bedienen met de knop
Knop [ VOL]
Druk hierop om het systeem aan
en uit te zetten. Draai deze knop
om het volume te regelen.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
Toets [+]
Hiermee zet u het geluid harder.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Hiermee zet u het geluid zachter.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
36
Type B
Audiobedieningstoets
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke voorkeursinstellingen
is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg de "handleiding van de auto"
voor de procedure voor persoonlijke voorkeursinstellingen.
Druk hierop om het systeem aan en uit te zetten.
Toets [+]
Hiermee zet u het geluid harder.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Hiermee zet u het geluid zachter.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
37
1
Basishandelingen
Selecteren van de audiobron
De bron kan worden gewijzigd in radio, USB, enz.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de gewenste bron.
INFORMATIE
Mobiele telefoons in of dicht bij de auto kunnen storingen veroorzaken die
hoorbaar zijn via de luidsprekers als het audiosysteem ingeschakeld is.
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt in combinatie met Apple
CarPlay.
iPod
USB-audio of USB-video
Bluetooth®-audio
Miracast®
Android Auto
De volgende functies zijn niet beschikbaar in combinatie met Android Auto.
iPod
USB-audio of USB-video
Apple CarPlay
Wijzigen van de bron met behulp van de stuurwieltoetsen
U kunt de bron wijzigen met behulp van de stuurwieltoetsen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
38
Type A
Toets [MODE]
De bronnen worden op volgorde gewijzigd.
Ingedrukt houden om te onderbreken of te dempen. Houd nogmaals
ingedrukt om het ongedaan te maken.
Als u de lay-out van de toetsen op het keuzescherm voor de audiobron wijzigt,
wijzigt ook de schakelvolgorde.
Type B
Modustoets
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke voorkeursinstellingen
is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg de "handleiding van de auto"
voor de procedure voor persoonlijke voorkeursinstellingen.
De bronnen worden op volgorde gewijzigd.
Ingedrukt houden om te onderbreken of te dempen. Houd nogmaals
ingedrukt om het ongedaan te maken.
Als u de lay-out van de toetsen op het keuzescherm voor de audiobron wijzigt,
wijzigt ook de schakelvolgorde.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
39
1
Basishandelingen
Wijzigen van de lay-out van de toetsen op het keuzescherm
voor de audiobron
De positie van de toetsen kan naar wens worden gewijzigd voor een hoger
bedieningsgemak.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [ ] rechts van de bron,
verplaats de toets en laat deze
op de gewenste positie los.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
40
Aansluiten op een USB-aansluiting
Sluit een apparaat zoals een smartphone of draagbare speler aan.
Sluit de USB-kabel aan op de aansluiting.
Wanneer u een USB-stick aansluit, sluit deze dan rechtstreeks aan op de USB-
aansluiting.
INFORMATIE
Bekijken van videobestanden is wellicht niet mogelijk, afhankelijk van uw
apparaat.
Raadpleeg de handleiding van de USB-kabel en het aan te sluiten apparaat.
Gebruik een voeding zoals de batterij die bij het aangesloten apparaat is
geleverd. Het gebruik van de accessoireaansluiting in de auto kan een
storend geluid veroorzaken. (Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van
de auto" voor meer informatie over de accessoireaansluiting.)
OPMERKING
Druk niet op het aangesloten apparaat en oefen er geen onnodige druk op
uit. Het apparaat of de aansluiting ervan kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het apparaat of de
aansluiting ervan kan beschadigd raken.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
41
1
Basishandelingen
Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening*1
Dankzij het spraakcommandosysteem kunt u het navigatiesysteem, de
airconditioning en het audiosysteem bedienen, handsfree bellen, enz. met
behulp van spraakcommando's. Wanneer u gebruikmaakt van Lexus Link*1,
kunt u informatie zoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van content op de
cloudserver.
AGeeft de spraakherkenningsstatus weer.
[ ]/[ ] : Wacht tot er iets wordt gezegd
[ ] : Luistert
[ ] : Verwerkt spraakherkenning
BGeeft de reactie van het systeem en de herkende resultaten als tekst
weer.
CGeeft het toetsenbord weer.
Dit zorgt ervoor dat u allerlei informatie kunt opzoeken met behulp van het
toetsenbord.
DGeeft voorbeelden van spraakcommando's weer in een lijst.
U kunt voorbeelden van vaak gebruikte spraakcommando's per functie bekijken.
ESluit het spraakherkenningsscherm.
INFORMATIE
De verbindingsstatus van Lexus Link*1 kan op het scherm worden
weergegeven.
[No online service] (geen online diensten) : Er is geen geldig online
servicecontract of er is een taal geselecteerd waarin online diensten
niet beschikbaar zijn.
1-4. Spraakcommandosysteem
42
[No internet connection] (geen internetverbinding) : Er is geen
verbinding met internet.
Het scherm van de spraakherkenning wordt tijdens het rijden weergegeven als
een banner.
Verwante onderwerpen
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord (Blz. 53)
Microfoons
Er zijn zowel aan bestuurderszijde
als aan passagierszijde microfoons
geplaatst.
INFORMATIE
Spraakcommando's kunnen worden gegeven vanaf de bestuurdersstoel en
de passagiersstoel nadat het systeem is geactiveerd met het wekwoord.
Spraakcommando's die worden gegeven vanaf een andere zitpositie dan die
waarvandaan het systeem werd geactiveerd, worden genegeerd.
Sommige functies zijn echter niet beschikbaar voor spraakbediening vanaf de
passagiersstoel.
Ondersteunde talen
Deze functie is compatibel met de volgende talen:
Europa
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits,
Frans, Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools,
Vlaams, Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks,
Slowaaks, Hongaars
Ondersteuning voor spraakherkenning in de cloud : Engels, Duits,
Frans, Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools,
Vlaams, Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
43
1
Basishandelingen
Rusland
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits, Frans,
Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools, Vlaams,
Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks, Slowaaks,
Hongaars
1-4. Spraakcommandosysteem
44
Spraakbediening starten*1
De spraakbediening kan worden gestart door een van de volgende
handelingen uit te voeren:
Druk op de spraaktoets
Druk op de toets [ ] (spraaktoets) op het stuurwiel.
Type A
Type B
De positie van elke schakelaar kan verschillen, afhankelijk van de uitvoering van de
auto en het multimediasysteem.
Spreek het wekwoord uit
Zeg "Hey Lexus".
Het wekwoord kan worden gewijzigd op
het instellingenscherm.
Nadat u het wekwoord hebt gebruikt,
kunt u gelijk een spraakcommando
geven.
Voorbeeld: "Hey Lexus, go to nearby
coffee shop" (Hey Lexus, ga naar het
dichtstbijzijnde café)
1-4. Spraakcommandosysteem
45
1
Basishandelingen
Kies de microfoontoets
Kies [ ] op het scherm.
INFORMATIE
Spraakcommando's kunnen worden gegeven vanaf de bestuurdersstoel en
de passagiersstoel nadat het systeem is geactiveerd met het wekwoord.
Spraakcommando's die worden gegeven vanaf een andere zitpositie dan die
waarvandaan het systeem werd geactiveerd, worden genegeerd.
Als het spraakcommandosysteem is geactiveerd met behulp van de
spraaktoets of de microfoontoets, kunnen er geen spraakcommando's worden
gegeven vanaf de passagierszijde.
Het spraakcommandosysteem herkent commando's mogelijk niet wanneer
deze niet duidelijk worden uitgesproken. Let bij gebruik van het
spraakcommandosysteem op de volgende punten:
Spreek met een duidelijke stem.
Sluit de ruit omdat commando's mogelijk niet goed worden herkend als
gevolg van ruis (windgeruis of geluid van buitenaf).
Als de airconditioner luid blaast, worden commando's mogelijk niet goed
herkend. Zet deze daarom lager.
Als muziek luid wordt afgespeeld terwijl een commando wordt gegeven,
wordt dat commando mogelijk niet herkend. Zet daarom de muziek zachter.
Commando's worden mogelijk niet herkend wanneer meerdere mensen
tegelijk spreken.
U kunt een gesproken aanwijzing onderbreken door een spraakcommando uit
te spreken.
U kunt de gesproken aanwijzingen in- en uitschakelen op het
instellingenscherm.
U kunt het volume van de gesproken aanwijzingen instellen op het
instellingenscherm.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van het wekwoord waarmee het spraakcommandosysteem wordt
gestart (Blz. 74)
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
46
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
Spraakbediening stoppen
Voer een van de volgende handelingen uit om de spraakbediening te
beëindigen:
Zeg "Cancel" (annuleren).
Kies [ ] op het spraakherkenningsscherm.
Houd de spraaktoets op het stuurwiel ingedrukt.
1-4. Spraakcommandosysteem
47
1
Basishandelingen
Uitspreken van een spraakcommando*1
Spreek een spraakcommando uit wanneer het spraakherkenningsscherm
verschijnt. Het systeem kan natuurlijke spraak herkennen.
INFORMATIE
Spraakcommando's worden mogelijk niet herkend als ze worden uitgesproken
met een accent of wanneer ongebruikelijke bewoordingen worden gebruikt.
Als het spraakcommandosysteem geen aliassen of afkortingen herkent bij het
zoeken naar plaatsnamen en faciliteiten, spreek dan de officiële naam uit.
Door ook te zeggen wat u wilt doen, maakt dat het gemakkelijker voor het
spraakcommandosysteem om uw commando te herkennen. Als u bijvoorbeeld
een bestemming zoekt via een naam, zeg dan niet alleen de naam. Zeg in
plaats daarvan een zin met daarin een naam en een werkwoord, bijvoorbeeld
"Go to nearby coffee shop" (ga naar het dichtstbijzijnde café).
Overzicht van functies
Dit is een overzicht van de belangrijkste functies die met spraak kunnen
worden bediend en voorbeelden van spraakcommando's.
De beschikbare functies verschillen afhankelijk van de auto en de
uitrusting.
Vaak voorkomende commando's
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Vanaf het begin beginnen "Start over" (begin vanaf het begin)
Spraakbediening stoppen "Cancel" (annuleren)
Aanwijzingen voor
spraakcommando's openen "Help"
Terugkeren naar het vorige scherm "Go back" (ga terug)
Een lijstnummer selecteren "Number one" (nummer één)
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
48
Actie Voorbeeld van spraakcommando
De lijstpagina wijzigen "Next page" (volgende pagina) "Previous
page" (vorige pagina)
Zoeken van bestemming*2
De bestemming kan worden ingesteld via de naam, het genre of het adres
van de faciliteit.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een faciliteit zoeken
"Find a <POI category/POI name>" (vind een <categorie
POI/naam POI>) "Go to nearby coffee shop" (ga naar het
dichtstbijzijnde café)
Een adres zoeken "Get directions to <address>" (geef routebeschrijving naar)
Naar uw huisadres
terugkeren "Take me home" (breng me naar huis)
Bediening navigatie*2
De kaart kan worden bediend en de bestemming kan worden verwijderd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het kaarttype wijzigen "Change map to 3D" (wijzig kaart naar
3D)
De schaal van de kaart wijzigen "Zooming in" (inzoomen) "Zooming out"
(uitzoomen)
Het kaartscherm weergeven "Show map" (toon kaart)
De route-informatie controleren "What's my ETA?" (Wat is mijn geschatte
aankomsttijd?)
De bestemming wissen "Delete destination" (wis bestemming)
De bestemmingengeschiedenis
weergeven
"Show recent destinations" (toon recente
bestemmingen)
Bediening audio
Het audiosysteem kan worden bediend voor functies zoals de radio, het
USB-geheugen en Bluetooth®-audio.
Namen van artiesten, albums en nummers die in de media geregistreerd
staan, kunnen worden gespecificeerd.
Deze kunnen ook worden gespecificeerd via de naam van de radiozender.
1-4. Spraakcommandosysteem
49
1
Basishandelingen
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het volume aanpassen "Volume up" (geluid harder) "Volume down" (geluid
zachter)
Het geluid dempen "Mute audio" (geluid dempen)
Volgende/vorige nummer
afspelen
"Next song" (volgende nummer) "Previous song"
(vorige nummer)
Een nummer om af te
spelen specificeren*3
"Play <artist>" (<artiest> afspelen) "Play <album>"
(<album> afspelen) "Play <song>" (<nummer>
afspelen)
Een radiozender
selecteren
"Tune to <FM frequency>" (stem af op <FM-
frequentie>) "Tune to <FM station name>" (stem af op
<naam FM-zender>)
De audiobron wijzigen "Change to <audio source>" (wijzig naar)
Bediening handsfree telefoon*4
Er kan worden gebeld met een mobiele telefoon waarmee u via Bluetooth®
verbinding hebt gemaakt met de auto.
De naam en het type telefoon, die zijn geregistreerd in de contacten,
kunnen worden gespecificeerd en van daaruit kan het telefoonnummer
worden gebeld.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een contact in uw telefoonboek
bellen "Call <contacts>" (bel <contacten>)
Een telefoonnummer bellen "Call <phone number>" (bel
<telefoonnummer>)
Het scherm met de
oproepgeschiedenis weergeven "Show recent calls" (toon recente oproepen)
Een bericht sturen "Send message to <contact name>" (stuur
bericht aan <naam contact>)
Een bericht voorlezen "Read message" (lees bericht voor)
Het scherm voor Bluetooth®-
verbinding weergeven
"Show Bluetooth Settings" (toon Bluetooth-
instellingen)
Zoekservice informatie*2*5
U kunt online diensten gebruiken en naar informatie zoeken.
1-4. Spraakcommandosysteem
50
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Controleren van de
weersinformatie
"Tell me the weather in Tokyo tomorrow" (vertel me wat
voor weer het morgen in Tokio wordt)
Klimaatregeling
De temperatuur en aanjagersnelheid van de airconditioning kunnen worden
ingesteld.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
De airconditioning in- of
uitschakelen
"Turn on the air conditioner" (schakel de airconditioning
in) "Turn off the air conditioner" (schakel de
airconditioning uit)
De temperatuur van de
airconditioning instellen
"Turn up the temperature" (zet de temperatuur hoger)
"Turn down the temperature" (zet de temperatuur lager)
"Set the temperate to 25 degrees" (stel de temperatuur
in op 25 graden)
De aanjagersnelheid
van de airconditioning
instellen
"Turn the fan speed up" (zet de aanjagersnelheid
hoger) "Turn the fan speed down" (zet de
aanjagersnelheid lager) "Set the fan speed to 3" (stel
de aanjagersnelheid in op 3)
Bediening systemen auto*2*5
Functies van de auto, zoals het openen en sluiten van de ruiten, kunnen
worden bediend.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Openen of sluiten van alle
ruiten*4
"Open all windows" (open alle ruiten) "Close
all windows" (sluit alle ruiten) "Open driver side
window" (open de ruit aan bestuurderszijde)
"Close driver side window" (sluit de ruit aan
bestuurderszijde)
Openen of sluiten van het
schuifdak*4
"Open moon roof" (open het schuifdak) "Close moon
roof" (sluit het schuifdak)
De ruitenwisser voor
inschakelen*4
"Turn on the front wiper" (schakel de ruitenwisser
voor in)
Een stoelpositie opslaan
in of oproepen uit het
geheugen*2*4
"Set seat position number 1" (stel stoelpositie
nummer 1 in) "Save seat position number 1" (sla op
als stoelpositie nummer 1)
De kleur van de verlichting
wijzigen*2
"Set the illumination to red" (stel de verlichting in op
rood)
1-4. Spraakcommandosysteem
51
1
Basishandelingen
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het head-up display
inschakelen*2*4
"Turn on head up display" (schakel head-up display
in)
De kilometerteller
weergeven*4 "Show odometer" (toon kilometerteller)
Dagteller A weergeven*4 "Show Trip A" (toon dagteller A)
Het beeld van de camera
weergeven*2*4
"Show side camera view" (toon beeld zijcamera)
"Show wide front camera" (toon groothoekbeeld
camera voor) "Show moving camera" (toon
bewegend beeld van camera)
Het beeld van de camera
wijzigen*2*4 "Change camera view" (wijzig beeld van camera)
Voertuiginformatie
Informatie, zoals het brandstofverbruik en de actieradius, kan worden
gecontroleerd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het brandstofverbruik
controleren
"What's my fuel consumption?" (Wat is mijn
brandstofverbruik?)
De actieradius controleren "What's my cruising range?" (Wat is mijn
actieradius?)
De gemiddelde rijsnelheid
controleren
"What's my average speed?" (Wat is mijn
gemiddelde rijsnelheid?)
Verbale reactie op weergegeven meldingen
Er kunnen verbale reacties worden gegeven op binnenkomende oproepen
en andere meldingen. Instellingen die betrekking hebben op verbale
reacties kunnen worden gewijzigd via het scherm voor spraakinstellingen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
*2 : Indien aanwezig
*3 : U kunt muziek afspelen die is opgeslagen op een via USB aangesloten
apparaat.
*4 : Spraakcommando's die worden uitgesproken vanaf de passagiersstoel,
worden niet herkend.
*5 : Een Lexus Link-contract is vereist.
1-4. Spraakcommandosysteem
52
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord
Met behulp van het toetsenbord kan allerlei informatie worden opgezocht.
1Kies [ ].
Als er een zoekgeschiedenis is, wordt het scherm met de geschiedenis
getoond en kunt u daaruit een keuze maken.
2Selecteer de categorie waarin u
wilt zoeken.
[Navigation] (navigatie) : Voer
een adres, naam van een
voorziening, telefoonnummer,
gebied, wegnummer, knooppunt,
POI-categorie, enz. in.
[Media] : Voer een album,
artiest, nummer, afspeellijst,
genre, radiozender, enz. in.
[Phone] (telefoon) : Voer een naam, telefoonnummer of iets anders
dat in het telefoonboek staat in.
[Vehicle] (voertuig) : Voer brandstofverbruik of andere
voertuiginformatie in die u wilt weergeven.
[Settings] (instellingen) : Voer de instelling in die u wilt wijzigen, zoals
audio, telefoon en airconditioning.
3Druk na het invoeren van het
zoekwoord op [Go] (start).
4Kies het gewenste item uit de lijst met zoekresultaten.
1-4. Spraakcommandosysteem
53
1
Basishandelingen
INFORMATIE
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
De zoekfunctie is niet beschikbaar in combinatie met Apple CarPlay of Android
Auto.
1-4. Spraakcommandosysteem
54
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel .................. 56
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen........................... 62
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van
een gebruikersprofiel ........... 64
Identificatiemethode voor
een bestuurder instellen ...... 67
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem .............. 69
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm ................................. 72
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen
van de spraakbediening....... 74
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ...... 76
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen ........ 77
Bijwerken en controleren
van de software-informatie .. 80
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen
navigatiesysteem ................. 84
Wijzigen van de
kaartinstellingen................... 85
Route-instellingen .................. 88
Instellingen begeleiding ......... 91
Instellingen
verkeersinformatie ............... 93
Overige instellingen ............... 94
2-9. Geluids- en media-
instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen................ 97
Overschakelen naar een
andere schermmodus ........ 100
Instellen van de
beeldkwaliteit ..................... 101
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron102
2-10. Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen......................... 103
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten
instellen.............................. 105
55
2
Instellingen en registratie
Basisinstelling multimediasysteem
Registreren van een gebruikersprofiel
Registreer een gebruikersprofiel voor de hoofdgebruiker als de
basisinstelling voor het multimediasysteem.
Door een gebruikersprofiel te registreren, kunnen rijposities, multimedia-
instellingen en diverse andere instellingen worden opgeslagen als een
profiel voor elke bestuurder. Wanneer meerdere bestuurders, zoals uw
vrienden en familie, met uw auto rijden, kunt u met de auto rijden zonder de
instellingen van andere bestuurders te hoeven wijzigen.
U kunt met de auto in de gastmodus rijden indien u geen gebruikersprofiel
wilt gebruiken.
Gebruikersprofielen
Rijposities, multimedia-instellingen en andere voertuiginstellingen kunnen
voor elke bestuurder worden opgeslagen en de desbetreffende bestuurder
kan ze tijdens het rijden laden.
Er kunnen maximaal drie gebruikersprofielen worden geregistreerd.
De volgende instellingsgegevens kunnen in een profiel worden
opgeslagen:
Bepaalde multimedia-instellingen : Volume en toonregeling,
navigatiesysteem, audiosysteem, enz.
Bepaalde voertuiginstellingen : Rijpositie, tellers, enz.
Wanneer voertuiginstellingen worden gewijzigd, worden ze automatisch
opgeslagen in het huidige profiel.
Zoekgeschiedenis, individuele instellingen en andere persoonlijke
informatie kunnen worden beschermd door een profiel aan te maken.
Door een apparaat te registreren om de bestuurder te identificeren, wordt
uw profiel automatisch geladen. U kunt een smartphone of een Smart
Key selecteren als het te registreren apparaat.
Koppelen aan een Lexus-account*1
U hebt een Lexus-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
Als uw Lexus-account wordt gekoppeld aan de Lexus-app, kan uw profiel
vanuit de cloud worden gedownload wanneer u in een auto rijdt met een
geldig Lexus Link Service-contract die is uitgerust met hetzelfde type
multimediasysteem.
Geregistreerde profielen kunnen worden bekeken en gewijzigd in de
Lexus-app.
De bestuurder die als eigenaar is geregistreerd, kan alle in de auto
geregistreerde bestuurders verwijderen. Bestuurders die geen eigenaar
van de auto zijn, kunnen het profiel van de eigenaar niet verwijderen.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
56
Hetzelfde profiel kan niet tegelijkertijd in een andere auto worden
gebruikt.
Als u de voertuiginstellingen wijzigt, wordt het profiel dat in de cloud
is opgeslagen automatisch bijgewerkt en verschijnt er een scherm
waarmee de bestuurder wordt geïnformeerd dat het profiel is bijgewerkt.
Geregistreerde profielen worden opgeslagen in de cloud, dus zelfs als
een profiel in de auto wordt verwijderd, wordt het niet uit de cloud
verwijderd.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 67)
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel
(type A)
U hebt een Lexus-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
1Nadat het contact AAN is gezet,
wordt het keuzescherm voor
de taal weergegeven. Kies de
gewenste taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het
registreren van de bestuurder. Nadat
het registreren van de bestuurder is
voltooid, keert de systeemtaal terug
naar de standaardtaal.
2Kies [Link] (koppel) om de
Lexus-app op uw smartphone
te gebruiken voor het
registreren van een profiel.
Als u de Lexus-app niet hebt
geïnstalleerd, kies dan [Get the
App] (download de app) en
download de app met behulp van
de QR-code op het scherm.
Als u geen profiel wilt registreren,
kies dan [Don't link now] (koppel nu niet). Als u [Do not show setup
again] (configuratie niet meer weergeven) kiest, wordt het scherm voor het
registreren van het profiel niet meer weergegeven.
3Open de Lexus-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
57
2
Instellingen en registratie
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
4Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
5Registreer een apparaat op
het instellingenscherm voor
de bestuurder. Door een
apparaat te registreren om
de bestuurder te identificeren,
wordt uw profiel automatisch
geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat
registreren in uw profiel,
bijvoorbeeld een smartphone of
een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
INFORMATIE
Als er nog geen gebruikersprofiel is geregistreerd, kan dit worden gedaan via het
instellingenscherm voor de bestuurder.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 67)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel
(type B)
1Na het starten van de auto wordt het keuzescherm voor de taal
weergegeven. Kies de gewenste taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het registreren van de bestuurder. Nadat het
registreren van de bestuurder is voltooid, keert de systeemtaal terug naar de
standaardtaal.
Dit scherm wordt in sommige landen of gebieden mogelijk niet weergegeven.
2Kies [Create] (aanmaken) om een gebruikersprofiel te registreren.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't create now] (nu niet
aanmaken). Als u [Do not show setup again] (configuratie niet meer
weergeven) kiest, wordt het scherm voor het registreren van het profiel niet
meer weergegeven.
3Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
58
4Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de
privacy van het gebruikersprofiel te
beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een
profiel te registreren zonder een
pincode in te stellen.
5Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
6Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
7Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een apparaat te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren in uw profiel, bijvoorbeeld een
Bluetooth®-apparaat of een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 67)
Automatisch laden van een gebruikersprofiel
Door ter identificatie van de bestuurder een smartphone, Smart Key of
ander apparaat bij u te hebben in de auto, kan het gebruikersprofiel
automatisch worden geladen.
De auto signaleert het in het profiel geregistreerde apparaat wanneer het
contact in stand ACC of AAN wordt gezet. Wanneer een geregistreerd
apparaat wordt gesignaleerd, wordt het profiel waaraan het apparaat is
toegewezen automatisch geladen.
Als het in het profiel geregistreerde apparaat niet wordt gesignaleerd,
wordt de auto gebruikt in de gastmodus.
Wanneer u [Settings] (instellingen) kiest, wordt het instellingenscherm
voor de bestuurder weergegeven. Hiermee kunt u de profielen wijzigen.
U kunt een smartphone, Smart Key of een ander apparaat selecteren als
het apparaat waarmee de bestuurder wordt geïdentificeerd.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
59
2
Instellingen en registratie
INFORMATIE
Als er meerdere in een profiel geregistreerde apparaten worden gesignaleerd,
wordt de bestuurder geïdentificeerd op basis van de informatie van het
eerst gesignaleerde apparaat. Als vervolgens een zeer vertrouwd apparaat
wordt gesignaleerd, wordt het detectieresultaat bijgewerkt en wordt het profiel
gewijzigd.
Van de in een gebruikersprofiel geregistreerde Bluetooth®-apparaten wordt
alleen het Bluetooth®-apparaat van de meest recente bestuurder gesignaleerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 67)
Wijzigen van het gebruikersprofiel
U kunt het profiel dat u wilt gebruiken selecteren in de lijst met
gebruikersprofielen die in de auto is geregistreerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer in "Saved
profiles" (opgeslagen
profielen) de gewenste
gebruikersprofielnaam.
3Voer de pincode of het wachtwoord in.
Als u [Profile lock by password] (profiel vergrendelen met wachtwoord) op
het instellingenscherm voor de bestuurder hebt ingeschakeld, moet u een
wachtwoord invoeren.
Voer het wachtwoord in dat in de Lexus-app is ingesteld toen het Lexus-
account werd aangemaakt.
Voer de pincode in die u hebt ingesteld toen u uw gebruikersprofiel hebt
aangemaakt.
Zodra het gebruikersprofiel is gewijzigd, wordt er een melding weergegeven
op het scherm.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
60
INFORMATIE
Als het systeem een apparaat signaleert dat is ingesteld op een ander
gebruikersprofiel, verschijnt er een pop-upbericht. Wanneer u [ ] kiest, kunt
u het gebruikersprofiel wijzigen.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
61
2
Instellingen en registratie
Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse instellingen
De diverse instellingen met betrekking tot het multimediasysteem kunnen
worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Current driver" (huidige bestuurder)
[ ] (naam gebruikersprofiel of
naam auto)
[ Guest] (gast)
Geeft de naam van het huidige
gebruikersprofiel weer. Door het
profiel te kiezen, kunt u
een gebruikersprofiel wijzigen of
registreren.(→ Blz. 64)
"My Settings "(mijn instellingen)
[Personal info] (persoonlijke
gegevens)
Registreer een apparaat om de
bestuurder te identificeren.(→ Blz.
67)
[Bluetooth & Devices] (Bluetooth en
apparaten)
Registreer of bewerk een Bluetooth®-
apparaat
(→ Blz. 105)
[General] (algemeen)
Wijzig de tijdsinstellingen, de
weergegeven taal en andere
algemene instellingen van het
multimediasysteem.(→ Blz. 69)
[Wi-Fi]
Configureer de Wi-Fi®-instellingen en
andere geavanceerde instellingen.
(→ Blz. 103)
[Display]Pas het contrast en de helderheid,
enz. van het scherm aan.(→ Blz. 72)
2-2. Diverse instellingen
62
Instelling Beschrijving
[Sound & Media] (geluid en media)
Wijzig het volume van de gesproken
aanwijzingen van het systeem en de
instellingen van de audiobron.(→ Blz.
97)
[Navigation] (navigatie)
Wijzig instellingen met betrekking
tot de kaartweergave en de
routebegeleiding.(→ Blz. 84)
[Voice & Search] (spraak en zoeken) Wijzig instellingen met betrekking tot
de spraakherkenning.(→ Blz. 74)
"Vehicle" (voertuig)
[Vehicle customise]*1 (voertuig
aanpassen)
Wijzig instellingen met betrekking tot
de uitrusting van de auto, zoals de
tellers en stuurwielschakelaars.
[Driving assist]*1 (ondersteunend
systeem)
Wijzig de functie-instellingen
met betrekking tot de Lexus
Parking Assist-sensor en andere
rijhulpfuncties.
[Dealer info]*2 (dealerinformatie) Registreer en wis dealerinformatie.
(→ Blz. 76)
[Info & Security] (info en veiligheid) Wijzig instellingen met betrekking tot
beveiliging en privacy.(→ Blz. 77)
[Software update] (software-update)
Controleer de software-informatie en
werk deze indien nodig bij.(→ Blz.
80)
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen sommige instellingen tijdens het rijden niet worden
bediend.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
2-2. Diverse instellingen
63
2
Instellingen en registratie
Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel
Het gebruikersprofiel kan worden geregistreerd of gewijzigd. Door een
gebruikersprofiel te registreren, kunnen rijposities, multimedia-instellingen
en diverse andere individuele voertuiginstellingen worden opgeslagen als
een profiel voor elke bestuurder.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Saved profiles"
(opgeslagen
profielen)
De in de auto geregistreerde gebruikersprofielen
worden in een lijst weergegeven. Er kan tussen
de gebruikersprofielen worden geschakeld door de
gewenste profielnaam aan te raken. Als [Profile lock
by password]*1 (profiel vergrendelen met behulp van
wachtwoord) is ingeschakeld in het instellingenscherm
voor de bestuurder, moet er een wachtwoord worden
ingevoerd.
Kies [Edit] (bewerken) om een geregistreerd
gebruikersprofiel te wissen.*1
[ ][Connect
your account]
(koppel uw
account)/[Create
profile] (profiel
creëren)
Hiermee kunt u een nieuw gebruikersprofiel registreren.
[Sign out to guest
mode] (afmelden
van gastmodus)
Hiermee kunt u overschakelen op het gastaccount.
Met behulp van het gastaccount kunnen persoonlijke
instellingen worden aangepast en worden ze niet
opgeslagen naar een ander gebruikersprofiel. Wanneer
u uw auto aan iemand anders overdraagt, kunt u door
*1 : Indien aanwezig
2-3. Instellingen bestuurder
64
Instelling Beschrijving
[Sign out to guest
mode] (afmelden
van gastmodus)
[Sign out to guest mode] (afmelden van gastmodus)
te kiezen de persoonlijke informatie van de verbonden
auto verbergen. Hiermee kunt u privégegevens,
zoals zoekgeschiedenis of persoonlijke instellingen,
beschermen.
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen deze instellingen tijdens het rijden niet worden bediend.
Creëren van een nieuw gebruikersprofiel (type A)
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Kies [Connect your account] (koppel uw account) om de Lexus-
app op uw smartphone te gebruiken voor het registreren van een
profiel.
Als u de Lexus-app niet hebt geïnstalleerd, kies dan [Get the App]
(download de app) en download de app met behulp van de QR-code op
het scherm.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't link now] (koppel nu
niet). Als u [Do not show setup again] (configuratie niet meer weergeven)
kiest, wordt het scherm voor het registreren van het profiel niet meer
weergegeven.
4Open de Lexus-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
5Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
6Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een apparaat te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren in uw profiel, bijvoorbeeld een
smartphone of een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
2-3. Instellingen bestuurder
65
2
Instellingen en registratie
Creëren van een nieuw gebruikersprofiel (type B)
1Kies [ ]in het hoofdmenu.
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Kies [ ][Create Profile] (profiel creëren).
4Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
5Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de privacy van het gebruikersprofiel te beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een profiel te registreren zonder een pincode in te
stellen.
6Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
7Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
8Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een apparaat te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren, bijvoorbeeld een smartphone of
een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 67)
2-3. Instellingen bestuurder
66
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen
Stel een apparaat in om een bestuurder te identificeren. Wanneer het
contact in stand ACC of AAN wordt gezet en een geregistreerd apparaat
wordt gesignaleerd, wordt het profiel waaraan het apparaat is toegewezen
automatisch geladen. U kunt een smartphone of een Smart Key selecteren
als het te registreren apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Type A
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel
wordt weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de
profielnaam te wijzigen.*1
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
[Link key]*2*3 (koppel sleutel)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van de Smart Key van
de auto en het bijbehorende profiel
wordt geladen.
"Bluetooth devices" (Bluetooth-
apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een smartphone
of een ander Bluetooth®-apparaat
en het bijbehorende profiel wordt
geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te
registreren.
(→ Blz. 123)
"Profile lock by password
" (vergrendeling profiel met
wachtwoord)
Hiermee kunt u een wachtwoord
instellen om het gebruikersprofiel
handmatig te wijzigen.
2-3. Instellingen bestuurder
67
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Reset settings] (instellingen
resetten)
De instellingen voor het
geselecteerde gebruikersprofiel
worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder
verwijderen)
De registratie voor het geselecteerde
gebruikersprofiel wordt verwijderd.
Door het gebruikersprofiel van
degene die is geregistreerd
als eigenaar te wissen worden
alle in de auto geregistreerde
gebruikersprofielen gewist.
Type B
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel
wordt weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de
profielnaam te wijzigen.*1
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
"PIN"
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een pincode en het
bijbehorende profiel wordt geladen.
Kies [Set new PIN] (nieuwe pincode
instellen) om te registreren.
[Link key]*2*3 (koppel sleutel)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van de Smart Key van
de auto en het bijbehorende profiel
wordt geladen.
"Bluetooth devices" (Bluetooth-
apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een smartphone
of een ander Bluetooth®-apparaat
en het bijbehorende profiel wordt
geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te
registreren.
(→ Blz. 123)
[Reset settings] (instellingen
resetten)
De instellingen voor het
geselecteerde gebruikersprofiel
worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder
verwijderen)
Het geselecteerde gebruikersprofiel
wordt uit het systeem verwijderd.
2-3. Instellingen bestuurder
68
Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene instellingen van het
multimediasysteem
De tijdsinstellingen, de weergegeven taal en andere algemene instellingen
van het multimediasysteem kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [General ] (algemeen) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Accessibility] (toegankelijkheid)
Instelling Beschrijving
[Reduce animation] (animatie
verminderen)
Verklein de animaties die worden
weergegeven bij het wisselen van
scherm.
[Screen beep] (schermpieptoon)
Schakel het geluid dat wordt
gemaakt wanneer u het scherm
aanraakt in of uit.
[Screen sensitivity]
(schermgevoeligheid)
Pas de aanraakgevoeligheid van het
scherm aan.
[Date & time] (datum en tijd)
Instelling Beschrijving
[Set automatically]*1 (automatisch
instellen)
Gebruik GPS-informatie en
kaartgegevens om automatisch de
tijd in te stellen. Wanneer u deze
instelling uitschakelt, kunt u de tijd
en tijdzone handmatig instellen.
"Time" (tijd)
[24-hour time] (24-uursnotatie) Wijzig tussen 24-uurs- en 12-
uursweergave.
*1 : Indien aanwezig
*2 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
*3 : Kan niet worden gebruikt bij wagenparkvoertuigen zoals huurauto's.
2-4. Algemene instellingen
69
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Time zone] (tijdzone)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de tijdzone
instellen.
[Daylight savings] (zomertijd)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de zomertijd
instellen op [Auto] *1 (automatisch),
[On] (aan) of [Off] (uit).
[Set time automatically] (tijd
automatisch instellen)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u bepalen of u
de tijd automatisch wilt instellen met
behulp van GPS. Wanneer u deze
instelling uitschakelt, kunt u de tijd
handmatig instellen.
[Set time manually] (tijd handmatig
instellen)
Wanneer [Set time automatically]
(tijd automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de tijd
handmatig instellen.
"Date" (datum)
[Format] (formaat)
Hiermee kunt u het
weergaveformaat van de datum
wijzigen. (MM/DD/JJJJ, DD/MM/
JJJJ, JJJJ/MM/DD, enz.)
[Keyboard] (toetsenbord)
Instelling Beschrijving
"History" (geschiedenis)
[Memorise keyboard] (sla
toetsenbord op)
Hiermee stelt u het systeem in staat
om het toetsenbord invoerresultaten
te leren.
[Delete keyboard history] (wis
toetsenbordhistorie)
Hiermee kunt u de
tekstleergeschiedenis van het
toetsenbord wissen.
[Delete search history] (wis
zoekgeschiedenis)
Hiermee kunt u de
zoekgeschiedenis van het
toetsenbord wissen.
[Language & Units] (taal en eenheden)
2-4. Algemene instellingen
70
Instelling Beschrijving
[Language]*2 (taal)
Hiermee kunt u de taal wijzigen.
Zowel de taal die op het scherm
wordt weergegeven als die van
de gesproken aanwijzingen van het
systeem wordt gewijzigd.
[System language]*2 (systeemtaal) Wijzig de taal die op het scherm
wordt weergegeven.
[Voice language]*2 (taal gesproken
aanwijzingen)
Wijzig de taal van de gesproken
aanwijzingen van het systeem.
"Measurements" (maten)
[Set automatically] (automatisch
instellen)
Stelt automatisch de weergave-
eenheden in voor afstand,
brandstofverbruik, bandenspanning,
enz., op basis van de landinformatie.
[Trip info. unit] (eenheid
ritinformatie)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de weergave-
eenheid voor brandstofverbruik
handmatig instellen.
[Tyre pressure] (bandenspanning)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de weergave-
eenheid voor bandenspanning
handmatig instellen.
INFORMATIE
Zelfs als u de taalinstellingen wijzigt, worden niet alle weergegeven
inhoud en stembegeleiding in de geselecteerde taal gewijzigd. Bovendien
werken sommige gesproken aanwijzingen niet meer nadat u de taal hebt
gewijzigd.
Stel de taal van Apple CarPlay/Android Auto in met behulp van het
aangesloten apparaat.
*1 : Met navigatiefunctie
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-4. Algemene instellingen
71
2
Instellingen en registratie
Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm
U kunt het contrast en de helderheid van het scherm afstellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Display] in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Screen] (scherm)
Instelling Beschrijving
[Display]
Stel in of het scherm wel of niet
moet worden weergegeven. Als het
scherm wordt uitgeschakeld, wordt
er niets op het scherm weergegeven
en is er alleen geluid te horen.
Om het scherm opnieuw weer te
geven raakt u het scherm aan en
kiest u de toets in het midden van
het scherm.
"Mode" (modus)
[Automatic]*1 (automatisch)
Het scherm kan automatisch worden
gewisseld tussen de dag- en de
nachtmodus wanneer de koplampen
branden of doven.
[Daytime (light)] (overdag (licht))
Wanneer [Automatic] (automatisch)
is uitgeschakeld, kan het scherm
handmatig worden gewijzigd naar de
dagmodus.
[Nigh-ttime (dark)] ('s nachts
(donker))
Wanneer [Automatic] (automatisch)
is uitgeschakeld, kan het scherm
handmatig worden gewijzigd naar de
nachtmodus.
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm
in.
2-5. Scherminstellingen
72
Instelling Beschrijving
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van
het scherm in.
[Camera]
Instelling Beschrijving
"Camera screen" (camerascherm)
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm
in.
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van
het scherm in.
INFORMATIE
Zie "Instellen van de beeldkwaliteit"(→ Blz. 101) voor meer informatie over
het instellen van de beeldkwaliteit.
Zelfs als het scherm is uitgeschakeld, blijft de GPS de actuele locatie van
de auto volgen.
Scherm
Als het scherm is uitgeschakeld en het scherm wordt aangeraakt, kan
de airconditioning worden bediend.
Wanneer de toetsen van de airconditioning of de middelste toets op het
scherm worden weergegeven en ze gedurende een bepaalde tijd niet
worden bediend, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
Als een pop-upscherm wordt weergegeven, bijvoorbeeld wanneer de
spraaktoets wordt ingedrukt, of de selectiehendel in stand R is gezet en
het beeld van de camera achter wordt weergegeven, wordt het scherm
weer uitgeschakeld wanneer het wordt gesloten.
Als het scherm ergens anders dan op de middelste toets wordt
aangeraakt, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld en het scherm wordt aangeraakt, wordt
de ontgrendeltoets weergegeven. Als de toets gedurende 3 seconden
niet wordt bediend, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
*1 : Afhankelijk van de situatie, zoals wanneer de auto stilstaat, wordt het scherm
mogelijk niet automatisch gewisseld tussen de dag- en de nachtmodus.
2-5. Scherminstellingen
73
2
Instellingen en registratie
Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening*1
De instellingen met betrekking tot de spraakherkenning kunnen worden
gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Voice Search] in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Voice recognition" (spraakherkenning)
[Wake word] (wekwoord)
Wijzigen van het wekwoord waarmee
de spraakbediening wordt gestart.
(→ Blz. 74)
[Set custom wake word] (persoonlijk
wekwoord instellen)
Instellen van het gewenste wekwoord
waarmee de spraakbediening wordt
gestart.
[Mic button] (microfoontoets) Tonen of verbergen van [ ].
"Voice feedback" (spraakfeedback)
[Voice prompt] (spraakcommando) In-/uitschakelen van de
spraakcommando's.
"Suggestion" (suggestie)
[Voice support]
(spraakondersteuning)
U kunt verbaal reageren op
binnenkomende oproepen en andere
meldingen.
Wijzigen van het wekwoord waarmee het
spraakcommandosysteem wordt gestart
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Voice & Search] (spraak en zoeken) in het submenu.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-6. Instellingen spraakbediening
74
3Kies [Wake word] (wekwoord).
4Kies het gewenste wekwoord in
de lijst.
INFORMATIE
U kunt ook zelf een woord opgegeven. Kies [Set custom wake word]
(aangepast wekwoord instellen) en voer het gewenste woord in via het
toetsenbord.
Als het aangepaste wekwoord te kort is, zal het spraakcommandosysteem
het mogelijk niet herkennen. Gebruik een wekwoord met ten minste 3
lettergrepen.
2-6. Instellingen spraakbediening
75
2
Instellingen en registratie
Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen*1
U kunt dealerinformatie registreren en wissen. Door de gegevens te
registreren van de dealer waar u uw auto laat onderhouden, kunt u vanuit
het instellingenscherm contact opnemen met de dealer wanneer u een
onderhoudsbeurt wilt inplannen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Dealer info] (dealerinformatie) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Add dealer] (dealer toevoegen) Registreer de gewenste dealer.
[Dealer name] (dealernaam) Wijzig de dealernaam.
[Contact name] (naam contact) Registreer of wijzig de naam van de
contactpersoon bij de dealer.
[Phone number] (telefoonnummer) Registreer of wijzig het telefoonnummer
van de dealer.
[Delete dealer] (dealer wissen) Wis de dealerinformatie.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
76
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen
Instellingen met betrekking tot beveiliging en privacy kunnen worden
gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Vehicle name] (voertuignaam)
Toont de naam van het systeem
(voertuignaam).
Dit is de naam die wordt
weergegeven bij het zoeken naar
Bluetooth®-apparaten vanaf een
ander apparaat. U kunt de naam
wijzigen door erop te drukken.
"Privacy"
[Share geolocation with Toyota]
(deel geolocatie met Toyota)
Bepaalt of locatiegegevens mogen
worden verstuurd bij het gebruik
van de communicatiediensten. Als
deze instelling uit staat, zijn sommige
diensten die gebruikmaken van
locatiegegevens uitgeschakeld.
[Security lock]
(veiligheidsvergrendeling)
Schakelt beveiliging met een
wachtwoord in om persoonlijke
informatie te beschermen. Als
deze instelling aan staat, moet er
een wachtwoord worden ingevoerd
wanneer de 12V-accu wordt
vervangen of het multimediasysteem
uit de auto wordt verwijderd.
[Reset security lock
password] (reset wachtwoord
veiligheidsvergrendeling)
Reset het wachtwoord van de
veiligheidsvergrendeling.
2-7. Voertuiginstellingen
77
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Remote security]*1 (beveiliging op
afstand)
Toont de status van de beveiliging op
afstand.
[System reset] (systeem resetten)
Reset alle systeemgegevens en
zet de instellingen terug op de
fabrieksstandaard.
INFORMATIE
Mogelijk wordt de verbinding verbroken na het resetten van het systeem.
Start in dat geval het systeem opnieuw op.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in
het multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de
fabrieksstandaard. Het is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie
voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Systeem herstarten (Blz. 17)
Instellen van de veiligheidsvergrendeling
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Kies [Security lock] (veiligheidsvergrendeling).
4Kies [OK].
5Stel een wachtwoord in dat tussen de 4 en 15 alfanumerieke
karakters bevat.
6Voer uw wachtwoord nogmaals in.
Er verschijnt een melding en de veiligheidsvergrendeling wordt ingeschakeld.
INFORMATIE
Nadat een wachtwoord is ingesteld en het systeem wordt gereset nadat de
12V-accu is vervangen of het multimediasysteem uit de auto is verwijderd,
moet er een wachtwoord worden ingevoerd om het multimediasysteem te
bedienen. Voer het door u ingestelde wachtwoord in.
Als het wachtwoord een bepaald aantal keren onjuist is ingevoerd, wordt
er geen toegang meer verleend om een wachtwoord in te voeren. Als dat
gebeurt, vraag dan uw dealer om het systeem te ontgrendelen.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
78
Gebruik bij het instellen van een wachtwoord voor de veiligheid niet
herhaaldelijk hetzelfde wachtwoord of een woord dat in het woordenboek
staat.
2-7. Voertuiginstellingen
79
2
Instellingen en registratie
Bijwerken en controleren van de software-informatie
Controleer de software-informatie en werk deze indien nodig bij. De
software wordt bijgewerkt met als doel het verbeteren van de functies en
bediening van het multimediasysteem, voor een soepeler gebruik.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Software update" (software-update)
[Updates
available]
(updates
beschikbaar)
Kies [View ] (bekijken) om informatie over software-
updates te bekijken. Nadat u hebt gecontroleerd of er een
update beschikbaar is en u de inhoud van de update hebt
bekeken, kan de software-update worden gedownload en
geïnstalleerd.
Als er geen update beschikbaar is, wordt [No updates
available] (geen updates beschikb.) weergegeven.
[Model info]
(modelinformatie) Controleer de huidige software-versie, enz.
[Update
software]
(software
bijwerken)
De software wordt bijgewerkt.
Dit wordt niet weergegeven als er geen updates
beschikbaar zijn.
[Output info to
USB memory]
(gegevens
exporteren naar
USB-geheugen)
De functie voor dit item is niet beschikbaar voor deze
auto.
[History]
(geschiedenis)
Controleer de update-geschiedenis van de software.
Deze instelling wordt niet weergegeven als er geen
update-geschiedenis is.
2-7. Voertuiginstellingen
80
Instelling Beschrijving
[License
information]
(licentie-
informatie)
Controleer de softwarelicentie-informatie.
Bijwerken van de software
Gebruik een van de volgende methoden om de software bij te werken:
Werk de software bij met behulp van de datacommunicatiemodule
(DCM)*1
Werk de software bij met behulp van Wi-Fi®
INFORMATIE
Kaartgegevens kunnen niet worden bijgewerkt met behulp van deze service.
Sommige handelingen kunnen niet worden uitgevoerd tijdens het bijwerken van
de software.
Neem bij eventuele vragen contact op met een erkende Lexus-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
OPMERKING
Het bijwerken van de software geschiedt op eigen risico.
Als de software eenmaal is bijgewerkt, kan dit niet worden hersteld naar de
vorige versie.
De software-update kan alleen op dit systeem worden gebruikt. Hij kan niet op
een ander apparaat worden gebruikt.
Afhankelijk van de inhoud van de software-update, worden sommige
instellingen mogelijk gereset. Als dat gebeurt, configureer de desbetreffende
instellingen dan opnieuw nadat de software is bijgewerkt.
Hoewel tijdens de software-update de basisfuncties gebruikt kunnen worden, is
de bediening mogelijk traag. Bedien het systeem indien mogelijk niet.
Nadat de software is bijgewerkt, ontvangt de distributieserver van Toyota
Motor Corporation automatisch een melding dat de update is voltooid.
Toyota Motor Corporation gebruikt de ontvangen informatie uitsluitend voor
software-updates. Afhankelijk van uw abonnement kunnen er ook kosten voor
communicatie in rekening worden gebracht.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
81
2
Instellingen en registratie
Bijwerken van de software met behulp van de DCM*2 of Wi-Fi®
Dit systeem controleert regelmatig de distributieserver op software-
updates.
1. Kies [ ] bij de software-updatemelding.
2. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van
de update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is
gedownload, begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15
minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet
tijdens het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de
auto wordt gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op
het scherm.
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een
melding. Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw
gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
Handmatig bijwerken van de software
1. Kies [ ] in het hoofdmenu.
2. Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3. Kies [View] (bekijken) bij "Updates available" (updates beschikbaar).
4. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van
de update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is
gedownload, begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15
minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet
tijdens het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de
auto wordt gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op
het scherm.
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
82
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een
melding. Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw
gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
INFORMATIE
Als er essentiële updates beschikbaar zijn op de distributieserver, wordt er een
melding weergegeven. Kies [OK] om de updates te downloaden.
Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan om Wi-Fi® te gebruiken
om de software te updaten:
Het systeem moet verbonden zijn met een Wi-Fi®-toegangspunt (bijv. thuis
of op het werk)
De auto moet zich op een locatie bevinden waar hij toegang heeft tot Wi-Fi®
De communicatie-instellingen moeten zijn ingesteld op [Wi-Fi®]
2-7. Voertuiginstellingen
83
2
Instellingen en registratie
Navigatie-instellingen
Instellingen navigatiesysteem
Via de instellingen van het navigatiesysteem kunnen verschillende
eigenschappen worden aangepast, zoals de kleur van de kaart en de
tekstgrootte.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies de gewenste optie.
Kaartinstellingen
Route-instellingen
Instellingen begeleiding
Instellingen kaartupdates
Instellingen verkeersinformatie
Overige instellingen
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 85)
Route-instellingen (Blz. 88)
Instellingen begeleiding (Blz. 91)
Databaseversie kaart en dekkingsgebied (Blz. 179)
Instellingen verkeersinformatie (Blz. 93)
Overige instellingen (Blz. 94)
2-8. Navigatie-instellingen
84
Wijzigen van de kaartinstellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Country border guidance]
(landgrensbegeleiding)
Hiermee kunt u de
landgrensbegeleiding in- of
uitschakelen.
Als deze is ingeschakeld, worden er
bij het passeren van een landgrens
gesproken aanwijzingen gegeven.
Daarnaast wordt er informatie
weergegeven over de
maximumsnelheden en andere
verkeersregels in het desbetreffende
land.*1
[Map style customisation]
(aanpassing kaartstijl).
Hiermee kunt u de instellingen van de
kaartstijl wijzigen.
"Traffic information" (verkeersinformatie)
[Show road class] (toon wegklasse)
Hiermee kunt u het weergavebereik
van de verkeersinformatie instellen.
Kies het gewenste type weg en
vervolgens [OK].
[Show traffic jam flows] (toon
filedoorstroming)
Hiermee kunt u de weergave van
actuele informatie over files en
vertragingen in- of uitschakelen.
[Show free traffic flows] (toon
filevrije gebieden)
Hiermee kunt u de weergave
van actuele informatie over wegen
met doorstromend verkeer in- of
uitschakelen.
2-8. Navigatie-instellingen
85
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[Traffic incident warning]
(waarschuwing verkeersincidenten)
Hiermee kunt u waarschuwingen
over verkeersincidenten in- of
uitschakelen.
[Show POI icons settings] (toon
POI-iconen)
Hiermee kunt u de weergave
van POI-iconen (nuttige adressen)
wijzigen.
[3D view settings] (instellingen 3D-
weergave)
Hiermee kunt u de weergavehoek van
de 3D-kaart wijzigen.
[On street parking suggestion]
(informatie parkeren op straat)
Hiermee kunt u informatie over
parkeren op straat in- of uitschakelen.
[Map language] (taal van de kaart)
Hiermee kunt u de taal van de kaart
wijzigen.
Kies [Region] (land) of [System
Language] (systeemtaal) en
vervolgens [OK].
Verwante onderwerpen
Instellen van weergavehoek (Blz. 86)
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave (Blz. 86)
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave
De kleur van de kaart en de grootte van de tekst kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map style customisation] (aanpassing kaartstijl).
4Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de grootte van de
tekst wijzigen.
BHiermee kunt u de kleur van de
kaart wijzigen.
5Kies [OK].
Instellen van weergavehoek
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
*1 : Alleen 14 inch display
2-8. Navigatie-instellingen
86
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [3D view setting] (instelling 3D-weergave).
4Kies [ ] (hoek vergroten) of [ ] (hoek verkleinen).
5Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
87
2
Instellingen en registratie
Route-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Area to avoid] (te vermijden gebied) Hiermee kunt u een te vermijden
gebied registreren of bewerken.
[Avoid traffic]*1 (vermijd druk
verkeer)
Hiermee kunt u de instelling voor het
vermijden van files wijzigen.
Kies [Auto], [manual] (handmatig) of
[off] (uit), en bevestig uw keuze met
[OK].
[Petrol stations suggestion]
(suggestie benzinestation)
Hiermee schakelt u de automatische
weergave van de lijst met
benzinestations in of uit.
Verwante onderwerpen
Instellingen te vermijden gebieden (Blz. 88)
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten (Blz. 162)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 166)
Instellingen te vermijden gebieden
Als van een gebied bekend is dat er wegwerkzaamheden of
wegafsluitingen zijn of dat er vaak files staan, kan het geregistreerd worden
als een te vermijden gebied en wordt er gezocht naar routes waarbij dit
gebied vermeden wordt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
*1 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
2-8. Navigatie-instellingen
88
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst
met geregistreerde te vermijden
gebieden weergeven. Hiermee
kunt u het gekozen te vermijden
gebied bewerken.
BHiermee kunt u het
geregistreerde te vermijden
gebied verwijderen.
CHiermee kunt u een te vermijden
gebied registreren.
Vastleggen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Add] (toevoegen).
6Scrol over de kaart om een te vermijden gebied te zoeken.
7Kies [OK].
Het te vermijden gebied wordt weergegeven als een geel vierkant.
8Kies [ ] (vergroten) of [ ] (verkleinen) om de grootte van het
te vermijden gebied in te stellen en kies vervolgens [OK].
9Kies [OK] nadat u de gewenste items hebt gewijzigd op het
scherm voor het bewerken.
Wijzigen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies het te vermijden gebied dat u wilt wijzigen.
2-8. Navigatie-instellingen
89
2
Instellingen en registratie
6Kies de instelling die u wilt
wijzigen.
AHiermee kunt u de naam van het
te vermijden gebied wijzigen.
BHiermee kunt u het te vermijden
gebied en de grootte daarvan
wijzigen.
7Kies [OK].
Wissen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van het te vermijden gebied dat u wilt verwijderen.
[Delete all] (alles verwijderen): Verwijdert alle te vermijden gebieden.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van te vermijden gebieden.
7Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
90
Instellingen begeleiding
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Guidance] (begeleiding).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Intersection map] (kruispuntkaart) Hiermee kunt u de vergrote weergave
van het kruispunt in-/uitschakelen.
[Automatic zoom] (automatisch
zoomen)
Hiermee kunt u automatisch zoomen
in-/uitschakelen.
[Speed limit]*1 (snelheidslimiet) Hiermee kunt u informatie over de
maximumsnelheid aan-/uitzetten.
[Speed camera]*1*2 (flitscamera)
Hiermee kunt u de weergave van
iconen voor flitscamera's wijzigen.
Kies, na het kiezen van [On] (aan),
[On & Audible] (aan en hoorbaar) of
[Off] (uit), [OK].
[Guidance with street names] (hulp
met straatnamen)
Hiermee kunt u de
straatnaambegeleiding aan-/uitzetten.
[Weather warning]*2
(weerwaarschuwing)
Hiermee kunt u de
weerwaarschuwing aan-/uitzetten.
[Traffic jam warning guidance]
(begeleiding filewaarschuwing)
Hiermee kan de stembegeleiding voor
files worden in-/uitgeschakeld.
[Landmark voice guidance]*1
(herkenningspuntbegeleiding)
Hiermee kunt u de stembegeleiding
voor herkenningspunten in-/
uitschakelen.
2-8. Navigatie-instellingen
91
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[Guide language] (taal begeleiding)
Hiermee kunt u de taal voor de
stembegeleiding wijzigen.
Kies [OK] nadat u de gewenste
taal hebt gekozen.
Hoewel de taal voor de
algemene stembegeleiding kan
worden gewijzigd, kan de stem
voor locatiespecifieke namen niet
worden gewijzigd.
[Local driving rules/restrictions]
(lokale rijvoorschriften/-beperkingen)
Als er op een route rijbeperkingen
(uitlaatbeperkingen of trajecten waar
een milieusticker vereist is) gelden,
kan op het kaartscherm met de
volledige route of het pop-updisplay
met nationaliteitsaanduiding meer
informatie hierover worden bekeken.
Kies [Driving Rules] (rijvoorschriften)
op het kaartscherm met de volledige
route om ze weer te geven.
Informatie over beperkingen kan
worden bekeken door [ ] of [ ]
te kiezen op het pop-updisplay.
Verwante onderwerpen
Rijstrookweergaveschermen (Blz. 175)
Flitscamera's (Blz. 154)
*1 : Alleen 14 inch display
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
2-8. Navigatie-instellingen
92
Instellingen verkeersinformatie
Verkeersinformatie, zoals waarschuwingen voor files of
verkeersongevallen, kunnen worden weergegeven.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Traffic] (verkeer).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[TMC settings] (TMC-instellingen)
[Auto] (automatisch)
Hiermee kunt u de instellingen van
de ontvangst van verkeersinformatie
wijzigen.
[Receiving status] (ontvangststatus)
[Frequency] (frequentie)
Hiermee kunt u de frequentie
wijzigen. (Als de instelling voor
automatische ontvangst van TMC is
uitgeschakeld)
[Station name] (zendernaam) Geeft de zendernaam weer.
[Emergency events] (noodsituaties)
Hiermee kunt u de lijst met
noodsituaties weergeven. Hiermee
kunt u extra informatie weergeven.
2-8. Navigatie-instellingen
93
2
Instellingen en registratie
Overige instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Delete recent destinations]
(verwijder recente bestemmingen)
Hiermee kunt u de
bestemmingengeschiedenis wissen.
Nadat u de bestemmingen die u wilt
wissen hebt gekozen, kiest u [OK].
Kies [Delete all] (alles verwijderen)
om alles te wissen en kies vervolgens
[OK].
[Favorites] (favorieten) Hiermee kunt u favorieten bewerken.
[Position/Direction] (positie/richting) Hiermee kunt u de locatie van uw
auto corrigeren.
[Copyright]Hiermee kunt u het copyright
weergeven.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 94)
IJking positie/richting (Blz. 96)
Instellingen favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
2-8. Navigatie-instellingen
94
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst
met geregistreerde favorieten
weergeven. Hiermee kunt u de
favoriet bewerken.
BHiermee kunt u de favoriet
verwijderen.
Favorieten registreren
Kies, om een punt als favoriet te registreren als het informatiescherm voor
dat punt wordt weergegeven, [ ] om het punt te registreren.
Verwante onderwerpen
Informatie weergeven voor een punt (Blz. 150)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 166)
Wijzigen van lijst met favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies de favoriet die u wilt wijzigen.
6Kies de gewenste optie.
AWijzig de naam van de favoriet.
BWijzig het telefoonnummer.
CHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “thuis”.
DHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “snelle toegang”.
EWijzig het icoon dat u op de kaart
wilt weergeven.
7Kies [OK].
INFORMATIE
Plaatsen die zijn opgeslagen voor “snelle toegang”, worden bovenaan de lijst
weergegeven tijdens het instellen van een bestemming.
Favorieten verwijderen
2-8. Navigatie-instellingen
95
2
Instellingen en registratie
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van de favoriet die u wilt verwijderen.
[Delete all] (alles verwijderen): Verwijdert alle favorieten.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van favorieten.
7Kies [OK].
IJking positie/richting
Tijdens het rijden wordt de actuele locatie automatisch gecorrigeerd als uw
auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Als het
systeem door slechte ontvangst geen signalen van het GPS ontvangt, kan
de actuele locatie ook handmatig worden gecorrigeerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Position / Direction] (positie/richting).
5Schuif de kaart naar het gewenste punt en kies [OK].
6Kies een pijl om de richting van de cursor voor de actuele locatie
te wijzigen en kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
96
Geluids- en media-instellingen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sound & Media] (geluid en media) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Sound (geluid)] > [Levels (niveaus)]
Instelling Inhoud
[Automatic sound leveliser]
(automatische volumeregeling)
Past het audiovolume automatisch
aan de rijsnelheid aan.
[Sound (geluid)] > [Voice (spraak)]
Instelling Inhoud
[System volume]
(systeemvolume)
Aanpassen van het geluidsvolume van
het systeem.
[Navigation volume]
(navigatievolume)
Aanpassen van het volume van
de stembegeleiding van het
navigatiesysteem.
[Navigation during calls]
(navigatie tijdens oproepen)
In- of uitschakelen om
de stembegeleiding van het
navigatiesysteem tijdens een
telefoongesprek te onderbreken.
[Adaptive volume control]
(adaptieve volumeregeling)
Verhoogt automatisch het volume van
de stembegeleiding wanneer u op een
autoweg rijdt.
[Driving assist volume]
(volume ondersteunend
systeem)
Aanpassen van het volume van het
ondersteunende systeem.
[Auto reading] (automatisch
voorlezen) Schakel automatisch voorlezen in of uit.
[Sound (geluid)] > [Acoustic setting (geluidsinstelling)]
2-9. Geluids- en media-instellingen
97
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[Surround sound] Instellen op een meeslepende geluidskwaliteit.
[Media] > [General (algemeen)]
Instelling Inhoud
[Display cover art] (albumhoes
weergeven)
Geeft de albumhoes weer, bijvoorbeeld
voor muziekalbums.
[FM] > [FM]
Instelling Inhoud
[Station list] (zenderlijst) Herschikt de zenderlijst.
[Enable FM radio]*1 (FM-radio
inschakelen)
Verbergt de toets [FM] op het
keuzescherm voor de audiobron.
[FM traffic announcement]
(FM-verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender
wanneer verkeersinformatie begint op
een FM-zender.
[FM alternative frequency] (FM
alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve
frequentie met betere ontvangst
wanneer het signaal van een FM-zender
zwakker wordt.
[Regional code change]
(wijzigen van regiocode)
Schakelt over naar een plaatselijke
zender op hetzelfde programmanetwerk.
[FM radio text] (FM-radiotekst) Geeft radiotekst weer van de FM-
radiozender.
[Internet radio]*1 (internetradio)
Instelling Inhoud
[Enable internet
radio] (internetradio
inschakelen)
Wanneer de ontvangst van de radiogolven
verslechtert, schakelt het systeem over op
internetradio.
[Changing to IP
stream] (wijzigen naar
internetstream)
Instellingen kunnen worden gewijzigd voor
wanneer er wordt overgeschakeld naar
internetradio.
Wanneer [Auto] (automatisch) wordt ingesteld,
wordt er automatisch overgeschakeld.
Wanneer [By request] (op verzoek) wordt
ingesteld, wordt er een melding van een
overschakelverzoek gegeven.
*1 : Indien aanwezig
2-9. Geluids- en media-instellingen
98
Instelling Inhoud
[Enhanced
metadata/art work]
(verbeterde metadata/
albumhoes)
Maakt gebruik van de Gracenote-technologie voor
radioherkenning.
Geeft de logo's van de favorieten en de
zenderlijst weer.
Wijzigt de categorienamen van de zenderlijst.
Werkt automatisch de zenderlijst bij.
[DAB]*1
Instelling Inhoud
[Traffic announcement]
(verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender wanneer
verkeersinformatie begint op een DAB-
zender.
[Alternative frequency]
(alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve
frequentie met betere ontvangst wanneer
het signaal van een DAB-zender zwakker
wordt.
[Radio text] (RDS-tekst) Geeft radiotekst weer van de DAB-zender.
INFORMATIE
Door de knop [ VOL] te draaien tijdens de stembegeleiding, wordt het
volume van de stembegeleiding afgesteld.
2-9. Geluids- en media-instellingen
99
2
Instellingen en registratie
Overschakelen naar een andere schermmodus
Schakelen tussen normaal beeld en breedbeeld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvoor u de schermmodus wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Screen format] (schermformaat).
7Selecteer de gewenste modus.
[Normal] (normaal) : Geeft de video weer in een hoogte-
breedteverhouding van 4:3.
[Stretched] (uitgetrokken) : Vergroot de weergave van de video zodat
deze op het scherm past.
[Zoomed] (ingezoomd) : Vergroot de weergave van de video
gelijkmatig in verticale en horizontale richting.
INFORMATIE
De instelbare modus varieert afhankelijk van de videomodus.
Er is geen probleem wanneer video wordt bekeken voor persoonlijk
gebruik van klanten. Het comprimeren of uitrekken van het scherm voor
commerciële doeleinden of openbare weergave kan echter inbreuk maken
op de rechten van de houder van het auteursrecht die worden beschermd
door de auteursrechtwetgeving.
Er worden mogelijk zwart balken toegevoegd om het
videoweergavegebied te begrenzen om te voorkomen dat de video er
vreemd uitziet.
2-9. Geluids- en media-instellingen
100
Instellen van de beeldkwaliteit
Stel het contrast en de helderheid van de video af.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvan u de beeldkwaliteit wilt instellen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Display].
7Stel alles in.
"Brightness" (helderheid) : Hiermee stelt u de helderheid in.
"Contrast" : Hiermee stelt u het contrast in.
2-9. Geluids- en media-instellingen
101
2
Instellingen en registratie
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron
Wijzigt de instelling voor de geluidskwaliteit en balans van elke bron.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de geluidsbron waarvoor u de instellingen wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Sound] (geluid).*1
6Stel alles in.
"Treble" (hoge tonen) : Wijzigt het geluidsniveau van de hoge tonen.
"Mid" (gemiddeld) : Wijzigt het geluidsniveau van de middentonen.
"Bass" (lage tonen) : Wijzigt het geluidsniveau van de lage tonen.
Geluidsverdeling : Stel de geluidsverdeling tussen voor en achter en
tussen links en rechts in door [ ] te verplaatsen.
Kies [Recentre] (opnieuw centreren) om de verdeling terug te zetten
in het midden.
INFORMATIE
De hoge tonen, de middentonen en de lage tonen kunnen voor elke bron
afzonderlijk worden ingesteld.
*1 : Indien aanwezig
2-9. Geluids- en media-instellingen
102
Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen
Wijzig de Wi-Fi®-instellingen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi].
3Stel alles in.
"Wi-Fi-instellingen"
Instelling Inhoud
[Wi-Fi]Schakelt Wi-Fi® in of uit.
Afhankelijk van de instellingen van het multimediasysteem kan er een
melding worden weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen, worden beschikbare netwerken in de buurt
weergegeven.
Na het uitschakelen van [Wi-Fi] wordt de Wi-Fi®-verbinding verbroken.
"Available networks" ("Available networks" (beschikbare netwerken) worden
alleen weergegeven als [Wi-Fi] is ingeschakeld.)
Instelling Inhoud
Naam van het netwerk (netwerk-
SSID)
Selecteer om met het netwerk te
verbinden.
Netwerkinformatie[ ]Geeft de netwerkinformatie weer.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere
MAC-adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt
elke zes seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het
niet mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik bij
voorkeur voor elk apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Netwerkinformatie (Wordt weergegeven na het kiezen van [ ] achter de
naam van het netwerk.)
2-10. Wi-Fi®-instellingen
103
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
"Auto connect"*1
(automatisch verbinden)
Bepaalt of er automatisch verbinding moet
worden gemaakt met dit netwerk.
"Network SSID" (netwerk-
SSID) Geeft de naam (SSID) van het netwerk weer.
"MAC address" (MAC-
adres) Geeft het MAC-adres van het netwerk weer.
"Security" (beveiliging) Geeft het beveiligingsprotocol van het netwerk
weer.
"Frequency band"
(frequentieband) Geeft de frequentie van het netwerk weer.
"Forget this network"*1 (dit
netwerk vergeten)
Wist de verbindingsgeschiedenis van
het geselecteerde netwerk uit het
multimediasysteem.
Het verwijderde netwerk zal worden herkend
als een netwerk waar het systeem niet eerder
verbinding mee heeft gemaakt.
[Forget this Network] (dit netwerk vergeten) verbreekt niet de verbinding
met het actieve Wi-Fi®-netwerk. De netwerkinformatie wordt niet
opgeslagen en er zal niet automatisch verbinding worden gemaakt met
dit Wi-Fi®-netwerk na het herstarten van Wi-Fi®.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Onbeveiligde netwerken worden niet opgeslagen in de
verbindingsgeschiedenis.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 125)
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi® (Blz. 127)
*1 : Alleen beschikbaar bij netwerken waarmee het multimediasysteem eerder
verbonden is geweest.
2-10. Wi-Fi®-instellingen
104
Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten instellen
Het gebruik van het multimediasysteem en het aangesloten Bluetooth®-
apparaat kan worden ingesteld.
INFORMATIE
De details van de instellingen worden voor elk Bluetooth®-apparaat afzonderlijk
ingesteld.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als tijdens het afspelen van Bluetooth®-
audio handsfree bellen wordt geselecteerd.
Afhankelijk van het type Bluetooth®-apparaat moet mogelijk het Bluetooth®-
apparaat worden bediend.
Een Bluetooth®-apparaat kan niet worden geselecteerd tijdens een
noodoproep.
Instellingen kunnen niet worden geselecteerd tijdens het rijden.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, kunnen instellingen
mogelijk niet worden geselecteerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat dat u wilt
configureren.
Er wordt niets weergegeven tenzij er ten minste één Bluetooth®-apparaat is
geregistreerd.
4Stel alles in.
Instelling Inhoud
[Use for phone] (gebruik voor
telefoon)
Hiermee kunt u de functie voor handsfree
bellen in- en uitschakelen.*1
[Use for media] (gebruik voor
media)
Hiermee kunt u de audiofunctie in- en
uitschakelen.*1
2-11. Bluetooth®-instellingen
105
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[Use for Apple CarPlay]
(gebruik voor Apple CarPlay)
Hiermee kunt u de Apple CarPlay-functie
in- en uitschakelen.*1
[Use for Android Auto]
(gebruik voor Android Auto)
Hiermee kunt u de Android Auto-functie in-
en uitschakelen.*1
"Volume"
Instelling Inhoud
[Ringtone] (beltoon) Past het beltoonvolume aan.
[Received volume]
(ontvangstvolume) Stelt het ontvangstvolume in.
[New message] (nieuw bericht) Past het volume voor binnenkomende
berichten aan.
"General" (algemeen)
Instelling Inhoud
[Ringtone] (beltoon)
Het beltoonvolume voor handsfree bellen kan
als volgt worden ingesteld.
Stelt het beltoonvolume dat voor de
mobiele telefoon is ingesteld in als het
beltoonvolume voor het multimediasysteem.
Stelt het bestaande beltoonvolume in.
Stelt het systeem in om de naam van de
beller voor te lezen.
[Message tone]
(berichttoon)
De beltoon voor binnenkomende berichten kan
als volgt worden ingesteld.
Instellen op de bestaande beltoon voor
binnenkomende berichten.
Instellen op dempen.
Instellen om de naam van de verzender
voor te lezen.
[Sort contacts by]
(contacten sorteren op)
De weergave van namen die in uw contacten
zijn geregistreerd, kan als volgt worden
gewijzigd.
Contacten sorteren op voornaam.
Contacten sorteren op achternaam.
[Auto read messages]
(automatisch berichten
voorlezen)
Hiermee kunt u de functie voor het
automatisch voorlezen van berichten in- en
uitschakelen.
2-11. Bluetooth®-instellingen
106
Instelling Inhoud
[Clear call history] (wis
oproepgeschiedenis)
Wist gegevens oproepgeschiedenis handsfree
bellen.*2
"Syncing" (synchroniseren)
Instelling Inhoud
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
Hiermee kunt u het automatisch overbrengen
van contacten, favorieten en geschiedenis
naar het multimediasysteem in- en
uitschakelen.
Bij sommige typen mobiele telefoons kunnen
favorieten niet worden overgebracht.
[Display contact images]
(afbeeldingen contact
weergeven)
Hiermee kunt u de weergave van de
afbeelding van het contact in- en uitschakelen.
De afbeelding van het contact kan
niet naar het multimediasysteem worden
gedownload, tenzij [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) is ingeschakeld.
[Set as secondary
device] (instellen als
secundair apparaat)
Stelt het apparaat in als secundair apparaat.*3
[Remove secondary
device setting] (instelling
secundair apparaat
verwijderen)
Annuleert het apparaat als secundair
apparaat.
[Connect] (koppelen) Koppelt het multimediasysteem met een
Bluetooth®-apparaat.
[Disconnect]
(ontkoppelen)
Koppelt een Bluetooth®-apparaat los van het
multimediasysteem.
[Forget] (vergeet) Hiermee kunnen geregistreerde Bluetooth®-
apparaten worden gewist.
*1 : Wordt alleen weergegeven wanneer het Bluetooth®-apparaat deze functie kan
uitvoeren. Door de functie in of uit te schakelen, worden gerelateerde functies
weergegeven of verborgen of worden ze in- of uitgeschakeld. Dit kan niet
worden gebruikt voor telefoongesprekken of audio wanneer Apple CarPlay of
Android Auto is ingeschakeld. Dit geldt andersom ook. Het koppelen begint
niet meteen door alleen maar over te schakelen. Kies de toets [Connect]
(koppelen) om het koppelen te starten.
*2 : Wordt weergegeven wanneer een mobiele telefoon waarbij [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) is uitgeschakeld, wordt gekoppeld.
*3 : Deze instelling kan worden gebruikt als er een bestuurder is geregistreerd en
de gesignaleerde mobiele telefoon niet is ingesteld als zijn hoofdapparaat.
2-11. Bluetooth®-instellingen
107
2
Instellingen en registratie
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 110)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 113)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen (Blz. 218)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 208)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 123)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat (Blz. 124)
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
2-11. Bluetooth®-instellingen
108
3Een smartphone of communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten............................110
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen..........113
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf
het multimediasysteem .......114
Wissen van een
geregistreerd Bluetooth®-
apparaat..............................118
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat ...........119
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
primair apparaat................. 123
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
secundair apparaat ............ 124
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-
apparaten........................... 125
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®............. 127
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto ................. 130
Gebruik van Apple CarPlay
met een ongeregistreerde
smartphone........................ 133
Gebruik van Apple CarPlay
met een geregistreerde
smartphone........................ 136
Gebruik van Android Auto.... 139
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple
CarPlay of Android Auto .... 140
109
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van de Bluetooth®-functie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie bij het gebruik van een
Bluetooth®-apparaat op het multimediasysteem.
INFORMATIE
Bluetooth® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband
volgens het best-effort-principe.
Gelijktijdig gebruik van zowel Wi-Fi®, dat ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-
frequentieband, als Bluetooth® kan onderlinge interferentie tot gevolg hebben.
Onderlinge interferentie tussen Bluetooth® en Wi-Fi® kan problemen
veroorzaken met het videobeeld, overslaan van audio en de
verbindingssnelheid.
Het effect van de interferentie kan minder worden als er een ander
Bluetooth®-apparaat wordt aangesloten. Als een Bluetooth®-apparaat is
geregistreerd, kan het probleem minder worden door verbinding te maken
met het geregistreerde apparaat. (De verbinding van een Bluetooth®-apparaat
kan worden gecontroleerd via het statusicoon op het scherm van het
multimediasysteem.)
Het gebruik van een mobiele telefoon met Bluetooth® in combinatie met een
ander draadloos apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding
van beide apparaten.
Wi-Fi®-functies (Wi-Fi® en Miracast®) maken gebruik van dezelfde 2,4 GHz-
frequentieband voor draadloze communicatie. Het gelijktijdig gebruik van een
Bluetooth®-apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding van
beide apparaten. Eventuele problemen kunnen worden verholpen door de
Wi-Fi®-functie uit te schakelen.
De batterij van een Bluetooth®-apparaat zal sneller leegraken als de
Bluetooth®-verbinding actief is.
Tijdens noodoproepen zullen Bluetooth®-verbindingen worden verbroken. Alle
Bluetooth®-apparaten worden weer verbonden als de noodoproep is beëindigd.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon zelf te
bedienen tijdens het rijden, ook bij handsfree bellen.
Breng voor het bellen de auto op een veilige plaats tot stilstand. Neem bij
bellen tijdens het rijden altijd de veiligheid in acht en houd het gesprek kort.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
110
OPMERKING
Gebruik geen Bluetooth®-apparaat in de buurt van het multimediasysteem.
Als het te dicht in de buurt komt, kan de geluidskwaliteit of de verbinding
verslechteren.
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan
hoog oplopen, waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische
apparaten
Neem tijdens Bluetooth®-communicatie de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht met betrekking tot radiogolven.
WAARSCHUWING
De Bluetooth®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Bluetooth®-
antennes. Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur
beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op deze apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten
hebben op de werking van dergelijke medische apparatuur.
Indien gelijktijdig gebruikt met Bluetooth®-audio
Het volgende kan gebeuren als een Bluetooth®-compatibel apparaat
(mobiele telefoon) handsfree en gelijktijdig met Bluetooth®-audio wordt
gebruikt.
De Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt mogelijk verbroken.
Bij handsfree bellen is er mogelijk ruis hoorbaar in het audiosysteem.
Bij handsfree bellen is er mogelijk een vertraging merkbaar.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als er tijdens het afspelen van
Bluetooth®-audio een ander communicatieapparaat wordt geselecteerd
voor handsfree bellen.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de verbinding van
het draagbare apparaat mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is
voltooid, wordt er opnieuw verbinding gemaakt. (Opnieuw verbinding
maken is bij sommige uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
111
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Het is, zelfs bij mobiele telefoons die zowel een handsfree verbinding als
een audioverbinding ondersteunen, wellicht niet mogelijk om zowel een
handsfree verbinding als een audioverbinding tot stand te brengen.
Neem voor een overzicht van specifieke apparaten die geschikt zijn
voor dit systeem contact op met een erkende Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 125)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 208)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen (Blz. 218)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
213)
Statusiconen (Blz. 22)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
112
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen
Het multimediasysteem ondersteunt de volgende specificaties en
compatibele profielen. De werking kan niet voor alle Bluetooth®-apparaten
worden gegarandeerd.
Ondersteunde Bluetooth®-specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 2.1 of hoger
Compatibele profielen
HFP (Handsfree-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.5 of hoger
Dit is een profiel dat handsfree-telefoongesprekken mogelijk maakt via
de mobiele telefoon. Het heeft een functie voor uitgaande en inkomende
gesprekken.
PBAP (Phone Book Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.0 of
hoger
Profiel voor het synchroniseren van gegevens, zoals contactgegevens en
oproepgeschiedenis.
OPP (Object Push-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.1 of hoger
Profiel voor het overbrengen van contactgegevens.
MAP (Message Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.2 of
hoger
Dit is een profiel voor het gebruiken van telefoonberichtfuncties.
SPP (Serial Port-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.1 of hoger
Profiel voor het omzetten van apparaten met Bluetooth® naar virtuele seriële
poorten.
Profiel voor het koppelen van smartphones.
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) Ondersteunde versies:
versie 1.0 of hoger
Dit is een profiel voor het versturen van stereo-audiogeluid of geluid met
een hoge kwaliteit naar het audiosysteem.
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) Ondersteunde versies:
versie 1.0 of hoger
Profiel voor het op afstand bedienen van de audio.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
113
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem
Er moet een mobiele telefoon of draagbaar apparaat zijn geregistreerd
om handsfree te kunnen bellen of Bluetooth®-audio te kunnen gebruiken.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er telkens wanneer het
multimediasysteem wordt gestart, automatisch verbinding gemaakt met
Bluetooth®.
Wanneer een Apple CarPlay-/Android Auto-apparaat is aangesloten
via USB, wordt het apparaat automatisch als Bluetooth®-apparaat
geregistreerd.
Wanneer er geen verbinding is met Bluetooth®-apparaten, kan het
registratiescherm worden weergegeven door de stuurwieltoets [ ]
ingedrukt te houden.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon kan als een handsfree telefoon en als een Bluetooth®-
audioapparaat worden geregistreerd.
Hoewel er maximaal vijf Bluetooth®-apparaten kunnen worden geregistreerd,
kunnen er maximaal twee apparaten als handsfree telefoon worden gebruikt.
(Om twee handsfree telefoons aan te kunnen sluiten, is identificatie van de
bestuurder vereist.)
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie
over de bediening van het Bluetooth®-apparaat.
De registratie moet voor elk Bluetooth®-apparaat eenmalig worden herhaald
als er meerdere Bluetooth®-apparaten worden gebruikt.
Een pincode is een verificatiecode die wordt gebruikt bij het registreren van een
Bluetooth®-apparaat in het multimediasysteem.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon is de mogelijkheid om
iemand te bellen mogelijk geblokkeerd nadat er verbinding is gemaakt. Maak
voor gebruik de automatische blokkering ongedaan op de mobiele telefoon.
Als een ander apparaat is geregistreerd terwijl het is verbonden met een
mobiele telefoon of een draagbaar apparaat, wordt de verbinding met het
draagbare apparaat dat of de mobiele telefoon die audio afspeelt verbroken.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat
wordt geregistreerd terwijl Miracast® in gebruik is.
Om veiligheidsredenen kunnen apparaten niet worden geregistreerd tijdens het
rijden.
Als de registratie van het Bluetooth®-apparaat niet kan worden voltooid, start
dan het Bluetooth®-apparaat opnieuw.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
114
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
4Kies [If not found] (indien niet
gevonden).
Als het apparaat al is geregistreerd,
kies dan achtereenvolgens [Add
another device (een ander
apparaat toevoegen)] > [If not
found (indien niet gevonden)].
5Kies het te registreren apparaat in het hoofdgebied.
Mogelijk wordt het Bluetooth®-adres weergegeven in plaats van de
apparaatnaam.
Als het te registreren apparaat niet in het hoofdgebied wordt weergegeven,
probeer het dan vanaf het Bluetooth®-apparaat te registreren.
Bepaalde modellen van Bluetooth®-apparaten worden mogelijk niet in de
apparatenlijst weergegeven, tenzij een bepaald scherm wordt weergegeven
op het Bluetooth®-apparaat. Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-
apparaat voor meer informatie.
6Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op het Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven en
kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de
registratie te voltooien.
Mogelijk worden er aanwijzingen voor de registratie van het gebruikersprofiel
weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg
de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple
CarPlay-scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de
naam van het geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het
submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
115
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat
Als het Bluetooth®-apparaat niet kan worden gevonden door te zoeken
met behulp van het multimediasysteem, registreer dan door het
multimediasysteem te zoeken vanaf het Bluetooth®-apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
Als er al een ander apparaat is geregistreerd, kies dan [Add another device]
(een ander apparaat toevoegen).
4Registreer het
multimediasysteem vanaf het
Bluetooth®-apparaat dat u wilt
gebruiken.
Voer de handeling uit volgens
de bedieningsprocedure van het
Bluetooth®-apparaat.
Geef dit Bluetooth®-
verbindingsscherm weer alvorens
de registratie uit te voeren op het Bluetooth®-apparaat.
5Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op het Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven en
kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de
registratie te voltooien.
Mogelijk worden er aanwijzingen voor de registratie van het gebruikersprofiel
weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg
de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple
CarPlay-scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de
naam van het geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het
submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
116
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
117
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat
Geregistreerde Bluetooth®-apparaten kunnen worden gewist.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies in het submenu het
Bluetooth®-apparaat dat moet
worden gewist.
4Kies [Forget] (vergeet).
Een apparaat dat als primair
apparaat van een andere gebruiker is
ingesteld, kan niet worden gewist.
5Kies [Forget] (vergeet).
INFORMATIE
Een geregistreerde mobiele telefoon kan niet worden gewist tijdens een
noodoproep.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste
keer mogelijk niet om het apparaat te wissen.
Verwante onderwerpen
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 123)
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
118
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat
Er moet verbinding worden gemaakt met een Bluetooth®-apparaat om de
verschillende functies van het multimediasysteem te kunnen gebruiken. Er
zijn twee manieren om verbinding te maken: automatisch en handmatig.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie
over de bediening van het Bluetooth®-apparaat.
Als de telefoon bij het verbinding maken onstabiel reageert, verbreek dan de
verbinding en probeer opnieuw verbinding te maken.
Er kan geen verbinding worden gemaakt als Bluetooth® op het Bluetooth®-
apparaat niet is ingeschakeld.
Wanneer er succesvol verbinding is gemaakt met het Bluetooth®-apparaat,
wordt dit bovenaan op het scherm weergegeven.
Wanneer er verbinding is met het Bluetooth®-apparaat, wordt het statusicoon
voor de Bluetooth®-verbinding weergegeven.
De displayzone gaat mogelijk branden wanneer het contact AAN wordt gezet,
afhankelijk van het type mobiele telefoon. Als dit gebeurt, schakel dan de
verlichting uit op de mobiele telefoon. (Raadpleeg de handleiding van de
mobiele telefoon voor meer informatie over de instellingen.)
De Bluetooth®-functie kan niet worden gebruikt op het apparaat dat als Apple
CarPlay is aangesloten.
De Bluetooth®-functie, behalve de handsfree-functie, kan niet worden gebruikt
op het apparaat dat als Android Auto is aangesloten.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat is
aangesloten terwijl Miracast® in gebruik is.
Bluetooth®-verbinding herstellen
Als een Bluetooth®-verbinding is verbroken terwijl het contact AAN is gezet,
wordt er automatisch geprobeerd om opnieuw verbinding te maken.
Aantal aangesloten Bluetooth®-apparaten
Als de bestuurder wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal
twee handsfree telefoons en één audioapparaat. (Een telefoon kan
tegelijkertijd als audio-apparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal één
handsfree telefoon en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audio-apparaat worden ingesteld.)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
119
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
INFORMATIE
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan
handmatig verbinding te maken.
Als er een apparaat is aangesloten als Apple CarPlay-apparaat, kan er
mogelijk niet opnieuw verbinding mee worden gemaakt als Bluetooth®-
apparaat.
Verwante onderwerpen
Statusiconen (Blz. 22)
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Telkens als het contact AAN wordt gezet zal het multimediasysteem
automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten overeenkomstig
de ingestelde volgorde van prioriteit.
Als de bestuurder wordt herkend
Maakt automatisch verbinding, eerst met het primaire apparaat, dan
met het secundaire apparaat en dan met de overige apparaten
overeenkomstig de volgorde tijdens de vorige verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal
twee handsfree telefoons en één audioapparaat. (Een telefoon kan
tegelijkertijd als audio-apparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Maakt automatisch verbinding overeenkomstig de volgorde tijdens de
vorige verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal één
handsfree telefoon en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audio-apparaat worden ingesteld.)
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan
handmatig verbinding te maken.
INFORMATIE
Afhankelijk van het model Bluetooth®-apparaat moet het Bluetooth®-apparaat
mogelijk worden bediend.
Verwante onderwerpen
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 123)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
120
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Handmatig verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Om verbinding te maken met een ander Bluetooth®-apparaat of wanneer
er niet automatisch verbinding kan worden gemaakt, kunt u hiermee
verbinding maken met geregistreerde Bluetooth®-apparaten.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er op het
multimediasysteem een zoekscherm voor apparaten weergegeven. Registreer
het Bluetooth®-apparaat.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee u
verbinding wilt maken.
Als het Bluetooth®-apparaat waarmee u verbinding wilt maken niet in het
submenu staat, registreer het Bluetooth®-apparaat dan.
4Kies [Connect] (verbinden) in
het hoofdgebied.
Als er al een ander apparaat is
aangesloten, wordt er mogelijk een
bevestigingsscherm weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste
keer mogelijk niet om verbinding te maken. Probeer in dit geval na een
poosje opnieuw verbinding te maken.
De verbinding met Bluetooth®-apparaten verbreken
De verbinding met aangesloten Bluetooth®-apparaten kan worden
verbroken via het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
121
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee de
verbinding moet worden verbroken.
4Kies [Disconnect]
(ontkoppelen) in het
hoofdgebied.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
122
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat in te stellen, krijgt dit
voorrang tijdens het automatisch verbinden.
De mobiele telefoon die u wilt instellen dient verbonden te zijn met het
multimediasysteem.
De bestuurder moet worden gespecificeerd om het primaire apparaat in
te stellen.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon die als primair apparaat van een andere gebruiker is
ingesteld, kan niet nogmaals worden ingesteld als primair apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens).
3Kies [Link devices]
(gekoppelde apparaten) of
[Change link devices] (wijzig
gekoppelde apparaten) in het
hoofdgebied.
Het scherm voor het zoeken van een
apparaat wordt weergegeven als er
geen mobiele telefoon beschikbaar is
die als primair apparaat kan worden
ingesteld. Zoek de mobiele telefoon
die moet worden ingesteld en registreer deze in het multimediasysteem. Zodra
het nieuwe apparaat is geregistreerd, kan het als primair apparaat worden
ingesteld.
4Selecteer de mobiele telefoon die als primair apparaat moet
worden ingesteld.
Verbreek de verbinding met het huidige gekoppelde Bluetooth®-apparaat en
koppel vervolgens het primaire en het secundaire apparaat.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 114)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
123
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat in te stellen als secundair apparaat, wordt
het apparaat als secundair apparaat ingesteld als er verbinding mee is
gemaakt.
Deze instelling kan worden gebruikt als er een bestuurder is
geregistreerd en de gesignaleerde mobiele telefoon niet is ingesteld als
zijn hoofdapparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er een zoekscherm
voor apparaten weergegeven. Registreer een mobiele telefoon.
3Selecteer de mobiele telefoon die als secundair apparaat moet
worden ingesteld.
Als de in te stellen mobiele telefoon niet wordt weergegeven, registreer hem
dan.
4Kies [Set as secondary
device] (instellen als secundair
apparaat) in het hoofdgebied.
Dit verandert in een toets om te
annuleren als het apparaat al is
ingesteld als secundair apparaat.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
124
Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het verbinden
met een WiFi®-netwerk of het gebruik van Wi-Fi®-hotspot via een mobiele
telefoon (tethering).
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische
apparaten
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht met betrekking tot
radiogolven tijdens Wi-Fi®-communicatie.
WAARSCHUWING
Gebruik Wi-Fi®-apparaten alleen wanneer dit veilig is en wettelijk toegestaan
is.
De Wi-Fi®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Wi-Fi®-antennes.
Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Wi-Fi®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op de werking van deze apparatuur.
Radiogolven kunnen onverwachte effecten hebben op de werking van
dergelijke medische apparatuur.
Gelijktijdig gebruik van Wi-Fi® en Bluetooth®
Wi-Fi® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband
volgens het best-effort-principe. Gelijktijdig gebruik van zowel Bluetooth®,
dat ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-frequentieband, als Wi-Fi® kan
onderlinge interferentie tot gevolg hebben.
Wat u moet weten over Wi-Fi®
INFORMATIE
Wi-Fi®, Miracast®, Wi-Fi Direct® en WMM® zijn geregistreerde handelsmerken
van Wi-Fi Alliance®.
Wi-Fi Protected Setup, Wi-Fi CERTIFIED, WPA, WPA2 en WPA3 zijn
handelsmerken van Wi-Fi Alliance®.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
125
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik deze functie om verbinding te maken met een draagbaar apparaat.
Afhankelijk van de omgeving kan de verbinding met andere apparaten worden
verbroken.
De verbinding wordt verbroken als u buiten bereik van de Wi-Fi® komt.
Wanneer de auto zich in de buurt bevindt van een radioantenne, radiozender
of andere bron van sterke radiogolven en elektromagnetische velden, kan de
communicatie traag verlopen of niet mogelijk zijn.
De communicatiesnelheid kan afnemen of het kan zelfs onmogelijk worden om
deze service te gebruiken in bepaalde gebruiksomgevingen (vanwege factoren
zoals de locatie van de draadloze antenne en eventuele draadloze apparaten
die in de buurt worden gebruikt).
Compatibele Wi-Fi®-communicatieprotocollen
IEEE 802.11b/g/n (2,4 GHz)
Compatibele beveiligingsprotocollen
WEP
WPA
WPA2
WPA3
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
213)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 110)
Statusiconen (Blz. 22)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 103)
Over de webbrowserfunctie (internet) (Blz. 268)
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
126
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi®
Het multimediasysteem kan met het internet worden verbonden via een
Wi-Fi®-netwerk.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Het ontvangstniveau wordt weergegeven aan de bovenzijde van het scherm.
Deze functie kan niet worden gebruikt als Apple CarPlay via een draadloze
verbinding actief is.
Bij sommige typen smartphones moet mogelijk elke keer opnieuw een
verbinding tot stand worden gebracht.
Als de Wi-Fi®-functie is ingeschakeld en er netwerken worden gesignaleerd,
zal er automatisch verbinding worden gemaakt. Hierbij krijgt het laatst
verbonden netwerk voorrang.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 103)
Verbinding maken met Wi-Fi® via een smartphone
Gebruik het volgende voorbeeld met handelingen voor het tot stand
brengen van een Wi-Fi®-verbinding met een smartphone die Wi-Fi®-
tethering ondersteunt. Raadpleeg bijvoorbeeld de handleiding van de
smartphone voor meer informatie over het instellen van tethering. Bij
sommige typen smartphones moet mogelijk elke keer opnieuw een
verbinding tot stand worden gebracht.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi].
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied in.
Afhankelijk van de instellingen
van het multimediasysteem kan er
een melding worden weergegeven.
Volg de aanwijzingen op het
scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen,
worden beschikbare netwerken in
de buurt weergegeven.
4Selecteer de naam van het netwerk die overeenkomt met de naam
die door de smartphone wordt uitgezonden.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
127
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-
adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke
zes seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet
mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk
apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het
netwerk de verbinding tot stand gebracht.
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding
maken is ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Een Wi-Fi®-verbinding tot stand brengen met een beschikbaar
netwerk
Maak via Wi-Fi® verbinding met internet vanaf een netwerk in de buurt.
Bevestig vooraf het wachtwoord van het te gebruiken netwerk.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi].
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied in.
Afhankelijk van de instellingen
van het multimediasysteem kan er
een melding worden weergegeven.
Volg de aanwijzingen op het
scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen,
worden beschikbare netwerken in
de buurt weergegeven.
4Kies het netwerk waar u verbinding mee wilt maken vanuit
[Available networks] (beschikbare netwerken) in het hoofdgebied.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-
adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke
zes seconden automatisch bijgewerkt.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
128
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet
mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk
apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
Kies [ ] voor het desbetreffende netwerk om de netwerkgegevens te
controleren.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het
netwerk de verbinding tot stand gebracht.
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding
maken is ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Wi-Fi®-verbinding verbreken
De Wi-Fi®-verbinding kan worden verbroken door de Wi-Fi®-functie uit te
schakelen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi].
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied uit.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
129
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Apple CarPlay en Android Auto zorgen ervoor dat sommige apps (zoals
kaart-, telefoon- en muziek-apps) door het multimediasysteem kunnen
worden gebruikt. Wanneer er verbinding is met Android Auto of Apple
CarPlay, worden ondersteunde apps weergegeven. Houd rekening met de
volgende informatie bij het gebruik van Apple CarPlay of Android Auto.
Installeer de Android Auto-app uit de Google Play Store om Android Auto in
uw auto te gebruiken.
Compatibele apparaten
Apple iPhone-apparaten die Apple CarPlay ondersteunen. (iOS versie
13.3 of hoger)
Ga naar https://www.apple.com/ios/carplay/ voor een overzicht van de
ondersteunde apparaten.*1
Android-apparaten die Android Auto ondersteunen.
Ga naar https://www.android.com/auto/ voor een overzicht van de
ondersteunde apparaten. *1
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de smartphone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan
hoog oplopen, waardoor de smartphone defect kan raken.
Druk niet op de smartphone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze
is aangesloten. De smartphone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de USB-aansluiting vrij van verontreinigingen. De smartphone of de
aansluiting kan beschadigd raken.
INFORMATIE
Gebruik voor USB-verbindingen een door de telefoonfabrikant geleverde USB-
kabel.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, wijzigen de
functies van sommige systeemtoetsen.
*1 : De werking is niet gegarandeerd.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
130
De volgende functies worden vervangen door vergelijkbare Apple CarPlay-
of Android Auto-functies of worden uitgeschakeld voor apparaten die zijn
verbonden met Apple CarPlay of Android Auto.
Bluetooth®-telefoon (alleen Apple CarPlay)
Bluetooth®-audio
Miracast® (alleen draadloos verbonden met Apple CarPlay)
De Bluetooth®-functie kan niet door het multimediasysteem worden gebruikt
wanneer er draadloos verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Wanneer Apple CarPlay of Android Auto wordt gestart terwijl Miracast® in
gebruik is, wordt Miracast® mogelijk gestopt.
Het volume van de stembegeleiding kan worden gewijzigd via het scherm voor
spraakinstellingen. Het kan ook worden gewijzigd met behulp van de knop [
VOL].
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto van een
apparaat, kan Apple CarPlay of Android Auto van een ander apparaat niet
worden gebruikt.
Apple CarPlay en Android Auto zijn apps ontwikkeld door respectievelijk Apple
en Google. De functies en diensten die door aangesloten apparaten worden
geleverd, kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden verwijderd of
gewijzigd, omdat er wijzigingen worden aangebracht in het besturingssysteem,
de hardware en de software of de specificaties van Apple CarPlay of Android
Auto.
Raadpleeg de respectievelijke websites voor de apps die worden ondersteund
door Apple CarPlay of Android Auto.
Tijdens het gebruik van Apple CarPlay of Android Auto worden auto- en
gebruikersinformatie, zoals locatie en rijsnelheid, gedeeld met de uitgever van
de app en de mobiele-serviceprovider.
Wanneer u een app downloadt en gebruikt, betekent dit dat u instemt met de
gebruiksvoorwaarden.
Gegevens worden via internet verzonden; er kunnen kosten in rekening
worden gebracht. Neem voor informatie over datasnelheden contact op met
de mobiele-serviceprovider.
Afhankelijk van de app worden bepaalde functies, zoals het afspelen van
muziek, mogelijk beperkt.
Elke functie is een applicatie die wordt geleverd door het betreffende bedrijf
en kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd of opgeschort.
Raadpleeg de website voor de betreffende functie voor meer informatie.
Als het navigatiesysteem van de auto wordt gebruikt tijdens routebegeleiding
en een nieuwe route wordt ingesteld met behulp van de kaart-app van Apple
CarPlay of Android Auto, wordt de routebegeleiding via het navigatiesysteem
van de auto gestopt. Als de kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto
wordt gebruikt tijdens routebegeleiding en een nieuwe route wordt ingesteld
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
131
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
met behulp van het navigatiesysteem van de auto, wordt de routebegeleiding
via de kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto gestopt.
Apparaten die zijn verbonden via Apple CarPlay, kunnen geen gebruik maken
van de Bluetooth®-functies.
Apparaten die zijn verbonden via Android Auto, kunnen geen gebruik maken
van de Bluetooth®-functies, behalve de functie voor handsfree bellen.
Als de USB-kabel wordt losgenomen terwijl deze is aangesloten via USB, werkt
Apple CarPlay of Android Auto niet meer. De geluidsweergave stopt en het
scherm schakelt over naar het scherm van het multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling (Blz. 36)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/iPhone (Blz.
197)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple CarPlay
(Blz. 201)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Android Auto (Blz.
205)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
213)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 110)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 125)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 208)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
132
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde
smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een ongeregistreerde smartphone
aan te sluiten op het multimediasysteem. Voor geregistreerde smartphones
moet een andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone (Blz. 136)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
133
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Als de draadloze verbinding is ingesteld om te worden gebruikt op de
smartphone bij registratie via een USB-verbinding, wordt de draadloze
verbinding vanaf de volgende keer ingeschakeld.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden
verbonden via de draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
Het scherm voor het zoeken van een apparaat wordt weergegeven als er
geen smartphone is geregistreerd in het multimediasysteem. Ga naar stap 6.
4Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
5Kies [Add another device] (een ander apparaat toevoegen).
6Kies [If not found] (indien niet gevonden).
7Selecteer de te registreren smartphone.
8Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op de smartphone wordt weergegeven en kies
vervolgens [OK].
Volg de aanwijzingen op het scherm op.
9Als de Apple CarPlay-instellingen worden weergegeven, kies dan
[Yes] (ja).
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
134
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
10 Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Spraakbediening starten (Blz. 45)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
135
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde
smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een geregistreerde smartphone
aan te sluiten op het multimediasysteem. Voor ongeregistreerde
smartphones moet een andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone (Blz.
133)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
Als het beginscherm van Apple CarPlay niet wordt weergegeven, kies
dan achtereenvolgens [ ] > [Bluetooth & Devices (Bluetooth en
apparaten)] > [Manage devices (apparaten beheren)], [Switch] (wijzigen)
van Apple CarPlay en selecteer de smartphone die u wilt gebruiken.
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
136
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden
verbonden via de draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van de smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
4Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
5Kies [Switch] (wijzigen) voor Apple CarPlay.
6Selecteer de smartphone die u wilt gebruiken met Apple CarPlay.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
137
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
7Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Spraakbediening starten (Blz. 45)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
138
Gebruik van Android Auto
Android Auto kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
1Controleer of de Android Auto-app is geïnstalleerd op de aan te
sluiten smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Android Auto wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
Als het beginscherm van Android Auto niet wordt weergegeven, kies
dan achtereenvolgens [ ] > [Bluetooth & Devices (Bluetooth en
apparaten)] > [Manage devices (apparaten beheren)], [Switch] (wijzigen)
van Android Auto en selecteer de smartphone die u wilt gebruiken.
3Bedien Android Auto.
Apps die Android Auto ondersteunen,
kunnen worden gebruikt door de app
te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Android Auto
opnieuw weer te geven.
[ ]
Start Google Assistant.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Android Auto, de spraaktoets ingedrukt om
Google Assistant te starten. Druk kort op de spraaktoets om Google Assistant
te annuleren.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
139
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Als er mogelijk een storing aanwezig is in Apple CarPlay of
Android Auto
Raadpleeg bij problemen met Apple CarPlay of Android Auto eerste de
volgende tabel.
Symptoom Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto
start niet op.
Controleer of de aan te sluiten smartphone
Apple CarPlay of Android Auto ondersteunt.
Controleer of Apple CarPlay of Android Auto
is ingeschakeld op de smartphone.
Controleer of de Android Auto-app is
geïnstalleerd op de aan te sluiten
smartphone.
Zie de volgende URL voor meer informatie.
Apple CarPlay: https://www.apple.com/ios/
carplay/
Android Auto: https://www.android.com/
auto/
Controleer of de Apple CarPlay- of
Android Auto-functie op de geregistreerde
smartphone is ingeschakeld in het
multimediasysteem.
Als een USB-kabel wordt gebruikt voor het
aansluiten, controleer dan of de kabel goed is
aangesloten op de smartphone en de USB-
aansluiting. Sluit de smartphone rechtstreeks
aan op de USB-aansluiting. Gebruik geen
USB-hub.
Zorg ervoor dat de juiste USB-aansluiting
wordt gebruikt om verbinding te maken
met Apple CarPlay en Android Auto. Een
USB-aansluiting die uitsluitend is bedoeld
voor opladen kan niet worden gebruikt
voor smartphone-apps. Met de oplaadpad
voor draadloos opladen kan geen draadloze
verbinding met Apple CarPlay tot stand
worden gebracht.
Controleer het volgende voor een draadloze
verbinding met Apple CarPlay.
Controleer of de smartphone via
Bluetooth® verbonden kan worden met het
multimediasysteem.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
140
Symptoom Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto
start niet op.
Controleer of de smartphone zo is
ingesteld dat hij Wi-Fi® kan gebruiken.
Apple CarPlay: Controleer of de Lightning-
kabel die wordt gebruikt door Apple is
gecertificeerd.
Controleer of Siri is ingeschakeld.
Met een USB-kabel die uitsluitend is bedoeld
voor opladen kan de verbindingsfunctie voor
een smartphone niet worden gebruikt.
Gebruik een kabel die gegevens kan
versturen. Sommige kabels worden mogelijk
niet ondersteund.
Hieronder worden de aanbevolen eisen voor
de USB-kabel weergegeven.
iPhone: Gebruik een officiële USB-kabel
van Apple of een USB-kabel die Apple MFi
gecertificeerd is.
Android: Gebruik een kabel van maximaal
1,8 m en gebruik geen verlengkabel.
Gebruik een kabel met het USB-logo .
Als de verbindingsfunctie voor een
smartphone eerst wel werkte maar nu
niet meer, dan kan het probleem mogelijk
verholpen worden door de USB-kabel te
vervangen.
Maak, als al het bovenstaande is
gecontroleerd, verbinding met Apple CarPlay
of Android Auto.
Wanneer een Apple CarPlay-/
Android Auto-verbinding tot stand
is gebracht en een video wordt
afgespeeld, wordt de video niet
weergegeven, maar is er wel
geluid te horen via het systeem.
Aangezien het systeem niet is ontworpen
voor het afspelen van video via Apple
CarPlay/Android Auto, duidt dit niet op een
storing.
Er is geen geluid te horen.
Mogelijk is het geluid van het systeem
uitgeschakeld of is het volume te
laag. Verhoog het volume op het
multimediasysteem.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
141
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Symptoom Oplossing
Er is geen geluid te horen.
Zorg ervoor dat door Apple ondersteunde
apps worden gebruikt voor Apple CarPlay
en door Google ondersteunde apps voor
Android Auto. Bij het afspelen van muziek
via een webbrowser is het geluid niet of niet
goed te horen.
Het scherm knippert en er is ruis
hoorbaar.
Controleer of de op het multimediasysteem
aangesloten USB-kabel beschadigd is. Sluit,
om te controleren of de USB-kabel inwendig
beschadigd is, de smartphone aan op een
ander systeem, zoals een pc, en controleer
of het opladen begint en of de smartphone
wordt herkend door het systeem.
Vervang de USB-kabel door een andere
kabel.
De kaartweergave van de kaart-
app van Apple CarPlay kan niet
worden vergroot of verkleind.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar
af bewegen wordt niet ondersteund voor de
kaart-app van Apple CarPlay.
Het Apple CarPlay-scherm wordt
in het midden weergegeven en
neemt niet het hele scherm in
beslag.
De volledige-schermmodus wordt
ondersteund op iOS versie 10 of hoger.
Update naar de nieuwste iOS-versie.
Als tijdens het gebruik van een
muziekapp van Apple CarPlay
(zoals Apple Music of Spotify)
een app die niet compatibel
is met Apple CarPlay(1) op de
iPhone wordt gestart en er
geluid hoorbaar is, en vervolgens
het volume wordt gewijzigd op
het multimediasysteem, stopt het
geluid van de niet-compatibele
app en hervat het systeem
het afspelen van de originele
muziekapp.
Deze werking is overeenkomstig de
specificaties van het multimediasysteem en
duidt niet op een storing.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
142
Symptoom Oplossing
Als tijdens het afspelen van audio
op het multimediasysteem (bijv.
FM) audio wordt weergegeven
vanaf een app die niet compatibel
is met Apple CarPlay, keert
het systeem niet terug naar de
originele audiobron.
Deze werking is overeenkomstig de
specificaties van het multimediasysteem
en duidt niet op een storing. Wijzig de
audiobron handmatig. U kunt ook het
gebruik van apps die niet compatibel zijn
met Apple CarPlay(1) vermijden. Sommige
navigatieapps zijn compatibel vanaf versie
iOS 12. Update iOS en apps naar de
nieuwste versies.
Bij gebruik van Apple CarPlay
worden de routebegeleidingspijl
en de Turn-by-Turn navigatie
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay. Afhankelijk van de specificaties van het
multi-informatiedisplay wordt deze handeling
mogelijk niet weergegeven.
Bij gebruik van Android Auto
wordt de Turn-by-Turn navigatie
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay of het scherm
van het multimediasysteem.
Bij gebruik van Android Auto is
het geluid bij handsfree bellen niet
hoorbaar via de luidsprekers van
de auto.
Beëindig het huidige gesprek.
Verwijder de USB-kabel van de smartphone
en probeer handsfree te bellen. Controleer of
er nu geluid hoorbaar is.
Verhoog het volume op het
multimediasysteem en controleer of het
geluid van het handsfree gesprek hoorbaar
is. Probeer een andere smartphone.
Controleer of er nu geluid hoorbaar is.
(1) Apps die niet compatibel zijn met Apple CarPlay zijn op de iPhone
geïnstalleerde apps die niet worden weergegeven in het overzicht met apps
op het Apple CarPlay-scherm.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling (Blz. 36)
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat (Blz. 119)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen (Blz. 25)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
143
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
144
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten
die gebruikmaken van
Wi-Fi®................................ 146
Connected Navigation ......... 148
Connected Navigation (met
geïntegreerd
navigatiesysteem).............. 149
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor
een punt............................. 150
Scherm met kaartopties....... 151
Weergeven van POI-iconen. 152
Kaartinstellingen .................. 153
Snelwegmodus .................... 157
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een
bestemming ....................... 158
Scherm voor zoeken van
bestemming ....................... 159
Scherm met een overzicht
van de zoekresultaten........ 162
Toevoegen van een
tussenpunt ......................... 163
Bestemmingen instellen
vanaf uw smartphone ........ 164
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route................................... 166
Een demo van de
routebegeleiding bekijken .. 168
Wijzigen van route-opties .... 169
Wijzigen van de route .......... 170
Punten om langs te rijden
instellen op een route ........ 171
Tussenpunten bewerken...... 172
4-5. Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm ... 173
Rijstrookweergaveschermen 175
Opnieuw zoeken van een
route................................... 177
Specifieke
stembegeleidingstermen.... 178
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied.................. 179
145
4
Navigatie
Navigatiesysteem
Over het gebruik van aanvullende kaartdiensten die
gebruikmaken van Wi-Fi®
Diensten die gebruikmaken van Wi-Fi® (hierna “diensten” genoemd)
kunnen gratis worden gebruikt gedurende een bepaalde periode*1 die
begint zodra de auto waarin dit multimediasysteem is geïnstalleerd nieuw
wordt afgeleverd.
*1: De exacte einddatum kan worden gecontroleerd op het
instellingenscherm van het navigatiesysteem. Raadpleeg het
instellingenscherm van het navigatiesysteem voor meer informatie.
Neem contact op met uw Lexus-dealer als u de diensten ook na deze
datum wilt blijven gebruiken.
Deze diensten omvatten ook de volgende diensten van derden.
File-informatie: Het tijdstip waarop de auto is verbonden, en positie-informatie
wordt verzonden naar TomTom Global Content B.V. (hierna “TomTom”
genoemd). Op basis van de ontvangen informatie verstrekt TomTom online
diensten, waaronder de file-informatie die wordt weergegeven op dit
multimediasysteem.
Informatie over voorzieningen en POI's in de omgeving: Zoekopdrachten naar
namen van voorzieningen en positie-informatie worden verstuurd naar HERE
Global B.V. (hierna “HERE” genoemd). Op basis van de ontvangen informatie
verstrekt HERE online diensten, waaronder de informatie over voorzieningen
en POI's in de omgeving die wordt weergegeven op dit multimediasysteem.
Om gebruik te maken van deze diensten dient u na het verbinden
van het multimediasysteem met Wi-Fi® en het bevestigen van de
voorzorgsmaatregelen, het privacybeleid en/of de gebruiksvoorwaarden
van elke aanbieder van diensten*2 die op het scherm worden
weergegeven, op [Agree] (akkoord) te drukken op het pop-upscherm.
*2: Raadpleeg de volgende websites voor de gebruiksvoorwaarden van
de desbetreffende aanbieder.
TomTom https://www.tomtom.com/en_gb/legal/eula-automotive/
https://www.tomtom.com/en_us/privacy/
HERE https://legal.here.com/terms/
https://legal.here.com/privacy/policy
Toyota Motor Corporation en haar gelieerde ondernemingen geven geen
garantie voor de werking, kwaliteit of nauwkeurigheid van de verstrekte
informatie, en geven geen andere garanties met betrekking tot deze
diensten, en zijn niet aansprakelijk voor enige schade aan de gebruiker
veroorzaakt door de inhoud van, vertragingen in of onderbreking
4-1. Navigatiesysteem
146
van deze diensten. Diensten die via dit multimediasysteem worden
aangeboden kunnen zonder aankondiging worden gewijzigd, gestopt of
onderbroken.
4-1. Navigatiesysteem
147
4
Navigatie
Connected Navigation*1*2
Voor het gebruik van onlinenavigatie is een abonnement nodig. Dit is
onderdeel van de gebruiksovereenkomst voor Toyota Smart Center. Als
het abonnement verlopen is, verschijnt er een melding op het scherm.
Kies [Do not show again] (niet opnieuw weergeven) om deze melding
niet meer weer te geven. Voortaan wordt er een kompas op het scherm
getoond.
*1 : Alleen 9,8 inch display
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
4-1. Navigatiesysteem
148
Connected Navigation (met geïntegreerd navigatiesysteem)*1*2
Connected Navigation (met geïntegreerd navigatiesysteem) is een op
draadloze communicatie gebaseerde routebegeleidingsservice die het
zoeken naar een route van het navigatiesysteem van de auto combineert
met het zoeken naar een optimale route die door het Toyota Smart Center
wordt verzonden.
Het Toyota Smart Center gebruikt verkeersinformatie van
sondecommunicatie om de optimale route te zoeken, rekening houdend
met de verkeersinformatie rondom de actuele locatie en informatie over
mogelijk verkeersopstoppingen en stuurt deze naar het navigatiesysteem
van de auto.
Wanneer de auto in een gebied met slecht bereik is en er niet kan
worden gecommuniceerd met het Toyota Smart Center, wordt het zoeken
van de route uitgevoerd door het navigatiesysteem van de auto. Als
de auto in een gebied met goed bereik komt, wordt automatisch de
communicatie met het Toyota Smart Center gestart en wordt de optimale
route gezocht.
Gebruiksvoorwaarden
Dit is onderdeel van de gebruiksovereenkomst voor Toyota Smart Center.
INFORMATIE
Wanneer een bestemming is ingesteld, wordt er door het Toyota Smart Center
automatisch een route gezocht. Routes die vanuit het Toyota Smart Center zijn
verstuurd, worden aangegeven met [ ].
*1 : Alleen 14 inch display
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
4-1. Navigatiesysteem
149
4
Navigatie
Kaartinformatie
Informatie weergeven voor een punt
U kunt informatie met betrekking tot een geselecteerd punt of POI op het
kaartscherm bekijken.
1Kies de POI of houd uw vinger op het gewenste punt.
Als het gewenste punt wordt geselecteerd, wordt het adres van dat punt
weergegeven. Kies [ ] om het geselecteerde punt als favoriet te registreren.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u het
geselecteerde punt als favoriet
registreren.
BGeeft het adres van het
geselecteerde punt weer.
CHiermee kunt u het bij de POI
geregistreerde telefoonnummer
bellen.
DAls er op hetzelfde punt
meerdere POI's zijn, wordt er een lijst met POI's weergegeven.
Kies een POI om de bijbehorende informatie weer te geven. U kunt de
weergegeven informatie wijzigen door [ ] of [ ] te kiezen.
EHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en de
routebegeleiding starten.
FHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en het kaartscherm
met de volledige route weergeven. Als er al een andere bestemming is
ingesteld, kunnen bestemmingen als tussenpunten worden toegevoegd.
4-2. Kaartinformatie
150
Scherm met kaartopties
U kunt de informatie die op de kaart wordt weergegeven, zoals POI-iconen
en verkeersinformatie, instellen.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest]
(interessante plaatsen) of
[Display map] (kaart tonen).
ADe op de kaart weergegeven
POI-iconen kunnen worden
ingesteld.
BDe op de kaart weergegeven
informatie kan worden ingesteld.
Verwante onderwerpen
Weergeven van POI-iconen (Blz. 152)
Kaartinstellingen (Blz. 153)
4-2. Kaartinformatie
151
4
Navigatie
Weergeven van POI-iconen
POI-iconen, bijvoorbeeld voor een restaurant, kunnen op de kaart worden
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies de POI die u op het
kaartscherm wilt weergeven.
Kies [Edit POI] (bewerken POI) om
een ander dan het weergegeven
genre POI in te stellen.
INFORMATIE
POI's die niet in de kaartgegevens zijn opgenomen, kunnen niet worden
weergegeven.
Als de schaal van de kaart is ingesteld op meer dan 1 km, worden er geen
POI's weergegeven.
Alleen POI's die zich binnen een straal van ongeveer 10 km van het
merkteken voor de actuele locatie [ ] of [ ] bevinden, kunnen worden
weergegeven (maximaal 200 POI's).
Als de schaal van de kaart is ingesteld op 1 km of lager en het aantal weer
te geven POI's een bepaald aantal overschrijdt, verandert de weergave in
een eenvoudige weergave (zodat de wegen duidelijker te zien zijn).
De weergave van nabijgelegen POI's kan ook worden ingesteld op het
scherm voor gedetailleerde navigatie-instellingen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 85)
Instellen van weergegeven POI-iconen
Het wijzigen van opties is tijdens het rijden beperkt.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies [Edit POI] (bewerken POI).
4Kies de geregistreerde POI die u wilt vervangen.
5Kies een nieuwe POI die u wilt registreren.
4-2. Kaartinformatie
152
Kaartinstellingen
De verkeersinformatie, enz. kan op het kaartscherm worden weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart
tonen).
AHiermee kunt u de weergave van
de verkeersinformatie wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
BHiermee kunt u de weergave van
dichtbij op de straat parkeren
wijzigen tussen weergegeven/
verborgen.
CHiermee kunt u de weergave van
afslagen op de snelweg wijzigen tussen weergegeven/verborgen.
DHiermee kunt u de weergave van de gereden route (traceer route) wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
Wanneer dit wordt gewijzigd naar verborgen, wordt er een pop-up
weergegeven waarin wordt gevraagd om het verwijderen van opgeslagen
informatie te bevestigen.
EHiermee kunt u de weergave van de flitscamera wijzigen tussen
weergegeven/verborgen.*1*2
FHiermee kunt u de kaartweergave wijzigen tussen de normale kaart, de
kompaskaart en de weerkaart.
Verwante onderwerpen
Op straat parkeren (Blz. 153)
Weergeven van de gereden route (routetracé) (Blz. 154)
Flitscamera's (Blz. 154)
Verkeersinformatie (Blz. 155)
Op straat parkeren
Als [On street parking] (op straat parkeren) is ingeschakeld in de
kaartinstellingen, worden de parkeermogelijkheden op straat in de
buurt van de auto getoond. Als deze instelling uit staat, worden de
parkeermogelijkheden op straat in de buurt van de bestemming getoond.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
4-2. Kaartinformatie
153
4
Navigatie
Kies [ ] op het kaartscherm.
Informatie over parkeren op straat
wordt getoond op de kaart. De
weergegeven kleur is afhankelijk
van de beschikbare hoeveelheid
parkeerplaatsen.
Informatie over parkeren op straat wordt niet getoond als de schaal van
de kaart 1:5000 of meer is (1 cm = 50 m).
Weergeven van de gereden route (routetracé)
Ongeveer 1000 km van een gereden route kan worden opgeslagen en
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Route trace] (gereden route).
INFORMATIE
Als de opgeslagen gereden afstand de limiet overschrijdt, wordt het oudste
routetracé gewist en het nieuwe routetracé opgeslagen.
De gereden route kan worden weergegeven op een kaartschaal tussen
1:2.500 en 1:5.120.000.
Verwante onderwerpen
Kaartinstellingen (Blz. 153)
Flitscamera's*1*2
Flitscamera's kunnen als iconen worden weergegeven op de kaart.
4-2. Kaartinformatie
154
ALocatie van een flitscamera op de
kaart.
BGeeft informatie weer over het
icoon van en de afstand tot de
flitscamera.
INFORMATIE
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de
schaal van de kaart.
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de
beschikbare kaartgegevens.
De weergave van bovenstaande items kan worden uitgeschakeld.
Afhankelijk van de contentmanagementvoorwaarden, wordt de actuele locatie
van camera's mogelijk niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding (Blz. 91)
Verkeersinformatie
Verkeersinformatie kan worden ontvangen via IP-Traffic en worden
weergegeven op het kaartscherm.
Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u een actieve
gebruiksovereenkomst voor Toyota Smart Center te hebben of een Wi-Fi®-
verbinding.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Traffic] (verkeer).
De verkeersinformatie wordt op het
kaartscherm weergegeven.
Door middel van iconen worden
verkeerssituaties als
wegwerkzaamheden en
ongevallen getoond.
Pijlen geven de richting van de file
aan. De kleur is afhankelijk van de
snelheid.
Druk op het icoon om meer informatie over de verkeerssituatie weer te geven.
4-2. Kaartinformatie
155
4
Navigatie
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
*2 : Alleen 14 inch display
4-2. Kaartinformatie
156
Snelwegmodus
Als u een autosnelweg oprijdt, wordt automatisch de snelwegmodus
weergegeven.
AHiermee kunt u de afstand vanaf
de actuele locatie van de auto
weergeven.
BHiermee kunt u maximaal 8 POI's
voor een faciliteit weergegeven.
Als er meer dan 8 POI's
zijn, wordt een merkteken
weergegeven dat aangeeft dat
er niet-weergegeven POI's zijn.
CHiermee kunt u, als de weergegeven sectie van de route gewijzigd is,
op de kaart terugkeren naar de sectie waarop op dat moment gereden
wordt.
4-2. Kaartinformatie
157
4
Navigatie
Zoeken van bestemming
Zoeken van een bestemming
U kunt een bestemming zoeken en instellen op het scherm voor het zoeken
van een bestemming.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Het scherm voor het
zoeken van een bestemming
wordt weergegeven. Kies de
gewenste zoekmethode.
3Het scherm met een overzicht van de zoekresultaten wordt
weergegeven. Kies in het overzicht het item dat u als bestemming
wilt instellen.
Als er al een bestemming is ingesteld, kies dan [New destination] (nieuwe
bestemming) of [Add to route] (aan route toevoegen).
Wanneer u gebruikmaakt van Connected Navigation, kunt u ook
bestemmingen zoeken met behulp van content in de cloud.
Verwante onderwerpen
Tussenpunten bewerken (Blz. 172)
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord (Blz. 53)
4-3. Zoeken van bestemming
158
Scherm voor zoeken van bestemming
AHiermee kunt u zoeken met
behulp van een locatienaam,
adres of telefoonnummer.
BHiermee kunt u de tekstcursor
verplaatsen.
CHiermee kunt u een kaart van het
gebied rondom alle als favoriet
geregistreerde punten weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als
een punt als favoriet is geregistreerd.
DHiermee kunt u een kaart met punten uit de
bestemmingengeschiedenis (eerder ingestelde bestemmingen)
weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als er een bestemmingengeschiedenis
is.
EHiermee kunt u een kaart weergeven van de bestemmingen van het
routeplan die u vooraf vanaf een smartphone hebt verzonden.
FHiermee kunt u het zoeken van een route starten met uw huis als
bestemming.
Als er geen thuis is geregistreerd, kunt u dit alsnog doen door [ ] te
kiezen.
GAls de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het
kaartscherm met de volledige route weergegeven. Kies [Go] (ga) om
direct de routebegeleiding te starten.
Verwante onderwerpen
Zoeken via het invoeren van karakters (Blz. 159)
Zoeken in de bestemmingengeschiedenis (Blz. 161)
Zoeken via routeplan (Blz. 161)
Instellen van thuis als bestemming (Blz. 160)
Instellen van een favoriet als bestemming (Blz. 160)
Zoeken via het invoeren van karakters
Er kan een bestemming worden gezocht door een locatienaam, adres of
telefoonnummer in te voeren.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
4-3. Zoeken van bestemming
159
4
Navigatie
2Kies [Where to? (POI, Street, Town etc.)] (Waarheen? POI, straat,
plaats, enz.).
3Voer de locatienaam, het adres, het telefoonnummer, enz. in en
kies [Go] (ga).
Bij elk ingevoerd karakter worden mogelijke bestemmingen gezocht en
weergegeven.
Overeenkomstig de ingevoerde karakters en op basis van eerder
gezochte termen, de bestemmingengeschiedenis en de favorieten, worden
voorspellende zoektermen weergegeven.
Als een zoekopdracht geen resultaten oplevert vanwege een eventuele
typefout, wordt een mogelijk correcte zoekterm weergegeven.
Als het aantal ingevoerde karakters de karakterlimiet overschrijdt, worden de
overtollige karakters verwijderd.
Verwante onderwerpen
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Instellen van thuis als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
Kies [Start] om onmiddellijk de routebegeleiding te starten.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 94)
Instellen van thuis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
3Beweeg de kaart naar de locatie die u wilt registreren en kies [OK].
Instellen van een favoriet als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies de gewenste favoriet.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
4-3. Zoeken van bestemming
160
INFORMATIE
Geregistreerde favoriete punten kunnen ook worden gezocht door hun naam
in te voeren.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 94)
Zoeken in de bestemmingengeschiedenis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Recents] (recent).
3Kies de gewenste bestemming uit de bestemmingengeschiedenis.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
Zoeken via routeplan
Wanneer een routeplan (bestemming, vertrektijd, enz.) is ingesteld met
een smartphone, wordt het navigatiesysteem van de auto op de hoogte
gebracht van het routeplan nadat de bestuurder is ingestapt en kan er
een bestemming worden ingesteld door het geregistreerde routeplan te
selecteren.
Er moet een bestuurder zijn geregistreerd om deze functie te gebruiken.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Trips] (ritten).
3Kies het gewenste routeplan.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
INFORMATIE
Als de auto ver van de bestemming af is geparkeerd, kan de in het
navigatiesysteem van de auto ingestelde bestemming worden verzonden
naar de navigatie-app van de smartphone.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
4-3. Zoeken van bestemming
161
4
Navigatie
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten
Als er bij het zoeken naar een bestemming meerdere zoekresultaten zijn,
wordt er een bestemminglijst weergegeven.
AHiermee kunt u terugkeren naar
het vorige scherm.
BGeeft de invoerkarakters voor de
zoekopdracht weer.
CHiermee kunt u de zoekopties
weergeven.
DGeeft een lijst met zoekresultaten
weer.
Potentiële bestemmingen binnen
een locatie worden ook weergegeven.
EGeeft de locatie van de items in de op dat moment weergegeven lijst op
de kaart weer.
Als na het scrollen van de kaart [Search this area] (zoek in dit
gebied) wordt gekozen, kan er een bestemming worden gezocht
binnen het gebied waar u naartoe bent gescrold.
Zoekopties
Het weergegeven bereik en de volgorde van de lijst met zoekresultaten
kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] op het scherm met een overzicht van de zoekresultaten.
2Stel de zoekopties in.
3Kies [OK] om het wijzigen van de instellingen te voltooien.
4-3. Zoeken van bestemming
162
Toevoegen van een tussenpunt
Als er al een bestemming is ingesteld, kunnen nieuwe bestemmingen
worden toegevoegd als tussenpunten.
Een bestemming zoeken terwijl er al een bestemming is ingesteld.
Er wordt een melding weergegeven wanneer u een bestemming probeert in te
stellen.
[New destination] (nieuwe bestemming): Wis de huidige ingestelde
bestemming en ga zoeken naar een route naar de nieuwe bestemming.
[Add to route] (aan route toevoegen): Voeg het geselecteerde punt toe als
tussenpunt en ga zoeken naar een route naar de bestemming.
INFORMATIE
Een tussenpunt kan worden toegevoegd door een willekeurig punt op het
kaartscherm aan te raken.
Er kunnen maximaal 10 bestemmingen, inclusief tussenpunten, worden
ingesteld.
Het laatst toegevoegde tussenpunt wordt ingesteld als de eerste
bestemming. De volgorde van de bestemmingen kan worden gewijzigd door
de tussenpunten te bewerken.
Verwante onderwerpen
Zoeken van een bestemming (Blz. 158)
Tussenpunten bewerken (Blz. 172)
4-3. Zoeken van bestemming
163
4
Navigatie
Bestemmingen instellen vanaf uw smartphone
NaviBridge
NaviBridge* is een “Send To Car”-app die gemakkelijk bestemmingen
waarnaar is gezocht met behulp van trefwoorden en een groot aantal
compatibele apps op uw smartphone naar het navigatiesysteem van uw
auto kan sturen en deze automatisch kan instellen als bestemming voor de
navigatie.
NaviBridge (voor iOS/Android) kan gratis worden gedownload.
Raadpleeg de volgende website voor meer informatie, zoals
downloadmethoden.
Ondersteuningssite NaviBridge: https://www.navicon.com/navibridge/
support
Verbindingsmethoden:
Verbindingsmethode iOS-apparaat Android-apparaat
Bluetooth® (draadloos)
USB (bedraad) ×
4-3. Zoeken van bestemming
164
Beschikbare functies:
Instellen
bestemming
Meerdere
bestemmingen
Bediening
kaartscherm
Locaties delen met
vrienden
×
*: NaviBridge is een geregistreerd handelsmerk van DENSO Corporation.
4-3. Zoeken van bestemming
165
4
Navigatie
Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige route
Nadat een bestemming is ingesteld, wordt het kaartscherm met de
volledige route weergegeven. Op het kaartscherm met de volledige route
kan de gewenste route worden geselecteerd of kan de route-informatie
worden bekeken.
AGeeft de naam of het adres van
de bestemming weer.
BHiermee kunt u de bestemming
als favoriet registreren.
CGeeft het actuele weer op de
bestemming weer.*1
DGeeft de afstand, de reistijd en
de geschatte aankomsttijd vanaf
het beginpunt tot de bestemming
weer.
Wanneer er meerdere bestemmingen zijn ingesteld, kunt u hiermee
een overzicht met de geschatte aankomsttijd voor elke bestemming
weergeven.
EHiermee kunt u de route-opties weergeven.
FHiermee kunt u de stembegeleiding dempen.
GHiermee kunt u extra informatie over de bestemming weergeven.
HHiermee kunt u informatie met betrekking tot rijbeperkingen
weergeven.*2
Als er op een route rijbeperkingen (uitlaatbeperkingen of trajecten
waar een milieusticker vereist is) gelden, kan meer informatie hierover
worden bekeken. Informatie over beperkingen kan worden gewijzigd
door [ ] of [ ] te kiezen.
IHiermee kunt u een andere route selecteren.
JHiermee kunt u de routebegeleiding starten. Houd uw vinger op deze
toets om een demo van de routebegeleiding naar de bestemming te
starten.
Verwante onderwerpen
Route-instellingen (Blz. 88)
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten (Blz. 162)
Een demo van de routebegeleiding bekijken (Blz. 168)
*1 : Deze functie wordt weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
*2 : Alleen 14 inch display
4-4. Instellen bestemming
166
Wijzigen van route-opties (Blz. 169)
Wijzigen van de route (Blz. 170)
Tussenpunten bewerken (Blz. 172)
4-4. Instellen bestemming
167
4
Navigatie
Een demo van de routebegeleiding bekijken
Alvorens de routebegeleiding te starten kan een demo van de
routebegeleiding worden bekeken.
Houd [Go] (ga) op het scherm met de volledige route ingedrukt.
Kies [ ] of begin te rijden om de demo te beëindigen.
4-4. Instellen bestemming
168
Wijzigen van route-opties
De zoekcriteria voor routes kunnen worden gewijzigd, bijvoorbeeld om
routes met tolwegen en autosnelwegen te vermijden.
1Kies [Route options] (route-opties) op het kaartscherm met de
volledige route.
2Wijzig de instelling voor het
item om de gewenste conditie
in te stellen.
AHiermee kunt u wisselen tussen
vermijden/niet vermijden van
specifieke typen wegen. Bij
de routebegeleiding worden de
typen wegen vermeden die zijn
ingeschakeld.
BHiermee kunt u de volgorde van
ingestelde tussenpunten wijzigen.
CHiermee kunt u tussenpunten op de route toevoegen, verwijderen of
wijzigen.
Verwante onderwerpen
Punten om langs te rijden instellen op een route (Blz. 171)
Tussenpunten bewerken (Blz. 172)
4-4. Instellen bestemming
169
4
Navigatie
Wijzigen van de route
Er kan een gewenste route worden gekozen uit verschillende soorten
routes.
1Kies [Alt route] op het kaartscherm met de volledige route.
2Selecteer de gewenste route en kies [OK].
INFORMATIE
Nieuwe alternatieve routes worden achtereenvolgens weergegeven.*1
De route kan worden gewijzigd door deze direct op het kaartscherm met
de volledige route aan te raken.
*1 : Deze functie wordt alleen weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
4-4. Instellen bestemming
170
Punten om langs te rijden instellen op een route
Nadat een bestemming is ingesteld, kunt u punten om langs te rijden op
een route instellen.
1Kies [ ] op het instelscherm
voor tussenpunten.
2Kies het punt dat u als tussenpunt wilt toevoegen op de kaart en
kies [OK].
[ ]: Wis het desbetreffende tussenpunt.
4-4. Instellen bestemming
171
4
Navigatie
Tussenpunten bewerken
Tussenpunten kunnen worden verwijderd of de volgorde kan worden
gewijzigd.
1Kies [Move up] (omhoog) of
[Move down] (omlaag) om de
volgorde van de tussenpunten
te wijzigen.
[ ]: Wis het desbetreffende
tussenpunt.
2Kies [OK].
Verwante onderwerpen
Zoeken van een bestemming (Blz. 158)
4-4. Instellen bestemming
172
Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm
Tijdens de routebegeleiding wordt op relevante punten, zoals kruispunten
en knooppunten, eenvoudig te begrijpen gesproken en visuele begeleiding
geboden.
AGeeft de afstand en de geschatte aankomsttijd vanaf de actuele locatie
van de auto naar de bestemming weer.
Als er van de route is afgeweken, wordt de geschatte aankomsttijd niet
weergegeven. In plaatst daarvan wordt de rechtstreekse afstand tot de
bestemming weergegeven.
Hiermee kunt u het kaartscherm met de volledige route weergeven.
BGeeft de afstand tot de volgende afslag en de richting van de afslag
weer.
Hiermee kunt u een wegenoverzicht tot aan de bestemming weergeven.
CGeeft de route naar de bestemming weer.
Raadpleeg het instellen van de kaartweergave voor meer informatie
over het instellen van de weergavekleur van de route.
DGeeft het dichtstbijzijnde kruispunt/knooppunt weer dat tijdens de
routebegeleiding moet worden gepasseerd of waar moet worden
afgeslagen.
EHiermee kunt u de routebegeleiding beëindigen. Wanneer er
meerdere bestemmingen zijn ingesteld, kies dan [Delete destination]
(bestemming wissen) om alle bestemmingen te wissen en de
routebegeleiding te beëindigen of kies [Delete next destination]
(volgende bestemming wissen) om alleen de volgende bestemming te
wissen en door te gaan met de routebegeleiding.
Als de route niet kan worden gezocht, wordt er een melding
weergegeven op het scherm.
In de volgende situaties wordt er een kompasscherm weergegeven:*1
Wanneer er geen kaartgegevens beschikbaar zijn
*1 : Alleen bij gebruik van Connected Navigation (zonder geïntegreerd
navigatiesysteem)
4-5. Routebegeleiding
173
4
Navigatie
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 85)
Rijstrookweergaveschermen (Blz. 175)
4-5. Routebegeleiding
174
Rijstrookweergaveschermen
Wanneer tijdens de routebegeleiding een kruising/knooppunt wordt
genaderd waar moet worden afgeslagen, wordt er een vergrote weergave
van de kruising weergegeven.
Vergrote weergave van kruispunt
Er wordt kruispuntenbegeleiding gegeven wanneer u een kruispunt nadert
waarop u moet afslaan. Net voor het kruispunt verschijnt tevens een
vergrote weergave van het kruispunt.
AHiermee kunt u de namen van
wegen die u passeert of waarop
u afslaat weergeven.
BHiermee kunt u de afstand vanaf
de actuele locatie weergeven.
CHiermee kunt u de vergrote
weergave van het kruispunt
sluiten.
INFORMATIE
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt niet bij kruispunten
waarover geen informatie beschikbaar is in de kaartgegevens.
De vergrote weergave van het kruispunt wijkt mogelijk af van het werkelijke
kruispunt.
Direct na het starten van de routebegeleiding wordt er mogelijk geen
kruispuntenbegeleiding gegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt mogelijk vroeger of later.
Als zich kruispunten waarop u moet afslaan dicht bij elkaar bevinden, wordt de
vergrote weergave van het kruispunt continu weergegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt voor kruispunten waarop u
moet afslaan. Er wordt geen kruispuntenbegeleiding gegeven voor kruispunten
vóór het kruispunt waarop u moet afslaan.
De resterende afstand die wordt weergegeven op de vergrote weergave van
het kruispunt wijkt mogelijk af van de weergave op het multi-informatiedisplay.
De vergrote weergave van het kruispunt op het display van het
navigatiesysteem wijkt mogelijk af van de weergave op het multi-
informatiedisplay.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding (Blz. 91)
4-5. Routebegeleiding
175
4
Navigatie
3D-overzichtsweergave
Om een naderende afslag te verduidelijken kan er tijdens de
routebegeleiding een vergrote weergave in 3D worden getoond van het
kruispunt.
Kies [ ] om de vergrote weergave
te annuleren.
4-5. Routebegeleiding
176
Opnieuw zoeken van een route
Tijdens de routebegeleiding kan de route opnieuw worden gezocht (zelfs
wanneer er van de route is afgeweken).
1Kies [] op het kaartscherm.
2Kies [Route options] (route-opties) of [Alt route] (Alt. route).
3Kies de zoekcriteria.
4Kies [OK].
Verwante onderwerpen
Wijzigen van route-opties (Blz. 169)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 166)
Wijzigen van de route (Blz. 170)
4-5. Routebegeleiding
177
4
Navigatie
Specifieke stembegeleidingstermen
De stembegeleiding van het navigatiesysteem geeft verscheidene
meldingen wanneer u een kruispunt of andere plekken waar het nodig is
om de auto van richting te veranderen, nadert.
INFORMATIE
Stembegeleiding wordt mogelijk eerder of later gegeven.
Het is mogelijk dat u geen stembegeleiding hoort of dat er geen vergroot
kruispunt wordt weergegeven als het navigatiesysteem de actuele locatie niet
kan vaststellen.
WAARSCHUWING
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de verkeerssituatie,
vooral op IPD-wegen (wegen die niet volledig gedigitaliseerd zijn). De
routebegeleiding beschikt niet altijd over de meest recente informatie over
verkeerssituaties, zoals de rijrichting van eenrichtingswegen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Instellingen begeleiding (Blz. 91)
4-5. Routebegeleiding
178
Kaartupdate
Databaseversie kaart en dekkingsgebied
Dekkingsgebieden en juridische informatie kunnen worden weergegeven
en kaartgegevens kunnen worden bijgewerkt.
Kaartinformatie weergeven
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map update] (kaartupdate).
4Controleer of het
kaartinformatiescherm wordt
weergegeven.
AHiermee kunt u het
dekkingsgebied van de kaart en
de kaartversie weergeven.
BHiermee kunt u de kaart updaten.
CHiermee kunt u juridische
informatie weergeven.
Neem voor updates van de kaartgegevens contact op met een erkende Lexus-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
4-6. Kaartupdate
179
4
Navigatie
4-6. Kaartupdate
180
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio........ 182
Naar DAB luisteren .............. 185
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio .... 188
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via een USB-stick .............. 189
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 191
Videobestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 194
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via iPod/iPhone.................. 197
Afspelen vanaf een iPod/
iPhone................................ 198
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Apple CarPlay .............. 201
Afspelen via Apple CarPlay . 202
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Android Auto ................ 205
Android Auto afspelen ......... 206
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-
audio .................................. 208
Bluetooth®-audio afspelen ... 210
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Miracast®..................... 213
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten ...... 214
Afspelen via Miracast®......... 215
181
5
Audiosysteem
Bediening van de radio
Luisteren naar de radio
Luister naar de radio op uw favoriete station.
INFORMATIE
Wanneer het station in stereo uitzendt, zal de radio automatisch overschakelen
naar stereo-ontvangst.
Als een stereo-uitzending zwak wordt en gaat storen, zal de mate waarin de
kanalen gescheiden worden automatisch worden verminderd tot het laagste
ruisniveau bereikt is. Wanneer de ontvangst erg zwak wordt, zal de radio op
mono-ontvangst overgaan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [FM].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Maak een keuze uit de lijst met vooraf
vastgelegde radiozenders.
[Station list] (zenderlijst) : Maak een keuze uit de lijst met beschikbare
radiozenders.
[Direct tune] (direct afstemmen) : Selecteer een radiozender door een
frequentie in te voeren met de numerieke toetsen.
5Bedien de radio naar wens.
Bediening vanaf het scherm
[Seek] (zoek) : Kies [ ] of [ ] om de dichtstbijzijnde radiozender
met een goede ontvangst te selecteren. Houd de toets ingedrukt
om naar een bepaalde frequentie te gaan. Zodra de toets wordt
losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde radiozender met
een goede ontvangst geselecteerd.
5-1. Bediening van de radio
182
[Scan] : Zoek automatisch alle radiozenders af in de richting van de
hoogste frequentie.
Elke radiozender wordt gedurende ongeveer 5 seconden
afgespeeld. Druk nogmaals op de toets om bij de huidige
radiozender te blijven.
[ ] : Legt de huidige radiozender vast als voorkeurzender. Kies
deze toets nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met de
radiozender mee worden gestuurd.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op
de geselecteerde radiozender.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
Toets [<]/[>]
Indien gekozen via het scherm "Presets" (voorkeurzenders): bladert door
de lijst met vooraf vastgelegde radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Station list" (zenderoverzicht): bladert
door de lijst met beschikbare radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Direct tune" (direct afstemmen):
selecteert de dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde frequentie te gaan.
Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde
radiozender met een goede ontvangst geselecteerd.
5-1. Bediening van de radio
183
5
Audiosysteem
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Indien gekozen via het scherm "Presets" (voorkeurzenders): bladert door
de lijst met vooraf vastgelegde radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Station list" (zenderoverzicht): bladert
door de lijst met beschikbare radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Direct tune" (direct afstemmen):
selecteert de dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde frequentie te gaan.
Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde
radiozender met een goede ontvangst geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-1. Bediening van de radio
184
Naar DAB luisteren*1
Ga naar uw favoriete zender en luister naar DAB.
INFORMATIE
De afspeelbare tijd met Time Shift varieert afhankelijk van de opgenomen bitrate
van DAB, de grootte van het geheugen van de DAB-eenheid en het tijdstip
waarop de ontvangst van de uitzending start.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [DAB].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Selecteer de service uit de services die
als voorkeuzezender zijn vastgelegd.
[Station list] (zenderlijst) : Selecteer de service uit het overzicht met
services.
[Manual tune] (handmatig afstemmen) : Stem handmatig op een
radiozender af. Selecteer de radiozender door [Ensemble] of [Service]
te selecteren.
5Bedien de radio naar wens.
Bediening vanaf het scherm
[ ]/[ ] : Gebruik de time shift-functie om nogmaals naar de
service te luisteren waar u op dat moment naar luistert. Hiermee kunt
u het afspelen van de service 10 seconden vooruit- of terugspoelen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen.
[Live] : Laat de toets voor time shift los om naar de service te
luisteren die op dat moment wordt uitgezonden.
[ ] : Legt de huidige service vast als voorkeuzezender. Kies deze
toets nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
*1 : Indien aanwezig
5-1. Bediening van de radio
185
5
Audiosysteem
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met DAB mee
worden gestuurd.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op
de geselecteerde service.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
Toets [<]/[>]
Indien gekozen via het scherm "Presets (voorkeurzenders)" bladert door
de lijst met vooraf vastgelegde services.
Indien gekozen via het scherm "Station list (zenderlijst)" bladert door de
lijst met beschikbare services.
Indien gekozen via het scherm "Manual tune (handmatig afstemmen)"
selecteert automatisch de dichtstbijzijnde service met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde service te gaan. Zodra de
toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde service met
een goede ontvangst geselecteerd.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
5-1. Bediening van de radio
186
Indien gekozen via het scherm "Presets (voorkeurzenders)" bladert door
de lijst met vooraf vastgelegde services.
Indien gekozen via het scherm "Station list (zenderlijst)" bladert door de
lijst met beschikbare services.
Indien gekozen via het scherm "Manual tune (handmatig afstemmen)"
selecteert automatisch de dichtstbijzijnde service met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde service te gaan. Zodra de
toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde service met
een goede ontvangst geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-1. Bediening van de radio
187
5
Audiosysteem
Internetradio
Gebruik van internetradio
Tijdens het luisteren naar de radio via FM/DAB is er extra informatie
beschikbaar zoals de titel van het nummer, de hoes en het logo van
de radiozender. Deze informatie kan worden opgehaald en weergegeven
vanaf de server van Gracenote via DCM of Wi-Fi®.
Als het systeem een internetverbinding heeft via DCM of Wi-Fi® kan er bij
een slechte ontvangst van het radiosignaal worden overgeschakeld naar
ontvangst via internet. Hierdoor kunt u de uitzending toch blijven volgen.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Mogelijk worden niet alle zenders ondersteund.
Bij een slechte ontvangst van het radiosignaal kan er worden overgeschakeld
op internetradio.
Bij gebruik van internetradio zal het systeem automatisch overschakelen naar
de analoge uitzending zodra het radiosignaal gedurende langere tijd voldoende
sterk is.
Schakelt internetradio in en uit of wijzigt de instelling voor overschakelen naar
internetradio tussen automatisch en handmatig.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
5-2. Internetradio
188
Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via een
USB-stick
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via een USB-stick.
INFORMATIE
Het verwijderen van een USB-stick of het losnemen van een aangesloten
apparaat tijdens het afspelen, kan een storend geluid veroorzaken.
Wanneer een USB-stick is aangesloten en er van een andere bron naar de
USB-stick wordt overgeschakeld, wordt het eerste bestand op de USB-stick
afgespeeld. Als dezelfde USB-stick (zonder gewijzigde content) nogmaals
wordt aangesloten, zal het laatst afgespeelde nummer worden gestart.
Het lezen van een bestand in een niet-ondersteund formaat kan de werking
negatief beïnvloeden.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan
alleen het apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de USB-stick te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat geen USB-stick in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de USB-stick defect kan raken.
Druk niet op de USB-stick en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De USB-stick of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De USB-stick of de aansluiting
kan beschadigd raken.
Afspelen van MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis
Wanneer een USB-stick met MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/ALAC-/Ogg
Vorbis-bestanden wordt aangesloten, worden eerst alle bestanden op de
USB-stick gecontroleerd.
Het wordt aanbevolen om uitsluitend MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/
ALAC-/Ogg Vorbis-bestanden en geen onnodige mappen op de USB-stick
te zetten. Dit zorgt ervoor dat de controle van de USB-stick snel wordt
voltooid.
5-3. Bediening USB-stick
189
5
Audiosysteem
INFORMATIE
Voor MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis zijn vele soorten
coderingssoftware, zoals freeware, op de markt verkrijgbaar. Afhankelijk van
de coderingsvoorwaarde of het bestandsformaat, kan de geluidskwaliteit
verslechteren, kan er ruis optreden bij het starten van het afspelen of is afspelen
wellicht niet mogelijk.
OPMERKING
Voeg geen onjuiste extensie toe aan een bestand. Het toevoegen van een
extensie aan een bestand die niet overeenkomt met de bestandsinhoud kan ertoe
leiden dat bestanden onjuist worden herkend en afgespeeld. Dit zal een hard
geluid produceren, waardoor de luidsprekers beschadigd kunnen raken.
Voorbeelden van een onjuiste extensie:
Het toevoegen van de extensie ".mp3" aan een bestand dat geen MP3-bestand
is
Het toevoegen van de extensie ".wma" aan een bestand dat geen WMA-
bestand is
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Informatie over media die kunnen worden gebruikt (Blz. 346)
Informatie over formaat (Blz. 346)
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld vanaf USB-
sticks (Blz. 349)
Informatie over USB-geheugens (Blz. 352)
5-3. Bediening USB-stick
190
Muziekbestanden afspelen vanaf een USB-stick
Het is mogelijk om muziekbestanden af te spelen vanaf een USB-stick
die op de USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-stick
is aangesloten, wordt er een toets met de naam van het apparaat
weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige
apparaten mogelijk niet weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Music] (muziek).
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer deze toets wordt gekozen, wijzigt de modus
tussen het in willekeurige volgorde afspelen van alle bestanden of
nummers, het annuleren van het in willekeurige volgorde afspelen
en het in willekeurige volgorde afspelen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het
bestand of het nummer bent, wordt het vorige bestand of nummer
vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
5-3. Bediening USB-stick
191
5
Audiosysteem
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer deze toets wordt gekozen, wijzigt de modus
tussen het herhalen van het bestand of nummer dat op dat
moment wordt afgespeeld, het herhalen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert of het herhalen van alle
bestanden of nummers.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de
volgende categorieën:
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de
artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Folders] (mappen) : Selecteer een nummer via de naam van de
map.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de
naam van de componist.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
Toets [<]/[>]
Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
5-3. Bediening USB-stick
192
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-3. Bediening USB-stick
193
5
Audiosysteem
Videobestanden afspelen vanaf een USB-stick
Het is mogelijk om audio- en videobestanden af te spelen vanaf een
USB-stick die op de USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-
stick is aangesloten, wordt er een toets met de naam van het apparaat
weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige
apparaten mogelijk niet weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Video].
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze
vertraagd af te spelen.
[Move] (verplaats) : Verplaatst de bedieningstoetsen.
Verplaats de bedieningstoetsen als ze de video hinderlijk
overlappen.
5-3. Bediening USB-stick
194
[ ] : Geeft het bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te
geven.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze
vertraagd af te spelen.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Map- of bestandsnamen in het submenu : Kies de naam van een
map of van het af te spelen bestand.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
5-3. Bediening USB-stick
195
5
Audiosysteem
Type A
Toets [<]/[>]
Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Overschakelen naar een andere schermmodus (Blz. 100)
Instellen van de beeldkwaliteit (Blz. 101)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-3. Bediening USB-stick
196
Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/
iPhone
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via iPod/iPhone.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via een USB-kabel
verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Het losnemen van een aansluiting of het losnemen van een aangesloten
apparaat terwijl de iPod/iPhone-modus is ingeschakeld, kan een storend geluid
veroorzaken.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan
alleen het apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
Als er een iPod/iPhone is aangesloten en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar iPod/iPhone zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPod/iPhone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat de iPod/iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de iPod/iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPod/iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze
is aangesloten. De iPod/iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPod/iPhone of de
aansluiting kan beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Informatie iPod (Blz. 350)
5-4. Bediening iPod/iPhone
197
5
Audiosysteem
Afspelen vanaf een iPod/iPhone
Speel muziekbestanden af op een iPod/iPhone die is aangesloten op
de USB-aansluiting. Wanneer een iPod/iPhone is aangesloten, wordt
er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op het
selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk
niet weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone,
ziet de afbeelding van de albumhoes er mogelijk korrelig uit of gaat het scrollen
door de lijst mogelijk traag.
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone,
kunnen sommige handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Sluit een iPod of iPhone aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Bedien indien nodig de iPod/iPhone die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
5-4. Bediening iPod/iPhone
198
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het
herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de
volgende categorieën:
[Playlists] (afspeellijsten) : Selecteer een nummer uit de
afspeellijst.
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de
artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de
naam van de componist.
[Radio] : Selecteer een nummer via iTunes Radio.
[Audiobooks] (audioboeken) : Selecteer een nummer via de
naam van het audioboek.
[Podcasts] : Selecteer een nummer via de naam van de podcast.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
5-4. Bediening iPod/iPhone
199
5
Audiosysteem
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-4. Bediening iPod/iPhone
200
Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple
CarPlay
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via Apple CarPlay.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer Android Auto is verbonden.
Als een apparaat met Apple CarPlay via USB is aangesloten, kan het
loskoppelen een storend geluid veroorzaken.
Als er een iPhone is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar Apple CarPlay zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPhone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat de iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPhone of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
5-5. Bediening Apple CarPlay
201
5
Audiosysteem
Afspelen via Apple CarPlay
Speel muziekbestanden af op een iPhone die is aangesloten op de USB-
aansluiting of op een draadloos aangesloten iPhone. Wanneer verbinding
is gemaakt met Apple CarPlay, wordt er een toets met de naam van het
apparaat weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor
sommige apparaten mogelijk niet weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPhone, kunnen
sommige handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Wanneer bijvoorbeeld het nummer niet normaal wordt afgespeeld of het geluid
overslaat, werk dan de iOS bij naar de nieuwste versie. Bijwerken lost mogelijk
de problemen op.
Maak verbinding met Apple CarPlay.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Apple CarPlay] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Apple CarPlay die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het nummer bent, wordt het vorige
nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
5-5. Bediening Apple CarPlay
202
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u tijdens het herhalen deze toets kiest, wijzigt de
instelling voor het herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Open CarPlay] : Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Type A
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
5-5. Bediening Apple CarPlay
203
5
Audiosysteem
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone (Blz.
133)
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone (Blz. 136)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
5-5. Bediening Apple CarPlay
204
Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via
Android Auto
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via Android Auto.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt in combinatie met Apple CarPlay.
Als een apparaat met Android Auto via USB is aangesloten, kan het
loskoppelen een storend geluid veroorzaken.
Als er een Android-apparaat is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar Android Auto zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om het Android-apparaat te
bedienen tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat het Android-apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor het Android-apparaat defect kan raken.
Druk niet op het Android-apparaat en oefen geen onnodige druk hierop uit
terwijl het apparaat is aangesloten. Het Android-apparaat of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het Android-apparaat of de
aansluiting kan beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
5-6. Bediening Android Auto
205
5
Audiosysteem
Android Auto afspelen
Speel muziekbestanden af op een Android-apparaat dat is aangesloten
op de USB-aansluiting. Wanneer een Android-apparaat is aangesloten,
wordt er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op het
selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk
niet weergegeven.
Verbinding maken met Android Auto
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Android Auto] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Android Auto die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Open Android Auto] (Android Auto openen) : Geeft het Android
Auto-scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
5-6. Bediening Android Auto
206
Type A
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Nummer wijzigen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
5-6. Bediening Android Auto
207
5
Audiosysteem
Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio
Let bij het afspelen van Bluetooth®-audio goed op onderstaande informatie.
INFORMATIE
Voor gebruik is registratie van de mobiele telefoon of andere draagbare
Bluetooth®-audiospeler (hierna draagbaar apparaat genoemd) in het
multimediasysteem vereist.
Vergeet niet dat sommige functies mogelijk beperkt beschikbaar zijn,
afhankelijk van het type draagbare speler.
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is
gemaakt met Apple CarPlay.
Gelijktijdig gebruik met een draadloos apparaat kan de communicatie met
beide apparaten negatief beïnvloeden.
Wanneer de Wi-Fi®-functie wordt ingeschakeld in de instellingen van
het multimediasysteem, wordt het geluid van Bluetooth®-audio mogelijk
onderbroken.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient uit veiligheidsoverwegingen het draagbare apparaat niet te
bedienen tijdens het rijden.
De antenne voor Bluetooth®-communicatie is in het multimediasysteem
ingebouwd.
Gebruikers van elektrische medische apparatuur anders dan geïmplanteerde
pacemakers, CRT-pacemakers en geïmplanteerde hartdefibrillatoren moeten
voor gebruik contact opnemen met hun arts en de fabrikant van deze
producten om te informeren of elektrische signalen de werking van deze
apparatuur negatief kunnen beïnvloeden.
OPMERKING
Laat het draagbare apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor het draagbare apparaat defect kan raken.
Druk niet op het aangesloten draagbare apparaat en oefen er geen onnodige
druk op uit. Het draagbare apparaat of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het draagbare apparaat of de
aansluiting kan beschadigd raken.
Gebruik een draagbaar apparaat niet in de buurt van het multimediasysteem.
Als u dit te dichtbij brengt, kan de kwaliteit van het geluid of de verbinding
verslechteren.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
208
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 103)
Bluetooth®-informatie (Blz. 353)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 110)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 114)
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
209
5
Audiosysteem
Bluetooth®-audio afspelen
Door een draagbaar apparaat aan te sluiten, kan het draagbare apparaat
worden gebruikt zonder het rechtstreeks te bedienen.
INFORMATIE
Onderstaande informatie wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van het
draagbare apparaat dat is aangesloten:
Mapnaam
Naam van het nummer
Naam van het album
Naam van de artiest
Afspeeltijd
Totale tijd
Afspelen in willekeurige volgorde
Herhalen
Afspelen/pauze
Volgend/vorig nummer
Afhankelijk van het aangesloten apparaat kunnen de volgende problemen
optreden:
De bediening kan niet worden uitgevoerd vanaf het multimediasysteem.
De bediening of het volume wijkt af.
De weergave van gegevens zoals informatie over een nummer of de tijd
verschilt mogelijk tussen het multimediasysteem en het draagbare apparaat.
Mogelijk wordt de verbinding verbroken wanneer het afspelen stopt.
Bij langdurig spelen kan het geluid overslaan.
Wanneer een draagbaar apparaat is aangesloten, kan het volume afwijken,
afhankelijk van het draagbare apparaat.
Er kan een draagbaar apparaat worden aangesloten op het
multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [Bluetooth].
4Bedien indien nodig het Bluetooth®-audioapparaat dat wordt
afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
210
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Kies deze toets om het afspelen te onderbreken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het
herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Mapnamen of namen van nummers in het submenu : Kies de
mapnaam of de naam van het af te spelen bestand.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per uitvoering.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
211
5
Audiosysteem
Type A
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Type B
Toets [<]/[>]
Deze toets kan worden gebruikt als deze via persoonlijke
voorkeursinstellingen is ingesteld als favoriete stuurwieltoets. Raadpleeg
de "handleiding van de auto" voor de procedure voor persoonlijke
voorkeursinstellingen.
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
212
Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via
Miracast®
Houd rekening met de volgende informatie bij het afspelen via Miracast®.
INFORMATIE
Het apparaat is aangesloten via Wi-Fi® (P2P-modus).
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is
gemaakt met Apple CarPlay.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
De weergegeven Miracast®-namen verschillen per apparaat.
Wanneer de Wi-Fi®-netwerkverbinding is ingeschakeld, kunnen de
communicatie van de Wi-Fi®-netwerkverbinding en de Miracast®-communicatie
elkaar beïnvloeden. Hierdoor kan het beeld vervormen of de audio haperen.
WAARSCHUWING
Sluit de smartphone of tablet niet aan en bedien deze niet tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone of tablet niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor de smartphone of tablet defect kan raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 125)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 103)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
5-8. Bediening Miracast®
213
5
Audiosysteem
Aansluiten van Miracast®-compatibele apparaten
Android-smartphones en -tablets die Miracast® ondersteunen, kunnen
worden aangesloten.
Raadpleeg de handleiding en overige documentatie van het apparaat om
vast te stellen of het gebruikte apparaat Miracast® ondersteunt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Dit zorgt ervoor dat Miracast®-
compatibele apparaten
verbinding kunnen maken.
Raadpleeg de handleiding van
het apparaat voor meer informatie
over de bediening van het
apparaat.
Begin de verbindingsprocedure
opnieuw vanaf het begin als
een scherm wordt weergegeven
waarop wordt gemeld dat het niet is gelukt om verbinding te maken.
5Controleer de apparaatnaam en kies vervolgens [OK].
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 103)
5-8. Bediening Miracast®
214
Afspelen via Miracast®
Muziek en video's op een smartphone of tablet kunnen via het
multimediasysteem worden afgespeeld.
INFORMATIE
Het Miracast®-volume verschilt mogelijk per aangesloten apparaat.
Het geluid wordt uitgeschakeld wanneer de Wi-Fi®-verbinding wordt verbroken.
Sluit een Miracast®-compatibel apparaat aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Bedien indien nodig de Miracast®-content die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Geeft het bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te
geven.
[ ] : Geeft de in te stellen
items weer.
[ ] : Wijzigt de weergave
naar het volledige scherm.
[Disconnect]
(ontkoppelen) : Verbreek de
verbinding met Miracast®.
Het geluid wordt
uitgeschakeld.
5-8. Bediening Miracast®
215
5
Audiosysteem
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 97)
Overschakelen naar een andere schermmodus (Blz. 100)
Instellen van de beeldkwaliteit (Blz. 101)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 102)
5-8. Bediening Miracast®
216
6Handsfree bellen
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen ................ 218
Voorzorgsmaatregelen
wanneer u de auto
verkoopt of wegdoet .......... 222
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert ... 223
6-2. Handsfree bellen met behulp
van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen (type A) ... 227
Bedienen met de
stuurwieltoetsen (type B) ... 229
6-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis........... 231
Bellen via de lijst met
favorieten ........................... 233
Bellen vanuit contactenlijst .. 234
Bellen via het toetsenblok.... 235
Pechhulp van Lexus bellen.. 236
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal ...... 237
6-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden ..... 238
Oproepen weigeren ............. 240
6-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het
belscherm .......................... 241
Een onderbroken oproep
beantwoorden .................... 243
Iemand anders bellen
tijdens een lopend gesprek 245
Een conferencecall starten .. 246
Beëindigen van gesprekken 247
6-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen ................ 248
6-7. Bewerken van
contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens................ 250
Nieuwe contactgegevens
aan contacten toevoegen .. 255
Favorieten registreren.......... 258
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de
berichtfunctie ..................... 260
Bellen via de berichtfunctie.. 265
217
6
Handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen
Door het aansluiten van een Bluetooth® mobiele telefoon (hierna “mobiele
telefoon” genoemd) die door het systeem is geverifieerd, kan de
telefoonfunctie worden gebruikt om telefoongesprekken te starten en te
ontvangen zonder de mobiele telefoon rechtstreeks te bedienen. Dit staat
bekend als handsfree bellen.
De mobiele telefoon moet de specificaties van het multimediasysteem
ondersteunen om er verbinding mee te kunnen maken. Maar houd er
rekening mee dat sommige functies beperkt beschikbaar zijn, afhankelijk
van het type mobiele telefoon.
Zelfs wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto kan
het scherm voor handsfree bellen mogelijk niet worden weergegeven,
afhankelijk van de omstandigheden.
INFORMATIE
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het gebruik van de
mobiele telefoon met de handsfree-functie.
De handsfree-functie kan pas worden gebruikt als de mobiele telefoon
geregistreerd is in het multimediasysteem en verbonden is via Bluetooth®.
Registreer eerst een mobiele telefoon om handsfree te kunnen bellen.
Verzeker u ervan dat de mobiele telefoon gebruik kan maken van de
Bluetooth®-connectiviteit.
Tijdens het afspelen van audio via Bluetooth® kunnen bij het starten of
ontvangen van een telefoongesprek de weergave op het scherm en de
toets- of beltoon vertraagd zijn.
Er kan niet worden gegarandeerd dat het multimediasysteem werkt met alle
Bluetooth®-apparaten.
De volgende problemen kunnen zich voordoen, afhankelijk van het type
mobiele telefoon.
Als het contact wordt bediend tijdens een handsfree gesprek, kan de
verbinding worden verbroken.
Mogelijk wordt het oproepscherm niet weergegeven of wordt het belscherm
weergegeven zolang de andere partij de telefoon nog niet heeft opgenomen.
Zelfs wanneer het nummer wordt ingevoerd via het numerieke toetsenbord
op het oproepscherm, worden de toetstonen mogelijk niet doorgestuurd,
afhankelijk van de mobiele-serviceprovider.
Na het kiezen van het nummer kan het nodig zijn om extra handelingen uit te
voeren op de mobiele telefoon.
Handsfree bellen is mogelijk niet beschikbaar in de volgende situaties.
Buiten het dekkingsgebied van de provider
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
218
Wanneer uitgaande oproepen geblokkeerd worden, bijvoorbeeld als het
netwerk overbelast is
Tijdens noodoproepen
Tijdens het synchroniseren van contactgegevens vanuit de mobiele telefoon
Als de kiesvergrendeling is ingeschakeld voor de mobiele telefoon
Als de mobiele telefoon in gebruik is, zoals tijdens het versturen van data
Als de mobiele telefoon defect is
Als de mobiele telefoon niet verbonden is
Als de batterij van de mobiele telefoon bijna leeg is
Als de mobiele telefoon uitgeschakeld is
Als de instellingen voorkomen dat de mobiele telefoon kan worden gebruikt
voor handsfree bellen
Tijdens het overschakelen van datacommunicatie of overbrengen van
contacten naar handsfree bellen met het multimediasysteem. (Tijdens het
overschakelen wordt de Bluetooth®-verbindingsstatus niet weergegeven.)
Als de mobiele telefoon zelf niet kan worden gebruikt vanwege een bepaalde
reden
Als de handsfree-functie gelijktijdig met Wi-Fi® (Wi-Fi® of Miracast®) wordt
gebruikt; de Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt dan mogelijk
verbroken.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon te
bedienen tijdens het rijden.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Bluetooth®-
antennes. Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur
beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op deze apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten
hebben op de werking van dergelijke medische apparatuur.
OPMERKING
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
219
6
Handsfree bellen
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 110)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 113)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 114)
Voorzorgsmaatregelen voor audio bij bellen
Bij een handsfree gesprek kan de in de auto ingebouwde microfoon
worden gebruikt om te praten. Houd rekening met de volgende informatie
bij handsfree bellen.
Bij het ontvangen van oproepen
en het voeren van een
telefoongesprek komt het geluid uit
de luidsprekers aan beide zijden
van de voorstoelen.
Het stemgeluid wordt gedept als
een geluid of beltoon klinkt vanaf
het handsfree-systeem.
INFORMATIE
Wacht tijdens een telefoongesprek met praten totdat de gesprekspartner is
uitgepraat. Indien beide partijen tegelijkertijd spreken, is mogelijk moeilijk te
verstaan wat de ander zegt.
Als het ontvangstvolume te hoog is, is de stem van de gesprekspartner
mogelijk buiten de auto hoorbaar of klinkt er mogelijk een echo.
Praat duidelijk en met luide stem.
In de volgende omstandigheden bent u voor uw gesprekspartner mogelijk
moeilijk te verstaan.
Er wordt op een slecht wegdek gereden.
Er wordt met hoge snelheid gereden.
Het dak of de ruiten zijn geopend.
De uitstroomopeningen van de airconditioning zijn op de microfoon gericht.
Als de ventilator van de airconditioning te veel geluid maakt.
Plaats de mobiele telefoon dichter in de buurt van de microfoon
De geluidskwaliteit wordt negatief beïnvloed (bijv. ruis of echo) als gevolg van
de telefoon en/of het netwerk dat wordt gebruikt.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
220
Als er gelijktijdig andere Bluetooth®-apparaten zijn aangesloten, wordt er
mogelijk ruis gegenereerd in de audio van het handsfree-systeem.
Als het multimediasysteem is geconfigureerd voor het gebruik van de Wi-Fi®-
functie (Wi-Fi® of Miracast®), wordt er mogelijk ruis gegenereerd in de audio
van het handsfree-systeem.
OPMERKING
Raak de microfoon niet aan met scherpe voorwerpen en steek deze er ook niet in.
Hierdoor kunnen storingen optreden.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
221
6
Handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen wanneer u de auto verkoopt of
wegdoet
Wanneer u het handsfree-systeem gebruikt, wordt een groot aantal
persoonlijke gegevens geregistreerd. Zorg ervoor dat u deze gegevens wist
voordat u de auto verkoopt of wegdoet.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in
het multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de
fabrieksstandaard. Het is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie
voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen (Blz. 77)
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
222
Wanneer handsfree bellen mogelijk niet functioneert
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt, raadpleeg dan de
onderstaande tabel voor de mogelijke oorzaak en de oplossing.
Gebruikmaken van handsfree bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Handsfree bellen
werkt niet
Uw mobiele telefoon
ondersteunt geen
Bluetooth®.
Neem voor een overzicht
van specifieke apparaten
die geschikt zijn voor dit
multimediasysteem contact op
met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
Uw mobiele telefoon
ondersteunt niet
de juiste Bluetooth®-
versie.
Gebruik een mobiele telefoon die
de Bluetooth® Core-specificatie
versie 2.1 of hoger ondersteunt.
Mobiele telefoon registreren en verbinden
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Uw mobiele telefoon
kan niet worden
geregistreerd
De
registratieprocedure
van de mobiele
telefoon is niet
voltooid.
Als er een authenticatieverzoek
wordt weergegeven op uw
mobiele telefoon, accepteer dit
dan en ga verder met de
registratieprocedure.
Er is verouderde
registratie-informatie
aanwezig op
hetzij de mobiele
telefoon hetzij het
multimediasysteem.
Verwijder de registratie-informatie
van zowel het multimediasysteem
als de mobiele telefoon en voer
de registratieprocedure opnieuw
uit.
Kan geen verbinding
maken via Bluetooth®
Er is al een
andere mobiele
telefoon verbonden
via Bluetooth®.
Maak handmatig een
Bluetooth®-verbinding met de
mobiele telefoon vanaf het
multimediasysteem.
Bluetooth® is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Zorg ervoor dat het contact in
stand ACC of AAN staat en
schakel Bluetooth® in op de
mobiele telefoon.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
223
6
Handsfree bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan geen verbinding
maken via Bluetooth®
De registratie-
informatie van de
mobiele telefoon is
verwijderd.
Verwijder de registratie-informatie
van zowel het multimediasysteem
als de mobiele telefoon en voer
de registratieprocedure opnieuw
uit.
Bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan niet bellen of
gebeld worden
Buiten het bereik van
een mobiel netwerk
Rijd de auto naar een gebied met
mobiele dekking.
Oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) is
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) uit op de
mobiele telefoon.
Contacten
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan contactgegevens
niet automatisch
of handmatig
overbrengen
De mobiele telefoon
ondersteunt het
overbrengen van
contactgegevens niet.
Neem voor een overzicht
van specifieke apparaten
die geschikt zijn voor dit
multimediasysteem contact op
met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
bij de Bluetooth®-
instellingen van het
multimediasysteem
staat uit.
Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) in bij
de Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
De mobiele
telefoon wacht op
bevestiging om de
contactgegevens over
te brengen.
Bevestig het overbrengen van
contactgegevens op de mobiele
telefoon.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
224
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Op de mobiele
telefoon wordt een
bevestigingsverzoek
weergegeven.
Tijdens de
bevestiging is niet
de optie om
alles te bevestigen
geselecteerd.
Selecteer de optie om alles
te bevestigen op de mobiele
telefoon en ga dan verder.
De contactgegevens
zijn ergens anders
opgeslagen
De contacten zijn
niet opgeslagen in de
mobiele telefoon zelf.
Sla de contacten op in de mobiele
telefoon.
Contactgegevens
kunnen niet worden
gewijzigd
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
bij de Bluetooth®-
instellingen van het
multimediasysteem
staat aan.
Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) uit bij
de Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
Bij gebruik van de Bluetooth®-berichtfunctie
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Berichten kunnen niet
worden bekeken.
Het overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het overbrengen van
berichten op de mobiele telefoon
in (bevestig het overbrengen van
berichten op de telefoon).
Er worden geen
meldingen voor
nieuwe berichten
weergegeven.
Het automatisch
overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het automatisch
overbrengen op de mobiele
telefoon in.
Overige omstandigheden
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Het probleem
verdwijnt niet na het
toepassen van de
mogelijke oplossing.
De mobiele telefoon
bevindt zich te
ver van het
multimediasysteem
vandaan.
Houd de mobiele telefoon dichter
bij het multimediasysteem.
Elektromagnetische
storing.
Zet apparaten uit die
mogelijk elektromagnetische
golven produceren, zoals Wi-Fi®-
apparaten.
Schakel Wi-Fi® uit op het
multimediasysteem.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
225
6
Handsfree bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Het probleem
verdwijnt niet na het
toepassen van de
mogelijke oplossing.
Een probleem met de
mobiele telefoon.
Schakel de mobiele telefoon uit
en verwijder indien mogelijk de
batterij.
Zet Bluetooth® aan op de mobiele
telefoon.
Zet Wi-Fi® uit op de mobiele
telefoon.
Schakel alle beveiligingssoftware
en andere apps die op de
achtergrond actief zijn uit op de
mobiele telefoon.
Controleer of de mobiele telefoon
verbonden is met de juiste
provider en of de apps normaal
functioneren.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon voor meer informatie.
Verwante onderwerpen
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 114)
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat (Blz. 118)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Wi-Fi®-verbinding verbreken (Blz. 129)
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
226
Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A)
Sommige handsfree belfuncties kunnen worden bediend vanaf de
stuurwieltoetsen, zoals bellen of gebeld worden. De functies van de
stuurwieltoetsen kunnen verschillen, afhankelijk van de status van het
multimediasysteem.
Bedien de toetsen indien nodig.
Toets []
Verhoogt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Verlaagt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [ ]
U kunt bellen met behulp van een spraakcommando.
Houd de spraaktoets ingedrukt om het spraakcommando te beëindigen.
Toets [ ]
Wanneer op het multimediasysteem niet het telefoonscherm wordt
weergegeven, wordt het telefoonmenu weergegeven.
Wanneer kan worden gebeld met behulp van het multimediasysteem, kunt u
hiermee iemand bellen.
Wanneer u iemand belt of tijdens een telefoongesprek kunt u hiermee het
gesprek beëindigen.
Wanneer u een oproep ontvangt of wanneer een gesprek in de wacht staat,
kunt u hiermee de oproep beantwoorden.
INFORMATIE
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, drukt u op
[ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of Android Auto op het
multimediasysteem weer te geven.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay en een handsfree telefoon,
drukt u op [ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of het
multimediasysteem weer te geven. De laatst gebruikte functie krijgt prioriteit.
Als geen van beide is gebruikt, krijgt het primaire apparaat prioriteit.
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
227
6
Handsfree bellen
Wanneer er verbinding is met Android Auto en een handsfree telefoon, drukt
u op [ ] om het telefoonscherm van het multimediasysteem weer te
geven.
Wanneer u een oproep ontvangt, kunt u deze beantwoorden door [ ] in te
drukken. Hiermee wordt het telefoonscherm voor de binnenkomende oproep
op de mobiele telefoon weergegeven (handsfree telefoon, Apple CarPlay of
Android Auto).
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
228
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B)
Sommige handsfree belfuncties kunnen worden bediend vanaf de
stuurwieltoetsen, zoals bellen of gebeld worden. De functies van de
stuurwieltoetsen kunnen verschillen, afhankelijk van de status van het
multimediasysteem.
De stuurwieltoetsen zijn van het elektrostatische type. Een toets werkt
wanneer u deze aanraakt. De weergegeven functies van de toetsen en hun
positie kunnen verschillen, afhankelijk van de status van de auto en het
multimediasysteem.
Bedien de toetsen indien nodig.
Toets []
Verhoogt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Verlaagt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [ ]
U kunt bellen met behulp van een spraakcommando.
Houd de spraaktoets ingedrukt om het spraakcommando te beëindigen.
Toets [ ]
Wanneer op het multimediasysteem niet het telefoonscherm wordt
weergegeven, wordt het telefoonmenu weergegeven.
Wanneer kan worden gebeld met behulp van het multimediasysteem, kunt u
hiermee iemand bellen.
Tijdens een telefoongesprek wisselen van gesprekspartner/een
telefoongesprek in de wacht zetten.
Wanneer u een oproep ontvangt of wanneer een gesprek in de wacht staat,
kunt u hiermee de oproep beantwoorden.
Toets [ ]
Wanneer u iemand belt of tijdens een telefoongesprek kunt u hiermee het
gesprek beëindigen.
Een binnenkomende oproep weigeren/een telefoongesprek in de wacht
zetten.
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
229
6
Handsfree bellen
INFORMATIE
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, drukt u op
[ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of Android Auto op het
multimediasysteem weer te geven.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay en een handsfree telefoon,
drukt u op [ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of het
multimediasysteem weer te geven. De laatst gebruikte functie krijgt prioriteit.
Als geen van beide is gebruikt, krijgt het primaire apparaat prioriteit.
Wanneer er verbinding is met Android Auto en een handsfree telefoon, drukt
u op [ ] om het telefoonscherm van het multimediasysteem weer te
geven.
Wanneer u een oproep ontvangt, kunt u deze beantwoorden door [ ] in te
drukken. Hiermee wordt het telefoonscherm voor de binnenkomende oproep
op de mobiele telefoon weergegeven (handsfree telefoon, Apple CarPlay of
Android Auto).
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 130)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
230
Bellen
Bellen vanuit oproepgeschiedenis
Er kan worden gebeld naar telefoonnummers die in de oproepgeschiedenis
zijn opgeslagen als uitgaande of binnenkomende oproepen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Recents] (recent).
3Selecteer het contact.
Voor telefoonnummers die niet bij het
contact zijn geregistreerd, wordt het
telefoonnummer weergegeven zoals
het is.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
De laatste 100 vermeldingen in de oproepgeschiedenis worden
weergegeven. Als de oproepgeschiedenis de 100 vermeldingen
overschrijdt, worden geschiedenisitems automatisch verwijderd, te
beginnen bij het oudste.
De oproepgeschiedenis van uitgaande oproepen wordt als volgt
geregistreerd, afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld naar een telefoonnummer dat is geregistreerd in
contacten of in het navigatiesysteem, worden de eventuele naams- en
afbeeldingsgegevens ook geregistreerd.
Wanneer er meerdere keren naar hetzelfde telefoonnummer is
gebeld, wordt achter de naam van het contact het aantal oproepen
weergegeven.
De oproepgeschiedenis van binnenkomende oproepen wordt als volgt
geregistreerd, afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld door een telefoonnummer dat is geregistreerd in
contacten, worden de eventuele naams- en afbeeldingsgegevens ook
geregistreerd.
Als er meerdere keren door hetzelfde telefoonnummer is gebeld,
worden alle oproepen geregistreerd.
Ook gemiste en geweigerde oproepen worden geregistreerd.
Als het telefoonnummer van de beller is afgeschermd, wordt de oproep
geregistreerd als "Unknown (onbekend)".
Ook oproepen die in de wacht zijn gezet, worden in de
oproepgeschiedenis geregistreerd.
6-3. Bellen
231
6
Handsfree bellen
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan er mogelijk niet
internationaal worden gebeld.
6-3. Bellen
232
Bellen via de lijst met favorieten
Bel via uw lijst met favorieten door uw contacten aan uw favorieten toe te
voegen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Selecteer de persoon die u
wilt bellen in uw lijst met
favorieten.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
Wanneer [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
worden de favorieten op de mobiele telefoon automatisch overgebracht
naar het multimediasysteem.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kunnen favorieten niet worden
overgebracht.
De gegevens van de favorieten kunnen ook worden geregistreerd
vanuit de gegevens die zijn geregistreerd in de contacten op het
multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
Overbrengen van contactgegevens (Blz. 250)
6-3. Bellen
233
6
Handsfree bellen
Bellen vanuit contactenlijst
U kunt bellen naar contacten die zijn opgeslagen in het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer een contact.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
Als de toets [Sync contacts] (contacten synchroniseren) op het scherm
wordt weergegeven, kunt u hiermee contactgegevens van uw mobiele
telefoon kopiëren naar het multimediasysteem.
Als er nog geen contactgegevens zijn opgeslagen moeten deze eerst
worden gekopieerd naar of aangemaakt in het multimediasysteem.
De contacten van de actieve mobiele telefoon worden weergegeven in het
multimediasysteem.
Als er twee mobiele telefoons verbonden zijn, worden de contacten
getoond van de telefoon die is geselecteerd voor oproepen.
Verwante onderwerpen
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen (Blz. 255)
Overbrengen van contactgegevens (Blz. 250)
6-3. Bellen
234
Bellen via het toetsenblok
Voer het telefoonnummer in op het toetsenblok om te bellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Keypad] (toetsenblok).
3Voer het telefoonnummer in.
4Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
U kunt ook bellen door een contact
te kiezen dat in het submenu wordt
weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon moet mogelijk de mobiele telefoon
worden bediend.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
6-3. Bellen
235
6
Handsfree bellen
Pechhulp van Lexus bellen
U kunt de pechhulp van Lexus bellen via de lijst met favorieten.De oproep
moet worden gedaan vanuit een land dat het gebruik van de pechhulp
van Lexus ondersteunt.Het land moet zijn geregistreerd om deze functie te
kunnen gebruiken.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Kies [Lexus assistance] (Lexus-assistentie) in de lijst met
favorieten.
4Kies het telefoonnummer.
Het land registreren in Lexus-assistentie*1
Het land moet worden geregistreerd in Lexus-assistentie om gebruik te
kunnen maken van Lexus-pechhulp.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Kies [Lexus assistance] (Lexus-assistentie) in de lijst met
favorieten.
4Kies [Select a country] (selecteer land).
5Selecteer het land.
6Kies [OK].
*1 : Met navigatiefunctie
6-3. Bellen
236
Bellen met behulp van een wacht- of pauzesignaal
Nummers met wacht- (w) of pauzesignalen (p) kunnen worden gebeld.
Het doorverbinden met de nummers die volgen op het wacht- (w) of
pauzesignaal (p) wordt gedurende ongeveer 2 seconden onderbroken of
gestopt.
Een wachtsignaal (w) onderbreekt het doorverbinden met het nummer.
Het doorverbinden wordt hervat na een handeling door de gebruiker tot
het volgende wacht- (w) of pauzesignaal (p).
Een pauzesignaal (p) zorgt ervoor dat het doorverbinden met het
nummer gedurende ongeveer 2 seconden wordt gestopt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer het contact.
4Selecteer het telefoonnummer dat een wacht- (w) of pauzesignaal
(p) omvat.
5Als het telefoonnummer een
wachtsignaal (w) omvat,
selecteer dan .
Wanneer [ ] wordt gekozen, wordt
het nummer dat werd onderbroken
door het wachtsignaal (w) alsnog
doorverbonden tot het volgende
wacht- (w) of pauzesignaal (p).
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het wachtsignaal mogelijk
weergegeven als een komma (,) en het pauzesignaal als een puntkomma
(;) op het scherm van de mobiele telefoon.
Deze functie wordt gebruikt voor internationale telefoongesprekken.
Vrijgavetonen kunnen worden gebruikt wanneer automatische bediening
van een telefoonservice, zoals een antwoordapparaat of een
telefoonservice van een bank, gewenst is. Een telefoonnummer met een
wacht- (w) of pauzesignaal (p) kan worden geregistreerd in de lijst met
contacten.
6-3. Bellen
237
6
Handsfree bellen
Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden
Wanneer een oproep wordt ontvangen, klinkt er een beltoon
en wordt het scherm voor binnenkomende oproepen of de
melding voor binnenkomende oproepen weergegeven. Wanneer het
spraakcommandosysteem [de spraakondersteuning] is ingeschakeld,
start het spraakcommandosysteem wanneer een oproep wordt ontvangen.
Beantwoord de oproep door een
van de volgende handelingen uit
te voeren.
Kies [ ].
Druk op de toets [ ] op het
stuurwiel.
Spreek een spraakcommando uit om
de telefoon op te nemen met behulp
van het spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
Het scherm voor binnenkomende oproepen wordt niet weergegeven zolang
het scherm van het Peripheral Monitoring-systeem wordt weergegeven. Er
wordt alleen via een beltoon melding gemaakt van een binnenkomende
oproep.
Tijdens een binnenkomende oproep worden afgezien van het geluid van de
handsfree oproep alle andere geluiden gedempt. Gesproken aanwijzingen
met een hogere prioriteit dan de handsfree oproep worden echter niet
gedempt.
Zelfs als de beltoon van de mobiele telefoon is ingesteld op het
multimediasysteem, laat het multimediasysteem mogelijk een andere
beltoon horen, afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon, zoals rijmodus, kunt
u mogelijk geen oproepen ontvangen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het onderstaande zich
voordoen.
Mogelijk is de beltoon zowel via de luidsprekers van de auto als via de
mobiele telefoon te horen.
Wanneer u een oproep ontvangt, wordt het nummer van degene die belt
mogelijk niet weergegeven.
Als u een oproep rechtstreeks op de mobiele telefoon hebt beantwoord of
als de mobiele telefoon is ingesteld op het automatisch beantwoorden van
oproepen, blijft de oproep mogelijk op de mobiele telefoon.
6-4. Oproepen beantwoorden
238
Als er een oproep binnenkomt terwijl de mobiele telefoon gegevens
verzendt, wordt het scherm voor binnenkomende oproepen mogelijk niet
weergegeven op het multimediasysteem en is er mogelijk geen beltoon te
horen.
Als de mobiele telefoon automatische overdracht van contactgegevens
ondersteunt (PBAP), de afbeeldingsgegevens in contacten zijn overgebracht
en [Display contact images] (afb. contacten weergeven) is ingeschakeld,
wordt de afbeelding van het contact naast het telefoonnummer weergegeven
wanneer een oproep wordt ontvangen.
Als de beltooninstelling op het multimediasysteem op iets anders is ingesteld
dan de beltoon van de mobiele telefoon, klinkt de beltoon die op het
multimediasysteem is geregistreerd, zelfs als de mobiele telefoon in de stille
modus (trillen) is gezet of de beltoon is verwijderd.
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een
telefoonnummer waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is
ingesteld dat hij moet worden geweigerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 42)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
6-4. Oproepen beantwoorden
239
6
Handsfree bellen
Oproepen weigeren
Op het multimediasysteem kunnen oproepen op verschillende manieren
worden geweigerd.
Wanneer u een oproep ontvangt, voer dan een van de volgende
handelingen uit om de oproep te weigeren:
Kies[ ].
Bedien de mobiele telefoon rechtstreeks.
Spreek een spraakcommando uit om de oproep te weigeren met behulp van
het spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een
telefoonnummer waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is ingesteld
dat hij moet worden geweigerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 42)
6-4. Oproepen beantwoorden
240
Bediening tijdens telefoongesprekken
Bediening vanaf het belscherm
Tijdens een gesprek kunnen verschillende handelingen worden uitgevoerd
via het belscherm.
[ ] : Schakel de microfoon uit
zodat de persoon aan de andere kant
van de lijn niet kan horen wat er
wordt gezegd. De toets kleurt blauw
als deze actief is.
Kies nogmaals de toets om deze
functie uit te schakelen.
U kunt zelf nog steeds horen wat
de andere persoon zegt.
[ ] : Geeft het toetsenblok weer. Het belscherm wordt klein
weergegeven zolang het toetsenblok wordt weergegeven.
[ ] : Beëindigt een gesprek.
[ ] : Toont de lijst met contacten in het submenu om iemand anders te
kunnen bellen.
U kunt tijdens een gesprek iemand anders bellen door het
telefoonnummer van deze persoon te kiezen.
[ ] : Wisselt het gesprek tussen mobiele telefoon en multimediasysteem.
De toets kleurt blauw als het gesprek via de mobiele telefoon loopt.
[ ] : Annuleert de oproep. Alleen zichtbaar als er een gesprek in de
wacht staat.
[ ] : Verkleint het belscherm.
[ ] : Toont het belscherm in het hoofdgebied.
[ ] : Geeft het optiescherm weer.
De volgende handelingen kunnen worden uitgevoerd via het
optiescherm.
[Transmit] (verzenden) : Regelt
het volume van het gesprek.
Wijzigen van het volume
kan nadelig zijn voor de
geluidskwaliteit.
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
241
6
Handsfree bellen
[Navigation]*1 (navigatie) : Dempt de stembegeleiding van het
navigatiesysteem.
Schakel [Navigation] (navigatie) uit om dit ongedaan te maken.
Als [Navigation during calls] (navigatie tijdens bellen) is
uitgeschakeld, wordt de stembegeleiding altijd gedempt tijdens het
bellen.
[On hold] (in de wacht) : Zet het gesprek tijdelijk in de wacht.
Schakel [On hold] (in de wacht) uit om dit ongedaan te maken.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk
niet worden gebruikt.
[ ] : Keert terug naar het belscherm. Als u terugkeert naar het
belscherm terwijl er een gesprek in de wacht staat, kunt u terugkeren
naar het gesprek in de wacht door het optiescherm opnieuw te openen.
INFORMATIE
Afhankelijk van de gebruikstoestand van het multimediasysteem wordt het
belscherm verkleind of niet weergegeven.
Het wisselen tussen gesprekken is afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Tijdens het rijden kan een gesprek via het handsfree-systeem niet worden
overgezet naar de mobiele telefoon. Het wisselen tussen gesprekken is
afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Als de mobiele telefoon waarmee u belt als handsfree-telefoon is verbonden
met het multimediasysteem, wordt het bezetscherm weergegeven. Afhankelijk
van het type mobiele telefoon kan de oproep een mobiele telefoon of een
multimediasysteem zijn.
Als u het contact UIT zet tijdens een gesprek via de handsfree-functie wordt,
afhankelijk van het type mobiele telefoon, de verbinding verbroken dan wel
overgezet naar de mobiele telefoon. Als u het gesprek wilt voortzetten op de
mobiele telefoon vereist dit mogelijk actie op de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
*1 : Met navigatiefunctie
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
242
Een onderbroken oproep beantwoorden
Als u tijdens een lopend gesprek een tweede oproep ontvangt van
een andere partij, kan een wisselgesprek worden toegepast om beide
oproepen af te handelen. Wanneer een tweede oproep wordt ontvangen,
wordt bovenaan het scherm een melding van een binnenkomende oproep
weergegeven.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de
mogelijkheid tot een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet worden
gebruikt.
Wanneer u een tweede oproep
ontvangt, kiest u [ ] op het
scherm of drukt u op de toets
[ ] op het stuurwiel.
Wanneer u de tweede oproep
beantwoordt, wordt de eerste oproep in
de wacht gezet.
Telkens wanneer [Swap calls] (wissel
gesprek) wordt gekozen, wordt er
overgeschakeld naar de gesprekspartner die in de wacht staat.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
Tweede oproepen weigeren
Als een tweede oproep wordt ontvangen tijdens een ander gesprek, kan
deze oproep worden geweigerd.
Kies [ ] wanneer u een tweede oproep ontvangt.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon worden mogelijke beide oproepen
afgebroken. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
243
6
Handsfree bellen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
244
Iemand anders bellen tijdens een lopend gesprek
U kunt tijdens een lopend gesprek iemand anders bellen.
1Kies [ ] op het belscherm.
2Selecteer het contact.
3Selecteer het telefoonnummer.
Met deze functie wordt de andere
partij tijdens een telefoongesprek in
de wacht gezet.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de
mogelijkheid tot een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet
worden gebruikt.
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
245
6
Handsfree bellen
Een conferencecall starten
Voeg de persoon in de wacht toe aan het actieve gesprek.
Druk tijdens een gesprek op [Merge calls] (gesprekken
samenvoegen).
Gesprekken die in de wacht staan, worden toegevoegd aan de conferencecall.
INFORMATIE
Mogelijk dient u een extra abonnement voor conferencecalls af te sluiten bij
uw mobiele provider.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet
worden gebruikt.
Zodra de conferencecall eindigt, wordt de verbinding met alle deelnemers
verbroken.
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
246
Beëindigen van gesprekken
Een handsfree-gesprek kan op verschillende manier worden beëindigd.
Voer een van de volgende handelingen uit tijdens het gesprek.
Druk op de toets [ ] op het stuurwiel.
Houd de toets ingedrukt om alle gesprekken te beëindigen, ook gesprekken in
de wacht.
Kies [ ] wanneer u iemand belt of op het belscherm.
Bedien de mobiele telefoon om het gesprek te beëindigen.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
247
6
Handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Als er met twee mobiele telefoons verbinding is gemaakt als handsfree
telefoon, kunnen beide mobiele telefoons worden gebruikt. Handsfree
telefoons bieden de mogelijkheid om te wisselen tussen de mobiele
telefoons. Het scherm voor handsfree bellen geeft de gegevens van de
geselecteerde mobiele telefoon weer, zoals contacten en geschiedenis.
Functies zoals binnenkomende oproepen kunnen ook worden gebruikt met
de mobiele telefoon die niet is geselecteerd.
Om met twee mobiele telefoons als handsfree telefoon verbinding te
maken, moet er een bestuurder zijn geregistreerd en ingesteld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Devices] (apparaten).
3Selecteer de mobiele telefoon
die u wilt gebruiken.
Een mobiele telefoon waar op dat
moment mee wordt gebeld, een
oproep op wordt ontvangen of een
oproep mee wordt geplaatst, kan niet
worden geselecteerd.
INFORMATIE
Als er een oproep wordt geplaatst vanaf een ander scherm dan het scherm
voor handsfree bellen, wordt de oproep geplaatst op het primaire apparaat.
Als u handsfree belt met een van beide apparaten, kunt u niet vanaf het
andere apparaat een oproep plaatsen.
Wanneer er met een van de handsfree telefoons wordt gebeld en er
met de andere handsfree telefoon een binnenkomende oproep wordt
beantwoord, wordt de verbinding met de eerste telefoon verbroken.
De volgende functies zijn ook beschikbaar op de telefoon die niet is
geselecteerd:
Functie voor binnenkomende oproepen
Functie voor ontvangen en versturen van berichten (wanneer een
bericht wordt ontvangen)
Het primaire apparaat wordt niet noodzakelijkerwijs gewijzigd, ook al wordt
er van mobiele telefoon gewisseld.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 64)
6-6. Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
248
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 123)
6-6. Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
249
6
Handsfree bellen
Bewerken van contactgegevens
Overbrengen van contactgegevens
Er kunnen maximaal 5000 contacten worden geregistreerd voor elke
aangesloten mobiele telefoon. Alleen de contacten die bij de aangesloten
mobiele telefoon horen, kunnen worden weergegeven. In de contacten
kunnen maximaal 4 telefoonnummers per contact worden geregistreerd.
Contacten worden beheerd voor elke aangesloten telefoon.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die
handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) of automatisch
overbrengen van contactgegevens (PBAP) ondersteunen. Raadpleeg de
bijgeleverde handleiding of compatibele profielen voor de aangesloten
mobiele telefoon om te bepalen of een van beide wordt ondersteund.
Om contacten automatisch over te brengen (PBAP) moet [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) in de Bluetooth®-instellingen worden
ingeschakeld.
INFORMATIE
Bij het overbrengen van contactgegevens zijn alle gegevens onderhevig aan de
volgende beperkingen.
Als er vijf of meer telefoonnummers zijn geregistreerd voor één contact,
worden alle telefoonnummers in het multimediasysteem geregistreerd als
meerdere contacten met dezelfde naam.
De naam wordt tegelijkertijd met het telefoonnummer overgebracht.
Afhankelijk van de uitvoering worden kanji en symbolen mogelijk niet
overgebracht of wordt geen enkel karakter overgebracht. En als ze wel
worden overgebracht, worden ze mogelijk niet correct weergegeven.
In principe wordt het geheime geheugen niet gelezen. (In sommige gevallen
gebeurt dat mogelijk wel, afhankelijk van de specificaties van de mobiele
telefoon.)
De groepsnamen die in de mobiele telefoon zijn geregistreerd, worden niet
overgebracht.
Het type telefoonnummer dat wordt getoond in contacten op het
multimediasysteem wordt automatisch toegewezen op basis van informatie
van het bronapparaat. Afhankelijk van het type mobiele telefoon en de
gebruiksomgeving zijn de iconen mogelijk allemaal hetzelfde.
Telefoons die handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) niet
ondersteunen, kunnen geen contacten toevoegen door contacten over te
brengen.
Typen mobiele telefoons die batchoverdracht ondersteunen, hebben de
volgende kenmerken bij het overbrengen van contactgegevens.
Het overbrengen kan langer dan 10 minuten duren.
6-7. Bewerken van contactgegevens
250
Zelfs als het scherm voor het overbrengen van contactgegevens wordt
weergegeven, kan worden overgeschakeld op een ander scherm. In dat
geval gaat het overbrengen van contactgegevens verder.
Er wordt op de volgende wijze omgegaan met gebeurtenissen tijdens het
overbrengen van contactgegevens.
Als er een oproep wordt ontvangen tijdens handmatig overbrengen van
contactgegevens (OPP) wordt de oproep op de mobiele telefoon zelf
ontvangen. Tijdens het handmatig overbrengen kan er niet gebeld worden
vanaf het apparaat in de auto.
Als de mobiele telefoon geen automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP) en geen handmatig overbrengen van
contactgegevens (OPP) ondersteunt, kunnen gegevens niet via
Bluetooth® worden overgebracht. De contactgegevens kunnen wel worden
overgebracht met behulp van een USB-stick.
Als het contact UIT wordt gezet tijdens het overbrengen van
contactgegevens, wordt het overbrengen geannuleerd. Start in dat geval de
motor <het hybridesysteem> en voer de handelingen voor het overbrengen
nogmaals uit.
In de volgende gevallen worden de contactgegevens die worden overgebracht,
niet opgeslagen. (Sommige al overgebrachte gegevens worden ook niet
opgeslagen.)
Als automatisch overbrengen (PBAP) halverwege wordt beëindigd ten
gevolge van de geheugencapaciteit van het multimediasysteem.
Als automatisch overbrengen (PBAP) om een bepaalde reden wordt
onderbroken.
De contactgegevens van het multimediasysteem kunnen niet worden
overgebracht naar de mobiele telefoon.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de Bluetooth®-
audioverbinding mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is voltooid, wordt
er opnieuw verbinding gemaakt. (Opnieuw verbinding maken is bij sommige
uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
Zorg ervoor dat het multimediasysteem bij het overbrengen is opgestart.
Met automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) kunnen contacten,
favorieten en geschiedenis worden overgebracht naar het multimediasysteem.
Bij sommige typen mobiele telefoons kunnen favorieten niet worden
overgebracht.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, worden
de favorieten van de mobiele telefoon automatisch overgebracht naar het
multimediasysteem.
Afhankelijk van het type kan het nodig zijn om handelingen uit te voeren
op de mobiele telefoon tijdens het overbrengen van contactgegevens met
automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP).
6-7. Bewerken van contactgegevens
251
6
Handsfree bellen
Als u contacten wilt overbrengen via automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP) moet u de instelling voor het delen van contacten
op uw mobiele telefoon inschakelen.
Als automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) niet wordt gestart,
wordt het mogelijk gestart als alle andere functies zijn voltooid.
Schakel [Display contact images] (afbeeldingen contact weergeven) in de
Bluetooth®-instellingen in om de afbeeldingen van contacten weer te geven.
Om de afbeeldingen van contacten over te brengen, moeten [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) en [Display contact images] (afbeeldingen
contact weergeven) worden ingeschakeld in de Bluetooth®-instellingen.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 113)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Contactgegevens van mobiele telefoons overbrengen met
behulp van handmatig overbrengen (OPP)
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de mobiele telefoon zijn
geregistreerd, kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem
met behulp van het handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP).
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
de contacten op de mobiele telefoon niet worden overgebracht. Schakel
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
INFORMATIE
Contactgegevens kunnen niet worden overgebracht met behulp van handmatig
overbrengen van contactenlijst (OPP) wanneer Android Auto voor het
overbrengen is verbonden met de mobiele telefoon.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with Bluetooth]
(overschrijven met
Bluetooth) : Hiermee overschrijft
u de huidige contactgegevens.
[Add with Bluetooth] (toevoegen
met Bluetooth) : Hiermee voegt
6-7. Bewerken van contactgegevens
252
u items toe aan de huidige contactgegevens.
4Bedien de mobiele telefoon om contactgegevens over te brengen.
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop
wordt gemeld dat het overbrengen is mislukt.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 113)
Overbrengen van contactgegevens van de telefoon vanaf een
USB-stick
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de USB-stick zijn
geregistreerd, kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
contactgegevens van een USB-stick niet worden overgebracht. Schakel
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
Deze functie kan niet worden gebruikt als er verbinding is met Apple
CarPlay of Android Auto.
Alleen contactgegevens die in vCard-formaat (.vcf) zijn opgeslagen op een
USB-stick kunnen worden overgebracht.
Andere gegevens op een USB-stick kunnen niet worden overgebracht.
Controleer of de mobiele telefoon kan worden gebruikt in combinatie met
het multimediasysteem alvorens handelingen uit te voeren.
1Sluit de USB-stick aan op de USB-aansluiting.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Update contacts] (update contacten).
4Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with USB]
(overschrijven met
USB) : Hiermee overschrijft u
de huidige contactgegevens met
de contactgegevens op de USB-
stick.
[Add with USB] (toevoegen met
USB) : Hiermee voegt u contactgegevens op de USB-stick toe aan
huidige contactgegevens.
5Selecteer de bestanden die u wilt overbrengen vanuit de lijst met
bestanden.
6Kies [OK].
6-7. Bewerken van contactgegevens
253
6
Handsfree bellen
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop
wordt gemeld dat het overbrengen is mislukt.
INFORMATIE
Gegevens in vCard-formaat kunnen worden overgebracht als contacten, zelfs
bij gebruik van een mobiele telefoon die is aangesloten via USB. In sommige
gevallen kunnen ook gegevens die zijn opgeslagen op een SD-kaart in een
mobiele telefoon worden overgebracht.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
6-7. Bewerken van contactgegevens
254
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen
Contacten kunnen worden aangemaakt door gegevens rechtstreeks in
contacten op het multimediasysteem in te voeren. Voor iedere persoon
in contacten, kunnen de naam, telefoonnummers (maximaal 4) en
telefoontypes (1 voor elk telefoonnummer, zoals thuis en mobiel nummer)
worden geregistreerd.
Nieuwe gegevens kunnen ook worden toegevoegd via [Modify
contact list] (lijst met contacten aanpassen) op het scherm met de
oproepgeschiedenis om het scherm voor het bewerken van contacten
weer te geven.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
kunnen er geen nieuwe contacten aan het multimediasysteem worden
toegevoegd. Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit
voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Add manually] (handmatig toevoegen).
4Selecteer alle items en voer ze
in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra
telefoonnummers in te stellen.
Als er geen telefoonnummer
is ingevoerd, kan er
geen telefoonnummer worden
toegevoegd.
Selecteer het telefoontype (zoals
thuis of mobiel) voor het telefoonnummer.
5Kies [Save] (opslaan).
Een item kan alleen worden geregistreerd als een naam en telefoonnummer
zijn ingevoerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Bellen vanuit oproepgeschiedenis (Blz. 231)
Wijzigen van gegevens in contacten
Contactgegevens die zijn geregistreerd, kunnen worden gewijzigd.
6-7. Bewerken van contactgegevens
255
6
Handsfree bellen
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
de contacten in het multimediasysteem niet worden bewerkt. Schakel
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Edit manually] (handmatig bewerken).
4Selecteer het contact dat u wilt wijzigen.
5Selecteer alle items en voer ze
in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra
telefoonnummers in te voeren.
Kies het type (zoals thuis of
mobiel) onder het telefoonnummer
om het type telefoon (zoals thuis of
mobiel) van het telefoonnummer te
kiezen.
6Kies [Save] (opslaan).
Een item kan alleen worden geregistreerd als een naam en telefoonnummer
zijn ingevoerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Wissen van gegevens in contacten
Contactgegevens die al zijn geregistreerd, kunnen worden gewist.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
de contacten in het multimediasysteem niet worden gewist. Schakel [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Delete manually] (handmatig verwijderen).
6-7. Bewerken van contactgegevens
256
4Selecteer de gegevens die u
wilt verwijderen.
5Kies [Delete] (verwijderen)
onderaan het submenu.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
6-7. Bewerken van contactgegevens
257
6
Handsfree bellen
Favorieten registreren
Vaak gebruikte contactgegevens kunnen worden geregistreerd in
favorieten.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) of [Recents] (recent).
3Selecteer de gegevens die u wilt registreren.
4Selecteer [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
geregistreerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Favorieten verwijderen
Eerder opgeslagen favorieten kunnen worden verwijderd.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten), [Contacts] (contacten), of [Recents]
(recent).
3Selecteer de gegevens die u wilt verwijderen.
4Selecteer [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
verwijderd.
6-7. Bewerken van contactgegevens
258
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
6-7. Bewerken van contactgegevens
259
6
Handsfree bellen
Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de berichtfunctie
Berichten van de mobiele telefoon die verbonden is voor handsfree bellen
worden doorgestuurd. Het multimediasysteem kan worden gebruikt om
berichten te lezen en beantwoorden en om nieuwe berichten te versturen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon is het soms niet mogelijk om
berichten naar het multimediasysteem door te sturen. Als de telefoon de
berichtfunctie niet ondersteunt, kan deze functie niet worden gebruikt.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die HFP en
MAP ondersteunen. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon om
te controleren of deze HFP en MAP of compatibele profielen ondersteunt.
INFORMATIE
U dient de instelling om berichten te delen te activeren op uw mobiele telefoon.
Deze functie kan niet worden gebruikt tijdens noodoproepen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de e-mailfunctionaliteit mogelijk
niet worden gebruikt.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de antwoordfunctie mogelijk niet
worden gebruikt.
Berichten van de mobiele telefoon van elke berichtendienst worden
automatisch doorgestuurd.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het nodig zijn om extra
handelingen uit te voeren op de mobiele telefoon.
Bij sms-berichten wordt geen onderwerp weergegeven.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het onderwerp van een
ontvangen mms mogelijk niet weergegeven.
Als [Auto read messages] (automatisch berichten lezen) is ingeschakeld,
worden berichten hardop voorgelezen.
Berichten afkomstig van het spraakcommandosysteem worden automatisch
hardop voorgelezen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon of de registratiestatus van het
multimediasysteem, wordt bepaalde informatie mogelijk niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 105)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 113)
Berichten bekijken
Verzonden en ontvangen berichten kunnen worden bekeken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
260
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
5Selecteer de items indien
nodig.
[ ] : Vergroten
of minimaliseren van het
berichtenscherm.
[ ] : Geeft het scherm voor
het beantwoorden van berichten
weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Kies [ ] om het voorlezen van het bericht te stoppen.
[ ] : Hiermee kunt u de afzender van het bericht bellen.
Afhankelijk van de status van de contactregistratie moet het
telefoonnummer worden geselecteerd.
[ ] : Geeft de contactinformatie over de gesprekspartner weer.
INFORMATIE
Kies, terwijl het berichtenscherm vergroot wordt weergegeven met een e-mail
of sms, [Mark Unread] (markeren als ongelezen) of [Mark Read] (markeren
als gelezen) om het bericht als ongelezen of gelezen te markeren.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten (Blz. 262)
Bellen via de berichtfunctie (Blz. 265)
Bellen vanuit contactenlijst (Blz. 234)
Nieuwe berichten bekijken
Wanneer u een e-mail, sms of mms ontvangt, wordt er aan de
bovenzijde van het scherm een melding weergegeven. Zolang de
[spraakondersteuning] actief is, start het spraakcommandosysteem*1.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
261
6
Handsfree bellen
De volgende handelingen
kunnen worden uitgevoerd als er
een bericht wordt ontvangen.
[ ] : Geeft de inhoud van het
bericht weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 74)
Beantwoorden van berichten (Blz. 262)
Beantwoorden van berichten
Ontvangen berichten kunnen beantwoord worden.
Er kunnen met behulp van het spraakcommandosysteem antwoorden
worden verzonden met sjablonen.*2 (Snelbericht)
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
5Kies [ ].
6Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het
toetsenbord.
7Kies [Send] (verzenden) om te
antwoorden.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 42)
Sjablonen bewerken (Blz. 263)
*1 : Deze functie is niet beschikbaar voor e-mail. Deze functie is in sommige
landen/gebieden niet beschikbaar.
*2 : Met deze functie kan alleen een sms worden verstuurd.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
262
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Versturen van nieuwe berichten
Er kunnen nieuwe e-mail- of sms-berichten worden verstuurd. Mms wordt
niet ondersteund.
Antwoordsjablonen kunnen worden verstuurd met behulp van het
spraakcommandosysteem.*3
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer ontvangers uit uw lijst met contacten.
4Selecteer het gewenste [ ] of
e-mailadres.
Selecteer het account van de
afzender voor e-mailadressen.
5Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het
toetsenbord.
6Kies [Send] (verzenden).
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 42)
Sjablonen bewerken (Blz. 263)
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Sjablonen bewerken
Sjablonen kunnen worden bewerkt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Template] (sjabloon).
*3 : Met deze functie kan alleen een sms worden verstuurd.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
263
6
Handsfree bellen
3Selecteer [ ] bij het te
bewerken sjabloon.
Navigatiesjablonen kunnen niet
worden gewijzigd.
4Voer het sjabloon in en sla het
op.
Kies [Default] (standaard) om de
sjabloonsets te initialiseren.
INFORMATIE
De sjablonen worden voor elke mobiele telefoon afzonderlijk ingesteld.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten (Blz. 262)
Versturen van nieuwe berichten (Blz. 263)
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
264
Bellen via de berichtfunctie
U kunt handsfree bellen met behulp van de berichtfunctie.
Kies het blauwe nummer om te bellen.
Mogelijk wordt een getallenreeks herkend als een telefoonnummer. Daarnaast
worden sommige telefoonnummers, bijvoorbeeld telefoonnummers voor andere
landen, mogelijk niet herkend.
Bellen via het berichtenscherm voor e-mail, sms of mms
Afzenders van een e-mail, sms en mms kunnen worden gebeld. In het
geval van een e-mail moet een telefoonnummer zijn geregistreerd bij de
desbetreffende contactgegevens.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het
bericht.
5Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
Afhankelijk van de status
van de contactregistratie moet
het telefoonnummer worden
geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type A) (Blz. 227)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (type B) (Blz. 229)
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
265
6
Handsfree bellen
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
266
7Extra diensten
7-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ............................ 268
Weergeven van het
webbrowserscherm............ 269
Bedienen van het
webbrowserscherm............ 270
267
7
Extra diensten
Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie (internet)*1
Door verbinding te maken met internet kunnen websites (nieuwssites,
blogs, muziekstreamingsites, videosites, enz.) worden bekeken.
INFORMATIE
Om de webbrowserfunctie te kunnen gebruiken, moet de Wi-Fi® van de auto
verbonden zijn met een toegangspunt.
WAARSCHUWING
Bekijk om veiligheidsredenen een website alleen nadat de auto volledig tot
stilstand is gebracht en de parkeerrem is geactiveerd of de selectiehendel in
stand P is gezet. (Tijdens het rijden wordt alleen audio weergegeven.)
*1 : Alleen 14 inch display
7-1. Webbrowser (internet)
268
Weergeven van het webbrowserscherm
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Web browser] (webbrowser).
Het webbrowserscherm wordt weergegeven.
INFORMATIE
U hebt alleen toegang tot websites die gebruikmaken van "HTTPS"
(beveiligde verbinding).
Afhankelijk van de website wordt deze mogelijk niet goed weergegeven.
Sommige websites kunnen niet worden weergegeven of doorgeklikt.
Op sommige websites worden bepaalde karakters mogelijk niet
weergegeven.
Afhankelijk van de inhoud kunt u mogelijk geen video's of audio afspelen.
Mogelijk duurt het enige tijd voordat er iets wordt weergegeven,
afhankelijk van de resolutie van de video of de afbeelding en de
communicatieomgeving.
Auteursrechtelijk beschermde inhoud van video's kan niet worden
weergegeven.
Voer geen informatie, zoals creditcardgegevens of bankrekeninggegevens,
in.
Sommige functies kunnen niet worden gebruikt, zoals het downloaden van
bestanden en inloggen op websites.
7-1. Webbrowser (internet)
269
7
Extra diensten
Bedienen van het webbrowserscherm
Het webbrowserscherm kan worden bediend door weergegeven items op
een pagina of de werkbalk bovenaan het webbrowserscherm aan te raken.
ATerugkeren naar de vorige pagina.
BNaar de volgende pagina gaan.
CGeeft de URL van de pagina weer.
Hiermee kunt u een URL invoeren en de desbetreffende pagina
weergeven.
DDe weergegeven pagina opnieuw laden.
Tijdens het opnieuw laden van de pagina, wijzigt de toets naar[ ].
Kies[ ]om het opnieuw laden van de pagina te annuleren.
EDe startpagina weergeven.
FHet scherm voor het beheren van bladwijzers weergeven.
Door de naam van een bladwijzer te kiezen op het beheerscherm,
wordt de desbetreffende pagina weergegeven.
GHet scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis weergeven.
Door de naam van een pagina te kiezen op het beheerscherm, wordt de
desbetreffende pagina weergegeven.
HHet scherm voor het beheren van tabbladen weergeven.
Door de naam van een tabblad te kiezen op het beheerscherm, wordt
het desbetreffende tabblad weergegeven.
IGeef het instellingenscherm weer.
INFORMATIE
Terwijl een pagina opnieuw wordt geladen, kan de status worden gecontroleerd
aan de hand van het wijzigen van de achtergrondkleur van de werkbalk.
Door tekst op het scherm te selecteren en uw vinger erop te houden, kan tekst
worden gekopieerd. Kies de kopieertoets om de tekst te kopiëren. Gekopieerde
tekst kan vervolgens in de URL-displayzone worden geplakt door deze aan te
raken.
7-1. Webbrowser (internet)
270
Verwante onderwerpen
Beheren van bladwijzers (Blz. 271)
Beheren van de browsegeschiedenis (Blz. 272)
Beheren van tabbladen (Blz. 272)
Instellen van de browser (Blz. 272)
Beheren van bladwijzers
Bladwijzers kunnen worden opgeslagen, gewijzigd of verwijderd via het
scherm voor het beheren van bladwijzers.
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste opties.
ASluit het scherm voor het
beheren van bladwijzers.
BGeeft de URL van de laatst
getoonde pagina weer.
Hiermee kunt u de URL
bewerken.
CToont de naam van de bladwijzer
die als laatste is weergegeven.
Als de bladwijzer geen naam heeft, wordt "Browser" weergegeven.
De naam van de bladwijzer kan worden gewijzigd door erop te drukken.
DVoeg een bladwijzer toe met de informatie in en .
EBewerk bladwijzers.
FVerwijder bladwijzers.
Bewerken van bladwijzers
De naam en URL van de bladwijzer kunnen worden gewijzigd en de
bladwijzer kan worden ingesteld als startpagina.
ABewerk de naam van de
bladwijzer.
BBewerk de URL van de bladwijzer.
CKies [Set] (instellen) om deze
pagina in te stellen als startpagina
van de browser.
Het icoon [ ] wordt weergegeven
bij de bladwijzer die als startpagina is
ingesteld.
Kies na het doorvoeren van de wijzigingen [OK] om terug te keren naar het
scherm voor het beheren van bladwijzers.
7-1. Webbrowser (internet)
271
7
Extra diensten
Beheren van de browsegeschiedenis
Via het scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis kan de
browsegeschiedenis worden gewist.
1Kies[ ]op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor
het beheren van de
browsegeschiedenis.
BVerwijder de
browsegeschiedenis.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 100 items worden opgeslagen in de
browsegeschiedenis. Als er meer dan 100 items zijn, wordt het oudste item
verwijderd.
Beheren van tabbladen
Op het scherm voor het beheren van tabbladen kunnen tabbladen worden
gewijzigd/toegevoegd/gesloten.
1Kies [ ] op de werkbalk.
Het getal in [ ] betreft het aantal tabbladen dat momenteel geopend is.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor het
beheren van tabbladen.
BVoeg een nieuw tabblad toe.
Op het nieuwe tabblad wordt de
startpagina weergegeven.
CSluit het tabblad.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 10 tabbladen worden geopend.
Instellen van de browser
Sommige browserinstellingen kunnen worden gewijzigd.
7-1. Webbrowser (internet)
272
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de browser al
dan niet in de achtergrond laten
werken tijdens het gebruik van
andere functies.
BHiermee kunt u het opslaan en
laden van cookies al dan niet
toestaan en cookies van derden
al dan niet blokkeren.
CHiermee kunt u het gebruik van
JavaScript al dan niet toestaan.
DHiermee kunt u de browsegeschiedenis, cookies en andere
websitegegevens en afbeeldingen en bestanden in de cache wissen.
INFORMATIE
Als [Background] (achtergrond) is ingesteld op [Allow] (toestaan) is er ook
dataverkeer mogelijk als er andere functies worden gebruikt.
7-1. Webbrowser (internet)
273
7
Extra diensten
7-1. Webbrowser (internet)
274
8Parking Assist-systeem
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
Functies Lexus Parking
Assist Monitor .................... 276
Weergeven van het
begeleidingsscherm........... 278
Wijzigen van de
weergavemodus voor
rijlijnen................................ 280
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de Lexus
Parking Assist Monitor ....... 285
8-2. Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View
Monitor............................... 296
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
P staat................................ 300
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
D of N staat........................ 302
Weergavemodus wanneer
de selectiehendel in stand
R staat ............................... 310
Het scherm als de
buitenspiegels zijn
ingeklapt ............................ 318
Inzoomen op het scherm ..... 319
Weergeven van transparant
beeld onder de auto........... 321
Wijzigen van de instellingen
van de Panoramic View
Monitor............................... 323
Voorzorgsmaatregelen bij
het gebruik van de
Panoramic View Monitor.... 325
Als u bepaalde
verschijnselen opmerkt ...... 342
275
8
Parking Assist-systeem
Lexus Parking Assist Monitor
Functies Lexus Parking Assist Monitor*1
De Lexus Parking Assist Monitor is een systeem dat helpt bij het
achteruitrijden tijdens het parkeren en in andere situaties door het beeld
weer te geven van de camera die achter op de auto is geplaatst.
INFORMATIE
De afbeeldingen van schermen die in de beschrijvingen worden gebruikt, zijn
voorbeelden en kunnen afwijken van het werkelijke beeld van de camera ten
gevolge van verblinding en dergelijke.
WAARSCHUWING
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg rondom de
auto vrij is.
Als gevolg van de kenmerken van de cameralens, wijken de werkelijke positie
en afstand van mensen of obstakels mogelijk af van wat op het scherm wordt
weergegeven.
Weergeven van het Lexus Parking Assist Monitor-scherm
Wanneer de selectiehendel in stand R staat en het contact AAN staat,
wordt het Lexus Parking Assist Monitor-scherm weergegeven.
ABeeld achter
BGroothoekbeeld achter
CKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
INFORMATIE
De rijlijnmodus en andere instellingen van het display kunnen worden
opgeslagen door het gebruikersprofiel te registreren.
Het spraakcommandosysteem kan worden gebruikt om de schermmodus te
wijzigen.*2
*1 : Indien aanwezig
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
276
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
277
8
Parking Assist-systeem
Weergeven van het begeleidingsscherm
Zet de selectiehendel in stand R.
De functie wijzigt telkens wanneer u op de toets voor de weergavemodus drukt.
Beeld achter
Groothoekbeeld achter
AWijzigen van de weergavemodus
Hiermee kan de weergavemodus gewisseld worden tussen “beeld achter” en
“groothoekbeeld achter”.
BWijzigen van de rijlijnen
Hiermee kan de rijlijnmodus worden geselecteerd.
CIcoon spraakherkenning*1
Dit icoon wordt weergegeven als het spraakcommandosysteem actief is.
DRCTA (Rear Crossing Traffic Alert)*2
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
278
Wanneer de radarsensor achter een van achteren naderend voertuig signaleert,
wordt er links boven in het begeleidingsscherm een pop-up weergegeven. (Zie
de "handleiding van de auto" voor meer informatie over RCTA (Rear Crossing
Traffic Alert).)
ERCD (Rear Camera Detection)*2
Wanneer de camera achter een voetganger achter de auto signaleert, wordt
er een indicator op het scherm weergegeven en klinkt er een zoemer. (Zie
de "handleiding van de auto" voor meer informatie over RCD (Rear Camera
Detection).)
FLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
GPKSB (Parking Support Brake)*2
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, dan wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de
"handleiding van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support
Brake).)
HToets geluid dempen van Lexus Parking Assist-sensor en RCD
Dempt tijdelijk de geluiden van de Lexus Parking Assist-sensor en de Rear
Camera Detection. Het dempen van het geluid wordt opgeheven zodra de
selectiehendel wordt bediend.
WAARSCHUWING
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Omdat de displays van de Lexus Parking Assist-sensor, de Rear Crossing
Traffic Alert (RCTA) en de Rear Camera Detection (RCD) op het camerabeeld
worden geprojecteerd, kunnen ze door de helderheid en kleuren van de
omgeving moeilijk te zien zijn.
Uitschakelen van de Lexus Parking Assist Monitor
De Lexus Parking Assist Monitor wordt uitgeschakeld wanneer de
selectiehendel in een andere stand dan R staat.
*1 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
*2 : Indien aanwezig
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
279
8
Parking Assist-systeem
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen
Telkens wanneer u de toets voor het wijzigen van de rijlijnen kiest, wijzigt
de weergavemodus voor rijlijnen.
Weergavemodus geschatte koerslijnen
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen weer die overeenkomstig de
bediening van het stuurwiel bewegen.
AVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen aan voor de situatie dat de auto recht achteruitrijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
Wanneer de auto recht staat, overlappen de rijlijnen de lijnen van de
geschatte koers.
BGeschatte koerslijnen
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
CAfstandslijnen
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
DAfstandslijn
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (blauw) vanaf de rand van de
achterbumper.
EVoertuighartlijn
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
Weergavemodus Parking Assist-hulprijlijnen
In deze modus worden de punten waarop het stuurwiel naar de andere
kant moet worden gedraaid weergegeven (Parking Assist-hulprijlijnen).
Deze modus wordt aanbevolen voor wie de voorkeur geeft aan het
parkeren van de auto zonder gebruik te maken van de geschatte
koerslijnen.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
280
AVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen aan voor de situatie dat de auto recht achteruitrijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
BParking Assist-hulprijlijnen
Geven de koers van de auto weer bij volledige stuuruitslag.
Gebruik deze tijdens het parkeren als hulpmiddel om de juiste stand van het
stuurwiel te bepalen.
CAfstandslijn
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
DVoertuighartlijn
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
Weergavemodus afstandslijn
In deze modus wordt alleen een afstandslijn weergegeven. Deze modus
wordt aanbevolen voor mensen die de rijlijnen niet nodig hebben.
AAfstandslijn
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
Weergavemodus geschatte koerslijn/voertuighartlijn*1
*1 : Indien aanwezig
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
281
8
Parking Assist-systeem
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen en de voertuighartlijn weer die
overeenkomstig de bediening van het stuurwiel bewegen.
Gebruik deze modus als er een wegwijzer of paal aanwezig is ter hoogte
van het midden van de achterbumper.
AAfstandslijnen
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
BGeschatte koerslijn/voertuighartlijn
Geeft de voertuighartlijn (groen) weer op basis van de bediening van het
stuurwiel.
CGeschatte koerslijnen
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
INFORMATIE
De rijlijnen worden niet weergegeven wanneer de achterklep niet is gesloten.
Als u de achterklep hebt gesloten, maar de rijlijnen worden nog altijd niet
weergegeven, laat dan de auto nakijken door een erkende Lexus-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
De Lexus Parking Assist-sensor informeert de bestuurder over de
aanwezigheid van objecten in de buurt van de auto door een indicatie van
de positie weer te geven op het scherm.
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
WAARSCHUWING
De ruimte tussen de voertuigbreedtereferentielijnen is breder dan de werkelijke
breedte van de auto. Controleer bij het achteruitrijden ook altijd zelf nog visueel of
de weg achter en rondom de auto vrij is.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
282
Parkeren met behulp van de modus geschatte koerslijnen
1Zet de selectiehendel in stand R.
2Draai het stuurwiel dusdanig
dat de geschatte koerslijnen
zich binnen het parkeervak
bevinden en rijd langzaam
achteruit.
AGeschatte koerslijnen
BParkeervak
3Draai, als de achterzijde
van de auto zich in
het parkeervak bevindt, het
stuurwiel zodanig dat de
voertuigbreedtereferentielijnen
zich tussen de linker en
rechter scheidslijnen van het
parkeervak bevinden.
AVoertuigbreedtereferentielijnen
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
283
8
Parking Assist-systeem
4Zet als de voertuigbreedtereferentielijnen en de lijnen van het
parkeervak parallel liggen het stuurwiel recht en rijd langzaam
achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
Parkeren met behulp van de modus Parking Assist-
hulprijlijnen
1Zet de selectiehendel in stand R.
2Rijd achteruit tot de Parking
Assist-hulprijlijnen in lijn
liggen met de linker scheidslijn
van het parkeervak.
AScheidslijn parkeervak
BParking Assist-hulprijlijnen
3Draai het stuurwiel geheel naar rechts en rijd langzaam achteruit.
4Zet als de auto parallel in het parkeervak staat het stuurwiel recht
en rijd langzaam achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak
staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
284
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de Lexus Parking
Assist Monitor
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
De Lexus Parking Assist Monitor is een systeem dat de bestuurder
assisteert bij het achteruitrijden. Controleer bij het achteruitrijden ook altijd
zelf nog visueel of de weg achter en rondom de auto vrij is. Anders kunt u
een aanrijding krijgen met andere voertuigen of kan er zich een onvoorzien
ongeval voordoen. Houd u tijdens het gebruik van de Lexus Parking Assist
Monitor aan de onderstaande voorzorgsmaatregelen.
WAARSCHUWING
Rijd nooit achteruit terwijl u alleen op het scherm let. De op het scherm
weergegeven beelden wijken mogelijk af van de werkelijke situatie. Als u dus
tijdens het achteruitrijden alleen op het scherm let, kunt u een aanrijding krijgen
met een ander voertuig of kan er zich een onvoorzien ongeval voordoen. Pas
vooral op dat u niet tegen in de buurt geparkeerde auto's of andere objecten
botst. Controleer bij het achteruitrijden ook altijd zelf nog visueel met behulp
van de binnen- en buitenspiegels of de weg achter en rondom de auto vrij is.
Trap het rempedaal in om uw snelheid aan te passen en langzaam achteruit te
rijden.
Als u dichtbijzijnde auto's, obstakels, mensen of de stoeprand dreigt te raken,
trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen.
De instructies die worden gegeven voor de modi van de Lexus Parking Assist
Monitor zijn slechts richtlijnen. Wanneer en in welke mate het stuurwiel moet
worden gedraaid bij het parkeren, is afhankelijk van de verkeerssituatie, het
wegdek, de staat van de auto, enz. Houd hier rekening mee wanneer u
gebruikmaakt van de Lexus Parking Assist Monitor.
Controleer voordat u de auto parkeert of er voldoende ruimte is voor uw auto.
Gebruik de Lexus Parking Assist Monitor in de volgende gevallen niet:
Op een glad of modderig wegdek of in sneeuw
Bij het gebruik van sneeuwkettingen of het reservewiel
Wanneer de achterklep niet volledig gesloten is
Op wegen die niet vlak of recht zijn, zoals op hellingen of in bochten.
Bij lage buitentemperaturen wordt het scherm mogelijk donkerder of wordt het
beeld mogelijk onduidelijk. Het beeld kan worden vervormd wanneer de auto
rijdt of mogelijk kunt u het beeld niet op het scherm zien. Controleer daarom
tijdens het rijden altijd visueel uw omgeving.
Als er banden met andere afmetingen zijn gemonteerd, worden de rijlijnen op
het scherm mogelijk onjuist weergegeven.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
285
8
Parking Assist-systeem
WAARSCHUWING
Als gevolg van de kenmerken van de cameralens, wijken de werkelijke positie
en afstand van mensen of obstakels mogelijk af van wat op het scherm wordt
weergegeven.
OPMERKING
De camera werkt mogelijk niet goed en het beeld wordt mogelijk als volgt op het
scherm weergegeven:
Als de selectiehendel in stand R staat, lijkt een deel van het scherm of het
gehele scherm zwart
Als de selectiehendel in stand R staat, schakelt het scherm mogelijk niet over
naar het beeld van de camera
De rijlijnen worden mogelijk niet op het scherm weergegeven. In plaats daarvan
worden er waarschuwingssymbolen en -meldingen weergegeven
Op het scherm weergegeven gebied
Beeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
286
Groothoekbeeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
INFORMATIE
Het weergegeven bereik kan afwijken, afhankelijk van de omstandigheden van
de auto en het wegdek.
De gebieden rondom beide uiteinden van de bumper en onder de bumper zijn
niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand vanwege de eigenschappen van de cameralens.
Objecten die zich op een hogere plaats bevinden dan de camera, worden
mogelijk niet weergegeven op het scherm.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm (Blz. 72)
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
287
8
Parking Assist-systeem
Camerapositie
De camera van de Lexus Parking
Assist Monitor bevindt zich op de in
de afbeelding aangegeven plaats.
Schoonmaken van de camera
Als er vuil of verontreinigingen (zoals waterdruppels, sneeuw en modder)
op de camera zitten, zal het beeld niet zo helder zijn. Spoel in dat geval
de camera af met veel water en veeg de lens vervolgens schoon met een
zachte, vochtige doek.
OPMERKING
De Lexus Parking Assist Monitor werkt mogelijk niet meer correct. Let op de
volgende punten:
Sla niet op de camera en oefen er geen overmatige kracht op uit. Anders
kan de stand van de camera veranderen.
De camera is waterdicht. Verwijder, demonteer of wijzig hem niet.
Reinig de camera door deze met veel water af te spoelen en de lens
vervolgens schoon te vegen met een zachte, vochtige doek. Als er te hard
over de cameralens wordt gewreven, kunnen er krassen ontstaan op de lens
waardoor het beeld minder duidelijk wordt.
De camerabehuizing is gemaakt van kunststof. Zorg ervoor dat er geen
organische oplosmiddelen, autowas, ruitenreiniger en ruitencoating op de
camera terechtkomen. Verwijder dergelijke stoffen zo snel mogelijk als dit
gebeurt.
Giet bij koud weer geen heet water op de auto en stel de auto niet bloot aan
plotselinge temperatuurwisselingen.
Als u de auto wast met een hogedrukreiniger, richt de straal dan niet direct
op of rondom de camera. Anders kunnen storingen optreden in de camera.
Als de camera wordt geraakt, kan er een storing optreden in de camera. Laat
als dit gebeurt de auto zo snel mogelijk nakijken door een erkende Lexus-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
288
De camera achter reinigen met sproeiervloeistof
Vuil op de lens van de camera achter kan worden verwijderd met behulp
van de speciale camerareinigingssproeier. Zie de "handleiding van de auto"
voor meer informatie.
Tijdens het reinigen van de camera is het beeld mogelijk niet
goed zichtbaar als gevolg van de sproeiervloeistof. Controleer bij het
achteruitrijden eerst de omgeving van de auto, zowel direct als via de
spiegels.
Als na het reinigen sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens
achterblijft, is het beeld mogelijk 's nachts niet goed zichtbaar als gevolg
van de hoogte of de hellingshoek van de koplampen van de achterligger.
Bepaald vuil is na het reinigen mogelijk niet helemaal verdwenen. Spoel
in dat geval de cameralens af met veel water en veeg hem vervolgens
schoon met een zachte, met water bevochtigde doek.
Er wordt sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens gespoten.
Daarom worden ijs, sneeuw, enz. rondom de camera niet verwijderd.
OPMERKING
Sla niet tegen de sproeierkop en onderwerp deze niet aan hevige schokken,
omdat dit de montagepositie en de hoek van de sproeierkop kan veranderen.
Verschillen tussen de schermweergave en de werkelijke weg
De afstandslijnen en voertuigbreedtereferentielijnen staan mogelijk niet
geheel parallel aan de zijlijnen van het parkeervak, ook al lijkt dit wel zo.
Controleer dit visueel.
De ruimtes tussen de voertuigbreedtereferentielijnen en de linker en
rechter zijlijn van het parkeervak zijn mogelijk niet gelijk aan elkaar, ook
al lijkt dit wel zo. Controleer dit visueel.
De afstandslijnen geven een indicatie van de afstanden op een vlakke
ondergrond. Hierdoor is er sprake van een foutmarge tussen de rijlijnen
op het scherm en de werkelijke afstand en koers op de weg.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
289
8
Parking Assist-systeem
Wanneer zich achter de auto een steile helling omhoog bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
dichter bij de auto aan dan in
werkelijkheid het geval is. Zo zullen
objecten helling op verder weg
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
Wanneer zich achter de auto een steile helling omlaag bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
verder van de auto vandaan aan
dan in werkelijkheid het geval is. Zo
zullen objecten helling af dichterbij
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
290
Als een deel van de auto enigszins in de veren zakt
Als een deel van de auto enigszins
in de veren zakt door het aantal
passagiers of de verdeling van de
bagage, is er sprake van een
foutmarge tussen de rijlijnen op het
scherm en de werkelijke afstand en
koers op de weg.
AFoutmarge
Geschatte koerslijn/voertuighartlijn*1
Omdat de rijlijnen in de lucht bij de
achterbumper worden weergegeven,
kan het soms lijken alsof ze niet in het
midden staan.
Verschillen tussen het scherm en werkelijke 3D-objecten
Omdat de geschatte koerslijnen en de afstandslijnen worden weergegeven
op basis van een vlak wegoppervlak, is het niet mogelijk om de
positie van driedimensionale objecten te bepalen. Let bij het naderen
van een uitstekend driedimensionaal object (zoals de laadbak van een
vrachtwagen) op de volgende waarschuwingen.
*1 : Indien aanwezig
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
291
8
Parking Assist-systeem
Geschatte koerslijnen
Controleer altijd zelf nog visueel
of de weg achter en rondom de
auto vrij is. Op het scherm lijkt de
laadbak van de vrachtwagen zich
buiten de geschatte koerslijnen te
bevinden en lijkt het alsof de auto
de vrachtwagen niet zal raken. Toch
kan de vrachtwagen zich boven
de geschatte koerslijnen bevinden
en als u achteruitrijdt volgens de
geschatte koerslijnen, zal de auto de
vrachtwagen mogelijk raken.
AGeschatte koerslijnen
Afstandslijnen
Controleer altijd zelf nog visueel
of de weg achter en rondom
de auto vrij is. Op het scherm
staat een vrachtwagen volgens de
afstandslijnen op punt geparkeerd.
Maar wanneer u in werkelijkheid tot
aan achteruitrijdt, raakt u de
vrachtwagen. Op het scherm lijkt het
alsof punt het dichtstbij is, gevolgd
door punt en . In werkelijkheid
is de afstand tot punt en echter
hetzelfde en is punt verder dan
en . De afstand tot punt is
ongeveer 1 meter.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
292
Als u bepaalde verschijnselen opmerkt
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt of er last van hebt,
controleer het probleem dan opnieuw en raadpleeg hierbij de mogelijke
oorzaak en oplossing.
Is het symptoom door de oplossing nog niet verdwenen, laat dan de auto
controleren door een erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het scherm is niet goed te
zien
De auto bevindt
zich in een
donkere omgeving
of het is nacht.
De temperatuur
rondom de lens is
hoog of laag.
De
buitentemperatuur
is laag.
Er zitten
waterdruppels op
de camera.
Het regent of is
vochtig.
Er zitten
verontreinigingen
(modder, enz.) op
de camera.
Zonlicht of
koplampen van
andere auto's
schijnt/schijnen
rechtstreeks in de
camera.
De auto bevindt
zich onder
fluorescerende
lampen,
natriumlampen,
kwiklampen, enz.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
(Gebruik de Lexus
Parking Assist Monitor
weer als de camera en
de omstandigheden zijn
verbeterd.)
De procedure voor
het afstellen van de
beeldkwaliteit van de
Lexus Parking Assist
Monitor is gelijk aan
de procedure voor
het afstellen van het
multimediascherm.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
293
8
Parking Assist-systeem
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het beeld is wazig
Er zitten vuil
of verontreinigingen
(zoals waterdruppels,
sneeuw en modder)
op de cameralens.
Spoel de camera af met
veel water en veeg de
lens vervolgens schoon
met een zachte, vochtige
doek.
Bedien de speciale
camerareinigingssproeier
en reinig de cameralens.
Zie de "handleiding van
de auto" voor meer
informatie.
Het scherm is niet goed
uitgelijnd
De camera is aan
een krachtige schok
blootgesteld.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De rijlijnen zijn duidelijk niet
goed uitgelijnd
De camerapositie is
niet goed uitgelijnd.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De auto staat
schuin (de auto is
zwaar beladen, de
bandenspanning is
te laag als gevolg
van een lekke
band, enz.).
De auto staat op
een helling.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
De geschatte koerslijnen
bewegen, ook al staat
het stuurwiel recht (de
voertuigbreedtereferentielijnen
en de geschatte koerslijnen
zijn niet uitgelijnd).
Er is een storing
aanwezig in de
uitgangssignalen van
de stuurhoeksensor.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
294
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
De rijlijnen worden niet
weergegeven
De achterklep is
geopend.
Sluit de achterklep.
Laat als het verschijnsel
hierdoor niet verholpen is
de auto controleren door
een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur
of een andere naar
behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
8-1. Lexus Parking Assist Monitor
295
8
Parking Assist-systeem
Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View Monitor*1
De Panoramic View Monitor is een systeem dat u helpt bij het rijden met
lage snelheden door een ononderbroken overzicht van bovenaf weer te
geven op het scherm. Het gaat hierbij om een samengesteld beeld van de
camera's voor, opzij en achter op de auto.
INFORMATIE
De afbeeldingen van schermen die in de beschrijvingen worden gebruikt, zijn
voorbeelden en kunnen afwijken van het werkelijke beeld van de camera ten
gevolge van verblinding en dergelijke.
WAARSCHUWING
De Panoramic View Monitor is een systeem dat u helpt bij het controleren
van de omgeving van de auto. Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog
visueel of de weg rondom de auto vrij is.
Als gevolg van de kenmerken van de cameralens, wijken de werkelijke positie
en afstand van mensen of obstakels mogelijk af van wat op het scherm wordt
weergegeven.
Cameratoets
Geeft de Panoramic View Monitor
weer en wijzigt de weergavemodus.
Met de functie voor persoonlijke
voorkeursinstellingen van de auto
kunt u de stuurwieltoetsen zo
instellen dat u deze kunt gebruiken
om de weergave en het scherm
van de Panoramic View Monitor
kunt wijzigen. Raadpleeg de
"handleiding van de auto" voor
meer informatie.
Type A
*1 : Indien aanwezig
8-2. Panoramic View Monitor
296
Weergeven van het Panoramic View Monitor-scherm
De Panoramic View Monitor wordt ingeschakeld als u de cameratoets
indrukt of de selectiehendel in stand R zet terwijl het contact AAN staat.
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand P staat
ANavigatiescherm, audioscherm, enz.
BIndrukken van de cameratoets
CBewegend beeld
DDoorkijkbeeld
EKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
Type B
8-2. Panoramic View Monitor
297
8
Parking Assist-systeem
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand D of N staat
ANavigatiescherm, audioscherm, enz.
BGroothoekbeeld voor en panoramabeeld
CSide Clearance View en panoramabeeld
DCornering View en panoramabeeld
EIndrukken van de cameratoets
FKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
GWanneer het stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de
middenstand.
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand R staat
ABeeld achterzijde en panoramabeeld
BGroothoekbeeld achter en panoramabeeld
CKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
8-2. Panoramic View Monitor
298
INFORMATIE
Het Panoramic View Monitor-scherm wordt weergegeven als op de
cameratoets wordt gedrukt wanneer de rijsnelheid ongeveer 20 km/h of
lager is. Als de rijsnelheid hoger wordt dan ongeveer 20 km/h verdwijnt het
Panoramic View Monitor-scherm en wordt het vorige scherm weergegeven.
De rijlijnmodus en andere instellingen van het display kunnen worden
opgeslagen door het gebruikersprofiel te registreren.
Het spraakcommandosysteem kan worden gebruikt om het Panoramic View
Monitor-scherm weer te geven, de schermmodus te wijzigen en andere
handelingen uit te voeren.*2
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 56)
Spraakbediening starten (Blz. 45)
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
8-2. Panoramic View Monitor
299
8
Parking Assist-systeem
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand P staat
Dit is een modus waarbij gecombineerde beelden van de camera's worden
weergegeven, zodat u kunt controleren of er zich obstakels bevinden
rondom de auto. De beelden worden weergegeven alsof ze vanaf de
bestuurdersstoel en onder een hoek van boven de auto worden bekeken.
1. Zet de selectiehendel in stand P.
2. Druk op de cameratoets.
Telkens als de toets voor het wijzigen van de weergavemodus wordt
gekozen, verandert de modus.
Als u nogmaals op de cameratoets drukt, wordt het voorgaande
scherm weer weergegeven, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
Doorkijkbeeld
Bewegend beeld
AToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
BToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Hiermee kunt u schakelen tussen het doorkijkbeeld en het bewegende beeld.
CToets voor onderbreken/hervatten rotatie
Hiermee kunt u de rotatie van het beeld onderbreken en hervatten.
DToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
8-2. Panoramic View Monitor
300
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.(→ Blz. 323)
EIcoon spraakherkenning*1
Dit icoon wordt weergegeven als het spraakcommandosysteem actief is.
INFORMATIE
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld, kunt u het
doorkijkbeeld of het bewegende beeld weergeven. (Zie de "handleiding van
de auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
U kunt de rotatie van het doorkijkbeeld en het bewegende beeld ook pauzeren
en hervatten door een willekeurig punt op het scherm aan te raken.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 323)
*1 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
8-2. Panoramic View Monitor
301
8
Parking Assist-systeem
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand D of N
staat
U kunt controleren of er voetgangers, fietsen en auto's in de buurt zijn
op kruispunten met slecht zicht en T-splitsingen door het beeld van uw
omgeving op het scherm weer te geven. Met deze modus kunt u ook
controleren of beide zijden van de auto veilig zijn en u kunt hiermee
aanrijdingen op smalle wegen voorkomen en de auto aan de kant van de
weg zetten.
1. Zet de selectiehendel in stand D of N.
2. Druk op de cameratoets.
De modus wijzigt telkens wanneer u op de cameratoets drukt.
Als de modus voor de Cornering View is ingeschakeld en het
stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de middenstand, wijzigt
de weergave van Side Clearance View en panoramabeeld naar
Cornering View en panoramabeeld.
Groothoekbeeld voor en panoramabeeld
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen voor
Geven de koerslijnen weer op basis van de bediening van het stuurwiel. (Geel)
Deze lijnen worden weergegeven als het stuurwiel meer dan 90° wordt gedraaid
vanuit de middenstand.
CLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
8-2. Panoramic View Monitor
302
DFCTA (Front Cross Traffic Alert)
Als de FCTA voertuigen in de buurt en/of obstakels voor of achter de auto
signaleert, wordt er op het scherm een indicator weergegeven.
EToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
FToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
GToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus.(→ Blz. 306)
HToets automatische weergave
Hiermee kunt u de automatische weergavemodus in- of uitschakelen. Als de
selectiehendel in stand D of N staat, worden het groothoekbeeld voor en het
panoramabeeld of de Clearance View/Cornering View en het panoramabeeld
automatisch weergegeven overeenkomstig de rijsnelheid.(→ Blz. 307)
IToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.(→ Blz. 323)
JIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
KPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, dan wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de
"handleiding van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support
Brake).)
LToets geluid dempen van Lexus Parking Assist-sensor
Met deze toets kunt u tijdelijk de geluiden van de Lexus Parking Assist-sensor
dempen.
MIcoon spraakherkenning*2
Dit icoon wordt weergegeven als het spraakcommandosysteem actief is.
*1 : Indien aanwezig
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
8-2. Panoramic View Monitor
303
8
Parking Assist-systeem
Side Clearance View en panoramabeeld
Cornering View en panoramabeeld
AGeschatte koerslijnen voor
Geven de koerslijnen weer op basis van de bediening van het stuurwiel. (Geel)
Deze lijnen worden weergegeven als het stuurwiel meer dan 90° wordt gedraaid
vanuit de middenstand.
BVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de breedte van de auto inclusief de buitenspiegels aan.
CAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m vóór de auto.
DLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
8-2. Panoramic View Monitor
304
ERijlijnen voorwielen
Geeft de stand van de voorwielen weer.
FFCTA (Front Cross Traffic Alert)
Als de FCTA voertuigen in de buurt en/of obstakels voor of achter de auto
signaleert, wordt er op het scherm een indicator weergegeven.
GToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
HToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
IToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus.(→ Blz. 306)
JToets automatische weergave
Hiermee kunt u de automatische weergavemodus in- of uitschakelen. Als de
selectiehendel in stand D of N staat, worden het groothoekbeeld voor en het
panoramabeeld of de Clearance View/Cornering View en het panoramabeeld
automatisch weergegeven overeenkomstig de rijsnelheid.(→ Blz. 307)
KToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor. (→ Blz. 323)
LIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
MToets geluid dempen van Lexus Parking Assist-sensor
Met deze toets kunt u tijdelijk de geluiden van de Lexus Parking Assist-sensor
dempen.
NPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, dan wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de
"handleiding van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support
Brake).)
OIcoon spraakherkenning*2
Dit icoon wordt weergegeven als het spraakcommandosysteem actief is.
INFORMATIE
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld, kunt u de Side
Clearance View en het panoramabeeld/de Cornering View weergeven. (Zie
de "handleiding van de auto" voor meer informatie over de Lexus Parking
Assist-sensor.)
8-2. Panoramic View Monitor
305
8
Parking Assist-systeem
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
WAARSCHUWING
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Het display van de Lexus Parking Assist-sensor en de FCTA overlappen elkaar
en worden weergegeven op het camerabeeld. Hierdoor zijn ze mogelijk moeilijk
te zien, afhankelijk van de helderheid van de omgeving en de kleuren.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen (Blz. 306)
Automatische weergavemodus (Blz. 307)
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 323)
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen
Telkens wanneer u de toets voor de stand van de weergave van de rijlijnen
kiest, wijzigt de weergavemodus voor rijlijnen.
Weergavemodus afstandslijnen
Geven een afstand weer van
ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
8-2. Panoramic View Monitor
306
Weergavemodus geschatte koerslijnen
Geven de koerslijnen weer op
basis van de bediening van het
stuurwiel. (Geel) Deze lijnen worden
weergegeven als het stuurwiel meer
dan 90° wordt gedraaid vanuit de
middenstand.
Automatische weergavemodus
Hoewel u het groothoekbeeld voor en het panoramabeeld en de Side
Clearance View en het panoramabeeld/de Cornering View kunt weergeven
door op de cameratoets te drukken, kunt u ook de automatische
weergavemodus instellen om de beelden automatisch weer te geven
overeenkomstig de rijsnelheid.
Wanneer u de toets voor de automatische weergave kiest [ ], wordt de
automatische weergavemodus ingeschakeld.
Als de automatische weergavemodus wordt ingeschakeld, worden in de
volgende situaties automatisch de beelden weergegeven:
Als de selectiehendel in stand D of N staat
Als de rijsnelheid afneemt tot minder dan 10 km/h (de selectiehendel staat in
een andere stand dan R)
Automatische weergave Cornering View
Het is mogelijk om de Cornering View en panoramabeeld automatisch weer
te geven overeenkomstig de bediening van het stuurwiel.
Als de automatische weergavemodus van de Cornering View is
ingeschakeld, worden in de volgende situaties automatisch Cornering
View-beelden weergegeven:
Als de selectiehendel in stand D of N staat
Als de rijsnelheid afneemt tot minder dan 10 km/h
Wanneer het stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de middenstand.
INFORMATIE
U kunt de automatische weergavemodus van de Cornering View instellen via de
persoonlijke instellingen.
8-2. Panoramic View Monitor
307
8
Parking Assist-systeem
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 323)
Aan Lexus Parking Assist-sensor gekoppelde weergave
Afhankelijk van de detectiestatus van de Lexus Parking Assist-sensor,
worden het groothoekbeeld voor en het panoramabeeld/de Side Clearance
View/de Cornering view en het panoramabeeld weergegeven.
De beelden worden in het volgende geval automatisch weergegeven:
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor een obstakel signaleert (als de
selectiehendel in stand D of N staat)
In het volgende geval wordt het vorige scherm weer weergegeven:
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor geen obstakel meer signaleert
INFORMATIE
U kunt ook naar het vorige scherm terugkeren door op de cameratoets op het
scherm te drukken.
Gebruik van de voertuigbreedtereferentielijnen
Side Clearance View en panoramabeeld
Controleer de werkelijke positie van
een obstakel ten opzichte van de
voertuigbreedtereferentielijnen.
Rijd vooruit en draai het
stuurwiel zodanig dat de
voertuigbreedtereferentielijnen het
werkelijke obstakel niet overlappen.
8-2. Panoramic View Monitor
308
Controleer de werkelijke positie
van obstakels, zoals de
stoeprand, ten opzichte van de
voertuigbreedtereferentielijnen.
Stuur de auto naar de
kant en zorg ervoor dat de
voertuigbreedtereferentielijnen het
obstakel niet overlappen, zoals
aangegeven in de afbeelding.
Zorg ervoor dat de
voertuigbreedtereferentielijnen
parallel aan het obstakel lopen en
parkeer naast het obstakel.
Gebruik van de geschatte koerslijnen voor
Cornering View en panoramabeeld
Controleer de werkelijke positie van
een obstakel ten opzichte van de
geschatte koerslijnen voor.
Rijd vooruit en draai het
stuurwiel zodanig dat de geschatte
koerslijnen het werkelijke obstakel
niet overlappen.
8-2. Panoramic View Monitor
309
8
Parking Assist-systeem
Weergavemodus wanneer de selectiehendel in stand R staat
Om de veiligheid te controleren bij het parkeren van de auto, wordt een
beeld weergegeven van boven de auto en van de camera achter.
1. Zet de selectiehendel in stand R.
Telkens als de toets voor het wijzigen van de weergavemodus wordt
gekozen, verandert de modus.
Beeld achterzijde en panoramabeeld
Groothoekbeeld achter en panoramabeeld
AIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
BLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
8-2. Panoramic View Monitor
310
CToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
DToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus.(→ Blz. 312)
ERCTA (Rear Crossing Traffic Alert)
Wanneer de radarsensor aan de achterzijde een obstakel of een van
achteren naderend voertuig signaleert, wordt er een indicator op het scherm
weergegeven. (Zie de "handleiding van de auto" voor meer informatie over
RCTA (Rear Crossing Traffic Alert).)
FToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.(→ Blz. 323)
GRCD (Rear Camera Detection)*1
Wanneer de camera achter een voetganger achter de auto signaleert, wordt er
een indicator op het scherm weergegeven. (Zie de "handleiding van de auto"
voor meer informatie over RCD (Rear Camera Detection).)
HToets geluid dempen van Lexus Parking Assist-sensor
Met deze toets kunt u tijdelijk de geluiden van de Lexus Parking Assist-sensor
dempen.
IPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, dan wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de
"handleiding van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support
Brake).)
JIcoon spraakherkenning*2
Dit icoon wordt weergegeven als het spraakcommandosysteem actief is.
INFORMATIE
Door op de cameratoets te drukken wanneer de selectiehendel in stand R
staat, kunt u overschakelen naar het panoramabeeld en groothoekbeeld voor.
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
*1 : Indien aanwezig
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
8-2. Panoramic View Monitor
311
8
Parking Assist-systeem
WAARSCHUWING
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Het display van de Lexus Parking Assist-sensor, de RCTA, de RCD en
de waarschuwingsdisplays voor bewegende objecten overlappen elkaar en
worden weergegeven op het camerabeeld. Hierdoor zijn ze mogelijk moeilijk
te zien, afhankelijk van de helderheid van de omgeving en de kleuren.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen (Blz. 312)
Automatische weergavemodus (Blz. 307)
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 323)
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen
Telkens wanneer u de toets voor het wijzigen van de rijlijnen kiest, wijzigt
de weergavemodus voor rijlijnen.
Weergavemodus geschatte koerslijnen
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen weer die overeenkomstig de
bediening van het stuurwiel bewegen.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen opzij
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de bediening van het stuurwiel.
CGeschatte koerslijnen achteruit
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de bediening van het stuurwiel.
DAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
8-2. Panoramic View Monitor
312
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
EAfstandslijn achter
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (blauw) vanaf de rand van de
achterbumper.
FVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen weer voor de situatie dat de auto recht achteruit rijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
Wanneer de auto recht staat, overlappen de rijlijnen de lijnen van de
geschatte koers.
GVoertuighartlijn
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
Weergavemodus Parking Assist-hulprijlijnen
In deze modus worden de punten waarop het stuurwiel naar de andere
kant moet worden gedraaid weergegeven (Parking Assist-hulprijlijnen).
Deze modus wordt aanbevolen voor wie de voorkeur geeft aan het
parkeren van de auto zonder gebruik te maken van de geschatte
koerslijnen.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
CVoertuighartlijn
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
DVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen weer voor de situatie dat de auto recht achteruit rijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
EParking Assist-hulprijlijnen
8-2. Panoramic View Monitor
313
8
Parking Assist-systeem
Geven de koers van de auto weer bij volledige stuuruitslag.
Gebruik deze tijdens het parkeren als hulpmiddel om de juiste stand van het
stuurwiel te bepalen.
Weergavemodus afstandslijnen
In deze modus worden alleen de afstandslijnen weergegeven. Deze modus
wordt aanbevolen voor mensen die de rijlijnen niet nodig hebben.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
Weergavemodus geschatte koerslijn/voertuighartlijn
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen en de voertuighartlijn weer die
overeenkomstig de bediening van het stuurwiel bewegen.
Gebruik deze modus wanneer u met het midden van de achterbumper een
wegwijzer of paal nadert.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen opzij
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de bediening van het stuurwiel.
CAfstandslijnen achter
8-2. Panoramic View Monitor
314
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
DGeschatte koerslijnen achteruit
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de bediening van het stuurwiel.
EGeschatte koerslijn/voertuighartlijn
Geeft de voertuighartlijn (groen) weer op basis van de bediening van het
stuurwiel.
INFORMATIE
De rijlijnen worden niet weergegeven wanneer de achterklep niet is gesloten.
Als u de achterklep hebt gesloten, maar de rijlijnen worden nog altijd niet
weergegeven, laat dan de auto nakijken door een erkende Lexus-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
WAARSCHUWING
De voertuigbreedtereferentielijnen achter zijn breder dan de werkelijke breedte
van de auto. Controleer bij het achteruitrijden ook altijd zelf nog visueel of de weg
achter en rondom de auto vrij is.
Parkeren met behulp van de modus geschatte koerslijnen
1Zet de selectiehendel in stand R.
8-2. Panoramic View Monitor
315
8
Parking Assist-systeem
2Draai het stuurwiel dusdanig
dat de geschatte koerslijnen
zich binnen het parkeervak
bevinden en rijd langzaam
achteruit.
AParkeervak
BGeschatte koerslijnen
3Draai, als de achterzijde
van de auto zich in
het parkeervak bevindt, het
stuurwiel zodanig dat de
voertuigbreedtereferentielijnen
zich tussen de linker en
rechter scheidslijnen van het
parkeervak bevinden.
AVoertuigbreedtereferentielijnen
4Zet als de voertuigbreedtereferentielijnen en de lijnen van het
parkeervak parallel liggen het stuurwiel recht en rijd langzaam
achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
8-2. Panoramic View Monitor
316
Parkeren met behulp van de modus Parking Assist-
hulprijlijnen
1Zet de selectiehendel in stand R.
2Rijd achteruit tot de Parking
Assist-hulprijlijnen in lijn
liggen met de linker scheidslijn
van het parkeervak.
AParking Assist-hulprijlijnen
BScheidslijn parkeervak
3Draai het stuurwiel geheel naar rechts en rijd langzaam achteruit.
4Zet als de auto parallel in het parkeervak staat het stuurwiel recht
en rijd langzaam achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak
staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
8-2. Panoramic View Monitor
317
8
Parking Assist-systeem
Het scherm als de buitenspiegels zijn ingeklapt
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt, wordt het beeld van de zijcamera's
getoond in plaats van het panoramabeeld. Hiermee kunt u controleren of
de omgeving van de auto veilig is bij het parkeren op een krappe plaats.
ABeelden van de zijkanten
BLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
CBeeld voor/beeld achter/groothoekbeeld achter
INFORMATIE
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
8-2. Panoramic View Monitor
318
Inzoomen op het scherm
Wanneer het beeld klein en moeilijk afleesbaar is, kan er worden
ingezoomd op het scherm.
Raak het gebied op het panoramabeeld of groothoekbeeld voor aan
waarop u wilt inzoomen.
Panoramabeeld
Groothoekbeeld voor*1
Er wordt ingezoomd op het geselecteerde gebied.
In het panoramabeeld kunt u inzoomen op het deel voor of achter de
auto.
Raak het scherm opnieuw aan om het inzoomen ongedaan te maken.
INFORMATIE
De zoom-functie kan worden gebruikt wanneer aan alle onderstaande
voorwaarden wordt voldaan:
De rijsnelheid is lager dan 12 km/h
De Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld
De zoom-functie wordt onder de volgende omstandigheden automatisch
uitgeschakeld:
De rijsnelheid is hoger dan 12 km/h
De Lexus Parking Assist-sensor wordt uitgeschakeld
8-2. Panoramic View Monitor
319
8
Parking Assist-systeem
Wanneer het panoramabeeld is ingezoomd, worden de rijlijnen niet
weergegeven.
*1 : Alleen 9,8 inch display
8-2. Panoramic View Monitor
320
Weergeven van transparant beeld onder de auto
Er kan een compositie van camerabeelden die eerder zijn vastgelegd
vanuit de huidige voertuigpositie worden weergegeven om inzicht te geven
in de situatie onder de auto, de positie van de banden, enz. Dit beeld wordt
weergegeven in panoramabeeld, Side Clearance View of Cornering View.
ASpoor van de banden
Geeft de positie van de banden gekoppeld aan het stuurwiel weer.
BRijlijnen auto
Geeft het exterieur van de auto weer.
INFORMATIE
Het transparante beeld onder de auto wordt weergegeven als de instelling
op het scherm voor persoonlijke instellingen is ingeschakeld en de auto
voorwaarts of achterwaarts beweegt.
Het transparante beeld onder de auto wordt in de volgende situaties niet
weergegeven:
De rijsnelheid is hoger dan 20 km/h
De auto staat stil en er is een bepaalde tijd verstreken
Als na het starten niet een bepaalde afstand is gereden met de auto
De buitenspiegels zijn ingeklapt
Het ABS is in werking
Het systeem werkt niet goed
Het systeem werkt in de volgende situaties mogelijk niet goed:
Met sneeuw bedekte wegen
Verlichting zorgt voor schaduwen, enz.
De cameralens is bedekt met vuil of verontreinigingen
Water (rivier, zee, enz.)
Er is optionele uitrusting gemonteerd
Er bevindt zich een obstakel voor de camera
8-2. Panoramic View Monitor
321
8
Parking Assist-systeem
De banden zijn vervangen
De achterklep is open en de camera bevindt zich niet in de juiste positie
Het wegdek is glad of de wielen slippen
De auto bevindt zich op een helling of een andere steile weg
Omdat een beeld dat eerder is vastgelegd, wordt weergegeven, kunnen het
scherm en de werkelijke situatie in de volgende gevallen verschillen:
Er verschijnt een obstakel of het beweegt nadat het beeld is vastgelegd
Zand of sneeuw valt uit elkaar en beweegt nadat het beeld is vastgelegd
In het weergavebereik bevinden zich modder of plassen
Als de auto slipt
Een gedeelte van of het gehele transparante beeld onder de auto wordt in de
volgende situaties zwart weergegeven:
De auto komt in beweging terwijl er geen beeld is vastgelegd
De draaihoek van het stuurwiel overschrijdt een bepaalde hoek
De auto staat stil en er is een bepaalde tijd verstreken
WAARSCHUWING
De rijlijnen van de banden en van de auto wijken mogelijk af van de
werkelijke voertuigpositie ten gevolge van het aantal passagiers, de belading,
het stijgingspercentage van de weg, de conditie van het wegdek, de helderheid
van het omgevingslicht, optionele uitrusting, het vervangen van banden, enz.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog of de weg rondom de auto vrij is.
Het weergegeven beeld is het beeld dat eerder is vastgelegd. Als obstakels
en andere objecten bewegen nadat ze zijn vastgelegd, komen daarom het
transparante beeld van onder de auto en de werkelijke situatie mogelijk niet
altijd overeen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 323)
8-2. Panoramic View Monitor
322
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor
De instellingen die horen bij de Panoramic View Monitor, zoals de
automatische weergave van de Cornering View en de carrosseriekleur van
de auto, kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ].
2Selecteer het gewenste item.
[Cornering View]
Automatische weergave van de
Cornering View.
[View Under Vehicle] (beeld
onder auto)
Schakelt de transparante
weergave van het beeld onder de
auto in of uit. Als deze instelling
is ingeschakeld, wordt er een
compositie van camerabeelden die eerder zijn vastgelegd vanuit de huidige
voertuigpositie weergegeven om inzicht te geven in de situatie onder de
auto, de positie van de voorwielen, enz. Dit beeld wordt weergegeven in
panoramabeeld, Side Clearance View of Cornering View.
[LEXUS Park Assist 3D Display] (LEXUS Park Assist 3D weergave)
Toont of verbergt de 3D-weergave van de Lexus Parking Assist-sensor.
[LEXUS Park Assist Distance] (LEXUS Park Assist afstand)
Wijzig de afstand waarop de Lexus Parking Assist-sensor obstakels gaat
signaleren.
[Vehicle Body Colour] (carrosseriekleur)
Hiermee kunt u de op het scherm weergegeven carrosseriekleur wijzigen.
(→ Blz. 324)
INFORMATIE
Voor de veiligheid kan het scherm met instellingen tijdens het rijden niet worden
weergegeven.
8-2. Panoramic View Monitor
323
8
Parking Assist-systeem
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de carrosseriekleur (Blz. 324)
Wijzigen van de detectieafstand van de Lexus Parking Assist-sensor (Blz.
324)
Wijzigen van de carrosseriekleur
Hiermee kunt u de op het scherm weergegeven carrosseriekleur wijzigen.
1Kies [Vehicle Body Colour] (carrosseriekleur).
2Selecteer de gewenste carrosseriekleur.
3Kies [OK].
Wijzigen van de detectieafstand van de Lexus Parking Assist-
sensor
Wijzig de afstand waarop de Lexus Parking Assist-sensor obstakels gaat
signaleren.
1Kies [LEXUS Park Assist Distance] (LEXUS Park Assist afstand).
2Selecteer de afstand waarop u
objecten wilt gaan signaleren.
3Kies [OK].
8-2. Panoramic View Monitor
324
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de Panoramic View
Monitor
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter
en rondom de auto vrij is. Anders kunt u een aanrijding krijgen met
andere voertuigen of kan er zich een onvoorzien ongeval voordoen. Houd
u tijdens het gebruik van de Panoramic View Monitor aan de onderstaande
voorzorgsmaatregelen.
WAARSCHUWING
Vertrouw nooit alleen op de Panoramic View Monitor. Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en rondom de auto vrij is, net
zoals u bij iedere andere auto zou doen. Pas vooral op dat u niet tegen in de
buurt geparkeerde auto's of andere objecten botst.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Rijd nooit terwijl u alleen op het scherm let. Het op het scherm weergegeven
beeld wijkt mogelijk af van de werkelijke omstandigheden. Bovendien is er een
limiet aan het beeldbereik dat de camera kan vastleggen. Keer nooit en rijd
nooit achteruit terwijl u alleen op het scherm let. Anders kan een aanrijding
met een ander voertuig of een onvoorzien ongeval ontstaan. Controleer de
omgeving van de auto visueel en gebruik de binnen- en buitenspiegels van de
auto.
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Gebruik de Panoramic View Monitor in de volgende gevallen niet:
Op een glad of modderig wegdek of in sneeuw
Bij het gebruik van sneeuwkettingen of het reservewiel
Wanneer een portier of de achterklep niet volledig gesloten is
Op wegen die niet vlak zijn, zoals hellingen
Als er een andere maat banden dan door Lexus voorgeschreven is
gemonteerd
Als de wielophanging is gewijzigd
Als er een niet-origineel Lexus-product is geplaatst in het gebied dat op het
scherm wordt weergegeven
Bij lage buitentemperaturen wordt het scherm mogelijk donkerder of wordt het
beeld mogelijk onduidelijk. Het beeld kan worden vervormd wanneer de auto
rijdt of mogelijk kunt u het beeld niet op het scherm zien. Controleer daarom
tijdens het rijden altijd visueel uw omgeving.
8-2. Panoramic View Monitor
325
8
Parking Assist-systeem
WAARSCHUWING
Als uw banden worden vervangen, worden de rijlijnen op het scherm mogelijk
onjuist weergegeven.
OPMERKING
Het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het panoramabeeld, de Side
Clearance View en de Cornering View brengen een beeld voort dat een
samenstelling is van beelden van de camera voor, de camera achter en de
zijcamera's. Aangezien er een limiet is aan het bereik dat en de inhoud die
kan worden weergegeven, moet u ervoor zorgen dat u de functies van de
Panoramic View Monitor volledig begrijpt voordat u deze gebruikt.
De vier hoeken van het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View hebben
een verwerkingsgebied voor gecombineerde beelden op de randen van de
camera's, waardoor de helderheid van het beeld mogelijk afneemt. Dit duidt
echter niet op een storing.
Afhankelijk van de hoeveelheid licht nabij de camera's verschijnen er mogelijk
heldere en donkere vlekken op het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View of de Cornering View.
De weergaven van het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View reiken niet
hoger dan de montagepositie en het bereik van elke camera.
Er zijn dode hoeken rondom de auto die niet kunnen worden weergegeven op
de Panoramic View Monitor.
Driedimensionale objecten die worden weergegeven in het groothoekbeeld
voor, het beeld achter, het groothoekbeeld achter of het beeld van de zijkant
worden mogelijk niet weergegeven in het doorkijkbeeld, het bewegende beeld,
het panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View.
Personen en andere driedimensionale obstakels worden mogelijk anders
weergegeven op de Panoramic View Monitor. (Deze verschillen bevatten onder
andere gevallen waarbij het lijkt of de weergegeven objecten zijn omgevallen,
objecten verdwijnen of verschijnen vlak bij plaatsen waar beelden worden
gecombineerd of wanneer de werkelijke afstand tot een object verschilt van
de weergegeven positie.)
Wanneer de achterklep (die is uitgerust met de camera achter) of de
voorportieren (die zijn uitgerust met buitenspiegels met ingebouwde camera's)
zijn geopend, worden de beelden niet goed op de Panoramic View Monitor
weergegeven.
Het voertuigicoon dat door het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View wordt
weergegeven, is een door een computer gegenereerd beeld. Hierdoor
verschillen de kleur, de vorm en het formaat van de werkelijke auto. Daardoor
kan het lijken alsof driedimensionale objecten die dichtbij zijn de auto raken en
8-2. Panoramic View Monitor
326
OPMERKING
verschillen werkelijke afstanden tot driedimensionale objecten mogelijk van de
weergegeven afstanden.
De camera werkt mogelijk niet goed en het beeld wordt mogelijk als volgt op
het scherm weergegeven:
Als de selectiehendel in stand R staat, lijkt een deel van het scherm of het
gehele scherm zwart
Als de selectiehendel in stand R staat, schakelt het scherm mogelijk niet
over naar het beeld van de camera
De rijlijnen worden mogelijk niet op het scherm weergegeven. In plaats
daarvan worden er waarschuwingssymbolen en -meldingen weergegeven
Op het scherm weergegeven gebied
Er zijn dode hoeken rondom de auto die niet kunnen worden weergegeven
op het scherm. Ook als er niets op het scherm wordt weergegeven kunnen
er toch nog obstakels op de weg zijn waar u mee in botsing kunt komen.
Controleer altijd zelf nog visueel of de weg rondom de auto vrij is.
AOp het scherm weergegeven gebied
BObjecten die niet op het scherm worden weergegeven
Objecten in de zwarte gebieden worden niet op het scherm weergegeven.
8-2. Panoramic View Monitor
327
8
Parking Assist-systeem
AOp het scherm weergegeven gebied
BNiet op het scherm weergegeven delen van objecten
Delen die zich boven de weg bevinden worden niet op het scherm
weergegeven.
INFORMATIE
De zwarte gebieden rondom het beeld van de auto zijn gebieden die niet
worden waargenomen door de camera. Controleer deze gebieden visueel.
Omdat de beelden van de vier camera's standaard worden verwerkt en
weergegeven op basis van een vlak wegoppervlak, worden het doorkijkbeeld,
het bewegende beeld, het panoramabeeld (inclusief zoom-weergave), de Side
Clearance View en de Cornering View mogelijk als volgt weergegeven:
Objecten kunnen ingezakt lijken of smaller of breder lijken dan normaal.
Een object dat hoger is dan het wegoppervlak kan verder weg lijken te zijn
dan in werkelijkheid of helemaal niet worden weergegeven.
Het lijkt mogelijk of hoge objecten uitsteken vanuit de niet-weergegeven
delen van het beeld.
De helderheid van het beeld van elke camera kan variëren afhankelijk van het
omgevingslicht.
Het weergegeven beeld kan verschuiven als de carrosserie overhelt of als de
wagenhoogte verandert, onder invloed van het aantal inzittenden, de belading
en de hoeveelheid brandstof.
Het beeld en de rijlijnen worden mogelijk niet juist weergegeven als de
portieren niet volledig gesloten zijn.
De positie van het icoon van de auto ten opzichte van het wegoppervlak en
objecten, zoals weergegeven in het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld (inclusief zoom-weergave), de Side Clearance View en de
Cornering View kan afwijken van de werkelijke positie.
8-2. Panoramic View Monitor
328
Hert licht van een verlichte kentekenplaat wordt mogelijk op het scherm
weergegeven.
De met [] aangegeven gebieden
in de afbeelding betreffen een
compositie en kunnen mogelijk
onduidelijk zijn.
Groothoekbeeld voor
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
INFORMATIE
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de uiteinden van de
bumper of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het groothoekbeeld voor wijkt
de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm af van de werkelijke afstand.
8-2. Panoramic View Monitor
329
8
Parking Assist-systeem
Beeld zijkanten (als de buitenspiegels zijn ingeklapt)
AOp het scherm weergegeven
gebied
INFORMATIE
Het weergegeven bereik kan afwijken, afhankelijk van de omstandigheden van
de auto en het wegdek.
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de bumper aan
passagierszijde of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het beeld van de zijkanten
wijkt de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm af van de werkelijke
afstand.
8-2. Panoramic View Monitor
330
Beeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
Groothoekbeeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
8-2. Panoramic View Monitor
331
8
Parking Assist-systeem
INFORMATIE
Het weergegeven bereik kan afwijken, afhankelijk van de omstandigheden van
de auto en het wegdek.
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de uiteinden van de
bumper of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het beeld achter en het
groothoekbeeld achter wijkt de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm
af van de werkelijke afstand.
Objecten die zich op een hogere plaats bevinden dan de camera, worden
mogelijk niet weergegeven op het scherm.
Camerapositie
De camera's van de Panoramic View Monitor bevinden zich op de in de
afbeelding aangegeven plaatsen.
8-2. Panoramic View Monitor
332
Camera voor
Camera's opzij
Camera achter
Schoonmaken van de camera
Als er vuil of verontreinigingen (zoals waterdruppels, sneeuw en modder)
op de camera zitten, zal het beeld niet zo helder zijn. Spoel in dat geval
de camera af met veel water en veeg de lens vervolgens schoon met een
zachte, vochtige doek.
8-2. Panoramic View Monitor
333
8
Parking Assist-systeem
OPMERKING
De Panoramic View Monitor werkt mogelijk niet goed meer. Let op de volgende
punten:
Sla niet op de camera en oefen er geen overmatige kracht op uit. Anders
kan de stand van de camera veranderen.
De camera is waterdicht. Verwijder, demonteer of wijzig hem niet.
Reinig de camera door deze met veel water af te spoelen en de lens
vervolgens schoon te vegen met een zachte, vochtige doek. Als er te hard
over de cameralens wordt gewreven, kunnen er krassen ontstaan op de lens
waardoor het beeld minder duidelijk wordt.
De camerabehuizing is gemaakt van kunststof. Zorg ervoor dat er geen
organische oplosmiddelen, autowas, ruitenreiniger en ruitencoating op de
camera terechtkomen. Verwijder dergelijke stoffen zo snel mogelijk als dit
gebeurt.
Giet bij koud weer geen heet water op de auto en stel de auto niet bloot aan
plotselinge temperatuurwisselingen.
Als u de auto wast met een hogedrukreiniger, richt de straal dan niet direct
op of rondom de camera. Anders kunnen storingen optreden in de camera.
Als de camera wordt geraakt, kan er een storing optreden in de camera. Laat
als dit gebeurt de auto zo snel mogelijk nakijken door een erkende Lexus-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De camera achter reinigen met sproeiervloeistof
Vuil op de lens van de camera achter kan worden verwijderd met behulp
van de speciale camerareinigingssproeier. Zie de "handleiding van de auto"
voor meer informatie.
Tijdens het reinigen van de camera is het beeld mogelijk niet
goed zichtbaar als gevolg van de sproeiervloeistof. Controleer bij het
achteruitrijden eerst de omgeving van de auto, zowel direct als via de
spiegels.
Als na het reinigen sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens
achterblijft, is het beeld mogelijk 's nachts niet goed zichtbaar als gevolg
van de hoogte of de hellingshoek van de koplampen van de achterligger.
Bepaald vuil is na het reinigen mogelijk niet helemaal verdwenen. Spoel
in dat geval de cameralens af met veel water en veeg hem vervolgens
schoon met een zachte, met water bevochtigde doek.
Er wordt sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens gespoten.
Daarom worden ijs, sneeuw, enz. rondom de camera niet verwijderd.
8-2. Panoramic View Monitor
334
OPMERKING
Sla niet tegen de sproeierkop en onderwerp deze niet aan hevige schokken,
omdat dit de montagepositie en de hoek van de sproeierkop kan veranderen.
Lampjes Parking Assist
De lampjes van de Parking Assist van
het Panoramic View Monitor-systeem
bevinden zich op de in de afbeelding
aangegeven plaatsen.
OPMERKING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht, anders werkt het Panoramic
View Monitor-systeem mogelijk niet goed:
Oefen geen overmatige kracht uit op de lampjes en stel deze niet bloot aan
hevige schokken. Dit kan ertoe leiden dat de stand of de plaatsingshoek van
de lampjes afwijkt.
Verwijder, demonteer en wijzig de lampjes niet. Anders zijn ze niet meer
waterdicht.
Spoel de lampjes met een grote hoeveelheid water en veeg ze af met een
zachte, natte doek.
Gebruik geen organische oplosmiddelen, was, ontvetter, ruitencoating, enz.
voor de kapjes van de lampjes, aangezien deze van kunststof zijn. Als deze
middelen erop terecht zijn gekomen, verwijder ze dan onmiddellijk.
Stel de lampjes niet bloot aan plotselinge temperatuurwisselingen zoals door
er bij koud weer heet water op te gieten.
Spuit bij het wassen van de auto met een hogedrukreiniger niet rechtstreeks
op de lampjes of de omgeving ervan. Water uit een hogedrukreiniger kan de
lampjes beschadigen, waardoor ze niet meer goed werken.
Als de lampjes zijn blootgesteld aan krachtige schokken, kunnen ze
beschadigd zijn. Laat de auto zo snel mogelijk nakijken door een
erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
8-2. Panoramic View Monitor
335
8
Parking Assist-systeem
Verschillen tussen de schermweergave en de werkelijke weg
De samengestelde beelden van de Panoramic View Monitor en de rijlijnen
geven een indicatie van de afstanden op een vlakke ondergrond. Hierdoor
is er sprake van een foutmarge tussen de rijlijnen op het scherm en de
werkelijke afstand en koers op de weg.
Wanneer zich achter de auto een steile helling omhoog bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
dichter bij de auto aan dan in
werkelijkheid het geval is. Zo zullen
objecten helling op verder weg
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
8-2. Panoramic View Monitor
336
Wanneer zich achter de auto een steile helling omlaag bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
verder van de auto vandaan aan
dan in werkelijkheid het geval is. Zo
zullen objecten helling af dichterbij
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
Als een deel van de auto enigszins in de veren zakt
Als een deel van de auto enigszins
in de veren zakt door het aantal
passagiers of de verdeling van de
bagage, is er sprake van een
foutmarge tussen de rijlijnen op het
scherm en de werkelijke afstand en
koers op de weg.
AFoutmarge
Geschatte koerslijn/voertuighartlijn
Omdat de rijlijnen in de lucht bij de
achterbumper worden weergegeven,
kan het soms lijken alsof ze niet in het
midden staan.
8-2. Panoramic View Monitor
337
8
Parking Assist-systeem
Verschillen tussen het scherm en werkelijke 3D-objecten
Omdat de rijlijnen op het scherm worden weergegeven op basis
van een vlak wegoppervlak, is het niet mogelijk om de positie
van driedimensionale objecten te bepalen. Let bij het naderen van
een uitstekend driedimensionaal object (zoals de laadbak van een
vrachtwagen) op de volgende waarschuwingen.
WAARSCHUWING
Controleer, als het display van de Lexus Parking Assist-sensor rood is, visueel
de omgeving voordat u de auto verder verplaatst. Anders kunt u een aanrijding
krijgen met andere voertuigen of kan er zich een onvoorzien ongeval voordoen.
Weergeven van het panoramabeeld (inclusief ingezoomde
weergave)
Op het scherm lijkt er ruimte te zitten tussen de bumper van de auto en
een ander object of voertuig en lijkt het er niet op dat de auto het object
of voertuig zal raken. De auto is echter voorbij de koerslijnen, waardoor de
auto het object of voertuig mogelijk raakt. Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
8-2. Panoramic View Monitor
338
Geschatte koerslijnen
Op het scherm lijkt de bumper van
de auto zich buiten de geschatte
koerslijnen te bevinden en lijkt het
alsof de auto het object of voertuig
niet zal raken. De auto is echter
voorbij de koerslijnen, waardoor
de auto het object of voertuig
mogelijk raakt. Controleer ook zelf
nog visueel of de weg rondom de
auto vrij is.
AGeschatte koerslijnen
Driedimensionale objecten in hoge
posities (zoals de overhang van
een muur of de laadklep van
een vrachtwagen) worden mogelijk
niet weergegeven op het scherm.
Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
AOverhang van een muur
8-2. Panoramic View Monitor
339
8
Parking Assist-systeem
Op het scherm lijkt de laadbak
van de vrachtwagen zich buiten de
geschatte koerslijnen te bevinden
en lijkt het alsof de auto de
vrachtwagen niet zal raken. Toch
kan de vrachtwagen zich boven
de geschatte koerslijnen bevinden
en als u achteruitrijdt volgens de
geschatte koerslijnen, zal de auto
de vrachtwagen mogelijk raken.
Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
AGeschatte koerslijnen
Afstandslijnen
Op het scherm staat
een vrachtwagen volgens de
afstandslijnen op punt geparkeerd.
Maar wanneer u in werkelijkheid tot
aan achteruitrijdt, raakt u de
vrachtwagen. Op het scherm lijkt het
alsof punt het dichtstbij is, gevolgd
door punt en . In werkelijkheid
is de afstand tot punt en echter
hetzelfde en is punt verder dan
en . Controleer altijd zelf nog
visueel of de weg achter en rondom
de auto vrij is. De afstand tot punt
is ongeveer 1 meter.
8-2. Panoramic View Monitor
340
Overhang van een diagonale balk
In een panoramabeeld lijkt een
diagonale balk mogelijk recht en ziet
het ernaar uit dat deze niet wordt
geraakt. Aangezien het bovenste
gedeelte in werkelijkheid overhangt,
kan de auto hem raken. Controleer
altijd zelf nog visueel of de weg
achter en rondom de auto vrij is.
Vergrootfunctie
In tegenstelling tot bij het
normale panoramabeeld wordt
bij de vergrootfunctie van het
panoramabeeld ingezoomd op de
afbeelding van de auto. Daardoor
kunnen witte lijnen op de weg, muren
en andere objecten gebogen lijken.
8-2. Panoramic View Monitor
341
8
Parking Assist-systeem
Als u bepaalde verschijnselen opmerkt
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt of er last van hebt,
controleer het probleem dan opnieuw en raadpleeg hierbij de mogelijke
oorzaak en oplossing.
Is het symptoom door de oplossing nog niet verdwenen, laat dan de auto
controleren door een erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het scherm is niet goed te
zien
De auto bevindt
zich in een
donkere omgeving
of het is nacht.
De temperatuur
rondom de lens is
hoog of laag.
De
buitentemperatuur
is laag.
Er zitten
waterdruppels op
de camera.
Het regent of is
vochtig.
Er zitten
verontreinigingen
(modder, enz.) op
de camera.
Zonlicht of
koplampen van
andere auto's
schijnt/schijnen
rechtstreeks in de
camera.
De auto bevindt
zich onder
fluorescerende
lampen,
natriumlampen,
kwiklampen, enz.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
Gebruik de Panoramic
View Monitor weer als de
werking van de camera en
de omstandigheden zijn
verbeterd.
De procedure voor
het afstellen van de
beeldkwaliteit van de
Panoramic View Monitor
is gelijk aan de procedure
voor het afstellen van het
multimediascherm.
8-2. Panoramic View Monitor
342
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het beeld is wazig
Er zitten vuil
of verontreinigingen
(zoals waterdruppels,
sneeuw en modder)
op de cameralens.
Spoel de camera af met
veel water en veeg de
lens vervolgens schoon
met een zachte, vochtige
doek.
Bedien de speciale
camerareinigingssproeier
en reinig de cameralens.
Zie de "handleiding van
de auto" voor meer
informatie.
Het scherm is niet goed
uitgelijnd
De camera is aan
een krachtige schok
blootgesteld.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De rijlijnen zijn duidelijk niet
goed uitgelijnd
De camerapositie is
niet goed uitgelijnd.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De auto staat
schuin (de auto is
zwaar beladen, de
bandenspanning is
te laag als gevolg
van een lekke
band, enz.).
De auto staat op
een helling.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
De geschatte koerslijnen
bewegen, ook al staat
het stuurwiel recht (de
voertuigbreedtereferentielijnen
en de geschatte koerslijnen
zijn niet uitgelijnd).
Er is een storing
aanwezig in de
uitgangssignalen van
de stuurhoeksensor.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
8-2. Panoramic View Monitor
343
8
Parking Assist-systeem
Symptoom Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
De rijlijnen worden niet
weergegeven
De achterklep is
geopend.
Sluit de achterklep.
Laat als het verschijnsel
hierdoor niet verholpen is
de auto controleren door
een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur
of een andere naar
behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
Het panoramabeeld kan
niet worden vergroot.
Het doorkijkbeeld/bewegend
beeld, de Side Clearance View
en de Cornering View kunnen
niet worden weergegeven.
De Lexus Parking
Assist-sensor is
mogelijk defect of
vuil.
Volg de
correctieprocedures voor
storingen in de Lexus
Parking Assist-sensor.
(Zie de "handleiding van
de auto" voor meer
informatie over de Lexus
Parking Assist-sensor.)
Informatie over vrije software/opensourcesoftware
Dit product bevat vrije software/opensourcesoftware.
Informatie over vrije software/opensourcesoftware en/of broncodes kunt u
verkrijgen via de volgende URL:
https://www.denso.com/global/en/opensource/svss/toyota
8-2. Panoramic View Monitor
344
9Bijlage
9-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen
worden gebruikt. ................ 346
Verklaring ............................. 355
345
9
Bijlage
Bijlage
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem
kunnen worden gebruikt.
Informatie over media die kunnen worden gebruikt
De volgende specificaties zijn van toepassing voor de media en overige
apparaten.
Formaten en specificaties van USB-sticks
De formaten en standaarden van de USB-sticks die kunnen worden
gebruikt, en de gebruiksbeperkingen, zijn als volgt.
USB-communicatieformaat USB2.0 HS (480 Mbps)
Bestandsformaat FAT 16/32
Communicatieklasse Voor massaopslag
Maximaal aantal mappen 3.000 (inclusief root)
Maximaal aantal mapniveaus 8
Maximaal aantal bestanden 9.999 (maximaal 255 bestanden per
map)
Geheugencapaciteit Maximaal 32 GB
Maximale grootte van een bestand 2 GB
Andere bestanden dan de bovenstaande formaten worden mogelijk niet
correct afgespeeld, of informatie zoals de bestands- of mapnaam wordt
mogelijk niet correct weergegeven.
Weet dus op voorhand dat dit apparaat uw USB-stick mogelijk niet kan
afspelen.
Afhankelijk van de computer die wordt gebruikt om bestanden op een
USB-stick op te slaan, kunnen naast de afspeelbestanden ook verborgen
bestanden worden opgeslagen. Het wordt aanbevolen om dergelijke
verborgen bestanden te verwijderen. Ze kunnen het afspelen negatief
beïnvloeden en voorkomen mogelijk dat er correct tussen bestanden kan
worden gewisseld.
Informatie over formaat
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
Ondersteunde standaard MP3 (MPEG1 LAYER 3, MPEG2 LSF
LAYER 3)
9-1. Bijlage
346
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) MPEG1 LAYER 3: 32, 44,1, 48
MPEG2 LSF LAYER 3: 16, 22,05, 24
Ondersteunde bitrate (kbps)(1) MPEG1 LAYER 3: 32 - 320
MPEG2 LSF LAYER 3: 8 - 160
Ondersteunde weergavemogelijkheid Stereo, meerkanaals stereo,
tweekanaalsweergave, monoweergave
ID3-tag
ID3-versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3 (het aantal
karakters zoals gespecificeerd voor elke
versie)
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
WMA
Ondersteunde standaard WMA versie 7, 8, 9 (9.1, 9.2)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(1)(2)
versie 7, 8: CBR (Constant Bit Rate) 48
- 192
versie 9 (9.1/9.2): CBR 48 - 320
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
AAC
Ondersteunde standaard(1) MPEG4 AAC-LC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 8 - 320
Ondersteunde weergavemogelijkheid(3) 1ch (1/0), 2ch (2/0)
(1) ADIF wordt niet ondersteund.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(3) Meerkanaals wordt niet ondersteund.
WAV (LPCM)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
Ondersteunde weergavemogelijkheid 1ch (1/0), 2ch (2/0)
9-1. Bijlage
347
9
Bijlage
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
FLAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
ALAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 64, 88,2, 96
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
OGG Vorbis
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1) 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 32 - 500
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
Bestandsnamen
De enige soort bestanden die kunnen worden herkend
als MP3/WMA/AAC/WAV (LPCM)/FLAC/ALAC/OGG Vorbis en die
kunnen worden afgespeeld, zijn bestanden met de extensie
".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga".
Sla MP3-/WMA-/AAC-/WAV (LPCM)-/FLAC-/ALAC-/OGG
Vorbis-bestanden op met de extensie
".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga".
9-1. Bijlage
348
Over ID3-tags, WMA-tags, AAC-tags, tags en Vorbis-opmerkingen
MP3-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, ID3-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
WMA-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, WMA-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
AAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, AAC-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
WAV (LPCM)-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
FLAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
ALAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
Ogg Vorbis-bestanden hebben aanvullende tekstinformatie, Vorbis-
opmerkingen genaamd, waarmee namen van artiesten, titels,
albumnamen, enz. kunnen worden opgeslagen.
Geluidsbronnen met hoge resolutie
Dit apparaat ondersteunt geluidsbronnen met hoge resolutie. “Hoge
resolutie” is gebaseerd op de definitie van de Japan Electronics and
Information Technology Industries Association (JEITA). De volgende
formaten worden ondersteund en de volgende media kunnen worden
afgespeeld.
Ondersteunde formaten
WAV, FLAC, ALAC, Ogg Vorbis
Afspeelbare media
USB-stick
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld
vanaf USB-sticks
De volgende formaten worden ondersteund voor videobestanden die zijn
opgenomen vanaf een computer naar een USB-stick.
9-1. Bijlage
349
9
Bijlage
Formaat Codec
MPEG4-extensie:
".mp4"".m4v"
Video-codec: H.264, MPEG-4 AVC, MPEG-4
Audio-codec: MP3, AAC
Extensie AVI-
container: ".avi"
Video-codec: H.264, MPEG-4, MPEG-4 AVC, WMV9,
WMV9 Advanced Profile
Audio-codec: MP3, AAC, WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
Extensie Windows
Media Video: ".wmv"
Video-codec: WMV9, WMV9 Advanced Profile
Audio-codec: WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
De maximale afbeeldingsgrootte die wordt ondersteund is 1920 x 1080
pixels.
De ondersteunde framerate is maximaal 60i/30p.
Het kan zijn dat video's niet kunnen worden afgespeeld, afhankelijk
van het type opnameapparatuur, de opname-omstandigheden en de
gebruikte USB-stick.
Informatie iPod
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het embleem “Made for Apple”
(gemaakt voor Apple) betekent dat een
accessoire speciaal ontworpen is voor het
aansluiten van (een) Apple-product(en) en
dat het accessoire door de ontwikkelaar
gecertificeerd is omdat het voldoet aan de
eisen van Apple.
Apple kan niet verantwoordelijk worden
gehouden voor de werking van deze auto of
de mate waarin de auto voldoet aan de eisen voor veiligheid en regelgeving.
Let erop dat het gebruik van dit accessoire in combinatie met een Apple-
product de werking van de afstandsbediening negatief kan beïnvloeden.
iPhone, iPod, iPod touch en Lightning zijn handelsmerken van Apple Inc.,
geregistreerd in de VS en andere landen.
Gemaakt voor
iPhone 12 Pro Max
iPhone 12 Pro
iPhone 12
iPhone 12 mini
9-1. Bijlage
350
iPhone SE (2e generatie)
iPhone 11 Pro Max
iPhone 11 Pro
iPhone 11
iPhone XS Max
iPhone XS
iPhone XR
iPhone X
iPhone 8 Plus
iPhone 8
iPhone 7 Plus
iPhone 7
iPhone SE
iPhone 6s Plus
iPhone 6s
iPod touch (7e generatie)
Informatie Apple CarPlay
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het Apple CarPlay-logo betekent
dat een gebruikersinterface van een auto
voldoet aan de prestatienormen van Apple.
Apple kan niet verantwoordelijk worden
gehouden voor de werking van deze auto of
de mate waarin de auto voldoet aan de eisen
voor veiligheid en regelgeving. Let erop dat
het gebruik van dit product in combinatie
met een iPhone, iPod of iPad de draadloze
prestaties negatief kan beïnvloeden.
Apple CarPlay is een handelsmerk van Apple Inc.
9-1. Bijlage
351
9
Bijlage
Informatie Android Auto
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Android en Android Auto zijn handelsmerken
van Google LLC.
Informatie over USB-geheugens
Muziekbestanden die zijn opgenomen met behulp van een
computer
De volgende muziekbestanden kunnen worden afgespeeld.
MP3
WMA
AAC
FLAC
WAV
ALAC
OGG Vorbis
MP3/WMA/AAC-specificaties
Er gelden bepaalde restricties voor de MP3-, WMA- en AAC-bestanden
die kunnen worden gebruikt en voor de media en de bestandssystemen
waarop deze bestanden zijn opgeslagen. Microsoft, Windows en Windows
Media zijn geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de
VS en andere landen.
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
MP3 (MPEG Audio LAYER 3) is een standaard
audiocompressieformaat. Met MP3 kunnen bestanden worden
gecomprimeerd tot ongeveer 1/10 van hun oorspronkelijke grootte.
9-1. Bijlage
352
WMA
WMA (Windows Media Audio) is een audiocompressieformaat van
Microsoft Corporation. Hiermee kunnen bestanden nog meer worden
gecomprimeerd dan met MP3.
Dit product wordt beschermd door bepaalde intellectuele
eigendomsrechten van Microsoft. Het gebruik of de distributie van
dergelijke technologie in andere producten is verboden zonder een
licentie van Microsoft.
AAC
AAC (Advanced Audio Coding) is een standaard
audiocompressieformaat dat wordt toegepast bij MPEG2 en MPEG4.
Bluetooth®-informatie
De volgende Bluetooth®-specificaties en profielen zijn van toepassing.
Onderwerp Bluetooth®-audio
Ondersteunde
Bluetooth®-
specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 2.1 of hoger
Ondersteunde
profielen
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) voor
overdracht van muziek: versie 1.3.1 of hoger
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) voor
bediening (afspelen, stoppen enz.) van een draagbaar
audioapparaat vanaf een multimediasysteem: versie 1.6.1
of hoger
INFORMATIE
Er kan niet worden gegarandeerd dat dit systeem werkt met alle Bluetooth®-
apparaten.
Verklaring
Bluetooth is een geregistreerd
handelsmerk van Bluetooth SIG. Inc.
9-1. Bijlage
353
9
Bijlage
LDAC
LDAC en het LDAC-logo zijn handelsmerken
van Sony Corporation.
Informatie Gracenote®
Als er muziek wordt afgespeeld wordt in de database van het
multimediasysteem gezocht naar de naam van het album, de naam van
de artiest, het genre en de titel van het nummer. Als de informatie
beschikbaar is in de database, wordt deze automatisch weergegeven. Dit
multimediasysteem maakt gebruik van de mediadatabase van Gracenote®.
INFORMATIE
Gracenote® media database
De getoonde informatie kan afwijken van de werkelijke informatie.
Voor de gegevens aangeleverd door de “Gracenote media database” wordt
geen 100% nauwkeurigheid gegarandeerd.
Gracenote, het Gracenote-logo en
het “Powered by Gracenote”-logo zijn
hetzij geregistreerde handelsmerken of
handelsmerken van Gracenote, Inc. in de
Verenigde Staten en/of andere landen.
9-1. Bijlage
354
Verklaring
Toyota Motor Europe NV/SA, Avenue du Bourget 60 - 1140 Brussel, België
www.toyota-europe.com
Toyota (GB) PLC, Great Burgh, Burgh Heath, Epsom, Surrey, KT18 5UX,
UK
9-1. Bijlage
355
9
Bijlage
9-1. Bijlage
356
9-1. Bijlage
357
9
Bijlage
9-1. Bijlage
358
9-1. Bijlage
359
9
Bijlage
9-1. Bijlage
360
9-1. Bijlage
361
9
Bijlage
9-1. Bijlage
362
9-1. Bijlage
363
9
Bijlage
9-1. Bijlage
364
9-1. Bijlage
365
9
Bijlage
9-1. Bijlage
366
QR-code
Het woord "QR-code" is een geregistreerd handelsmerk van DENSO
WAVE INCORPORATED in Japan en andere landen.
Kaartgegevens
©2021 HERE
Ga naar onderstaande link voor de datalicentie.
https://legal.here.com/terms/general-content-supplier/terms-and-notices/
EINDGEBRUIKERSOVEREENKOMST
https://legal.here.com/en-gb/terms/end-user-license-agreement
9-1. Bijlage
367
9
Bijlage
Index
A
Aansluiten
Bluetooth®-apparaten................... 119
iPod.................................................41
Miracast®...................................... 214
USB-aansluiting.............................. 41
Wi-Fi®........................................... 127
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten...............214
Actuele locatie
Weergave ...................................... 32
Afspelen
Android Auto................................. 206
Apple CarPlay...............................202
Bluetooth®-audio.......................... 210
iPod/iPhone.................................. 198
Miracast®...................................... 215
USB-stick............................... 191,194
Afstellen
Beeldkwaliteit................................101
Geluidskwaliteit.............................102
Android Auto............................139,206
Apple CarPlay................................. 202
Geregistreerde smartphone..........136
Ongeregistreerde smartphone......133
ASL.................................................... 97
Audio............................................... 182
Audiosysteem aan/uit ..................... 36
B
Beantwoorden van berichten........ 262
Bedienen van het systeem met
behulp van spraakbediening....... 42
Bediening scherm............................ 27
Beeldkwaliteit instellen.................. 101
Bellen
Continu toonsignaal...................... 237
Iemand bellen............................... 245
Invoeren via numeriek toetsenbord....
.................................................. 235
Lijst met favorieten........................233
Melding......................................... 265
Opgeslagen contacten..................234
Pechhulp van Lexus..................... 236
Uitgaande of binnenkomende
oproepen...................................231
Bericht............................................. 260
Bestemming
Recente bestemming wissen..........94
Toevoegen.................................... 163
Wissen.......................................... 173
Zoeken .........................................158
Beveiligingsinstellingen.................. 77
Bewerken.........................................172
Te vermijden gebieden....................89
Bluetooth®-apparaten
Instellen als primair apparaat........123
Instellen als secundair apparaat... 124
Registreren................................... 114
Verbinden......................................119
Wissen.......................................... 118
Bluetooth®-audio............................210
Browser .......................................... 268
Bediening .....................................270
Scherm ........................................ 269
C
Compatibele profielen.................... 113
Connected Navigation....................148
Connected Navigation (met
geïntegreerd navigatiesysteem)149
Contactgegevens (telefoonnummer)
Overbrengen.................................250
Toevoegen.................................... 255
Verwijderen................................... 256
Index
368
Wijzigen........................................ 255
D
DAB-radio........................................185
Dealerinformatie............................... 76
Demo routebegeleiding .................168
E
Een conferencecall starten............246
F
FM-radio.......................................... 182
G
Gebruikersprofiel
Registreren..................................... 56
Wijzigen en registreren van een
profiel.......................................... 64
Geluidsbronnen met hoge resolutie...
......................................................346
Geluidskwaliteit instellen...............102
Gracenote®...............................188,346
H
Handsfree (telefoon).......................218
Hoofdmenu........................................20
I
Informatie over formaat................. 346
Informatie parkeren op straat..........85
Informatie weergeven voor een punt..
......................................................150
Instellen bestemming ....................166
Instellen van weergavehoek
Kaarthoek ...................................... 86
Instellen volume............................... 36
Audio ..............................................36
Geluidsvolume van het systeem.....97
Navigatievolume............................. 97
Telefoon (beltoon/ontvanger)........ 105
Instellingen
Algemene instellingen.....................69
Beveiligingsinstellingen...................77
Diverse instellingen.........................62
Geluids- en media-instellingen....... 97
Instellingen begeleiding ................. 91
Instellingen Bluetooth®-apparaat..105
Instellingen dealerinformatie...........76
Instellingen gebruikersprofiel.......... 67
Instellingen navigatiesysteem ........84
Instellingen Panoramic View Monitor..
.................................................. 323
Instellingen routevoorkeuren.......... 88
Instellingen spraakbediening.......... 74
Instellingen te vermijden gebieden. 88
Instellingen verkeersinformatie....... 93
Instellingen weergave scherm........ 72
Kaartinstellingen...................... 85,153
Privacy-instellingen.........................77
Radio-instellingen........................... 97
Wi-Fi®-instellingen........................ 103
Internet ........................................... 268
Bediening .....................................270
Scherm ........................................ 269
Internetradio....................................188
iPod/iPhone.....................................198
K
Kaart
Instellingen 3D-weergave............... 85
Inzoomen/uitzoomen...................... 33
Stadskaart ......................................33
Verkeersinformatie..........................85
Verplaatsen ....................................35
Wijzigen van de kaartstijl................ 85
Index
369
Wijzigen van de richting..................34
Kaarticoon
Flitscamera .................................. 154
Kaartinformatie
Instellen van weergegeven POI-
iconen ...................................... 152
Kaartinstellingen............................ 153
Op straat parkeren .......................153
Weergeven van de gereden route
(routetracé) .............................. 154
Kaartopties
Scherm met kaartopties ...............151
Kaartscherm .....................................30
Kaartscherm met volledige route
Geschatte aankomsttijd ............... 166
Kaartweergave instellen
Instellen van de kaart .....................86
L
Lexus Parking Assist Monitor....... 276
Weergeven van het
begeleidingsscherm ................. 278
Lexus-account.................................. 56
Luisteren naar de radio..................182
M
Miracast®.........................................215
Mobiele telefoon
Registreren................................... 114
Verbinden......................................119
Verkopen of wegdoen van de auto.....
.................................................. 222
Verwijderen................................... 118
N
Naar DAB luisteren.........................185
NaviBridge.......................................164
Navigatie..........................................148
Navigatie-instellingen...................... 94
Wijzigen van lijst met favorieten .... 95
IJking positie/richting ......................96
Navigatiesysteem .......................... 146
O
Opnieuw zoeken van een route ....177
Oproepen beantwoorden/ontvangen..
......................................................238
Overbrengen
Contactgegevens (telefoonnummer)..
.................................................. 250
Overschakelen naar een andere
schermmodus............................. 100
P
Panoramic View Monitor ...............296
Positie
Corrigeer de locatie........................ 94
Problemen oplossen
Apple CarPlay/Android Auto......... 140
Handsfree (telefoon)..................... 223
Lexus Parking Assist Monitor....... 293
Panoramic View Monitor...............342
R
Registreren
Bluetooth®-apparaten................... 114
Dealerinformatie............................. 76
Gebruikersprofiel............................ 56
Instellingen gebruikersprofiel.......... 64
Lijst met favorieten........................258
Opgeslagen profielen......................64
Te vermijden gebieden....................89
Routebegeleiding .......................... 173
Rijrichting boven.............................. 34
Rijstrookweergaveschermen.........175
S
Schaal................................................33
Scherm met een overzicht van de
zoekresultaten ............................162
Index
370
Schoonmaken van de camera 285,325
Smartphone
Bestemmingen instellen (NaviBridge)
.................................................. 164
Registreren................................... 114
Verbinden......................................119
Wissen.......................................... 118
Snelwegmodus .............................. 157
Spraakcommando's......................... 48
Spraakcommandosysteem ............. 42
Stadskaart......................................... 33
Statusiconen..................................... 22
Stuurwieltoetsen
Handsfree (telefoon).............. 227,229
Spraakbediening.............................45
Surround........................................... 97
Systeem herstarten.......................... 17
T
Taal van de kaart...............................85
Thuis
Instellen van thuis als bestemming ....
.................................................. 160
Registreren .................................. 160
Toetsenbord
Invoeren van letters en cijfers ........29
Toevoegen van een tussenpunt.... 163
Touchscreen..................................... 24
Tussenpunten ................................ 171
U
USB-aansluiting................................41
USB-stick..................................191,194
V
Verkopen of wegdoen van de auto.....
......................................................222
Vermijden.......................................... 88
Versturen van nieuwe berichten... 263
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik
van de Lexus Parking Assist
Monitor
Camerapositie...............................288
W
Webbrowser ................................... 268
Bediening .....................................270
Scherm ........................................ 269
Weergeven van POI-iconen........... 152
Wi-Fi®
Aansluiten..................................... 127
Wi-Fi®-instellingen......................... 103
Wisselen van telefoon....................248
Wissen
Bestemming .................................173
Bluetooth®-apparaten................... 118
Contactgegevens (telefoonnummer)..
.................................................. 256
Gebruikersprofiel............................ 67
Lijst met favorieten........................258
Recente bestemmingen..................94
Te vermijden gebieden....................90
Wijzig route-opties ........................ 169
Wijzigen van de richting.................. 34
Wijzigen van de route ....................170
Wijzigen van de schaal.................... 33
Z
Zoeken met behulp van zoekwoorden
........................................................53
Zoeken van bestemming
Scherm voor zoeken van
bestemming ............................. 159
Zoeken van een bestemming........ 158
Bestemmingengeschiedenis ........161
Door smartphone ondersteunde apps
.................................................. 164
Een favoriet als bestemming ....... 160
Index
371
Invoeren van karakters ................ 159
Routeplan .................................... 161
Thuis ............................................ 160
Index
372
16


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Lexus NX 450h plus - 2021 - Navigatiesysteem at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Lexus NX 450h plus - 2021 - Navigatiesysteem in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 15.29 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info