811004
476
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/483
Next page
HANDLEIDING
MUL
TIMEDIASYSTEEM
LS500h/LS500/LS350
©2022 TOYOTA MOTOR CORPORATION
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze handleiding mag worden vermenigvuldigd of
overgenomen, noch geheel, noch gedeeltelijk, zonder de schriftelijke toestemming van
Toyota Motor Corporation.
Basishandelingen
Basishandelingen voor het multimediasysteem
Instellingen en
registratie Registreren en instellen van diverse elementen
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
Gebruik van Bluetooth® of Wi-Fi®
Navigatie
Bedienen van het kaartscherm
Zoeken op de kaart
Activeren van de routebegeleiding
Audiosysteem Luisteren naar de radio
Muziek luisteren
Entertainmentsysteem
achterpassagiers
Met het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers kunt u genieten van muziek en
video op het display achter.
Handsfree
bellen Voor handsfree gebruik van een mobiele telefoon
Extra diensten Gebruik van extra diensten
Parking Assist-
systeem Controleren van de situatie rondom de auto
Bijlage Referentie-informatie
Verklaring
Index Alfabetisch zoeken
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
LS 500h LS 500 LS 350
PZ471-50J89-NL
L/O 17/10/2022
Inleiding
Ter informatie ........................... 9
Veiligheidsinstructies ............. 11
Over deze handleiding........... 12
Overzicht................................ 14
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen........... 17
Overzicht multimediascherm.. 19
Hoofdmenu ............................ 20
Statusiconen .......................... 22
Bedienen van het
touchscreen ......................... 24
Basisfuncties scherm............. 27
Invoeren van letters en
cijfers ................................... 29
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm........................... 30
Weergave van de actuele
locatie van de auto............... 32
Wijzigen van de schaal van
de kaart................................ 33
Wijzigen van de kaartrichting. 34
Verschuiven van de kaart ...... 35
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen
audiosysteem en
volumeregeling .................... 36
Selecteren van de audiobron. 38
Wijzigen van de lay-out van
de toetsen op het
keuzescherm voor de
audiobron............................. 40
Aansluiten op een USB-
aansluiting............................ 41
1-4. Basishandelingen met
betrekking tot het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Functies en bediening
entertainmentsysteem
achterpassagiers ................. 42
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 44
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers via
het multifunctionele
bedieningspaneel achter...... 45
In- of uitschakelen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 48
Uitschakelen van het
scherm van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers om
alleen geluid weer te geven . 49
Afstellen van de hoek van
het display achter................. 51
Plaatsen en verwijderen van
een disc bij het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 53
Plaatsen en verwijderen van
een SD-geheugenkaart bij
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .... 54
Aansluiten van een HDMI-
apparaat op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 55
Wijzigen van de bron van
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .... 56
INHOUDSOPGAVE
2
Volume van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
afstellen ............................... 57
Wijzigen van de audio-
uitgangsmodus van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 58
Gebruik van een koptelefoon. 60
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers vanaf
het audiosysteem voorin...... 61
1-5. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem
met behulp van
spraakbediening .................. 62
Spraakbediening starten........ 64
Uitspreken van een
spraakcommando ................ 66
Informatie zoeken met
behulp van het toetsenbord . 71
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel (“My
settings” (mijn instellingen)) .75
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen........................... 80
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van
een gebruikersprofiel ........... 82
Identificatiemethode voor
een bestuurder instellen ...... 85
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem .............. 87
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm ................................. 90
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen
van de spraakbediening....... 92
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ...... 94
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen ........ 95
Bijwerken en controleren
van de software-informatie .. 98
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen
navigatiesysteem ............... 102
Wijzigen van de
kaartinstellingen................. 103
Route-instellingen ................ 106
Instellingen begeleiding ....... 109
Instellingen
verkeersinformatie ..............111
Overige instellingen ............. 112
2-9. Geluids- en media-
instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen.............. 116
Overschakelen naar een
andere schermmodus ........ 119
Instellen van de
beeldkwaliteit ..................... 120
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron121
2-10. Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen......................... 122
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten
instellen.............................. 124
INHOUDSOPGAVE
3
2-12. Wijzigen van de
instellingen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Wijzigen van de
scherminstellingen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 128
Aanpassen van de
beeldkwaliteit van de
video- en afbeeldingsbron
tijdens het afspelen op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 129
Wijzigen van de
schermmodus van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 130
Wijzigen van de HDMI-
instellingen achterin op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 131
Wijzigen van de Blu-ray- en
DVD-instellingen op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 133
Wijzigen van de instellingen
voor de SD-diavoorstelling
via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 137
Gegevens wissen van een
SD-kaart via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 138
Controleren van de licentie-
informatie van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 139
3
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten........................... 142
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen......... 145
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf
het multimediasysteem ...... 146
Wissen van een
geregistreerd Bluetooth®-
apparaat............................. 150
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat .......... 151
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
primair apparaat................. 155
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
secundair apparaat ............ 157
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-
apparaten........................... 158
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®............. 160
3-3. Gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto ................. 163
Gebruik van Apple CarPlay
met een ongeregistreerde
smartphone........................ 166
INHOUDSOPGAVE
4
Gebruik van Apple CarPlay
met een geregistreerde
smartphone........................ 169
Gebruik van Android Auto.... 173
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple
CarPlay of Android Auto .... 175
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten
die gebruikmaken van
Wi-Fi®................................ 180
Connected Navigation (met
geïntegreerd
navigatiesysteem).............. 182
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor
een punt............................. 183
Scherm met kaartopties....... 184
Weergeven van POI-iconen. 185
Kaartinstellingen .................. 187
Snelwegmodus .................... 191
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een
bestemming ....................... 192
Scherm voor zoeken van
bestemming ....................... 193
Scherm met een overzicht
van de zoekresultaten........ 196
Toevoegen van een
tussenpunt ......................... 197
Bestemmingen instellen
vanaf uw smartphone ........ 198
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route................................... 200
Een demo van de
routebegeleiding bekijken .. 202
Wijzigen van route-opties .... 203
Wijzigen van de route .......... 204
Punten om langs te rijden
instellen op een route ........ 205
Tussenpunten bewerken...... 206
4-5. Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm ... 207
Rijstrookweergaveschermen 208
Opnieuw zoeken van een
route................................... 210
Specifieke
stembegeleidingstermen.... 211
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied.................. 212
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio........ 214
Naar DAB luisteren .............. 217
Omgaan met de
radioantenne...................... 220
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio .... 221
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via een USB-stick .............. 222
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 224
Videobestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 227
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via iPod/iPhone.................. 230
Afspelen vanaf een iPod/
iPhone................................ 231
INHOUDSOPGAVE
5
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Apple CarPlay .............. 234
Afspelen via Apple CarPlay . 235
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Android Auto ................ 238
Android Auto afspelen ......... 239
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-
audio .................................. 241
Bluetooth®-audio afspelen ... 243
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Miracast®..................... 246
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten ...... 247
Afspelen via Miracast®......... 248
6Entertainmentsysteem
achterpassagiers
6-1. Bedienen van de radio via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Naar de radio luisteren via
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .. 253
Naar DAB luisteren via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 254
6-2. Bedienen van discs via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van een CD op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 256
Een DVD, Blu-ray Disc
(BD) of video-CD afspelen
op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 259
6-3. Bedienen van een SD-
geheugenkaart via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziekbestanden op een
SD-geheugenkaart
afspelen ............................. 265
Videobestanden op een SD-
geheugenkaart afspelen .... 268
Fotobestanden op een SD-
geheugenkaart bekijken..... 273
6-4. Bedienen van via USB
aangesloten media op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziekbestanden vanaf een
USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 276
Videobestanden vanaf een
USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 278
Muziekbestanden vanaf een
iPod of iPhone afspelen
via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 280
6-5. Muziek op de
smartphone afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziek vanaf Apple CarPlay
afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 282
Muziek vanaf Android Auto
afspelen via het
INHOUDSOPGAVE
6
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 284
6-6. Bedienen van
Bluetooth®-audio via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziek vanaf een met
Bluetooth® verbonden
apparaat afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 286
6-7. Bedienen van een via HDMI
aangesloten apparaat via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van HDMI-media
achterin op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 288
6-8. Bedienen van een
via Miracast® aangesloten
apparaat via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van Miracast® op
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .. 289
Voorzorgsmaatregelen voor
het gebruik van Miracast®
achterin .............................. 290
Verbinding maken met
Miracast® achterin ............. 291
Afspelen van Miracast®
achterin op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 292
Verbinding met Miracast®
achterin verbreken ............. 293
7Handsfree bellen
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen ................ 296
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert ... 300
7-2. Handsfree bellen met behulp
van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen................. 304
7-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis........... 306
Bellen via de lijst met
favorieten ........................... 308
Bellen vanuit contactenlijst .. 309
Bellen via het toetsenblok.... 310
Pechhulp van Lexus bellen.. 311
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal ...... 312
7-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden ..... 313
Oproepen weigeren ............. 315
7-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het
belscherm .......................... 316
Een onderbroken oproep
beantwoorden .................... 318
Iemand anders bellen
tijdens een lopend gesprek 319
Een conferencecall starten .. 320
Beëindigen van gesprekken 321
7-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen ................ 322
INHOUDSOPGAVE
7
7-7. Bewerken van
contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens................ 324
Nieuwe contactgegevens
aan contacten toevoegen .. 329
Favorieten registreren.......... 332
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de
berichtfunctie ..................... 334
Bellen via de berichtfunctie.. 339
8Extra diensten
8-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ............................ 342
Weergeven van het
webbrowserscherm............ 343
Bedienen van het
webbrowserscherm............ 344
9Parking Assist-systeem
9-1. Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View
Monitor............................... 350
Weergavemodus wanneer
schakelstand "P" is
geselecteerd ...................... 353
Weergavemodus wanneer
schakelstand "D" of "N" is
geselecteerd ...................... 355
Weergavemodus wanneer
schakelstand "R" is
geselecteerd ...................... 363
Het scherm als de
buitenspiegels zijn
ingeklapt ............................ 371
Inzoomen op het scherm ..... 372
Weergeven van transparant
beeld onder de auto........... 373
Waarschuwing voor
bewegende objecten.......... 375
Wijzigen van de instellingen
van de Panoramic View
Monitor............................... 377
Voorzorgsmaatregelen bij
het gebruik van de
Panoramic View Monitor.... 379
Als u bepaalde
verschijnselen opmerkt ...... 396
10 Bijlage
10-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen
worden gebruikt. ................ 400
Informatie over media en
gegevens die in het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
kunnen worden gebruikt .... 410
Verklaring ............................. 438
Index .......................................... 475
INHOUDSOPGAVE
8
Inleiding
Ter informatie
Handleiding multimediasysteem
In deze handleiding wordt de werking van het multimediasysteem
beschreven. Lees deze handleiding en de "handleiding van de auto"
zorgvuldig door, zodat u de mogelijkheden op de juiste wijze kunt
benutten.
De inhoud van deze handleiding verschilt in sommige gevallen mogelijk
van het systeem, bijvoorbeeld als gevolg van software-updates en
wijzigingen in de specificaties.
Deze handleiding bevat informatie over systeemsoftwareversie 2005
en eerder. Raadpleeg de onderstaande URL voor de meest recente
informatie. Lees voordat u dit systeem gebruikt de informatie met
betrekking tot de nieuwste softwareversie. Zie "Bijwerken en controleren
van de software-informatie"(→ Blz. 98) voor meer informatie over de
huidige softwareversie.
Afhankelijk van het land of gebied is de software-updateservice mogelijk
niet beschikbaar.
LS 500h
URL:
https://www.lexus.eu/manual?parameter=om50j89e.ls.2210.hev.mm
QR-code:
LS 500/LS 350
URL:
https://www.lexus.eu/manual?parameter=om50j89e.ls.2210.cv.mm
QR-code:
Inleiding
9
De in deze handleiding getoonde schermen wijken mogelijk af
van het daadwerkelijke scherm van het systeem, afhankelijk van
de beschikbaarheid van functies, status van de aanmelding en
kaartgegevens die beschikbaar waren op het moment dat deze
handleiding werd gemaakt.
De bedrijfsnamen en producten die in deze handleiding worden
vermeld, zijn handelsmerken en/of geregistreerde handelsmerken van
hun respectievelijke bedrijven.
Disclaimer over compensatie bij gegevensverlies
Dit systeem slaat gegevens op in het interne geheugen. Data die zijn
opgeslagen in het geheugen kunnen corrupt raken of verloren gaan door
storingen, reparaties, softwarefouten en andere oorzaken.
Toyota accepteert geen enkele aansprakelijkheid en biedt geen
compensatie aan met betrekking tot schade die direct en/of indirect
voortvloeit uit problemen met de opslag van data in het interne geheugen.
Verwijderen van de 12V-accu
Als het contact UIT wordt gezet, worden alle gegevens in het systeem
opgeslagen. Als de 12V-accu wordt losgenomen voordat de gegevens zijn
opgeslagen, worden de gegevens mogelijk niet goed opgeslagen.
Inleiding
10
Veiligheidsinstructies
Houd u aan de volgende instructies om dit systeem zo veilig mogelijk te
gebruiken.
Het systeem is bedoeld om u te assisteren bij het bereiken van uw
bestemming en zal dit, mits goed gebruikt, ook doen. U bent als bestuurder
verantwoordelijk voor het veilig functioneren van de auto en voor de
veiligheid van uw passagiers. Gebruik de functies van dit systeem zodanig
dat ze geen afleiding vormen en een veilige rit niet beletten. De veiligheid
tijdens het rijden moet altijd als eerste prioriteit gezien worden. Neem
tijdens het rijden altijd de verkeersregels in acht. Als een verkeerssituatie
recentelijk gewijzigd is, kan het routebegeleidingssysteem u van verkeerde
informatie voorzien, zoals het advies om een eenrichtingsweg in te rijden.
Luister tijdens het rijden zo veel mogelijk naar de stembegeleiding en werp
alleen een blik op het scherm als de wegsituatie dit toelaat. Vertrouw
echter nooit volledig op de informatie van de stembegeleiding. Gebruik
deze alleen als referentie. U hoort mogelijk onjuiste, verlate of helemaal
geen stembegeleiding als het systeem de actuele positie niet correct kan
vaststellen.
De gegevens in het systeem zijn soms niet volledig. De wegsituatie,
inclusief beperkingen (niet links afslaan, straten afgesloten, enz.) wijzigt
regelmatig. Kijk daarom, voordat u een instructie van het systeem gaat
opvolgen, of deze handeling veilig en legitiem kan worden uitgevoerd.
Het systeem kan u niet waarschuwen voor zaken als de veiligheid van
een gebied, de toestand van het wegdek en de beschikbaarheid van
hulpdiensten. Als u niet overtuigd bent van de veiligheid van een bepaald
gebied, rijd dit gebied dan niet in. Het systeem ondersteunt de bestuurder,
maar vervangt nooit diens persoonlijke beoordeling.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen mag de bestuurder het systeem tijdens het rijden
niet bedienen. Onvoldoende aandacht voor de weg en het verkeer kan
resulteren in een ongeval.
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de toestand van de
weg.
Inleiding
11
Over deze handleiding
Geeft uitleg over de symbolen die in deze handleiding worden gebruikt.
Symbolen in deze handleiding
Symbolen Betekenis
WAARSCHUWING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren in
dodelijk of ernstig letsel wanneer de voorzorgsmaatregelen niet
in acht worden genomen.
OPMERKING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren in
schade of storingen aan de auto of de uitrusting wanneer de
voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen.
Geeft bedienings- of werkingsprocedures aan.
Geeft uitleg in plaats van beschrijvingen over bedieningsmethoden en
functies die u dient te kennen en die handig zijn om te weten.
Symbolen in afbeeldingen
Symbolen Betekenis
Geeft de handeling aan voor het bedienen van knoppen en dergelijke
(drukken, draaien, enz.)
Inleiding
12
Symbolen Betekenis
Geeft het onderdeel of de positie aan waarover uitleg wordt gegeven.
Inleiding
13
Overzicht
Dashboard
Onderstaande afbeelding heeft betrekking op een auto met linkse
besturing.
AStuurwieltoetsen
Audiobediening ..................................................................................Blz. 38
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening ...........Blz. 64
Bellen...............................................................................................Blz. 304
BDisplay ............................................................................................. Blz. 17
CKnop [PWRVOL].......................................................................... Blz. 36
DUSB-aansluiting .............................................................................. Blz. 41
Inleiding
14
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen........... 17
Overzicht multimediascherm.. 19
Hoofdmenu ............................ 20
Statusiconen .......................... 22
Bedienen van het
touchscreen ......................... 24
Basisfuncties scherm............. 27
Invoeren van letters en
cijfers ................................... 29
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm........................... 30
Weergave van de actuele
locatie van de auto............... 32
Wijzigen van de schaal van
de kaart................................ 33
Wijzigen van de kaartrichting. 34
Verschuiven van de kaart ...... 35
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen
audiosysteem en
volumeregeling .................... 36
Selecteren van de audiobron. 38
Wijzigen van de lay-out van
de toetsen op het
keuzescherm voor de
audiobron............................. 40
Aansluiten op een USB-
aansluiting............................ 41
1-4. Basishandelingen met
betrekking tot het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Functies en bediening
entertainmentsysteem
achterpassagiers ................. 42
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 44
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers via
het multifunctionele
bedieningspaneel achter...... 45
In- of uitschakelen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 48
Uitschakelen van het
scherm van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers om
alleen geluid weer te geven . 49
Afstellen van de hoek van
het display achter................. 51
Plaatsen en verwijderen van
een disc bij het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 53
Plaatsen en verwijderen van
een SD-geheugenkaart bij
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .... 54
Aansluiten van een HDMI-
apparaat op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 55
Wijzigen van de bron van
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .... 56
15
1
Basishandelingen
Volume van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
afstellen ............................... 57
Wijzigen van de audio-
uitgangsmodus van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers ............ 58
Gebruik van een koptelefoon. 60
Bedienen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers vanaf
het audiosysteem voorin...... 61
1-5. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem
met behulp van
spraakbediening .................. 62
Spraakbediening starten........ 64
Uitspreken van een
spraakcommando ................ 66
Informatie zoeken met
behulp van het toetsenbord . 71
16
Basishandelingen voor het multimediasysteem
Display en bedieningselementen
ADisplay
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks aan te raken.
BKnop [PWRVOL]
Hiermee kunt u het audiosysteem in- of uitschakelen en het volume regelen.
INFORMATIE
Het LCD-scherm lijkt mogelijk vaag of donker, afhankelijk van de omgeving of
de kijkhoek.
Het scherm kan mogelijk niet goed worden afgelezen als er zonlicht of licht van
een andere externe lichtbron op schijnt.
Het scherm lijkt mogelijk donker of kan niet goed worden afgelezen wanneer u
een gepolariseerde zonnebril draagt.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen dient de bestuurder het display tijdens het rijden zo
min mogelijk te bedienen en dient hij/zij de auto stil te zetten om het display
te bedienen. Het bedienen van het display tijdens het rijden is gevaarlijk; u
kunt bijvoorbeeld per ongeluk aan het stuur draaien of er kunnen zich andere
onvoorziene ongelukken voordoen. Kijk bovendien tijdens het rijden alleen indien
nodig en zo kort mogelijk naar het display.
OPMERKING
Gebruik het display niet gedurende lange tijd wanneer de motor <het
hybridesysteem> is uitgeschakeld. Anders kan de 12V-accu ontladen raken.
Systeem herstarten
Wanneer het systeem erg traag reageert, kunt u het systeem herstarten.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
17
1
Basishandelingen
Houd de knop [PWRVOL]
gedurende ten minste 3
seconden ingedrukt.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
18
Overzicht multimediascherm
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer een icoon wordt
gekozen.
BMicrofoontoets
Geeft het spraakbedieningsscherm weer voor spraakbediening van het
navigatiesysteem, het audiosysteem en diverse andere functies.
CStatusiconen
De iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden bovenaan
op het scherm weergegeven.
INFORMATIE
[ ] wordt bij deze auto niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu (Blz. 20)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
Statusiconen (Blz. 22)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
19
1
Basishandelingen
Hoofdmenu
De op het scherm weer te geven functie kan worden gewijzigd door een
icoon te kiezen.
: Apple CarPlay
Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
: Android Auto
Geeft het Android Auto-scherm weer.
: Navigatiesysteem
Geeft het kaartscherm weer. Het navigatiesysteem kan worden bediend
om een bestemming te zoeken of andere aan het navigatiesysteem
gerelateerde taken uit te voeren.
: Audio
Geeft het audiobedieningsscherm weer. De gewenste bron kan worden
geselecteerd om audio af te spelen.
: Telefoon
Geeft het telefoonscherm weer. Er kan een via Bluetooth® aangesloten
mobiele telefoon worden gebruikt om handsfree te bellen.
: Voertuiginformatie*1
Geeft het voertuiginformatiescherm weer. Hiermee kunt u
voertuiginformatie, zoals het brandstofverbruik en de instellingen van de
uitrusting van de auto, weergeven.
: Extra diensten
Geeft het scherm met apps weer.
Deze functie is in sommige landen niet beschikbaar. Neem voor meer
informatie (overzicht met landen waar een service beschikbaar is,
bediening, instellingen, enz.) contact op met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
20
: Instellingen
Geef het instellingenscherm weer. De instellingen van het
multimediasysteem en de voertuiginstellingen kunnen worden gewijzigd.
INFORMATIE
De Apple CarPlay-/Android Auto-iconen worden weergegeven wanneer een
ondersteund apparaat verbinding maakt met het systeem en de desbetreffende
functie wordt ingeschakeld.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
21
1
Basishandelingen
Statusiconen
De tijd en iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden
bovenaan op het scherm weergegeven.
De klok wordt bij deze auto niet op het scherm weergegeven.
Geeft de status van de verbinding weer van de via Bluetooth® aangesloten
mobiele telefoon. Als u het icoon kiest, wordt het scherm voor Bluetooth®-
instellingen weergegeven.
Geeft het ontvangstbereik van de aangesloten mobiele telefoon weer.
Geeft de actuele ladingstoestand van de batterij van de aangesloten
mobiele telefoon weer.
Wordt weergegeven wanneer het delen van gegevens met de Toyota
Center Server is uitgeschakeld.
Geeft de status van het delen van locatiegegevens met de Toyota Center
Server weer.
Geeft de ontvangststatus van de datacommunicatiemodule (DCM) weer.*1
Geeft het Wi-Fi®-ontvangstniveau weer.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
22
Wordt weergegeven wanneer er handsfree wordt gebeld terwijl een ander
scherm dan het telefoonscherm wordt weergegeven.
Wordt weergegeven wanneer internetradio is ingeschakeld.*2
INFORMATIE
De weergegeven actuele ladingstoestand van de mobiele telefoon wijkt
mogelijk af van wat op de mobiele telefoon wordt weergegeven. Bovendien
kan de actuele ladingstoestand mogelijk niet worden weergegeven, afhankelijk
van het type telefoon.
U kunt mogelijk Wi-Fi® niet gebruiken wanneer de ontvangst slecht is.
Als u uw mobiele telefoon gebruikt op plaatsen of in een toestand zoals
onderstaande, kunt u mogelijk geen verbinding maken via Bluetooth®:
De mobiele telefoon bevindt zich achter of onder een stoel, in het
dashboardkastje of in het consolevak.
De mobiele telefoon maakt contact met of is afgeschermd door metalen
voorwerpen.
Als de mobiele telefoon is ingesteld op de spaarstand, wordt de Bluetooth®-
verbinding mogelijk automatisch verbroken. Als dat gebeurt, schakel dan de
spaarstand op de mobiele telefoon uit.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem (Blz.
87)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
*1 : Indien aanwezig
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
23
1
Basishandelingen
Bedienen van het touchscreen
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks met een vinger aan te raken.
Aanraken
Raak het scherm voorzichtig aan. U
kunt items op het scherm selecteren.
Slepen
Beweeg uw vinger terwijl deze het
scherm aanraakt. U kunt door de lijst-
en kaartschermen scrollen. De mate
waarin dit gebeurt is afhankelijk van
hoever u uw vinger over het scherm
beweegt.
Swipen
Swipe snel met uw vingertop over het
scherm. De mate waarin door de lijst-
en kaartschermen wordt gescrold, is
groter dan bij slepen.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
24
Twee vingers naar elkaar toe bewegen/twee vingers van elkaar af
bewegen
Beweeg twee vingers naar elkaar
toe/van elkaar af terwijl u het scherm
aanraakt. U kunt in- en uitzoomen op
de kaarten.
INFORMATIE
Om sommige functies te bedienen, moet u mogelijk uw vinger op het scherm
houden of dubbeltikken (het scherm 2 keer achter elkaar snel aanraken).
Het gevoeligheidsniveau bij het aanraken van het scherm kan worden
gewijzigd.
U kunt het responsgeluid wanneer een schermtoets wordt aangeraakt in- of
uitschakelen.
Op grotere hoogten werkt het swipen mogelijk niet goed.
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem (Blz.
87)
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen
INFORMATIE
Als de toetsen op het scherm niet reageren, neem dan uw vinger van het
scherm en probeer het nogmaals.
In de volgende situaties reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken ze
niet goed:
Als handschoenen worden gedragen
Als het scherm met een vingernagel wordt bediend
Als het scherm tegelijkertijd met een andere vinger of de handpalm wordt
aangeraakt
Er zit vuil of water op het scherm
Als er een plastic folie of coating op het scherm zit
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
25
1
Basishandelingen
Als de auto zich in de buurt bevindt van een televisiezendmast,
elektriciteitscentrale, tankstation, radiozender, videowall, luchthaven of
andere locatie waar sterke radiogolven of elektromagnetische velden
aanwezig zijn
Wanneer u een draagbaar draadloos communicatieapparaat, zoals een
radio of mobiele telefoon, in de auto vervoert of oplaadt
Als het scherm wordt aangeraakt of bedekt met een metalen voorwerp zoals
een van de onderstaande, reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken
ze niet goed:
Een kaart met metaal erop, zoals aluminiumfolie
Een pakje sigaretten met aluminiumfolie
Een portemonnee, handtas of tas met metalen onderdelen
Muntgeld
Media zoals CD's en DVD's en een USB-kabel.
Als het systeem wordt gestart terwijl u een vinger op het scherm houdt,
reageren de schermtoetsen mogelijk niet. Neem uw vinger van het scherm
en probeer het nogmaals. Als de toetsen nog steeds niet reageren, zet dan het
contact UIT en start het systeem opnieuw.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar af bewegen wordt niet ondersteund
voor de kaart-app van Apple CarPlay.
OPMERKING
Raak om het scherm te beschermen, het scherm voorzichtig met uw vinger aan
wanneer u het bedient.
Bedien het touchscreen uitsluitend met uw vinger.
Reinig het scherm voorzichtig met een brillendoekje of een vergelijkbare zachte
doek. Als u het scherm hard aanraakt met uw vinger of een ruwe doek, kunnen
er krassen op het oppervlak van het scherm komen.
Gebruik geen wasbenzine of alkalische vloeistoffen om het scherm te reinigen.
Anders kan het scherm beschadigd raken.
Onder bepaalde omstandigheden kan het scherm enigszins warm aanvoelen.
Wees voorzichtig, want bij langdurig aanraken kunnen lichte brandwonden
ontstaan.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
26
Basisfuncties scherm
Als er meerdere kandidaten zijn, zoals instellingen en audio, wordt er
een lijstscherm weergegeven. Scrol door de lijst om het gewenste item
te selecteren.
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer u een icoon kiest.
BSubmenu
Geeft items weer in een lijst. U kunt door de lijst scrollen door middel van
slepen of swipen.
CBeschrijvingsgebied
Geeft gedetailleerde informatie weer over het item dat u in het submenu hebt
geselecteerd.
DBroodkruimellijst
Geeft schermtitels weer in een hiërarchie. Wanneer u [] kiest, gaat u één
niveau hoger in de hiërarchie.
INFORMATIE
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
Zoeken in een lijst
Wanneer u tekst kiest in een index,
wordt het gewenste item uit de lijst
weergegeven.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
27
1
Basishandelingen
Instellingen in- of uitschakelen
Wanneer u een item kiest, wordt de
instelling in- of uitgeschakeld
: AAN
: UIT
Meerdere instellingsopties
Wanneer u een item kiest waar
[ ] achter staat, kunt u een item
selecteren uit meerdere opties.
Aanpassen van het niveau
Door de cursor te verschuiven, kunt u
het instellingsniveau aanpassen.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu (Blz. 20)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
28
Invoeren van letters en cijfers
U kunt letters en cijfers invoeren met behulp van het toetsenbord. Als u
letters invoert, wordt voorspellende tekst weergegeven.
Schermvoorbeeld
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten en
terugkeren naar het vorige scherm.
: Geeft voorgestelde tekst weer op basis van de huidige tekstinvoer.
: Eén karakter wissen.
: Wijzigt het toetsenbord.
: Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
[Go] (ga) : Voer een zoekopdracht uit op basis van invoertekst.
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten.
: Schakelt over naar de invoermodus voor cijfers en symbolen.
: Schakelt over naar de invoermodus voor letters.
: Schakelt over naar het invoerscherm voor handgeschreven tekst.
INFORMATIE
Het weergegeven toetsenbordtype verschilt per functie.
Houd uw vinger op [ ] om rechtstreeks het toetsenbordtype te selecteren.
Dubbeltik op [ ] om de letters voor invoer vast te zetten op hoofdletters.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
29
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het navigatiesysteem
Kaartscherm
De informatie die op het kaartscherm wordt weergegeven en het doel ervan
zijn als volgt. Kies [ ] in het hoofdmenu.
AActuele locatie
Geeft de actuele locatie en richting van de auto weer.
BWeergave rijstrookinformatie
Geeft de doorgaande rijstroken en afslagen weer op een kruispunt/knooppunt.
(Alleen beschikbaar voor kruispunten/knooppunten met informatie in de
kaartgegevens.)
Tijdens de routebegeleiding wordt de voorgestelde rijstrook gemarkeerd.
CWeergave naam
Afhankelijk van de situatie wordt het volgende weergegeven: (Alleen
beschikbaar voor punten met informatie in de kaartgegevens.)
Namen van wegen waarop wordt gereden
DWeergave schaal
Geeft de schaal van de weergegeven kaart weer.
EMerkteken richting
Geeft de kaartrichting weer. Hiermee kunt u de kaartrichting wijzigen.
Raadpleeg het wijzigen van de kaartrichting voor meer informatie over het
wijzigen van de kaartrichting.
FToets inzoomen/uitzoomen
In- en uitzoomen op de kaart.
GToets display-instellingen
Geeft het scherm voor display-instellingen weer. Hiermee kunnen ook de
display-instellingen voor POI's in de buurt, enz. worden gewijzigd.
HToets Bestemming
Geeft het scherm voor het zoeken van de bestemming weer.
IMicrofoontoets
Geeft het spraakbedieningsscherm weer.
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
30
Verwante onderwerpen
Weergave van de actuele locatie van de auto (Blz. 32)
Wijzigen van de kaartrichting (Blz. 34)
Kaartinstellingen (Blz. 187)
Zoeken van een bestemming (Blz. 192)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 62)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
31
1
Basishandelingen
Weergave van de actuele locatie van de auto
De actuele locatie van de auto wordt weergegeven met het merkteken voor
de actuele locatie [ ].
Kies, als u door het kaartscherm hebt gescrold, [ ] of [ ] in het
hoofdmenu om op de kaart terug te keren naar de actuele locatie van de
auto.
INFORMATIE
Als de auto nieuw is of een accupool is losgenomen en weer is aangesloten,
wijkt de actuele locatie van de auto mogelijk af van de locatie [ ] die
wordt aangegeven met het merkteken voor de actuele locatie [ ]. Na een
tijdje rijden wordt de weergegeven actuele locatie [ ] echter automatisch
gecorrigeerd via Map Matching en de ontvangen GPS-informatie. (Afhankelijk
van de situatie kan dit enkele minuten duren.) Als er geen GPS-informatie
wordt ontvangen en de actuele locatie niet automatisch wordt gecorrigeerd,
breng dan de auto op een veilige plaats tot stilstand en corrigeer de actuele
locatie handmatig.
De vorm van het merkteken voor de actuele locatie [ ] is afhankelijk van de
kleur van de kaart.
Verwante onderwerpen
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave (Blz. 104)
IJking positie/richting (Blz. 114)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
32
Wijzigen van de schaal van de kaart
Er kan op het kaartscherm worden ingezoomd/uitgezoomd.
Kies [ ] of [ ] op het kaartscherm.
De schaal kan ook worden gewijzigd door te tikken of door twee vingers
naar elkaar toe/van elkaar af te bewegen op het scherm.
Inzoomen door dubbeltikken: Raak het scherm 2 keer snel aan.
Uitzoomen door tikken: Raak het scherm met twee vingers aan
Houd uw vinger op [ ]/[ ] om de schaal van de kaart traploos te
wijzigen.
Stadskaart
Wanneer de kaart volledig is ingezoomd, kan een stadsplattegrond worden
weergegeven.
Kies [ ] wanneer de schaal van de kaart 50 m is.
Kies [ ] of beweeg uw vingers naar elkaar toe op het scherm om de
weergave van de stadsplattegrond te annuleren.
INFORMATIE
Als het actuele gebied niet in de kaartgegevens is opgenomen, wordt de
stadsplattegrond niet weergegeven.
Als de auto naar een gebied rijdt/de kaart naar een gebied wordt gescrold
waarvoor geen stadsplattegrond beschikbaar is, wordt de stadsplattegrond
automatisch geannuleerd.
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
33
1
Basishandelingen
Wijzigen van de kaartrichting
De kaartrichting kan worden vastgezet of worden gekoppeld aan de
rijrichting van de auto. Wijzig de richting naar wens.
Telkens als op [ ] op de kaart wordt gedrukt, wijzigt de kaartrichting
tussen “noorden boven”, “rijrichting boven” en “3D-weergave”.
Noorden boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met het noorden naar boven,
ongeacht de rijrichting van de auto.
Rijrichting boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met de rijrichting van de auto naar
boven.
3D-kaart [ ]
Toont een 3D-weergave van de kaart. In de 3D-weergave wordt de kaart
altijd weergegeven met de rijrichting van de auto naar boven.
INFORMATIE
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
De kaartrichting “rijrichting boven” of “3D-weergave” geldt alleen voor het
scherm dat de actuele locatie toont. Voor andere schermen (bestemming
instellen, weergave volledige route, enz.) wordt de kaart altijd met het noorden
boven weergegeven. Zodra u terugkeert naar het scherm met de actuele
locatie zal de kaartrichting weer op “rijrichting boven” of “3D-weergave” worden
ingesteld.
Verwante onderwerpen
Instellen van weergavehoek (Blz. 105)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
34
Verschuiven van de kaart
De kaart kan worden verschoven door een nieuw middelpunt te kiezen.
Raak een punt op de kaart aan.
Het gekozen punt wordt het nieuwe middelpunt van de kaart.
Als er informatie beschikbaar is voor een POI, wordt deze weergegeven
als het POI wordt gekozen.
Door [ ] te kiezen na het verschuiven van de kaart, kan het
desbetreffende punt worden ingesteld als een nieuwe bestemming of als
tussenpunt.
Door [ ] te kiezen na het verschuiven van de kaart, kan het
desbetreffende punt worden ingesteld als een favoriet.
Kies [ ] of [ ] om terug te keren naar de huidige positie van de auto.
INFORMATIE
U kunt het kaartscherm verschuiven door het aan te raken, te slepen of te swipen.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het touchscreen (Blz. 24)
Wijzigen van de kaartrichting (Blz. 34)
Informatie weergeven voor een punt (Blz. 183)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
35
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het audiosysteem
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling
Het audiosysteem kan worden uitgeschakeld wanneer dit niet in gebruik is
of het volume kan op een geschikt niveau worden ingesteld.
Het systeem kan worden gebruikt wanneer het contact in stand ACC of
AAN staat.
OPMERKING
Gebruik het audiosysteem niet gedurende langere tijd wanneer de motor <het
hybridesysteem> uitgeschakeld is. Anders raakt de 12V-accu mogelijk leeg.
Stel bij het luisteren naar audio het volume op een passend niveau in, dat u in
staat stelt om veilig te rijden.
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
Knop [PWRVOL]
Druk hierop om het systeem aan
en uit te zetten. Draai deze knop
om het volume te regelen.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [+]
Hiermee zet u het geluid harder.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Hiermee zet u het geluid zachter.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem achter*1
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
36
2Selecteer [Audio].
[PWR] : Schakel het
audiosysteem in/uit.
[Vol] : Kies [ ] of [ ] om het
volume af te stellen.
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke
"handleiding van de auto" voor de bedieningsmethoden van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
37
1
Basishandelingen
Selecteren van de audiobron
De bron kan worden gewijzigd in radio, USB, enz.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de gewenste bron.
INFORMATIE
Mobiele telefoons in of dicht bij de auto kunnen storingen veroorzaken die
hoorbaar zijn via de luidsprekers als het audiosysteem ingeschakeld is.
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt in combinatie met Apple
CarPlay.
iPod
USB-audio of USB-video
Bluetooth®-audio
Miracast®
Android Auto
De volgende functies zijn niet beschikbaar in combinatie met Android Auto.
iPod
USB-audio of USB-video
Apple CarPlay
Wijzigen van de bron met behulp van de stuurwieltoetsen
U kunt de bron wijzigen met behulp van de stuurwieltoetsen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
38
Toets [MODE]
De bronnen worden op volgorde
gewijzigd.
Ingedrukt houden om te
onderbreken of te dempen. Houd
nogmaals ingedrukt om het
ongedaan te maken.
Als u de lay-out van de toetsen op
het keuzescherm voor de audiobron
wijzigt, wijzigt ook de schakelvolgorde.
Wijzigen van de bron met de bedieningsknop van het
audiosysteem achter*1
U kunt de bron wijzigen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter.
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer de gewenste bron.
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke
"handleiding van de auto" voor de bedieningsmethoden van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
39
1
Basishandelingen
Wijzigen van de lay-out van de toetsen op het keuzescherm
voor de audiobron
De positie van de toetsen kan naar wens worden gewijzigd voor een hoger
bedieningsgemak.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [ ] rechts van de bron,
verplaats de toets en laat deze
op de gewenste positie los.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
40
Aansluiten op een USB-aansluiting
Sluit een apparaat zoals een smartphone of draagbare speler aan.
Sluit de USB-kabel aan op de
aansluiting.
Wanneer u een USB-stick aansluit, sluit
deze dan rechtstreeks aan op de USB-
aansluiting.
INFORMATIE
Bekijken van videobestanden is wellicht niet mogelijk, afhankelijk van uw
apparaat.
Raadpleeg de handleiding van de USB-kabel en het aan te sluiten apparaat.
Gebruik een voeding zoals de batterij die bij het aangesloten apparaat is
geleverd. Het gebruik van de accessoireaansluiting in de auto kan een
storend geluid veroorzaken. (Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van
de auto" voor meer informatie over de accessoireaansluiting.)
OPMERKING
Druk niet op het aangesloten apparaat en oefen er geen onnodige druk op
uit. Het apparaat of de aansluiting ervan kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het apparaat of de
aansluiting ervan kan beschadigd raken.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
41
1
Basishandelingen
Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Functies en bediening entertainmentsysteem
achterpassagiers*1
Met het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunt u naar
dezelfde bron kijken en luisteren als het audiosysteem voorin of naar een
andere bron op de achterstoelen.Selecteer de bron voor het display links
en rechts achter.
AAudiosysteem voorin
BDisplay achter
CSpeler voor de achterpassagiers
DMultifunctioneel bedieningspaneel achter
EKoptelefoonaansluiting
FHDMI-aansluiting
INFORMATIE
Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kan worden gebruikt
wanneer het contact in stand ACC of AAN staat.
Wanneer het systeem opstart, wordt een poosje het waarschuwingsscherm
met betrekking tot het gebruik weergegeven.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
42
OPMERKING
Verwijder vuil van het scherm door het scherm voorzichtig af te vegen met een
zachte, droge doek.
Ruwe handelingen, zoals hard met uw hand op het scherm drukken of het gebruik
van een harde doek, kunnen krassen op het oppervlak veroorzaken.
Informatie over tekstinformatiedisplay
Er zijn grenzen aan het aantal karakters dat als informatie op elk scherm
kan worden weergegeven. Het systeem kan mogelijk niet alle informatie
weergeven. Daarnaast zijn er gevallen waarin informatie niet correct wordt
weergegeven, afhankelijk van de opgeslagen content.
*1 : Indien aanwezig
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
43
1
Basishandelingen
Bedienen van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kan worden bediend
via het multifunctionele bedieningspaneel achter op de armsteun van de
achterstoel.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het
multifunctionele bedieningspaneel achter (Blz. 45)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
44
Bedienen van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers via het multifunctionele bedieningspaneel
achter
Bedien het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het
multifunctionele bedieningspaneel achter dat zich op de armsteun achter
bevindt.
Het systeem kan niet rechtstreeks worden bediend door de toetsen op het
display achter te kiezen.
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Left] (links) of [Right] (rechts) om het te bedienen
display te selecteren.
Het bedieningsscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van de bron die wordt
afgespeeld.
4Bedien het
entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers indien nodig.
[Voor] : Geeft het
bedieningsscherm van het
audiosysteem voorin weer.
[Left]/[Right] (links/
rechts) : Selecteer het scherm
dat u wilt bedienen.
[ ] : Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers wordt in-
of uitgeschakeld.
[Screen][On/Off] (scherm aan/uit) : Schakelt het scherm achterin in of
uit.
[Advanced] (geavanceerd) : Geeft het geavanceerde
bedieningsscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
45
1
Basishandelingen
[Sources] (bronnen) : Selecteer de bron.
Als de gewenste bron niet op het scherm wordt weergegeven,
selecteer dan [Other] (overige) om het selectiescherm voor de
audiobron weer te geven.
De weergegeven bronnen verschillen per land of regio.
[Display tilt] (display kantelen) : Hiermee kunt u de hoek van het
display achter afstellen.
[Vol] (volume) : U kunt het volume van de luidspreker afstellen met [+]
en [-].
Hiermee kan het volume van de koptelefoons worden afgesteld
wanneer de audio-uitgangsmodus in de onafhankelijke modus
staat.*1
Audiobedieningstoetsen (bijvoorbeeld [Ch], [Tune]) : De audiobron
bedienen.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van de
audiobron.
Raadpleeg de handleiding van elke bron voor meer informatie over
de audiobedieningstoetsen.
[ ] : Terugkeren naar het beginscherm.
Bedienen van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers via het geavanceerde bedieningsscherm
1Selecteer [Advanced] (geavanceerd) op het bedieningsscherm
voor het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
Het geavanceerde bedieningsscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Bedien het
entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers indien nodig.
[Sources] (bronnen) : Geeft het
selectiescherm van de audiobron
weer.
[ ] : Geeft het
instellingenscherm van het
entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer.
*1 : Wanneer de audio-uitgangsmodus in de onafhankelijke modus staat, wordt
weergegeven.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
46
[Audio output] (geluidsweergave) : Wijzigt de audio-uitgangsmodus.
[ ] : Geeft het scherm voor bediening van het audiosysteem
weer.*2
[ ]/[ ]*3 : Geeft het scherm met de cursortoets weer.*2
Hiermee kunt u de toetsen op het display achter bedienen.
[ ] : Geeft het numerieke toetsenbord of het bedieningsscherm met
12 toetsen weer.*2
Dit wordt gebruikt om getallen in te voeren, afhankelijk van de
content.
*2 : Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van de geselecteerde bron.
*3 : Het icoon verschilt afhankelijk van de bron die kan worden bediend met het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
47
1
Basishandelingen
In- of uitschakelen van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kan worden in- en
uitgeschakeld vanaf de voorstoelen of de achterstoelen.
Bediening vanaf het audiosysteem voorin
1Geeft het selectiescherm van de audiobron weer.
2 Selecteer [Rear] (achter).
Het bedieningsscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
3 Selecteer [Power] (aan/uit).
4 Selecteer de AAN/UIT-toets.
Bediening vanaf het multifunctionele bedieningspaneel achter
1 Geef het bedieningsscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer via het multifunctionele bedieningspaneel achter.
2 Selecteer [Left] (links) of [Right] (rechts) om het te bedienen display te
selecteren.
3 Selecteer [ ].
Wordt telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd, in- en
uitgeschakeld.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
48
Uitschakelen van het scherm van het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers om alleen geluid weer te geven
Het scherm van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kan
worden uitgeschakeld terwijl er geluid te horen blijft.
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Screen off] (scherm
uit) in het submenu.
3Selecteer [Screen off] (scherm
uit) in het hoofdgebied.
Het scherm van het
entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt uitgeschakeld
terwijl er geluid te horen blijft.
Selecteer [ ] op het geavanceerde
bedieningsscherm van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via
het multifunctionele bedieningspaneel achter om het scherm weer te geven.
Uitschakelen van het scherm achter via het multifunctionele
bedieningspaneel achter
1Geef het bedieningsscherm
van het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers
weer via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
2Selecteer [Left] (links) of
[Right] (rechts) om het te
bedienen display te selecteren.
3Selecteer [Screen][On/Off]
(scherm aan/uit).
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
49
1
Basishandelingen
Het scherm van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers wordt
uitgeschakeld terwijl er geluid te horen blijft.
Selecteer nogmaals [Screen][On/Off] (scherm aan/uit) om het scherm weer te
geven.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
50
Afstellen van de hoek van het display achter
Stel de hoek van het scherm af, bijvoorbeeld wanneer het scherm moeilijk
te zien is.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat uw handen niet bekneld raken bij het afstellen van de hoek van
het display. Anders kunt u letsel oplopen of kan het display defect raken.
Wanneer [Auto tilt] (automatisch kantelen) is ingeschakeld, wijzigt de hoek
van het display automatisch wanneer de stoelpositie wordt afgesteld. Raak het
display niet aan tijdens het afstellen van de stoelpositie. Uw hand kan bekneld
raken of het display achter kan defect raken.
OPMERKING
Beweeg het display achter niet met de hand. Anders kan het display achter
beschadigd raken.
Bediening vanaf het instellingenscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
1Voer een van de volgende handelingen uit om het instellingenscherm
van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van
het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2 Selecteer [Display tilt] (display kantelen).
Het scherm voor het afstellen van de hoek van het display wordt
weergegeven.
3 Selecteer [ ] of [ ] om de hoek naar wens in te stellen.
INFORMATIE
Selecteer [Auto tilt] (automatisch kantelen) om de aan de stoel gekoppelde
functie die de hoek van het display automatisch aanpast aan de stoelpositie,
in te schakelen.
Wanneer de aan de stoel gekoppelde functie is ingeschakeld, gaat de
werkingsindicator branden.
Bediening vanaf het multifunctionele bedieningspaneel achter
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
51
1
Basishandelingen
1 Geef het bedieningsscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer via het multifunctionele bedieningspaneel achter.
2 Selecteer [Left] (links) of [Right] (rechts) om het te bedienen display te
selecteren.
3 Selecteer [Display tilt] (display kantelen).
4 Selecteer [ ] of [ ] om de hoek naar wens in te stellen.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
52
Plaatsen en verwijderen van een disc bij het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Plaatsen van een disc
1Plaats de disc met het label
naar boven gericht in de sleuf.
Nadat de disc gedeeltelijk in
de sleuf is geplaatst, wordt
deze automatisch naar binnen
getrokken en afgespeeld.
Nadat de disc is geplaatst,
duurt het mogelijk enige tijd
voordat deze wordt afgespeeld
omdat het type disc eerst wordt
vastgesteld.
Uitwerpen van een disc
1 Druk op [ ].
INFORMATIE
Als de uitgeworpen disc gedurende 15 seconden in de sleuf blijft
zitten, wordt de disc automatisch weer naar binnen getrokken.
Houd [ ] gedurende ongeveer 10 seconden ingedrukt om de disc
geforceerd uit te werpen.
Het systeem ondersteunt geen discs van 8 cm.
OPMERKING
Plaats alleen discs in de sleuf. Hierdoor kunnen storingen optreden.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
53
1
Basishandelingen
Plaatsen en verwijderen van een SD-geheugenkaart bij het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Plaatsen van een SD-geheugenkaart
1Open het klepje van de sleuf
voor de SD-kaart op de speler
voor de achterpassagiers.
2 Plaats de SD-geheugenkaart in
de sleuf.
Plaats de kaart met het SD-
geheugenkaartlogo naar boven
gericht recht in de sleuf en duw
hem helemaal naar achteren.
3 Sluit het klepje.
INFORMATIE
Gebruik een speciale adapter als u een miniSD-kaart, microSD-kaart,
miniSDHC-kaart, microSDHC-kaart of microSDXC-kaart gebruikt.
OPMERKING
Duw de SD-geheugenkaart aan tot u een klik hoort. De kaart
kan niet verder worden geduwd zodra deze de aanslag aan de
achterkant van de sleuf raakt. Oefen geen overmatige kracht uit.
Plaats geen andere voorwerpen dan een SD-geheugenkaart in de
sleuf. Hierdoor kunnen storingen optreden.
Verwijderen van een SD-geheugenkaart
1 Open het klepje van de sleuf voor de SD-kaart op de speler voor de
achterpassagiers.
2 Druk op de SD-geheugenkaart.
3 Sluit het klepje.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
54
Aansluiten van een HDMI-apparaat op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Sluit een apparaat met een HDMI-uitgang aan op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
1Open het klepje van het extra
opbergvak achter.
2Sluit de HDMI-kabel aan op de
HDMI-aansluiting.
INFORMATIE
Gebruik een voeding zoals de batterij die bij het aangesloten apparaat is
geleverd. Het gebruik van de accessoireaansluiting in de auto kan een
storend geluid veroorzaken.
(Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de auto" voor meer informatie
over de accessoireaansluiting.)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
55
1
Basishandelingen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Selecteer uit opties als radio en USB de bron waar u achterin naar wilt
kijken of luisteren.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer de gewenste bron.
Het geselecteerde bronscherm wordt
weergegeven.
De weergegeven bronnen verschillen
per land of regio.
INFORMATIE
Wi-Fi®-netwerkverbindingen en Bluetooth® gebruiken voor de draadloze
communicatie dezelfde frequentieband (2,4 GHz). Afhankelijk van
omgevingsfactoren kan er interferentie tussen radiogolven ontstaan
waardoor de beeldkwaliteit achteruit kan gaan en de audio-weergave kan
haperen.
Wanneer dezelfde bronnen zijn geselecteerd voor de achterstoel rechts en
links, zijn handelingen zoals pauzeren en vooruitspoelen gekoppeld tussen
links en rechts.
Herschikken van de broniconen op het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers
Broniconen kunnen naar wens worden herschikt voor meer
gebruiksgemak.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Gebruik de cursortoets om [Reorder] (herordenen) te selecteren.
3Selecteer het bronicoon dat u wilt herschikken.
4Gebruik de cursortoets om het icoon te verplaatsen.
5Selecteer [Enter] (invoeren).
6Selecteer [OK] wanneer u klaar bent met herschikken.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weer weergegeven.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
56
Volume van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers afstellen
Zet bij het afstellen van het volume van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers de audio-uitgangsmodus in de onafhankelijke modus. Als
het volume wordt afgesteld in de gekoppelde modus, wordt het volume van
alle luidsprekers in de auto afgesteld.
OPMERKING
Speel af op een geschikt volume, zodat u veilig kunt rijden.
Selecteer om het volume af te stellen [+] of [-] van [ ]*1 op
het geavanceerde bedieningsscherm van het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers via het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
WAARSCHUWING
Let op het geluidsniveau wanneer u van bron wisselt. Vooral bij video's
worden sommige scènes waarin normaal wordt gesproken met een
laag volume opgenomen voor sterke geluidseffecten. Als het volume
van dergelijke video's wordt aangepast tijdens een scène waarin wordt
gesproken, is het volume mogelijk te hard bij een scène met geluidseffecten
of wanneer wordt overgeschakeld naar een andere bron.
Stel bij het gebruik van een koptelefoon het volume af terwijl de koptelefoon
is aangesloten.
Als het volume te hoog wordt ingesteld, kan ernstige gehoorschade
ontstaan.
Verwante onderwerpen
Gebruik van een koptelefoon (Blz. 60)
*1 : Wanneer de audio-uitgangsmodus in de gekoppelde modus staat, wordt [Vol]
weergegeven.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
57
1
Basishandelingen
Wijzigen van de audio-uitgangsmodus van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers heeft twee audio-
uitgangsmodi: de gekoppelde modus, waarbij dezelfde bron als van het
audiosysteem voorin wordt gebruikt, en de onafhankelijke modus, waarbij
een andere bron wordt gebruikt.
Gekoppelde modus
Hiermee kan de audio worden bediend terwijl deze is gekoppeld aan het
audiosysteem voorin.
Het geluid is via de luidsprekers te horen.
Onafhankelijke modus*1
Hiermee kan een andere bron dan het audiosysteem voorin worden
gebruikt.
Passagiers op de achterstoelen kunnen bijvoorbeeld naar Bluetooth®-
audio luisteren terwijl via het audiosysteem voorin naar de radio wordt
geluisterd.
Het geluid van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers wordt
weergegeven via de koptelefoons.
INFORMATIE
Wanneer dezelfde bronnen zijn geselecteerd voor de voorstoelen en
achterstoelen, zijn handelingen zoals pauzeren en vooruitspoelen gekoppeld
tussen voor en achter.
Het selecteren van verschillende bronnen tussen de stoelen rechts en links
achter is alleen mogelijk als het systeem is ingesteld op de onafhankelijke
modus.
1Selecteer [Audio:],
[Synchronise] (synchroniseren)
of [Separate] (afzonderlijk)
bovenaan op het scherm.
Als [Audio:] niet wordt weergegeven,
selecteer dan [ ] om dit weer te
geven.
2Selecteer [Separate]
(afzonderlijk) of [Synchronise]
(synchroniseren).
*1 : Afhankelijk van de geselecteerde bronnen is de onafhankelijke modus mogelijk
niet beschikbaar.
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
58
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 56)
Gebruik van een koptelefoon (Blz. 60)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
59
1
Basishandelingen
Gebruik van een koptelefoon
Gebruik een in de handel verkrijgbare koptelefoon om op de achterstoelen
naar muziek te luisteren.
Op de achterstoelen kan alleen met koptelefoons naar muziek worden
geluisterd wanneer er een andere bron wordt geselecteerd dan voor de
voorstoelen.
Gebruik een koptelefoon die op de koptelefoonaansluiting kan worden
aangesloten.
WAARSCHUWING
Stel bij het gebruik van een koptelefoon het volume af terwijl de koptelefoon is
aangesloten.
Als het volume te hoog wordt ingesteld, kan ernstige gehoorschade ontstaan.
1Open de klep van het achterste
deel van de middenconsole.
2Steek de stekker van
de koptelefoon in de
koptelefoonaansluiting.
Verwante onderwerpen
Volume van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers afstellen
(Blz. 57)
Wijzigen van de audio-uitgangsmodus van het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers (Blz. 58)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
60
Bedienen van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers vanaf het audiosysteem voorin
1Geef het selectiescherm van de audiobron weer op het
audiosysteem voorin.
2Selecteer [Rear] (achter).
Het bedieningsscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
3Bedien het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers indien
nodig.
[Power] (aan/uit) : Het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt in- of uitgeschakeld.
[Rear System Lock] (vergrendeling entertainmentsysteem
achterpassagiers) : Hiermee kan de bediening vanaf de achterstoelen
worden in- of uitgeschakeld.
[Separate] (afzonderlijk) : Hiermee wordt de audio-uitgangsmodus
ingesteld op de onafhankelijke modus.
[Synchronise] (synchroniseren) : Hiermee wordt de audio-
uitgangsmodus ingesteld op de gekoppelde modus.
Selecteer [Left] (links) of [Right] (rechts) voor de stoel waarmee
moet worden gekoppeld.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
1-4. Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
61
1
Basishandelingen
Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening*1
Dankzij het spraakcommandosysteem kunt u het navigatiesysteem en
het audiosysteem bedienen, handsfree bellen, enz. met behulp van
spraakcommando's. Wanneer u gebruikmaakt van Lexus Link*1, kunt u
informatie zoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van content op de
cloudserver.
AGeeft de spraakherkenningsstatus weer.
[ ]/[ ] : Wacht tot er iets wordt gezegd
[ ] : Luistert
[ ] : Verwerkt spraakherkenning
BGeeft de reactie van het systeem en de herkende resultaten als tekst
weer.
CGeeft het toetsenbord weer.
Dit zorgt ervoor dat u allerlei informatie kunt opzoeken met behulp van het
toetsenbord.
DGeeft voorbeelden van spraakcommando's weer in een lijst.
U kunt voorbeelden van vaak gebruikte spraakcommando's per functie bekijken.
EHiermee wordt het spraakbedieningsscherm gesloten.
INFORMATIE
De verbindingsstatus van Lexus Link*1 kan op het scherm worden
weergegeven.
[No online service] (geen online diensten) : Er zijn geen Lexus Link-
contracten of er is een taal geselecteerd waarin Lexus Link-services
niet beschikbaar zijn.
1-5. Spraakcommandosysteem
62
[No internet connection] (geen internetverbinding) : Er is geen
verbinding met internet.
Het spraakbedieningsscherm wordt tijdens het rijden weergegeven als een
banner.
In sommige situaties wordt de naam van het land/de landen waarin naar POI's
of adressen kan worden gezocht mogelijk op het scherm weergegeven.*1
Verwante onderwerpen
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord (Blz. 71)
Ondersteunde talen
Deze functie is compatibel met de volgende talen:
Europa
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits,
Frans, Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools,
Vlaams, Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks,
Slowaaks, Hongaars
Ondersteuning voor spraakherkenning in de cloud : Engels, Duits,
Frans, Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools,
Vlaams, Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens
Rusland
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits, Frans,
Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools, Vlaams,
Zweeds, Turks, Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks, Slowaaks,
Hongaars
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-5. Spraakcommandosysteem
63
1
Basishandelingen
Spraakbediening starten*1
De spraakbediening kan worden gestart door een van de volgende
handelingen uit te voeren:
Druk op de spraaktoets
Druk op de toets [ ] (spraaktoets) op het stuurwiel.
Spreek het wekwoord uit
Zeg "Hey Lexus".
Het wekwoord kan worden gewijzigd op
het instellingenscherm.
Nadat u het wekwoord hebt gebruikt,
kunt u gelijk een spraakcommando
geven.
Voorbeeld: "Hey Lexus, go to nearby
coffee shop" (Hey Lexus, ga naar het
dichtstbijzijnde café)
Kies de microfoontoets
Kies [ ] op het scherm.
INFORMATIE
Spraakcommando's kunnen worden gegeven vanaf de bestuurdersstoel en
de passagiersstoel nadat het systeem is geactiveerd met het wekwoord.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-5. Spraakcommandosysteem
64
Spraakcommando's die worden gegeven vanaf een andere zitpositie dan die
waarvandaan het systeem werd geactiveerd, worden genegeerd.
Sommige functies zijn echter niet beschikbaar voor spraakbediening vanaf de
passagiersstoel.
Als het spraakcommandosysteem is geactiveerd met behulp van de
spraaktoets of de microfoontoets, kunnen er spraakcommando's worden
gegeven vanaf de bestuurdersstoel.
Het spraakcommandosysteem herkent commando's mogelijk niet wanneer
deze niet duidelijk worden uitgesproken. Let bij gebruik van het
spraakcommandosysteem op de volgende punten:
Spreek met een duidelijke stem.
Sluit de ruit omdat commando's mogelijk niet goed worden herkend als
gevolg van ruis (windgeruis of geluid van buitenaf).
Als de airconditioning luid blaast, worden commando's mogelijk niet goed
herkend. Zet daarom de aanjagersnelheid lager.
Als muziek luid wordt afgespeeld terwijl een commando wordt gegeven,
wordt dat commando mogelijk niet herkend. Zet daarom de muziek zachter.
Commando's worden mogelijk niet herkend wanneer meerdere mensen
tegelijk spreken.
U kunt een gesproken aanwijzing onderbreken door een spraakcommando uit
te spreken.
U kunt de gesproken aanwijzingen in- en uitschakelen op het
instellingenscherm van de spraakbediening.
U kunt het volume van de gesproken aanwijzingen instellen op het
instellingenscherm voor geluid en media.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van het wekwoord waarmee het spraakcommandosysteem wordt
gestart (Blz. 92)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Spraakbediening stoppen
Voer een van de volgende handelingen uit om de spraakbediening te
beëindigen:
Zeg "Cancel" (annuleren).
Kies [ ] op het spraakbedieningsscherm.
Houd de spraaktoets op het stuurwiel ingedrukt.
1-5. Spraakcommandosysteem
65
1
Basishandelingen
Uitspreken van een spraakcommando*1
Spreek een spraakcommando uit wanneer het spraakbedieningsscherm
verschijnt. Het systeem kan natuurlijke spraak herkennen.
INFORMATIE
Spraakcommando's worden mogelijk niet herkend als ze worden uitgesproken
met een accent of wanneer ongebruikelijke bewoordingen worden gebruikt.
Als het spraakcommandosysteem geen aliassen of afkortingen herkent bij het
zoeken naar plaatsnamen en faciliteiten, spreek dan de officiële naam uit.
Door ook te zeggen wat u wilt doen, maakt dat het gemakkelijker voor het
spraakcommandosysteem om uw commando te herkennen. Als u bijvoorbeeld
een bestemming zoekt via een naam, zeg dan niet alleen de naam. Zeg in
plaats daarvan een zin met daarin een naam en een werkwoord, bijvoorbeeld
"Go to nearby coffee shop" (ga naar het dichtstbijzijnde café).
Overzicht van functies
Dit is een overzicht van de belangrijkste functies die met spraak kunnen
worden bediend en voorbeelden van spraakcommando's.
De beschikbare functies verschillen afhankelijk van de auto en de
uitrusting.
Vaak voorkomende commando's
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Vanaf het begin beginnen "Start over" (begin vanaf het begin)
Spraakbediening stoppen "Cancel" (annuleren)
Aanwijzingen voor
spraakcommando's openen "Help"
Terugkeren naar het vorige scherm "Go back" (ga terug)
Een lijstnummer selecteren "Number one" (nummer één)
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-5. Spraakcommandosysteem
66
Actie Voorbeeld van spraakcommando
De lijstpagina wijzigen "Next page" (volgende pagina) "Previous
page" (vorige pagina)
Zoeken van bestemming*2
De bestemming kan worden ingesteld via de naam, het genre of het adres
van de faciliteit.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een faciliteit zoeken
"Find a <POI category/POI name>" (vind een <categorie
POI/naam POI>) "Go to nearby <POI category>" (ga naar
dichtstbijzijnde <categorie POI>)
Een adres zoeken "Get directions to <address>" (geef routebeschrijving naar)
Naar uw huisadres
terugkeren "Take me home" (breng me naar huis)
Bediening navigatie*2
De kaart kan worden bediend en de bestemming kan worden verwijderd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het kaarttype wijzigen "Change map to 3D" (wijzig kaart naar
3D)
De schaal van de kaart wijzigen "Zoom in" (inzoomen) "Zoom out"
(uitzoomen)
Het kaartscherm weergeven "Show map" (toon kaart)
De route-informatie controleren "What's my ETA?" (Wat is mijn geschatte
aankomsttijd?)
De bestemming wissen "Delete destination" (wis bestemming)
De bestemmingengeschiedenis
weergeven
"Show recent destinations" (toon recente
bestemmingen)
Bediening audio
Het audiosysteem kan worden bediend voor functies zoals de radio, het
USB-geheugen en Bluetooth®-audio.
Namen van artiesten, albums en nummers die in de media geregistreerd
staan, kunnen worden gespecificeerd.
Deze kunnen ook worden gespecificeerd via de naam van de
radiozender.*3
1-5. Spraakcommandosysteem
67
1
Basishandelingen
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het volume aanpassen "Volume up" (geluid harder) "Volume down"
(geluid zachter)
Het geluid dempen "Mute audio" (geluid dempen)
Volgende/vorige nummer
afspelen
"Next song" (volgende nummer) "Previous song"
(vorige nummer)
Een nummer om af te spelen
specificeren*4
"Play <artist>" (<artiest> afspelen) "Play
<album>" (<album> afspelen) "Play <song>"
(<nummer> afspelen)
Een radiozender selecteren
"Tune to <FM frequency>" (stem af op <FM-
frequentie>) "Tune to <FM station name>" (stem
af op <naam FM-zender>)*3
De audiobron wijzigen "Change to <audio source>" (wijzig naar)
Bediening
entertainmentsysteem
achterpassagiers*2
"RSE on" (RSE aan) "Change RSE
to synchronise mode" (wijzig RSE naar
synchroniseermodus)
Bediening handsfree telefoon*5
Er kan worden gebeld met een mobiele telefoon waarmee u via Bluetooth®
verbinding hebt gemaakt met de auto.
De naam en het type telefoon, die zijn geregistreerd in de contacten,
kunnen worden gespecificeerd en van daaruit kan het telefoonnummer
worden gebeld.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een contact in uw telefoonboek
bellen "Call <contacts>" (bel <contacten>)
Een telefoonnummer bellen "Call <phone number>" (bel
<telefoonnummer>)
Het scherm met de
oproepgeschiedenis weergeven "Show recent calls" (toon recente oproepen)
Een bericht sturen*6 "Send message to <contact name>" (stuur
bericht aan <naam contact>)
Een bericht voorlezen "Read message" (lees bericht voor)
Het scherm voor Bluetooth®-
verbinding weergeven
"Show Bluetooth Settings" (toon Bluetooth-
instellingen)
Zoekservice informatie*2*7
U kunt online diensten gebruiken en naar informatie zoeken.
1-5. Spraakcommandosysteem
68
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Controleren van de
weersinformatie
"Tell me the weather in Brussels tomorrow" (vertel me
wat voor weer het morgen in Brussel wordt)
Klimaatregeling
De temperatuur en aanjagersnelheid van de airconditioning kunnen worden
ingesteld.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
De airconditioning in- of
uitschakelen
"Turn on the air conditioner" (schakel de airconditioning
in) "Turn off the air conditioner" (schakel de
airconditioning uit)
De temperatuur van de
airconditioning instellen
"Turn up the temperature" (zet de temperatuur hoger)
"Turn down the temperature" (zet de temperatuur
lager) "Set the temperature to 25 degrees" (stel de
temperatuur in op 25 graden)
De aanjagersnelheid
van de airconditioning
instellen
"Turn the fan speed up" (zet de aanjagersnelheid
hoger) "Turn the fan speed down" (zet de
aanjagersnelheid lager) "Set the fan speed to 3" (stel
de aanjagersnelheid in op 3)
Bediening systemen auto*2*7
Functies van de auto, zoals het openen en sluiten van de ruiten, kunnen
worden bediend.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Openen of sluiten van de
ruiten
"Open all windows" (open alle ruiten) "Close all
windows" (sluit alle ruiten) "Open driver side window"
(open de ruit aan bestuurderszijde) "Close driver
side window" (sluit de ruit aan bestuurderszijde)
Openen of sluiten van het
schuifdak
"Open moon roof" (open het schuifdak) "Close moon
roof" (sluit het schuifdak)
De ruitenwisser voor
inschakelen*5
"Turn on the front wiper" (schakel de ruitenwisser
voor in)
Een stoelpositie opslaan
in of oproepen uit het
geheugen*5
"Set seat position number 1" (stel stoelpositie
nummer 1 in) "Save seat position number 1" (sla op
als stoelpositie nummer 1)
Het head-up display
inschakelen*2*5
"Turn on head up display" (schakel head-up display
in)
De kilometerteller
weergeven*5 "Show odometer" (toon kilometerteller)
1-5. Spraakcommandosysteem
69
1
Basishandelingen
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Dagteller A weergeven*5 "Show Trip A" (toon dagteller A)
Het beeld van de camera
weergeven*5
"Show side camera view" (toon beeld zijcamera)
"Show wide front camera" (toon groothoekbeeld
camera voor) "Show moving camera" (toon
bewegend beeld van camera)
Het beeld van de camera
wijzigen*5 "Change camera view" (wijzig beeld van camera)
Voertuiginformatie
Informatie, zoals het brandstofverbruik en de actieradius, kan worden
gecontroleerd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het brandstofverbruik
controleren
"What's my fuel consumption?" (Wat is mijn
brandstofverbruik?)
De actieradius controleren "What's my cruising range?" (Wat is mijn
actieradius?)
De gemiddelde rijsnelheid
controleren
"What's my average speed?" (Wat is mijn
gemiddelde rijsnelheid?)
Verbale reactie op weergegeven meldingen
Er kunnen verbale reacties worden gegeven op binnenkomende oproepen
en ontvangen berichten.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
*2 : Indien aanwezig
*3 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
*4 : U kunt muziek afspelen die is opgeslagen op een via USB aangesloten
apparaat.
*5 : Spraakcommando's die worden uitgesproken vanaf de passagiersstoel,
worden niet herkend.
*6 : De functie voor nieuwe berichten is alleen beschikbaar voor sms. De functie
voor het beantwoorden van berichten is beschikbaar voor sms en mms.
*7 : Een Lexus Link-contract is vereist.
1-5. Spraakcommandosysteem
70
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord
Met behulp van het toetsenbord kan allerlei informatie worden opgezocht.
1Kies [ ].
Als er een zoekgeschiedenis is, wordt het scherm met de geschiedenis
getoond en kunt u daaruit een keuze maken.
2Selecteer de categorie waarin u
wilt zoeken.
[Navigation] (navigatie) : Voer
een adres, naam van een
voorziening, telefoonnummer,
gebied, wegnummer, knooppunt,
POI-categorie, enz. in.
[Media] : Voer een album,
artiest, nummer, afspeellijst,
genre, radiozender, enz. in.
[Phone] (telefoon) : Voer een naam, telefoonnummer of iets anders
dat in het telefoonboek staat in.
[Vehicle] (voertuig) : Voer brandstofverbruik of andere
voertuiginformatie in die u wilt weergeven.
[Settings] (instellingen) : Voer de instelling in die u wilt wijzigen, zoals
audio en telefoon.
3Druk na het invoeren van het
zoekwoord op [Go] (start).
4Kies het gewenste item uit de lijst met zoekresultaten.
1-5. Spraakcommandosysteem
71
1
Basishandelingen
INFORMATIE
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
De zoekfunctie is niet beschikbaar in combinatie met Apple CarPlay of Android
Auto.
1-5. Spraakcommandosysteem
72
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel (“My
settings” (mijn instellingen)) .75
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen........................... 80
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van
een gebruikersprofiel ........... 82
Identificatiemethode voor
een bestuurder instellen ...... 85
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem .............. 87
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm ................................. 90
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen
van de spraakbediening....... 92
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ...... 94
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen ........ 95
Bijwerken en controleren
van de software-informatie .. 98
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen
navigatiesysteem ............... 102
Wijzigen van de
kaartinstellingen................. 103
Route-instellingen ................ 106
Instellingen begeleiding ....... 109
Instellingen
verkeersinformatie ..............111
Overige instellingen ..............112
2-9. Geluids- en media-
instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen...............116
Overschakelen naar een
andere schermmodus .........119
Instellen van de
beeldkwaliteit ..................... 120
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron121
2-10. Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen......................... 122
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten
instellen.............................. 124
2-12. Wijzigen van de
instellingen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Wijzigen van de
scherminstellingen van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 128
Aanpassen van de
beeldkwaliteit van de
video- en afbeeldingsbron
tijdens het afspelen op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 129
73
2
Instellingen en registratie
Wijzigen van de
schermmodus van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 130
Wijzigen van de HDMI-
instellingen achterin op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 131
Wijzigen van de Blu-ray- en
DVD-instellingen op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 133
Wijzigen van de instellingen
voor de SD-diavoorstelling
via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 137
Gegevens wissen van een
SD-kaart via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 138
Controleren van de licentie-
informatie van het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 139
74
Basisinstelling multimediasysteem
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn
instellingen))
Registreer een gebruikersprofiel voor de hoofdgebruiker als de
basisinstelling voor het multimediasysteem.
Door een gebruikersprofiel te registreren, kunnen de multimedia-
instellingen worden opgeslagen als een profiel voor elke bestuurder.
Wanneer meerdere bestuurders, zoals uw vrienden en familie, met uw
auto rijden, kunt u met de auto rijden zonder de instellingen van andere
bestuurders te hoeven wijzigen.
U kunt met de auto in de gastmodus rijden indien u geen gebruikersprofiel
wilt gebruiken.
Gebruikersprofielen (“My settings” (mijn instellingen))
Multimedia-instellingen kunnen voor elke bestuurder worden opgeslagen
en de desbetreffende bestuurder kan ze tijdens het rijden laden.
Er kunnen maximaal drie gebruikersprofielen worden geregistreerd.
De volgende instellingsgegevens kunnen in een profiel worden
opgeslagen:
Bepaalde multimedia-instellingen : Volume en navigatiesysteem,
audiosysteem, enz.
Wanneer sommige multimedia-instellingen worden gewijzigd, worden ze
automatisch opgeslagen in het huidige profiel.
Zoekgeschiedenis, individuele instellingen en andere persoonlijke
informatie kunnen worden beschermd door een profiel aan te maken.
Door een smartphone te registreren om de bestuurder te identificeren,
wordt uw profiel automatisch geladen.
Koppelen aan een Lexus-account*1
U hebt een Lexus-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
Als uw Lexus-account wordt gekoppeld aan de Lexus-app, kan uw profiel
vanuit de cloud worden gedownload wanneer u in een auto rijdt met een
geldig Lexus Link Service-contract die is uitgerust met hetzelfde type
multimediasysteem.
Geregistreerde profielen kunnen worden bekeken en gewijzigd in de
Lexus-app.
De bestuurder die als eigenaar is geregistreerd, kan alle in de auto
geregistreerde bestuurders verwijderen. Bestuurders die geen eigenaar
van de auto zijn, kunnen het profiel van de eigenaar niet verwijderen.
Hetzelfde profiel kan niet tegelijkertijd in een andere auto worden
gebruikt.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
75
2
Instellingen en registratie
Als u bepaalde multimedia-instellingen wijzigt, wordt het profiel dat in de
cloud is opgeslagen automatisch bijgewerkt en verschijnt er een scherm
waarmee de bestuurder wordt geïnformeerd dat het profiel is bijgewerkt.
Bepaalde multimedia-instellingen worden opgeslagen in de cloud, dus
zelfs als een profiel in de auto wordt verwijderd, wordt het niet uit de
cloud verwijderd.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 85)
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel
(type A)
U hebt een Lexus-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
1Nadat het contact AAN is gezet,
wordt het keuzescherm voor
de taal weergegeven. Kies de
gewenste taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het
registreren van de bestuurder. Nadat
het registreren van de bestuurder is
voltooid, keert de systeemtaal terug
naar de standaardtaal.
2Kies [Link] (koppel) om de
Lexus-app op uw smartphone
te gebruiken voor het
registreren van een profiel.
Als u de Lexus-app niet hebt
geïnstalleerd, kies dan [Get the
App] (download de app) en
download de app met behulp van
de QR-code op het scherm.
Als u geen profiel wilt registreren,
kies dan [Don't link now] (koppel nu niet). Als u [Do not show setup
again] (configuratie niet meer weergeven) kiest, wordt het scherm voor het
registreren van het profiel niet meer weergegeven.
3Open de Lexus-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
4Kies [I Agree] (akkoord).
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
76
5Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
6Registreer een apparaat op
het instellingenscherm voor
de bestuurder. Door een
smartphone te registreren om
de bestuurder te identificeren,
wordt uw profiel automatisch
geladen.
INFORMATIE
Als er nog geen gebruikersprofiel is geregistreerd, kan dit worden gedaan via het
instellingenscherm voor de bestuurder.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 85)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel
(type B)
1Na het starten van de auto wordt het keuzescherm voor de taal
weergegeven. Kies de gewenste taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het registreren van de bestuurder. Nadat het
registreren van de bestuurder is voltooid, keert de systeemtaal terug naar de
standaardtaal.
Dit scherm wordt in sommige landen of gebieden mogelijk niet weergegeven.
2Kies [Create] (aanmaken) om een gebruikersprofiel te registreren.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't create now] (nu niet
aanmaken). Als u [Do not show setup again] (configuratie niet meer
weergeven) kiest, wordt het scherm voor het registreren van het profiel niet
meer weergegeven.
3Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
77
2
Instellingen en registratie
4Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de
privacy van het gebruikersprofiel te
beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een
profiel te registreren zonder een
pincode in te stellen.
5Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
6Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
7Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een smartphone te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 85)
Automatisch laden van een gebruikersprofiel
Door ter identificatie van de bestuurder een smartphone bij u te hebben in
de auto, kan het gebruikersprofiel automatisch worden geladen.
De auto signaleert het in het profiel geregistreerde apparaat wanneer het
contact in stand ACC of AAN wordt gezet. Wanneer een geregistreerd
apparaat wordt gesignaleerd, wordt het profiel waaraan het apparaat is
toegewezen automatisch geladen.
Als het in het profiel geregistreerde apparaat niet wordt gesignaleerd,
wordt de auto gebruikt in de gastmodus.
Wanneer u [Settings] (instellingen) kiest, wordt het instellingenscherm
voor de bestuurder weergegeven. Hiermee kunt u de profielen wijzigen.
U kunt een smartphone gebruiken als het apparaat waarmee de
bestuurder wordt geïdentificeerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 85)
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
78
Wijzigen van het gebruikersprofiel
U kunt het profiel dat u wilt gebruiken selecteren in de lijst met
gebruikersprofielen die in de auto is geregistreerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer in "Saved
profiles" (opgeslagen
profielen) de gewenste
gebruikersprofielnaam.
3Voer de pincode of het wachtwoord in.
Op het moment dat van profiel wordt gewisseld en er geen verbinding is
met de telefoon die aan het geselecteerde profiel is gekoppeld, wordt een
gebruiker om een verificatiecode gevraagd.
Voer het wachtwoord in dat in de Lexus-app is ingesteld toen het Lexus-
account werd aangemaakt.
Voer de pincode in die u hebt ingesteld toen u uw gebruikersprofiel hebt
aangemaakt.
Zodra het gebruikersprofiel is gewijzigd, wordt er een melding weergegeven
op het scherm.
INFORMATIE
Als het systeem een apparaat signaleert dat is ingesteld op een ander
gebruikersprofiel, verschijnt er een pop-upbericht. Wanneer u [ ] kiest, kunt
u het gebruikersprofiel wijzigen.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
79
2
Instellingen en registratie
Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse instellingen
De diverse instellingen met betrekking tot het multimediasysteem kunnen
worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Current driver" (huidige bestuurder)
[ ] (naam gebruikersprofiel of
naam auto)
[ Guest] (gast)
Geeft de naam van het huidige
gebruikersprofiel weer. Door het
profiel te kiezen, kunt u
een gebruikersprofiel wijzigen of
registreren.(→ Blz. 82)
"My Settings" (mijn instellingen)
[Personal info] (persoonlijke
gegevens)
Registreer een apparaat om de
bestuurder te identificeren.(→ Blz.
85)
[Bluetooth & Devices] (Bluetooth en
apparaten)
Registreer of bewerk een Bluetooth®-
apparaat(→ Blz. 124)
[General] (algemeen)
Wijzig de tijdsinstellingen, de
weergegeven taal en andere
algemene instellingen van het
multimediasysteem.(→ Blz. 87)
[Wi-Fi]
Configureer de Wi-Fi®-instellingen
en andere geavanceerde instellingen.
(→ Blz. 122)
[Display]Pas het contrast en de helderheid,
enz. van het scherm aan.(→ Blz. 90)
[Sound & Media] (geluid en media)
Wijzig het volume van de gesproken
aanwijzingen van het systeem en de
instellingen van de audiobron.(→ Blz.
116)
2-2. Diverse instellingen
80
Instelling Beschrijving
[Navigation] (navigatie)
Wijzig instellingen met betrekking
tot de kaartweergave en de
routebegeleiding.(→ Blz. 102)
[Voice & Search] (spraak en zoeken) Wijzig instellingen met betrekking tot
de spraakherkenning.(→ Blz. 92)
"Vehicle" (voertuig)
[Vehicle customise]*1 (voertuig
aanpassen)
Wijzig instellingen met betrekking tot
de uitrusting van de auto.
[Dealer info]*2 (dealerinformatie) Registreer en wis dealerinformatie.
(→ Blz. 94)
[Info & Security] (info en veiligheid) Wijzig instellingen met betrekking tot
beveiliging en privacy.(→ Blz. 95)
[Software update] (software-update)
Controleer de software-informatie en
werk deze indien nodig bij.(→ Blz.
98)
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen sommige instellingen tijdens het rijden niet worden
bediend.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
*2 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
2-2. Diverse instellingen
81
2
Instellingen en registratie
Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel
Het gebruikersprofiel kan worden geregistreerd of gewijzigd. Door een
gebruikersprofiel te registreren, kunnen multimedia-instellingen worden
opgeslagen als een profiel voor elke bestuurder.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ] (naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Saved profiles"
(opgeslagen
profielen)
De in de auto geregistreerde gebruikersprofielen
worden in een lijst weergegeven. Er kan tussen
de gebruikersprofielen worden geschakeld door de
gewenste profielnaam aan te raken.
Kies [Edit] (bewerken) om een geregistreerd
gebruikersprofiel te wissen.
[ ][Connect your
account] (koppel
uw account)/[Create
profile] (profiel
creëren)
Hiermee kunt u een nieuw gebruikersprofiel
registreren.
[Sign out to guest
mode] (afmelden
van gastmodus)
Hiermee kunt u overschakelen op het gastaccount.
Met behulp van het gastaccount kunnen persoonlijke
instellingen worden aangepast en worden ze niet
opgeslagen in een ander gebruikersprofiel. Wanneer
u uw auto aan iemand anders overdraagt, kunt u door
[Sign out to guest mode] (afmelden van gastmodus)
te kiezen de persoonlijke informatie van het verbonden
apparaat verbergen. Hiermee kunt u privégegevens,
zoals zoekgeschiedenis of persoonlijke instellingen,
beschermen.
2-3. Instellingen bestuurder
82
Instelling Beschrijving
[Sign out to guest
mode] (afmelden
van gastmodus)
Andere instellingen dan de zoekgeschiedenis en de
persoonlijke instellingen worden wel overgebracht naar
het gastaccount.
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen deze instellingen tijdens het rijden niet worden
bediend.
Een nieuw gebruikersprofiel aanmaken (type A)
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ] (naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Kies [Connect your account] (koppel uw account) om de Lexus-
app op uw smartphone te gebruiken voor het registreren van een
profiel.
Als u de Lexus-app niet hebt geïnstalleerd, kies dan [Get the App]
(download de app) en download de app met behulp van de QR-code op
het scherm.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't link now] (koppel nu
niet). Als u [Do not show setup again] (configuratie niet meer weergeven)
kiest, wordt het scherm voor het registreren van het profiel niet meer
weergegeven.
4Open de Lexus-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
5Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
6Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een smartphone te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
Een nieuw gebruikersprofiel aanmaken (type B)
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2-3. Instellingen bestuurder
83
2
Instellingen en registratie
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest]
(gast) in het submenu.
3Kies [ ][Create Profile] (profiel creëren).
4Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
5Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de privacy van het gebruikersprofiel te beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een profiel te registreren zonder een pincode in te
stellen.
6Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt
uw profiel opgeslagen.
7Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat
om de bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om
door te gaan met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
8Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een smartphone te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel automatisch geladen.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen (Blz. 85)
2-3. Instellingen bestuurder
84
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen
Stel een apparaat in om een bestuurder te identificeren. Wanneer
het contact in stand ACC of AAN wordt gezet en een geregistreerde
smartphone wordt gesignaleerd, wordt het profiel waaraan het apparaat
is toegewezen automatisch geladen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Type A
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel
wordt weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de
profielnaam te wijzigen.
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
"Bluetooth devices" (Bluetooth-
apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een smartphone
of een ander Bluetooth®-apparaat
en het bijbehorende profiel wordt
geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te
registreren.(→ Blz. 155)
[Reset settings] (instellingen
resetten)
Sommige multimedia-instellingen
voor het geselecteerde
gebruikersprofiel worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder
verwijderen)
De registratie voor het geselecteerde
gebruikersprofiel wordt verwijderd.
Door het gebruikersprofiel van
degene die is geregistreerd
als eigenaar te wissen worden
alle in de auto geregistreerde
gebruikersprofielen gewist.
2-3. Instellingen bestuurder
85
2
Instellingen en registratie
Type B
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel
wordt weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de
profielnaam te wijzigen.
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
"PIN"
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een pincode en het
bijbehorende profiel wordt geladen.
Kies [Set new PIN] (nieuwe pincode
instellen) om te registreren.
"Bluetooth devices" (Bluetooth-
apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd
aan de hand van een smartphone
of een ander Bluetooth®-apparaat
en het bijbehorende profiel wordt
geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te
registreren.(→ Blz. 155)
[Reset settings] (instellingen
resetten)
Sommige multimedia-instellingen
voor het geselecteerde
gebruikersprofiel worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder
verwijderen)
Het geselecteerde gebruikersprofiel
wordt uit het systeem verwijderd.
2-3. Instellingen bestuurder
86
Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene instellingen van het
multimediasysteem
De tijdsinstellingen, de weergegeven taal en andere algemene instellingen
van het multimediasysteem kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [General ] (algemeen) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Accessibility] (toegankelijkheid)
Instelling Beschrijving
[Reduce animation] (animatie
verminderen)
Verklein de animaties die worden
weergegeven bij het wisselen van
scherm.
[Screen beep] (schermpieptoon)
Schakel het geluid dat wordt
gemaakt wanneer u het scherm
aanraakt in of uit.
[Screen sensitivity]
(schermgevoeligheid)
Pas de aanraakgevoeligheid van het
scherm aan.
[Date & time] (datum en tijd)
Instelling Beschrijving
[Set automatically]*1 (automatisch
instellen)
Gebruik GPS-informatie en
kaartgegevens om automatisch de
tijd in te stellen. Wanneer u deze
instelling uitschakelt, kunt u de tijd
en tijdzone handmatig instellen.
"Time" (tijd)
[Time zone] (tijdzone)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de tijdzone
instellen.
2-4. Algemene instellingen
87
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Daylight savings] (zomertijd)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de zomertijd
instellen op [Auto] *1 (automatisch),
[On] (aan) of [Off] (uit).
[Set time automatically] (tijd
automatisch instellen)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u bepalen of u
de tijd automatisch wilt instellen met
behulp van GPS. Wanneer u deze
instelling uitschakelt, kunt u de tijd
handmatig instellen.
[Set time manually] (tijd handmatig
instellen)
Wanneer [Set time automatically]
(tijd automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de tijd
handmatig instellen.
"Date" (datum)
[Format] (formaat)
Hiermee kunt u het
weergaveformaat van de datum
wijzigen.
[Keyboard] (toetsenbord)
Instelling Beschrijving
"History" (geschiedenis)
[Memorise keyboard] (sla
toetsenbord op)
Hiermee stelt u het systeem in staat
om het toetsenbord invoerresultaten
te leren.
[Delete keyboard history] (wis
toetsenbordhistorie)
Hiermee kunt u de
tekstleergeschiedenis van het
toetsenbord wissen.
[Delete search history] (wis
zoekgeschiedenis)
Hiermee kunt u de
zoekgeschiedenis van het
toetsenbord wissen.
[Language & Units] (taal en eenheden)
2-4. Algemene instellingen
88
Instelling Beschrijving
[Language]*2 (taal)
Hiermee kunt u de taal wijzigen.
Zowel de taal die op het scherm
wordt weergegeven als die van
de gesproken aanwijzingen van het
systeem wordt gewijzigd.
[System language]*2 (systeemtaal) Wijzig de taal die op het scherm
wordt weergegeven.
[Voice language]*2 (taal gesproken
aanwijzingen)
Wijzig de taal van de gesproken
aanwijzingen van het systeem.
"Measurements" (maten)
[Set automatically] (automatisch
instellen)
Stelt automatisch de weergave-
eenheden in voor afstand,
brandstofverbruik, enz., op basis
van de landinformatie.
[Trip info. unit] (eenheid
ritinformatie)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is
uitgeschakeld, kunt u de weergave-
eenheid voor brandstofverbruik
handmatig instellen.
INFORMATIE
Zelfs als u de taalinstellingen wijzigt, worden niet alle weergegeven
inhoud en stembegeleiding in de geselecteerde taal gewijzigd. Bovendien
werken sommige gesproken aanwijzingen niet meer nadat u de taal hebt
gewijzigd.
Stel de taal van Apple CarPlay/Android Auto in met behulp van het
aangesloten apparaat.
*1 : Met navigatiefunctie
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-4. Algemene instellingen
89
2
Instellingen en registratie
Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm
U kunt het contrast en de helderheid van het scherm afstellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Display] in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Scherm]
Instelling Beschrijving
[Display]
Stel in of het scherm wel of niet
moet worden weergegeven. Als het
scherm wordt uitgeschakeld, wordt
er niets op het scherm weergegeven
en is er alleen geluid te horen.
Om het scherm opnieuw weer te
geven raakt u het scherm aan en
kiest u de toets in het midden van
het scherm.
"Mode" (modus)
[Automatic]*1 (automatisch)
Het scherm kan automatisch
worden gewisseld tussen de dag-
en de nachtmodus wanneer de
verlichting van de auto wordt in- of
uitgeschakeld.
[Daytime (light)] (overdag (licht))
Wanneer [Automatic] (automatisch)
is uitgeschakeld, kan het scherm
handmatig worden gewijzigd naar de
dagmodus.
[Night-time (dark)] (nacht (donker))
Wanneer [Automatic] (automatisch)
is uitgeschakeld, kan het scherm
handmatig worden gewijzigd naar de
nachtmodus.
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm
in.
2-5. Scherminstellingen
90
Instelling Beschrijving
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van
het scherm in.
[Camera]
Instelling Beschrijving
"Camera screen" (camerascherm)
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm
in.
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van
het scherm in.
INFORMATIE
Zie "Instellen van de beeldkwaliteit"(→ Blz. 120) voor meer informatie over
het instellen van de beeldkwaliteit.
Zelfs als het scherm is uitgeschakeld, blijft de GPS de actuele locatie van
de auto volgen.
Scherm
Als een pop-upscherm wordt weergegeven, bijvoorbeeld wanneer de
spraaktoets wordt ingedrukt, of de selectiehendel in stand R is gezet en
het beeld van de camera achter wordt weergegeven, wordt het scherm
weer uitgeschakeld wanneer het wordt gesloten.
Als het scherm ergens anders dan op de middelste toets wordt
aangeraakt, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld en het scherm wordt aangeraakt, wordt
de ontgrendeltoets weergegeven. Als de toets gedurende 3 seconden
niet wordt bediend, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
*1 : Als de automatische verlichting is ingeschakeld, kan het scherm automatisch
wisselen tussen de dag- en de nachtmodus wanneer de verlichting van de auto
wordt in- of uitgeschakeld.
2-5. Scherminstellingen
91
2
Instellingen en registratie
Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening*1
De instellingen met betrekking tot de spraakherkenning kunnen worden
gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Voice & Search] (spraak en zoeken) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Voice recognition" (spraakherkenning)
[Wake word] (wekwoord)
Wijzigen van het wekwoord waarmee
de spraakbediening wordt gestart.
(→ Blz. 92)
[Set custom wake word] (persoonlijk
wekwoord instellen)
Instellen van het gewenste wekwoord
waarmee de spraakbediening wordt
gestart.
[Mic button] (microfoontoets) Tonen of verbergen van [ ].
"Voice feedback" (spraakfeedback)
[Voice prompt] (spraakcommando) In-/uitschakelen van de
spraakcommando's.
"Notification" (melding)
[Voice support]
(spraakondersteuning)
U kunt verbaal reageren op
binnenkomende oproepen en
ontvangen berichten.
Wijzigen van het wekwoord waarmee het
spraakcommandosysteem wordt gestart
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Voice & Search] (spraak en zoeken) in het submenu.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-6. Instellingen spraakbediening
92
3Kies [Wake word] (wekwoord).
4Kies het gewenste wekwoord in
de lijst.
INFORMATIE
U kunt ook zelf een woord opgegeven. Kies [Set custom wake word]
(aangepast wekwoord instellen) en voer het gewenste woord in via het
toetsenbord.
Als het aangepaste wekwoord te kort is, zal het spraakcommandosysteem
het mogelijk niet herkennen. Gebruik een wekwoord met ten minste 3
lettergrepen.
2-6. Instellingen spraakbediening
93
2
Instellingen en registratie
Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen*1
U kunt dealerinformatie registreren en wissen. Door de gegevens te
registreren van de dealer waar u uw auto laat onderhouden, kunt u vanuit
het instellingenscherm contact opnemen met de dealer wanneer u een
onderhoudsbeurt wilt inplannen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Dealer info] (dealerinformatie) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Add dealer] (dealer toevoegen) Registreer de gewenste dealer.
[Dealer name] (dealernaam) Wijzig de dealernaam.
[Contact name] (naam contact) Registreer of wijzig de naam van de
contactpersoon bij de dealer.
[Phone number] (telefoonnummer) Registreer of wijzig het telefoonnummer
van de dealer.
[Delete dealer] (dealer wissen) Wis de dealerinformatie.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
94
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen
Instellingen met betrekking tot beveiliging en privacy kunnen worden
gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Vehicle name] (voertuignaam)
Toont de naam van het systeem
(voertuignaam).
Dit is de naam die wordt
weergegeven bij het zoeken naar
Bluetooth®-apparaten vanaf een
ander apparaat. U kunt de naam
wijzigen door erop te drukken.
"Privacy"
[Activate all data] (alle gegevens
activeren)
Hiermee kunt u het uploaden
van gegevens via de
communicatieservice inschakelen/
uitschakelen. Indien uitgeschakeld,
is de communicatieservice niet
beschikbaar.
[Use voice data] (spaakgegevens
gebruiken)
Hiermee kunt u het uploaden
van spraakgegevens via de
communicatieservice inschakelen/
uitschakelen. Indien uitgeschakeld,
zijn de spraakgegevens
niet beschikbaar via de
communicatieservice.
2-7. Voertuiginstellingen
95
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Use location data] (locatiegegevens
gebruiken)
Bepaalt of locatiegegevens mogen
worden verstuurd bij het gebruik
van de communicatiediensten. Als
deze instelling uit staat, zijn sommige
diensten die gebruikmaken van
locatiegegevens uitgeschakeld.
[Security lock]
(veiligheidsvergrendeling)
Schakelt beveiliging met een
wachtwoord in om persoonlijke
informatie te beschermen. Als
deze instelling aan staat, moet er
een wachtwoord worden ingevoerd
wanneer de 12V-accu wordt
vervangen of het multimediasysteem
uit de auto wordt verwijderd.
[Reset security lock
password] (reset wachtwoord
veiligheidsvergrendeling)
Reset het wachtwoord van de
veiligheidsvergrendeling.
[Remote security]*1 (beveiliging op
afstand)
Toont de status van de beveiliging op
afstand.
[System reset] (systeem resetten)
Reset alle systeemgegevens en
zet de instellingen terug op de
fabrieksstandaard.
INFORMATIE
Mogelijk wordt de verbinding verbroken na het resetten van het systeem.
Start in dat geval het systeem opnieuw op.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in
het multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de
fabrieksstandaard. Het is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie
voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Systeem herstarten (Blz. 17)
Instellen van de veiligheidsvergrendeling
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Kies [Security lock] (veiligheidsvergrendeling).
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
96
4Kies [OK].
5Stel een wachtwoord in dat tussen de 4 en 15 alfanumerieke
karakters bevat.
6Voer uw wachtwoord nogmaals in.
Er verschijnt een melding en de veiligheidsvergrendeling wordt ingeschakeld.
INFORMATIE
Nadat een wachtwoord is ingesteld en het systeem wordt gereset nadat de
12V-accu is vervangen of het multimediasysteem uit de auto is verwijderd,
moet er een wachtwoord worden ingevoerd om het multimediasysteem te
bedienen. Voer het door u ingestelde wachtwoord in.
Als het wachtwoord een bepaald aantal keren onjuist is ingevoerd, wordt
er geen toegang meer verleend om een wachtwoord in te voeren. Als
dat gebeurt, vraag dan uw erkende Lexus-dealer om het systeem te
ontgrendelen.
Gebruik bij het instellen van een wachtwoord voor de veiligheid niet
herhaaldelijk hetzelfde wachtwoord of een woord dat in het woordenboek
staat.
2-7. Voertuiginstellingen
97
2
Instellingen en registratie
Bijwerken en controleren van de software-informatie
Controleer de software-informatie en werk deze indien nodig bij. De
software wordt bijgewerkt met als doel het verbeteren van de functies en
bediening van het multimediasysteem, voor een soepeler gebruik.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Software update" (software-update)
[Updates
available]
(updates
beschikbaar)
Kies [View ] (bekijken) om informatie over software-
updates te bekijken. Nadat u hebt gecontroleerd of er een
update beschikbaar is en u de inhoud van de update hebt
bekeken, kan de software-update worden gedownload en
geïnstalleerd.
Als er geen update beschikbaar is, wordt [No updates
available] (geen updates beschikb.) weergegeven.
[Model info]
(modelinformatie) Controleer de huidige software-versie, enz.
[Update
software]
(software
bijwerken)
De software wordt bijgewerkt.
Dit wordt niet weergegeven als er geen updates
beschikbaar zijn.
[Output info to
USB memory]
(gegevens
exporteren naar
USB-geheugen)
De functie voor dit item is niet beschikbaar voor deze
auto.
[History]
(geschiedenis)
Controleer de update-geschiedenis van de software.
Deze instelling wordt niet weergegeven als er geen
update-geschiedenis is.
2-7. Voertuiginstellingen
98
Instelling Beschrijving
[License
information]
(licentie-
informatie)
Controleer de softwarelicentie-informatie.
Bijwerken van de software
Gebruik een van de volgende methoden om de software bij te werken:
Werk de software bij met behulp van de datacommunicatiemodule
(DCM)*1
Werk de software bij met behulp van Wi-Fi®
INFORMATIE
Kaartgegevens kunnen niet worden bijgewerkt met behulp van deze service.
Sommige handelingen kunnen niet worden uitgevoerd tijdens het bijwerken van
de software.
Neem bij eventuele vragen contact op met een erkende Lexus-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
OPMERKING
Het bijwerken van de software geschiedt op eigen risico.
Als de software eenmaal is bijgewerkt, kan dit niet worden hersteld naar de
vorige versie.
De software-update kan alleen op dit systeem worden gebruikt. Hij kan niet op
een ander apparaat worden gebruikt.
Afhankelijk van de inhoud van de software-update, worden sommige
instellingen mogelijk gereset. Als dat gebeurt, configureer de desbetreffende
instellingen dan opnieuw nadat de software is bijgewerkt.
Hoewel tijdens de software-update de basisfuncties gebruikt kunnen worden, is
de bediening mogelijk traag. Bedien het systeem indien mogelijk niet.
Nadat de software is bijgewerkt, ontvangt de distributieserver van Toyota
Motor Corporation automatisch een melding dat de update is voltooid.
Toyota Motor Corporation gebruikt de ontvangen informatie uitsluitend voor
software-updates. Afhankelijk van uw abonnement kunnen er ook kosten voor
communicatie in rekening worden gebracht.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
99
2
Instellingen en registratie
Bijwerken van de software met behulp van de DCM*2 of Wi-Fi®
Dit systeem controleert regelmatig de distributieserver op software-
updates.
1. Kies [ ] bij de software-updatemelding.
2. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van
de update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is
gedownload, begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15
minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet
tijdens het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de
auto wordt gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op
het scherm.
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een
melding. Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw
gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
Handmatig bijwerken van de software
1. Kies [ ] in het hoofdmenu.
2. Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3. Kies [View] (bekijken) bij "Updates available" (updates beschikbaar).
4. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van
de update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is
gedownload, begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15
minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet
tijdens het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de
auto wordt gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op
het scherm.
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
100
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een
melding. Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw
gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
INFORMATIE
Als er essentiële updates beschikbaar zijn op de distributieserver, wordt er een
melding weergegeven. Kies [OK] om de updates te downloaden.
Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan om Wi-Fi® te gebruiken
om de software te updaten:
Het systeem moet verbonden zijn met een Wi-Fi®-toegangspunt (bijv. thuis
of op het werk)
De auto moet zich op een locatie bevinden waar hij toegang heeft tot Wi-Fi®
De communicatie-instellingen moeten zijn ingesteld op [Wi-Fi]
2-7. Voertuiginstellingen
101
2
Instellingen en registratie
Navigatie-instellingen
Instellingen navigatiesysteem
Via de instellingen van het navigatiesysteem kunnen verschillende
eigenschappen worden aangepast, zoals de kleur van de kaart en de
tekstgrootte.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies de gewenste optie.
Kaartinstellingen
Route-instellingen
Instellingen begeleiding
Instellingen kaartupdates
Instellingen verkeersinformatie
Overige instellingen
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 103)
Route-instellingen (Blz. 106)
Instellingen begeleiding (Blz. 109)
Databaseversie kaart en dekkingsgebied (Blz. 212)
Instellingen verkeersinformatie (Blz. 111)
Overige instellingen (Blz. 112)
2-8. Navigatie-instellingen
102
Wijzigen van de kaartinstellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map display] (kaartweergave).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Informatie
[Country border guidance]
(landgrensbegeleiding)
Hiermee kunt u de
landgrensbegeleiding in- of
uitschakelen.
Als deze is ingeschakeld, worden er
bij het passeren van een landgrens
gesproken aanwijzingen gegeven.
Daarnaast wordt er informatie
weergegeven over de
maximumsnelheden en andere
verkeersregels in het desbetreffende
land.
[Map style customisation]
(aanpassing kaartstijl).
Hiermee kunt u de instellingen van de
kaartstijl wijzigen.
"Traffic information" (verkeersinformatie)
[Show road class] (toon wegklasse)
Hiermee kunt u het weergavebereik
van de verkeersinformatie instellen.
Kies het gewenste type weg en
vervolgens [OK].
"Real-time information" (realtime-informatie)
[Show traffic jam flows] (toon
filedoorstroming)
Hiermee kunt u de weergave van
actuele informatie over files en
vertragingen in- of uitschakelen.
2-8. Navigatie-instellingen
103
2
Instellingen en registratie
Instelling Informatie
[Show free traffic flows] (toon
filevrije gebieden)
Hiermee kunt u de weergave
van actuele informatie over wegen
met doorstromend verkeer in- of
uitschakelen.
[Traffic incident warning]
(waarschuwing verkeersincidenten)
Hiermee kunt u waarschuwingen
over verkeersincidenten in- of
uitschakelen.
[Show POI icons settings] (toon
POI-iconen)
Hiermee kunt u de weergave
van POI-iconen (nuttige adressen)
wijzigen.
[3D view settings] (instellingen 3D-
weergave)
Hiermee kunt u de weergavehoek van
de 3D-kaart wijzigen.
[On street parking suggestion]
(informatie parkeren op straat)
Hiermee kunt u informatie over
parkeren op straat in- of uitschakelen.
[Map language] (taal van de kaart)
Hiermee kunt u de taal van de kaart
wijzigen.
Kies [Region] (land) of [System
Language] (systeemtaal) en
vervolgens [OK].
Verwante onderwerpen
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave (Blz. 104)
Instellen van weergavehoek (Blz. 105)
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave
De kleur van de kaart en de grootte van de tekst kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map style customisation] (aanpassing kaartstijl).
4Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de grootte van
de tekst op het kaartscherm
wijzigen.
BHiermee kunt u de kleur van de
kaart wijzigen.
5Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
104
Instellen van weergavehoek
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [3D view setting] (instelling 3D-weergave).
4Kies [ ] (hoek vergroten) of [ ] (hoek verkleinen).
5Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
105
2
Instellingen en registratie
Route-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies de gewenste optie.
Instelling Informatie
[Area to avoid] (te vermijden gebied) Hiermee kunt u een te vermijden
gebied registreren of bewerken.
[Avoid traffic]*1 (vermijd druk
verkeer)
Hiermee kunt u de instelling voor het
vermijden van files wijzigen.
Kies [Auto], [manual] (handmatig) of
[off] (uit), en bevestig uw keuze met
[OK].
[Petrol stations suggestion]
(suggestie benzinestation)
Hiermee schakelt u de automatische
weergave van de lijst met
tankstations in of uit.
Verwante onderwerpen
Instellingen te vermijden gebieden (Blz. 106)
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten (Blz. 196)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 200)
Instellingen te vermijden gebieden
Als van een gebied bekend is dat er wegwerkzaamheden of
wegafsluitingen zijn of dat er vaak files staan, kan het geregistreerd worden
als een te vermijden gebied en wordt er gezocht naar routes waarbij dit
gebied vermeden wordt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
*1 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
2-8. Navigatie-instellingen
106
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst
met geregistreerde te vermijden
gebieden weergeven. Hiermee
kunt u het gekozen te vermijden
gebied bewerken.
BHiermee kunt u het
geregistreerde te vermijden
gebied verwijderen.
CHiermee kunt u een te vermijden
gebied registreren.
Vastleggen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Add] (toevoegen).
6Scrol over de kaart om een te vermijden gebied te zoeken.
7Kies [Complete] (voltooien).
Het te vermijden gebied wordt weergegeven als een geel vierkant.
8Kies [ ](vergroten) of [ ](verkleinen) om de grootte van het
te vermijden gebied in te stellen en kies vervolgens [Complete]
(voltooien).
9Kies [OK] nadat u de gewenste items hebt gewijzigd op het
scherm voor het bewerken.
INFORMATIE
Als er geen andere routes zijn dan routes die door een te vermijden gebied
lopen, bevatten de zoekresultaten mogelijk wegen in het te vermijden
gebied.
Als een te vermijden gebied wordt verkleind, kan het de weergave van
een [ ] (te vermijden geheugenpunt) worden. Snelwegen en routes over
water in te vermijden gebieden kunnen mogelijk niet worden vermeden in
de zoekresultaten. Stel een specifiek te vermijden geheugenpunt op de
weg afzonderlijk in.
2-8. Navigatie-instellingen
107
2
Instellingen en registratie
Wijzigen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies het te vermijden gebied dat u wilt wijzigen.
6Kies de instelling die u wilt
wijzigen.
AHiermee kunt u de naam van het
te vermijden gebied wijzigen.
BHiermee kunt u het te vermijden
gebied en de grootte daarvan
wijzigen.
7Kies [OK].
Wissen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van het te vermijden gebied dat u wilt verwijderen.
[Del. All] (alles verwijderen): Verwijdert alle te vermijden gebieden.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van te vermijden gebieden.
7Kies [Complete] (voltooien).
2-8. Navigatie-instellingen
108
Instellingen begeleiding
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Guidance] (begeleiding).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Informatie
[Intersection map] (kruispuntkaart) Hiermee kunt u de vergrote weergave
van het kruispunt in-/uitschakelen.
[Automatic zoom] (automatisch
zoomen)
Hiermee kunt u automatisch zoomen
in-/uitschakelen.
[Speed limit] (snelheidslimiet) Hiermee kunt u informatie over de
maximumsnelheid aan-/uitzetten.
[Flitscamera]*1
Hiermee kunt u de weergave van
iconen voor flitscamera's wijzigen.
Kies, na het kiezen van [On] (aan),
[On & Audible] (aan en hoorbaar) of
[Off] (uit), [OK].
[Guidance with street names] (hulp
met straatnamen)
Hiermee kunt u de
straatnaambegeleiding aan-/uitzetten.
[Weather warning]*1*2
(weerwaarschuwing)
Hiermee kunt u de
weerwaarschuwing aan-/uitzetten.
[Traffic jam warning guidance]
(begeleiding filewaarschuwing)
Hiermee kan de stembegeleiding voor
files worden in-/uitgeschakeld.
[Landmark voice guidance]
(herkenningspuntbegeleiding)
Hiermee kunt u de stembegeleiding
voor herkenningspunten in-/
uitschakelen.
2-8. Navigatie-instellingen
109
2
Instellingen en registratie
Instelling Informatie
[Guide language] (taal begeleiding)
Hiermee kunt u de taal voor de
stembegeleiding wijzigen.
Kies [OK] nadat u de gewenste
taal hebt gekozen.
Hoewel de taal voor de
algemene stembegeleiding kan
worden gewijzigd, kan de stem
voor locatiespecifieke namen niet
worden gewijzigd.
[Local driving rules/restrictions]
(lokale rijvoorschriften/-beperkingen)
Als er op een route rijbeperkingen
(milieuzone of trajecten waar een
milieusticker vereist is) gelden,
kan op het kaartscherm met de
volledige route of het pop-updisplay
met nationaliteitsaanduiding meer
informatie hierover worden bekeken.
Kies [Driving Rules] (rijvoorschriften)
op het kaartscherm met de volledige
route om ze weer te geven.
Informatie over beperkingen kan
worden bekeken door [ ] of [ ]
te kiezen op het pop-updisplay.
Verwante onderwerpen
Rijstrookweergaveschermen (Blz. 208)
Flitscamera's (Blz. 188)
*1 : Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
*2 : Deze functie wordt weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
2-8. Navigatie-instellingen
110
Instellingen verkeersinformatie
Verkeersinformatie, zoals waarschuwingen voor files of
verkeersongevallen, kunnen worden weergegeven.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Traffic] (verkeer).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Informatie
[TMC settings] (TMC-instellingen)
[Auto] (automatisch)
Hiermee kunt u de instellingen van
de ontvangst van verkeersinformatie
wijzigen.
[Receiving status] (ontvangststatus)
[Frequency] (frequentie)
Hiermee kunt u de frequentie
wijzigen. (Als de instelling voor
automatische ontvangst van TMC is
uitgeschakeld)
[Station name] (zendernaam) Geeft de zendernaam weer.
[Emergency events] (noodsituaties)
Hiermee kunt u de lijst met
noodsituaties weergeven. Hiermee
kunt u extra informatie weergeven.
2-8. Navigatie-instellingen
111
2
Instellingen en registratie
Overige instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Informatie
[Delete recent destinations]
(verwijder recente bestemmingen)
Hiermee kunt u de
bestemmingengeschiedenis wissen.
Nadat u de bestemmingen die u wilt
wissen hebt gekozen, kiest u [OK].
Kies [Delete all] (alles verwijderen)
om alles te wissen en kies vervolgens
[OK].
[Favorites] (favorieten) Hiermee kunt u favorieten bewerken.
[Position/Direction] (positie/richting) Hiermee kunt u de locatie van uw
auto corrigeren.
[Copyright]Hiermee kunt u het copyright
weergeven.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 112)
IJking positie/richting (Blz. 114)
Instellingen favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
2-8. Navigatie-instellingen
112
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst
met geregistreerde favorieten
weergeven. Hiermee kunt u de
favoriet bewerken.
BHiermee kunt u de favoriet
verwijderen.
Favorieten registreren
Kies, om een punt als favoriet te registreren als het informatiescherm voor
dat punt wordt weergegeven, [ ] om het punt te registreren.
Als de kaart is verschoven
Informatiescherm voor een punt
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 400 items worden opgeslagen onder favorieten.
Verwante onderwerpen
Informatie weergeven voor een punt (Blz. 183)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 200)
Wijzigen van lijst met favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2-8. Navigatie-instellingen
113
2
Instellingen en registratie
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies de favoriet die u wilt wijzigen.
6Kies de gewenste optie.
AWijzig de naam van de favoriet.
BWijzig het telefoonnummer.
CHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “thuis”.
DHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “snelle toegang”.
EWijzig het icoon dat u op de kaart
wilt weergeven.
7Kies [OK].
INFORMATIE
Plaatsen die zijn opgeslagen voor “snelle toegang”, worden bovenaan de lijst
weergegeven tijdens het instellen van een bestemming.
Favorieten verwijderen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van de favoriet die u wilt verwijderen.
[Del. All] (alles verwijderen): Verwijdert alle favorieten.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van favorieten.
7Kies [OK].
IJking positie/richting
Tijdens het rijden wordt de actuele locatie automatisch gecorrigeerd als uw
auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Als het
systeem door slechte ontvangst geen signalen van het GPS ontvangt, kan
de actuele locatie ook handmatig worden gecorrigeerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
2-8. Navigatie-instellingen
114
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Position / Direction] (positie/richting).
5Schuif de kaart naar het gewenste punt en kies [OK].
6Kies een pijl om de richting van de cursor voor de actuele locatie
te wijzigen en kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
115
2
Instellingen en registratie
Geluids- en media-instellingen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sound & Media] (geluid en media) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Sound (geluid)] > [Levels (niveaus)]
Instelling Informatie
[Automatic sound leveliser]
(automatische volumeregeling)
Past het audiovolume automatisch
aan de rijsnelheid aan.
[Sound (geluid)] > [Voice (spraak)]
Instelling Informatie
[System volume]
(systeemvolume)
Aanpassen van het volume van het
systeem.
[Navigation volume]
(navigatievolume)
Aanpassen van het volume van
de stembegeleiding van het
navigatiesysteem.
[Navigation during calls]
(navigatie tijdens oproepen)
In- of uitschakelen om de stembegeleiding
van het navigatiesysteem tijdens een
telefoongesprek te onderbreken.
[Adaptive volume control]
(adaptieve volumeregeling)
Verhoogt automatisch het volume van
de stembegeleiding wanneer u op een
autoweg rijdt.
[Driving assist volume]
(volume ondersteunend
systeem)
Aanpassen van het volume van het
ondersteunende systeem.
[Sound (geluid)] > [Acoustic setting (geluidsinstelling)]
Instelling Informatie
[Surround
sound]
Type A : Instellen op een meeslepende
geluidskwaliteit.
2-9. Geluids- en media-instellingen
116
Instelling Informatie
[Surround
sound]
Type B : Stel in op [2D] voor een
meeslepende geluidskwaliteit en op [3D] voor een
driedimensionale geluidskwaliteit.
[Media] > [General (algemeen)]
Instelling Informatie
[Display cover art] (albumhoes
weergeven)
Geeft de albumhoes weer, bijvoorbeeld
voor muziekalbums.
[FM] > [FM]
Instelling Informatie
[Station list] (zenderlijst) Herschikt de zenderlijst.
[Enable FM radio]*1 (FM-radio
inschakelen)
Verbergt de toets [FM] op het
keuzescherm voor de audiobron.
[FM traffic announcement]
(FM-verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender
wanneer verkeersinformatie begint op
een FM-zender.
[FM alternative frequency] (FM
alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve
frequentie met betere ontvangst
wanneer het signaal van een FM-zender
zwakker wordt.
[Regional code change]
(wijzigen van regiocode)
Schakelt over naar een plaatselijke
zender op hetzelfde programmanetwerk.
[FM radio text] (FM-radiotekst) Geeft radiotekst weer van de FM-
radiozender.
[Internet radio]*1 (internetradio)
Instelling Informatie
[Enable internet
radio] (internetradio
inschakelen)
Wanneer de ontvangst van de radiogolven
verslechtert, schakelt het systeem over op
internetradio.
[Changing to IP
stream] (wijzigen naar
internetstream)
Instellingen kunnen worden gewijzigd voor
wanneer er wordt overgeschakeld naar
internetradio.
Wanneer [Auto] (automatisch) wordt ingesteld,
wordt er automatisch overgeschakeld.
Wanneer [By request] (op verzoek) wordt
ingesteld, wordt er een melding van een
overschakelverzoek gegeven.
2-9. Geluids- en media-instellingen
117
2
Instellingen en registratie
Instelling Informatie
[Enhanced
metadata/art work]
(verbeterde metadata/
albumhoes)
Maakt gebruik van de Gracenote-technologie voor
radioherkenning.
Geeft de logo's van de favorieten en de
zenderlijst weer.
Wijzigt de categorienamen van de zenderlijst.
Werkt automatisch de zenderlijst bij.
[DAB]*1
Instelling Informatie
[Traffic announcement]
(verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender wanneer
verkeersinformatie begint op een DAB-zender.
[Service
news] (service-/
nieuwsberichten)
Als er een DAB-bericht wordt uitgezonden
(zoals nieuws, weersinformatie of
waarschuwingen), wordt er automatisch van
radiozender gewijzigd.
Als het bericht is afgelopen, hervat het
systeem het vorige programma.
Waarschuwingsberichten worden zelfs
uitgezonden wanneer de instellingen zijn
uitgeschakeld.
[Alternative frequency]
(alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve frequentie
met betere ontvangst wanneer het signaal van
een DAB-zender zwakker wordt.
[Radio text] (RDS-tekst) Geeft radiotekst weer van de DAB-zender.
[Slideshow]
(diavoorstelling)
Geeft de afbeeldingen van de diavoorstelling
weer. De diavoorstelling is beschikbaar
afhankelijk van de service.
INFORMATIE
Door tijdens de stembegeleiding aan de knop [PWRVOL] te draaien wordt
het volume van de stembegeleiding afgesteld.
*1 : Indien aanwezig
2-9. Geluids- en media-instellingen
118
Overschakelen naar een andere schermmodus
Schakelen tussen normaal beeld en breedbeeld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvoor u de schermmodus wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Screen format] (schermformaat).
7Selecteer de gewenste modus.
[Normal] (normaal) : Geeft de video weer in een hoogte-
breedteverhouding van 4:3.
[Stretched] (uitgetrokken) : Vergroot de weergave van de video zodat
deze op het scherm past.
[Zoomed] (ingezoomd) : Vergroot de weergave van de video
gelijkmatig in verticale en horizontale richting.
INFORMATIE
De instelbare modus varieert afhankelijk van de videomodus.
Er is geen probleem wanneer video wordt bekeken voor persoonlijk
gebruik van klanten. Het comprimeren of uitrekken van het scherm voor
commerciële doeleinden of openbare weergave kan echter inbreuk maken
op de rechten van de houder van het auteursrecht die worden beschermd
door de auteursrechtwetgeving.
Er worden mogelijk zwart balken toegevoegd om het
videoweergavegebied te begrenzen om te voorkomen dat de video er
vreemd uitziet.
2-9. Geluids- en media-instellingen
119
2
Instellingen en registratie
Instellen van de beeldkwaliteit
Stel het contrast en de helderheid van de video af.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvan u de beeldkwaliteit wilt instellen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Display].
7Stel alles in.
"Brightness" (helderheid) : Hiermee stelt u de helderheid in.
"Contrast" : Hiermee stelt u het contrast in.
2-9. Geluids- en media-instellingen
120
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron
Wijzigt de instelling voor de geluidskwaliteit en balans van elke bron.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de geluidsbron waarvoor u de instellingen wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Sound] (geluid).
Kan mogelijk niet worden weergegeven afhankelijk van de bron.
6Stel alles in.
"Treble" (hoge tonen) : Wijzigt het geluidsniveau van de hoge tonen.
"Mid" (gemiddeld) : Wijzigt het geluidsniveau van de middentonen.
"Bass" (lage tonen) : Wijzigt het geluidsniveau van de lage tonen.
Geluidsverdeling : Stel de geluidsverdeling tussen voor en achter en
tussen links en rechts in door [ ] te verplaatsen.
Kies [Recentre] (opnieuw centreren) om de verdeling terug te zetten
in het midden.
INFORMATIE
De hoge tonen, de middentonen en de lage tonen kunnen voor elke bron
afzonderlijk worden ingesteld.
2-9. Geluids- en media-instellingen
121
2
Instellingen en registratie
Wi-Fi®-instellingen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen
Wijzig de Wi-Fi®-instellingen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Stel alles in.
"Wi-Fi-instellingen"
Instelling Informatie
[Wi-Fi]Schakelt Wi-Fi® in of uit.
Afhankelijk van de instellingen van het multimediasysteem kan er een
melding worden weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen, worden beschikbare netwerken in de buurt
weergegeven.
Na het uitschakelen van [Wi-Fi] wordt de Wi-Fi®-verbinding verbroken.
"Available networks" ("Available networks" (beschikbare netwerken) worden
alleen weergegeven als [Wi-Fi] is ingeschakeld.)
Instelling Informatie
Naam van het netwerk (netwerk-
SSID)
Selecteer om met het netwerk te
verbinden.
Netwerkinformatie (netwerk-SSID)
[ ]Geeft de netwerkinformatie weer.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere
MAC-adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt
elke 6 seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het
niet mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik bij
voorkeur voor elk apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Netwerkinformatie (Wordt weergegeven na het kiezen van [ ] achter de
naam van het netwerk.)
2-10. Wi-Fi®-instellingen
122
Instelling Informatie
[Auto connect]*1
(automatisch verbinden)
Bepaalt of er automatisch verbinding moet
worden gemaakt met dit netwerk.
"Network SSID" (netwerk-
SSID) Geeft de naam (SSID) van het netwerk weer.
"MAC address" (MAC-
adres) Geeft het MAC-adres van het netwerk weer.
"Security" (beveiliging) Geeft het beveiligingsprotocol van het netwerk
weer.
"Frequency band"
(frequentieband) Geeft de frequentie van het netwerk weer.
[Forget this network]*1
(dit netwerk vergeten)
Wist de verbindingsgeschiedenis van
het geselecteerde netwerk uit het
multimediasysteem.
Het verwijderde netwerk zal worden herkend
als een netwerk waar het systeem niet eerder
verbinding mee heeft gemaakt.
[Forget this Network] (dit netwerk vergeten) verbreekt niet de verbinding
met het actieve Wi-Fi®-netwerk. De netwerkinformatie wordt niet
opgeslagen en er zal niet automatisch verbinding worden gemaakt met
dit Wi-Fi®-netwerk na het herstarten van Wi-Fi®.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Onbeveiligde netwerken worden niet opgeslagen in de
verbindingsgeschiedenis.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 158)
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi® (Blz. 160)
*1 : Alleen beschikbaar bij netwerken waarmee het multimediasysteem eerder
verbonden is geweest.
2-10. Wi-Fi®-instellingen
123
2
Instellingen en registratie
Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten instellen
Het gebruik van het multimediasysteem en het aangesloten Bluetooth®-
apparaat kan worden ingesteld.
INFORMATIE
De details van de instellingen worden voor elk Bluetooth®-apparaat afzonderlijk
ingesteld.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als tijdens het afspelen van Bluetooth®-
audio handsfree bellen wordt geselecteerd.
Afhankelijk van het type Bluetooth®-apparaat moet mogelijk het Bluetooth®-
apparaat worden bediend.
Een Bluetooth®-apparaat kan niet worden geselecteerd tijdens een
noodoproep.
Instellingen kunnen niet worden geselecteerd tijdens het rijden.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, kunnen instellingen
mogelijk niet worden geselecteerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat dat u wilt
configureren.
Er wordt niets weergegeven tenzij er ten minste één Bluetooth®-apparaat is
geregistreerd.
4Stel alles in.
Instelling Informatie
[Use for phone] (gebruik voor
telefoon)
Hiermee kunt u de functie voor handsfree
bellen in- en uitschakelen.*1
[Use for media] (gebruik voor
media)
Hiermee kunt u de audiofunctie in- en
uitschakelen.*1
2-11. Bluetooth®-instellingen
124
Instelling Informatie
[Use for Apple CarPlay]
(gebruik voor Apple CarPlay)
Hiermee kunt u de Apple CarPlay-functie
in- en uitschakelen.*1
[Use for Android Auto]
(gebruik voor Android Auto)
Hiermee kunt u de Android Auto-functie in-
en uitschakelen.*1
"Volume"
Instelling Informatie
[Ringtone] (beltoon) Past het beltoonvolume aan.
[Received volume]
(ontvangstvolume) Stelt het ontvangstvolume in.
[New message] (nieuw bericht) Past het volume voor binnenkomende
berichten aan.
"General" (algemeen)
Instelling Informatie
[Ringtone] (beltoon)
De beltoon voor handsfree bellen kan als volgt
worden ingesteld.
Stelt het beltoonvolume dat voor de
mobiele telefoon is ingesteld in als het
beltoonvolume voor het multimediasysteem.
Stelt het bestaande beltoonvolume in.
Stelt het systeem in om de naam van de
beller voor te lezen.
[Message tone]
(berichttoon)
De beltoon voor binnenkomende berichten kan
als volgt worden ingesteld.
Instellen op de bestaande beltoon voor
binnenkomende berichten.
Instellen op dempen.
Instellen om de naam van de verzender
voor te lezen.
[Sort contacts by]
(contacten sorteren op)
De weergave van namen die in uw contacten
zijn geregistreerd, kan als volgt worden
gewijzigd.
Contacten sorteren op voornaam.
Contacten sorteren op achternaam.
[Auto read messages]
(automatisch berichten
voorlezen)
Hiermee kunt u de functie voor het
automatisch voorlezen van berichten in- en
uitschakelen.
2-11. Bluetooth®-instellingen
125
2
Instellingen en registratie
Instelling Informatie
[Clear call history] (wis
oproepgeschiedenis)
Wist gegevens oproepgeschiedenis handsfree
bellen.*2
"Syncing" (synchroniseren)
Instelling Informatie
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
Hiermee kunt u het automatisch overbrengen
van contacten, favorieten en geschiedenis naar
het multimediasysteem in- en uitschakelen.
Als de instelling wordt gewijzigd van
uitgeschakeld naar ingeschakeld, wordt het
telefoonboek van de verbonden telefoon
automatisch overgebracht.
Bij sommige typen mobiele telefoons kunnen
favorieten niet worden overgebracht.
[Display contact
images] (afbeeldingen
contact weergeven)
Hiermee kunt u de weergave van de afbeelding
van het contact in- en uitschakelen.
De afbeelding van het contact kan niet naar het
multimediasysteem worden gedownload, tenzij
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) is
ingeschakeld.
[Set as secondary
device] (instellen als
secundair apparaat)
Stelt het apparaat in als secundair apparaat.*3
[Remove secondary
device setting]
(instelling secundair
apparaat verwijderen)
Annuleert het apparaat als secundair apparaat.
[Connect] (koppelen) Koppelt het multimediasysteem met een
Bluetooth®-apparaat.
[Disconnect]
(ontkoppelen)
Koppelt een Bluetooth®-apparaat los van het
multimediasysteem.
[Forget] (vergeet) Hiermee kunnen geregistreerde Bluetooth®-
apparaten worden gewist.
*1 : Wordt alleen weergegeven wanneer het Bluetooth®-apparaat deze functie kan
uitvoeren. Door de functie in of uit te schakelen, worden gerelateerde functies
weergegeven of verborgen of worden ze in- of uitgeschakeld. Dit kan niet
worden gebruikt voor telefoongesprekken of audio wanneer Apple CarPlay of
Android Auto is ingeschakeld. Dit geldt andersom ook. Het koppelen begint
niet meteen door alleen maar over te schakelen. Kies de toets [Connect]
(koppelen) om het koppelen te starten.
2-11. Bluetooth®-instellingen
126
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen (Blz. 296)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 241)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 155)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat (Blz. 157)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
*2 : Wordt weergegeven wanneer een mobiele telefoon waarbij [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) is uitgeschakeld, wordt gekoppeld.
*3 : Deze instelling kan worden gebruikt als er een bestuurder is geregistreerd
en de gesignaleerde mobiele telefoon niet is ingesteld als zijn hoofdapparaat.
Het apparaat wordt herkend als secundair apparaat zodra het als zodanig is
ingesteld. De prioriteitsvolgorde van de Bluetooth®-verbinding van de auto is
hoofdapparaat, secundair apparaat en het meest recent verbonden apparaat.
2-11. Bluetooth®-instellingen
127
2
Instellingen en registratie
Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Wijzigen van de scherminstellingen van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers*1
Wijzig de kleurmodus, de helderheid en het contrast van het scherm van
het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Display] of [Display (Common)] (display (algemeen)).
3Stel alles in.
[Synchronised]
(gesynchroniseerd) : Hiermee
kunt u het koppelen van
de schermkleurmodus aan het
audiosysteem voorin in- of
uitschakelen. Wanneer deze
instelling is ingeschakeld, komt
de kleurmodus-instelling van het
display achter overeen met die van het display voor.
[Light]/[Dark]*2 (licht/donker) : Wijzigt de schermkleurmodus.
[Brightness] (helderheid) : Stel de helderheid in door de cursor te
verplaatsen of [+] of [-] te selecteren.
[Contrast] : Stel het contrast in door de cursor te verplaatsen of [+] of
[-] te selecteren.
*1 : Indien aanwezig
*2 : Dit wordt niet weergegeven wanneer [Synchronised] (gesynchroniseerd) is
ingeschakeld.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
128
Aanpassen van de beeldkwaliteit van de video-
en afbeeldingsbron tijdens het afspelen op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Aanpassen van de beeldkwaliteit van de video- en afbeeldingsbron tijdens
het afspelen op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Display (Video)].
3Stel alles in.
[Brightness] (helderheid) : Stel
de helderheid in door de cursor
te verplaatsen of [+] of [-] te
selecteren.
[Contrast] : Stel het contrast in
door de cursor te verplaatsen of
[+] of [-] te selecteren.
[Tone]*1 (toon) : Stel de
kleurschakering in door de cursor te verplaatsen of [+] of [-] te
selecteren.
[Colour]*1 (kleur) : Stel de kleur in door de cursor te verplaatsen of [+]
of [-] te selecteren.
INFORMATIE
De volgende beperkingen zijn van toepassingen wanneer de
voertuigverlichting brandt*2:
De helderheid van het display voor de passagiersstoel kan niet hoger
worden ingesteld dan de standaardwaarde wanneer de passagiersstoel
extra ver naar voren staat*3.
Wanneer de passagiersstoel extra ver naar voren wordt gezet*3 terwijl
de helderheid van het display voor de passagiersstoel hoger is dan de
standaardwaarde, wordt de helderheid ingesteld op de standaardwaarde.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
129
2
Instellingen en registratie
Wijzigen van de schermmodus van het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers
Wijzig de schermmodus tijdens het afspelen van een video.
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Screen format]*1 (schermformaat).
3Selecteer de gewenste schermmodus.
Wanneer de bron voor de achterstoelen een andere dan USB-video is
[Normal] : Geeft de
video weer in een hoogte-
breedteverhouding van 4:3.
[Stretched] : Vergroot de
weergave van de video zodat
deze op het scherm past.
Wanneer de bron voor de achterstoelen USB-video is
[Normal] : Geeft de
video weer in een hoogte-
breedteverhouding van 4:3.
[Stretched] : Vergroot de
weergave van de video zodat
deze op het scherm past.
[Zoomed] : Vergroot
de weergave van de video
gelijkmatig in verticale en
horizontale richting.
*1 : Niet weergegeven wanneer de bron voor de achterstoelen [Rear-Miracast®]
(Miracast achter) is.
*2 : Alleen aan passagierszijde
*3 : Raadpleeg de "handleiding van uw auto" voor informatie over het afstellen van
de stoelpositie.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
130
Wijzigen van de HDMI-instellingen achterin op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Controleer van tevoren of de bron is ingesteld op [Rear-HDMI] (HDMI
achter).
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-HDMI] (HDMI achter).
3Stel alles in.
[Enable HDMI
control]*1 (HDMI-bediening
inschakelen) : Schakelt de
bediening van het HDMI-apparaat
met het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers in of uit.
Wanneer dit wordt ingeschakeld,
kan het HDMI-apparaat worden
bediend vanaf het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
[One Touch Play]*2 : Wanneer dit wordt ingeschakeld, wordt het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers ingeschakeld en wordt
de bron automatisch gewijzigd in [Rear-HDMI] (HDMI achter) wanneer
het HDMI-apparaat wordt ingeschakeld.
[System Standby]*2 (systeem stand-by) : Dit koppelt het
wijzigen van de bron op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers aan het uitschakelen van het HDMI-apparaat.
Wanneer dit wordt ingeschakeld, wordt het HDMI-apparaat automatisch
uitgeschakeld wanneer de bron van het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers vanuit [Rear-HDMI] (HDMI achter) in een andere
bron wordt gewijzigd.
[Overscan] : Schakelt de overscanfunctie in of uit. Als u deze functie
inschakelt, worden scheeftrekkingen en vervorming aan de rand van
*1 : Afhankelijk van de geselecteerde bron wordt dit mogelijk niet weergegeven.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
131
2
Instellingen en registratie
de video verborgen. (Sommige delen van het beeld worden mogelijk
afgesneden.)
Dit kan onafhankelijk worden ingesteld voor het display links en
rechts.
[Reset settings] (instellingen resetten) : Hiermee kunt u de
instellingen resetten.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 56)
*1 : Afhankelijk van het apparaat wordt [Enable HDMI control] (HDMI-bediening
inschakelen) mogelijk niet ondersteund of werkt het mogelijk niet zoals
verwacht, zelfs wanneer deze functie wel wordt ondersteund.
*2 : Dit wordt niet weergegeven wanneer [Enable HDMI control] (HDMI-bediening
inschakelen) is uitgeschakeld.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
132
Wijzigen van de Blu-ray- en DVD-instellingen op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Controleer van tevoren of de bron is ingesteld op [Rear-DVD] (DVD achter)
of [Rear-BD] (BD achter).
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-BD/DVD] (BD/DVD achter).
3Stel alles in.
[Audio language]
(audiotaal) : Hiermee kunt u
de prioriteitstaal voor de audio
instellen.
[Subtitle language] (taal
ondertitels) : Hiermee kunt
u de prioriteitstaal voor
de weergegeven ondertitels
instellen.
[Menu language] (taal menu) : Hiermee kunt u de weergegeven taal
voor de menu-items op de disc instellen.
[Multi-angle mark] (hoekaanduiding) : Hiermee kunt u instellen of een
hoekaanduiding moet worden weergegeven tijdens het afspelen van
een disc met meerdere hoeken.
[Parental control level] (kinderslotniveau) : Hiermee kunt u het niveau
van de kijkrestrictie instellen. (alleen DVD-video)
[Audio dynamic range] (audio-dynamisch bereik) : Hiermee kunt u de
verhouding voor de maximale en minimale audiowaarden instellen.*1
[BD parental control age] (leeftijd ouderlijk toezicht BD) : Hiermee
kunt u de leeftijd voor de kijkrestrictie instellen. (alleen Blu-ray-video)
[Quick play] (snel afspelen) : Hiermee kunt u instellen of het eerste
afspeelpunt na het plaatsen van een Blu-ray-videodisc moet worden
overgeslagen en snel het afspelen van het hoofdverhaal moet worden
gestart. (alleen Blu-ray-video)
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
133
2
Instellingen en registratie
[BD-Video secondary audio] (secundaire audio BD-video) : Hiermee
kunt u instellen of de subaudio en bedieningsgeluiden van een Blu-ray-
video moeten worden weergegeven.
[Clear BD history] (BD-geschiedenis wissen) : Selecteer deze
toets en selecteer vervolgens [Clear] (wissen) om informatie met
betrekking tot hervatten en overige informatie die op de speler voor
de achterpassagiers is opgeslagen, te wissen. (alleen Blu-ray-video)
[Reset settings] (instellingen resetten) : Hiermee kunt u
de instellingen resetten. (behalve [Parental control level]
(kinderslotniveau), [BD parental control age] (leeftijd ouderlijk toezicht
BD))
INFORMATIE
De audio-dynamische instellingen zijn alleen beschikbaar voor DolbyDigital
en Dolby TrueHD-audio.
Als de instellingen voor subaudio en bedieningsgeluiden van Blu-ray-video
zijn ingeschakeld, zijn subaudio en bedieningsgeluiden te horen voor
gedeeltes waarvoor subaudio en bedieningsgeluiden zijn opgenomen,
maar HD-audio zoals 5.1-kanaals wordt niet weergegeven. HD-audio zoals
5.1-kanaals wordt echter uitgevoerd tijdens het afspelen van gedeeltes die
aan de volgende voorwaarden voldoen:
Er is geen interactieve audio (geluidseffecten)
Er is geen secundaire audio zoals filmvertelling
Er zijn geen BD-J-titels
Als de instellingen voor subaudio en bedieningsgeluiden van Blu-ray-video
zijn uitgeschakeld, wordt audio zoals 5.1-kanaals weergegeven, maar zijn
subaudio en bedieningsgeluiden niet te horen voor gedeeltes waarvoor
subaudio en bedieningsgeluiden zijn opgenomen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 56)
Informatie over de voorwaarden voor Blu-ray-spelers (Blz. 422)
Specificeren van de taalcode
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
*1 : Welke waarden kunnen worden ingesteld, is afhankelijk van de bron die wordt
afgespeeld.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
134
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-BD/DVD] (BD/DVD achter).
3Selecteer [Audio language] (taal audio), [Subtitle language] (taal
ondertitels) of [Menu language] (taal menu).
4Selecteer [Other] (overige).
Het invoerscherm voor de taalcode wordt weergegeven.
5Voer de taalcode van de gewenste taal in.
6Selecteer [Enter] (invoeren).
Verwante onderwerpen
Overzicht van taalcodes voor DVD's en Blu-ray-discs (Blz. 428)
Selecteren van het restrictieniveau
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-BD/DVD] (BD/DVD achter).
3Selecteer [Parental control level] (kinderslotniveau).
4Voer het 4-cijferige persoonlijke identificatienummer (PIN) in.
Als er geen pincode is ingesteld ("----" wordt weergegeven), wordt het
ingevoerde nummer als pincode geregistreerd.
Als bij het invoeren van de pincode 10 keer achter elkaar wordt
geselecteerd, kan de pincode worden geïnitialiseerd.
Nadat de pincode is geïnitialiseerd, keert deze terug naar de niet-ingestelde
status.
5Selecteer [OK].
6Selecteer het gewenste restrictieniveau.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
135
2
Instellingen en registratie
Raadpleeg "Informatie over de voorwaarden voor Blu-ray-spelers" voor meer
informatie over het restrictieniveau.
Verwante onderwerpen
Informatie over de voorwaarden voor Blu-ray-spelers (Blz. 422)
Instellen van de leeftijd voor kijkrestrictie
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-BD/DVD] (BD/DVD achter).
3Selecteer [BD parental control age] (leeftijd ouderlijk toezicht BD).
4Voer het 4-cijferige persoonlijke identificatienummer (PIN) in.
Als er geen pincode is ingesteld ("----" wordt weergegeven), wordt het
ingevoerde nummer als pincode geregistreerd.
Als bij het invoeren van de pincode 10 keer achter elkaar wordt
geselecteerd, kan de pincode worden geïnitialiseerd.
Nadat de pincode is geïnitialiseerd, keert deze terug naar de niet-ingestelde
status.
5Selecteer [Enter] (invoeren).
6Voer de leeftijd voor kijkrestrictie in.
Om de leeftijdsinstelling voor de kijkrestrictie op te heffen, typt u "255".
7Selecteer [Enter] (invoeren).
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
136
Wijzigen van de instellingen voor de SD-diavoorstelling via
het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Controleer van tevoren of de bron is ingesteld op [Rear-SD] (SD achter).
1Selecteer [Picture] (foto) in het submenu.
2Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
3Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
4Stel alles in.
[Slideshow interval] (interval
diavoorstelling) : Hiermee
kunt u het interval voor de
diavoorstelling instellen.
[Slideshow effect] (effecten
diavoorstelling) : Hiermee kunt
u de overgangseffecten voor de
diavoorstelling instellen.
[Herhalen] : Hiermee kunt u instellen of het afspelen moet worden
herhaald.
[Reset settings] (instellingen resetten) : Hiermee kunt u de
instellingen resetten. (Met uitzondering van [Format SD card] (SD-
kaart formatteren) en [Clear BD data] (BD-gegevens wissen))
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 56)
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
137
2
Instellingen en registratie
Gegevens wissen van een SD-kaart via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Controleer van tevoren of de bron is ingesteld op [Rear-SD] (SD achter).
1Selecteer [Picture] (foto) in het submenu.
2Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
3Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
4Selecteer het item dat u wilt bedienen.
[Format SD card] (SD-kaart formatteren) : Hiermee kunt u een SD-
kaart formatteren. Wanneer de SD-kaart wordt geformatteerd, worden
alle gegevens gewist en kunnen deze niet meer worden hersteld.
[Clear BD data] (BD-gegevens wissen) : Hiermee kunt u bladwijzers
van afgespeelde Blu-ray-video's en informatie met betrekking tot
het hervatten van content wissen. Blu-ray-gegevens op de SD-kaart
kunnen niet worden gewist als de SD-kaart gegevens bevat die niet op
de speler voor de achterpassagiers zijn opgeslagen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de bron van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 56)
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
138
Controleren van de licentie-informatie van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
1Voer een van de volgende handelingen uit om het
instellingenscherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
Selecteer [ ] op het geavanceerde bedieningsscherm van het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers via het multifunctionele
bedieningspaneel achter.
Het instellingenscherm voor het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers wordt weergegeven.
2Selecteer [License information] (licentie-informatie).
De software-informatie wordt weergegeven.
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
139
2
Instellingen en registratie
2-12. Wijzigen van de instellingen van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
140
3Een smartphone of communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten........................... 142
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen......... 145
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf
het multimediasysteem ...... 146
Wissen van een
geregistreerd Bluetooth®-
apparaat............................. 150
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat .......... 151
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
primair apparaat................. 155
Instellen van een
Bluetooth®-apparaat als
secundair apparaat ............ 157
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-
apparaten........................... 158
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®............. 160
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay
en Android Auto ................. 163
Gebruik van Apple CarPlay
met een ongeregistreerde
smartphone........................ 166
Gebruik van Apple CarPlay
met een geregistreerde
smartphone........................ 169
Gebruik van Android Auto.... 173
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple
CarPlay of Android Auto .... 175
141
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van de Bluetooth®-functie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie bij het gebruik van een
Bluetooth®-apparaat op het multimediasysteem.
INFORMATIE
Bluetooth® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband
volgens het best-effort-principe.
Gelijktijdig gebruik van zowel Wi-Fi® (dat ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-
frequentieband) als Bluetooth® kan onderlinge interferentie tot gevolg hebben.
Onderlinge interferentie tussen Bluetooth® en Wi-Fi® kan problemen
veroorzaken met het videobeeld, overslaan van audio en de
verbindingssnelheid.
Het effect van de interferentie kan minder worden als er een ander
Bluetooth®-apparaat wordt aangesloten. Als een Bluetooth®-apparaat is
geregistreerd, kan het probleem minder worden door verbinding te maken
met het geregistreerde apparaat. (De verbinding van een Bluetooth®-apparaat
kan worden gecontroleerd via het statusicoon op het scherm van het
multimediasysteem.)
Het gebruik van een mobiele telefoon met Bluetooth® in combinatie met een
ander draadloos apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding
van beide apparaten.
Wi-Fi®-functies (Wi-Fi® en Miracast®) maken gebruik van dezelfde 2,4 GHz-
frequentieband voor draadloze communicatie. Het gelijktijdig gebruik van een
Bluetooth®-apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding van
beide apparaten. Eventuele problemen kunnen worden verholpen door de
Wi-Fi®-functie uit te schakelen.
De batterij van een Bluetooth®-apparaat zal sneller leegraken als de
Bluetooth®-verbinding actief is.
Tijdens noodoproepen zullen Bluetooth®-verbindingen worden verbroken. Alle
Bluetooth®-apparaten worden weer verbonden als de noodoproep is beëindigd.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon zelf te
bedienen tijdens het rijden, ook bij handsfree bellen.
Breng voor het bellen de auto op een veilige plaats tot stilstand. Neem bij
bellen tijdens het rijden altijd de veiligheid in acht en houd het gesprek kort.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
142
OPMERKING
Gebruik geen Bluetooth®-apparaat in de buurt van het multimediasysteem.
Als het te dicht in de buurt komt, kan de geluidskwaliteit of de verbinding
verslechteren.
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan
hoog oplopen, waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische
apparaten
Neem tijdens Bluetooth®-communicatie de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht met betrekking tot radiogolven.
WAARSCHUWING
De Bluetooth®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met een geïmplanteerde pacemaker, CRT-pacemaker of
geïmplanteerde hartdefibrillator moeten voldoende afstand bewaren tot
de Bluetooth®-antennes. Radiogolven kunnen de werking van dergelijke
apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op deze apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten
hebben op de werking van dergelijke medische apparatuur.
Indien gelijktijdig gebruikt met Bluetooth®-audio
Het volgende kan gebeuren als een Bluetooth®-compatibel apparaat
(mobiele telefoon) handsfree en gelijktijdig met Bluetooth®-audio wordt
gebruikt.
De Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt mogelijk verbroken.
Bij handsfree bellen zijn er mogelijk achtergrondgeluiden hoorbaar.
Bij handsfree bellen is er mogelijk een vertraging merkbaar.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als er tijdens het afspelen van
Bluetooth®-audio een ander communicatieapparaat wordt geselecteerd
voor handsfree bellen.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de verbinding van
het draagbare apparaat mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is
voltooid, wordt er opnieuw verbinding gemaakt. (Opnieuw verbinding
maken is bij sommige uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
143
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Het is, zelfs bij mobiele telefoons die zowel een handsfree verbinding als
een audioverbinding ondersteunen, wellicht niet mogelijk om zowel een
handsfree verbinding als een audioverbinding tot stand te brengen.
Neem voor een overzicht van specifieke apparaten die geschikt zijn
voor dit systeem contact op met een erkende Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 158)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 241)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen (Blz. 296)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
246)
Statusiconen (Blz. 22)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
144
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen
Het multimediasysteem ondersteunt de volgende specificaties en
compatibele profielen. De werking kan niet voor alle Bluetooth®-apparaten
worden gegarandeerd.
Ondersteunde Bluetooth®-specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 5.0
Compatibele profielen
HFP (Handsfree-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.7.2
Dit is een profiel dat handsfree-telefoongesprekken mogelijk maakt via
de mobiele telefoon. Het heeft een functie voor uitgaande en inkomende
gesprekken.
PBAP (Phone Book Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.2.3
Profiel voor het synchroniseren van gegevens, zoals contactgegevens en
oproepgeschiedenis.
OPP (Object Push-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.2.1
Profiel voor het overbrengen van contactgegevens.
MAP (Message Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.4.2
Dit is een profiel voor het gebruiken van telefoonberichtfuncties.
SPP (Serial Port-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.2
Profiel voor het omzetten van apparaten met Bluetooth® naar virtuele seriële
poorten.
Profiel voor het koppelen van smartphones.
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) Ondersteunde versies:
versie 1.3.2
Dit is een profiel voor het versturen van stereo-audiogeluid of geluid met
een hoge kwaliteit naar het audiosysteem.
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) Ondersteunde versies:
versie 1.6.2
Profiel voor het op afstand bedienen van de audio.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
145
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem
Er moet een mobiele telefoon of draagbaar apparaat zijn geregistreerd
om handsfree te kunnen bellen of Bluetooth®-audio te kunnen gebruiken.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er telkens wanneer het
multimediasysteem wordt gestart, automatisch verbinding gemaakt met
Bluetooth®.
Wanneer een Apple CarPlay-/Android Auto-apparaat is aangesloten
via USB, wordt het apparaat automatisch als Bluetooth®-apparaat
geregistreerd.
Wanneer er geen verbinding is met Bluetooth®-apparaten, kan het
registratiescherm worden weergegeven door de stuurwieltoets [ ]
ingedrukt te houden.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon kan als een handsfree telefoon en als een Bluetooth®-
audioapparaat worden geregistreerd.
Hoewel er maximaal 5 Bluetooth®-apparaten kunnen worden geregistreerd,
kunnen er maximaal 2 apparaten als handsfree telefoon worden gebruikt. (Om
2 handsfree telefoons aan te kunnen sluiten, is identificatie van de bestuurder
vereist.)
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie
over de bediening van het Bluetooth®-apparaat.
De registratie moet voor elk Bluetooth®-apparaat eenmalig worden herhaald
als er meerdere Bluetooth®-apparaten worden gebruikt.
Een pincode is een verificatiecode die wordt gebruikt bij het registreren van een
Bluetooth®-apparaat in het multimediasysteem.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon is de mogelijkheid om
iemand te bellen mogelijk geblokkeerd nadat er verbinding is gemaakt. Maak
voor gebruik de automatische blokkering ongedaan op de mobiele telefoon.
Als een ander apparaat is geregistreerd terwijl het is verbonden met een
mobiele telefoon of een draagbaar apparaat, wordt de verbinding met het
draagbare apparaat dat of de mobiele telefoon die audio afspeelt verbroken.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat
wordt geregistreerd terwijl Miracast® in gebruik is.
Om veiligheidsredenen kunnen apparaten niet worden geregistreerd tijdens het
rijden.
Als de registratie van het Bluetooth®-apparaat niet kan worden voltooid, start
dan het Bluetooth®-apparaat opnieuw.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
146
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen apparaat is geregistreerd, ga dan naar stap 4.
3Kies [Add another device] (een ander apparaat toevoegen).
Wanneer er een apparaat is verbonden met het multimediasysteem, wordt
er mogelijk een bevestigingsscherm weergegeven voor het verbreken van de
verbinding met het apparaat. Verbreek de verbinding met het apparaat om de
registratie uit te voeren.
4Kies [If not found] (indien niet
gevonden).
5Kies het te registreren apparaat in het hoofdgebied.
Mogelijk wordt het Bluetooth®-adres weergegeven in plaats van de
apparaatnaam.
Als het te registreren apparaat niet in het hoofdgebied wordt weergegeven,
probeer het dan vanaf het Bluetooth®-apparaat te registreren.
Bepaalde modellen van Bluetooth®-apparaten worden mogelijk niet in de
apparatenlijst weergegeven, tenzij een bepaald scherm wordt weergegeven
op het Bluetooth®-apparaat. Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-
apparaat voor meer informatie.
6Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op het Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven en
kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de
registratie te voltooien.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg
de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple
CarPlay-scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de
naam van het geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het
submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
147
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat
Als het Bluetooth®-apparaat niet kan worden gevonden door te zoeken
met behulp van het multimediasysteem, registreer dan door het
multimediasysteem te zoeken vanaf het Bluetooth®-apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen apparaat is geregistreerd, ga dan naar stap 4.
3Kies [Add another device] (een ander apparaat toevoegen).
Wanneer er een apparaat is verbonden met het multimediasysteem, wordt
er mogelijk een bevestigingsscherm weergegeven voor het verbreken van de
verbinding met het apparaat. Verbreek de verbinding met het apparaat om de
registratie uit te voeren.
4Registreer het
multimediasysteem vanaf het
Bluetooth®-apparaat dat u wilt
gebruiken.
Voer de handeling uit volgens
de bedieningsprocedure van het
Bluetooth®-apparaat.
Geef dit Bluetooth®-
verbindingsscherm weer alvorens
de registratie uit te voeren op het Bluetooth®-apparaat.
5Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op het Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven en
kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de
registratie te voltooien.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg
de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple
CarPlay-scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
148
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de
naam van het geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het
submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
149
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat
Geregistreerde Bluetooth®-apparaten kunnen worden gewist.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
3Kies in het submenu het
Bluetooth®-apparaat dat moet
worden gewist.
4Kies [Forget] (vergeet).
Een apparaat dat als primair
apparaat van een andere gebruiker is
ingesteld, kan niet worden gewist.
5Kies [Forget] (vergeet).
INFORMATIE
Een geregistreerde mobiele telefoon kan niet worden gewist tijdens een
noodoproep.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste
keer mogelijk niet om het apparaat te wissen.
Verwante onderwerpen
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 155)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
150
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat
Er moet verbinding worden gemaakt met een Bluetooth®-apparaat om de
verschillende functies van het multimediasysteem te kunnen gebruiken. Er
zijn 2 manieren om verbinding te maken: automatisch en handmatig.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie
over de bediening van het Bluetooth®-apparaat.
Als de telefoon bij het verbinding maken onstabiel reageert, verbreek dan de
verbinding en probeer opnieuw verbinding te maken.
Er kan geen verbinding worden gemaakt als Bluetooth® op het Bluetooth®-
apparaat niet is ingeschakeld.
Wanneer er succesvol verbinding is gemaakt met het Bluetooth®-apparaat,
wordt hiervan bovenaan op het scherm een melding weergegeven.
Wanneer er verbinding is met het Bluetooth®-apparaat, wordt het statusicoon
voor de Bluetooth®-verbinding weergegeven.
De displayzone gaat mogelijk branden wanneer het contact AAN wordt gezet,
afhankelijk van het type mobiele telefoon. Als dit gebeurt, schakel dan de
verlichting uit op de mobiele telefoon. (Raadpleeg de handleiding van de
mobiele telefoon voor meer informatie over de instellingen.)
De Bluetooth®-functie kan niet worden gebruikt op het apparaat dat als Apple
CarPlay is aangesloten.
De Bluetooth®-functie, behalve de handsfree-functie, kan niet worden gebruikt
op het apparaat dat als Android Auto is aangesloten.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat is
aangesloten terwijl Miracast® in gebruik is.
Bluetooth®-verbinding herstellen
Als een Bluetooth®-verbinding is verbroken terwijl het contact AAN is gezet,
wordt er automatisch geprobeerd om opnieuw verbinding te maken.
Aantal aangesloten Bluetooth®-apparaten
Als de bestuurder wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal 2
handsfree telefoons en 1 audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audioapparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal 1
handsfree telefoon en 1 audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audioapparaat worden ingesteld.)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
151
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
INFORMATIE
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan
handmatig verbinding te maken.
Als er een apparaat is aangesloten als Apple CarPlay-apparaat, kan er
mogelijk niet opnieuw verbinding mee worden gemaakt als Bluetooth®-
apparaat.
Verwante onderwerpen
Statusiconen (Blz. 22)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Handmatig verbinding maken met Bluetooth®-apparaten (Blz. 153)
Automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Telkens als het contact AAN wordt gezet zal het multimediasysteem
automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten overeenkomstig
de ingestelde volgorde van prioriteit.
Als de bestuurder wordt herkend
Maakt automatisch verbinding, eerst met het primaire apparaat, dan
met het secundaire apparaat en dan met de overige apparaten
overeenkomstig de volgorde tijdens de vorige verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal 2
handsfree telefoons en 1 audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audioapparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Maakt automatisch verbinding overeenkomstig de volgorde tijdens de
vorige verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal 1
handsfree telefoon en 1 audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd
als audioapparaat worden ingesteld.)
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan
handmatig verbinding te maken.
INFORMATIE
Afhankelijk van het model Bluetooth®-apparaat moet het Bluetooth®-apparaat
mogelijk worden bediend.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
152
Verwante onderwerpen
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 155)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat (Blz. 157)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Handmatig verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Om verbinding te maken met een ander Bluetooth®-apparaat of wanneer
er niet automatisch verbinding kan worden gemaakt, kunt u hiermee
verbinding maken met geregistreerde Bluetooth®-apparaten.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er op het
multimediasysteem een zoekscherm voor apparaten weergegeven. Registreer
het Bluetooth®-apparaat.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee u
verbinding wilt maken.
Als het Bluetooth®-apparaat waarmee u verbinding wilt maken niet in het
submenu staat, registreer het Bluetooth®-apparaat dan.
4Kies [Connect] (verbinden) in
het hoofdgebied.
Als er al een ander apparaat is
aangesloten, wordt er mogelijk een
bevestigingsscherm weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste
keer mogelijk niet om verbinding te maken. Probeer in dit geval na een
poosje opnieuw verbinding te maken.
De verbinding met Bluetooth®-apparaten verbreken
De verbinding met aangesloten Bluetooth®-apparaten kan worden
verbroken via het multimediasysteem.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
153
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee de
verbinding moet worden verbroken.
4Kies [Disconnect]
(ontkoppelen) in het
hoofdgebied.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
154
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat in te stellen, krijgt dit
voorrang tijdens het automatisch verbinden.
De mobiele telefoon die u wilt instellen dient verbonden te zijn met het
multimediasysteem.
De bestuurder moet worden gespecificeerd om het primaire apparaat in
te stellen.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon die als primair apparaat van een andere gebruiker is
ingesteld, kan niet nogmaals worden ingesteld als primair apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens) in het submenu.
3Kies [Link devices]
(gekoppelde apparaten) of
[Change link devices] (wijzig
gekoppelde apparaten) in het
hoofdgebied.
Het scherm voor het zoeken van een
apparaat wordt weergegeven als er
geen mobiele telefoon beschikbaar is
die als primair apparaat kan worden
ingesteld. Zoek de mobiele telefoon
die moet worden ingesteld en registreer deze in het multimediasysteem. Zodra
het nieuwe apparaat is geregistreerd, kan het als primair apparaat worden
ingesteld.
4Selecteer de mobiele telefoon die als primair apparaat moet
worden ingesteld.
Verbreek de verbinding met het huidige gekoppelde Bluetooth®-apparaat en
koppel vervolgens het primaire en het secundaire apparaat.
Verwante onderwerpen
Automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten (Blz. 152)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
155
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 146)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
156
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat in te stellen als secundair apparaat, wordt
het apparaat als secundair apparaat ingesteld als er verbinding mee is
gemaakt.
Een Bluetooth®-apparaat kan niet tegelijkertijd als primair en secundair
apparaat worden ingesteld voor een bestuurder.
Er moet een Bluetooth®-apparaat met HFP-ondersteuning worden
verbonden met het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er een zoekscherm
voor apparaten weergegeven. Registreer een mobiele telefoon.
3Selecteer de mobiele telefoon die als secundair apparaat moet
worden ingesteld.
Als de in te stellen mobiele telefoon niet wordt weergegeven, registreer hem
dan.
4Kies [Set as secondary
device] (instellen als secundair
apparaat) in het hoofdgebied.
Dit verandert in [Remove secondary
device setting] (instelling secundair
apparaat verwijderen) als het
apparaat al is ingesteld als secundair
apparaat.
Verwante onderwerpen
Automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten (Blz. 152)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
157
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het verbinden
met een Wi-Fi®-netwerk of het gebruik van Wi-Fi®-hotspot via een mobiele
telefoon (tethering).
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische
apparaten
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht met betrekking tot
radiogolven tijdens Wi-Fi®-communicatie.
WAARSCHUWING
Gebruik Wi-Fi®-apparaten alleen wanneer dit veilig is en wettelijk toegestaan
is.
De Wi-Fi®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Wi-Fi®-antennes.
Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Wi-Fi®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op de werking van deze apparatuur.
Radiogolven kunnen onverwachte effecten hebben op de werking van
dergelijke medische apparatuur.
Gelijktijdig gebruik van Wi-Fi® en Bluetooth®
Wi-Fi® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband
volgens het best-effort-principe. Gelijktijdig gebruik van zowel Bluetooth®,
dat ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-frequentieband, als Wi-Fi® kan
onderlinge interferentie tot gevolg hebben.
Wat u moet weten over Wi-Fi®
INFORMATIE
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
Gebruik deze functie om verbinding te maken met een draagbaar apparaat.
Afhankelijk van de omgeving kan de verbinding met andere apparaten worden
verbroken.
De verbinding wordt verbroken als u buiten bereik van de Wi-Fi® komt.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
158
Wanneer de auto zich in de buurt bevindt van een radioantenne, radiozender
of andere bron van sterke radiogolven en elektromagnetische velden, kan de
communicatie traag verlopen of niet mogelijk zijn.
De communicatiesnelheid kan afnemen of het kan zelfs onmogelijk worden om
deze service te gebruiken in bepaalde gebruiksomgevingen (vanwege factoren
zoals de locatie van de draadloze antenne en eventuele draadloze apparaten
die in de buurt worden gebruikt).
Compatibele Wi-Fi®-communicatieprotocollen
IEEE 802.11b/g/n (2,4 GHz)
Compatibele beveiligingsprotocollen
WEP
WPA
WPA2
WPA3
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
246)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Statusiconen (Blz. 22)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 122)
Over de webbrowserfunctie (internet) (Blz. 342)
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
159
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi®
Het multimediasysteem kan met het internet worden verbonden via een
Wi-Fi®-netwerk.
INFORMATIE
Het ontvangstniveau wordt weergegeven aan de bovenzijde van het scherm.
Deze functie kan niet worden gebruikt als Apple CarPlay via een draadloze
verbinding actief is.
Bij sommige typen smartphones moet mogelijk elke keer opnieuw een
verbinding tot stand worden gebracht.
Als de Wi-Fi®-functie is ingeschakeld en er netwerken worden gesignaleerd,
zal er automatisch verbinding worden gemaakt. Hierbij krijgt het laatst
verbonden netwerk voorrang.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 122)
Verbinding maken met Wi-Fi® via een smartphone
Gebruik het volgende voorbeeld met handelingen voor het tot stand
brengen van een Wi-Fi®-verbinding met een smartphone die Wi-Fi®-
tethering ondersteunt. Raadpleeg bijvoorbeeld de handleiding van de
smartphone voor meer informatie over het instellen van tethering. Bij
sommige typen smartphones moet mogelijk elke keer opnieuw een
verbinding tot stand worden gebracht.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied in.
Afhankelijk van de instellingen
van het multimediasysteem kan er
een melding worden weergegeven.
Volg de aanwijzingen op het
scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen,
worden beschikbare netwerken in
de buurt weergegeven.
4Selecteer de naam van het netwerk die overeenkomt met de naam
die door de smartphone wordt uitgezonden.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-
adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
160
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke
6 seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet
mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk
apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het
netwerk de verbinding tot stand gebracht.
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding
maken is ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Een Wi-Fi®-verbinding tot stand brengen met een beschikbaar
netwerk
Maak via Wi-Fi® verbinding met internet vanaf een netwerk in de buurt.
Bevestig vooraf het wachtwoord van het te gebruiken netwerk.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied in.
Afhankelijk van de instellingen
van het multimediasysteem kan er
een melding worden weergegeven.
Volg de aanwijzingen op het
scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen,
worden beschikbare netwerken in
de buurt weergegeven.
4Kies het netwerk waar u verbinding mee wilt maken vanuit
[Available networks] (beschikbare netwerken) in het hoofdgebied.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-
adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke
6 seconden automatisch bijgewerkt.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
161
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet
mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk
apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
Kies [ ] voor het desbetreffende netwerk om de netwerkgegevens te
controleren.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het
netwerk de verbinding tot stand gebracht.
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding
maken is ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het
oudste verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Wi-Fi®-verbinding verbreken
De Wi-Fi®-verbinding kan worden verbroken door de Wi-Fi®-functie uit te
schakelen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het
hoofdgebied uit.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
162
Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Apple CarPlay en Android Auto zorgen ervoor dat sommige apps (zoals
kaart-, telefoon- en muziek-apps) door het multimediasysteem kunnen
worden gebruikt. Wanneer er verbinding is met Android Auto of Apple
CarPlay, worden ondersteunde apps weergegeven. Houd rekening met de
volgende informatie bij het gebruik van Apple CarPlay of Android Auto.
Installeer de Android Auto-app uit de Google Play Store om Android Auto
in uw auto te gebruiken.
Compatibele apparaten
Apple iPhone-apparaten die Apple CarPlay ondersteunen. (iOS versie
13.3 of hoger)
Ga naar https://www.apple.com/ios/carplay/ voor een overzicht van de
ondersteunde apparaten.*1
Android-apparaten die Android Auto ondersteunen.
Ga naar https://www.android.com/auto/ voor een overzicht van de
ondersteunde apparaten.*1
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de smartphone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan
hoog oplopen, waardoor de smartphone defect kan raken.
Druk niet op de smartphone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze
is aangesloten. De smartphone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de USB-aansluiting vrij van verontreinigingen. De smartphone of de
aansluiting kan beschadigd raken.
INFORMATIE
Gebruik voor USB-verbindingen een door de telefoonfabrikant geleverde USB-
kabel.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, wijzigen de
functies van sommige systeemtoetsen.
*1 : De werking is niet gegarandeerd.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
163
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
De volgende functies worden vervangen door vergelijkbare Apple CarPlay-
of Android Auto-functies of worden uitgeschakeld voor apparaten die zijn
verbonden met Apple CarPlay of Android Auto.
Bluetooth®-telefoon (alleen Apple CarPlay)
Bluetooth®-audio
Miracast® (alleen draadloos verbonden met Apple CarPlay)
De Bluetooth®-functie kan niet door het multimediasysteem worden gebruikt
wanneer er draadloos verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Wanneer Apple CarPlay of Android Auto wordt gestart terwijl Miracast® in
gebruik is, wordt Miracast® mogelijk gestopt.
Het volume van de stembegeleiding kan worden gewijzigd via het scherm voor
spraakinstellingen. Het kan ook worden gewijzigd met behulp van de knop
[PWRVOL].
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto van een
apparaat, kan Apple CarPlay of Android Auto van een ander apparaat niet
worden gebruikt.
Apple CarPlay en Android Auto zijn apps ontwikkeld door respectievelijk Apple
en Google. De functies en diensten die door aangesloten apparaten worden
geleverd, kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden verwijderd of
gewijzigd, omdat er wijzigingen worden aangebracht in het besturingssysteem,
de hardware en de software of de specificaties van Apple CarPlay of Android
Auto.
Raadpleeg de respectievelijke websites voor de apps die worden ondersteund
door Apple CarPlay of Android Auto.
Tijdens het gebruik van Apple CarPlay of Android Auto worden auto- en
gebruikersinformatie, zoals locatie en rijsnelheid, gedeeld met de uitgever van
de app en de mobiele-serviceprovider.
Wanneer u een app downloadt en gebruikt, betekent dit dat u instemt met de
gebruiksvoorwaarden.
Gegevens worden via internet verzonden; er kunnen kosten in rekening
worden gebracht. Neem voor informatie over datasnelheden contact op met
de mobiele-serviceprovider.
Afhankelijk van de app worden bepaalde functies, zoals het afspelen van
muziek, mogelijk beperkt.
Elke functie is een applicatie die wordt geleverd door het betreffende bedrijf
en kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd of opgeschort.
Raadpleeg de website voor de betreffende functie voor meer informatie.
Als het navigatiesysteem van de auto wordt gebruikt tijdens routebegeleiding
en een nieuwe route wordt ingesteld met behulp van de kaart-app van Apple
CarPlay of Android Auto, wordt de routebegeleiding via het navigatiesysteem
van de auto gestopt. Als de kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto
wordt gebruikt tijdens routebegeleiding en een nieuwe route wordt ingesteld
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
164
met behulp van het navigatiesysteem van de auto, wordt de routebegeleiding
via de kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto gestopt.
Apparaten die zijn verbonden via Apple CarPlay, kunnen geen gebruik maken
van de Bluetooth®-functies.
Apparaten die zijn verbonden via Android Auto, kunnen geen gebruik maken
van de Bluetooth®-functies, behalve de functie voor handsfree bellen.
Als de USB-kabel wordt losgenomen terwijl deze is aangesloten via USB, werkt
Apple CarPlay of Android Auto niet meer. De geluidsweergave stopt en het
scherm schakelt over naar het scherm van het multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling (Blz. 36)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/iPhone (Blz.
230)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple CarPlay
(Blz. 234)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Android Auto (Blz.
238)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
246)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 158)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 241)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
165
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde
smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een ongeregistreerde smartphone
aan te sluiten op het multimediasysteem. Voor geregistreerde smartphones
moet een andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
Siri is een handelsmerk van Apple Inc., geregistreerd in de VS en in
andere landen.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone (Blz. 169)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n 3 tot 6 seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
166
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Als de draadloze verbinding is ingesteld om te worden gebruikt op de
smartphone bij registratie via een USB-verbinding, wordt de draadloze
verbinding vanaf de volgende keer ingeschakeld.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden
verbonden via de draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
Het scherm voor het zoeken van een apparaat wordt weergegeven als er
geen smartphone is geregistreerd in het multimediasysteem. Ga naar stap 5.
4Kies [Add another device] (een ander apparaat toevoegen).
5Kies [If not found] (indien niet gevonden).
6Selecteer de te registreren smartphone.
7Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de
pincode die op de smartphone wordt weergegeven en kies
vervolgens [OK].
Volg de aanwijzingen op het scherm op.
8Als de Apple CarPlay-instellingen worden weergegeven, kies dan
[Yes] (ja).
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
167
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Het duurt mogelijk zo'n 3 tot 6 seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
9Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Spraakbediening starten (Blz. 64)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
168
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde
smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een geregistreerde smartphone
aan te sluiten op het multimediasysteem. Voor ongeregistreerde
smartphones moet een andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone (Blz.
166)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
Controleer of uw smartphone is verbonden met het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n 3 tot 6 seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
Controleer het onderstaande als het beginscherm van Apple CarPlay niet
wordt weergegeven:
Kies [ ] in het hoofdmenu.
Als [ ] van het hoofdmenu niet wordt weergegeven, selecteer dan
de smartphone waarop u Apple CarPlay wilt gebruiken en stel [Use for
Apple CarPlay] (gebruik voor Apple CarPlay) in op ON (aan).
Kies na controle van de 2 bovenstaande items [Connect] (koppelen) in de
Bluetooth®-instellingen om verbinding te maken met uw smartphone.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
169
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden
verbonden via de draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
Controleer of uw smartphone is verbonden met het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van de smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het
submenu.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
170
4Selecteer de smartphone waarop u Apple CarPlay wilt gebruiken
en stel [Use for Apple CarPlay] (gebruik voor Apple CarPlay) in op
ON (aan).
5Als uw smartphone niet is aangesloten, kies dan [Connect]
(koppelen) om uw smartphone aan te sluiten.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n 3 tot 6 seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
Als het beginscherm van Apple CarPlay niet wordt weergegeven, kies dan
[ ] in het hoofdmenu.
6Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden
gebruikt door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Apple CarPlay
opnieuw weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt
om Siri te starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met
Apple CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt
uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal
is ingesteld op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie
14.3 of hoger hebben.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
171
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
172
Gebruik van Android Auto
Android Auto kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van
een USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1Controleer of de Android Auto-app is geïnstalleerd op de aan te
sluiten smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Android Auto wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n 3 tot 6 seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is
mislukt, volg dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de
smartphone, volg dan deze bedieningsinstructies.
Controleer het onderstaande als het beginscherm van Android Auto niet
wordt weergegeven:
Kies [ ] in het hoofdmenu.
Als [ ] van het hoofdmenu niet wordt weergegeven, selecteer dan
de smartphone waarop u Android Auto wilt gebruiken en stel [Use for
Android Auto] (gebruik voor Android Auto) in op ON (aan).
Kies na controle van de 2 bovenstaande items [Connect] (koppelen) in de
Bluetooth®-instellingen om verbinding te maken met uw smartphone.
3Bedien Android Auto.
Apps die Android Auto ondersteunen,
kunnen worden gebruikt door de app
te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om
het beginscherm van Android Auto
opnieuw weer te geven.
[ ]
Start Google Assistant.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Android Auto, de spraaktoets ingedrukt om
Google Assistant te starten. Druk kort op de spraaktoets om te annuleren.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
173
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
174
Als er mogelijk een storing aanwezig is in Apple CarPlay of
Android Auto
Raadpleeg bij problemen met Apple CarPlay of Android Auto eerste de
volgende tabel.
Verschijnsel Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto
start niet op.
Controleer of de aan te sluiten smartphone
Apple CarPlay of Android Auto ondersteunt.
Controleer of Apple CarPlay of Android Auto
is ingeschakeld op de smartphone.
Controleer of de Android Auto-app is
geïnstalleerd op de aan te sluiten
smartphone.
Zie de volgende URL voor meer informatie.
Apple CarPlay: https://www.apple.com/ios/
carplay/
Android Auto: https://www.android.com/
auto/
Controleer of de Apple CarPlay- of Android
Auto-functie op de geregistreerde smartphone
is ingeschakeld in het multimediasysteem.
Als een USB-kabel wordt gebruikt voor het
aansluiten, controleer dan of de kabel goed
is aangesloten op de smartphone en de USB-
aansluiting. Sluit de smartphone rechtstreeks
aan op de USB-aansluiting. Gebruik geen
USB-hub.
Zorg ervoor dat de juiste USB-aansluiting
wordt gebruikt om verbinding te maken
met Apple CarPlay en Android Auto. Een
USB-aansluiting die uitsluitend is bedoeld
voor opladen kan niet worden gebruikt voor
smartphone-apps.
Controleer het volgende voor een draadloze
verbinding met Apple CarPlay.
Controleer of de smartphone via
Bluetooth® verbonden kan worden met het
multimediasysteem.
Controleer of de smartphone zo is ingesteld
dat hij Wi-Fi® kan gebruiken.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
175
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verschijnsel Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto
start niet op.
Apple CarPlay: Controleer of de Lightning-
kabel die wordt gebruikt, door Apple is
gecertificeerd.
Controleer of Siri is ingeschakeld.
Met een USB-kabel die uitsluitend is bedoeld
voor opladen kan de verbindingsfunctie voor
een smartphone niet worden gebruikt.
Gebruik een kabel die gegevens kan
versturen. Sommige kabels worden mogelijk
niet ondersteund.
Hieronder worden de aanbevolen eisen voor
de USB-kabel weergegeven.
iPhone: Gebruik een officiële USB-kabel
van Apple of een USB-kabel die Apple MFi
gecertificeerd is.
Android: Gebruik een kabel van maximaal
1,8 m en gebruik geen verlengkabel.
Gebruik een kabel met het USB-logo .
Als de verbindingsfunctie voor een
smartphone eerst wel werkte maar nu
niet meer, dan kan het probleem mogelijk
verholpen worden door de USB-kabel te
vervangen.
Maak, als al het bovenstaande is
gecontroleerd, verbinding met Apple CarPlay
of Android Auto.
Wanneer een Apple CarPlay-/
Android Auto-verbinding tot stand
is gebracht en een video wordt
afgespeeld, wordt de video niet
weergegeven, maar is er wel
geluid te horen via het systeem.
Aangezien het systeem niet is ontworpen voor
het afspelen van video via Apple CarPlay/
Android Auto, duidt dit niet op een storing.
Er is geen geluid te horen.
Mogelijk is het geluid van het systeem
uitgeschakeld of is het volume te
laag. Verhoog het volume op het
multimediasysteem.
Zorg ervoor dat door Apple ondersteunde
apps worden gebruikt voor Apple CarPlay
en door Google ondersteunde apps voor
Android Auto. Bij het afspelen van muziek via
een webbrowser is het geluid niet of niet goed
te horen.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
176
Verschijnsel Oplossing
Het scherm knippert en er is ruis
hoorbaar.
Controleer of de op het multimediasysteem
aangesloten USB-kabel beschadigd is. Sluit,
om te controleren of de USB-kabel inwendig
beschadigd is, de smartphone aan op een
ander systeem, zoals een pc, en controleer of
het opladen begint en of de smartphone wordt
herkend door het systeem.
Vervang de USB-kabel door een andere
kabel.
De kaartweergave van de kaart-
app van Apple CarPlay kan niet
worden vergroot of verkleind.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar
af bewegen wordt niet ondersteund voor de
kaart-app van Apple CarPlay.
Het Apple CarPlay-scherm wordt
in het midden weergegeven en
neemt niet het hele scherm in
beslag.
De volledige-schermmodus wordt
ondersteund op iOS versie 10 of hoger.
Update naar de nieuwste iOS-versie.
Als tijdens het gebruik van een
muziekapp van Apple CarPlay
(zoals Apple Music of Spotify)
een app die niet compatibel
is met Apple CarPlay(1) op de
iPhone wordt gestart en er
geluid hoorbaar is, en vervolgens
het volume wordt gewijzigd op
het multimediasysteem, stopt het
geluid van de niet-compatibele
app en hervat het systeem
het afspelen van de originele
muziekapp.
Deze werking is overeenkomstig de
specificaties van het multimediasysteem en
duidt niet op een storing.
Als tijdens het afspelen van audio
op het multimediasysteem (bijv.
FM) audio wordt weergegeven
vanaf een app die niet compatibel
is met Apple CarPlay, keert
het systeem niet terug naar de
originele audiobron.
Deze werking is overeenkomstig de
specificaties van het multimediasysteem en
duidt niet op een storing. Wijzig de audiobron
handmatig. U kunt ook het gebruik van
apps die niet compatibel zijn met Apple
CarPlay(1) vermijden. Sommige navigatieapps
zijn compatibel vanaf versie iOS 12. Update
iOS en apps naar de nieuwste versies.
Bij gebruik van Apple CarPlay
worden de routebegeleidingspijl
en de Turn-by-Turn navigatie
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay.
Deze functie wordt mogelijk niet
weergegeven, afhankelijk van de specificaties
van het multi-informatiedisplay of de gebruikte
kaart-app.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
177
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verschijnsel Oplossing
Bij gebruik van Android Auto
wordt de routebegeleidingspijl
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay.
Deze functie wordt mogelijk niet
weergegeven, afhankelijk van de specificaties
van het multi-informatiedisplay of de gebruikte
kaart-app.
Bij gebruik van Android Auto
wordt de Turn-by-Turn navigatie
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay of het scherm
van het multimediasysteem.
Dit duidt niet op een storing aangezien de
weergave van deze items niet mogelijk is bij
deze functie.
Bij gebruik van Android Auto is
het geluid bij handsfree bellen niet
hoorbaar via de luidsprekers van
de auto.
Beëindig het huidige gesprek.
Verwijder de USB-kabel van de smartphone
en probeer handsfree te bellen. Controleer of
er nu geluid hoorbaar is.
Verhoog het volume op het
multimediasysteem en controleer of het geluid
van het handsfree gesprek hoorbaar is.
Probeer een andere smartphone. Controleer
of er nu geluid hoorbaar is.
(1) "Apps die niet compatibel zijn met Apple CarPlay" zijn op de iPhone
geïnstalleerde apps die niet worden weergegeven in het overzicht met apps
op het Apple CarPlay-scherm.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling (Blz. 36)
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat (Blz. 151)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen (Blz. 25)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
178
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten
die gebruikmaken van
Wi-Fi®................................ 180
Connected Navigation (met
geïntegreerd
navigatiesysteem).............. 182
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor
een punt............................. 183
Scherm met kaartopties....... 184
Weergeven van POI-iconen. 185
Kaartinstellingen .................. 187
Snelwegmodus .................... 191
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een
bestemming ....................... 192
Scherm voor zoeken van
bestemming ....................... 193
Scherm met een overzicht
van de zoekresultaten........ 196
Toevoegen van een
tussenpunt ......................... 197
Bestemmingen instellen
vanaf uw smartphone ........ 198
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route................................... 200
Een demo van de
routebegeleiding bekijken .. 202
Wijzigen van route-opties .... 203
Wijzigen van de route .......... 204
Punten om langs te rijden
instellen op een route ........ 205
Tussenpunten bewerken...... 206
4-5. Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm ... 207
Rijstrookweergaveschermen 208
Opnieuw zoeken van een
route................................... 210
Specifieke
stembegeleidingstermen.....211
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied.................. 212
179
4
Navigatie
Navigatiesysteem
Over het gebruik van aanvullende kaartdiensten die
gebruikmaken van Wi-Fi®
Diensten die gebruikmaken van Wi-Fi® (hierna “diensten” genoemd)
kunnen gratis worden gebruikt gedurende een bepaalde periode*1 die
begint zodra de auto waarin dit multimediasysteem is geïnstalleerd nieuw
wordt afgeleverd.
*1: De exacte einddatum kan worden gecontroleerd op het
instellingenscherm van het navigatiesysteem. Raadpleeg het
instellingenscherm van het navigatiesysteem voor meer informatie.
Neem contact op met uw Lexus-dealer als u de diensten ook na deze
datum wilt blijven gebruiken.
Deze diensten omvatten ook de volgende diensten van derden.
File-informatie: Het tijdstip waarop de auto is verbonden, en positie-informatie
wordt verzonden naar TomTom Global Content B.V. (hierna “TomTom”
genoemd). Op basis van de ontvangen informatie verstrekt TomTom online
diensten, waaronder de file-informatie die wordt weergegeven op dit
multimediasysteem.
Informatie over voorzieningen en POI's in de omgeving: Zoekopdrachten naar
namen van voorzieningen en positie-informatie worden verstuurd naar HERE
Global B.V. (hierna “HERE” genoemd). Op basis van de ontvangen informatie
verstrekt HERE online diensten, waaronder de informatie over voorzieningen
en POI's in de omgeving die wordt weergegeven op dit multimediasysteem.
Om gebruik te maken van deze diensten dient u na het verbinden
van het multimediasysteem met Wi-Fi® en het bevestigen van de
voorzorgsmaatregelen, het privacybeleid en/of de gebruiksvoorwaarden
van elke aanbieder van diensten*2 die op het scherm worden
weergegeven, op [Agree] (akkoord) te drukken op het pop-upscherm.
*2: Raadpleeg de volgende websites voor de gebruiksvoorwaarden van
de desbetreffende aanbieder.
TomTom https://www.tomtom.com/en_gb/legal/eula-automotive/
https://www.tomtom.com/en_us/privacy/
HERE https://legal.here.com/terms/
https://legal.here.com/privacy/policy
Toyota Motor Corporation en haar gelieerde ondernemingen geven geen
garantie voor de werking, kwaliteit of nauwkeurigheid van de verstrekte
informatie, en geven geen andere garanties met betrekking tot deze
diensten, en zijn niet aansprakelijk voor enige schade aan de gebruiker
veroorzaakt door de inhoud van, vertragingen in of onderbreking
4-1. Navigatiesysteem
180
van deze diensten. Diensten die via dit multimediasysteem worden
aangeboden kunnen zonder aankondiging worden gewijzigd, gestopt of
onderbroken.
4-1. Navigatiesysteem
181
4
Navigatie
Connected Navigation (met geïntegreerd navigatiesysteem)
Aangezien het apparaat in de auto navigatiekaartgegevens heeft, gebruikt
deze service deze in gebieden waar het niet mogelijk is om met het Toyota
Service Center te communiceren en geeft deze de navigatiekaart van de
auto weer en zoekt het naar routes. Wanneer de auto in een gebied met
goed bereik komt, wordt automatisch de communicatie met het LEXUS
Connect Center gestart en geeft de Connected Navigation de kaart weer
en zoekt deze naar routes.
INFORMATIE
Wanneer een bestemming is ingesteld, wordt er door het LEXUS Connect
Center automatisch een route gezocht. Routes die vanuit het LEXUS Connect
Center zijn verstuurd, worden aangegeven met [ ].
Als er geen LEXUS Connect Center-abonnement is afgesloten, is het
navigatiesysteem van de auto beschikbaar voor het weergeven van de kaart
en routebegeleiding.
4-1. Navigatiesysteem
182
Kaartinformatie
Informatie weergeven voor een punt
U kunt informatie met betrekking tot een geselecteerd punt of POI op het
kaartscherm bekijken.
1Kies de POI of houd uw vinger op het gewenste punt.
Als het gewenste punt wordt geselecteerd, wordt het adres van dat punt
weergegeven. Kies [ ] om het geselecteerde punt als favoriet te registreren.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u het
geselecteerde punt als favoriet
registreren.
BGeeft het adres van het
geselecteerde punt weer.
CHiermee kunt u het bij de POI
geregistreerde telefoonnummer
bellen.
DAls er op hetzelfde punt
meerdere POI's zijn, wordt er een lijst met POI's weergegeven.
Kies een POI om de bijbehorende informatie weer te geven. U kunt de
weergegeven informatie wijzigen door [ ] of [ ] te kiezen.
EHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en de
routebegeleiding starten.
FHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en het kaartscherm
met de volledige route weergeven. Als er al een andere bestemming is
ingesteld, kunnen bestemmingen als tussenpunten worden toegevoegd.
4-2. Kaartinformatie
183
4
Navigatie
Scherm met kaartopties
U kunt de informatie die op de kaart wordt weergegeven, zoals POI-iconen
en verkeersinformatie, instellen.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest]
(interessante plaatsen) of
[Display map] (kaart tonen).
ADe op de kaart weergegeven
POI-iconen kunnen worden
ingesteld.
BDe op de kaart weergegeven
informatie kan worden ingesteld.
Verwante onderwerpen
Weergeven van POI-iconen (Blz. 185)
Kaartinstellingen (Blz. 187)
4-2. Kaartinformatie
184
Weergeven van POI-iconen
POI-iconen, bijvoorbeeld voor een restaurant, kunnen op de kaart worden
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies de POI die u op het
kaartscherm wilt weergeven.
Kies [Edit POI] (bewerken POI) om
een ander dan het weergegeven
genre POI in te stellen.
INFORMATIE
POI's die niet in de kaartgegevens zijn opgenomen, kunnen niet worden
weergegeven.
Als de schaal van de kaart is ingesteld op meer dan 1 km, worden er geen
POI's weergegeven.
Alleen POI's die zich binnen een straal van ongeveer 10 km van het
merkteken voor de actuele locatie [ ] of [ ] bevinden, kunnen worden
weergegeven (maximaal 200 POI's).
Wanneer de schaal van de kaart is ingesteld op 800 m of lager, wordt
in plaats van een opeengepakte weergave van alle POI's waarvan de
categorie(ën) is/zijn ingesteld om te worden weergegeven, een POI-icoon
in een gebied weergegeven als een representatieve afbeelding. (Hierdoor
zijn wegen op de kaart beter te zien.)
Het weergegeven icoon toont het aantal POI's dat het vertegenwoordigt in
de rechter bovenhoek van het icoon (bijvoorbeeld: [ ]). Kies het icoon
om alle POI's weer te geven.
De weergave van nabijgelegen POI's kan ook worden ingesteld op het
scherm voor gedetailleerde navigatie-instellingen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 103)
Instellen van weergegeven POI-iconen
Het wijzigen van opties is tijdens het rijden beperkt.
4-2. Kaartinformatie
185
4
Navigatie
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies [Edit POI] (bewerken POI).
4Kies de geregistreerde POI die u wilt vervangen.
5Kies een nieuwe POI die u wilt registreren.
4-2. Kaartinformatie
186
Kaartinstellingen
De verkeersinformatie, enz. kan op het kaartscherm worden weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart
tonen).
AHiermee kunt u de weergave van
de verkeersinformatie wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
BHiermee kunt u de weergave van
dichtbij op de straat parkeren
wijzigen tussen weergegeven/
verborgen.*1
CHiermee kunt u de weergave van
afslagen op de snelweg wijzigen tussen weergegeven/verborgen.
DHiermee kunt u de weergave van de gereden route (traceer route) wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
Wanneer dit wordt gewijzigd naar verborgen, wordt er een pop-up
weergegeven waarin wordt gevraagd om het verwijderen van opgeslagen
informatie te bevestigen.
EHiermee kunt u de weergave van de flitscamera wijzigen tussen
weergegeven/verborgen.*1
FHiermee kunt u de kaartweergave wijzigen tussen de normale kaart, de
kompaskaart en de weerkaart.
Verwante onderwerpen
Op straat parkeren (Blz. 187)
Weergeven van de gereden route (routetracé) (Blz. 188)
Flitscamera's (Blz. 188)
Verkeersinformatie (Blz. 189)
Op straat parkeren*1
Als [On street parking] (op straat parkeren) is ingeschakeld in de
kaartinstellingen, worden de parkeermogelijkheden op straat in de
buurt van de auto getoond. Als deze instelling uit staat, worden de
parkeermogelijkheden op straat in de buurt van de bestemming getoond.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
4-2. Kaartinformatie
187
4
Navigatie
Kies [ ] op het kaartscherm.
Informatie over parkeren op straat
wordt getoond op de kaart. De
weergegeven kleur is afhankelijk
van de beschikbare hoeveelheid
parkeerplaatsen.
Informatie over parkeren op straat wordt niet getoond als de schaal van
de kaart 1:5000 of meer is (1 cm = 50 m).
Weergeven van de gereden route (routetracé)
Ongeveer 1000 km van een gereden route kan worden opgeslagen en
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Route trace] (gereden route).
INFORMATIE
Als de opgeslagen gereden afstand de limiet overschrijdt, wordt het oudste
routetracé gewist en het nieuwe routetracé opgeslagen.
De gereden route kan worden weergegeven op een kaartschaal tussen
1:2.500 en 1:5.120.000.
Verwante onderwerpen
Kaartinstellingen (Blz. 187)
Flitscamera's*1
Flitscamera's kunnen als iconen worden weergegeven op de kaart.
4-2. Kaartinformatie
188
ALocatie van een flitscamera op de
kaart.
BGeeft informatie weer over het
icoon van en de afstand tot de
flitscamera.
INFORMATIE
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de
schaal van de kaart.
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de
beschikbare kaartgegevens.
De weergave van bovenstaande items kan worden uitgeschakeld.
Afhankelijk van de contentmanagementvoorwaarden, wordt de actuele locatie
van camera's mogelijk niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding (Blz. 109)
Verkeersinformatie
Verkeersinformatie kan worden ontvangen via IP-Traffic en worden
weergegeven op het kaartscherm.
Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u een actieve
gebruiksovereenkomst voor LEXUS Connect Center of een wifi®-verbinding
hebben.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Traffic] (verkeer).
De verkeersinformatie wordt op het
kaartscherm weergegeven.
Door middel van iconen worden
verkeerssituaties als
wegwerkzaamheden en
ongevallen getoond.
Pijlen geven de richting van de file
aan. De kleur is afhankelijk van de
snelheid.
Druk op het icoon om meer informatie over de verkeerssituatie weer te geven.
4-2. Kaartinformatie
189
4
Navigatie
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
4-2. Kaartinformatie
190
Snelwegmodus
Als u een autosnelweg oprijdt, wordt automatisch de snelwegmodus
weergegeven.
AHiermee kunt u de afstand vanaf
de actuele locatie van de auto
weergeven.
BHiermee kunt u maximaal 8 POI's
voor een faciliteit weergegeven.
Als er meer dan 8 POI's
zijn, wordt een merkteken
weergegeven dat aangeeft dat
er niet-weergegeven POI's zijn.
CHiermee kunt u, als de weergegeven sectie van de route gewijzigd is,
op de kaart terugkeren naar de sectie waarop op dat moment gereden
wordt.
4-2. Kaartinformatie
191
4
Navigatie
Zoeken van bestemming
Zoeken van een bestemming
U kunt een bestemming zoeken en instellen op het scherm voor het zoeken
van een bestemming.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Het scherm voor het
zoeken van een bestemming
wordt weergegeven. Kies de
gewenste zoekmethode.
3Het scherm met een overzicht van de zoekresultaten wordt
weergegeven. Kies in het overzicht het item dat u als bestemming
wilt instellen.
Als er al een bestemming is ingesteld, kies dan [New destination] (nieuwe
bestemming) (een nieuwe bestemming instellen) of [Add to route] (aan
route toevoegen).
Wanneer u gebruikmaakt van Connected Navigation, kunt u ook
bestemmingen zoeken met behulp van content in de cloud.
Verwante onderwerpen
Tussenpunten bewerken (Blz. 206)
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord (Blz. 71)
4-3. Zoeken van bestemming
192
Scherm voor zoeken van bestemming
AHiermee kunt u zoeken met
behulp van een locatienaam,
adres of telefoonnummer.
BHiermee kunt u de tekstcursor
verplaatsen.
CHiermee kunt u een overzicht van
het gebied rondom alle als favoriet
geregistreerde punten weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als
een punt als favoriet is geregistreerd.
DHiermee kunt u een overzicht met punten uit de
bestemmingengeschiedenis (eerder ingestelde bestemmingen)
weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als er een bestemmingengeschiedenis
is.
EHiermee kunt u een overzicht weergeven van de bestemmingen van het
routeplan die u vooraf vanaf een smartphone hebt verzonden.
FHiermee kunt u het zoeken van een route starten met uw huis als
bestemming.
Als er geen thuis is geregistreerd, kunt u dit alsnog doen door [ ] te
kiezen.
GAls de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het
kaartscherm met de volledige route weergegeven. Kies [Go] om direct
de routebegeleiding te starten.
Verwante onderwerpen
Zoeken via het invoeren van karakters (Blz. 193)
Zoeken in de bestemmingengeschiedenis (Blz. 195)
Zoeken via routeplan (Blz. 195)
Instellen van thuis als bestemming (Blz. 194)
Instellen van een favoriet als bestemming (Blz. 194)
Zoeken via het invoeren van karakters
Er kan een bestemming worden gezocht door een locatienaam, adres of
telefoonnummer in te voeren.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
4-3. Zoeken van bestemming
193
4
Navigatie
2Kies [Where to? (POI, Street, Town etc.)] (Waarheen? POI, straat,
plaats, enz.).
3Voer de locatienaam, het adres, het telefoonnummer, enz. in en
kies [Go] (ga).
Bij elk ingevoerd karakter worden mogelijke bestemmingen gezocht en
weergegeven.
Overeenkomstig de ingevoerde karakters en op basis van eerder
gezochte termen, de bestemmingengeschiedenis en de favorieten, worden
voorspellende zoektermen weergegeven.
Als een zoekopdracht geen resultaten oplevert vanwege een eventuele
typefout, wordt een mogelijk correcte zoekterm weergegeven.
Als het aantal ingevoerde karakters de karakterlimiet overschrijdt, worden de
overtollige karakters verwijderd.
Verwante onderwerpen
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Instellen van thuis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
3Beweeg de kaart naar de locatie die u wilt registreren en kies [OK].
Instellen van thuis als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
Kies [Start] om onmiddellijk de routebegeleiding te starten.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 112)
Instellen van een favoriet als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies de gewenste favoriet.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
4-3. Zoeken van bestemming
194
INFORMATIE
Geregistreerde favoriete punten kunnen ook worden gezocht door hun naam
in te voeren.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten (Blz. 112)
Zoeken in de bestemmingengeschiedenis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Recents] (recent).
3Kies de gewenste bestemming uit de bestemmingengeschiedenis.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
Zoeken via routeplan
Wanneer een routeplan (bestemming, vertrektijd, enz.) is ingesteld met
een smartphone, wordt het navigatiesysteem van de auto op de hoogte
gebracht van het routeplan nadat de bestuurder is ingestapt en kan er
een bestemming worden ingesteld door het geregistreerde routeplan te
selecteren.
Er moet een bestuurder zijn geregistreerd om deze functie te gebruiken.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Trips] (ritten).
3Kies het gewenste routeplan.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
INFORMATIE
Het is ook mogelijk om de door het navigatiesysteem van de auto ingestelde
bestemmingsinformatie over te brengen naar een navigatie-app op de
smartphone.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
4-3. Zoeken van bestemming
195
4
Navigatie
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten
Als er bij het zoeken naar een bestemming meerdere zoekresultaten zijn,
wordt er een bestemminglijst weergegeven.
AHiermee kunt u terugkeren naar
het vorige scherm.
BGeeft de invoerkarakters voor de
zoekopdracht weer.
CHiermee kunt u de zoekopties
weergeven.
DGeeft een lijst met zoekresultaten
weer.
Potentiële bestemmingen binnen
een locatie worden ook weergegeven.
Potentiële bestemmingen binnen een locatie worden ook
weergegeven.
EGeeft de locatie van de items in de op dat moment weergegeven lijst op
de kaart weer.
Als na het scrollen van de kaart [Search this area] (zoek in dit
gebied) wordt gekozen, kan er een bestemming worden gezocht
binnen het gebied waar u naartoe bent gescrold.
Zoekopties
Het weergegeven bereik en de volgorde van de lijst met zoekresultaten
kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] op het scherm met een overzicht van de zoekresultaten.
2Stel de zoekopties in.
3Kies [OK] om het wijzigen van de instellingen te voltooien.
4-3. Zoeken van bestemming
196
Toevoegen van een tussenpunt
Als er al een bestemming is ingesteld, kunnen nieuwe bestemmingen
worden toegevoegd als tussenpunten.
Een bestemming zoeken terwijl er al een bestemming is ingesteld.
Er wordt een melding weergegeven wanneer u een bestemming probeert in te
stellen.
[New destination] (nieuwe bestemming): Wis de huidige ingestelde
bestemming en laat een route naar de nieuwe bestemming berekenen.
[Add to route] (aan route toevoegen): Voeg het geselecteerde punt toe als
tussenpunt en laat een route naar de bestemming berekenen.
INFORMATIE
Een tussenpunt kan worden toegevoegd door een willekeurig punt op het
kaartscherm aan te raken.
Er kunnen maximaal 10 bestemmingen, inclusief tussenpunten, worden
ingesteld.
Het laatst toegevoegde tussenpunt wordt ingesteld als de eerste
bestemming. De volgorde van de bestemmingen kan worden gewijzigd door
de tussenpunten te bewerken.
Verwante onderwerpen
Zoeken van een bestemming (Blz. 192)
Tussenpunten bewerken (Blz. 206)
4-3. Zoeken van bestemming
197
4
Navigatie
Bestemmingen instellen vanaf uw smartphone
NaviBridge
NaviBridge* is een “Send To Car”-app die gemakkelijk bestemmingen
waarnaar is gezocht met behulp van trefwoorden en een groot aantal
compatibele apps op uw smartphone naar het navigatiesysteem van uw
auto kan sturen en deze automatisch kan instellen als bestemming voor de
navigatie.
NaviBridge (voor iOS/Android) kan gratis worden gedownload.
Raadpleeg de volgende website voor meer informatie, zoals
downloadmethoden.
Ondersteuningssite NaviBridge: https://www.navicon.com/navibridge/
support
Verbindingsmethoden:
Verbindingsmethode iOS-apparaat Android-apparaat
Bluetooth® (draadloos)
USB (bedraad) ×
4-3. Zoeken van bestemming
198
Beschikbare functies:
Instellen
bestemming
Meerdere
bestemmingen
Bediening
kaartscherm
Locaties delen met
vrienden
× ×
*NaviBridge is een geregistreerd handelsmerk van DENSO Corporation.
4-3. Zoeken van bestemming
199
4
Navigatie
Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige route
Nadat een bestemming is ingesteld, wordt het kaartscherm met de
volledige route weergegeven. Op het kaartscherm met de volledige route
kan de gewenste route worden geselecteerd of kan de route-informatie
worden bekeken.
AGeeft de naam of het adres van de bestemming weer.
BHiermee kunt u de bestemming als favoriet registreren.
CGeeft het actuele weer op de bestemming weer.*1
DGeeft de afstand, de reistijd en de geschatte aankomsttijd vanaf het
beginpunt tot de bestemming weer.
Wanneer er meerdere bestemmingen zijn ingesteld, kunt u hiermee
een overzicht met de geschatte aankomsttijd voor elke bestemming
weergeven.
EHiermee kunt u de route-opties weergeven.
FHiermee kunt u de stembegeleiding dempen.
GHiermee kunt u extra informatie over de bestemming weergeven.
HHiermee kunt u informatie met betrekking tot rijbeperkingen weergeven.
Als er op een route rijbeperkingen (milieuzone of trajecten waar een
milieusticker vereist is) gelden, kan meer informatie hierover worden
bekeken. Informatie over beperkingen kan worden gewijzigd door [ ]
of [ ]te kiezen.
IHiermee kunt u een andere route selecteren.
JHiermee kunt u de routebegeleiding starten. Houd uw vinger op deze
toets om een demo van de routebegeleiding naar de bestemming te
starten.
KHiermee kunt u de gewenste andere route dan de huidige
navigatieroute selecteren.
Selecteer uit de onderstaande drie routes: aanbevolen route,
snelste route en route met algemene wegvoorkeur. Standaard is de
aanbevolen route geselecteerd.
*1 : Deze functie wordt weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
4-4. Instellen bestemming
200
Verwante onderwerpen
Route-instellingen (Blz. 106)
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten (Blz. 196)
Een demo van de routebegeleiding bekijken (Blz. 202)
Wijzigen van route-opties (Blz. 203)
Wijzigen van de route (Blz. 204)
Tussenpunten bewerken (Blz. 206)
4-4. Instellen bestemming
201
4
Navigatie
Een demo van de routebegeleiding bekijken
Alvorens de routebegeleiding te starten kan een demo van de
routebegeleiding worden bekeken.
Houd [Go] (ga) op het scherm met de volledige route ingedrukt.
Kies [ ] of begin te rijden om de demo te beëindigen.
4-4. Instellen bestemming
202
Wijzigen van route-opties
De zoekcriteria voor routes kunnen worden gewijzigd, bijvoorbeeld om
routes met tolwegen en autosnelwegen te vermijden.
1Kies [Route options] (route-opties) op het kaartscherm met de
volledige route.
2Wijzig de instelling voor het
item om de gewenste conditie
in te stellen.
AHiermee kunt u wisselen tussen
vermijden/niet vermijden van
specifieke typen wegen. Bij
de routebegeleiding worden de
typen wegen vermeden die zijn
ingeschakeld.
BHiermee kunt u de volgorde van
ingestelde tussenpunten wijzigen.
CHiermee kunt u tussenpunten op de route toevoegen, verwijderen of
wijzigen.
Verwante onderwerpen
Punten om langs te rijden instellen op een route (Blz. 205)
Tussenpunten bewerken (Blz. 206)
4-4. Instellen bestemming
203
4
Navigatie
Wijzigen van de route
Er kan een gewenste route worden gekozen uit verschillende soorten
routes.
1Kies [Alt route] op het kaartscherm met de volledige route.
2Selecteer de gewenste route en kies [OK].
INFORMATIE
Nieuwe alternatieve routes worden achtereenvolgens weergegeven.*1
De route kan worden gewijzigd door deze direct op het kaartscherm met
de volledige route aan te raken.
*1 : Deze functie wordt alleen weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
4-4. Instellen bestemming
204
Punten om langs te rijden instellen op een route
Nadat een bestemming is ingesteld, kunt u punten om langs te rijden op
een route instellen.
1Kies [ ] op het instelscherm
voor tussenpunten.
2Kies het punt dat u als tussenpunt wilt toevoegen op de kaart en
kies [OK].
[ ]: Wis het desbetreffende tussenpunt.
4-4. Instellen bestemming
205
4
Navigatie
Tussenpunten bewerken
Tussenpunten kunnen worden verwijderd of de volgorde kan worden
gewijzigd.
1Kies [Move up] (omhoog) of
[Move down] (omlaag) om de
volgorde van de tussenpunten
te wijzigen.
[ ]: Wis het desbetreffende
tussenpunt.
2Kies [OK].
Verwante onderwerpen
Zoeken van een bestemming (Blz. 192)
4-4. Instellen bestemming
206
Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm
Tijdens de routebegeleiding wordt op relevante punten, zoals kruispunten
en knooppunten, eenvoudig te begrijpen gesproken en visuele begeleiding
geboden.
AGeeft de afstand en de geschatte aankomsttijd vanaf de actuele locatie
van de auto naar de bestemming weer.
Als er van de route is afgeweken, wordt de geschatte aankomsttijd niet
weergegeven. In plaatst daarvan wordt de rechtstreekse afstand tot de
bestemming weergegeven.
Hiermee kunt u het kaartscherm met de volledige route weergeven.
BGeeft de afstand tot de volgende afslag en de richting van de afslag
weer.
Hiermee kunt u een wegenoverzicht tot aan de bestemming weergeven.
CGeeft de route naar de bestemming weer.
Raadpleeg het instellen van de kaartweergave voor meer informatie
over het instellen van de weergavekleur van de route.
DGeeft het dichtstbijzijnde kruispunt/knooppunt weer dat tijdens de
routebegeleiding moet worden gepasseerd of waar moet worden
afgeslagen.
EHiermee kunt u de routebegeleiding beëindigen. Wanneer er
meerdere bestemmingen zijn ingesteld, kies dan [Delete destination]
(bestemming wissen) om alle bestemmingen te wissen en de
routebegeleiding te beëindigen of kies [Delete next destination]
(volgende bestemming wissen) om alleen de volgende bestemming te
wissen en door te gaan met de routebegeleiding.
Als de route niet kan worden gezocht, wordt er een melding
weergegeven op het scherm.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen (Blz. 103)
Rijstrookweergaveschermen (Blz. 208)
4-5. Routebegeleiding
207
4
Navigatie
Rijstrookweergaveschermen
Wanneer tijdens de routebegeleiding een kruising/knooppunt wordt
genaderd waar moet worden afgeslagen, wordt er een vergrote weergave
van de kruising weergegeven.
Vergrote weergave van kruispunt
Er wordt kruispuntenbegeleiding gegeven wanneer u een kruispunt nadert
waarop u moet afslaan. Net voor het kruispunt verschijnt tevens een
vergrote weergave van het kruispunt.
AHiermee kunt u de namen van
wegen die u passeert of waarop
u afslaat weergeven.
BHiermee kunt u de afstand vanaf
de actuele locatie weergeven.
CHiermee kunt u de vergrote
weergave van het kruispunt
sluiten.
DGeeft een balk met de nog af te
leggen afstand tot het begeleidingspunt weer.
INFORMATIE
De weergave van de rijstrookinformatie en de naam van het kruispunt
verschijnen niet bij kruispunten waarover geen informatie beschikbaar is in de
kaartgegevens.
De vergrote weergave van het kruispunt wijkt mogelijk af van het werkelijke
kruispunt.
Direct na het starten van de routebegeleiding wordt er mogelijk geen
kruispuntenbegeleiding gegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt mogelijk vroeger of later.
Als zich kruispunten waarop u moet afslaan dicht bij elkaar bevinden, wordt de
vergrote weergave van het kruispunt continu weergegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt voor kruispunten waarop u
moet afslaan. Er wordt geen kruispuntenbegeleiding gegeven voor kruispunten
vóór het kruispunt waarop u moet afslaan.
De resterende afstand die wordt weergegeven op de vergrote weergave van
het kruispunt wijkt mogelijk af van de weergave op het multi-informatiedisplay.
De vergrote weergave van het kruispunt op het display van het
navigatiesysteem wijkt mogelijk af van de weergave op het multi-
informatiedisplay.
4-5. Routebegeleiding
208
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding (Blz. 109)
3D-overzichtsweergave
Om een naderende afslag te verduidelijken kan er tijdens de
routebegeleiding een vergrote weergave in 3D worden getoond van het
kruispunt.
INFORMATIE
Weergegeven voor punten waarvoor informatie beschikbaar is in de
kaartgegevens.
Kies [ ] om de vergrote weergave
te annuleren.
4-5. Routebegeleiding
209
4
Navigatie
Opnieuw zoeken van een route
Tijdens de routebegeleiding kan de route opnieuw worden gezocht (zelfs
wanneer er van de route is afgeweken).
1Kies [] op het kaartscherm.
2Kies [Route options] (route-opties) of [Alt route] (Alt. route).
3Kies de zoekcriteria.
4Kies [OK].
Verwante onderwerpen
Wijzigen van route-opties (Blz. 203)
Kaartscherm met volledige route (Blz. 200)
Wijzigen van de route (Blz. 204)
4-5. Routebegeleiding
210
Specifieke stembegeleidingstermen
De stembegeleiding van het navigatiesysteem geeft verscheidene
meldingen wanneer u een kruispunt of andere plekken waar het nodig is
om de auto van richting te veranderen, nadert.
INFORMATIE
Stembegeleiding wordt mogelijk eerder of later gegeven.
Het is mogelijk dat u geen stembegeleiding hoort of dat er geen vergroot
kruispunt wordt weergegeven als het navigatiesysteem de actuele locatie niet
kan vaststellen.
WAARSCHUWING
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de verkeerssituatie,
vooral op IPD-wegen (wegen die niet volledig gedigitaliseerd zijn). De
routebegeleiding beschikt niet altijd over de meest recente informatie over
verkeerssituaties, zoals de rijrichting van eenrichtingswegen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Instellingen begeleiding (Blz. 109)
4-5. Routebegeleiding
211
4
Navigatie
Kaartupdate
Databaseversie kaart en dekkingsgebied
Dekkingsgebieden en juridische informatie kunnen worden weergegeven
en kaartgegevens kunnen worden bijgewerkt.
Kaartinformatie weergeven
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map update] (kaartupdate).
4Controleer of het
kaartinformatiescherm wordt
weergegeven.
AHiermee kunt u het
dekkingsgebied van de kaart en
de kaartversie weergeven.
BHiermee kunt u de kaart updaten.
CHiermee kunt u juridische
informatie weergeven.
Neem voor updates van de kaartgegevens contact op met uw Lexus-dealer.
4-6. Kaartupdate
212
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio........ 214
Naar DAB luisteren .............. 217
Omgaan met de
radioantenne...................... 220
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio .... 221
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via een USB-stick .............. 222
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 224
Videobestanden afspelen
vanaf een USB-stick .......... 227
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via iPod/iPhone.................. 230
Afspelen vanaf een iPod/
iPhone................................ 231
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Apple CarPlay .............. 234
Afspelen via Apple CarPlay . 235
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Android Auto ................ 238
Android Auto afspelen ......... 239
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-
audio .................................. 241
Bluetooth®-audio afspelen ... 243
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij
het afspelen van muziek
via Miracast®..................... 246
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten ...... 247
Afspelen via Miracast®......... 248
213
5
Audiosysteem
Bediening van de radio
Luisteren naar de radio
Luister naar de radio op uw favoriete station.
INFORMATIE
Wanneer het station in stereo uitzendt, zal de radio automatisch overschakelen
naar stereo-ontvangst.
Als een stereo-uitzending zwak wordt en gaat storen, zal de mate waarin de
kanalen gescheiden worden automatisch worden verminderd tot het laagste
ruisniveau bereikt is. Wanneer de ontvangst erg zwak wordt, zal de radio op
mono-ontvangst overgaan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [FM].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Maak een keuze uit de lijst met vooraf
vastgelegde radiozenders.
[Station list] (zenderlijst) : Maak een keuze uit de lijst met beschikbare
radiozenders.
[Direct tune] (direct afstemmen) : Selecteer een radiozender door een
frequentie in te voeren met de numerieke toetsen.
5Stem af op de gewenste radiozender.
Bediening vanaf het scherm
[Seek] (zoek) : Kies [ ] of [ ] om automatisch de
dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst te selecteren.
Houd uw vinger op de toets om naar een bepaalde frequentie
te gaan. Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch
de dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst
geselecteerd.
5-1. Bediening van de radio
214
[Scan] : Zoek automatisch alle radiozenders af in de richting van de
hoogste frequentie.
Elke radiozender wordt gedurende ongeveer 5 seconden
afgespeeld. Kies de toets nogmaals om bij de huidige radiozender
te blijven.
[ ] : Legt de huidige radiozender vast als voorkeurzender. Kies
deze toets nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met de
radiozender mee worden gestuurd.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op
de geselecteerde radiozender.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [<]/[>]
Indien gekozen via het scherm
"Presets" (voorkeurzenders):
bladert door de lijst met vooraf
vastgelegde radiozenders.
Indien gekozen via het scherm
"Station list" (zenderoverzicht):
bladert door de lijst met
beschikbare radiozenders.
Indien gekozen via het
scherm "Direct tune" (direct
afstemmen): selecteert de dichtstbijzijnde radiozender met een goede
ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde frequentie te gaan.
Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde
radiozender met een goede ontvangst geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*1
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
5-1. Bediening van de radio
215
5
Audiosysteem
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [FM].
5Stem af op de gewenste
radiozender.
[Ch]*2 : Selecteer [ ]
of [ ] om de onder de
voorkeuzetoetsen vastgelegde
radiozenders te wijzigen.
[Tune]*2 (afstemmen) : Selecteer
[ ] of [ ] om de frequentie te
wijzigen.
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
*2 : Indien aanwezig
5-1. Bediening van de radio
216
Naar DAB luisteren*1
Luister naar DAB-radio op uw favoriete station.
INFORMATIE
De afspeelbare tijd met Time Shift varieert afhankelijk van de opgenomen bitrate
van DAB, de grootte van het geheugen van de DAB-eenheid en het tijdstip
waarop de ontvangst van de uitzending start.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [DAB].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Selecteer de service uit de services die
als voorkeuzezender zijn vastgelegd.
[Station list] (zenderlijst) : Selecteer de service uit het overzicht met
services.
[Manual tune] (handmatig afstemmen) : Stem handmatig op een
radiozender af. Selecteer de radiozender door [Ensemble] of [Service]
te selecteren.
5Stem af op de gewenste radiozender.
Bediening vanaf het scherm
[ ]/[ ] : Gebruik de time shift-functie om nogmaals naar de
service te luisteren waar u op dat moment naar luistert. Hiermee kunt
u het afspelen van de service 10 seconden vooruit- of terugspoelen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen.
[Live] : Laat de toets voor time shift los om naar de service te
luisteren die op dat moment wordt uitgezonden.
[ ] : Legt de huidige service vast als voorkeuzezender. Kies deze
toets nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
*1 : Indien aanwezig
5-1. Bediening van de radio
217
5
Audiosysteem
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met DAB mee
worden gestuurd.
[ ] : Hiermee kunt u overschakelen naar de uitgebreide
diavoorstelling of de albumhoes. Kies [ ] om terug te keren
naar het vorige scherm.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op
de geselecteerde service.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [<]/[>]
Indien gekozen via het scherm
"Presets (voorkeurzenders)"
bladert door de lijst met vooraf
vastgelegde services.
Indien gekozen via het scherm
"Station list" (zenderlijst):
bladert door de lijst met
beschikbare services.
Indien gekozen via het scherm
"Manual tune (handmatig
afstemmen)" selecteert automatisch de dichtstbijzijnde service met een
goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde service te gaan. Zodra de
toets wordt losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde service met
een goede ontvangst geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*2
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [DAB].
5-1. Bediening van de radio
218
5Stem af op de gewenste
radiozender.
[Ch]*3 : Selecteer [ ]
of [ ] om de onder de
voorkeuzetoetsen vastgelegde
services te wijzigen.
[Tune]*3 (afstemmen) : Selecteer
[ ] of [ ] om automatisch de
service te selecteren die het dichtst in de buurt ligt van de service die
op dat moment wordt ontvangen.
*2 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
*3 : Indien aanwezig
5-1. Bediening van de radio
219
5
Audiosysteem
Omgaan met de radioantenne
De antenne die de radiosignalen ontvangt, is in de achterruit geïntegreerd.
OPMERKING
Reinig de ruit met de geïntegreerde antenne (binnenzijde) door voorzichtig
met een vochtige doek in de richting van de draad te vegen. Gebruik geen
ruitenreiniger of andere reinigingsmiddelen, anders kan de antenne beschadigd
raken.
Bevestig onderstaande zaken niet aan de antennedraad of de achterruit.
Anders wordt de ontvangstgevoeligheid mogelijk verminderd of ontstaat ruis.
Raamfolie die metaal bevat
Andere metalen voorwerpen (zoals niet-originele Lexus-antennes)
5-1. Bediening van de radio
220
Internetradio
Gebruik van internetradio
Tijdens het luisteren naar de radio via FM/DAB is er extra informatie
beschikbaar zoals de titel van het nummer, de hoes en het logo van
de radiozender. Deze informatie kan worden opgehaald en weergegeven
vanaf de server van Gracenote® via DCM of Wi-Fi®.
Als het systeem een internetverbinding heeft via DCM of Wi-Fi® kan er bij
een slechte ontvangst van het radiosignaal worden overgeschakeld naar
ontvangst via internet. Hierdoor kunt u de uitzending toch blijven volgen.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Mogelijk worden niet alle zenders ondersteund.
Bij een slechte ontvangst van het radiosignaal kan er worden overgeschakeld
op internetradio.
Bij gebruik van internetradio zal het systeem automatisch overschakelen naar
de analoge uitzending zodra het radiosignaal gedurende langere tijd voldoende
sterk is.
Schakelt internetradio in en uit of wijzigt de instelling voor overschakelen naar
internetradio tussen automatisch en handmatig.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
5-2. Internetradio
221
5
Audiosysteem
Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via een
USB-stick
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via een USB-stick.
INFORMATIE
Het verwijderen van een USB-stick of het losnemen van een aangesloten
apparaat tijdens het afspelen, kan een storend geluid veroorzaken.
Wanneer een USB-stick is aangesloten en er van een andere bron naar de
USB-stick wordt overgeschakeld, wordt het eerste bestand op de USB-stick
afgespeeld. Als dezelfde USB-stick (zonder gewijzigde content) nogmaals
wordt aangesloten, zal het laatst afgespeelde nummer worden gestart.
Het lezen van een bestand in een niet-ondersteund formaat kan de werking
negatief beïnvloeden.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan
alleen het apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de USB-stick te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat geen USB-stick in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de USB-stick defect kan raken.
Druk niet op de USB-stick en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De USB-stick of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De USB-stick of de aansluiting
kan beschadigd raken.
Afspelen van MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis
Wanneer een USB-stick met MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/ALAC-/Ogg
Vorbis-bestanden wordt aangesloten, worden eerst alle bestanden op de
USB-stick gecontroleerd.
Het wordt aanbevolen om uitsluitend MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/
ALAC-/Ogg Vorbis-bestanden en geen onnodige mappen op de USB-stick
te zetten. Dit zorgt ervoor dat de controle van de USB-stick snel wordt
voltooid.
5-3. Bediening USB-stick
222
INFORMATIE
Voor MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis zijn vele soorten
coderingssoftware, zoals freeware, op de markt verkrijgbaar. Afhankelijk van
de coderingsvoorwaarde of het bestandsformaat, kan de geluidskwaliteit
verslechteren, kan er ruis optreden bij het starten van het afspelen of is afspelen
wellicht niet mogelijk.
OPMERKING
Voeg geen onjuiste extensie toe aan een bestand. Het toevoegen van een
extensie aan een bestand die niet overeenkomt met de bestandsinhoud kan ertoe
leiden dat bestanden onjuist worden herkend en afgespeeld. Dit zal een hard
geluid produceren, waardoor de luidsprekers beschadigd kunnen raken.
Voorbeelden van een onjuiste extensie:
Het toevoegen van de extensie ".mp3" aan een bestand dat geen MP3-bestand
is
Het toevoegen van de extensie ".wma" aan een bestand dat geen WMA-
bestand is
Verwante onderwerpen
Informatie over media die kunnen worden gebruikt (Blz. 400)
Informatie over formaat (Blz. 400)
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld vanaf USB-
sticks (Blz. 403)
Informatie over USB-geheugens (Blz. 406)
5-3. Bediening USB-stick
223
5
Audiosysteem
Muziekbestanden afspelen vanaf een USB-stick
Het is mogelijk om muziekbestanden af te spelen vanaf een USB-stick
die op de USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-stick
is aangesloten, wordt er een toets met de naam van het apparaat
weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige
apparaten mogelijk niet weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Music] (muziek).
Wordt weergegeven wanneer de USB-stick een videobestand bevat.
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer deze toets wordt gekozen, wijzigt de modus
tussen het in willekeurige volgorde afspelen van alle bestanden of
nummers, het annuleren van het in willekeurige volgorde afspelen
en het in willekeurige volgorde afspelen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het
bestand of het nummer bent, wordt het vorige bestand of nummer
vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
5-3. Bediening USB-stick
224
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer deze toets wordt gekozen, wijzigt de modus
tussen het herhalen van het bestand of nummer dat op dat
moment wordt afgespeeld, het herhalen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert of het herhalen van alle
bestanden of nummers.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de
volgende categorieën:
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de
artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Folders] (mappen) : Selecteer een nummer via de naam van de
map.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de
naam van de componist.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [<]/[>]
Wijzigt het bestand of het
nummer.
Houd uw vinger op deze toets
om terug of vooruit te spoelen.
Laat de toets los om het afspelen
vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
5-3. Bediening USB-stick
225
5
Audiosysteem
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*1
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [USB].
5Bedien indien nodig de muziek
die wordt afgespeeld.
[Folder Album] (map/
album) : Selecteer [ ] of [ ]
om de map te wijzigen.
[File Track] (bestand/nummer) :
Selecteer [ ] om het
bestand of het nummer dat
op dit moment wordt afgespeeld vanaf het begin af te spelen.
Indien u aan het begin van het bestand of het nummer bent, wordt
het vorige bestand of nummer vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het bestand of het nummer te wijzigen.
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
5-3. Bediening USB-stick
226
Videobestanden afspelen vanaf een USB-stick
Het is mogelijk om audio- en videobestanden af te spelen vanaf een
USB-stick die op de USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-
stick is aangesloten, wordt er een toets met de naam van het apparaat
weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige
apparaten mogelijk niet weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Video].
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze
vertraagd af te spelen.
[Move] (verplaats) : Verplaatst de bedieningstoetsen.
Verplaats de bedieningstoetsen als ze de video hinderlijk
overlappen.
5-3. Bediening USB-stick
227
5
Audiosysteem
[ ] : Geeft het bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te
geven.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los
om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze
vertraagd af te spelen.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Map- of bestandsnamen in het submenu : Kies een mapnaam om
mappen te wijzigen en kies een naam van een bestand om het af te
spelen bestand te wijzigen.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
5-3. Bediening USB-stick
228
Toets [<]/[>]
Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om terug
of vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf
dat punt te hervatten.
Houd de toets [>] ingedrukt terwijl
de video op pauze staat om deze
vertraagd af te spelen.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Overschakelen naar een andere schermmodus (Blz. 119)
Instellen van de beeldkwaliteit (Blz. 120)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*1
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [USB].
5Bedien indien nodig de video
die wordt afgespeeld.
[File] (bestand) :
Selecteer [ ] om het
bestand dat op dat moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af te spelen. Indien
u aan het begin van het
bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het bestand te wijzigen.
5-3. Bediening USB-stick
229
5
Audiosysteem
Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/
iPhone
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via iPod/iPhone.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via een USB-kabel
verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Het losnemen van een aansluiting of het losnemen van een aangesloten
apparaat terwijl de iPod/iPhone-modus is ingeschakeld, kan een storend geluid
veroorzaken.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan
alleen het apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
Als er een iPod/iPhone is aangesloten en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar iPod/iPhone zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.*1
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPod/iPhone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat de iPod/iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de iPod/iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPod/iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze
is aangesloten. De iPod/iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPod/iPhone of de
aansluiting kan beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Informatie iPod (Blz. 404)
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
*1 : Afhankelijk van het aangesloten apparaat wijkt de bediening mogelijk af van de
beschrijving.
5-4. Bediening iPod/iPhone
230
Afspelen vanaf een iPod/iPhone
Speel muziekbestanden af op een iPod/iPhone die is aangesloten op
de USB-aansluiting. Wanneer een iPod/iPhone is aangesloten, wordt
er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op het
selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk
niet weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone,
ziet de afbeelding van de albumhoes er mogelijk korrelig uit of gaat het scrollen
door de lijst mogelijk traag.
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone,
kunnen sommige handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Sluit een iPod of iPhone aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Bedien indien nodig de iPod/iPhone die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
5-4. Bediening iPod/iPhone
231
5
Audiosysteem
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het
herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de
volgende categorieën:
[Playlists] (afspeellijsten) : Selecteer een nummer uit de
afspeellijst.
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de
artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de
naam van de componist.
[Radio] : Selecteer een nummer via de radiozender.
[Audiobooks] (audioboeken) : Selecteer een nummer via de
naam van het audioboek.
[Podcasts] : Selecteer een nummer via de naam van de podcast.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets
om terug of vooruit te spoelen.
Laat de toets los om het afspelen
vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
5-4. Bediening iPod/iPhone
232
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*2
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [USB].
5Bedien indien nodig de muziek
die wordt afgespeeld.
[Track] (nummer) :
Selecteer [ ] om het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af te spelen. Indien
u aan het begin van het
nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het nummer te wijzigen.
*2 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
5-4. Bediening iPod/iPhone
233
5
Audiosysteem
Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple
CarPlay
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via Apple CarPlay.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer Android Auto is verbonden.
Als een apparaat met Apple CarPlay via USB is aangesloten, kan het
loskoppelen een storend geluid veroorzaken.
Als er een iPhone is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar Apple CarPlay zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPhone te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat de iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPhone of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
5-5. Bediening Apple CarPlay
234
Afspelen via Apple CarPlay
Speel muziekbestanden af op een iPhone die is aangesloten op de USB-
aansluiting of op een draadloos aangesloten iPhone. Wanneer verbinding
is gemaakt met Apple CarPlay, wordt er een toets met de naam van het
apparaat weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor
sommige apparaten mogelijk niet weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPhone, kunnen
sommige handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Wanneer bijvoorbeeld het nummer niet normaal wordt afgespeeld of het geluid
overslaat, werk dan de iOS bij naar de nieuwste versie. Bijwerken lost mogelijk
de problemen op.
Maak verbinding met Apple CarPlay.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Apple CarPlay] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Apple CarPlay die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
5-5. Bediening Apple CarPlay
235
5
Audiosysteem
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u tijdens het herhalen deze toets kiest, wijzigt de
instelling voor het herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Open CarPlay] : Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets
om terug of vooruit te spoelen.
Laat de toets los om het afspelen
vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone (Blz.
166)
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone (Blz. 169)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*2
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
5-5. Bediening Apple CarPlay
236
4Selecteer [Apple CarPlay].
5Bedien indien nodig de muziek
die wordt afgespeeld.
[Track] (nummer) :
Selecteer [ ] om het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af te spelen. Indien
u aan het begin van het
nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het nummer te wijzigen.
*2 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
5-5. Bediening Apple CarPlay
237
5
Audiosysteem
Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via
Android Auto
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen
van muziek via Android Auto.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt in combinatie met Apple CarPlay.
Als een apparaat met Android Auto via USB is aangesloten, kan het
loskoppelen een storend geluid veroorzaken.
Als er een Android-apparaat is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar Android Auto zal het laatst afgespeelde nummer worden
gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om het Android-apparaat te
bedienen tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat het Android-apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor het Android-apparaat defect kan raken.
Druk niet op het Android-apparaat en oefen geen onnodige druk hierop uit
terwijl het apparaat is aangesloten. Het Android-apparaat of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het Android-apparaat of de
aansluiting kan beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
5-6. Bediening Android Auto
238
Android Auto afspelen
Speel muziekbestanden af op een Android-apparaat dat is aangesloten
op de USB-aansluiting. Wanneer een Android-apparaat is aangesloten,
wordt er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op het
selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk
niet weergegeven.
Verbinding maken met Android Auto
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Android Auto] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Android Auto die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Open Android Auto] (Android Auto openen) : Geeft het Android
Auto-scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
5-6. Bediening Android Auto
239
5
Audiosysteem
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Gebruik van Android Auto (Blz. 173)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*1
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [Android Auto].
5Bedien indien nodig de muziek
die wordt afgespeeld.
[Track] (nummer) :
Selecteer [ ] om het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af te spelen. Indien
u aan het begin van het
nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het nummer te wijzigen.
5-6. Bediening Android Auto
240
Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio
Let bij het afspelen van Bluetooth®-audio goed op onderstaande informatie.
INFORMATIE
Voor gebruik is registratie van de mobiele telefoon of andere draagbare
Bluetooth®-audiospeler (hierna draagbaar apparaat genoemd) in het
multimediasysteem vereist.
Vergeet niet dat sommige functies mogelijk beperkt beschikbaar zijn,
afhankelijk van het type draagbare speler.
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is
gemaakt met Apple CarPlay.
Gelijktijdig gebruik met een draadloos apparaat kan de communicatie met
beide apparaten negatief beïnvloeden.
Wanneer de Wi-Fi®-functie wordt ingeschakeld in de instellingen van
het multimediasysteem, wordt het geluid van Bluetooth®-audio mogelijk
onderbroken.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient uit veiligheidsoverwegingen het draagbare apparaat niet te
bedienen tijdens het rijden.
De antenne voor Bluetooth®-communicatie is in het multimediasysteem
ingebouwd.
Gebruikers van elektrische medische apparatuur anders dan geïmplanteerde
pacemakers, CRT-pacemakers en geïmplanteerde hartdefibrillatoren moeten
voor gebruik contact opnemen met hun arts en de fabrikant van deze
producten om te informeren of elektrische signalen de werking van deze
apparatuur negatief kunnen beïnvloeden.
OPMERKING
Laat het draagbare apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor het draagbare apparaat defect kan raken.
Druk niet op het aangesloten draagbare apparaat en oefen er geen onnodige
druk op uit. Het draagbare apparaat of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het draagbare apparaat of de
aansluiting kan beschadigd raken.
*1 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
241
5
Audiosysteem
OPMERKING
Gebruik een draagbaar apparaat niet in de buurt van het multimediasysteem.
Als u dit te dichtbij brengt, kan de kwaliteit van het geluid of de verbinding
verslechteren.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 122)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 146)
Bluetooth®-informatie (Blz. 407)
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
242
Bluetooth®-audio afspelen
Door een draagbaar apparaat aan te sluiten, kan het draagbare apparaat
worden gebruikt zonder het rechtstreeks te bedienen.
INFORMATIE
Onderstaande informatie wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van het
draagbare apparaat dat is aangesloten:
Mapnaam
Naam van het nummer
Naam van het album
Naam van de artiest
Afspeeltijd
Totale tijd
Afspelen in willekeurige volgorde
Herhalen
Afspelen/pauze
Volgend/vorig nummer
Afhankelijk van het aangesloten apparaat kunnen de volgende problemen
optreden:
De bediening kan niet worden uitgevoerd vanaf het multimediasysteem.
De bediening of het volume wijkt af.
De weergave van gegevens zoals informatie over een nummer of de tijd
verschilt mogelijk tussen het multimediasysteem en het draagbare apparaat.
Mogelijk wordt de verbinding verbroken wanneer het afspelen stopt.
Bij langdurig spelen kan het geluid overslaan.
Wanneer een draagbaar apparaat is aangesloten, kan het volume afwijken,
afhankelijk van het draagbare apparaat.
Sluit een draagbaar apparaat aan op het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [Bluetooth].
4Bedien indien nodig het Bluetooth®-audioapparaat dat wordt
afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
243
5
Audiosysteem
[ ] : Hiermee kunt u in willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets
los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het
herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Mapnamen of namen van nummers in het submenu : Kies een
mapnaam om mappen te wijzigen en kies een naam van een
nummer om het af te spelen bestand te wijzigen.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per uitvoering.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
244
Toets [<]/[>]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets
om terug of vooruit te spoelen.
Laat de toets los om het afspelen
vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Bedienen met de bedieningsknop van het audiosysteem
achter*2
1Druk [ ] op de armsteun achter in.
Het beginscherm van het multifunctionele bedieningspaneel achter wordt
weergegeven.
2Selecteer [Audio].
3Selecteer [Sources ] (bronnen).
4Selecteer [Bluetooth audio] (Bluetooth-audio).
5Bedien indien nodig de muziek
die wordt afgespeeld.
[Track] (nummer) :
Selecteer [ ] om het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af te spelen. Indien
u aan het begin van het
nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Selecteer [ ] om het nummer te wijzigen.
*2 : Raadpleeg "Basishandelingen met betrekking tot het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers"(→ Blz. 42) bij auto's met een entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers. Raadpleeg de afzonderlijke "handleiding van de
auto" voor de bedieningsmethoden van het multifunctionele bedieningspaneel
achter.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
245
5
Audiosysteem
Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via
Miracast®
Houd rekening met de volgende informatie bij het afspelen via Miracast®.
INFORMATIE
Het apparaat is aangesloten via Wi-Fi® (Wi-Fi Direct®).
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is
gemaakt met Apple CarPlay.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
De weergegeven Miracast®-namen verschillen per apparaat.
Wanneer de Wi-Fi®-netwerkverbinding is ingeschakeld, kunnen de
communicatie van de Wi-Fi®-netwerkverbinding en de Miracast®-communicatie
elkaar beïnvloeden. Hierdoor kan het beeld vervormen of de audio haperen.
WAARSCHUWING
Sluit de smartphone of tablet niet aan en bedien deze niet tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone of tablet niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor de smartphone of tablet defect kan raken.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 122)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten (Blz. 158)
5-8. Bediening Miracast®
246
Aansluiten van Miracast®-compatibele apparaten
Android-smartphones en -tablets die Miracast® ondersteunen, kunnen
worden aangesloten.
Raadpleeg de handleiding en overige documentatie van het apparaat om
vast te stellen of het gebruikte apparaat Miracast® ondersteunt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Dit zorgt ervoor dat Miracast®-
compatibele apparaten
verbinding kunnen maken.
Raadpleeg de handleiding van
het apparaat voor meer informatie
over de bediening van het
apparaat.
Begin de verbindingsprocedure
opnieuw vanaf het begin als
een scherm wordt weergegeven
waarop wordt gemeld dat het niet is gelukt om verbinding te maken.
5Controleer de apparaatnaam en kies vervolgens [OK].
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen (Blz. 122)
5-8. Bediening Miracast®
247
5
Audiosysteem
Afspelen via Miracast®
Muziek en video's op een smartphone of tablet kunnen via het
multimediasysteem worden afgespeeld.
INFORMATIE
Het Miracast®-volume verschilt mogelijk per aangesloten apparaat.
Het geluid wordt uitgeschakeld wanneer de Wi-Fi®-verbinding wordt verbroken.
Sluit een Miracast®-compatibel apparaat aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Bedien indien nodig de Miracast®-content die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Geeft het bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te
geven.
[ ] : Geeft de in te stellen
items weer.
[ ] : Wijzigt de weergave
naar het volledige scherm.
[Disconnect]
(ontkoppelen) : Verbreek de
verbinding met Miracast®.
Het geluid wordt
uitgeschakeld.
5-8. Bediening Miracast®
248
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron (Blz. 38)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen (Blz. 116)
Overschakelen naar een andere schermmodus (Blz. 119)
Instellen van de beeldkwaliteit (Blz. 120)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron (Blz. 121)
5-8. Bediening Miracast®
249
5
Audiosysteem
5-8. Bediening Miracast®
250
6Entertainmentsysteem achterpassagiers*
6-1. Bedienen van de radio via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Naar de radio luisteren via
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .. 253
Naar DAB luisteren via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 254
6-2. Bedienen van discs via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van een CD op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 256
Een DVD, Blu-ray Disc
(BD) of video-CD afspelen
op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 259
6-3. Bedienen van een SD-
geheugenkaart via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziekbestanden op een
SD-geheugenkaart
afspelen ............................. 265
Videobestanden op een SD-
geheugenkaart afspelen .... 268
Fotobestanden op een SD-
geheugenkaart bekijken..... 273
6-4. Bedienen van via USB
aangesloten media op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziekbestanden vanaf een
USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 276
Videobestanden vanaf een
USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 278
Muziekbestanden vanaf een
iPod of iPhone afspelen via
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .. 280
6-5. Muziek op de
smartphone afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziek vanaf Apple CarPlay
afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 282
Muziek vanaf Android Auto
afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 284
6-6. Bedienen van
Bluetooth®-audio via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Muziek vanaf een met
Bluetooth® verbonden
apparaat afspelen via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 286
6-7. Bedienen van een via HDMI
aangesloten apparaat via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van HDMI-media
achterin op het
* : Indien aanwezig
251
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 288
6-8. Bedienen van een
via Miracast® aangesloten
apparaat via het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
Afspelen van Miracast® op
het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers .. 289
Voorzorgsmaatregelen voor
het gebruik van Miracast®
achterin .............................. 290
Verbinding maken met
Miracast® achterin ............. 291
Afspelen van Miracast®
achterin op het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers .......... 292
Verbinding met Miracast®
achterin verbreken ............. 293
252
Bedienen van de radio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Naar de radio luisteren via het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [FM].
Het scherm voor de radio-ontvangst wordt weergegeven.
3Stem af op de gewenste radiozender.
Display achter
[Tune] (afstemmen)
: Selecteer [ ] of [ ] om
de frequentie te wijzigen.
Geselecteerd houden om
naar een bepaalde
frequentie te gaan. Zodra
de toets wordt losgelaten,
wordt automatisch de
dichtstbijzijnde radiozender
met een goede ontvangst geselecteerd.
[Ch] : Selecteer [ ] of [ ] om de onder de voorkeuzetoetsen
vastgelegde radiozenders te wijzigen.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[Ch] : Selecteer [ ]
of [ ] om de onder de
voorkeuzetoetsen vastgelegde
radiozenders te wijzigen.
[Tune] (afstemmen)
: Selecteer [ ] of [ ]
om de frequentie te wijzigen.
Geselecteerd houden om
naar een bepaalde frequentie te gaan. Zodra de toets wordt
losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde radiozender met
een goede ontvangst geselecteerd.
6-1. Bedienen van de radio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
253
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Naar DAB luisteren via het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [DAB].
Het scherm voor de DAB-ontvangst wordt weergegeven.
3Bedien indien nodig de DAB-zender die wordt ontvangen.
Display achter
[Time shift] : Schakelt de
Time Shift-modus in.
[Ch] : Selecteer [ ]
of [ ] om de onder de
voorkeuzetoetsen vastgelegde
services te wijzigen.
[ ]/[ ] : Hiermee
kunt u 10 seconden terug- of
vooruitspoelen.
Dit is alleen beschikbaar wanneer de Time Shift-modus is
ingeschakeld.
[Seek] : Selecteer [ ] of [ ] om automatisch de service te
selecteren die het dichtst in de buurt ligt van de service die op dat
moment wordt ontvangen.
Geselecteerd houden om door te gaan met het wijzigen van de
services. Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch de
dichtstbijzijnde service geselecteerd.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ]/[ ] : Hiermee
kunt u 10 seconden terug- of
vooruitspoelen.
Dit is alleen beschikbaar
wanneer de Time Shift-
modus is ingeschakeld.
[Ch] : Selecteer [ ]
of [ ] om de onder de
voorkeuzetoetsen vastgelegde services te wijzigen.
6-1. Bedienen van de radio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
254
[Tune] : Selecteer [ ] of [ ] om automatisch de service te
selecteren die het dichtst in de buurt ligt van de service die op dat
moment wordt ontvangen.
Geselecteerd houden om door te gaan met het wijzigen van de
services. Zodra de toets wordt losgelaten, wordt automatisch de
dichtstbijzijnde service geselecteerd.
6-1. Bedienen van de radio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
255
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Afspelen van een CD op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
INFORMATIE
Raadpleeg "Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt" voor informatie over de media
en de MP3-, WMA- en AAC-muziekgegevens die kunnen worden gebruikt in
combinatie met de speler voor de achterpassagiers.
Plaats de disc in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-CD] (CD achter).
Het afspeelscherm wordt weergegeven.
De lijst met nummers wordt niet weergegeven.
3Bedien indien nodig de CD die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
De bediening verandert als
volgt, afhankelijk van de disc
die wordt afgespeeld.
Wanneer een
audio-CD wordt
afgespeeld : Telkens
wanneer deze toets wordt
geselecteerd, wijzigt de modus tussen het in willekeurige
volgorde afspelen en het annuleren van het in willekeurige
volgorde afspelen.
Wanneer een MP3/WMA/AAC-disc wordt afgespeeld : Telkens
wanneer deze toets wordt geselecteerd, wijzigt de modus als
volgt: afspelen in willekeurige volgorde in een map, afspelen in
willekeurige volgorde van alle mappen en annuleren van het in
willekeurige volgorde afspelen.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het bestand of het nummer bent,
wordt het vorige bestand of nummer vanaf het begin afgespeeld.
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
256
Geselecteerd houden om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op de toets om snel vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
De bediening verandert als volgt, afhankelijk van de disc die wordt
afgespeeld.
Wanneer een audio-CD wordt afgespeeld : Telkens wanneer
deze toets wordt geselecteerd, wijzigt de modus tussen het
herhalen van het nummer dat op dat moment wordt afgespeeld
en het annuleren van het herhalen.
Wanneer een MP3/WMA/AAC-disc wordt afgespeeld : Telkens
wanneer deze toets wordt geselecteerd, wijzigt de modus
tussen het herhalen van het bestand dat op dat moment wordt
afgespeeld, het herhalen van de map waar u op dat moment
naar luistert of het annuleren van het herhalen.
Het afspelen van de map waar u op dat moment naar luistert
kan niet worden herhaald tijdens het afspelen in willekeurige
volgorde.
[ ] *1 : Selecteer [ ] of [ ] om de map te wijzigen.
Houd [ ] geselecteerd om terug te keren naar het eerste
bestand van de eerste map.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ]/[ ] : Geselecteerd
houden om terug of vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Speelt het bestand of
het nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het begin
van het bestand of het nummer bent, wordt het vorige bestand of
nummer vanaf het begin afgespeeld.
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
257
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[Folder]*1 (map) : Selecteer [ ] of [ ] om de map te wijzigen.
Houd [ ] geselecteerd om terug te keren naar het eerste
bestand van de eerste map.
Verwante onderwerpen
Plaatsen en verwijderen van een disc bij het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers (Blz. 53)
Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers kunnen worden gebruikt (Blz. 410)
*1 : Dit wordt alleen weergegeven bij het afspelen van MP3-, WMA- en AAC-discs.
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
258
Een DVD, Blu-ray Disc (BD) of video-CD afspelen op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
INFORMATIE
Raadpleeg "Informatie over media en gegevens die in het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt" voor
uitleg over de termen voor de media die kunnen worden gebruikt in combinatie
met de speler voor de achterpassagiers en de Blu-ray-speler.
Sommige Blu-ray-discs slaan aanvullende informatie (informatie voor
hervatten) op het lokale opslagapparaat op die kan worden gebruikt voor het
afspelen. Deze functie kan worden gebruikt door een SD-geheugenkaart in de
speler voor de achterpassagiers te plaatsen.
De functies die gebruikmaken van een SD-geheugenkaart variëren afhankelijk
van de Blu-ray-disc die wordt afgespeeld.
Wanneer er een SD-geheugenkaart wordt geplaatst die gegevens bevat,
worden er geen Blu-ray-discgegevens opgeslagen om de bestaande gegevens
op de SD-geheugenkaart te beschermen. Zorg ervoor dat er geen gegevens op
de SD-geheugenkaart staan als u een SD-geheugenkaart als lokale opslag wilt
gebruiken.
Plaats de disc in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-DVD] (DVD achter), [Rear-BD] (BD achter) of
[Rear-VCD] (VCD achter).
Het afspeelscherm wordt weergegeven.
3Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van de af te spelen media
en het bestandsformaat.
4Bedien indien nodig de DVD, BD of video-CD die wordt
afgespeeld.
Display achter
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
259
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
[ ] : Speelt de titel,
het hoofdstuk of het nummer
die/dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van
de titel, het hoofdstuk of
het nummer bent, wordt de
vorige titel of het vorige
hoofdstuk of nummer vanaf
het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt de titel, het hoofdstuk of het nummer.
Houd uw vinger op de toets om de video vooruit te spoelen. Laat
de toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze staat om
deze vertraagd af te spelen.
[ ] : Stopt het afspelen van de video.
[ ]/[ ] : Hiermee kunt u de video afspelen of pauzeren.
[ ] : Hiermee kunt u de weergave minimaliseren.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
[Hide buttons] (toetsen verbergen) : Hiermee kunt u de toetsen
verbergen.
[Menu] : Hiermee kunt u het menuscherm weergeven. (alleen DVD-
video)
[Top menu] (hoofdmenu) : Hiermee kunt u het eerste menuscherm
weergeven. (alleen DVD-video, BD-video en AVCHD)
[Pop-up menu] (pop-upmenu) : Hiermee kunt u het menuscherm
weergeven tijdens het afspelen van het huidige hoofdstuk. (alleen
Blu-ray-video)
[Move] (verplaats) : Hiermee kunt u de weergavepositie van de
toets wijzigen.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
260
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video terug te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze staat om
deze vertraagd af te spelen.
[ ] : Speelt de titel, het hoofdstuk of het nummer die/dat op dit
moment wordt afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan het begin
van de titel, het hoofdstuk of het nummer bent, wordt de vorige titel
of het vorige hoofdstuk of nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt de titel, het hoofdstuk of het nummer.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[ ] : Stopt het afspelen.
[Top Menu] (hoofdmenu) : Hiermee kunt u het eerste menuscherm
weergeven. (alleen DVD-video, BD-video en AVCHD)
[Menu] : Hiermee kunt u het menuscherm weergeven. (alleen DVD-
video)
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
Verwante onderwerpen
Plaatsen en verwijderen van een disc bij het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers (Blz. 53)
Wijzigen van de Blu-ray- en DVD-instellingen op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers (Blz. 133)
Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers kunnen worden gebruikt (Blz. 410)
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
261
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Bedienen van gedetailleerde informatie voor DVD's, Blu-ray
Disc's (BD) of video-CD's
Informatie zoals ondertitels en audiotracks kan worden ingesteld tijdens het
afspelen van een DVD, Blu-ray-disc of video-CD.
Plaats de disc in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-DVD] (DVD achter), [Rear-BD] (BD achter) of
[Rear-VCD] (VCD achter).
Het afspeelscherm wordt weergegeven.
3Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van de af te spelen media
en het bestandsformaat.
4Selecteer [Options] (opties) of [ ][Select] (selecteer).
Bedieningstoetsen wanneer [Options] (opties) is geselecteerd
[Play mode]
(afspeelmodus) : Wijzigt de
afspeellijst of het programma
wanneer er een afspeellijst of
programma op de disc staat.
(alleen DVD-VR, BDAV en
AVCREC)
[Next page] (volgende
pagina) : Wanneer er stills op
een disc staan, wijzigt de still telkens wanneer deze toets wordt
geselecteerd. (alleen DVD-VR)
[Prev. page]/[Next page] (vorige pagina/volgende pagina) : Wijzigt
de weergegeven menupagina. (alleen video-CD)
[Chapter] (hoofdstuk) : Voer het hoofdstuknummer in en
selecteer [Enter] (invoeren) om de video met het bijbehorende
hoofdstuknummer af te spelen. (alleen Blu-ray-video, BDAV,
AVCREC en AVCHD)
[Subtitle] (ondertiteling) : Wanneer er meerdere talen voor
ondertiteling op een disc staan, wijzigt de taal voor de ondertiteling
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
262
telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd. (alleen DVD-video,
Blu-ray-video en AVCHD)
[Hide subtitle] (ondertiteling verbergen) : Hiermee wordt de
ondertiteling uitgeschakeld. Selecteer deze toets nogmaals om de
ondertiteling opnieuw weer te geven. (alleen DVD-video, DVD-VR,
Blu-ray-video en AVCHD)
[Subtitle style] (stijl ondertiteling) : Wijzigt de stijl van de
ondertiteling wanneer er meerdere stijlen voor ondertiteling op een
disc staan. (alleen Blu-ray-video)
[Angle] (hoek) : Wanneer er een vanuit meerdere
camerastandpunten gefilmde video op een disc staat, wijzigt de
hoek telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd. Wanneer er
meerdere hoeken zijn opgeslagen, wordt [ ] (hoekaanduiding)
weergegeven. (alleen DVD-video, Blu-ray-video, BDAV en AVCREC)
[Search]/[Title]/[Select number] (zoeken/titel/selecteer
nummer) : Voer het titelnummer in en selecteer [Enter] (invoeren)
om de video met het bijbehorende titelnummer af te spelen.
[Audio] : Wanneer er meerdere audiotracks op een disc staan,
wijzigt de audio telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd.
(alleen DVD-video, DVD-VR, Blu-ray-video, BDAV, AVCREC en
AVCHD)
[Main/Sub] (hoofd/sub) : Wanneer er meerdere audiolagen op
een disc staan, wijzigt de audio telkens wanneer deze toets wordt
geselecteerd tussen hoofdaudio, subaudio en hoofdaudio/subaudio.
(alleen DVD-VR, BDAV, AVCREC en video-CD)
[Return] (terug) : Gaat naar de vooraf bepaalde positie op de disc
en begint vanaf die positie met afspelen. (alleen DVD-video, Blu-ray-
video, AVCHD en video-CD)
[PinP] : Wanneer er meerdere video's met beeld-in-beeld
(subscherm) op een disc staan, wijzigt de videoweergave telkens
wanneer deze toets wordt geselecteerd. (alleen Blu-ray-video)
[Hide PinP] (PinP verbergen) : Verbergt de video's met beeld-in-
beeld (subscherm). (alleen Blu-ray-video)
[PinP audio] (beeld-in-beeld-audio) : Wanneer er meerdere video's
met beeld-in-beeld (subscherm) op een disc staan, wijzigt de
beeld-in-beeld-audioweergave telkens wanneer deze toets wordt
geselecteerd. (alleen Blu-ray-video)
[PinP audio off] (beeld-in-beeld-audio uit) : Annuleert de audio met
beeld-in-beeld (subscherm). (alleen Blu-ray-video)
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
263
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
Bedieningstoetsen wanneer [ ][Select] (selecteren) is geselecteerd
(alleen DVD-video, Blu-ray-video en AVCHD)
[On]/[Off] (aan/uit) : Hiermee
kunt u de toetsen weergeven of
verbergen.
[ ][Display] : Hiermee kunt
u de kleurtoetsen en
cursortoetsen weergeven of
verbergen. (alleen Blu-ray-
video)
[Number] (nummer) : Hiermee
kunt u het numerieke
toetsenbord weergeven of
verbergen. (alleen Blu-ray-
video)
Cursortoetsen/[Enter]
(invoeren) : Hiermee kunt u de
content bedienen.
Kleurtoetsen/numeriek
toetsenbord : Hiermee kunt u de content bedienen.
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
6-2. Bedienen van discs via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
264
Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Muziekbestanden op een SD-geheugenkaart afspelen
Speel muziekbestanden op een SD-geheugenkaart af met de speler voor
de achterpassagiers.
INFORMATIE
Raadpleeg "Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt" voor informatie over de SD-
geheugenkaarten die kunnen worden gebruikt in combinatie met de speler voor
de achterpassagiers en de bestanden die kunnen worden opgeslagen.
Plaats de SD-geheugenkaart in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
Als het bestand dat het laatst werd afgespeeld, bestaat, wordt het
afspeelscherm van dat bestand weergegeven.
De lijst met nummers wordt niet weergegeven.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [Music] (muziek).
5Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer deze toets
wordt geselecteerd, wijzigt
de modus tussen het
in willekeurige volgorde
afspelen van alle bestanden
of nummers, het annuleren
van het in willekeurige
volgorde afspelen en het in willekeurige volgorde afspelen van
de map of het album waar u op dat moment naar luistert.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het bestand of het nummer bent,
wordt het vorige bestand of nummer vanaf het begin afgespeeld.
Geselecteerd houden om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
265
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op de toets om snel vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd, wijzigt de modus
tussen het herhalen van het bestand of nummer dat op dat
moment wordt afgespeeld, het herhalen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert of het herhalen van alle
bestanden of nummers.
[ ] : Selecteer [ ] of [ ] om de map of het album te wijzigen.
Houd [ ] geselecteerd om terug te keren naar het eerste
bestand of nummer van de eerste map of het eerste album.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ]/[ ] : Geselecteerd
houden om terug of vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Speelt het bestand of
het nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het begin
van het bestand of het nummer bent, wordt het vorige bestand of
nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[Folder Album] (map/album) : Selecteer [ ] of [ ] om de
map of het album te wijzigen.
Houd [ ] geselecteerd om terug te keren naar het eerste
bestand of nummer van de eerste map of het eerste album.
[SD menu] (SD-menu) : Hiermee kunt u het SD-menuscherm
weergeven.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
266
Verwante onderwerpen
Plaatsen en verwijderen van een SD-geheugenkaart bij het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers (Blz. 54)
Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers kunnen worden gebruikt (Blz. 410)
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
267
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Videobestanden op een SD-geheugenkaart afspelen
Videobestanden op een SD-geheugenkaart kunnen worden afgespeeld met
behulp van de speler voor de achterpassagiers.
INFORMATIE
Raadpleeg "Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt" voor informatie over de SD-
geheugenkaarten die kunnen worden gebruikt in combinatie met de speler voor
de achterpassagiers en de bestanden die kunnen worden opgeslagen.
Plaats de SD-geheugenkaart in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
Als het bestand dat het laatst werd afgespeeld, bestaat, wordt het
afspeelscherm van dat bestand weergegeven.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [SD Video] (SD-video), [SD AVCHD] of [Movie] (film).
5Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van het af te spelen
bestandsformaat.
6Bedien indien nodig de video die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Speelt het bestand
dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van
het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het
begin afgespeeld. Houd uw
vinger op de toets om de
video terug te spoelen. Laat
de toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
268
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd uw vinger op de toets om de video vooruit te spoelen. Laat
de toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze staat om
deze vertraagd af te spelen.
[ ] : Stopt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Pauzeert de video.
[ ] : Hiermee kunt u de weergave minimaliseren.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
[Hide buttons] (toetsen verbergen) : Hiermee kunt u de toetsen
verbergen.
[Top menu] (hoofdmenu) : Hiermee kunt u het eerste menuscherm
weergeven. (alleen AVCHD)
[Move] (verplaats) : Hiermee kunt u de weergavepositie van de
toets wijzigen.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video terug te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze staat om
deze vertraagd af te spelen.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent,
wordt het vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt het bestand.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[ ] : Stopt het afspelen.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
269
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
[Top menu] (hoofdmenu) : Hiermee kunt u het eerste menuscherm
weergeven. (alleen AVCHD)
[Folder Album] (map/album) : Selecteer [ ] of [ ] om de
map te wijzigen. (alleen film)
[SD menu] (SD-menu) : Hiermee kunt u het SD-menuscherm
weergeven.
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
Verwante onderwerpen
Plaatsen en verwijderen van een SD-geheugenkaart bij het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers (Blz. 54)
Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers kunnen worden gebruikt (Blz. 410)
Gedetailleerde informatie voor video's op een SD-
geheugenkaart bedienen
Plaats de SD-geheugenkaart in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
Als het bestand dat het laatst werd afgespeeld, bestaat, wordt het
afspeelscherm van dat bestand weergegeven.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [SD Video] (SD-video), [SD AVCHD] of [Movie] (film).
5Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
Welke toetsen worden weergegeven is afhankelijk van het af te spelen
bestandsformaat.
6Selecteer [Options] (opties) of [ ][Select] (selecteer).
Bedieningstoetsen wanneer [Options] (opties) is geselecteerd
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
270
[Details] : Geeft
gedetailleerde informatie over
het videobestand weer.
[Play mode]
(afspeelmodus) : Wijzigt de
afspeellijst of het programma
wanneer er een afspeellijst
of programma op de disc
staat. (alleen video die CPRM
ondersteunt)
[Subtitle] (ondertiteling) : Wanneer er meerdere talen voor
ondertiteling op een disc staan, wijzigt de taal voor de ondertiteling
telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd. (alleen AVCHD)
[Hide subtitle] (ondertiteling verbergen) : Hiermee wordt de
ondertiteling uitgeschakeld. Selecteer deze toets nogmaals om de
ondertiteling opnieuw weer te geven. (alleen AVCHD)
[Titel] : Voer het titelnummer in en selecteer [Enter] (invoeren)
om de video met het bijbehorende titelnummer af te spelen. (alleen
video die CPRM en AVCHD ondersteunt)
[Chapter] (hoofdstuk) : Voer het hoofdstuknummer in en
selecteer [Enter] (invoeren) om de video met het bijbehorende
hoofdstuknummer af te spelen. (alleen video die CPRM en AVCHD
ondersteunt)
[Multiplexed audio]/[Audio] (meervoudige audio/audio) : Wanneer
er meerdere audiotracks in een videobestand staan, wijzigt de audio
telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd. (alleen video die
CPRM en AVCHD ondersteunt)
[Return] (terug) : Gaat naar de vooraf bepaalde positie van het
videobestand en begint vanaf die positie met afspelen. (alleen
AVCHD)
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
Bedieningstoetsen wanneer [ ][Select] (selecteer) is geselecteerd (alleen
AVCHD)
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
271
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
[On]/[Off] (aan/uit) : Hiermee
kunt u de toetsen weergeven of
verbergen.
Cursortoetsen/[Enter]
(invoeren) : Hiermee kunt u de
content bedienen.
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
272
Fotobestanden op een SD-geheugenkaart bekijken
Fotobestanden op een SD-geheugenkaart kunnen worden bekeken met
behulp van de speler voor de achterpassagiers.
INFORMATIE
Raadpleeg "Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt" voor informatie over de SD-
geheugenkaarten die kunnen worden gebruikt in combinatie met de speler voor
de achterpassagiers en de bestanden die kunnen worden opgeslagen.
Plaats de SD-geheugenkaart in de speler voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
Als het bestand dat het laatst werd afgespeeld, bestaat, wordt het
afspeelscherm van dat bestand weergegeven.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [Picture] (foto).
5Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
6Bedien indien nodig de
bekeken foto's.
[Library view]
(bibliotheekweergave) : Geeft het
selectiescherm voor afbeeldingen
weer.
[ ] : Geeft de informatie van
het afbeeldingsbestand weer.
[ ] : Wijzigt de weergave naar
het volledige scherm.
[Hide buttons] (toetsen verbergen) : Hiermee kunt u de toetsen
verbergen.
[Move] (verplaats) : Hiermee kunt u de weergavepositie van de toets
wijzigen.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
273
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
Verwante onderwerpen
Plaatsen en verwijderen van een SD-geheugenkaart bij het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers (Blz. 54)
Wijzigen van de instellingen voor de SD-diavoorstelling via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers (Blz. 137)
Gegevens wissen van een SD-kaart via het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers (Blz. 138)
Informatie over media en gegevens die in het entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers kunnen worden gebruikt (Blz. 410)
Gedetailleerde informatie voor foto's op een SD-
geheugenkaart bedienen
Gedetailleerde informatie voor foto's op een SD-geheugenkaart bedienen
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-SD] (SD achter).
Als het bestand dat het laatst werd afgespeeld, bestaat, wordt het
afspeelscherm van dat bestand weergegeven.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [Picture] (foto).
5Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
274
6Selecteer [Options] (opties).
[ ] : Vergroot of
minimaliseert de afbeelding.
[ ] : Draait de weergave
van de afbeelding linksom.
[ ] : Draait de weergave
van de afbeelding rechtsom.
[Details] : Geeft de gedetailleerde informatie over het
afbeeldingsbestand weer.
[Slideshow] (diavoorstelling) : De toetsen verdwijnen en een
diavoorstelling begint.
INFORMATIE
Wanneer [ ] op het scherm wordt weergegeven nadat bijvoorbeeld een
toets is bediend, kan de bijbehorende handeling niet worden uitgevoerd.
6-3. Bedienen van een SD-geheugenkaart via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
275
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Muziekbestanden vanaf een USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel muziekbestanden af vanaf een USB-stick die op de USB-aansluiting
is aangesloten.
Steek de USB-stick in het audiosysteem voorin.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [USB] of de naam van het aangesloten apparaat.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [Music] (muziek).
5Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt
u in willekeurige volgorde
afspelen. Telkens wanneer
deze toets wordt geselecteerd,
wijzigt de modus tussen
het in willekeurige volgorde
afspelen van alle bestanden of
nummers, het annuleren van
het in willekeurige volgorde
afspelen en het in willekeurige volgorde afspelen van de map of het
album waar u op dat moment naar luistert.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het bestand of het nummer bent,
wordt het vorige bestand of nummer vanaf het begin afgespeeld.
Geselecteerd houden om terug te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op de toets om snel vooruit te spoelen. Laat de
toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
276
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer deze toets wordt geselecteerd, wijzigt de modus
tussen het herhalen van het bestand of nummer dat op dat
moment wordt afgespeeld, het herhalen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert of het herhalen van alle
bestanden of nummers.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ]/[ ] : Geselecteerd
houden om terug of vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Speelt het bestand of
het nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het begin
van het bestand of het nummer bent, wordt het vorige bestand of
nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[Folder Album] (map/album) : Selecteer [ ] of [ ] om de
map of het album te wijzigen.
[Video] : Speelt het videobestand af.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem kunnen
worden gebruikt. (Blz. 400)
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
277
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Videobestanden vanaf een USB-stick afspelen via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel videobestanden af vanaf een USB-stick die op de USB-aansluiting is
aangesloten.
Steek de USB-stick in het audiosysteem voorin.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [USB] of de naam van het aangesloten apparaat.
3Als de lijst niet op het scherm wordt weergegeven, selecteer dan
[ ] in het hoofdmenu.
4Selecteer [Video].
5Als de bedieningstoetsen niet worden weergegeven, selecteer
dan [Options] (opties) op het scherm met de cursortoets van het
multifunctionele bedieningspaneel achter.
De bedieningstoetsen worden op het scherm weergegeven.
6Bedien indien nodig de video die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Speelt het bestand
dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van
het bestand bent, wordt het
vorige bestand vanaf het
begin afgespeeld. Houd uw
vinger op de toets om de
video terug te spoelen. Laat
de toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd uw vinger op de toets om de video vooruit te spoelen. Laat
de toets los om het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze staat om
deze vertraagd af te spelen.
[ ]/[ ] : Hiermee kunt u de video afspelen of pauzeren.
[ ] : Hiermee kunt u de weergave minimaliseren.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
278
[Hide buttons] (toetsen verbergen) : Hiermee kunt u de toetsen
verbergen.
[Move] (verplaats) : Hiermee kunt u de weergavepositie van de
toets wijzigen.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video terug te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Houd uw vinger op
de toets om de video vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten. Houd uw vinger op de toets terwijl de video op pauze
staat om deze vertraagd af te spelen.
[ ] : Speelt het bestand dat op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het bestand bent,
wordt het vorige bestand vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Wijzigt het bestand.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[Music] (muziek) : Speelt het muziekbestand af.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem kunnen
worden gebruikt. (Blz. 400)
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
279
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Muziekbestanden vanaf een iPod of iPhone afspelen via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel muziekbestanden af op een iPod of iPhone die is aangesloten op de
USB-aansluiting.
Sluit een iPod of iPhone met een USB-kabel aan op het audiosysteem
voorin.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer de naam van het apparaat of [USB].
3Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt
u in willekeurige volgorde
afspelen. Telkens wanneer
dit wordt geselecteerd,
wijzigt de instelling voor
het in willekeurige volgorde
afspelen.*1*2
[ ] : Speelt het nummer
dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan
het begin van het nummer bent, wordt het vorige nummer vanaf het
begin afgespeeld.*1
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen. *1
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen. Telkens wanneer dit
wordt geselecteerd, wijzigt de instelling voor het herhalen.*1*2
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ] : Speelt het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het
begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer
vanaf het begin afgespeeld.
Geselecteerd houden om terug
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
280
te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.*1
[ ] : Nummer wijzigen. Houd uw vinger op de toets om snel
vooruit te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt
te hervatten.*1
[ ] : Afspelen of pauzeren.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem kunnen
worden gebruikt. (Blz. 400)
*1 : Dit kan niet worden bediend tijdens het luisteren naar de radio.
*2 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
6-4. Bedienen van via USB aangesloten media op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
281
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Muziek op de smartphone afspelen via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Muziek vanaf Apple CarPlay afspelen via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel muziekbestanden af op een apparaat dat met Apple CarPlay is
verbonden. Deze functie kan alleen worden gebruikt terwijl de audio-
uitgangsmodus in de gekoppelde modus staat.Deze functie kan niet
worden gebruikt wanneer Android Auto is verbonden.
Zorg ervoor dat het audiosysteem voorin verbinding maakt met Apple
CarPlay.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Apple CarPlay] (apparaatnaam).
3Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt
u in willekeurige volgorde
afspelen. Telkens wanneer
dit wordt geselecteerd,
wijzigt de instelling voor
het in willekeurige volgorde
afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer
dat op dit moment wordt afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan
het begin van het nummer bent, wordt het vorige nummer vanaf het
begin afgespeeld.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen. Telkens wanneer dit
wordt geselecteerd, wijzigt de instelling voor het herhalen.*1
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ] : Speelt het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het
begin van het nummer bent,
wordt het vorige nummer
vanaf het begin afgespeeld.
Geselecteerd houden om terug
6-5. Muziek op de smartphone afspelen via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
282
te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Nummer wijzigen. Houd uw vinger op de toets om snel
vooruit te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt
te hervatten.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone (Blz.
166)
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone (Blz. 169)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple CarPlay
(Blz. 234)
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of
herhalen verschilt per aangesloten apparaat.
6-5. Muziek op de smartphone afspelen via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
283
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Muziek vanaf Android Auto afspelen via het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel muziekbestanden af op een apparaat dat met Android Auto is
verbonden. Deze functie kan alleen worden gebruikt terwijl de audio-
uitgangsmodus in de gekoppelde modus staat.Deze functie kan niet
worden gebruikt in combinatie met Apple CarPlay.
Zorg ervoor dat het audiosysteem voorin verbinding maakt met Android
Auto.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Android Auto].
3Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Speelt het nummer
dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van
het nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin
afgespeeld.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
[ ] : Nummer wijzigen.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ] : Speelt het
nummer dat op dit moment
wordt afgespeeld vanaf het
begin af. Indien u aan het begin
van het nummer bent, wordt
het vorige nummer vanaf het
begin afgespeeld.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Android Auto (Blz. 173)
6-5. Muziek op de smartphone afspelen via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
284
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Android Auto (Blz.
238)
6-5. Muziek op de smartphone afspelen via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
285
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Bedienen van Bluetooth®-audio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Muziek vanaf een met Bluetooth® verbonden apparaat
afspelen via het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Door een draagbare Bluetooth®-audiospeler (draagbaar apparaat) aan te
sluiten op het audiosysteem voorin, kan het draagbare apparaat worden
gebruikt zonder het rechtstreeks te bedienen.
Sluit een draagbaar apparaat via Bluetooth® aan op het audiosysteem
voorin.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Bluetooth audio] (Bluetooth-audio).
3Bedien indien nodig de muziek die wordt afgespeeld.
Display achter
[ ] : Hiermee kunt
u in willekeurige volgorde
afspelen. Telkens wanneer
dit wordt geselecteerd, wijzigt
de instelling voor het in
willekeurige volgorde afspelen.
[ ] : Speelt het nummer
dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het nummer bent, wordt het vorige
nummer vanaf het begin afgespeeld. Geselecteerd houden om terug
te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen. Houd uw vinger op de toets om snel
vooruit te spoelen. Laat de toets los om het afspelen vanaf dat punt
te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen. Telkens wanneer dit
wordt geselecteerd, wijzigt de instelling voor het herhalen.
6-6. Bedienen van Bluetooth®-audio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
286
[Browse] (bladeren) : Hiermee kunt u het scherm met de lijst
weergeven of verbergen.
Wanneer het scherm met de lijst wordt weergegeven, kan een
nummer uit de lijst worden geselecteerd en afgespeeld.
Wanneer de lijst achterin wordt weergegeven, wordt deze niet
voorin weergegeven.
Wanneer de lijst gedurende een bepaalde periode niet wordt
bediend nadat deze achterin is weergegeven, wordt de lijst
automatisch verborgen voor de achterpassagiers.
Multifunctioneel bedieningspaneel achter
[ ]/[ ] : Geselecteerd
houden om terug of vooruit te
spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Speelt het nummer
dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af.
Indien u aan het begin van het
nummer bent, wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Afspelen of pauzeren.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 146)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio (Blz. 241)
Bluetooth®-informatie (Blz. 407)
6-6. Bedienen van Bluetooth®-audio via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
287
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Bedienen van een via HDMI aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Afspelen van HDMI-media achterin op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Speel een extern apparaat af dat met behulp van een in de handel
verkrijgbare kabel is aangesloten op de HDMI-aansluiting van de
achterstoelen.
Sluit een HDMI-apparaat aan op de HDMI-aansluiting van de
achterstoelen.
1Schakel het HDMI-apparaat in.
2Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
3Selecteer [Rear-HDMI] (HDMI achter).
OPMERKING
Sluit het klepje wanneer de HDMI-aansluiting niet wordt gebruikt.
Er kan een storing of kortsluiting optreden als de aansluitingen worden
blootgesteld aan verontreinigingen, vloeistoffen of andere substanties.
Verwante onderwerpen
Aansluiten van een HDMI-apparaat op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 55)
Wijzigen van de HDMI-instellingen achterin op het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers (Blz. 131)
Informatie over HDMI (Blz. 437)
6-7. Bedienen van een via HDMI aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
288
Bedienen van een via Miracast®aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Afspelen van Miracast® op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers
Geeft het scherm weer of speelt de audio af van een smartphone of
tablet die via Miracast® is aangesloten op het audiosysteem voorin, op het
scherm van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
Sluit een Miracast®-compatibel apparaat aan op het audiosysteem voorin.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Miracast®].
Het Miracast®-scherm wordt weergegeven.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast® (Blz.
246)
Aansluiten van Miracast®-compatibele apparaten (Blz. 247)
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
289
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van Miracast®
achterin
Geeft het scherm weer of speelt de audio af van een smartphone of tablet
die via Miracast® is aangesloten op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers, op het scherm van het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers.
INFORMATIE
Het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers maakt via Wi-Fi® (Wi-Fi
Direct®) verbinding met apparaten.
Wi-Fi® en Miracast® zijn geregistreerde handelsmerken van Wi-Fi Alliance®.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
De weergegeven Miracast®-namen verschillen per apparaat.
Miracast® gebruikt voor de draadloze communicatie dezelfde frequentieband
(2,4 GHz) als Bluetooth®. Afhankelijk van omgevingsfactoren kan er
interferentie tussen radiogolven ontstaan waardoor de beeldkwaliteit achteruit
kan gaan en de audio-weergave kan haperen.
Wanneer de Wi-Fi®-netwerkverbinding is ingeschakeld, kunnen de
Wi-Fi®-netwerkverbindingscommunicatie en Miracast®-communicatie elkaar
beïnvloeden, waardoor de beeldkwaliteit achteruit kan gaan en de audio-
weergave kan haperen.
Android-smartphones en -tablets die Miracast® ondersteunen, kunnen worden
aangesloten.
Raadpleeg de handleiding en overige documentatie van het apparaat om vast
te stellen of een apparaat Miracast® ondersteunt.*1
OPMERKING
Laat uw smartphone of tablet niet achter in de auto. De temperatuur in de auto
kan hoog oplopen, waardoor de smartphone of tablet defect kan raken.
Verwante onderwerpen
Verbinding maken met Miracast® achterin (Blz. 291)
Afspelen van Miracast® achterin op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 292)
Verbinding met Miracast® achterin verbreken (Blz. 293)
*1 : De werking van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers is niet
gegarandeerd.
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
290
Verbinding maken met Miracast® achterin
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-Miracast®]
(Miracast® achter).
Het scherm voor verbinding maken
wordt weergegeven.
3Dit zorgt ervoor dat Miracast®-
compatibele apparaten
verbinding kunnen maken.
Raadpleeg de handleiding van
het apparaat voor meer informatie
over de bediening van het apparaat.
Begin de verbindingsprocedure opnieuw vanaf het begin als een scherm
wordt weergegeven waarop wordt gemeld dat het niet is gelukt om
verbinding te maken.
4Controleer de naam van het apparaat en selecteer [OK].
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van Miracast® achterin (Blz. 290)
Afspelen van Miracast® achterin op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 292)
Verbinding met Miracast® achterin verbreken (Blz. 293)
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
291
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
Afspelen van Miracast® achterin op het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers
Sluit een Miracast®-compatibel apparaat aan op het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers.
1Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Het keuzescherm voor de audiobron wordt weergegeven.
2Selecteer [Rear-Miracast®] (Miracast® achter).
Het [Rear-Miracast®]-scherm wordt weergegeven.
Het afspelen van Miracast® stopt in de volgende gevallen:
Wanneer de Miracast®-functie wordt beëindigd op het apparaat met
Miracast®-ondersteuning
Wanneer de verbinding met Miracast® achterin wordt verbroken op het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van Miracast® achterin (Blz. 290)
Verbinding maken met Miracast® achterin (Blz. 291)
Verbinding met Miracast® achterin verbreken (Blz. 293)
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
292
Verbinding met Miracast® achterin verbreken
1Voer een van de volgende handelingen uit om het keuzescherm
voor de audiobron weer te geven.
Selecteer [ ] in het hoofdmenu op het display achter.
Selecteer [Rear menu] (menu achter) op het scherm met de cursortoets van
het multifunctionele bedieningspaneel achter.
2Selecteer [ ] in het hoofdmenu.
3Selecteer [Disconnect] (verbinding verbreken).
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van Miracast® achterin (Blz. 290)
Verbinding maken met Miracast® achterin (Blz. 291)
Afspelen van Miracast® achterin op het entertainmentsysteem voor de
achterpassagiers (Blz. 292)
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
293
6
Entertainmentsysteem achterpassagiers
6-8. Bedienen van een via Miracast® aangesloten apparaat via het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
294
7Handsfree bellen
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen ................ 296
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert ... 300
7-2. Handsfree bellen met behulp
van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen................. 304
7-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis........... 306
Bellen via de lijst met
favorieten ........................... 308
Bellen vanuit contactenlijst .. 309
Bellen via het toetsenblok.... 310
Pechhulp van Lexus bellen...311
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal ...... 312
7-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden ..... 313
Oproepen weigeren ............. 315
7-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het
belscherm .......................... 316
Een onderbroken oproep
beantwoorden .................... 318
Iemand anders bellen
tijdens een lopend gesprek 319
Een conferencecall starten .. 320
Beëindigen van gesprekken 321
7-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen ................ 322
7-7. Bewerken van
contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens................ 324
Nieuwe contactgegevens
aan contacten toevoegen .. 329
Favorieten registreren.......... 332
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de
berichtfunctie ..................... 334
Bellen via de berichtfunctie.. 339
295
7
Handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen
Door het aansluiten van een Bluetooth® mobiele telefoon (hierna "mobiele
telefoon" genoemd) die door het systeem is geverifieerd, kan de
telefoonfunctie worden gebruikt om telefoongesprekken te starten en te
ontvangen zonder de mobiele telefoon rechtstreeks te bedienen. Dit staat
bekend als handsfree bellen.
De mobiele telefoon moet de specificaties van het multimediasysteem
ondersteunen om er verbinding mee te kunnen maken. Maar houd er
rekening mee dat sommige functies beperkt beschikbaar zijn, afhankelijk
van het type mobiele telefoon.
Zelfs wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto kan
het scherm voor handsfree bellen mogelijk niet worden weergegeven,
afhankelijk van de omstandigheden.
INFORMATIE
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het gebruik van de
mobiele telefoon met de handsfree-functie.
De handsfree-functie kan pas worden gebruikt als de mobiele telefoon
geregistreerd is in het multimediasysteem en verbonden is via Bluetooth®.
Registreer eerst een mobiele telefoon om handsfree te kunnen bellen.
Verzeker u ervan dat de mobiele telefoon gebruik kan maken van de
Bluetooth®-connectiviteit.
Tijdens het afspelen van audio via Bluetooth® kunnen bij het starten of
ontvangen van een telefoongesprek de weergave op het scherm en de
toets- of beltoon vertraagd zijn.
Er kan niet worden gegarandeerd dat het multimediasysteem werkt met alle
Bluetooth®-apparaten.
De volgende problemen kunnen zich voordoen, afhankelijk van het type
mobiele telefoon.
Als het contact wordt bediend tijdens een handsfree gesprek, kan de
verbinding worden verbroken.
Mogelijk wordt het oproepscherm niet weergegeven of wordt het belscherm
weergegeven zolang de andere partij de telefoon nog niet heeft opgenomen.
Zelfs wanneer het nummer wordt ingevoerd via het numerieke toetsenbord
op het oproepscherm, worden de toetstonen mogelijk niet doorgestuurd,
afhankelijk van de mobiele-serviceprovider.
Na het kiezen van het nummer kan het nodig zijn om extra handelingen uit te
voeren op de mobiele telefoon.
Handsfree bellen is mogelijk niet beschikbaar in de volgende situaties.
Buiten het dekkingsgebied van de provider
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
296
Wanneer uitgaande oproepen geblokkeerd worden, bijvoorbeeld als het
netwerk overbelast is
Tijdens noodoproepen
Tijdens het synchroniseren van contactgegevens vanuit de mobiele telefoon
Als de kiesvergrendeling is ingeschakeld voor de mobiele telefoon
Als de mobiele telefoon in gebruik is, zoals tijdens het versturen van data
Als de mobiele telefoon defect is
Als de mobiele telefoon niet verbonden is
Als de batterij van de mobiele telefoon bijna leeg is
Als de mobiele telefoon uitgeschakeld is
Als de instellingen voorkomen dat de mobiele telefoon kan worden gebruikt
voor handsfree bellen
Tijdens het overschakelen van datacommunicatie of overbrengen van
contacten naar handsfree bellen met het multimediasysteem. (Tijdens het
overschakelen wordt de Bluetooth®-verbindingsstatus niet weergegeven.)
Als de mobiele telefoon zelf niet kan worden gebruikt vanwege een bepaalde
reden
Als de handsfree-functie gelijktijdig met Wi-Fi® (Wi-Fi® of Miracast®) wordt
gebruikt; de Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt dan mogelijk
verbroken.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon te
bedienen tijdens het rijden.
Mensen met een geïmplanteerde pacemaker, CRT-pacemaker of
geïmplanteerde hartdefibrillator moeten voldoende afstand bewaren tot
de Bluetooth®-antennes. Radiogolven kunnen de werking van dergelijke
apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of
leverancier van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed
uitoefenen op deze apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten
hebben op de werking van dergelijke medische apparatuur.
OPMERKING
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
297
7
Handsfree bellen
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten (Blz. 142)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 145)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 146)
Voorzorgsmaatregelen voor audio bij bellen
Bij een handsfree gesprek kan de in de auto ingebouwde microfoon
worden gebruikt om te praten. Houd rekening met de volgende informatie
bij handsfree bellen.
Bij het ontvangen van oproepen en het voeren van een telefoongesprek
komt het geluid uit de luidsprekers aan beide zijden van de voorstoelen.
Het stemgeluid wordt gedept als een geluid of beltoon klinkt vanaf het
handsfree-systeem.
INFORMATIE
Wacht tijdens een telefoongesprek met praten totdat de gesprekspartner is
uitgepraat. Indien beide partijen tegelijkertijd spreken, is mogelijk moeilijk te
verstaan wat de ander zegt.
Als het ontvangstvolume te hoog is, is de stem van de gesprekspartner
mogelijk buiten de auto hoorbaar of klinkt er mogelijk een echo.
Praat duidelijk en met luide stem.
In de volgende omstandigheden bent u voor uw gesprekspartner mogelijk
moeilijk te verstaan.
Er wordt op een onverharde weg gereden.
Er wordt met hoge snelheid gereden.
Het dak of de ruiten zijn geopend.
Als de ventilator van de airconditioning te veel geluid maakt.
De geluidskwaliteit wordt negatief beïnvloed (bijv. ruis of echo) als gevolg van
de telefoon en/of het netwerk dat wordt gebruikt.
Als er gelijktijdig andere Bluetooth®-apparaten zijn aangesloten, wordt er
mogelijk ruis gegenereerd in de audio van het handsfree-systeem.
Als het multimediasysteem is geconfigureerd voor het gebruik van de Wi-Fi®-
functie (Wi-Fi® of Miracast®), wordt er mogelijk ruis gegenereerd in de audio
van het handsfree-systeem.
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
298
Voorzorgsmaatregelen wanneer u de auto verkoopt of
wegdoet
Wanneer u het handsfree-systeem gebruikt, wordt een groot aantal
persoonlijke gegevens geregistreerd. Zorg ervoor dat u deze gegevens wist
voordat u de auto verkoopt of wegdoet.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in
het multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de
fabrieksstandaard. Het is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie
voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen (Blz. 95)
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
299
7
Handsfree bellen
Wanneer handsfree bellen mogelijk niet functioneert
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt, raadpleeg dan de
onderstaande tabel voor de mogelijke oorzaak en de oplossing.
Gebruikmaken van handsfree bellen
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Handsfree bellen
werkt niet
Uw mobiele telefoon
ondersteunt geen
Bluetooth®.
Neem voor een overzicht
van specifieke apparaten
die geschikt zijn voor dit
multimediasysteem contact op
met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
Uw mobiele telefoon
ondersteunt niet
de juiste Bluetooth®-
versie.
Gebruik een mobiele telefoon die
de Bluetooth® Core-specificatie
versie 5.0 of hoger ondersteunt.
Mobiele telefoon registreren en verbinden
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Uw mobiele telefoon
kan niet worden
geregistreerd
De
registratieprocedure
van de mobiele
telefoon is niet
voltooid.
Als er een authenticatieverzoek
wordt weergegeven op uw
mobiele telefoon, accepteer dit
dan en ga verder met de
registratieprocedure.
Er is verouderde
registratie-informatie
aanwezig op
hetzij de mobiele
telefoon hetzij het
multimediasysteem.
Verwijder de registratie-informatie
van zowel het multimediasysteem
als de mobiele telefoon en voer
de registratieprocedure opnieuw
uit.
Kan geen verbinding
maken via Bluetooth®
Er is al een
andere mobiele
telefoon verbonden
via Bluetooth®.
Maak handmatig een
Bluetooth®-verbinding met de
mobiele telefoon vanaf het
multimediasysteem.
Bluetooth® is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Zorg ervoor dat het contact in
stand ACC of AAN staat en
schakel Bluetooth® in op de
mobiele telefoon.
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
300
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan geen verbinding
maken via Bluetooth®
De registratie-
informatie van de
mobiele telefoon is
verwijderd.
Verwijder de registratie-informatie
van zowel het multimediasysteem
als de mobiele telefoon en voer
de registratieprocedure opnieuw
uit.
Bellen
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan niet bellen of
gebeld worden
Buiten het bereik van
een mobiel netwerk
Rijd de auto naar een gebied met
mobiele dekking.
Oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) is
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) uit op de
mobiele telefoon.
Contacten
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan contactgegevens
niet automatisch
of handmatig
overbrengen
De mobiele telefoon
ondersteunt het
overbrengen van
contactgegevens niet.
Neem voor een overzicht
van specifieke apparaten
die geschikt zijn voor dit
multimediasysteem contact op
met een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
bij de Bluetooth®-
instellingen van het
multimediasysteem
staat uit.
Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) in bij
de Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
De mobiele
telefoon wacht op
bevestiging om de
contactgegevens over
te brengen.
Bevestig het overbrengen van
contactgegevens op de mobiele
telefoon.
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
301
7
Handsfree bellen
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Op de mobiele
telefoon wordt een
bevestigingsverzoek
weergegeven.
Tijdens de
bevestiging is niet
de optie om
alles te bevestigen
geselecteerd.
Selecteer de optie om alles
te bevestigen op de mobiele
telefoon en ga dan verder.
De contactgegevens
zijn ergens anders
opgeslagen
De contacten zijn
niet opgeslagen in de
mobiele telefoon zelf.
Sla de contacten op in de mobiele
telefoon.
Contactgegevens
kunnen niet worden
gewijzigd
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren)
bij de Bluetooth®-
instellingen van het
multimediasysteem
staat aan.
Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) uit bij
de Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
Bij gebruik van de Bluetooth®-berichtfunctie
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Berichten kunnen niet
worden bekeken.
Het overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het overbrengen van
berichten op de mobiele telefoon
in (bevestig het overbrengen van
berichten op de telefoon).
Er worden geen
meldingen voor
nieuwe berichten
weergegeven.
Het automatisch
overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het automatisch
overbrengen op de mobiele
telefoon in.
Overige omstandigheden
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Het probleem
verdwijnt niet na het
toepassen van de
mogelijke oplossing.
De mobiele telefoon
bevindt zich te
ver van het
multimediasysteem
vandaan.
Houd de mobiele telefoon dichter
bij het multimediasysteem.
Elektromagnetische
storing.
Zet apparaten uit die
mogelijk elektromagnetische
golven produceren, zoals Wi-Fi®-
apparaten.
Schakel Wi-Fi® uit op het
multimediasysteem.
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
302
Verschijnsel Mogelijke oorzaak Oplossing
Het probleem
verdwijnt niet na het
toepassen van de
mogelijke oplossing.
Een probleem met de
mobiele telefoon.
Schakel de mobiele telefoon uit
en verwijder indien mogelijk de
batterij.
Zet Bluetooth® aan op de mobiele
telefoon.
Zet Wi-Fi® uit op de mobiele
telefoon.
Schakel alle beveiligingssoftware
en andere apps die op de
achtergrond actief zijn uit op de
mobiele telefoon.
Controleer of de mobiele telefoon
verbonden is met de juiste
provider en of de apps normaal
functioneren.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon voor meer informatie.
Verwante onderwerpen
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het multimediasysteem
(Blz. 146)
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat (Blz. 150)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Wi-Fi®-verbinding verbreken (Blz. 162)
7-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
303
7
Handsfree bellen
Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Sommige handsfree belfuncties kunnen worden bediend vanaf de
stuurwieltoetsen, zoals bellen of gebeld worden. De functies van de
stuurwieltoetsen kunnen verschillen, afhankelijk van de status van het
multimediasysteem.
Bedien de toetsen indien nodig.
Toets []
Verhoogt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Verlaagt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om
ononderbroken in te stellen.
Toets [ ]
U kunt bellen met behulp van een spraakcommando.
Houd de spraaktoets ingedrukt om het spraakcommando te beëindigen.
Toets [ ]
Wanneer op het multimediasysteem een ander scherm dan het
telefoonscherm wordt weergegeven, kan het geschiedenisscherm worden
weergegeven.
Wanneer op het multimediasysteem het telefoonscherm en [ ] worden
weergegeven, kan er worden gebeld.
Wanneer op het multimediasysteem het telefoonscherm en [ ] niet worden
weergegeven, kan het geschiedenisscherm worden weergegeven.
Wanneer u iemand belt of tijdens een telefoongesprek kunt u hiermee het
gesprek beëindigen.
Wanneer u een oproep ontvangt of wanneer een gesprek in de wacht staat,
kunt u hiermee de oproep beantwoorden.
INFORMATIE
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, drukt u op
[ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of Android Auto op het
multimediasysteem weer te geven.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay en een handsfree telefoon,
drukt u op [ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of het
7-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
304
multimediasysteem weer te geven. De laatst gebruikte functie krijgt prioriteit.
Als geen van beide is gebruikt, krijgt het primaire apparaat prioriteit.
Wanneer er verbinding is met Android Auto en een handsfree telefoon, drukt
u op [ ] om het telefoonscherm van het multimediasysteem weer te
geven.
Wanneer u een oproep ontvangt, kunt u deze beantwoorden door [ ] in te
drukken. Hiermee wordt het telefoonscherm voor de binnenkomende oproep
op de mobiele telefoon weergegeven (handsfree telefoon, Apple CarPlay of
Android Auto).
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
(Blz. 163)
Spraakbediening starten (Blz. 64)
7-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
305
7
Handsfree bellen
Bellen
Bellen vanuit oproepgeschiedenis
Er kan worden gebeld naar telefoonnummers die in de oproepgeschiedenis
zijn opgeslagen als uitgaande of binnenkomende oproepen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Recents] (recent) in het submenu.
3Selecteer het contact.
Voor telefoonnummers die niet bij het
contact zijn geregistreerd, wordt het
telefoonnummer weergegeven zoals
het is.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
De laatste 100 vermeldingen in de oproepgeschiedenis worden
weergegeven. Als de oproepgeschiedenis de 100 vermeldingen
overschrijdt, worden geschiedenisitems automatisch verwijderd, te
beginnen bij het oudste.
De oproepgeschiedenis van uitgaande oproepen wordt als volgt
geregistreerd, afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld naar een telefoonnummer dat is geregistreerd in
contacten of in het navigatiesysteem, worden de eventuele naams- en
afbeeldingsgegevens ook geregistreerd.
Wanneer u naar hetzelfde telefoonnummer belt, wordt achter de naam
van het contact het aantal oproepen weergegeven.
De oproepgeschiedenis van binnenkomende oproepen wordt als volgt
geregistreerd, afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld door een telefoonnummer dat is geregistreerd in
contacten, worden de eventuele naams- en afbeeldingsgegevens ook
geregistreerd.
Als er meerdere keren door hetzelfde telefoonnummer is gebeld,
worden alle oproepen geregistreerd.
Ook gemiste en geweigerde oproepen worden geregistreerd.
Als het telefoonnummer van de beller is afgeschermd, wordt de oproep
geregistreerd als "Unknown (onbekend)".
Ook oproepen die in de wacht zijn gezet, worden in de
oproepgeschiedenis geregistreerd.
7-3. Bellen
306
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan er mogelijk niet
internationaal worden gebeld.
7-3. Bellen
307
7
Handsfree bellen
Bellen via de lijst met favorieten
Bel via uw lijst met favorieten door uw contacten aan uw favorieten toe te
voegen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten) in het submenu.
3Selecteer de persoon die u
wilt bellen in uw lijst met
favorieten.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
Wanneer [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
worden de favorieten op de mobiele telefoon automatisch overgebracht
naar het multimediasysteem.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kunnen favorieten niet worden
overgebracht.
De gegevens van de favorieten kunnen ook worden geregistreerd
vanuit de gegevens die zijn geregistreerd in de contacten op het
multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
Overbrengen van contactgegevens (Blz. 324)
7-3. Bellen
308
Bellen vanuit contactenlijst
U kunt bellen naar contacten die zijn opgeslagen in het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) in het submenu.
3Selecteer een contact.
4Kies het gewenste
telefoonnummer.
INFORMATIE
Als de toets [Sync contacts] (contacten synchroniseren) op het scherm
wordt weergegeven, kunt u hiermee contactgegevens van uw mobiele
telefoon kopiëren naar het multimediasysteem.
Als er nog geen contactgegevens zijn opgeslagen moeten deze eerst
worden gekopieerd naar of aangemaakt in het multimediasysteem.
De contacten van de actieve mobiele telefoon worden weergegeven in het
multimediasysteem.
Als er 2 mobiele telefoons zijn verbonden, worden de contacten getoond
van de telefoon die is geselecteerd voor handsfree bellen.
Verwante onderwerpen
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen (Blz. 329)
Overbrengen van contactgegevens (Blz. 324)
7-3. Bellen
309
7
Handsfree bellen
Bellen via het toetsenblok
Voer het telefoonnummer in op het toetsenblok om te bellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Keypad] (toetsenblok) in het submenu.
3Voer het telefoonnummer in.
4Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
U kunt ook bellen door een contact
te kiezen dat in het submenu wordt
weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon moet mogelijk de mobiele telefoon
worden bediend.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
7-3. Bellen
310
Pechhulp van Lexus bellen*1
U kunt de pechhulp van Lexus bellen via de lijst met favorieten.De oproep
moet worden gedaan vanuit een land dat het gebruik van de pechhulp
van Lexus ondersteunt.Het land moet zijn geregistreerd om deze functie te
kunnen gebruiken.
Deze functie is in sommige landen/gebieden niet beschikbaar.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten) in het submenu.
3Kies [Lexus assistance] (Lexus-assistentie) in de lijst met
favorieten.
4Kies het telefoonnummer.
Het land registreren in Lexus-assistentie
Het land moet worden geregistreerd in Lexus-assistentie om gebruik te
kunnen maken van Lexus-pechhulp.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten) in het submenu.
3Kies [Lexus assistance] (Lexus-assistentie) in de lijst met
favorieten.
4Kies [Select a country] (selecteer land).
5Selecteer het land.
6Kies [OK].
*1 : Met navigatiefunctie
7-3. Bellen
311
7
Handsfree bellen
Bellen met behulp van een wacht- of pauzesignaal
Nummers met wacht- (w) of pauzesignalen (p) kunnen worden gebeld.
Het doorverbinden met de nummers die volgen op het wacht- (w) of
pauzesignaal (p) wordt gedurende ongeveer 2 seconden onderbroken of
gestopt.
Een wachtsignaal (w) onderbreekt het doorverbinden met het nummer.
Het doorverbinden wordt hervat na een handeling door de gebruiker tot
het volgende wachtsignaal (w). Bij nummers met een pauzesignaal (p)
stopt het doorverbinden gedurende ongeveer 2 seconden voordat het
volgende nummer wordt doorverbonden.
Een pauzesignaal (p) zorgt ervoor dat het doorverbinden met het
nummer gedurende ongeveer 2 seconden wordt gestopt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) in het submenu.
3Selecteer het contact.
4Selecteer het telefoonnummer dat een wacht- (w) of pauzesignaal
(p) omvat.
5Als het telefoonnummer een
wachtsignaal (w) omvat, kies
dan [ ].
Wanneer [ ] wordt gekozen, wordt
het nummer dat werd onderbroken
door het wachtsignaal (w) alsnog
doorverbonden tot het volgende
wachtsignaal (w). Bij nummers met
een pauzesignaal (p) stopt het
doorverbinden gedurende ongeveer 2 seconden voordat het volgende nummer
wordt doorverbonden.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het wachtsignaal mogelijk
weergegeven als een komma (,) en het pauzesignaal als een puntkomma
(;) op het scherm van de mobiele telefoon.
Deze functie wordt gebruikt voor internationale telefoongesprekken.
Vrijgavetonen kunnen worden gebruikt wanneer automatische bediening
van een telefoonservice, zoals een antwoordapparaat of een
telefoonservice van een bank, gewenst is. Een telefoonnummer met een
wacht- (w) of pauzesignaal (p) kan worden geregistreerd in de lijst met
contacten.
7-3. Bellen
312
Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden
Wanneer een oproep wordt ontvangen, klinkt er een beltoon
en wordt het scherm voor binnenkomende oproepen of de
melding voor binnenkomende oproepen weergegeven. Wanneer het
spraakcommandosysteem [de spraakondersteuning] is ingeschakeld,
start het spraakcommandosysteem wanneer een oproep wordt ontvangen.
Beantwoord de oproep door een
van de volgende handelingen uit
te voeren.
Kies [ ].
Druk op de toets [ ] op het
stuurwiel.
Spreek een spraakcommando uit om
de telefoon op te nemen met behulp
van het spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
Het scherm voor binnenkomende oproepen wordt niet weergegeven zolang
het scherm van het Peripheral Monitoring-systeem wordt weergegeven. Er
wordt alleen via een beltoon melding gemaakt van een binnenkomende
oproep.
Tijdens een binnenkomende oproep worden afgezien van het geluid van de
handsfree oproep alle andere geluiden gedempt. Gesproken aanwijzingen
met een hogere prioriteit dan de handsfree oproep worden echter niet
gedempt.
Zelfs als de beltoon van de mobiele telefoon is ingesteld op het
multimediasysteem, laat het multimediasysteem mogelijk een andere
beltoon horen, afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon, zoals rijmodus, kunt
u mogelijk geen oproepen ontvangen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het onderstaande zich
voordoen.
Mogelijk is de beltoon zowel via de luidsprekers van de auto als via de
mobiele telefoon te horen.
Wanneer u een oproep ontvangt, wordt het nummer van degene die belt
mogelijk niet weergegeven.
Als u een oproep rechtstreeks op de mobiele telefoon hebt beantwoord of
als de mobiele telefoon is ingesteld op het automatisch beantwoorden van
oproepen, blijft de oproep mogelijk op de mobiele telefoon.
Als er een oproep binnenkomt terwijl de mobiele telefoon gegevens
verzendt, wordt het scherm voor binnenkomende oproepen mogelijk niet
7-4. Oproepen beantwoorden
313
7
Handsfree bellen
weergegeven op het multimediasysteem en is er mogelijk geen beltoon te
horen.
Als de mobiele telefoon automatische overdracht van contactgegevens
ondersteunt (PBAP), de afbeeldingsgegevens in contacten zijn overgebracht
en [Display contact images] (afb. contacten weergeven) is ingeschakeld,
wordt de afbeelding van het contact naast het telefoonnummer weergegeven
wanneer een oproep wordt ontvangen.
Als de beltooninstelling op het multimediasysteem op iets anders is ingesteld
dan de beltoon van de mobiele telefoon, klinkt de beltoon die op het
multimediasysteem is geregistreerd, zelfs als de mobiele telefoon in de stille
modus (trillen) is gezet of de beltoon is verwijderd.
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een
telefoonnummer waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is
ingesteld dat hij moet worden geweigerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 62)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
7-4. Oproepen beantwoorden
314
Oproepen weigeren
Op het multimediasysteem kunnen oproepen op verschillende manieren
worden geweigerd.
Wanneer u een oproep ontvangt, voer dan een van de volgende
handelingen uit om de oproep te weigeren:
Kies [ ].
Bedien de mobiele telefoon rechtstreeks.
Spreek een spraakcommando uit om de oproep te weigeren met behulp van
het spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een
telefoonnummer waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is ingesteld
dat hij moet worden geweigerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 62)
7-4. Oproepen beantwoorden
315
7
Handsfree bellen
Bediening tijdens telefoongesprekken
Bediening vanaf het belscherm
Tijdens een gesprek kunnen verschillende handelingen worden uitgevoerd
via het belscherm.
[ ] : Schakel de microfoon uit
zodat de persoon aan de andere kant
van de lijn niet kan horen wat er
wordt gezegd. De toets kleurt blauw
als deze actief is.
Kies nogmaals de toets om deze
functie uit te schakelen.
U kunt zelf nog steeds horen wat
de andere persoon zegt.
[ ] : Geeft het toetsenblok weer. Het belscherm wordt klein
weergegeven zolang het toetsenblok wordt weergegeven.
[ ] : Beëindigt een gesprek.
[ ] : Toont de lijst met contacten in het submenu om iemand anders te
kunnen bellen.
U kunt tijdens een gesprek iemand anders bellen door het
telefoonnummer van deze persoon te kiezen.
[ ] : Wisselt het gesprek tussen mobiele telefoon en multimediasysteem.
De toets kleurt blauw als het gesprek via de mobiele telefoon loopt.
[ ] : Annuleert de oproep. Alleen zichtbaar als er een gesprek in de
wacht staat.
[ ] : Verkleint het belscherm.
[ ] : Toont het belscherm in het hoofdgebied.
[ ] : Geeft het optiescherm weer.
De volgende handelingen kunnen worden uitgevoerd via het
optiescherm.
[Transmit] (verzenden) : Regelt
het volume van het gesprek.
Wijzigen van het volume
kan nadelig zijn voor de
geluidskwaliteit.
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
316
[Navigation]*1 (navigatie) : Dempt de stembegeleiding van het
navigatiesysteem.
Schakel [Navigation] (navigatie) in om dit ongedaan te maken.
[On hold] (in de wacht) : Zet het gesprek tijdelijk in de wacht.
Schakel [On hold] (in de wacht) uit om dit ongedaan te maken.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk
niet worden gebruikt.
[ ] : Keert terug naar het belscherm. Als u terugkeert naar het
belscherm terwijl er een gesprek in de wacht staat, kunt u terugkeren
naar het gesprek in de wacht door het optiescherm opnieuw te openen.
INFORMATIE
Afhankelijk van de gebruikstoestand van het multimediasysteem wordt het
belscherm verkleind of niet weergegeven.
Het wisselen tussen gesprekken is afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Tijdens het rijden kan een gesprek via het handsfree-systeem niet worden
overgezet naar de mobiele telefoon. Het wisselen tussen gesprekken is
afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Als de mobiele telefoon waarmee u belt als handsfree-telefoon is verbonden
met het multimediasysteem, wordt het bezetscherm weergegeven. Afhankelijk
van het type mobiele telefoon kan de oproep een mobiele telefoon of een
multimediasysteem zijn.
Als u het contact UIT zet tijdens een gesprek via de handsfree-functie wordt,
afhankelijk van het type mobiele telefoon, de verbinding verbroken dan wel
overgezet naar de mobiele telefoon. Als u het gesprek wilt voortzetten op de
mobiele telefoon vereist dit mogelijk actie op de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
*1 : Met navigatiefunctie
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
317
7
Handsfree bellen
Een onderbroken oproep beantwoorden
Als u tijdens een lopend gesprek een tweede oproep ontvangt van
een andere partij, kan een wisselgesprek worden toegepast om beide
oproepen af te handelen. Wanneer een tweede oproep wordt ontvangen,
wordt bovenaan het scherm een melding van een binnenkomende oproep
weergegeven.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de
mogelijkheid tot een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet worden
gebruikt.
Wanneer u een tweede oproep
ontvangt, kiest u [ ] op het
scherm of drukt u op de toets
[ ] op het stuurwiel.
Wanneer u de tweede oproep
beantwoordt, wordt de eerste oproep in
de wacht gezet.
Telkens wanneer [Swap calls] (wissel
gesprek) wordt gekozen, wordt er
overgeschakeld naar de gesprekspartner die in de wacht staat.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
Tweede oproepen weigeren
Als een tweede oproep wordt ontvangen tijdens een ander gesprek, kan
deze oproep worden geweigerd.
Kies [ ] wanneer u een tweede oproep ontvangt.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon worden mogelijke beide oproepen
afgebroken. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
318
Iemand anders bellen tijdens een lopend gesprek
U kunt tijdens een lopend gesprek iemand anders bellen.
1Kies [ ] op het belscherm.
2Selecteer het contact.
3Selecteer het telefoonnummer.
Met deze functie wordt de andere
partij tijdens een telefoongesprek in
de wacht gezet.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de
mogelijkheid tot een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet
worden gebruikt.
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
319
7
Handsfree bellen
Een conferencecall starten
Voeg de persoon in de wacht toe aan het actieve gesprek.
Druk tijdens een gesprek op [Merge calls] (gesprekken
samenvoegen).
Gesprekken die in de wacht staan, worden toegevoegd aan de conferencecall.
INFORMATIE
Mogelijk dient u een extra abonnement voor conferencecalls af te sluiten bij
uw mobiele provider.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet
worden gebruikt.
Zodra de conferencecall eindigt, wordt de verbinding met alle deelnemers
verbroken.
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
320
Beëindigen van gesprekken
Een handsfree-gesprek kan op verschillende manier worden beëindigd.
Voer een van de volgende handelingen uit tijdens het gesprek.
Druk op de toets [ ] op het stuurwiel.
Houd de toets ingedrukt om alle gesprekken te beëindigen, ook gesprekken in
de wacht.
Kies [ ] wanneer u iemand belt of op het belscherm.
Bedien de mobiele telefoon om het gesprek te beëindigen.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
7-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
321
7
Handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Als er met 2 mobiele telefoons verbinding is gemaakt als handsfree
telefoon, kunnen beide mobiele telefoons worden gebruikt. Handsfree
telefoons bieden de mogelijkheid om te wisselen tussen de mobiele
telefoons. Het scherm voor handsfree bellen geeft de gegevens van de
geselecteerde mobiele telefoon weer, zoals contacten en geschiedenis.
Functies zoals binnenkomende oproepen kunnen ook worden gebruikt met
de mobiele telefoon die niet is geselecteerd.
Om 2 handsfree telefoons aan te kunnen sluiten, moet u een
gebruikersprofiel registreren en de geregistreerde bestuurder instellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Devices] (apparaten).
3Selecteer de mobiele telefoon
die u wilt gebruiken.
Er kan geen andere mobiele telefoon
worden geselecteerd wanneer u aan
het bellen bent, een oproep ontvangt
of een oproep plaatst.
INFORMATIE
Als er een oproep wordt geplaatst vanaf een ander scherm dan het scherm
voor handsfree bellen, wordt de oproep geplaatst op het primaire apparaat.
Als u handsfree belt met een van beide apparaten, kunt u niet vanaf het
andere apparaat een oproep plaatsen.
Wanneer er met een van de handsfree telefoons wordt gebeld en er
met de andere handsfree telefoon een binnenkomende oproep wordt
beantwoord, wordt de verbinding met de eerste telefoon verbroken.
De volgende functies zijn ook beschikbaar op de telefoon die niet is
geselecteerd:
Functie voor binnenkomende oproepen
Functie voor ontvangen en versturen van berichten (wanneer een
bericht wordt ontvangen)
Het primaire apparaat wordt niet noodzakelijkerwijs gewijzigd, ook al wordt
er van mobiele telefoon gewisseld.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel (“My settings” (mijn instellingen))
(Blz. 75)
7-6. Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
322
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel (Blz. 82)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat (Blz. 155)
7-6. Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
323
7
Handsfree bellen
Bewerken van contactgegevens
Overbrengen van contactgegevens
Er kunnen maximaal 5000 contacten worden geregistreerd voor elke
aangesloten mobiele telefoon. Alleen de contacten die bij de aangesloten
mobiele telefoon horen, kunnen worden weergegeven. In de contacten
kunnen maximaal 4 telefoonnummers per contact worden geregistreerd.
Contacten worden beheerd voor elke aangesloten telefoon.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die
handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) of automatisch
overbrengen van contactgegevens (PBAP) ondersteunen. Raadpleeg de
bijgeleverde handleiding of compatibele profielen voor de aangesloten
mobiele telefoon om te bepalen of een van beide wordt ondersteund.
Om contacten automatisch over te brengen (PBAP) moet [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) in de Bluetooth®-instellingen worden
ingeschakeld.
INFORMATIE
Bij het overbrengen van contactgegevens zijn alle gegevens onderhevig aan de
volgende beperkingen.
Als er 5 of meer telefoonnummers zijn geregistreerd voor één contact,
worden alle telefoonnummers in het multimediasysteem geregistreerd als
meerdere contacten met dezelfde naam.
De naam wordt tegelijkertijd met het telefoonnummer overgebracht.
Afhankelijk van de uitvoering worden kanji en symbolen mogelijk niet
overgebracht of wordt geen enkel karakter overgebracht. En als ze wel
worden overgebracht, worden ze mogelijk niet correct weergegeven.
In principe wordt het geheime geheugen niet gelezen. (In sommige gevallen
gebeurt dat mogelijk wel, afhankelijk van de specificaties van de mobiele
telefoon.)
De groepsnamen die in de mobiele telefoon zijn geregistreerd, worden niet
overgebracht.
Het type telefoonnummer dat wordt getoond in contacten op het
multimediasysteem wordt automatisch toegewezen op basis van informatie
van het bronapparaat. Afhankelijk van het type mobiele telefoon en de
gebruiksomgeving zijn de iconen mogelijk allemaal hetzelfde.
Telefoons die handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) niet
ondersteunen, kunnen geen contacten toevoegen via Bluetooth®.
Typen mobiele telefoons die batchoverdracht ondersteunen, hebben de
volgende kenmerken bij het overbrengen van contactgegevens.
Het overbrengen kan langer dan 10 minuten duren.
7-7. Bewerken van contactgegevens
324
Zelfs als het scherm voor het overbrengen van contactgegevens wordt
weergegeven, kan worden overgeschakeld op een ander scherm. In dat
geval gaat het overbrengen van contactgegevens verder.
Er wordt op de volgende wijze omgegaan met gebeurtenissen tijdens het
overbrengen van contactgegevens.
Als er een oproep wordt ontvangen tijdens handmatig overbrengen van
contactgegevens (OPP) wordt de oproep op de mobiele telefoon zelf
ontvangen. Tijdens het handmatig overbrengen kan er niet gebeld worden
vanaf het apparaat in de auto.
Als de mobiele telefoon geen automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP) en geen handmatig overbrengen van
contactgegevens (OPP) ondersteunt, kunnen gegevens niet via
Bluetooth® worden overgebracht. De contactgegevens kunnen wel worden
overgebracht met behulp van een USB-stick.
Als het contact UIT wordt gezet tijdens het overbrengen van
contactgegevens, wordt het overbrengen geannuleerd. Start in dat geval de
motor <het hybridesysteem> en voer de handelingen voor het overbrengen
nogmaals uit.
In de volgende gevallen worden de contactgegevens die worden overgebracht,
niet opgeslagen. (Sommige al overgebrachte gegevens worden ook niet
opgeslagen.)
Als automatisch overbrengen (PBAP) halverwege wordt beëindigd ten
gevolge van de geheugencapaciteit van het multimediasysteem.
Als automatisch overbrengen (PBAP) om een bepaalde reden wordt
onderbroken.
De contactgegevens van het multimediasysteem kunnen niet worden
overgebracht naar de mobiele telefoon.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de Bluetooth®-
audioverbinding mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is voltooid, wordt
er opnieuw verbinding gemaakt. (Opnieuw verbinding maken is bij sommige
uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
Zorg ervoor dat het multimediasysteem bij het overbrengen is opgestart.
Met automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) kunnen contacten,
favorieten en geschiedenis worden overgebracht naar het multimediasysteem.
Bij sommige typen mobiele telefoons kunnen favorieten niet worden
overgebracht.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, worden
de favorieten van de mobiele telefoon automatisch overgebracht naar het
multimediasysteem.
Afhankelijk van het type kan het nodig zijn om handelingen uit te voeren
op de mobiele telefoon tijdens het overbrengen van contactgegevens met
automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP).
7-7. Bewerken van contactgegevens
325
7
Handsfree bellen
Als u contacten wilt overbrengen via automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP) moet u de instelling voor het delen van contacten
op uw mobiele telefoon inschakelen.
Als automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) niet wordt gestart,
wordt het mogelijk gestart als alle andere functies zijn voltooid.
Schakel [Display contact images] (afbeeldingen contact weergeven) in de
Bluetooth®-instellingen in om de afbeeldingen van contacten weer te geven.
Om de afbeeldingen van contacten over te brengen, moeten [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) en [Display contact images] (afbeeldingen
contact weergeven) worden ingeschakeld in de Bluetooth®-instellingen.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 145)
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Contactgegevens van mobiele telefoons overbrengen met
behulp van handmatig overbrengen (OPP)
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de mobiele telefoon zijn
geregistreerd, kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem
met behulp van het handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP).
Wanneer [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
wordt dit uitgeschakeld wanneer het overbrengen van het telefoonboek is
voltooid.
INFORMATIE
Contactgegevens kunnen niet worden overgebracht met behulp van handmatig
overbrengen van contactenlijst (OPP) wanneer Android Auto voor het
overbrengen is verbonden met de mobiele telefoon.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten) in het submenu.
3Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with Bluetooth]
(overschrijven met
Bluetooth) : Hiermee overschrijft
u de huidige contactgegevens.
[Add with Bluetooth] (toevoegen
met Bluetooth) : Hiermee voegt
7-7. Bewerken van contactgegevens
326
u items toe aan de huidige contactgegevens.
4Bedien de mobiele telefoon om contactgegevens over te brengen.
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop
wordt gemeld dat het overbrengen is mislukt.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 145)
Overbrengen van contactgegevens van de telefoon vanaf een
USB-stick
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de USB-stick zijn
geregistreerd, kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem.
Wanneer [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
wordt dit uitgeschakeld wanneer het overbrengen van het telefoonboek
is voltooid.
Deze functie kan niet worden gebruikt als er verbinding is met Apple
CarPlay of Android Auto.
Alleen contactgegevens die in vCard-formaat (.vcf) zijn opgeslagen op
een USB-stick kunnen worden overgebracht.
Andere gegevens op een USB-stick kunnen niet worden overgebracht.
Controleer of de mobiele telefoon kan worden gebruikt in combinatie met
het multimediasysteem alvorens handelingen uit te voeren.
1Sluit de USB-stick aan op de USB-aansluiting.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Update contacts] (update contacten) in het submenu.
4Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with USB]
(overschrijven met
USB) : Hiermee overschrijft u
de huidige contactgegevens met
de contactgegevens op de USB-
stick.
[Add with USB] (toevoegen met
USB) : Hiermee voegt u contactgegevens op de USB-stick toe aan
huidige contactgegevens.
5Selecteer de bestanden die u wilt overbrengen vanuit de lijst met
bestanden.
6Kies [OK].
7-7. Bewerken van contactgegevens
327
7
Handsfree bellen
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop
wordt gemeld dat het overbrengen is mislukt.
INFORMATIE
Gegevens in vCard-formaat kunnen worden overgebracht als contacten, zelfs
bij gebruik van een mobiele telefoon die is aangesloten via USB. In sommige
gevallen kunnen ook gegevens die zijn opgeslagen op een SD-kaart in een
mobiele telefoon worden overgebracht.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting (Blz. 41)
7-7. Bewerken van contactgegevens
328
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen
Contacten kunnen worden aangemaakt door gegevens rechtstreeks in
contacten op het multimediasysteem in te voeren. Voor iedere persoon
in contacten, kunnen de naam, telefoonnummers (maximaal 4) en
telefoontypes (1 voor elk telefoonnummer, zoals thuis en mobiel nummer)
worden geregistreerd.
Nieuwe gegevens kunnen ook worden toegevoegd via [Modify
contact list] (lijst met contacten aanpassen) op het scherm met de
oproepgeschiedenis om het scherm voor het bewerken van contacten
weer te geven.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld,
kunnen er geen nieuwe contacten aan het multimediasysteem worden
toegevoegd. Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit
voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten) in het submenu.
3Kies [Add manually] (handmatig toevoegen).
4Selecteer alle items en voer ze
in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra
telefoonnummers in te stellen.
Als er geen telefoonnummer
is ingevoerd, kan er
geen telefoonnummer worden
toegevoegd.
Selecteer het telefoontype (zoals
thuis of mobiel) voor het telefoonnummer.
5Kies [Save] (opslaan).
Een item kan alleen worden geregistreerd als een naam en telefoonnummer
zijn ingevoerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Bellen vanuit oproepgeschiedenis (Blz. 306)
Wijzigen van gegevens in contacten
Contactgegevens die zijn geregistreerd, kunnen worden gewijzigd.
7-7. Bewerken van contactgegevens
329
7
Handsfree bellen
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
de contacten in het multimediasysteem niet worden bewerkt. Schakel
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten) in het submenu.
3Kies [Edit manually] (handmatig bewerken).
4Selecteer het contact dat u wilt wijzigen.
5Selecteer alle items en voer ze
in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra
telefoonnummers in te stellen.
Kies het type (zoals thuis of
mobiel) onder het telefoonnummer
om het type telefoon (zoals thuis of
mobiel) van het telefoonnummer te
kiezen.
6Kies [Save] (opslaan).
Een item kan alleen worden geregistreerd als een naam en telefoonnummer
zijn ingevoerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Wissen van gegevens in contacten
Contactgegevens die al zijn geregistreerd, kunnen worden gewist.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
de contacten in het multimediasysteem niet worden gewist. Schakel [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten) in het submenu.
3Kies [Delete manually] (handmatig verwijderen).
7-7. Bewerken van contactgegevens
330
4Selecteer de gegevens die u
wilt verwijderen.
5Kies [Delete] (verwijderen)
onderaan het submenu.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
7-7. Bewerken van contactgegevens
331
7
Handsfree bellen
Favorieten registreren
Vaak gebruikte contactgegevens kunnen worden geregistreerd in
favorieten.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) of [Recents] (recent) in het submenu.
3Selecteer de gegevens die u wilt registreren.
4Kies [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
geregistreerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Favorieten verwijderen
Eerder opgeslagen favorieten kunnen worden verwijderd.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten), [Contacts] (contacten) of [Recents]
(recent) in het submenu.
3Selecteer de gegevens die u wilt verwijderen.
4Kies [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
verwijderd.
7-7. Bewerken van contactgegevens
332
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
7-7. Bewerken van contactgegevens
333
7
Handsfree bellen
Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de berichtfunctie
Berichten van de mobiele telefoon die verbonden is voor handsfree bellen
worden doorgestuurd. Het multimediasysteem kan worden gebruikt om
berichten te lezen en beantwoorden en om nieuwe berichten te versturen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon is het soms niet mogelijk om
berichten naar het multimediasysteem door te sturen. Als de telefoon de
berichtfunctie niet ondersteunt, kan deze functie niet worden gebruikt.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die HFP en
MAP ondersteunen. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon om
te controleren of deze HFP en MAP of compatibele profielen ondersteunt.
INFORMATIE
U dient de instelling om berichten te delen te activeren op uw mobiele telefoon.
Deze functie kan niet worden gebruikt tijdens noodoproepen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de e-mailfunctionaliteit mogelijk
niet worden gebruikt.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de antwoordfunctie mogelijk niet
worden gebruikt.
Berichten van de mobiele telefoon van elke berichtendienst worden
automatisch doorgestuurd.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het nodig zijn om extra
handelingen uit te voeren op de mobiele telefoon.
Bij sms-berichten wordt geen onderwerp weergegeven.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het onderwerp van een
ontvangen mms mogelijk niet weergegeven.
Als [Auto read messages] (automatisch berichten lezen) is ingeschakeld,
worden berichten hardop voorgelezen.
Berichten afkomstig van het spraakcommandosysteem worden automatisch
hardop voorgelezen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon of de registratiestatus van het
multimediasysteem, wordt bepaalde informatie mogelijk niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen (Blz. 124)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen (Blz. 145)
Berichten bekijken
Verzonden en ontvangen berichten kunnen worden bekeken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
334
2Kies [Messages] (berichten) in het submenu.
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
5Selecteer de items indien
nodig.
[ ] : Vergroten
of minimaliseren van het
berichtenscherm.
[ ] : Geeft het scherm voor
het beantwoorden van berichten
weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Kies [ ] om het voorlezen van het bericht te stoppen.
[ ] : Hiermee kunt u de afzender van het bericht bellen.
Afhankelijk van de status van de contactregistratie moet het
telefoonnummer worden geselecteerd.
[ ] : Geeft de contactinformatie over de gesprekspartner weer.
INFORMATIE
Kies, terwijl het berichtenscherm vergroot wordt weergegeven met een e-
mail, [Mark Unread] (markeren als ongelezen) of [Mark Read] (markeren als
gelezen) om het bericht als ongelezen of gelezen te markeren.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten (Blz. 336)
Bellen via de berichtfunctie (Blz. 339)
Bellen vanuit contactenlijst (Blz. 309)
Nieuwe berichten bekijken
Wanneer u een e-mail, sms of mms ontvangt, wordt er aan de
bovenzijde van het scherm een melding weergegeven. Zolang de
[spraakondersteuning] actief is, start het spraakcommandosysteem*1.
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
335
7
Handsfree bellen
De volgende handelingen
kunnen worden uitgevoerd als er
een bericht wordt ontvangen.
[ ] : Geeft de inhoud van het
bericht weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening (Blz. 92)
Beantwoorden van berichten (Blz. 336)
Beantwoorden van berichten
Ontvangen berichten kunnen beantwoord worden.
Er kunnen met behulp van het spraakcommandosysteem antwoorden
worden verzonden met sjablonen.*2 (Snelbericht)
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten) in het submenu.
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
5Kies [ ].
6Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het
toetsenbord.
7Kies [Send] (verzenden) om te
antwoorden.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 62)
Sjablonen bewerken (Blz. 337)
*1 : Deze functie is niet beschikbaar voor e-mail. Deze functie is in sommige
landen of gebieden niet beschikbaar.
*2 : Met deze functie kan een sms of mms worden verstuurd.
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
336
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Versturen van nieuwe berichten
Er kunnen nieuwe e-mail- of sms-berichten worden verstuurd. Mms wordt
niet ondersteund.
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) in het submenu.
3Selecteer ontvangers uit uw lijst met contacten.
4Selecteer het gewenste [ ] of
e-mailadres.
Selecteer het account van de
afzender voor e-mailadressen.
5Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het
toetsenbord.
6Kies [Send] (verzenden).
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening (Blz. 62)
Sjablonen bewerken (Blz. 337)
Invoeren van letters en cijfers (Blz. 29)
Sjablonen bewerken
Sjablonen kunnen worden bewerkt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Template] (sjabloon) in het submenu.
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
337
7
Handsfree bellen
3Kies [ ] bij het te bewerken
sjabloon.
Navigatiesjablonen kunnen niet
worden gewijzigd.
4Voer het sjabloon in en sla het
op.
Kies [Default] (standaard) om de
sjabloonsets te initialiseren.
INFORMATIE
De sjablonen worden voor elke mobiele telefoon afzonderlijk ingesteld.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten (Blz. 336)
Versturen van nieuwe berichten (Blz. 337)
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
338
Bellen via de berichtfunctie
U kunt handsfree bellen met behulp van de berichtfunctie.
Kies het blauwe nummer om te bellen.
Mogelijk wordt een getallenreeks herkend als een telefoonnummer. Daarnaast
worden sommige telefoonnummers, bijvoorbeeld telefoonnummers voor andere
landen, mogelijk niet herkend.
Bellen via het berichtenscherm voor e-mail, sms of mms
Afzenders van een e-mail, sms en mms kunnen worden gebeld. In het
geval van een e-mail moet een telefoonnummer zijn geregistreerd bij de
desbetreffende contactgegevens.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten) in het submenu.
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het
bericht.
5Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
Afhankelijk van de status
van de contactregistratie moet
het telefoonnummer worden
geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen (Blz. 304)
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
339
7
Handsfree bellen
7-8. Gebruik van de berichtfunctie
340
8Extra diensten
8-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ............................ 342
Weergeven van het
webbrowserscherm............ 343
Bedienen van het
webbrowserscherm............ 344
341
8
Extra diensten
Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie (internet)
Door verbinding te maken met internet kunnen websites (nieuwssites,
blogs, muziekstreamingsites, videosites, enz.) worden bekeken.
INFORMATIE
Om de webbrowserfunctie te kunnen gebruiken, moet de Wi-Fi® van de auto
verbonden zijn met een toegangspunt.
WAARSCHUWING
Bekijk om veiligheidsredenen een website alleen nadat de auto volledig tot
stilstand is gebracht en de parkeerrem is geactiveerd of de selectiehendel in
stand P is gezet. (Tijdens het rijden wordt alleen audio weergegeven.)
8-1. Webbrowser (internet)
342
Weergeven van het webbrowserscherm
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Web browser] (webbrowser).
Het webbrowserscherm wordt weergegeven.
INFORMATIE
U hebt alleen toegang tot websites die gebruikmaken van "HTTPS"
(beveiligde verbinding).
Afhankelijk van de website wordt deze mogelijk niet goed weergegeven.
Sommige websites kunnen niet worden weergegeven of doorgeklikt.
Op sommige websites worden bepaalde karakters mogelijk niet
weergegeven.
Afhankelijk van de inhoud kunt u mogelijk geen video's of audio afspelen.
Mogelijk duurt het enige tijd voordat er iets wordt weergegeven,
afhankelijk van de resolutie van de video of de afbeelding en de
communicatieomgeving.
Auteursrechtelijk beschermde inhoud van video's kan niet worden
weergegeven.
Voer geen informatie, zoals creditcardgegevens of bankrekeninggegevens,
in.
Sommige functies kunnen niet worden gebruikt, zoals het downloaden van
bestanden en inloggen op websites.
8-1. Webbrowser (internet)
343
8
Extra diensten
Bedienen van het webbrowserscherm
Het webbrowserscherm kan worden bediend door weergegeven items op
een pagina of de werkbalk bovenaan het webbrowserscherm aan te raken.
ATerugkeren naar de vorige pagina.
BNaar de volgende pagina gaan.
CGeeft de URL van de pagina weer.
Hiermee kunt u een URL invoeren en de desbetreffende pagina
weergeven.
DDe weergegeven pagina opnieuw laden.
Tijdens het opnieuw laden van de pagina, wijzigt de toets naar [ ].
Kies [ ] om het opnieuw laden van de pagina te annuleren.
EDe startpagina weergeven.
FHet scherm voor het beheren van bladwijzers weergeven.
Door de naam van een bladwijzer te kiezen op het beheerscherm,
wordt de desbetreffende pagina weergegeven.
GHet scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis weergeven.
Door de naam van een pagina te kiezen op het beheerscherm, wordt de
desbetreffende pagina weergegeven.
HHet scherm voor het beheren van tabbladen weergeven.
Door de naam van een tabblad te kiezen op het beheerscherm, wordt
het desbetreffende tabblad weergegeven.
IGeef het instellingenscherm weer.
INFORMATIE
Terwijl een pagina opnieuw wordt geladen, kan de status worden gecontroleerd
aan de hand van het wijzigen van de achtergrondkleur van de werkbalk.
Door tekst op het scherm te selecteren en uw vinger erop te houden, kan tekst
worden gekopieerd. Kies de kopieertoets om de tekst te kopiëren. Gekopieerde
tekst kan vervolgens in de URL-displayzone worden geplakt door deze aan te
raken.
8-1. Webbrowser (internet)
344
Verwante onderwerpen
Beheren van bladwijzers (Blz. 345)
Beheren van de browsegeschiedenis (Blz. 346)
Beheren van tabbladen (Blz. 346)
Instellen van de browser (Blz. 347)
Beheren van bladwijzers
Bladwijzers kunnen worden opgeslagen, gewijzigd of verwijderd via het
scherm voor het beheren van bladwijzers.
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste opties.
ASluit het scherm voor het
beheren van bladwijzers.
BGeeft de URL van de laatst
getoonde pagina weer.
Hiermee kunt u de URL
bewerken.
CToont de naam van de bladwijzer
die als laatste is weergegeven.
De naam van de bladwijzer kan worden gewijzigd door erop te drukken.
DVoeg een bladwijzer toe met de informatie in en .
EBewerk bladwijzers.
FVerwijder bladwijzers.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 100 items worden opgeslagen onder bladwijzers.
Bewerken van bladwijzers
De naam en URL van de bladwijzer kunnen worden gewijzigd en de
bladwijzer kan worden ingesteld als startpagina.
ABewerk de naam van de
bladwijzer.
BBewerk de URL van de bladwijzer.
CKies [Set] (instellen) om deze
pagina in te stellen als startpagina
van de browser.
Het icoon [ ] wordt weergegeven
bij de bladwijzer die als startpagina is
ingesteld.
8-1. Webbrowser (internet)
345
8
Extra diensten
Kies na het doorvoeren van de wijzigingen [OK] om terug te keren naar het
scherm voor het beheren van bladwijzers.
Beheren van de browsegeschiedenis
Via het scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis kan de
browsegeschiedenis worden gewist.
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor
het beheren van de
browsegeschiedenis.
BVerwijder de
browsegeschiedenis.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 100 items worden opgeslagen in de
browsegeschiedenis. Als er meer dan 100 items zijn, wordt het oudste item
verwijderd.
Beheren van tabbladen
Op het scherm voor het beheren van tabbladen kunnen tabbladen worden
gewijzigd/toegevoegd/gesloten.
1Kies [ ] op de werkbalk.
Het getal in [ ] betreft het aantal tabbladen dat momenteel geopend is.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor het
beheren van tabbladen.
BVoeg een nieuw tabblad toe.
Op het nieuwe tabblad wordt de
startpagina weergegeven.
CWis het tabblad.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 10 tabbladen worden geopend.
8-1. Webbrowser (internet)
346
Wanneer een nieuw tabblad wordt toegevoegd, wordt het afspelen van
video's of muziek mogelijk gestopt.
Instellen van de browser
Sommige browserinstellingen kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de browser al
dan niet in de achtergrond laten
werken tijdens het gebruik van
andere functies.
BHiermee kunt u het opslaan en
laden van cookies al dan niet
toestaan en cookies van derden
al dan niet blokkeren.
CHiermee kunt u het gebruik van
JavaScript al dan niet toestaan.
DHiermee kunt u de browsegeschiedenis, cookies en andere
websitegegevens en afbeeldingen en bestanden in de cache wissen.
INFORMATIE
Als [Background] (achtergrond) is ingesteld op [Allow] (toestaan), is er ook
dataverkeer mogelijk als er andere functies worden gebruikt.
8-1. Webbrowser (internet)
347
8
Extra diensten
8-1. Webbrowser (internet)
348
9Parking Assist-systeem
9-1. Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View
Monitor............................... 350
Weergavemodus wanneer
schakelstand "P" is
geselecteerd ...................... 353
Weergavemodus wanneer
schakelstand "D" of "N" is
geselecteerd ...................... 355
Weergavemodus wanneer
schakelstand "R" is
geselecteerd ...................... 363
Het scherm als de
buitenspiegels zijn
ingeklapt ............................ 371
Inzoomen op het scherm ..... 372
Weergeven van transparant
beeld onder de auto........... 373
Waarschuwing voor
bewegende objecten.......... 375
Wijzigen van de instellingen
van de Panoramic View
Monitor............................... 377
Voorzorgsmaatregelen bij
het gebruik van de
Panoramic View Monitor.... 379
Als u bepaalde
verschijnselen opmerkt ...... 396
349
9
Parking Assist-systeem
Panoramic View Monitor
Functies Panoramic View Monitor
De Panoramic View Monitor is een systeem dat u helpt bij het rijden met
lage snelheden door een ononderbroken overzicht van bovenaf weer te
geven op het scherm. Het gaat hierbij om een samengesteld beeld van de
camera's voor, opzij en achter op de auto.
INFORMATIE
De afbeeldingen van schermen die in de beschrijvingen worden gebruikt, zijn
voorbeelden en kunnen afwijken van het werkelijke beeld van de camera ten
gevolge van verblinding en dergelijke.
WAARSCHUWING
De Panoramic View Monitor is een systeem dat u helpt bij het controleren
van de omgeving van de auto. Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog
visueel of de weg rondom de auto vrij is.
Als gevolg van de kenmerken van de cameralens, wijken de werkelijke positie
en afstand van mensen of obstakels mogelijk af van wat op het scherm wordt
weergegeven.
Cameratoets
Geeft de Panoramic View Monitor
weer en wijzigt de weergavemodus.
Weergeven van het Panoramic View Monitor-scherm
De Panoramic View Monitor wordt ingeschakeld als u de cameratoets
indrukt of schakelstand "R" selecteert terwijl het contact AAN staat.
9-1. Panoramic View Monitor
350
Weergavemodus wanneer schakelstand "P" is geselecteerd
ANavigatiescherm, audioscherm, enz.
BIndrukken van de cameratoets
CBewegend beeld
DDoorkijkbeeld
EKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
Weergavemodus wanneer schakelstand "D" of "N" is geselecteerd
ANavigatiescherm, audioscherm, enz.
BGroothoekbeeld voor en panoramabeeld
CSide Clearance View en panoramabeeld
9-1. Panoramic View Monitor
351
9
Parking Assist-systeem
DCornering View en panoramabeeld
EIndrukken van de cameratoets
FKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
GWanneer het stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de
middenstand.
Weergavemodus wanneer schakelstand "R" is geselecteerd
ABeeld achterzijde en panoramabeeld
BGroothoekbeeld achter en panoramabeeld
CKies de toets voor het wijzigen van de weergavemodus
INFORMATIE
Als u op de cameratoets drukt wanneer de rijsnelheid ongeveer 20 km/h of lager
is, wordt het Panoramic View Monitor-scherm weergegeven. Als de rijsnelheid
hoger wordt dan ongeveer 20 km/h verdwijnt het Panoramic View Monitor-scherm
en wordt het vorige scherm weergegeven.
9-1. Panoramic View Monitor
352
Weergavemodus wanneer schakelstand "P" is geselecteerd
Dit is een modus waarbij gecombineerde beelden van de camera's worden
weergegeven, zodat u kunt controleren of er zich obstakels bevinden
rondom de auto. De beelden worden weergegeven alsof ze vanaf de
bestuurdersstoel en onder een hoek van boven de auto worden bekeken.
1. Selecteer schakelstand "P".
2. Druk op de cameratoets.
Telkens als de toets voor het wijzigen van de weergavemodus wordt
gekozen, verandert de modus.
Als u nogmaals op de cameratoets drukt, wordt het voorgaande
scherm weer weergegeven, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
Doorkijkbeeld
Bewegend beeld
AToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
BToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Hiermee kunt u schakelen tussen het doorkijkbeeld en het bewegende beeld.
CToets voor onderbreken/hervatten rotatie
Hiermee kunt u de rotatie van het beeld onderbreken en hervatten.
DToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
9-1. Panoramic View Monitor
353
9
Parking Assist-systeem
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.
INFORMATIE
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld, kunt u het
doorkijkbeeld of het bewegende beeld weergeven. (Zie de "handleiding van
de auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
U kunt de rotatie van het doorkijkbeeld en het bewegende beeld ook pauzeren
en hervatten door een willekeurig punt op het scherm aan te raken.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 377)
9-1. Panoramic View Monitor
354
Weergavemodus wanneer schakelstand "D" of "N" is
geselecteerd
U kunt controleren of er voetgangers, fietsers en auto's in de buurt zijn
op kruispunten met slecht zicht en T-splitsingen door het beeld van uw
omgeving op het scherm weer te geven. Met deze modus kunt u ook
controleren of beide zijden van de auto veilig zijn en u kunt hiermee
aanrijdingen op smalle wegen voorkomen en de auto aan de kant van de
weg zetten.
1. Selecteer schakelstand "D" of "N".
2. Druk op de cameratoets.
De modus wijzigt telkens wanneer u op de cameratoets drukt.
Als de modus voor de Cornering View is ingeschakeld en het
stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de middenstand, wijzigt
de weergave van Side Clearance View en panoramabeeld naar
Cornering View en panoramabeeld.
Groothoekbeeld voor en panoramabeeld
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen voor
Geven de koerslijnen weer op basis van de bediening van het stuurwiel. (Geel)
Deze lijnen worden weergegeven als het stuurwiel meer dan 90° wordt gedraaid
vanuit de middenstand.
CLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
9-1. Panoramic View Monitor
355
9
Parking Assist-systeem
DFCTA (Front Cross Traffic Alert)/waarschuwing voor bewegende
objecten*1
In de volgende situaties wordt een indicator op het scherm weergegeven.
Wanneer de FCTA (Front Cross Traffic Alert) een van voren naderend
voertuig of een object signaleert.
Als de waarschuwing voor bewegende objecten voertuigen in de buurt en/of
obstakels voor of achter de auto signaleert.
EToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
FToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
GToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus
HToets automatische weergave
Hiermee kunt u de automatische weergavemodus in- of uitschakelen. Als
schakelstand "D" of "N" is geselecteerd, worden het groothoekbeeld voor en het
panoramabeeld of de Clearance View/Cornering View en het panoramabeeld
automatisch weergegeven overeenkomstig de rijsnelheid.
IToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.
JIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
KWaarschuwing voor bewegende objecten*1
Wanneer de waarschuwing voor bewegende objecten een van voren of van
opzij naderend voertuig of object signaleert, wordt er op het scherm een
indicator weergegeven.
LPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de "handleiding
van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support Brake).)
9-1. Panoramic View Monitor
356
Side Clearance View en panoramabeeld
Cornering View en panoramabeeld
AGeschatte koerslijnen voor
Geven de koerslijnen weer op basis van de bediening van het stuurwiel. (Geel)
Deze lijnen worden weergegeven als het stuurwiel meer dan 90° wordt gedraaid
vanuit de middenstand.
BVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de breedte van de auto inclusief de buitenspiegels aan.
CAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m vóór de auto.
DLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
9-1. Panoramic View Monitor
357
9
Parking Assist-systeem
EFCTA (Front Cross Traffic Alert)/waarschuwing voor bewegende
objecten*1
In de volgende situaties wordt een indicator op het scherm weergegeven.
Wanneer de FCTA (Front Cross Traffic Alert) een van voren naderend
voertuig of een object signaleert.
Als de waarschuwing voor bewegende objecten voertuigen in de buurt en/of
obstakels voor of achter de auto signaleert.
FToets scherm uitschakelen
Hiermee kunt u het camerascherm uitschakelen en terugkeren naar het
voorgaande scherm, bijvoorbeeld het navigatiescherm.
GToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
HToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus.
IToets automatische weergave
Hiermee kunt u de automatische weergavemodus in- of uitschakelen. Als
schakelstand "D" of "N" is geselecteerd, worden het groothoekbeeld voor en het
panoramabeeld of de Clearance View/Cornering View en het panoramabeeld
automatisch weergegeven overeenkomstig de rijsnelheid.
JToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.
KWaarschuwing voor bewegende objecten*1
Wanneer de waarschuwing voor bewegende objecten een van voren of van
opzij naderend voertuig of object signaleert, wordt er op het scherm een
indicator weergegeven.
LIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
MRijlijnen voorwielen
Geeft de stand van de voorwielen weer.
NPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de "handleiding
van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support Brake).)
INFORMATIE
Wanneer de Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld, kunt u de Side
Clearance View en het panoramabeeld/de Cornering View weergeven. (Zie
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
358
de "handleiding van de auto" voor meer informatie over de Lexus Parking
Assist-sensor.)
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
WAARSCHUWING
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
De displays van de Lexus Parking Assist-sensor, de FCTA (Front Cross Traffic
Alert) en de waarschuwing voor bewegende objecten overlappen elkaar en
worden weergegeven op het camerabeeld. Hierdoor zijn ze mogelijk moeilijk te
zien, afhankelijk van de helderheid van de omgeving en de kleuren.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen (Blz. 359)
Automatische weergavemodus (Blz. 360)
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 377)
Waarschuwing voor bewegende objecten (Blz. 375)
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen
Telkens wanneer u de toets voor het wijzigen van de rijlijnen kiest, wijzigt
de weergavemodus voor rijlijnen.
Weergavemodus afstandslijnen
Geven een afstand weer van
ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
9-1. Panoramic View Monitor
359
9
Parking Assist-systeem
Weergavemodus geschatte koerslijnen
Geven de koerslijnen weer op
basis van de bediening van het
stuurwiel. (Geel) Deze lijnen worden
weergegeven als het stuurwiel meer
dan 90° wordt gedraaid vanuit de
middenstand.
Automatische weergavemodus
Hoewel u het groothoekbeeld voor en het panoramabeeld en de Side
Clearance View en het panoramabeeld/de Cornering View kunt weergeven
door op de cameratoets te drukken, kunt u ook de automatische
weergavemodus instellen om de beelden automatisch weer te geven
overeenkomstig de rijsnelheid.
Wanneer u de toets voor de automatische weergave [ ] kiest, wordt de
automatische weergavemodus ingeschakeld.
Als de automatische weergavemodus wordt ingeschakeld, worden in de
volgende situaties automatisch de beelden weergegeven:
Wanneer schakelstand "D" of "N" is geselecteerd
Als de rijsnelheid afneemt tot minder dan 10 km/h (de selectiehendel staat in
een andere stand dan "R")
Automatische weergave Cornering View
Het is mogelijk om de Cornering View en panoramabeeld automatisch weer
te geven overeenkomstig de bediening van het stuurwiel.
Wanneer de automatische weergave van Cornering View is ingeschakeld
en het stuurwiel 180° of meer wordt gedraaid vanuit de middenstand
(rechtuitstand), gaat de weergave automatisch over van Side Clearance
View naar Cornering View.
Cornering View wordt weergegeven tot het stuurwiel wordt teruggedraaid
tot binnen een hoek van ongeveer 90 graden ten opzichte van de
middenstand (rechtuitstand).
INFORMATIE
U kunt de automatische weergavemodus van de Cornering View instellen via
de persoonlijke instellingen.
9-1. Panoramic View Monitor
360
Cornering View wordt niet weergegeven als de rijsnelheid hoger is dan
ongeveer 12 km/h.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 377)
Aan Lexus Parking Assist-sensor gekoppelde weergave
Afhankelijk van de detectiestatus van de Lexus Parking Assist-sensor,
worden het groothoekbeeld voor en het panoramabeeld/de Side Clearance
View/de Cornering view en het panoramabeeld weergegeven.
De beelden worden automatisch weergegeven als de Lexus Parking
Assist-sensor een obstakel signaleert (als de selectiehendel in stand "D"
of "N" staat).
Het vorige scherm wordt automatisch weergegeven wanneer de Lexus
Parking Assist-sensor geen obstakel meer signaleert.
INFORMATIE
Druk op de cameratoets terwijl het scherm wordt weergegeven om terug te keren
naar het oorspronkelijke scherm.
Gebruik van de voertuigbreedtereferentielijnen
Side Clearance View en panoramabeeld
Controleer de werkelijke positie van
een obstakel ten opzichte van de
voertuigbreedtereferentielijnen.
Rijd vooruit en draai het
stuurwiel zodanig dat de
voertuigbreedtereferentielijnen het
werkelijke obstakel niet overlappen.
9-1. Panoramic View Monitor
361
9
Parking Assist-systeem
Controleer de werkelijke positie
van obstakels, zoals de
stoeprand, ten opzichte van de
voertuigbreedtereferentielijnen.
Stuur de auto naar de
kant en zorg ervoor dat de
voertuigbreedtereferentielijnen het
obstakel niet overlappen, zoals
aangegeven in de afbeelding.
Zorg ervoor dat de
voertuigbreedtereferentielijnen
parallel aan het obstakel lopen en
parkeer naast het obstakel.
Gebruik van de geschatte koerslijnen voor
Cornering View en panoramabeeld
Controleer de werkelijke positie van
een obstakel ten opzichte van de
geschatte koerslijnen voor.
Rijd vooruit en draai het
stuurwiel zodanig dat de geschatte
koerslijnen het werkelijke obstakel
niet overlappen.
9-1. Panoramic View Monitor
362
Weergavemodus wanneer schakelstand "R" is geselecteerd
Om de veiligheid te controleren bij het parkeren van de auto, wordt een
beeld weergegeven van boven de auto en van de camera achter.
1. Selecteer schakelstand "R".
Telkens als de toets voor het wijzigen van de weergavemodus wordt
gekozen, verandert de modus.
Beeld achterzijde en panoramabeeld
Groothoekbeeld achter en panoramabeeld
AIcoon vuildetectie camera
Dit icoon wordt weergegeven wanneer er vuil op de camera wordt gesignaleerd.
BWaarschuwing voor bewegende objecten*1
Wanneer de waarschuwing voor bewegende objecten een van opzij naderend
voertuig of object signaleert, wordt er op het scherm een indicator
weergegeven.
9-1. Panoramic View Monitor
363
9
Parking Assist-systeem
CToets voor het wijzigen van de weergavemodus
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de weergavemodus.
DToets wijzigen rijlijnen
Telkens wanneer de toets wordt gekozen, wijzigt de rijlijnmodus.
ERCTA (Rear Crossing Traffic Alert)*1/RCD (Rear Camera Detection)*1/
waarschuwing voor bewegende objecten*1
In de volgende situaties wordt een indicator op het scherm weergegeven.
Wanneer de radarsensor aan de achterzijde een van achteren naderend
voertuig of een object signaleert.
Als de Rear Camera Detection-functie een voetganger achter de auto
signaleert.
Wanneer de camera achter een bewegend object signaleert
(Zie de "handleiding van de auto" voor meer informatie over RCTA (Rear
Crossing Traffic Alert)/RCD (Rear Camera Detection).)
FToets voor persoonlijke voorkeursinstelling
Hiermee kunt u instellingen wijzigen, zoals het automatisch weergeven van
de Cornering View, de carrosseriekleur en de detectieafstand van de Lexus
Parking Assist-sensor.
GLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
HRCD (Rear Camera Detection)*1/waarschuwing voor bewegende
objecten*1
In de volgende situaties wordt een indicator op het scherm weergegeven.
Als de Rear Camera Detection-functie een voetganger achter de auto
signaleert.
Wanneer de camera achter een bewegend object signaleert
(Zie de "handleiding van de auto" voor meer informatie over RCD (Rear
Camera Detection).)
IPKSB (Parking Support Brake)*1
Wanneer er een obstakel wordt gesignaleerd waarmee u in botsing zou kunnen
komen, wordt er een melding op het scherm weergegeven. (Zie de "handleiding
van de auto" voor meer informatie over PKSB (Parking Support Brake).)
INFORMATIE
Door op de cameratoets te drukken wanneer schakelstand "R" is geselecteerd,
kunt u overschakelen naar het panoramabeeld en groothoekbeeld voor.
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
364
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
WAARSCHUWING
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
De displays van de Lexus Parking Assist-sensor, de RCTA (Rear Crossing
Traffic Alert), de RCD (Rear Camera Detection) en de waarschuwing voor
bewegende objecten overlappen elkaar en worden weergegeven op het
camerabeeld. Hierdoor zijn ze mogelijk moeilijk te zien, afhankelijk van de
helderheid van de omgeving en de kleuren.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen (Blz. 365)
Automatische weergavemodus (Blz. 360)
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 377)
Waarschuwing voor bewegende objecten (Blz. 375)
Wijzigen van de weergavemodus voor rijlijnen
Telkens wanneer u de toets voor het wijzigen van de rijlijnen kiest, wijzigt
de weergavemodus voor rijlijnen.
Weergavemodus geschatte koerslijnen
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen weer die overeenkomstig de
bediening van het stuurwiel bewegen.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen opzij
9-1. Panoramic View Monitor
365
9
Parking Assist-systeem
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
CGeschatte koerslijnen achteruit
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
DAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
EAfstandslijn achter
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (blauw) vanaf de rand van de
achterbumper.
FVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen aan voor de situatie dat de auto recht achteruitrijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
Wanneer de auto recht staat, overlappen de rijlijnen de lijnen van de
geschatte koers.
GVoertuighartlijn
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
Weergavemodus Parking Assist-hulprijlijnen
In deze modus worden de punten waarop het stuurwiel naar de andere
kant moet worden gedraaid weergegeven (Parking Assist-hulprijlijnen).
Deze modus wordt aanbevolen voor wie de voorkeur geeft aan het
parkeren van de auto zonder gebruik te maken van de geschatte
koerslijnen.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
CVoertuighartlijn
9-1. Panoramic View Monitor
366
Geeft het midden van de voertuigbreedtereferentielijnen weer.
DVoertuigbreedtereferentielijnen
Geven de koerslijnen aan voor de situatie dat de auto recht achteruitrijdt.
De ruimte tussen de lijnen is breder dan de werkelijke breedte van de auto.
EParking Assist-hulprijlijnen
Geven de koers van de auto weer bij volledige stuuruitslag.
Gebruik deze tijdens het parkeren als hulpmiddel om de juiste stand van het
stuurwiel te bepalen.
Weergavemodus afstandslijnen
In deze modus worden alleen de afstandslijnen weergegeven. Deze modus
wordt aanbevolen voor mensen die de rijlijnen niet nodig hebben.
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
Geeft een afstand weer van ongeveer 0,5 m (rood) vanaf het midden van de
rand van de achterbumper.
Weergavemodus geschatte koerslijn/voertuighartlijn
Deze modus geeft de geschatte koerslijnen en de voertuighartlijn weer die
overeenkomstig de bediening van het stuurwiel bewegen.
Gebruik deze modus wanneer u met het midden van de achterbumper een
wegwijzer of paal nadert.
9-1. Panoramic View Monitor
367
9
Parking Assist-systeem
AAfstandslijnen voor
Geven een afstand weer van ongeveer 1 m (blauw) vóór de auto.
BGeschatte koerslijnen opzij
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
CAfstandslijnen achter
Geven de afstand achter de auto weer.
De afstandslijnen zijn gekoppeld aan de geschatte koerslijnen.
Geven afstanden weer van ongeveer 0,5 m (rood) en 1 m (geel) vanaf het
midden van de rand van de achterbumper.
DGeschatte koerslijnen achteruit
Geven de koerslijnen (geel) weer op basis van de stand van het stuurwiel.
EGeschatte koerslijn/voertuighartlijn
Geeft de voertuighartlijn (groen) weer op basis van de bediening van het
stuurwiel.
INFORMATIE
De rijlijnen worden niet weergegeven wanneer de achterklep niet is gesloten. Als
de achterklep is gesloten, maar de rijlijnen worden nog altijd niet weergegeven,
laat dan de auto nakijken door een erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
WAARSCHUWING
De voertuigbreedtereferentielijnen achter zijn breder dan de werkelijke breedte
van de auto. Controleer bij het achteruitrijden ook altijd zelf nog visueel of de weg
achter en rondom de auto vrij is.
Parkeren met behulp van de modus geschatte koerslijnen
1Selecteer schakelstand "R".
9-1. Panoramic View Monitor
368
2Draai het stuurwiel dusdanig
dat de geschatte koerslijnen
zich binnen het parkeervak
bevinden en rijd langzaam
achteruit.
AParkeervak
BGeschatte koerslijnen
3Draai, als de achterzijde
van de auto zich in
het parkeervak bevindt, het
stuurwiel zodanig dat de
voertuigbreedtereferentielijnen
zich tussen de linker en
rechter scheidslijnen van het
parkeervak bevinden.
AVoertuigbreedtereferentielijnen
4Zet als de voertuigbreedtereferentielijnen en de lijnen van het
parkeervak parallel liggen het stuurwiel recht en rijd langzaam
achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
9-1. Panoramic View Monitor
369
9
Parking Assist-systeem
Parkeren met behulp van de modus Parking Assist-
hulprijlijnen
1Selecteer schakelstand "R".
2Rijd achteruit tot de Parking
Assist-hulprijlijnen in lijn
liggen met de linker scheidslijn
van het parkeervak.
AParking Assist-hulprijlijnen
BScheidslijn parkeervak
3Draai het stuurwiel geheel naar links en rijd langzaam achteruit.
4Zet als de auto parallel in het parkeervak staat het stuurwiel recht
en rijd langzaam achteruit totdat de auto geheel in het parkeervak
staat.
5Breng de auto op een geschikte plaats tot stilstand om het
parkeren te beëindigen.
9-1. Panoramic View Monitor
370
Het scherm als de buitenspiegels zijn ingeklapt
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt, wordt het beeld van de zijcamera's
getoond in plaats van het panoramabeeld. Hiermee kunt u controleren of
de omgeving van de auto veilig is bij het parkeren op een krappe plaats.
ABeelden van de zijkanten
BLexus Parking Assist-sensor
Geeft een indicator weer op het scherm en laat een zoemer klinken wanneer
er door een sensor een object wordt gesignaleerd. (Zie de "handleiding van de
auto" voor meer informatie over de Lexus Parking Assist-sensor.)
CGroothoekbeeld voor/beeld achter/groothoekbeeld achter
INFORMATIE
Als de cameratoets wordt ingedrukt terwijl het beeld van de zijkanten en het
beeld voor worden weergegeven, wordt teruggekeerd naar het vorige scherm.
De weergavepositie van de Lexus Parking Assist-sensor en de positie van
obstakels die worden weergegeven in het camerabeeld komen mogelijk niet
overeen.
9-1. Panoramic View Monitor
371
9
Parking Assist-systeem
Inzoomen op het scherm
Wanneer het beeld klein en moeilijk afleesbaar is, kan er worden
ingezoomd op het scherm.
Raak het gebied op het panoramabeeld aan waarop u wilt inzoomen.
Er wordt ingezoomd op het geselecteerde gebied.
In het panoramabeeld kunt u inzoomen op het deel voor of achter de
auto.
Raak het scherm opnieuw aan om het inzoomen ongedaan te maken.
INFORMATIE
De zoom-functie kan worden gebruikt wanneer aan alle onderstaande
voorwaarden wordt voldaan:
De rijsnelheid is lager dan 12 km/h
De Lexus Parking Assist-sensor is ingeschakeld
De zoom-functie wordt onder de volgende omstandigheden automatisch
uitgeschakeld:
De rijsnelheid is hoger dan 12 km/h
De Lexus Parking Assist-sensor wordt uitgeschakeld
Wanneer het panoramabeeld is ingezoomd, worden de rijlijnen niet
weergegeven.
9-1. Panoramic View Monitor
372
Weergeven van transparant beeld onder de auto
Er kan een compositie van camerabeelden die eerder zijn vastgelegd
vanuit de huidige voertuigpositie worden weergegeven om inzicht te geven
in de situatie onder de auto, de positie van de banden, enz. Dit beeld wordt
weergegeven in panoramabeeld, Side Clearance View of Cornering View.
Het transparante beeld onder de auto wordt weergegeven als de instelling
op het scherm voor persoonlijke instellingen is ingeschakeld en de auto
voorwaarts of achterwaarts beweegt.
ASpoor van de banden
Geeft de positie van de banden gekoppeld aan het stuurwiel weer.
BRijlijnen auto
Geeft het exterieur van de auto weer.
INFORMATIE
Het transparante beeld onder de auto wordt in de volgende situaties niet
weergegeven:
De rijsnelheid is hoger dan 20 km/h
De auto staat stil en er is een bepaalde tijd verstreken
Als na het starten niet een bepaalde afstand is gereden met de auto
De buitenspiegels zijn ingeklapt
Het ABS is in werking
Het systeem werkt niet goed
Het systeem werkt in de volgende situaties mogelijk niet goed:
Met sneeuw bedekte wegen
Verlichting zorgt voor schaduwen, enz.
De cameralens is bedekt met vuil of verontreinigingen
Water (rivier, zee, enz.)
Er is optionele uitrusting gemonteerd
9-1. Panoramic View Monitor
373
9
Parking Assist-systeem
Er bevindt zich een obstakel voor de camera
De banden zijn vervangen
De achterklep is open en de camera bevindt zich niet in de juiste positie
Het wegdek is glad of de wielen slippen
De auto bevindt zich op een helling of een andere steile weg
Omdat een beeld dat eerder is vastgelegd, wordt weergegeven, kunnen het
scherm en de werkelijke situatie in de volgende gevallen verschillen:
Er verschijnt een obstakel of het beweegt nadat het beeld is vastgelegd
Zand of sneeuw valt uit elkaar en beweegt nadat het beeld is vastgelegd
In het weergavebereik bevinden zich modder of plassen
Als de auto slipt
Een gedeelte van of het gehele transparante beeld onder de auto wordt in de
volgende situaties zwart weergegeven:
De auto komt in beweging terwijl er geen beeld is vastgelegd
De draaihoek van het stuurwiel overschrijdt een bepaalde hoek
WAARSCHUWING
De rijlijnen van de banden en van de auto wijken mogelijk af van de
werkelijke voertuigpositie ten gevolge van het aantal passagiers, de belading,
het stijgingspercentage van de weg, de conditie van het wegdek, de helderheid
van het omgevingslicht, optionele uitrusting, het vervangen van banden, enz.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog of de weg rondom de auto vrij is.
Het weergegeven beeld is het beeld dat eerder is vastgelegd. Als obstakels
en andere objecten bewegen nadat ze zijn vastgelegd, komen daarom het
transparante beeld van onder de auto en de werkelijke situatie mogelijk niet
altijd overeen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor (Blz. 377)
9-1. Panoramic View Monitor
374
Waarschuwing voor bewegende objecten*1
Als tijdens de weergave van het panoramabeeld een bewegend object in
de nabijheid van de auto wordt gesignaleerd, klinkt een geluidssignaal en
verschijnt een indicator op het scherm.
De waarschuwing voor bewegende objecten werkt wanneer aan alle
onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
Wanneer schakelstand "D" of "R" is geselecteerd
De rijsnelheid is ongeveer 15 km/h of lager
De buitenspiegels zijn niet ingeklapt
INFORMATIE
In de volgende situaties kunnen de camerasensoren mogelijk niet goed een
bewegend object signaleren:
Het object is een rennende persoon
Er doemt plotseling een persoon op van achter een auto of een gebouw
Het object is een persoon op een skateboard of op een zelfbalancerend
voertuig
Het object is een persoon die kleding draagt in dezelfde kleuren als de
omgeving
Het lichaam van de persoon is gedeeltelijk verborgen achter een object,
zoals een winkelwagen of bagage
Wanneer het na zonsondergang donker is geworden
Bij slecht weer zoals regen, sneeuw en mist
Als een cameralens vuil is (door bijvoorbeeld modder of strooizout) of is
beschadigd
Als er waterdruppels op een cameralens zitten
Wanneer een zeer fel licht rechtstreeks in een camerasensor schijnt
Bij een duidelijk verschil in licht en donker zoals bij een open poort, een
garage of een ondergrondse parkeergarage
Wanneer bijvoorbeeld een van de volgende objecten wordt gesignaleerd, werkt
het systeem mogelijk zelfs als er geen kans op een aanrijding is:
Bewegende objecten/substanties, zoals een vlag, uitlaatrook, grote
regendruppels, sneeuw en regenwater op de weg
Patronen op de weg zoals witte lijnen, zebrapaden, klinkers, tramrails, oude
reparatiemarkeringen, gevallen bladeren, steentjes en plassen
Een rooster of goot
Een stoeprand of drempelhulp
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
375
9
Parking Assist-systeem
Spiegelingen van een object in een plas of op een nat wegdek
Schaduwen
Hoge en smalle objecten zoals palen, pylonen en brandkranen
Stilstaande voetgangers, fietsers of voertuigen
In omstandigheden zoals de onderstaande werkt het systeem mogelijk zelfs als
er geen kans op een aanrijding is:
Als de auto op een helling rijdt
Als het hellingspercentage verandert
Als de auto schuin staat onder een steile hoek door de belading of bij
plotseling remmen
Als banden in een andere dan de voorgeschreven maat zijn geplaatst
Als de wagenhoogte sterk is veranderd (voorzijde hoger of lager)
Als een niet-origineel onderdeel ter hoogte van de camerasensoren is
geplaatst
Als er een niet-originele bumperbeschermer, zoals een beschermstrip, op de
bumper is geplaatst
Als iemand een arm uit het raam steekt
Als de camerasensoren zijn verplaatst na werkzaamheden aan de auto of na
een aanrijding
Als de auto is voorzien van een trekhaak
Als een cameralens vuil is (door bijvoorbeeld modder of strooizout)
Als er waterdruppels op een cameralens zitten
Als zich een knipperend licht in het detectiegebied bevindt, zoals van de
alarmknipperlichten
9-1. Panoramic View Monitor
376
Wijzigen van de instellingen van de Panoramic View Monitor
De instellingen die horen bij de Panoramic View Monitor, zoals de
automatische weergave van de Cornering View en de carrosseriekleur van
de auto, kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ].
2Selecteer het gewenste item.
[Cornering View]
Schakelt de automatische
weergave van de Cornering View
in of uit.
[View Under Vehicle] (beeld
onder auto)
Schakelt de transparante
weergave van het beeld onder de
auto in of uit. Als deze instelling
is ingeschakeld, wordt er een compositie van camerabeelden die eerder
zijn vastgelegd vanuit de huidige voertuigpositie weergegeven om inzicht
te geven in de situatie onder de auto, de positie van de voorwielen, enz.
Dit beeld wordt weergegeven in panoramabeeld, Side Clearance View of
Cornering View.
[LEXUS Park Assist 3D Display] (LEXUS Park Assist 3D weergave)
Toont of verbergt de 3D-weergave van de Lexus Parking Assist-sensor.
[LEXUS Park Assist Distance] (afstand LEXUS Park Assist)
Wijzig de afstand waarop de Lexus Parking Assist-sensor obstakels gaat
signaleren.
[Vehicle Body Colour] (carrosseriekleur)
Hiermee kunt u de op het scherm weergegeven carrosseriekleur wijzigen.
[Moving object alert]*1 (waarschuwing voor bewegende objecten)
Hiermee kunt u de waarschuwing voor bewegende objecten in- of
uitschakelen.
[Warnings when auto display mode enabled]*1 (waarschuwingen wanneer
automatische weergavemodus is ingeschakeld)
9-1. Panoramic View Monitor
377
9
Parking Assist-systeem
Hiermee kunt u de waarschuwingsfunctie bij ingeschakelde automatische
weergavemodus in- of uitschakelen.
INFORMATIE
Voor de veiligheid kan het scherm met instellingen tijdens het rijden niet
worden weergegeven.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de carrosseriekleur (Blz. 378)
Wijzigen van de detectieafstand van de Lexus Parking Assist-sensor (Blz.
378)
Wijzigen van de carrosseriekleur
Hiermee kunt u de op het scherm weergegeven carrosseriekleur wijzigen.
1Kies [Vehicle Body Colour] (carrosseriekleur).
2Selecteer de gewenste carrosseriekleur.
3Kies [OK].
Wijzigen van de detectieafstand van de Lexus Parking Assist-
sensor
Wijzig de afstand waarop de Lexus Parking Assist-sensor obstakels gaat
signaleren.
1Kies [LEXUS Park Assist Distance] (afstand LEXUS Park Assist).
2Selecteer de afstand waarop u
objecten wilt gaan signaleren.
3Kies [OK].
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
378
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de Panoramic View
Monitor
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter
en rondom de auto vrij is. Anders kunt u een aanrijding krijgen met
andere voertuigen of kan er zich een onvoorzien ongeval voordoen. Houd
u tijdens het gebruik van de Panoramic View Monitor aan de onderstaande
voorzorgsmaatregelen.
WAARSCHUWING
Vertrouw nooit alleen op de Panoramic View Monitor. Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en rondom de auto vrij is, net
zoals u bij iedere andere auto zou doen. Pas vooral op dat u niet tegen in de
buurt geparkeerde auto's of andere objecten botst.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Rijd nooit terwijl u alleen op het scherm let. Het op het scherm weergegeven
beeld wijkt mogelijk af van de werkelijke omstandigheden. Bovendien is er een
limiet aan het beeldbereik dat de camera kan vastleggen. Keer nooit en rijd
nooit achteruit terwijl u alleen op het scherm let. Anders kan een aanrijding
met een ander voertuig of een onvoorzien ongeval ontstaan. Controleer de
omgeving van de auto visueel en gebruik de binnen- en buitenspiegels van de
auto.
De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van het aantal
passagiers, de hoeveelheid bagage, het stijgingspercentage, enz. variëren.
Controleer tijdens het rijden ook altijd zelf nog visueel of de weg achter en
rondom de auto vrij is.
Gebruik de Panoramic View Monitor in de volgende gevallen niet:
Op een glad of modderig wegdek of in sneeuw
Bij het gebruik van sneeuwkettingen of het reservewiel
Wanneer een voorportier of de achterklep niet volledig gesloten is
Op wegen die niet vlak zijn, zoals hellingen
Als er een andere maat banden dan door Lexus voorgeschreven is
gemonteerd
Als de wielophanging is gewijzigd
Als er een niet-origineel Lexus-product is geplaatst in het gebied dat op het
scherm wordt weergegeven
Bij lage buitentemperaturen wordt het scherm mogelijk donkerder of wordt het
beeld mogelijk onduidelijk. Het beeld kan worden vervormd wanneer de auto
rijdt of mogelijk kunt u het beeld niet op het scherm zien. Controleer daarom
tijdens het rijden altijd visueel uw omgeving.
9-1. Panoramic View Monitor
379
9
Parking Assist-systeem
WAARSCHUWING
Als uw banden worden vervangen, worden de rijlijnen op het scherm mogelijk
onjuist weergegeven.
OPMERKING
Het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het panoramabeeld, de Side
Clearance View en de Cornering View brengen een beeld voort dat een
samenstelling is van beelden van de camera voor, de camera achter en de
zijcamera's. Aangezien er een limiet is aan het bereik dat en de inhoud die
kan worden weergegeven, moet u ervoor zorgen dat u de functies van de
Panoramic View Monitor volledig begrijpt voordat u deze gebruikt.
De 4 hoeken van het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het panoramabeeld,
de Side Clearance View en de Cornering View hebben een verwerkingsgebied
voor gecombineerde beelden op de randen van de camera's, waardoor de
helderheid van het beeld mogelijk afneemt. Dit duidt echter niet op een storing.
Afhankelijk van de hoeveelheid licht nabij de camera's verschijnen er mogelijk
heldere en donkere vlekken op het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View of de Cornering View.
De weergaven van het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View reiken niet
hoger dan de montagepositie en het bereik van elke camera.
Er zijn dode hoeken rondom de auto die niet kunnen worden weergegeven op
de Panoramic View Monitor.
Driedimensionale objecten die worden weergegeven in het groothoekbeeld
voor, het beeld achter, het groothoekbeeld achter of het beeld van de zijkant
worden mogelijk niet weergegeven in het doorkijkbeeld, het bewegende beeld,
het panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View.
Personen en andere driedimensionale obstakels worden mogelijk anders
weergegeven op de Panoramic View Monitor. (Deze verschillen bevatten onder
andere gevallen waarbij het lijkt of de weergegeven objecten zijn omgevallen,
objecten verdwijnen of verschijnen vlak bij plaatsen waar beelden worden
gecombineerd of wanneer de werkelijke afstand tot een object verschilt van
de weergegeven positie.)
Wanneer de achterklep (die is uitgerust met de camera achter) of de
voorportieren (die zijn uitgerust met buitenspiegels met ingebouwde camera's)
zijn geopend, worden de beelden niet goed op de Panoramic View Monitor
weergegeven.
Het voertuigicoon dat door het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld, de Side Clearance View en de Cornering View wordt
weergegeven, is een door een computer gegenereerd beeld. Hierdoor
verschillen de kleur, de vorm en het formaat van de werkelijke auto. Daardoor
kan het lijken alsof driedimensionale objecten die dichtbij zijn de auto raken en
9-1. Panoramic View Monitor
380
OPMERKING
verschillen werkelijke afstanden tot driedimensionale objecten mogelijk van de
weergegeven afstanden.
De camera werkt mogelijk niet goed en het beeld wordt mogelijk als volgt op
het scherm weergegeven:
Als schakelstand "R" is geselecteerd, lijkt een deel van het scherm of het
gehele scherm zwart
Als schakelstand "R" is geselecteerd, schakelt het scherm mogelijk niet over
naar het beeld van de camera
Als een andere schakelstand dan "R" is geselecteerd, blijft het scherm
mogelijk het beeld van de camera weergeven
De rijlijnen worden mogelijk niet op het scherm weergegeven. In plaats
daarvan worden er waarschuwingssymbolen en -meldingen weergegeven
Op het scherm weergegeven gebied
Er zijn dode hoeken rondom de auto die niet kunnen worden weergegeven
op het scherm. Ook als er niets op het scherm wordt weergegeven kunnen
er toch nog obstakels op de weg zijn waar u mee in botsing kunt komen.
Controleer altijd zelf nog visueel of de weg rondom de auto vrij is.
AOp het scherm weergegeven gebied
BObjecten die niet op het scherm worden weergegeven
Objecten in de zwarte gebieden worden niet op het scherm weergegeven.
9-1. Panoramic View Monitor
381
9
Parking Assist-systeem
AOp het scherm weergegeven gebied
BNiet op het scherm weergegeven delen van objecten
Delen die zich boven de weg bevinden worden niet op het scherm
weergegeven.
INFORMATIE
De zwarte gebieden rondom het beeld van de auto zijn gebieden die niet
worden waargenomen door de camera. Controleer deze gebieden visueel.
Omdat de beelden van de 4 camera's standaard worden verwerkt en
weergegeven op basis van een vlak wegoppervlak, worden het doorkijkbeeld,
het bewegende beeld, het panoramabeeld (inclusief zoom-weergave), de Side
Clearance View en de Cornering View mogelijk als volgt weergegeven:
Objecten kunnen ingezakt lijken of smaller of breder lijken dan normaal.
Een object dat hoger is dan het wegoppervlak kan verder weg lijken te zijn
dan in werkelijkheid of helemaal niet worden weergegeven.
Het lijkt mogelijk of hoge objecten uitsteken vanuit de niet-weergegeven
delen van het beeld.
De helderheid van het beeld van elke camera kan variëren afhankelijk van het
omgevingslicht.
Het weergegeven beeld kan verschuiven als de carrosserie overhelt of als de
wagenhoogte verandert, onder invloed van het aantal inzittenden, de belading
en de hoeveelheid brandstof.
Het beeld en de rijlijnen worden mogelijk niet juist weergegeven als de
portieren niet volledig gesloten zijn.
De positie van het icoon van de auto ten opzichte van het wegoppervlak en
objecten, zoals weergegeven in het doorkijkbeeld, het bewegende beeld, het
panoramabeeld (inclusief zoom-weergave), de Side Clearance View en de
Cornering View kan afwijken van de werkelijke positie.
9-1. Panoramic View Monitor
382
De met [○] aangegeven gebieden
in de afbeelding betreffen een
compositie en kunnen mogelijk
onduidelijk zijn.
Groothoekbeeld voor
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
INFORMATIE
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de uiteinden van de
bumper of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het groothoekbeeld voor wijkt
de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm af van de werkelijke afstand.
9-1. Panoramic View Monitor
383
9
Parking Assist-systeem
Beeld zijkanten (als de buitenspiegels zijn ingeklapt)
AOp het scherm weergegeven
gebied
INFORMATIE
Het weergegeven bereik kan afwijken, afhankelijk van de omstandigheden van
de auto en het wegdek.
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de bumper aan
passagierszijde of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het beeld van de zijkanten
wijkt de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm af van de werkelijke
afstand.
9-1. Panoramic View Monitor
384
Beeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
Groothoekbeeld achter
AOp het scherm weergegeven
gebied
BObjecten die niet op het scherm
worden weergegeven
De gebieden rondom beide uiteinden
van de bumper zijn niet zichtbaar op
het scherm.
9-1. Panoramic View Monitor
385
9
Parking Assist-systeem
INFORMATIE
Het weergegeven bereik kan afwijken, afhankelijk van de omstandigheden van
de auto en het wegdek.
Het bereik van de camera is beperkt. Objecten dicht bij de uiteinden van de
bumper of onder de bumper zijn niet zichtbaar op het scherm.
De ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm wijkt af van de werkelijke
afstand.
Vanwege het gebruik van een speciale lens voor het beeld achter en het
groothoekbeeld achter wijkt de ervaren afstand in afbeeldingen op het scherm
af van de werkelijke afstand.
Objecten die zich op een hogere plaats bevinden dan de camera, worden
mogelijk niet weergegeven op het scherm.
Camerapositie
De camera's van de Panoramic View Monitor bevinden zich op de in de
afbeelding aangegeven plaatsen.
9-1. Panoramic View Monitor
386
Camera voor
Camera's opzij
Camera achter
Schoonmaken van de camera
Als er vuil of verontreinigingen (zoals waterdruppels, sneeuw en modder)
op de camera zitten, zal het beeld niet zo helder zijn. Spoel in dat geval
de camera af met veel water en veeg de lens vervolgens schoon met een
zachte, vochtige doek.
9-1. Panoramic View Monitor
387
9
Parking Assist-systeem
OPMERKING
De Panoramic View Monitor werkt mogelijk niet goed meer. Let op de volgende
punten:
Sla niet op de camera en oefen er geen overmatige kracht op uit. Anders
kan de stand van de camera veranderen.
De camera is waterdicht. Verwijder, demonteer of wijzig hem niet.
Reinig de camera door deze met veel water af te spoelen en de lens
vervolgens schoon te vegen met een zachte, vochtige doek. Als er te hard
over de cameralens wordt gewreven, kunnen er krassen ontstaan op de lens
waardoor het beeld minder duidelijk wordt.
De camerabehuizing is gemaakt van kunststof. Zorg ervoor dat er geen
organische oplosmiddelen, autowas, ruitenreiniger en ruitencoating op de
camera terechtkomen. Verwijder dergelijke stoffen direct als ze op de
lenskap terechtkomen.
Giet bij koud weer geen heet water op de auto en stel de auto niet bloot aan
plotselinge temperatuurwisselingen.
Als u de auto wast met een hogedrukreiniger, richt de straal dan niet direct
op of rondom de camera. Anders kunnen storingen optreden in de camera.
Als de camera wordt geraakt, kan er een storing optreden in de camera.
Laat als dit gebeurt de auto controleren door een erkende Lexus-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
De camera achter reinigen met sproeiervloeistof*1
Vuil op de lens van de camera achter kan worden verwijderd met behulp
van de speciale camerareinigingssproeier. Zie de "handleiding van de auto"
voor meer informatie.
Tijdens het reinigen van de camera is het beeld mogelijk niet
goed zichtbaar als gevolg van de sproeiervloeistof. Controleer bij het
achteruitrijden eerst de omgeving van de auto, zowel direct als via de
spiegels.
Als na het reinigen sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens
achterblijft, is het beeld mogelijk 's nachts niet goed zichtbaar als gevolg
van de hoogte of de hellingshoek van de koplampen van de achterligger.
Bepaald vuil is na het reinigen mogelijk niet helemaal verdwenen. Spoel
in dat geval de cameralens af met veel water en veeg hem vervolgens
schoon met een zachte, met water bevochtigde doek.
Er wordt sproeiervloeistof op het oppervlak van de cameralens gespoten.
Daarom worden ijs, sneeuw, enz. rondom de camera niet verwijderd.
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
388
OPMERKING
Sla niet tegen de sproeierkop en onderwerp deze niet aan hevige schokken,
omdat dit de montagepositie en de hoek van de sproeierkop kan veranderen.
Lampjes Parking Assist
De lampjes van de Parking Assist van
het Panoramic View Monitor-systeem
bevinden zich op de in de afbeelding
aangegeven plaatsen.
OPMERKING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht, anders werkt het Panoramic
View Monitor-systeem mogelijk niet goed:
Oefen geen overmatige kracht uit op de lampjes en stel deze niet bloot aan
hevige schokken. Dit kan ertoe leiden dat de stand of de plaatsingshoek van
de lampjes afwijkt.
Verwijder, demonteer en wijzig de lampjes niet. Anders zijn ze niet meer
waterdicht.
Spoel de lampjes met een grote hoeveelheid water en veeg ze af met een
zachte, natte doek.
Gebruik geen organische oplosmiddelen, was, ontvetter, ruitencoating, enz.
voor de kapjes van de lampjes, aangezien deze van kunststof zijn. Als deze
middelen erop terecht zijn gekomen, verwijder ze dan onmiddellijk.
Stel de lampjes niet bloot aan plotselinge temperatuurwisselingen zoals door
er bij koud weer heet water op te gieten.
Spuit bij het wassen van de auto met een hogedrukreiniger niet rechtstreeks
op de lampjes of de omgeving ervan. Water uit een hogedrukreiniger kan de
lampjes beschadigen, waardoor ze niet meer goed werken.
Als de lampjes zijn blootgesteld aan krachtige schokken, kunnen ze
beschadigd zijn. Laat de auto zo snel mogelijk nakijken door een
erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
9-1. Panoramic View Monitor
389
9
Parking Assist-systeem
Verschillen tussen de schermweergave en de werkelijke weg
De samengestelde beelden van de Panoramic View Monitor en de rijlijnen
geven een indicatie van de afstanden op een vlakke ondergrond. Hierdoor
is er sprake van een foutmarge tussen de rijlijnen op het scherm en de
werkelijke afstand en koers op de weg.
Wanneer zich achter de auto een steile helling omhoog bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
dichter bij de auto aan dan in
werkelijkheid het geval is. Zo zullen
objecten helling op verder weg
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
9-1. Panoramic View Monitor
390
Wanneer zich achter de auto een steile helling omlaag bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
verder van de auto vandaan aan
dan in werkelijkheid het geval is. Zo
zullen objecten helling af dichterbij
lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Om dezelfde reden bestaat er een
foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand en koers op de
weg.
Als een deel van de auto enigszins in de veren zakt
Als een deel van de auto enigszins
in de veren zakt door het aantal
passagiers of de verdeling van de
bagage, is er sprake van een
foutmarge tussen de rijlijnen op het
scherm en de werkelijke afstand en
koers op de weg.
AFoutmarge
Geschatte koerslijn/voertuighartlijn
Omdat de rijlijnen in de lucht bij de
achterbumper worden weergegeven,
kan het soms lijken alsof ze niet in het
midden staan.
9-1. Panoramic View Monitor
391
9
Parking Assist-systeem
Verschillen tussen het scherm en werkelijke 3D-objecten
Omdat de rijlijnen op het scherm worden weergegeven op basis
van een vlak wegoppervlak, is het niet mogelijk om de positie
van driedimensionale objecten te bepalen. Let bij het naderen van
een uitstekend driedimensionaal object (zoals de laadbak van een
vrachtwagen) op de volgende waarschuwingen.
WAARSCHUWING
Controleer, als het display van de Lexus Parking Assist-sensor rood is, visueel
de omgeving voordat u de auto verder verplaatst. Anders kunt u een aanrijding
krijgen met andere voertuigen of kan er zich een onvoorzien ongeval voordoen.
Weergeven van het panoramabeeld (inclusief ingezoomde
weergave)
Op het scherm lijkt er ruimte te zitten tussen de bumper van de auto en
een ander object of voertuig en lijkt het er niet op dat de auto het object
of voertuig zal raken. De auto is echter voorbij de koerslijnen, waardoor de
auto het object of voertuig mogelijk raakt. Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
9-1. Panoramic View Monitor
392
Geschatte koerslijnen
Op het scherm lijkt de bumper van
de auto zich buiten de geschatte
koerslijnen te bevinden en lijkt het
alsof de auto het object of voertuig
niet zal raken. De auto is echter
voorbij de koerslijnen, waardoor
de auto het object of voertuig
mogelijk raakt. Controleer ook zelf
nog visueel of de weg rondom de
auto vrij is.
AGeschatte koerslijnen
Driedimensionale objecten in hoge
posities (zoals de overhang van
een muur of de laadklep van
een vrachtwagen) worden mogelijk
niet weergegeven op het scherm.
Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
AOverhang van een muur
9-1. Panoramic View Monitor
393
9
Parking Assist-systeem
Op het scherm lijkt de laadbak
van de vrachtwagen zich buiten de
geschatte koerslijnen te bevinden
en lijkt het alsof de auto de
vrachtwagen niet zal raken. Toch
kan de vrachtwagen zich boven
de geschatte koerslijnen bevinden
en als u achteruitrijdt volgens de
geschatte koerslijnen, zal de auto
de vrachtwagen mogelijk raken.
Controleer ook zelf nog visueel of
de weg rondom de auto vrij is.
AGeschatte koerslijnen
Afstandslijnen
Op het scherm staat
een vrachtwagen volgens de
afstandslijnen op punt geparkeerd.
Maar wanneer u in werkelijkheid tot
aan achteruitrijdt, raakt u de
vrachtwagen. Op het scherm lijkt het
alsof punt het dichtstbij is, gevolgd
door punt en . In werkelijkheid
is de afstand tot punt en echter
hetzelfde en is punt verder dan
en . Controleer altijd zelf nog
visueel of de weg achter en rondom
de auto vrij is. De afstand tot punt
is ongeveer 1 meter.
9-1. Panoramic View Monitor
394
Overhang van een diagonale balk
In een panoramabeeld lijkt een
diagonale balk mogelijk recht en ziet
het ernaar uit dat deze niet wordt
geraakt. Aangezien het bovenste
gedeelte in werkelijkheid overhangt,
kan de auto hem raken. Controleer
altijd zelf nog visueel of de weg
achter en rondom de auto vrij is.
Vergrootfunctie
In tegenstelling tot bij het
normale panoramabeeld wordt
bij de vergrootfunctie van het
panoramabeeld ingezoomd op de
afbeelding van de auto. Daardoor
kunnen witte lijnen op de weg, muren
en andere objecten gebogen lijken.
9-1. Panoramic View Monitor
395
9
Parking Assist-systeem
Als u bepaalde verschijnselen opmerkt
Als u een van de volgende symptomen opmerkt of er last van hebt,
controleer dan of het kan worden verholpen aan de hand van de oorzaak
en oplossing in de volgende tabel.
Is het symptoom door de oplossing nog niet verdwenen, laat dan de auto
controleren door een erkende Lexus-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Verschijnsel Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het scherm is niet goed te
zien
De auto bevindt
zich in een
donkere omgeving
of het is donker.
De temperatuur
rondom de lens is
hoog of laag.
De
buitentemperatuur
is laag.
Er zitten
waterdruppels op
de camera.
Het regent of het is
vochtig.
Er zitten
verontreinigingen
(modder, enz.) op
de camera.
Zonlicht of
koplampen van
andere auto's
schijnt/schijnen
rechtstreeks in de
camera.
De auto bevindt
zich onder
fluorescerende
lampen,
natriumlampen,
kwiklampen, enz.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
Gebruik de Panoramic
View Monitor weer als de
werking van de camera en
de omstandigheden zijn
verbeterd.
De procedure voor
het afstellen van de
beeldkwaliteit van de
Panoramic View Monitor
is gelijk aan de procedure
voor het afstellen van het
multimediascherm.
9-1. Panoramic View Monitor
396
Verschijnsel Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
Het beeld is wazig
Er zitten vuil
of verontreinigingen
(zoals waterdruppels,
sneeuw en modder)
op de cameralens.
Spoel de camera af met
veel water en veeg de
lens vervolgens schoon
met een zachte, vochtige
doek.
Bedien de speciale
camerareinigingssproeier
en reinig de cameralens.
Zie de "handleiding van
de auto" voor meer
informatie.*1
Het scherm is niet goed
uitgelijnd
De camera is aan
een krachtige schok
blootgesteld.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De rijlijnen zijn duidelijk niet
goed uitgelijnd
De camerapositie is
niet goed uitgelijnd.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
De auto staat
schuin (de auto is
zwaar beladen, de
bandenspanning is
te laag als gevolg
van een lekke
band, enz.).
De auto staat op
een helling.
Controleer tijdens het
rijden ook altijd zelf nog
visueel de omgeving van
de auto.
De geschatte koerslijnen
bewegen, ook al staat
het stuurwiel recht (de
voertuigbreedtereferentielijnen
en de geschatte koerslijnen
zijn niet uitgelijnd).
Er is een storing
aanwezig in de
uitgangssignalen van
de stuurhoeksensor.
Laat de auto controleren
door een erkende
Lexus-dealer of hersteller/
reparateur of een
andere naar behoren
gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
9-1. Panoramic View Monitor
397
9
Parking Assist-systeem
Verschijnsel Waarschijnlijke
oorzaak Oplossing
De rijlijnen worden niet
weergegeven
De achterklep is
geopend.
Sluit de achterklep.
Laat als het verschijnsel
hierdoor niet verholpen is
de auto controleren door
een erkende Lexus-dealer
of hersteller/reparateur
of een andere naar
behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
Het panoramabeeld kan
niet worden vergroot.
Het doorkijkbeeld/bewegend
beeld, de Side Clearance View
en de Cornering View kunnen
niet worden weergegeven.
De Lexus Parking
Assist-sensor is
mogelijk defect of
vuil.
Volg de
correctieprocedures voor
storingen in de Lexus
Parking Assist-sensor.
(Zie de "handleiding van
de auto" voor meer
informatie over de Lexus
Parking Assist-sensor.)
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm (Blz. 90)
Informatie over vrije software/opensourcesoftware
Dit product bevat vrije software/opensourcesoftware.
Informatie over vrije software/opensourcesoftware en/of broncodes kunt u
verkrijgen via de volgende URL:
https://www.denso.com/global/en/opensource/svss/toyota
*1 : Indien aanwezig
9-1. Panoramic View Monitor
398
10 Bijlage
10-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen
worden gebruikt. ................ 400
Informatie over media en
gegevens die in het
entertainmentsysteem voor
de achterpassagiers
kunnen worden gebruikt .... 410
Verklaring ............................. 438
399
10
Bijlage
Bijlage
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem
kunnen worden gebruikt.
Informatie over media die kunnen worden gebruikt
De volgende specificaties zijn van toepassing voor de media en overige
apparaten.
Formaten en specificaties van USB-sticks
De formaten en standaarden van de USB-sticks die kunnen worden
gebruikt, en de gebruiksbeperkingen, zijn als volgt.
USB-communicatieformaat USB 2.0 HS (480 Mbps)
Bestandsformaat FAT 16/32
Communicatieklasse Voor massaopslag
Maximaal aantal mappen 3.000 (inclusief root)
Maximaal aantal mapniveaus 8
Maximaal aantal bestanden 9.999 (maximaal 255 bestanden per
map)
Geheugencapaciteit Maximaal 32 GB
Maximale grootte van een bestand 2 GB
Andere bestanden dan de bovenstaande formaten worden mogelijk niet
correct afgespeeld, of informatie zoals de bestands- of mapnaam wordt
mogelijk niet correct weergegeven.
Weet dus op voorhand dat dit apparaat uw USB-stick mogelijk niet kan
afspelen.
Afhankelijk van de computer die wordt gebruikt om bestanden op een
USB-stick op te slaan, kunnen naast de afspeelbestanden ook verborgen
bestanden worden opgeslagen. Het wordt aanbevolen om dergelijke
verborgen bestanden te verwijderen. Ze kunnen het afspelen negatief
beïnvloeden en voorkomen mogelijk dat er correct tussen bestanden kan
worden gewisseld.
Informatie over formaat
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
Ondersteunde standaard MP3 (MPEG1 LAYER 3, MPEG2 LSF
LAYER 3)
10-1. Bijlage
400
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) MPEG1 LAYER 3: 32, 44,1, 48
MPEG2 LSF LAYER 3: 16, 22,05, 24
Ondersteunde bitrate (kbps)(1) MPEG1 LAYER 3: 32 - 320
MPEG2 LSF LAYER 3: 8 - 160
Ondersteunde weergavemogelijkheid Stereo, meerkanaals stereo,
tweekanaalsweergave, monoweergave
ID3-tag
ID3-versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3 (het aantal
karakters zoals gespecificeerd voor elke
versie)
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
WMA
Ondersteunde standaard WMA versie 7, 8, 9 (9.1, 9.2)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(1)(2)
Versie 7, 8: CBR (Constant Bit Rate) 48
- 192
Versie 9 (9.1/9.2): CBR 48 - 320
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
AAC
Ondersteunde standaard(1) MPEG4 AAC-LC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 8 - 320
Ondersteunde weergavemogelijkheid(3) 1ch (1/0), 2ch (2/0)
(1) ADIF wordt niet ondersteund.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(3) Meerkanaals wordt niet ondersteund.
WAV (LPCM)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
Ondersteunde weergavemogelijkheid 1ch (1/0), 2ch (2/0)
10-1. Bijlage
401
10
Bijlage
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
FLAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
ALAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 64, 88,2, 96
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
OGG Vorbis
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1) 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 32 - 500
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96
kHz/24 bit.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
Bestandsnamen
De enige bestanden die kunnen worden herkend als
MP3/WMA/AAC/WAV(LPCM)/ FLAC/ALAC/OGG Vorbis en die
kunnen worden afgespeeld, zijn bestanden met de extensie
".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga".
Sla MP3-/WMA-/AAC-/WAV (LPCM)-/FLAC-/ALAC-/OGG
Vorbis-bestanden op met de extensie
".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga".
10-1. Bijlage
402
Over ID3-tags, WMA-tags, AAC-tags, tags en Vorbis-opmerkingen
MP3-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, ID3-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
WMA-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, WMA-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
AAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, AAC-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
WAV (LPCM)-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz.
kunnen worden opgeslagen.
FLAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
ALAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
Ogg Vorbis-bestanden hebben aanvullende tekstinformatie, Vorbis-
opmerkingen genaamd, waarmee namen van artiesten, titels,
albumnamen, enz. kunnen worden opgeslagen.
Geluidsbronnen met hoge resolutie
Dit apparaat ondersteunt geluidsbronnen met hoge resolutie. "Hoge
resolutie" is gebaseerd op de definitie van de Japan Electronics and
Information Technology Industries Association (JEITA). De volgende
formaten worden ondersteund en de volgende media kunnen worden
afgespeeld.
Ondersteunde formaten
WAV, FLAC, ALAC, Ogg Vorbis
Afspeelbare media
USB-stick
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld
vanaf USB-sticks
De volgende formaten worden ondersteund voor videobestanden die zijn
opgenomen vanaf een computer naar een
USB-stick.
10-1. Bijlage
403
10
Bijlage
Formaat Codec
MPEG4-extensie:
".mp4" ".m4v"
Video-codec: H.264, MPEG-4 AVC, MPEG-4
Audio-codec: MP3, AAC
Extensie AVI-container:
".avi"
Video-codec: H.264, MPEG-4, MPEG-4 AVC, WMV9,
WMV9 Advanced Profile
Audio-codec: MP3, AAC, WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
Extensie Windows
Media Video: ".wmv"
Video-codec: WMV9, WMV9 Advanced Profile
Audio-codec: WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
De maximale afbeeldingsgrootte die wordt ondersteund is 1920 x 1080
pixels.
De ondersteunde framerate is maximaal 60i/30p.
Het kan zijn dat video's niet kunnen worden afgespeeld, afhankelijk
van het type opnameapparatuur, de opname-omstandigheden en de
gebruikte USB-stick.
Informatie iPod
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het embleem “Made for Apple”
(gemaakt voor Apple) betekent dat een
accessoire speciaal ontworpen is voor het
aansluiten van (een) Apple-product(en) en
dat het accessoire door de ontwikkelaar
gecertificeerd is omdat het voldoet aan de
eisen van Apple.
Apple kan niet verantwoordelijk worden
gehouden voor de werking van deze auto of
de mate waarin de auto voldoet aan de eisen voor veiligheid en regelgeving.
Let erop dat het gebruik van dit accessoire in combinatie met een Apple-
product de werking van de afstandsbediening negatief kan beïnvloeden.
iPhone, iPod, iPod touch, Siri en Lightning zijn handelsmerken van Apple Inc.,
geregistreerd in de VS en andere landen.
Gemaakt voor
iPhone 12 Pro Max
iPhone 12 Pro
iPhone 12
iPhone 12 mini
10-1. Bijlage
404
iPhone SE (2e generatie)
iPhone 11 Pro Max
iPhone 11 Pro
iPhone 11
iPhone XS Max
iPhone XS
iPhone XR
iPhone X
iPhone 8 Plus
iPhone 8
iPhone 7 Plus
iPhone 7
iPhone SE
iPhone 6s Plus
iPhone 6s
iPod touch (7e generatie)
Informatie Apple CarPlay
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het Apple CarPlay-logo betekent
dat een gebruikersinterface van een auto
voldoet aan de prestatienormen van Apple.
Apple kan niet verantwoordelijk worden
gehouden voor de werking van deze auto of
de mate waarin de auto voldoet aan de eisen
voor veiligheid en regelgeving. Let erop dat
het gebruik van dit product in combinatie
met een iPhone, iPod of iPad de draadloze
prestaties negatief kan beïnvloeden.
Apple CarPlay is een handelsmerk van Apple Inc.
10-1. Bijlage
405
10
Bijlage
Informatie Android Auto
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Android en Android Auto zijn handelsmerken
van Google LLC.
Informatie over USB-geheugens
Muziekbestanden die zijn opgenomen met behulp van een
computer
De volgende muziekbestanden kunnen worden afgespeeld.
MP3
WMA
AAC
FLAC
WAV
ALAC
OGG Vorbis
MP3/WMA/AAC-specificaties
Er gelden bepaalde restricties voor de MP3-, WMA- en AAC-bestanden
die kunnen worden gebruikt en voor de media en de bestandssystemen
waarop deze bestanden zijn opgeslagen. Microsoft, Windows en Windows
Media zijn geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de
VS en andere landen.
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
MP3 (MPEG Audio LAYER 3) is een standaard
audiocompressieformaat. Met MP3 kunnen bestanden worden
gecomprimeerd tot ongeveer 1/10 van hun oorspronkelijke grootte.
10-1. Bijlage
406
WMA
WMA (Windows Media Audio) is een audiocompressieformaat van
Microsoft Corporation. Hiermee kunnen bestanden nog meer worden
gecomprimeerd dan met MP3.
Dit product wordt beschermd door bepaalde intellectuele
eigendomsrechten van Microsoft. Het gebruik of de distributie van
dergelijke technologie in andere producten is verboden zonder een
licentie van Microsoft.
AAC
AAC (Advanced Audio Coding) is een standaard
audiocompressieformaat dat wordt toegepast bij MPEG2 en MPEG4.
Bluetooth®-informatie
De volgende Bluetooth®-specificaties en profielen zijn van toepassing.
Item Bluetooth®-audio
Ondersteunde
Bluetooth®-
specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 5.0 of hoger
Ondersteunde
profielen
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) voor
overdracht van muziek: versie 1.3.2 of hoger
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) voor
bediening (afspelen, stoppen enz.) van een draagbaar
audioapparaat vanaf een multimediasysteem: versie
1.6.2 of hoger
Ondersteunde
codecs LDAC/AAC/SBC
INFORMATIE
Er kan niet worden gegarandeerd dat dit systeem werkt met alle Bluetooth®-
apparaten.
10-1. Bijlage
407
10
Bijlage
Verklaring
Bluetooth is een geregistreerd
handelsmerk van Bluetooth SIG. Inc.
LDAC
LDAC en het LDAC-logo zijn handelsmerken
van Sony Corporation.
Informatie Gracenote®
Als er muziek wordt afgespeeld wordt in de database van het
multimediasysteem gezocht naar de naam van het album, de naam van
de artiest, het genre en de titel van het nummer. Als de informatie
beschikbaar is in de database, wordt deze automatisch weergegeven. Dit
multimediasysteem maakt gebruik van de mediadatabase van Gracenote®.
INFORMATIE
Gracenote® media database
De getoonde informatie kan afwijken van de werkelijke informatie.
Voor de gegevens aangeleverd door de "Gracenote media database" wordt
geen 100% nauwkeurigheid gegarandeerd.
10-1. Bijlage
408
Wi-Fi®
Wi-Fi®, Miracast®, Wi-Fi Direct® en WMM® zijn geregistreerde
handelsmerken van Wi-Fi Alliance®.
Wi-Fi Protected Setup, Wi-Fi CERTIFIED, WPA, WPA2 en
WPA3 zijn handelsmerken van Wi-Fi Alliance®.
MPEG
10-1. Bijlage
409
10
Bijlage
Informatie over media en gegevens die in het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunnen
worden gebruikt
Informatie over media die in combinatie met het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunnen
worden gebruikt
De specificaties van de media, SD-geheugenkaart en andere apparaten
die in combinatie met de speler voor de achterpassagiers kunnen worden
gebruikt, zijn als volgt.
Discs
Discs met de volgende merktekens kunnen worden gebruikt.
CD
Commerciële discs Opgenomen discs
Muziek-CD CD-R/RW
DVD
Commerciële discs Opgenomen discs
DVD-video DVD-R/RW
Blu-ray
Commerciële discs Opgenomen discs
BD-ROM/BD-R/BD-RE
10-1. Bijlage
410
Video-CD
Commerciële discs Opgenomen discs
De NTSC- en PAL-systemen worden ondersteund als standaarden voor
kleurentelevisies. Discs die het SECAM-systeem ondersteunen, kunnen
niet worden afgespeeld.
SD-geheugenkaarten
De speler voor de achterpassagiers is compatibel met de volgende SD-
geheugenkaarten die voldoen aan de SD-standaard.
Beschikbare SD-geheugenkaart
Beschikbare SD-geheugenkaart Capaciteit
SD
miniSD
microSD
512 MB - 2 GB
SDHC
microSDHC
4 GB - 32 GB
miniSDHC 4 GB - 8 GB
SDXC 48 GB - 512 GB
microSDXC 48 GB - 64 GB
Beperkingen
SD-snelheidsklasse Klasse 4 of hoger wordt
aanbevolen. (De UHS-I high-
speed overdrachtsfunctie wordt
niet ondersteund.)
Maximaal aantal mappen 3.000 (inclusief hoofdmap)
Maximumniveau maphiërarchie 8
Maximaal aantal bestanden 9.999 (maximaal 255 bestanden
per map)
10-1. Bijlage
411
10
Bijlage
INFORMATIE
Het afspelen van een DVD-R/RW opgenomen in videoformaat of VR-formaat
(video-opnameformaat) wordt ondersteund. Het afspelen van een DVD-R/RW
die compatibel is met CPRM wordt ook ondersteund.
Het afspelen van een BDROM (2.0 of 3.0), BD-R (2.0) of BDRE (3.0)
opgenomen in BDMV-formaat wordt ondersteund.
Het afspelen van een BD-R (1.0) of BD-RE (2.0) opgenomen in BDAV-formaat
wordt ondersteund.
Discs van 8 cm worden niet ondersteund.
Het afspelen van een BD-RE (1.0) met een cartridge wordt niet ondersteund.
Het Blu-ray-discniveau op hybride Blu-ray- en CD-discs kan niet worden
afgespeeld.
Ultra HD Blu-ray-discs worden niet ondersteund.
BDXL wordt niet ondersteund.
BD-Live en Blu-ray 3D worden niet ondersteund.
Blu-ray 3D waarop 2D-video is opgenomen, kan worden bekeken met 2D-
weergave.
Speciale discs die niet voldoen aan de officiële CD-standaarden, zoals CD's
met kopieerbeveiliging, worden niet ondersteund.
Mogelijk kan een CD-R/RW of DVD-R/RW niet worden afgespeeld,
afhankelijk van diverse omstandigheden. Bijvoorbeeld de opnameconditie,
opnamemethode, disc-eigenschappen, krassen, vuil of slijtage doordat de discs
langere tijd in de auto hebben gelegen.
Ook discs die niet zijn gefinaliseerd kunnen niet worden afgespeeld.
CD-R- en CD-RW-discs zijn gevoeliger voor omgevingen met hoge
temperaturen en een hoge vochtigheid dan discs die worden gebruikt voor
normale muziek-CD's. Hierdoor kunnen sommige CD-R- en CD-RW-discs
mogelijk niet worden afgespeeld.
Ook vingerafdrukken of krassen op de disc kunnen ervoor zorgen dat de disc
niet kan worden afgespeeld of dat de muziek overslaat.
De kwaliteit van sommige CD-R-, CD-RW-, DVD-R-, DVD-RW-, BD-R- en BD-
RE-discs kan verslechteren als de discs lange tijd in een auto worden bewaard.
CD-R-, CD-RW-, DVD-R-, DVD-RW-, BD-R- en BD-RE-discs zijn ook gevoelig
voor ultraviolet licht. Het wordt aanbevolen om ze op te bergen in een hoesje
dat geen licht doorlaat.
Er is een speciale adapter nodig om microSD of miniSD te gebruiken in
combinatie met de speler voor de achterpassagiers.
Het microSD-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC.
Het microSDHC-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC.
Er is geen multimediakaart (MMC) beschikbaar.
10-1. Bijlage
412
De SD-snelheidsklasse is een snelheidsstandaard voor continu schrijven.
Controleer de SD-snelheidsklasse op de labelzijde van de kaart.
WAARSCHUWING
De speler voor de achterpassagiers maakt gebruikt van onzichtbare laserstralen.
Gebruik de speler op de juiste manier.
OPMERKING
Mors geen drinken op het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
Plaats geen andere voorwerpen dan geschikte discs in de sleuf.
Ga voorzichtig om met discs om ze vrij te houden van vingerafdrukken, vuil,
krassen en andere onvolkomenheden.
Houd een disc vast bij de rand om de opening in het midden of bij de
buitenrand en houd de labelzijde naar boven gericht.
Verwijder vuil van een disc door de disc voorzichtig af te vegen met een zachte,
droge doek, zoals een brillendoekje voor kunststof glazen. Wanneer u hard met
uw hand op de disc drukt of een harde doek gebruikt, kunnen er krassen op het
oppervlak komen. Gebruik ook geen reinigingsdoekjes of oplosmiddelen zoals
platenspray, een antistatisch middel, alcohol, benzeen of thinner. Anders kan
de disc beschadigd raken en werkt hij mogelijk niet meer goed.
Laat de disc niet te lang uit de sleuf steken nadat u op de uitwerptoets hebt
gedrukt. De disc kan verbuigen of anderszins vervormd raken, waardoor deze
niet meer goed werkt.
Bewaar de disc op een plaats waar geen direct zonlicht komt. De disc kan
verbuigen of anderszins vervormd raken, waardoor deze niet meer goed werkt.
Gebruik geen DualDiscs. Anders kan het apparaat defect raken.
Gebruik geen lensreiniger, omdat het lasergedeelte van de speler hierdoor
defect kan raken.
10-1. Bijlage
413
10
Bijlage
OPMERKING
Gebruik geen discs met een diameter van 12
cm of meer. Anders kan het apparaat defect
raken.
Gebruik geen inferieure of vervormde discs.
Anders kan het apparaat defect raken.
Gebruik geen discs met transparante of
doorschijnende gedeeltes in het opnamedeel
van de disc. Anders kan de disc mogelijk niet
worden uitgeworpen of geplaatst of wordt het
afspelen mogelijk verhinderd.
Gebruik geen disc met cellofaantape,
zegel of CD-R-label of discs met resten
van dergelijke zelfklevende stickers. Door
gebruik van dergelijke discs kan de speler
beschadigd raken of kan de disc mogelijk
niet uitgeworpen worden.
Gebruik geen discs met een beschermring. Als u dergelijke discs gebruikt, kan
de speler beschadigd raken of kan de disc mogelijk niet worden uitgeworpen.
Gebruik geen printbare disc (disc met een oppervlak voor printbare labels).
Anders kan de disc mogelijk niet worden uitgeworpen of kan het apparaat
defect raken.
10-1. Bijlage
414
Informatie over formaten die in combinatie met het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunnen
worden gebruikt
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
Ondersteunde standaard MP3 (MPEG1 LAYER 3, MPEG2 LSF
LAYER 3)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) MPEG1 LAYER 3: 32, 44,1, 48
MPEG2 LSF LAYER 3: 16, 22,05, 24
Ondersteunde bitrate (kbps)(1) MPEG1 LAYER 3: 32 - 320
MPEG2 LSF LAYER 3: 8 - 160
Ondersteunde weergavemogelijkheid Stereo, meerkanaals stereo,
tweekanaalsweergave, monoweergave
ID3-tag
ID3-versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3, 2.4 (het
aantal karakters zoals gespecificeerd
voor elke versie)
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
WMA
Ondersteunde standaard
(1) WMA versie 7, 8, 9 (9.1, 9.2)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)
(2)(3)
Versie 7, 8, 9 (9.1/9.2): CBR (Constant
Bit Rate) 5 - 320
(1) DRM-bestanden worden niet ondersteund.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(3) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
AAC
Ondersteunde standaard
(1)
MPEG2 AAC-LC
MPEG4 AAC-LC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)
(2) 8 - 384
10-1. Bijlage
415
10
Bijlage
Ondersteunde weergavemogelijkheid
(3)
1ch (1/0), 2ch (2/0), 3ch (3/0, 2/1), 4ch
(2/2, 3/1), 5.1ch (3/2,1)
(1) ADIF wordt niet ondersteund.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(3) Meerkanaals wordt niet ondersteund.
WAV (LPCM)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
Ondersteunde weergavemogelijkheid 1ch (1/0), 2ch (2/0)
(1) Audiobronnen hoger dan 48 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 48
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
FLAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 48 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 48
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
ALAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1)
8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1,
48, 64, 88,2, 96
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)
(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 48 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 48
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
OGG Vorbis
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)
(1) 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48
10-1. Bijlage
416
Ondersteunde bitrate (kbps)
(2) 32 - 500
(1) Audiobronnen hoger dan 48 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 48
kHz/24 bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
Formaten bij het opnemen op een disc
Bestandsformaat: ISO9660 (LEVEL1, LEVEL2, LEVEL3, LEVEL4)
Langste mapnaam (maximaal aantal
karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Langste bestandsnaam (maximaal
aantal karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Karaktercode Alfanumerieke karakters (ASCII-code)
Disc-formaat CD-ROM Mode1, CD-ROM XA Mode2
Form1, DVD-ROM
Maximaal aantal directoryniveaus 8 niveaus
Maximaal aantal schrijfmappen 255 (inclusief root)
Maximaal aantal schrijfbestanden 512
Bestandsformaat: uitgebreide indeling (ROMEO, JOLIET, RockRidge)
Langste mapnaam (maximaal aantal
karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Langste bestandsnaam (maximaal
aantal karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Karaktercode
ROMEO
Alfanumerieke karakters (ASCII-code)
Japans (S-JIS-code)
JOLIET
Alfanumerieke karakters (ASCII-code)
Japans (Unicode)
RockRidge
Alfanumerieke karakters (ASCII-code)
Disc-formaat CD-ROM Mode1, CD-ROM XA Mode2
Form1, DVD-ROM
Maximaal aantal directoryniveaus 8 niveaus
Maximaal aantal schrijfmappen 255 (inclusief root)
10-1. Bijlage
417
10
Bijlage
Maximaal aantal schrijfbestanden 512
Bestandsformaat: UDF (1.02, 1.50, 2.00, 2.01)
Langste mapnaam (maximaal aantal
karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Langste bestandsnaam (maximaal
aantal karakters)
32 karakters op halve breedte (16
karakters op volledige breedte)
Karaktercode Alfanumerieke karakters (ASCII-code)
Japans (Unicode)
Disc-formaat CD-ROM Mode1, CD-ROM XA Mode2
Form1, DVD-ROM
Maximaal aantal directoryniveaus 8 niveaus
Maximaal aantal schrijfmappen 255 (inclusief root)
Maximaal aantal schrijfbestanden 512
Bestandsnamen
De enige soort bestanden die kunnen worden herkend als
MP3/WMA/AAC en die kunnen worden afgespeeld, zijn bestanden met
de extensie .mp3, .wma of .m4a. Sla MP3/WMA/AAC-bestanden op met de
extensie .mp3/.wma/.m4a.
Over ID3-tags, WMA-tags en AAC-tags
MP3-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, ID3-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen
worden opgeslagen.
MP3-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, ID3-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen
worden opgeslagen.
AAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, AAC-tags
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen
worden opgeslagen.
Multisessie
Multisessiediscs worden ondersteund, waardoor CD-R- en CD-RW-discs
met MP3/WMA/AAC-bestanden kunnen worden afgespeeld. Alleen de
eerste sessie kan echter worden afgespeeld.
Multi-border
Multi-borderdiscs worden ondersteund, waardoor DVD-R- en DVD-RW-
discs met MP3/WMA/AAC-bestanden kunnen worden afgespeeld. Alleen
de eerste border kan echter worden afgespeeld.
10-1. Bijlage
418
Geluidsbronnen met hoge resolutie
De speler voor de achterpassagiers ondersteunt geluidsbronnen met hoge
resolutie. “Hoge resolutie” is gebaseerd op de definitie van de Japan
Electronics and Information Technology Industries Association (JEITA). De
volgende formaten worden ondersteund en de volgende media kunnen
worden afgespeeld.
Ondersteunde formaten
WAV, FLAC, ALAC, OGG Vorbis
Ondersteunde formaten
SD-geheugenkaart, USB-stick
Informatie over de videogegevens die kunnen worden
afgespeeld vanaf de SD-geheugenkaart
De speler voor de achterpassagiers ondersteunt videobestanden die
voldoen aan de SD VIDEO-standaard (ISDB-T mobiel videoprofiel/H.264
mobiel videoprofiel) voor videobestanden die met een homerecorder zijn
opgenomen op een SD-geheugenkaart.
Formaten Codecs
ISDB-T mobiel videoprofiel
Video-codec
H.264 (AVC)
Audio-codec
AAC (256 kbps)
H.264 mobiel videoprofiel
Video-codec
H.264 (AVC)
Audio-codec
AAC (128 kbps)
INFORMATIE
De ondersteunde afbeeldingsformaten zijn 320 x 240 en 320 x 180 pixels voor
ISDB-T mobiel videoprofiel en 640 x 480 en 640 x 360 voor H.264 mobiel
videoprofiel.
De ondersteunde framesnelheden zijn 15 fps voor ISDB-T mobiel videoprofiel
en 30 fps voor H.264 mobiel videoprofiel.
De volgende formaten worden ondersteund voor videobestanden die
met een videocamera zijn opgenomen op een SD-geheugenkaart of
videobestanden die vanaf een computer zijn opgenomen.
10-1. Bijlage
419
10
Bijlage
Formaten Extensies Codecs
MPEG4
.mp4
.m4v
.m2ts
Video-codec
H.264, MPEG-4 AVC
Audio-codec
AAC
Audio-codec .avi
Video-codec
MPEG-4, WMV9, WMV9 Advanced
Profile, H.264
Audio-codec
MP3, AAC, WMA9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
Windows Media
Video .wmv
Video-codec
WMV9, WMV9 Advanced Profile
Audio-codec
WMA9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
AVCHD .mts
.m2t
Video-codec
H.264, MPEG-4 AVC
Audio-codec
Dolby Digital
INFORMATIE
De maximale afbeeldingsgrootte die wordt ondersteund, is 1920 x 1080 pixels.
De maximale ondersteunde framerate is 60i/30p.
Mogelijk kunnen video's niet worden afgespeeld, afhankelijk van het
type opnameapparatuur, de opname-omstandigheden en de gebruikte SD-
geheugenkaart.
Informatie over MP3-, WMA- en AAC-specificaties
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3 (MPEG Audio LAYER 3) is een standaard audiocompressieformaat.
Met MP3 kunnen bestanden worden gecomprimeerd tot ongeveer 1/10
van hun oorspronkelijke grootte.
WMA (Windows Media Audio) is een audiocompressieformaat van
Microsoft Corporation. Hiermee kunnen bestanden nog meer worden
gecomprimeerd dan met MP3.
AAC (Advanced Audio Coding) is een standaard
audiocompressieformaat dat wordt toegepast bij MPEG2 en MPEG4.
De speler voor de achterpassagiers kan AAC-bestanden afspelen die in
MPEG2 of MPEG4 zijn gemaakt.
10-1. Bijlage
420
Er gelden bepaalde restricties voor de MP3-, WMA- en AAC-bestanden
die kunnen worden gebruikt en voor de media en de formaten waarop
deze bestanden zijn opgeslagen. Raadpleeg “Informatie over formaten
die in combinatie met het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers
kunnen worden gebruikt” voor meer informatie over MP3-, WMA- en AAC-
bestanden.
Microsoft, Windows en Windows Media zijn geregistreerde handelsmerken
van Microsoft Corporation in de VS en andere landen.
Informatie over de Blu-ray-speler
Als er een afwijking optreedt, stopt de werking van de speler automatisch
om de interne onderdelen van de speler te beschermen. Als de speler
ook na bediening overeenkomstig de melding op het scherm niet weer in
werking treedt, zit er mogelijk een storing in het apparaat. Laat de auto
nakijken door uw Lexus-dealer.
Bij koud weer of regen kan er condensatie (waterdruppels) in de speler
ontstaan, net zoals wanneer de ruiten van de auto beslaan. In dat
geval slaat het geluid over of wordt het afspelen gestopt. Ventileer of
ontvochtig de auto enige tijd voordat u het apparaat weer gebruikt.
Het geluid slaat mogelijk over bij sterke trillingen, zoals bij het rijden op
een slecht wegdek.
INFORMATIE
10-1. Bijlage
421
10
Bijlage
Verklaring
WAARSCHUWING:
DIT PRODUCT IS EEN KLASSE 1 LASERPRODUCT. HET BEDIENEN OF
AFSTELLEN VAN DIT APPARAAT EN HET UITVOEREN VAN PROCEDURES
OP EEN WIJZE DIE NIET IN DEZE HANDLEIDING ZIJN BESCHREVEN,
KAN TOT GEVOLG HEBBEN DAT U AAN GEVAARLIJKE STRALING WORDT
BLOOTGESTELD. OPEN NOOIT APPARATUUR EN VOER ZELF GEEN
REPARATIES UIT. LAAT REPARATIES UITVOEREN DOOR DESKUNDIG
PERSONEEL.
Informatie over de voorwaarden voor Blu-ray-spelers
Lees de uitleg over de volgende termen om DVD's en Blu-ray-discs beter
en effectiever te gebruiken.
DVD-video
DVD-video's die video's opslaan, gebruiken een wereldwijde standaard
voor digitale compressietechnologie: MPEG2. Hiermee worden
videogegevens gecomprimeerd tot gemiddeld ongeveer 1/40 voordat ze
worden opgenomen. Er wordt ook een coderingstechnologie met variabele
snelheid gebruikt die de hoeveelheid toegewezen gegevens wijzigt op
basis van het type afbeelding. Audio-informatie kan worden opgeslagen
met PCM of Dolby Digital zodat u kunt genieten van een meeslepend
geluid.
Voor nog meer plezier zijn er ook verschillende extra functies beschikbaar,
zoals multi-angle en multitaal.
Blu-ray-video
Een Blu-ray-video wordt opgenomen op een alleen-lezen Blu-ray-disc (BD-
ROM) in BDMV-indeling (Blu-ray Disc Movie). Dit is van toepassing op
commerciële films.
Verschillende extra functies zoals multi-angle en multitaal zijn ook
beschikbaar op dezelfde manier als bij een DVD-video.
10-1. Bijlage
422
BDAV (Blu-ray Disc Audio/Visual)
BDAV is een formaat dat is gestandaardiseerd door de BDA (Blu-ray
Disc Association). Dit formaat ondersteunt auteursrechtelijke bescherming
en kan worden gebruikt om digitale uitzendingen op te nemen. Video in
BDAV-formaat die is opgenomen op een BD-R- of BD-RE-disc, kan worden
afgespeeld op de speler voor de achterpassagiers.
AVCHD
Dit is de naam van een nieuw opnameformaat (standaard) dat is ontwikkeld
zodat een digitale videocamera beelden met hoge resolutie en hoge
definitie kan opnemen op een DVD-disc, harddisk-drive of geheugenkaart.
Video in AVCHD-formaat die met een opnameapparaat is opgenomen op
een DVD-R- of DVD-RW-disc, kan worden afgespeeld op de speler voor de
achterpassagiers.
INFORMATIE
AVCHD en het AVCHD-logo zijn
handelsmerken van respectievelijk
Panasonic Corporation en Sony Corporation.
AVCREC
AVCREC is een formaat dat is
gestandaardiseerd door de BDA (Blu-ray
Disc Association). Dit formaat ondersteunt
auteursrechtelijke bescherming en kan
worden gebruikt om digitale uitzendingen op
te nemen.
10-1. Bijlage
423
10
Bijlage
Video in AVCREC-formaat die is opgenomen op een DVD, kan worden
afgespeeld op de speler voor de achterpassagiers.
BD-J (Blu-ray Disc java)
Een Blu-ray-video die Java-toepassingen bevat, wordt aangeduid met “BD-
J”. Gebruikers kunnen genieten van verschillende functies vergeleken met
normale Blu-ray-video.
BD-Live wordt niet ondersteund.
INFORMATIE
Kijkrestricties
Dit is een van de dvd-video- en Blu-ray-videofuncties die “het afspelen van
discs beperkt volgens het restrictieniveau van elk land om te voldoen aan
de kijkrestricties in dat land”. De kijkrestricties verschillen per disc. Mogelijk
wordt alle weergave verhinderd, worden extreme scènes overgeslagen of
worden extreme scènes vervangen door alternatieven.
Voor DVD-video's kunnen kijkrestrictieniveaus van 1 tot 8 worden ingesteld.
Niveau 1: Alleen discs voor kinderen kunnen worden afgespeeld.
(Discs voor een algemene publiek of volwassenen kunnen niet worden
afgespeeld.)
Niveau 2 - 7: Alleen discs voor kinderen en een algemeen publiek
kunnen worden afgespeeld. (Discs voor volwassenen kunnen niet
worden afgespeeld.)
Niveau 8: Alle discs kunnen worden afgespeeld.
De leeftijdsgrens voor Blu-ray-video kan worden ingesteld door de leeftijd
in te voeren. Wanneer wordt geprobeerd om een Blu-ray-video af te
spelen die bedoeld is voor kijkers boven de ingestelde leeftijd, wordt het
kinderslot geactiveerd, waardoor de video niet kan worden afgespeeld. De
Blu-ray-video kan worden afgespeeld door de leeftijdsinstellingen voor het
ouderlijk toezicht te gebruiken om de kijkleeftijd hoger in te stellen dan de
leeftijdsbeperking van de Blu-ray-video.
10-1. Bijlage
424
Multi-angle
Een functie van DVD-video's en Blu-ray-video's waarbij er meerdere
hoeken (cameraposities) van dezelfde scène vanuit verschillende
perspectieven op de disc worden opgeslagen. De kijker kan zelf naar wens
de hoek selecteren.
Multitaal
Een functie van DVD-video's en Blu-ray-video's waarbij er meerdere
audiotracks of talen voor ondertiteling voor dezelfde video op de disc
worden opgeslagen. De kijker kan zelf naar wens de taal selecteren.
Pop-upmenu
Een functie van Blu-ray-video's waarmee menu's kunnen worden
weergegeven en bediend tijdens het afspelen van de hoofdvideo.
Picture-in-picture (beeld-in-beeld)
Een functie van Blu-ray-video's waarbij een kleiner scherm op een
deel van het scherm wordt weergegeven, waardoor de hoofdvideo en
bonusmateriaal of andere video's tegelijkertijd kunnen worden afgespeeld.
DUBA (Disc Unbound BD-J Application)
Gebruikers kunnen bij Blu-ray-video's die uit twee of meer discs bestaan,
het vervolg van de video direct bekijken nadat ze de disc die wordt
afgespeeld, hebben verwijderd en vervangen door een volgende disc.
Afspeellijsten (alleen BDAV, AVCREC en DVD-VR)
Een afspeellijst is een overzicht van de afspeelvolgorde. Gebruik een
afspeellijst om de video die u wilt kijken te vinden. Er kan automatisch
een afspeellijst worden gegenereerd bij het opnemen op een disc. Ook kan
een afspeellijst worden bewerkt met een opname- of ander apparaat.
Startpunt
Dit is een onderverdeling van video's die op een disc zijn opgenomen in
DVD-VR- of BDAV-formaat.
Informatie over het geluid van de Blu-ray-speler
Deze Blu-ray-speler ondersteunt de audioformaten linear PCM, Dolby
Digital DTS, MPEG en AAC tijdens het afspelen van discs, maar
ondersteunt andere decodeermethoden niet.
Dolby Digital
Dit is een digitale audiocompressietechnologie die is ontwikkeld door
Dolby Laboratories, Inc. Dit is een volledig discrete (deel)methode die
muzieksignalen opneemt en afspeelt door ze op te splitsen in maximaal 6
kanalen (5.1 omdat het wooferkanaal normaal gesproken wordt uitgedrukt
als 0.1 kanaal).
10-1. Bijlage
425
10
Bijlage
Dolby Digital Plus
Dolby Digital Plus is een multifunctionele digitale
spraakcoderingstechnologie die een uitbreiding is op de Dolby Digital-
technologie. Dolby Digital Plus, dat surround sound tot maximaal 7.1
kanalen in BD-ROM-formaat weergeeft, ondersteunt de sterk uitbreidbare
audiotransmissiemethode en een breed scala aan bitrates, voor een
optimale geluidskwaliteit en efficiëntie die passen bij de beschikbare
bandbreedte.
INFORMATIE
DTS-HD Master Audio | Essential
Dit is een audiotechnologie die wordt gebruikt als optie voor Blu-ray-video.
Er worden maximaal 7.1 kanalen ondersteund.
Dit maakt audiocodering zonder verlies mogelijk met een variabele bitrate
van maximaal 24,5 Mbps. Audiogegevens worden opgenomen op Blu-ray-
discs met dezelfde geluidskwaliteit als die van Studio Master.
INFORMATIE
10-1. Bijlage
426
Samplingfrequenties en kwantisatiebits
Bij het converteren van analoge signalen naar digitale signalen wordt een
methode gebruikt die het signaal op bepaalde tijdsintervallen verdeelt en
digitaliseert (sampling).
De samplingfrequentie geeft het aantal delingen per seconde weer. De
grootte van de gegevens op dat moment is het aantal kwantisatiebits.
Hoe hoger deze waarden, hoe nauwkeuriger de weergave van het analoge
geluid.
Linear PCM
Deze signaalopnamemethode wordt gebruikt voor muziek-CD's.
DVD-video's worden opgenomen met een snelheid van 48 kHz/16 bit tot
96 kHz/24 bit, vergeleken met een opnamesnelheid van 44,1 kHz/16 bit
voor muziek-CD's. Daarom kunnen DVD-video's worden afgespeeld met
een hogere geluidskwaliteit dan muziek-CD's.
AAC (Advanced Audio Coding)
Deze digitale audiomethode is gespecificeerd als de standaard in digitale
satellietuitzendingen. Geluidskwaliteitsgegevens vergelijkbaar met een CD
kunnen worden gecomprimeerd tot ongeveer 1/12. 5.1-kanaals surround
sound-audio en meertalige uitzendingen zijn ook beschikbaar.
INFORMATIE
10-1. Bijlage
427
10
Bijlage
WMA (Windows Media® Audio), Microsoft, Windows en Windows Media zijn
(geregistreerde) handelsmerken van Microsoft Corporation in de VS en andere
landen.
Dit product bevat gepatenteerde technologie onder licentie van Verance
Corporation; sommige functies van deze technologie worden beschermd door
Amerikaanse en wereldwijde patenten zoals het Amerikaanse patentnummer
7,369,677 die zijn verkregen of in behandeling zijn, auteursrecht of
bescherming van bedrijfsgeheimen. Cinavia is een handelsmerk van Verance
Corporation. Copyright 2004-2014 Verance Corporation. Alle rechten behoren
toe aan Verance. Reverse-engineering en demontage zijn verboden.
Overzicht van taalcodes voor DVD's en Blu-ray-discs
Code Taal
1001 Japans
10-1. Bijlage
428
Code Taal
0514 Engels
0618 Frans
0405 Duits
0920 Italiaans
0519 Spaans
1412 Nederlands
1821 Russisch
2608 Chinees
1115 Koreaans
0512 Grieks
0101 Afar
0102 Abchazisch
0106 Afrikaans
0113 Amharisch
0118 Arabisch
0119 Assamees
0125 Aymara
0126 Azerbeidzjaans
0201 Basjkiers
0205 Wit-Russisch
0207 Bulgaars
0208 Bihari
0209 Bislama
0214 Bengaals
0215 Tibetaans
0218 Bretons
0301 Catalaans
0315 Corsicaans
0319 Tsjechisch
10-1. Bijlage
429
10
Bijlage
Code Taal
0325 Welsh
0401 Deens
0426 Bhutaans
0515 Esperanto
0520 Ests
0521 Baskisch
0601 Perzisch
0609 Fins
0610 Fiji
0615 Faerøers
0625 Fries
0701 Iers
0704 Schots-Gaelisch
0712 Galicisch
0714 Guarani
0721 Gujarati
0801 Hausa
0809 Hindi
0818 Kroatisch
0821 Hongaars
0825 Armeens
0901 Internationale hulptaal
0905 Interlingue
0911 Inupiak
0914 Indonesisch
0919 IJslands
0923 Hebreeuws
1009 Jiddisch
1023 Javaans
10-1. Bijlage
430
Code Taal
1101 Georgisch
1111 Kazakstaans
1112 Groenlands
1113 Cambodjaans
1114 Kannada
1119 Kashmiri
1121 Koerdisch
1125 Kirgizisch
1201 Latijn
1214 Lingala
1215 Laotiaans
1220 Litouws
1222 Lets
1307 Malagassisch
1309 Maori
1311 Macedonisch
1312 Malayalam
1314 Mongools
1315 Moldavisch
1318 Marathi
1319 Maleis
1320 Maltees
1325 Birmees
1401 Nauruaans
1405 Nepalees
1415 Noors
1503 Provençaals
1513 Oromo
1518 Odia
10-1. Bijlage
431
10
Bijlage
Code Taal
1601 Punjabi
1612 Pools
1619 Pasjtoe
1620 Portugees
1721 Quechua
1813 Reto-Romaans
1814 Kirundi
1815 Roemeens
1823 Kinyarwanda
1901 Sanskriet
1904 Sindhi
1907 Sango
1908 Servo-Kroatisch
1909 Singalees
1911 Slowaaks
1912 Sloveens
1913 Samoaans
1914 Shona
1915 Somalisch
1917 Albanees
1918 Servisch
1919 Swazi
1920 Sesotho
1921 Soendanees
1922 Zweeds
1923 Swahili
2001 Tamil
2005 Telugu
2007 Tajik
10-1. Bijlage
432
Code Taal
2008 Thais
2009 Tigrinya
2011 Turkmeens
2012 Tagalog
2014 Setswana
2015 Tonga
2018 Turks
2019 Tsonga
2020 Tataars
2023 Twi
2111 Oekraïens
2118 Urdu
2126 Oezbeeks
2209 Vietnamees
2215 Volapük
2315 Wolof
2408 Xhosa
2515 Yoruba
2621 Zoeloe
Informatie op Blu-ray Discs en DVD's
Regiocode van afspeelbare discs
Voor sommige discs wordt een regiocode weergegeven die de regio (of het
land) aanduidt van spelers waarop de disc kan worden afgespeeld.
Discs waarvoor een regiocode wordt weergegeven, kunnen niet op deze
Blu-ray-speler worden afgespeeld als er geen cijfer (DVD-video) of letter
(Blu-ray-video) met het gebruikersgebied op het scherm staat of als ALL
(DVD-video) of ABC (Blu-ray-video) (wereldwijd) niet wordt weergegeven.
Als er wordt geprobeerd om een dergelijke disc af te spelen, wordt
de melding "Region code error" (fout regiocode) op het scherm
weergegeven.
10-1. Bijlage
433
10
Bijlage
Sommige discs hebben mogelijk een regionale beperking, zelfs als er geen
regiocode wordt weergegeven. Deze Blu-ray-speler kan dergelijke discs
mogelijk niet afspelen.
De disc kan mogelijk niet worden afgespeeld als het afspelen in bepaalde
regio's of landen door de maker is verboden.
Symbolen die op de discs worden weergegeven
De volgende symbolen worden mogelijk op de discs of de doosjes
weergegeven.
Symbool Betekenis
Kleurentelevisiesystemen.
Het aantal audiotracks.
Het getal is het aantal opgenomen audiotracks.
Het aantal talen voor ondertiteling.
Het getal is het aantal opgenomen talen.
Het aantal kijkhoeken.
Het getal is het aantal opgenomen kijkhoeken.
Te selecteren schermmodi.
16:9 is breedbeeld en 4:3 is de normale
schermverhouding.
DVD-video
Regiocode.
ALL staat voor wereldwijd en het getal is de
regiocode.
BD-video
Regiocode.
ABC staat voor wereldwijd en de letter is de
regiocode.
10-1. Bijlage
434
Disc-configuratie
Video's of nummers die op een disc zijn opgenomen, zijn onderverdeeld in
verschillende delen.
Titel 1
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Titel 2
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Titel 3 Hoofdstuk 1
Titel
De grootste eenheid bij de onderverdeling van de video's of nummers die
op een disc zijn opgenomen. Normaal gesproken komt dit overeen met één
video op videosoftware of één album (of één nummer) op muzieksoftware.
Aan elke titel wordt op volgorde een nummer toegekend.
Hoofdstuk
Een eenheid die kleiner is dan de titel bij de onderverdeling van de
video's of nummers die op een disc zijn opgenomen. Een titel bestaat
uit meerdere hoofdstukken en aan elk hoofdstuk wordt op volgorde een
nummer toegekend.
INFORMATIE
Bij sommige discs wordt tijdens het afspelen mogelijk geen titelnummer,
hoofdstuknummer of afspeeltijd weergegeven.
Informatie over SD-geheugenkaarten
De volgende bestanden kunnen worden afgespeeld met een SD-
geheugenkaart.
Muziekbestanden die zijn opgenomen met behulp van een computer
Videobestanden die zijn opgenomen met behulp van een homerecorder
Informatie over het afspelen van muziekbestanden die zijn
opgenomen met behulp van een computer
De volgende muziekbestanden die op een SD-geheugenkaart zijn
opgenomen, kunnen worden afgespeeld.
MP3
WMA
AAC
FLAC
10-1. Bijlage
435
10
Bijlage
WAV
ALAC
OGG Vorbis
Raadpleeg “Informatie over formaten die in combinatie met het
entertainmentsysteem voor de achterpassagiers kunnen worden gebruikt”
voor meer informatie over muziekbestanden die kunnen worden gebruikt in
combinatie met de speler voor de achterpassagiers (wanneer opgenomen
met een computer).
Afspelen van videobestanden die zijn opgenomen met behulp van
een homerecorder
Het is mogelijk om een met een homerecorder opgenomen tv-programma
op een SD-geheugenkaart te zetten en af te spelen. Het is ook mogelijk
om video's af te spelen die zijn opgenomen met de extensie MP4 (MPEG-4
AVC/H.264).
Raadpleeg “Informatie over de videogegevens die kunnen worden
afgespeeld vanaf de SD-geheugenkaart” voor meer informatie over de
SD-videostandaard die kan worden gebruikt met de speler voor de
achterpassagiers.
SD-geheugenkaart en adapter
INFORMATIE
Veeg regelmatig met een droge doek stof en dergelijke van het oppervlak van
de cartridge.
Gebruik geen SD-geheugenkaarten en adapters waarvan het label is
losgeraakt of waarop een sticker is geplakt.
Stel de afstandsbediening niet bloot aan direct zonlicht of een vochtige
omgeving. Anders kunnen de SD-geheugenkaart en adapter onbruikbaar
worden.
Gebruikers dienen de aansluitingen niet met hun handen of metalen
voorwerpen aan te raken.
Wanneer u de SD-geheugenkaart of adapter meeneemt of opbergt, plaats hem
dan in het meegeleverde hoesje.
Laat de SD-geheugenkaart niet achter op een plaats waar deze kan worden
blootgesteld aan statische elektriciteit of elektrische signalen. Anders kunnen
de gegevens beschadigd raken. Als hij op deze manier beschadigd is geraakt,
vergoeden we hem niet.
Verwijder de SD-geheugenkaart niet tijdens het afspelen. Anders kunnen
de gegevens beschadigd raken. Als hij op deze manier beschadigd is
geraakt, vergoeden we hem niet. Raadpleeg “Plaatsen en verwijderen van
de SD-geheugenkaart” voor meer informatie over het verwijderen van de SD-
geheugenkaart.
10-1. Bijlage
436
De gegevens op de geheugenkaart worden niet volledig gewist als de
functie voor formatteren of wissen van de speler voor de achterpassagiers
of een computer wordt gebruikt. Wanneer u een geheugenkaart weggooit of
overdraagt, is het raadzaam om de geheugenkaart fysiek te vernietigen of om
in de handel verkrijgbare software voor het wissen van computergegevens te
gebruiken om de gegevens op de geheugenkaart volledig te wissen. Het is de
verantwoordelijkheid van de klant om de gegevens op de geheugenkaart te
beheren.
Informatie over HDMI
De standaarden voor video- en audiosignalen van de beschikbare HDMI-
apparaten zijn als volgt.
Item Standaard
Ondersteund videosignaal 480p, 576p, 720p, 1080p, VGA
Ondersteund audiosignaal LPCM 2ch
INFORMATIE
Informatie over Wi-Fi®
Wi-Fi® is een geregistreerd handelsmerk van Wi-Fi Alliance®.
Informatie over open software
De open source softwarelicentie-informatie van het entertainmentsysteem
voor de achterpassagiers kan worden gecontroleerd op het instelscherm
van het entertainmentsysteem voor de achterpassagiers.
10-1. Bijlage
437
10
Bijlage
Verklaring
Toyota Motor Europe NV/SA, Avenue du Bourget 60 - 1140 Brussel, België
www.toyota-europe.com
Toyota (GB) PLC, Great Burgh, Burgh Heath, Epsom, Surrey, KT18 5UX,
VK
10-1. Bijlage
438
10-1. Bijlage
439
10
Bijlage
10-1. Bijlage
440
10-1. Bijlage
441
10
Bijlage
10-1. Bijlage
442
10-1. Bijlage
443
10
Bijlage
10-1. Bijlage
444
10-1. Bijlage
445
10
Bijlage
10-1. Bijlage
446
10-1. Bijlage
447
10
Bijlage
10-1. Bijlage
448
10-1. Bijlage
449
10
Bijlage
10-1. Bijlage
450
10-1. Bijlage
451
10
Bijlage
10-1. Bijlage
452
10-1. Bijlage
453
10
Bijlage
10-1. Bijlage
454
10-1. Bijlage
455
10
Bijlage
10-1. Bijlage
456
10-1. Bijlage
457
10
Bijlage
10-1. Bijlage
458
10-1. Bijlage
459
10
Bijlage
10-1. Bijlage
460
10-1. Bijlage
461
10
Bijlage
10-1. Bijlage
462
10-1. Bijlage
463
10
Bijlage
10-1. Bijlage
464
10-1. Bijlage
465
10
Bijlage
10-1. Bijlage
466
10-1. Bijlage
467
10
Bijlage
10-1. Bijlage
468
10-1. Bijlage
469
10
Bijlage
10-1. Bijlage
470
10-1. Bijlage
471
10
Bijlage
10-1. Bijlage
472
10-1. Bijlage
473
10
Bijlage
QR-code
Het woord "QR-code" is een geregistreerd handelsmerk van DENSO
WAVE INCORPORATED in Japan en andere landen.
Kaartgegevens
©2021 HERE
Ga naar onderstaande link voor de datalicentie.
https://legal.here.com/terms/general-content-supplier/terms-and-notices/
EINDGEBRUIKERSOVEREENKOMST
https://legal.here.com/en-gb/terms/end-user-license-agreement
QNX
10-1. Bijlage
474
Index
A
Aansluiten
Bluetooth®-apparaten................... 151
Miracast®...................................... 247
Wi-Fi®........................................... 160
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten...............247
Actuele locatie
Weergave....................................... 32
Afspelen
Android Auto................................. 239
Apple CarPlay...............................235
Bluetooth®-audio.......................... 243
iPod/iPhone.................................. 231
Miracast®...................................... 248
USB-stick............................... 224,227
Algemene instellingen..................... 87
Android Auto............................173,239
Antenne
Radio............................................ 220
Apple CarPlay................................. 235
Geregistreerde smartphone..........169
Ongeregistreerde smartphone......166
Audio............................................... 214
Audiosysteem aan/uit...................... 36
Automatische geluidsregeling...... 116
B
Beantwoorden van berichten........ 336
Bedienen van het systeem met
behulp van spraakbediening....... 62
Bediening scherm............................ 27
Bediening tijdens
telefoongesprekken....................316
Beëindigen van gesprekken.......... 321
Beeldkwaliteit instellen.................. 120
Bellen
Bericht...........................................339
Contacten..................................... 309
Continu toonsignaal...................... 312
Geschiedenis................................ 306
Iemand bellen............................... 319
Invoeren via numeriek toetsenbord....
.................................................. 310
Lijst met favorieten........................308
Pechhulp van Lexus......................311
Bericht............................................. 334
Bestemming
Recente bestemming wissen........ 112
Toevoegen.................................... 197
Wissen.......................................... 207
Zoeken .........................................192
Beveiligingsinstellingen.................. 95
Bewerken.........................................206
Bluetooth®-apparaten
Aansluiten..................................... 151
Instellen als primair apparaat........155
Instellen als secundair apparaat... 157
Registreren................................... 146
Wissen.......................................... 150
Bluetooth®-audio............................243
Browser........................................... 342
Bediening......................................344
Scherm......................................... 343
C
Compatibele profielen....................145
Contactgegevens (telefoonnummer)
Overbrengen.................................324
Toevoegen.................................... 329
Verwijderen................................... 330
Wijzigen........................................ 329
Contrast en helderheid.................... 90
Index
475
D
DAB-radio........................................217
Datum- en tijdinstellingen................87
Dealerinformatie............................... 94
Demo routebegeleiding .................202
Display aan/uit.................................. 90
E
Een conferencecall starten............320
Entertainmentsysteem
achterpassagiers
Aansluiten van een HDMI-apparaat55
Afstellen van de hoek van het display
.................................................... 51
Alleen geluid weergeven.................49
Android Auto................................. 284
Apple CarPlay...............................282
Bedienen van het multifunctionele
bedieningspaneel achter.............45
Bediening vanaf de voorstoelen..... 61
Bedieningsmethoden...................... 44
Blu-ray Disc (BD)....................... 259
Bluetooth®-audio.......................... 286
CD.................................................256
DAB.............................................. 254
DVD.............................................. 259
Functies en bediening.....................42
HDMI achterin...............................288
Instellen van de beeldkwaliteit...... 129
Instellen volume..............................57
Instellingen HDMI achterin............131
iPod/iPhone.................................. 280
Methode voor het aansluiten van de
koptelefoon................................. 60
Methode voor verbinding maken met
Miracast® achterin.................... 291
Methode voor verbreken van de
verbinding met Miracast® achterin..
.................................................. 293
Miracast®...................................... 289
Miracast® achterin........................ 292
Radio............................................ 253
Scherminstellingen....................... 128
SD-geheugenkaart..........265,268,273
Systeem in- en uitschakelen...........48
USB-stick............................... 276,278
Video-CD...................................... 259
Voorzorgsmaatregelen voor
Miracast® achterin.................... 290
Wijzigen van de audio-
uitgangsmodus............................58
Wijzigen van de bron...................... 56
Wijzigen van de schermmodi........130
F
FM-radio.......................................... 214
G
Gebruikersprofiel
Registreren..................................... 75
Wijzigen en registreren van een
profiel.......................................... 82
Geluidsbronnen met hoge resolutie...
......................................................400
Geluidskwaliteit instellen...............121
Gracenote®...............................221,400
H
Handsfree (telefoon).......................296
Hoofdmenu........................................20
I
Informatie over formaat................. 400
Informatie over software-updates...98
Informatie parkeren op straat........103
Informatie weergeven voor een punt..
......................................................183
Instellen
Beeldkwaliteit................................120
Index
476
Contrast.......................................... 90
Geluidskwaliteit.............................121
Helderheid...................................... 90
Klok.................................................87
Instellen bestemming ....................200
Instellen van de taal......................... 87
Instellen volume............................... 36
Audio...............................................36
Navigatievolume........................... 116
System volume (systeemvolume). 116
Telefoon (beltoon/ontvanger). 124,304
Instellingen
Algemene instellingen.....................87
Beveiligingsinstellingen...................95
Diverse instellingen.........................80
Geluids- en media-instellingen......116
Instellingen begeleiding ............... 109
Instellingen Bluetooth®-apparaat..124
Instellingen dealerinformatie...........94
Instellingen gebruikersprofiel.......... 85
Instellingen navigatiesysteem.......102
Instellingen Panoramic View Monitor..
.................................................. 377
Instellingen routevoorkeuren........ 106
Instellingen spraakbediening.......... 92
Instellingen verkeersinformatie..... 111
Instellingen weergave scherm........ 90
Kaartinstellingen.................... 103,187
Privacy-instellingen.........................95
Radio-instellingen......................... 116
Wi-Fi®-instellingen........................ 122
Internet............................................ 342
Bediening......................................344
Scherm......................................... 343
Internetradio....................................221
Invoeren van cijfers..........................29
Invoeren van letters..........................29
iPod/iPhone.....................................231
K
Kaart
Instellingen 3D-weergave............. 103
Inzoomen/uitzoomen...................... 33
Verkeersinformatie........................103
Verplaatsen.....................................35
Wijzigen van de kaartstijl.............. 103
Wijzigen van de richting..................34
Kaarticoon
Flitscamera .................................. 188
Kaartinstellingen
Op straat parkeren .......................187
Kaartscherm......................................30
Kaartscherm met volledige route
Geschatte aankomsttijd ............... 200
Klokinstellingen................................87
Koppelen
iPod.................................................41
USB-aansluiting.............................. 41
L
Lexus-account.................................. 75
Luisteren naar de radio..................214
M
Miracast®.........................................248
Mobiele telefoon
Koppelen.......................................151
Registreren................................... 146
Verkopen of wegdoen van de auto.....
.................................................. 299
Verwijderen................................... 150
N
Naar DAB luisteren.........................217
NaviBridge.......................................198
Navigatie-instellingen.....................112
Navigatiesysteem........................... 180
Noorden boven................................. 34
Index
477
O
Opnieuw zoeken van een route ....210
Oproepen beantwoorden/ontvangen..
......................................................313
Oproepen weigeren........................ 315
Overbrengen
Contactgegevens (telefoonnummer)..
.................................................. 324
Overschakelen naar een andere
schermmodus............................. 119
P
Panoramic View Monitor................350
Positie
Corrigeer de locatie.......................112
Problemen oplossen
Apple CarPlay/Android Auto......... 175
Handsfree (telefoon)..................... 300
Panoramic View Monitor...............396
R
Registreren
Bluetooth®-apparaten................... 146
Dealerinformatie............................. 94
Gebruikersprofiel............................ 75
Instellingen gebruikersprofiel.......... 82
Lijst met favorieten........................332
Routebegeleiding .......................... 207
Rijrichting boven.............................. 34
Rijstrookweergaveschermen.........208
S
Schaal................................................33
Schoonmaken van de camera....... 379
Security lock
(veiligheidsvergrendeling)........... 95
Smartphone
Bestemmingen instellen (NaviBridge)
.................................................. 198
Koppelen.......................................151
Registreren................................... 146
Wissen.......................................... 150
Snelwegmodus .............................. 191
Spraakcommando's......................... 66
Spraakcommandosysteem.............. 62
Stadskaart......................................... 33
Statusiconen..................................... 22
Stuurwieltoetsen
Audio...............................................36
Handsfree (telefoon)..................... 304
Spraakbediening.............................64
Surround sound..............................116
Systeem herstarten.......................... 17
T
Taal van de kaart.............................103
Thuis
Instellen van thuis als bestemming ....
.................................................. 194
Registreren .................................. 194
Toetsenbord
Invoeren van letters en cijfers.........29
Toevoegen van een tussenpunt.... 197
Touchscreen..................................... 24
Tussenpunten ................................ 205
Tijdinstellingen................................. 87
U
Updaten
Software-informatie.........................98
USB-aansluiting................................41
USB-hub................................... 222,230
USB-stick..................................224,227
V
Verkopen of wegdoen van de auto.....
......................................................299
Vermijden........................................ 106
Versturen van nieuwe berichten... 337
Index
478
W
Webbrowser.................................... 342
Bediening......................................344
Scherm......................................... 343
Weergeven van POI-iconen........... 185
Wi-Fi®
Aansluiten..................................... 160
Wi-Fi®-instellingen......................... 122
Wisselen van telefoon....................322
Wissen
Bestemming .................................207
Bluetooth®-apparaten................... 150
Contactgegevens (telefoonnummer)..
.................................................. 330
Gebruikersprofiel............................ 85
Lijst met favorieten........................332
Recente bestemmingen................ 112
Wijzig route-opties ........................ 203
Wijzigen van de route ....................204
Wijzigen van de schaal.................... 33
Z
Zoeken met behulp van zoekwoorden
........................................................71
Zoeken van een bestemming........ 192
Bestemmingengeschiedenis ........195
Door smartphone ondersteunde apps
.................................................. 198
Een favoriet als bestemming ....... 194
Invoeren van karakters ................ 193
Routeplan .................................... 195
Thuis ............................................ 194
Index
479
いE-7
Publication No. OM50J89E
Part No. 01999-50J89E
Printed in Japan 01-2210-00 N
LS500h/LS500/LS350 マルチメディア(欧州E
476


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Lexus LS 350 - 2022 Navigation at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Lexus LS 350 - 2022 Navigation in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 27.77 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Lexus LS 350 - 2022 Navigation

Lexus LS 350 - 2022 Navigation User Manual - English - 462 pages

Lexus LS 350 - 2022 Navigation User Manual - German - 455 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info