Varia / 187
Storingen en het verhelpen ervan
1. De camera reageert niet op het inschakelen.
1–1. Is de accu correct geplaatst of is de voe-
dingseenheid/acculader correct aangesloten?
1–2. IIs de laadtoestand van de accu voldoende?
Gebruik een opgeladen accu.
2. Onmiddellijk na het inschakelen schakelt de
camera weer uit.
2–1. Volstaat de laadtoestand van de accu om
de camera te laten werken? Laad de accu of
plaats een opgeladen accu.
2–2. Is condensvocht aanwezig? Dit komt voor
als de camera van een koude naar een
warme plaats wordt gebracht. Wacht tot het
condensvocht is verdampt.
3. De opname kan niet worden opgeslagen.
3–1. Is een geheugenkaart geplaatst?
3–2. De hendel voor de keuze van de opname-/
weergavemodi is niet op een van de opname-
modi gezet.
3–3. De capaciteit van de geheugenkaart is ver-
bruikt. Wis opnamen die u niet meer nodig
hebt, voordat u nieuwe maakt.
4. De opname wordt niet op de monitor
getoond.
4–1. Is de monitor uitgeschakeld?
5. De LCD-monitor is te licht of te donker.
5–1. Stel de helderheid van de monitor naar
wens in.
6. Het beeld/de beeld op de monitor is/zijn
niet scherp.
6–1. Stel de scherpte correct in of stel een auto-
matische scherpte-instellingsmodus (AF,
macro) in en druk op de ontspanner tot aan
het eerste drukpunt.
7. Het flitsen wordt niet in werking gezet.
7–1. Het flitsapparaat is uitgeschakeld, kies een
andere flitsmodus.
8. De opname kan niet worden weergegeven.
8–1. Is een geheugenkaart geplaatst?
8–2. Er zijn geen gegevens op de geheugenkaart.
8–3. De hendel voor de keuze van de opname-/
weergavemodi is niet op weergave gezet.
9. De opname kan niet op de televisie worden
weergegeven.
9–1. Controleer of televisietoestel en camera
correct met elkaar zijn verbonden.
9–2. Stel het televisietoestel in op de AV-ingang
waarop de camera is aangesloten.
10. Ondanks aansluiting op een computer
kunnen de gegevens niet overgezet worden.
10–1.Controleer of computer en camera correct
met elkaar zijn verbonden.