786377
394
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/394
Next page
GEBRUIKERSHANDLEIDING
Bediening
Onderhoud
Specificaties
Alle informatie in deze gebruikershandleiding is actueel ten tijde van de
publicatie. Hyundai behoudt zich echter het recht voor om te allen tijde aan-
passingen door te voeren zodat het beleid van voortdurende productverbe-
tering uitgevoerd kan worden.
Deze handleiding is van toepassing op alle Hyundai modellen van dit voer-
tuig en omvat beschrijvingen en verklaringen betreffende de opties en de
standaarduitrusting. Als resultaat hiervan kunt u informatie in deze hand-
leiding vinden die niet van toepassing is op uw specifieke voertuig.
F2
Uw Hyundai dient op geen enkele wijze te zijnof te worden aangepast. Zulke aanpassingen kunnen
de prestatie, veiligheid of duurzaamheid van uw Hyundai nadelig beïnvloeden en zouden bovendien
de voorwaarden van de beperkte garanties die het voertuig dekken kunnen overtreden. Bepaalde
aanpassingen kunnen ook strijdig zijn met de wettelijke voorschriften zoals vastgesteld door het
Departement voor Transport en andere overheidsorganen in uw land.
Uw voertuig is uitgerust met elektronische brandstoftoevoer en andere elektronische componenten.
Het is mogelijk dat een oneigenlijk geïnstalleerde/aangepaste tweezijdige radioverbinding of mobiele
telefoon uw elektronische systemen nadelig kan beïnvloeden. Om deze reden bevelen wij u aan om
zorgvuldig de instructies van de fabrikant op te volgen of uw Hyundai Reparateur te raadplegen
betreffende voorzorgsmaatregelen of speciale instructies, indien u ervoor kiest om één van deze
apparaten te installeren.
OPMERKING: AANPASSINGEN AAN UW HYUNDAI
TWEEZIJDIGE RADIOVERBINDING OF MOBIELE TELEFOON INSTALLATIE
F3
Deze handleiding bevat informatie met titels als WAARSCHUWING, OPMERKING en AANDACHT.
Deze titels geven het volgende aan:
AANDACHT
Dit geeft aan dat er extra informatie wordt verstrekt.
WAARSCHUWING INZAKE VEILIGHEID EN VOERTUIG SCHADE
WAARSCHUWING
Dit geeft aan dat een conditie kan resulteren in schade of (ernstig) letsel voor u of andere
inzittenden, indien er geen aandacht wordt besteedt aan de waarschuwing. Volg het advies
op dat wordt gegeven bij de waarschuwing.
OPMERKING
Dit geeft aan dat een conditie kan resulteren in schade voor uw voertuig of uitrusting,
indien er geen aandacht wordt besteedt aan de waarschuwing. Volg het advies op dat wordt
gegeven bij de voorzichtig.
F4
VORWORT
Danke, dass Sie sich für einen Hyundai entschieden haben. Wir freuen uns, Sie im Kreise einer wachsenden Anzahl anspruchs-
voller Menschen begrüßen zu dürfen, welche einen Hyundai fahren. Die fortschrittliche Technik und Bauweise eines jeden
Hyundai-Fahrzeugs, welches wir produzieren, ist etwas, auf das wir sehr stolz sind.
Ihre Betriebsanleitung macht Sie mit den Merkmalen und dem Betrieb Ihres neuen Hyundai bekannt. Wie empfehlen Ihnen, dass
Sie die Betriebsanleitung sorgfältig lesen, da die enthaltenen Informationen erheblich dazu beitragen können, dass Sie mit Ihrem
neuen Fahrzeug zufrieden sein werden.
Wir empfehlen grundsätzlich, das Fahrzeug in einer HYUNDAI Vertragswerkstatt betreuen zu lassen.
HYUNDAI ASSAN OTOMOTİV SAN. & TİC. A. Ş.
Hinweis: Da auch zukünftige Fahrzeughalter auf die in diesem Handbuch enthaltenen Informationen angewiesen sind, hinterlas-
sen Sie das Handbuch für die weitere Nutzung bitte im Fahrzeug, wenn Sie dieses verkaufen. Vielen Dank.
Copyright 2017 Hyundai Motor ASSAN Ltd. Alle Rechte vorbehalten. Dieses Dokument darf ohne vorherige schriftliche
Genehmigung der Hyundai Motor ASSAN Ltd. nicht reproduziert, in keiner Datenbank gespeichert oder auf irgendeine Art und
Weise übertragen werden.
VORSICHT
Durch Verwendung von billigen und den Anforderungen von Hyundai nicht gerecht werdenden Kraftstoffen und
Schmiermitteln können schwere Motor- und Getriebeschäden entstehen. Verwenden Sie immer qualitativ hochwertige
Kraftstoffe und Schmiermittel, die den in dieser Betriebsanleitung im Abschnitt "Technische Fahrzeugdaten" auf der
Seite 8-4 aufgeführten Spezifikationen entsprechen.
1
2
3
4
5
6
7
8
I
Introductie
Uw voertuig in een oogopslag
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Kenmerken van uw voertuig
Het besturen van uw voertuig
Wat te doen in noodgevallen
Onderhoud
Specificaties & Informatie voor de klant
Index
Inhoudsopgave
Introductie
Hoe deze handleiding te gebruiken . . . . . . . . . . . . 1-2
Brandstofvereisten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1-3
Inrijden van het voertuig. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1-6
1
Introductie
21
We willen u helpen om het hoogst moge-
lijke rijplezier te halen uit uw voertuig. In
de gebruikershandleiding is heel veel
informatie te vinden over het gebruik van
de auto. U wordt aangeraden om de vol-
ledige handleiding door te lezen. Om de
kans op schade en letsel te voorkomen
wordt aangeraden vooral de secties
WAARSCHUWING of OPMERKING ter
harte te nemen.
Illustraties en afbeeldingen vullen de
tekst in deze handleiding aan om nog
beter uit te leggen hoe optimaal van dit
voertuig gebruik gemaakt kan worden.
Door de handleiding te lezen wordt u
geïnformeerd over de kenmerken,
belangrijke veiligheidsinformatie en rijtips
onder diverse rijomstandigheden.
De indeling van de handleiding wordt ge-
geven in de inhoudsopgave. Gebruik de
index als u zoekt naar een speciaal on-
derwerp; de index is een alfabetische lijst
van alle informatie in uw boekje.
Secties: De handleiding heeft 8 secties
en een inhoudsopgave. Iedere sectie be-
gint met een korte inhoudsopgave zodat
u in een oogopslag kunt zien of die sec-
tie de informatie bevat die u wilt hebben.
U zult diverse WAARSCHUWING, VO-
ORZICHTIG en AANDACHT in deze
handleiding vinden. Deze blokken zijn
opgesteld om de persoonlijke veiligheid
te verbeteren. U wordt aangeraden deze
WAARSCHUWING, OPMERKING en
AANDACHT procedures zorgvuldig te le-
zen en te volgen.
AANDACHT
AANDACHT geeft aan dat er interes-
sante of nuttige informatie wordt vers-
trekt.
HOE DEZE HANDLEIDING TE GEBRUIKEN
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING geeft een situ-
atie aan waaruit schade of lic-
hamelijk letsel kan ontstaan, indien
de waarschuwing wordt gene-
geerd.
OPMERKING
OPMERKING geeft een situatie aan
waaruit schade aan uw voertuig kan
ontstaan, indien de waar-schuwing
wordt genegeerd.
13
Introductie
Loodvrij
Europa
Voor optimale prestaties raden we u aan
ongelode benzine te en met een octaan-
getal van RON (Research Octane Num-
ber) 95 / AKI (Anti Klop Index) van 91 of
hoger. (Gebruik geen benzine welke
methanol bevat.)
U kan gebruik maken van ongelode ben-
zine met een octaangetal (RON) 91 -94 /
AKI 87-90, maar hierdoor kunnen de
prestaties van de Motor iets minder wor-
den.
Behalve Europa
Uw nieuwe voertuig is uitsluitend ontwor-
pen voor loodvrije benzine met een
octaangetal van RON (Research Octane
Number) 91 / AKI (Anti-Knock Index) 87
of hoger. (Gebruik geen benzine welke
methanol bevat.)
Uw nieuwe voertuig is ontworpen om de
maximale prestatie te verkrijgen met
LOODVRIJE BRANDSTOF als ook om
vervuiling via het uitlaatgassen te beper-
ken.
Loodhoudend
(indien hiermee uitgerust)
Voor een aantal landen is het voertuig
ontworpen om loodhoudende benzine te
gebruiken. Als u loodhoudende benzine
gebruikt, raden we aan om aan een
erkende HYUNDAI-verdeler te vragen of
er al dan niet loodhoudende benzine in
uw auto beschikbaar is.
Het octaangetal voor loodhoudende ben-
zine is gelijk aan loodvrije benzine.
BRANDSTOFEISEN
OPMERKING
GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE
BENZINE. Het gebruik van loodhou-
dende benzine is schadelijk voor de
katalysator, het zal de zuurstofsen-
sor van het motor regelsysteem
beschadigen en het emissiebeheer
aantasten.
Voeg nooit reinigingsmiddelen toe
aan de brandstoftank, anders dan is
aangegeven (Wij raden aan om con-
tact op te nemen met een erkende
HYUNDAI-verdeler voor meer infor-
matie).
WAARSCHUWING
Nooit doorgaan met ‘afvullen’
nadat de benzinepomp automa-
tisch is afgeslagen tijdens het bij-
tanken.
Controleer altijd dat de brand-
stofvuldop goed is vastgezet om
brandstoflekkage te voorkomen.
Introductie
41
Benzine welke alcohol en methanol
bevat
Gasohol, een mengsel van benzine en
ethanol (ook bekend als graanalcohol),
en benzine of gasohol die methanol be-
vat (ook bekend als houtgeest) wordt
soms verkocht samen met of in plaats
van loodhoudende of loodvrije benzine.
Gebruik dit mengsel niet met meer dan
10% ethanol en gebruik geen benzine of
mengsel dat methanol bevat. Deze
brandstoffen kunnen rijproblemen en
schade aan het brandstofsysteem ver-
oorzaken.
Stop het gebruik van gasohol van welk
soort dan ook, als zich problemen voor-
doen. Voertuigschade of regelpoblemen
worden niet gedekt door de fabrieksga-
rantie als deze het resultaat zijn van:
1. Gasohol die meer dan 10% ethanol
bevat.
2. Benzine of gasohol die methanol
bevat.
3. Loodhoudende benzine of loodhou-
dende gasohol (Met uitzondering van
voertuigen die zijn ontworpen voor
een aantal landen om loodhoudende
benzine te gebruiken).
Andere brandstoffen
Gebruik van brandstoffen zoals;
- brandstof met silicone (Si),
- brandstof met MMT (Manganese, Mn),
- brandstof met ferroceen (Fe), en
- Andere brandstoffen met metaalhou-
dende additieven, kunnen het voertuig
en de motor beschadigen of verstop-
ping, haperingen, slechte motor afstel-
ling veroorzaken, uw katalysator doen
smelten, versnelling, abnormale corro-
sie, verkorting van de levenscyclus,
etc.
Ook kan het controlelampje van de sto-
ringsindicator (Malfunction Indicator
Lamp - MIL) oplichten.
AANDACHT
Schade aan het brandstofsysteem of
prestatieproblemen veroorzaakt door
het gebruik van een van deze brandstof-
fen zullen niet worden gedekt door de
garantievoorwaarden voor nieuwe
auto's.
OPMERKING
Gebruik nooit gasohol die methanol
bevat. Stop het gebruik van enig
gasohol product die de werking van
de motor schaadt.
15
Introductie
Gebruik van MTBE
HYUNDAI beveelt aan om brandstoffen
in uw voertuig te vermijden die MTBE
(Methyl Tertiary Butyl Ether) bevatten
met meer dan 15% vol. (Oxygen Content
2.7% gewicht).
Brandstoffen die MTBE met meer dan
15% vol. (Oxygen Content 2.7% gewicht)
bevatten kunnen de prestatie van het
voertuig verminderen en moeilijk starten
veroorzaken.
Gebruik geen methanol
Uw auto is niet geschikt voor het gebruik
van methanol (methylalcohol). Dit type
brandstof heeft een negatieve invloed op
de prestaties van uw auto en kan schade
aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Emissie
Om bij te dragen aan minder luchtvervui-
ling beveelt HYUNDAI aan dat u brand-
stof gebruikt met toegevoegde reini-
gingsmiddelen, waardoor vorming van
verbrandingsresten in de motor wordt
voorkomen. Deze brandstoffen zullen de
motor helpen, schoner te draaien en de
prestaties verbeteren van het Emissie
Beheer Systeem.
Werking in het buitenland
Indien u uw voertuig in een ander land
gaat rijden, wees er zeker van dat:
Alle voorschriften geraadpleegd wor-
den betreffende registratie en verzeke-
ring.
Vastgesteld wordt dat de juiste brand-
stoffen beschikbaar zijn.
OPMERKING
De garantievoorwaarden kan moge-
lijk de schade aan het brandstof-
systeem of prestatieproblemen
dekken, die zijn veroorzaakt door
het gebruik van brandstoffen die
methanol bevatten of brandstoffen
die MTBE (Methyl Tertiary Butyl
Ether) bevatten met meer dan 15%
vol. (Oxygen Content 2.7% ge-
wicht).
OPMERKING
De garantievoorwaarden zal de
schade, die is veroorzaakt door het
gebruik van methanol of brandstof-
fen die methanol bevatten, aan het
brandstofsysteem of prestatiepro-
blemen niet dekken.
Introductie
61
Brandstofadditieven
HYUNDAI adviseert het gebruik van kwa-
litatief hoogwaardige brandstoffen die
voldoen aan de Europese brandstofnor-
men (EN228) of gelijkwaardige normen.
Klanten die niet de beschikking hebben
over kwalitatief hoogwaardige brandstof-
fen met de juiste additieven wordt geadvi-
seerd elke 15.000 km (Europa)/10.000
km (behalve Europa) een fles additieven
toe te voegen aan de brandstoftank als er
problemen zijn met het starten of soepel
ronddraaien van de motor. Bij uw officiële
HYUNDAI Erkend Reparateur zijn addi-
tieven verkrijgbaar met de daarbij beho-
rende gebruiks-instructies. Gebruik geen
andere additieven.
Er is geen speciale inwerkperiode nodig.
Door gewoon een paar eenvoudige voor-
zorgsmaatregelen gedurende de eerste
1.000 km (600 mijl) op te volgendn, kunt
u ervoor zorgen dat uw voertuig beter
presteert, zuinger rijdt en langer mee
gaat.
Ga niet racen in het voertuig.
Houd tijdens het rijden de motorsnel-
heid (toerental, of omwentelingen per
minuut) tussen de 2.000 en 4.000.
Rijd niet gedurende langere tijd de-
zelfde snelheid, of dit nu snel of lang-
zaam is. Het vari'ëren van de motor-
snelheid is noodzakelijk om de motor
goed in te werken.
Vermijd abrupte stops, behalve in
noodgevallen, zodat de remmen goed
in kunnen werken.
Hyundai promoot de milieuvriendelijke
verwerking van afgedankte voertuigen. U
kunt uw afgedankte voertuig overlaten
aan uw Hyundai-verdeler, in overeen-
stemming met de Europese recyclage-
richtlijn voor voertuigen.
Een toelichting hierbij kunt u vinden op
uw nationale Hyundai-website.
INRIJDEN VAN HET VOERTUIG RECYCLAGE VAN
VOERTUIGEN
(VOOR EUROPA)
Uw voertuig in een oogopslag
Overzicht van het exterieur (voorste) . . . . . . . . . . 2-2
Overzicht van het exterieur (achter) . . . . . . . . . . . 2-3
Overzicht van het interieur. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2-4
Overzicht van het instrumentenpaneel . . . . . . . . . 2-5
Motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2-6
2
Uw voertuig in een oogopslag
22
OVERZICHT VAN HET EXTERIEUR (VOORSTE)
1. Verwijderbare sleephaak (voor-zijde).....6-28
2. Voor-ruitenwisser ...................................4-72
3. Buitenspiegel..........................................4-41
4. Deur grendelen ......................................4-15
5. Koplamp.................................................4-66
6. Mistlamp vooraan...................................4-69
7. Motorkap ...............................................4-29
8. Band en wiel ..........................................7-31
OIA016001
De daadwerkelijke vorm kan verschillen van de afbeelding.
23
Uw voertuig in een oogopslag
OVERZICHT VAN HET EXTERIEUR (ACHTER)
OIA016002
De daadwerkelijke vorm kan verschillen van de afbeelding.
1. Dakantenne..........................................4-104
2. Achterruitverwarmer...............................4-79
3. Achterruitwisser .....................................4-73
4. Deur grendelen ......................................4-15
5. Systeem voor parkeerassisentie
achteraan.............................................5-45
6. Kinderslot achterdeuren.........................4-20
7. Brandstofvul ...........................................4-31
8. Achter sleephaak ...................................6-28
9. Achterste combinatielamp......................7-63
10. Hoog gemonteerd remlichtlicht.............7-65
Uw voertuig in een oogopslag
42
OVERZICHT VAN HET INTERIEUR
1. Knop voor grendelen/ontgrendelen
deur ................................................4-16
2. Buiten kijkspiegel schakelaar* ..........4-42
3. Elektrische raamgrendel knop *........4-27
4. Elektrische raamschakelaars * ........4-25
5. Centraal deurgrendel schakelaar* ....4-19
6. Koplamp afstelinrichting * ................4-70
7. Verlichting instrumentenpaneel ......4-45
8. LDWS knop* ....................................5-35
9. FCW knop* ......................................5-33
10. ESC UIT knop * ..............................5-27
11. Verwarmde stuurwiel ......................4-39
12. Stuurwielverstelling* ........................4-38
13. Zekeringskast ..................................7-42
14. Motorkapopener ..............................4-29
15. Rempedaal ......................................5-21
16. Gaspedaal ................................5-6, 5-10
17. Brandstofvulklep opener..................4-31
* : indien hiermee uitgerust
OIA016003
De daadwerkelijke vorm kan verschillen van de afbeelding.
25
Uw voertuig in een oogopslag
OVERZICHT VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
1. Instrumentenpaneel........................4-44
2. Lichtschakelaar /
Richtingaanwijzerschakelaars ........4-66
3. Ruitenwisser / Ruitensproeier ........4-72
4. Audio-bedieningsorganen* ..........4-105
5. Hoorn..............................................4-40
6. Bestuurders air-bag* ......................3-42
7. Voor passagiers air-bag* ................3-42
8. Stuurwiel.........................................4-38
9. Contactslot ................................5-5, 5-7
10. Waarschuwingslicht schakelaar ......6-2
11. Knop Tripcomputer* ......................4-49
12. Audio * ........................................4-105
13. Klimaatbeheersingsysteem* 4-80, 4-88
14. Sigarettenaansteker ......................4-99
15. AUX, USB en iPod-poort* ...........4-106
16. Versnellingspook..................5-12, 5-15
17. Parkeerremhendel.........................5-22
18. Handschoenenvak ........................4-98
* : indien hiermee uitgerust
OIA016004
De daadwerkelijke vorm kan verschillen van de afbeelding.
Uw voertuig in een oogopslag
62
MOTORRUIMTE
1. Expansiereservoir.............................7-25
2. Motoroliedop.....................................7-24
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir ...7-28
4. Luchtfilter..........................................7-32
5. Zekeringskast...................................7-54
6. Plusaansluiting accu ........................7-40
7. Minaansluiting accu..........................7-40
8. Ruitensproeiervloeistofreservoir.......7-31
9. Radiateurdop....................................7-27
10. Motoroliepeilstok .............................7-24
11. Oliepeilstok automatische
versnellingsbak*............................7-29
* : indien hiermee uitgerust
Benzinemotor
OIA013005
Het werkelijke motorruimte in het voertuig kan verschillen van de afbeelding.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
ZITPLAATSEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-2
Afstelling voorste zitplaats . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-4
Afstelling achterzitplaats . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-8
VEILIGHEIDSGORDELS . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-13
Veiligheidsgordelbevestigingssysteem . . . . . . . . . . . . 3-13
Veiligheidsgordelspanner . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-18
Additionele veiligheidsvoorzorgsmaatregelen . . . . . 3-20
Verzorging van veiligheid gordels . . . . . . . . . . . . . . 3-23
VEILIGHEIDSSYSTEEM VOOR KINDEREN
(CRS) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-24
Kinderen altijd op de achterbank. . . . . . . . . . . . . . . 3-24
Het selecteren van een kinderzitje (CRS) . . . . . . . . 3-25
Het installeren van een kinderzitje (CRS) . . . . . . . . 3-27
AIR BAG - AANVULLEND
BEVEILIGINGSSYSTEEM . . . . . . 3-37
Airbag bestuurder en voorpassagier . . . . . . . . . . . . . 3-39
Side air-bags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-40
Hoe werkt het air-bags systeem? . . . . . . . . . . . . . . . 3-42
Wat kunt u verwachten als een airbag opgeblazen
wordt? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-46
Voor air-bag AAN/UIT schakelaar passagier . . . . . 3-46
Installeer geen kinderzitje op de zitplaats van de
voorste passagier. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-48
Waarom ging mijn air-bag niet open in een
aanrijding?. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-48
SRS verzorging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-53
Additionele veiligheidsvoorzorgsmaatregelen . . . . . 3-55
Air-bag waarschuwingsetiket. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3-55
3
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
23
Voorzitplaats
(1) Voorwaarts en achterwaarts
(2) Rugleuningverstelling
(3) Stoelkussenhoogte bestuurders-
stoel)*
(4) Hoofdsteunen
(5) Zitplaats verwarming*
Achterzitplaats
(6) Inklapbare zitplaats
(7) Hoofdsteunen
* : indien van toepassing
ZITPLAATSEN
OIA033001
33
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
WAARSCHUWING -
Zitplaats bestuurder
Probeer nooit om de zitplaats af
te stellen terwijl het voertuig in
beweging is. Dit kan leiden tot
vermindering van de voertuig-
controle, wat resulteert in een on-
geval en of materiele schade.
Let op dat er geen bagage tegen
de rugleuning wordt geplaatst.
De vergrendeling van de rugleu-
ning kan eventueel overbelast
worden of niet goed vergrendeld
zijn, dit kan leiden tot (ernstig)
letsel tijdens een plotselinge stop
of botsing.
Rij altijd met de rugleuning in
verticale positie en gebruik de
veiligheidsgordel zoals het hoort
sluitend over de borst en laag
over de heupen. Dit is de beste
positie om u te beschermen in
geval van een ongeluk.
Zorg voor een goede zitpositie
om onnodige (ernstig) air-bag let-
sel te voorkomen om zo ver mo-
gelijk weg van het stuurwiel, ter-
wijl toch een goede controle over
het voertuig wordt behouden. Het
is aan te raden de borstkas ten-
minste 25 cm van het stuurwiel af
te houden.
WAARSCHUWING -
Verticaal zetten van de rug-
leuning
Wanneer u de rugleuning terugzet in
de verticale positie, houdt de rug-
leuning vast en breng het langzaam
terug en let op dat er niets of nie-
mand bekneld raakt. Controleer of
de rugleuning goed vergrendeld is.
WAARSCHUWING -
Losse voorwerpen
Losse voorwerpen op de vloer van
de bestuurder kunnen de bediening
van de pedalen hinderen, en mo-
gelijk een ongeluk veroorzaken.
Plaats niets los onder de voorzit-
plaatsen.
WAARSCHUWING -
Verantwoordelijkheid bestu
urder voor passagiers
Het rijden in een voertuig met de
rugleuning horizontaal kan leiden
tot ernstig letsel. Als een rugleu-
ning horizontaal is geplaatst, kan
de inzittende onder de veigheids-
gordel uitglijden. Ernstig letsel zou
hierdoor kunnen ontstaan. De bes-
tuurder moet de passagier drin-
gend verzoeken om de rugleuning
in een verticale positie te zetten tij-
dens het rijden.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
43
Afstelling voorste zitplaats
Voorwaarts en achterwaarts
Om de stoel voorwaarts en achterwaarts
te schuiven:
1. Trek de hendel voor de lengteverstel-
ling omhoog en houd de hendel
omhoog.
2. Schuif de zitplaats naar de positie die
u wenst.
3. Laat de hefboom los en verzeker u er-
van dat de zitplaats op zijn plaats is
vergrendeld.
Stel de zitplaats af voordat u gaat rijden
en verzeker u ervan dat de zitplaats vei-
lig is vergrendeld door te proberen voor-
waarts en achterwaarts te bewegen zon-
der de hefboom te gebruiken. Indien de
stoel beweegt, is het niet correct ver-
grendeld.
Rugleuningverstelling
Om de rugleuning te verstellen:
1. Plaats uw gewicht iets naar voren en
trek de hendel voor de rugleuningver-
stelling omhoog.
2. Leun voorzichtig terug tegen de rug-
leuning en stel de leuning af in de
positie die gewenst wordt.
3. Laat de hefboom los en controleer of
de leuning is vergrendeld (De hef-
boom MOET terugkeren in zijn basis
positie zodat de rugleuning kan ver-
grendelen.).
OBA033003
OBA033002
OIA033002
Type A
Type B
35
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Hoogte afsteller zitplaats
(voor zitplaats bestuurder)
(indien van toepassing)
Beweeg de hendel omhoog of omlaag
om de stoel in hoogte te verstellen.
Druk de hendel enkele malen omlaag
om de stoelkussen lager te zetten.
Druk de hendel enkele malen omhoog
om de stoel hoger te zetten.
Hoofdsteunen
De bestuurdersstoel en passagiersstoel
voor zijn uigerust met een hoofdsteun
voor de veiligheid en het comfort van de
inzittenden.
De hoofdsteun voorziet niet alleen in
comfort voor de bestuurder en voor pas-
sagier, maar helpt ook om hoofd en nek
te beschermen in geval van een aanrij-
ding.
OPA039052
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen in acht zodat u het risico op
letsel of overlijden bij een ernstig
ongeval vermindert.
Pas, voordat u het voertuig start,
altijd de hoofdsteunen voor alle
passagiers goed aan.
Laat NOOIT iemand rijden in een
zitting met een verwijderde
hoofdsteun.
Pas de hoofdsteunen zo aan dat
het midden van de hoofdsteun op
dezelfde hoogte is als de hoogte
van de bovenkant van de ogen
(zie schema).
Pas de positie van de hoofdsteun
van de bestuurder NOOIT aan als
het voertuig in beweging is.
Stel de hoofdsteun zo dicht mo-
gelijk bij het hoofd van de passa-
gier af. Gebruik geen kussen als
zitting waardoor het lichaam af
staat van de rugleuning.
OBA033004
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
63
Voor- en achterwaartse afstelling
De hoofdsteun kan naar voren worden
aangepast naar 3 posities door de hoofd-
steun naar de gewenste positie naar vo-
ren te trekken. Om de hoofdsteun in de
volledig achterste stand te plaatsen, trekt
u deze zo ver mogelijk naar voren en laat
u het los.
Het afstellen van de hoogte
van de hoofdsteun
Om de hoofdsteun te verstellen, trek het
op naar de gewenste positie (1). Om de
hoofdsteun te verlagen, duw neer en
houdt de drukknop (2) op de hoofdsteun-
drager vast en verlaag de hoofdsteun na-
ar de gewenste positie (3).
OBA033005OIA033003
OPMERKING
Als u de rugleuning naar voren
klapt met de hoofdsteun en de zit-
ting omhoog, kan de hoofdsteun in
contact komen met de zonneklep of
andere delen van het voertuig.
OYFH034205
37
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Verwijdering/Opnieuw installeren
Om de hoofdsteun te verwijderen, trek
deze omhoog zoveel als het kan en druk
op de knop (1) tijdens het omhoog trek-
ken (2).
Plaats om de hoofdsteun te monteren de
stangen (3) in de opening. Houd daarbij
de ontgrendelknop (1) ingedrukt. Stel
vervolgens af op de gewenste hoogte.
Stoelverwarming
(indien van toepassing)
Terwijl de motor draait, druk op de scha-
kelaar om de zitplaats van de bestuurder
of de zitplaats van de voor passagier te
verwarmen.
Tijdens gematigd weer en onder condi-
ties waarbij de werking van de stoelver-
warmer niet nodig is, is het niet nodig de
verwarming te gebruiken.
Elke keer dat u op de knop drukt, wordt
de temperatuurinstelling van de zitting
als volgt gewijzigd:
De Stoelverwarming zal standaard op
OFF staan als de contactschakelaar
wordt omgedraaid.
AANDACHT
Als de stoelverwarmingschakelaar in de
AAN positie staat, wordt het verwar-
mingssysteem niet automatisch uitge-
scha-keld.
OIA036013
OFF (UIT)
HIGH ( )
MIDDLE ( )
LOW ( )
(HOOG)
(MIDDEN)
(LAGE)
OBA033006
WAARSCHUWING
Controleer of de hoofdsteun na het
afstellen goed is geblokkeerd, zo-
dat de inzittenden worden besc-
hermd.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
83
Rugleuningzak
(indien van toepassing)
Het rugleuningzak op de rugleuning be-
vindt zich op de bestuurder en/of passa-
giersstoel voor.
Passagierzitting onder lade
(indien van toepassing)
Om de lade te openen, trekt u de lade
eerst omhoog en vervolgens naar voren.
Afstelling achterzitplaats
Hoofdsteunen
De zitplaatsen achter zijn voorzien van
hoofdsteunen voor de alle zitplaatsen
voor de veiligheid en het comfort van de
inzittenden.
De hoofdsteun voorziet niet alleen in
comfort voor de bestuurder en voorinzit-
tende, maar helpt ook om het hoofd en
nek te beschermen in geval van een aan-
rijding.
OPA039053
WAARSCHUWING -
Ontvlambare materialen
Bewaar geen ontvlambare/explosi-
eve materialen in het lade. Deze
voorwerpen kunnen ontbranden
en/of ontploffen indien het voertuig
wordt blootgesteld aan hoge tem-
peraturen gedurende langere perio-
den of betrokken bij een ongeval.
OIA0330010
WAARSCHUWING -
Rugleuningzakken
Plaats geen zware of scherpe voor-
werpen in de rugleuningtassen. Bij
een ongeval kunnen deze losko-
men en de inzittenden van het voer-
tuig verwonden.
OIA0330025
39
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Het afstellen van de hoogte
van de hoofdsteun
Om de hoofdsteun te verstellen, trek het
op naar de gewenste positie (1). Om de
hoofdsteun te verlagen, duw neer en
houdt de drukknop (2) op de hoofdsteun-
drager vast en verlaag de hoofdsteun na-
ar de gewenste positie (3).
Verwijdering/Opnieuw installeren
Om de hoofdsteun te verwijderen, trek
de hoofdsteun omhoog met de drukknop
(1) tijdens het omhoog trekken (2).
Plaats om de hoofdsteun te monteren de
stangen (3) in de opening. Houd daarbij
de ontgrendelknop (1) ingedrukt. Stel
vervolgens af op de gewenste hoogte.
OIA0330011 OIA0330012
WAARSCHUWING
Controleer of de hoofdsteun na het
afstellen goed is geblokkeerd, zo-
dat de inzittenden worden besc-
hermd.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen in acht zodat u het risico op
letsel of overlijden bij een ernstig
ongeval vermindert.
Pas, voordat u het voertuig start,
altijd de hoofdsteunen voor alle
passagiers goed aan.
Laat NOOIT iemand rijden in een
zitting met een verwijderde
hoofdsteun.
Pas de hoofdsteunen zo aan dat
het midden van de hoofdsteun op
dezelfde hoogte is als de hoogte
van de bovenkant van de ogen
(zie schema).
Stel de hoofdsteun zo dicht mo-
gelijk bij het hoofd van de passa-
gier af. Gebruik geen kussen als
zitting waardoor het lichaam af
staat van de rugleuning.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
103
Inklappen van de achterzitplaats
De achterrugleuningen (en zitkussens)
kunnen ingeklapt worden om de baga-
geruimte te vergroten.
1. Zet de rugleuning van de voorstoel
omhoog en schuif, zonodig, de voor-
stoel naar voren.
2. Laat de achterste hoofdsteunen zak-
ken naar de laagste stand.
3. Plaats de gesp van de achterste vei-
ligheidsgordel in de houder op het zij-
paneel. Hierdoor wordt voorkomen
dat de gordel in contact komt met de
rugleuning als deze wordt omgeklapt.
4. Til het voorste deel van de zitting om-
hoog (1).
WAARSCHUWING
Laat passagiers nooit op de neer-
geklapte rugleuning zitten, terwijl
de auto in beweging is, dit is
geen juiste zitpositie. Bovendien
zijn er geen veiligheidsgordels
beschikbaar. Dit kan leiden tot
ernstig letsel in het geval van een
aanrijding of onverwachte stop.
Voorwerpen die vervoerd worden
op de neergeklapte rugleuningen
mogen niet hoger reiken dan de
top van de voorste rugleuningen.
Dit in verband met doorglijden tij-
dens afremmen. Let op dat de
voorwerpen zo goed als mogelijk
is worden vastgezet.
OIA0330014 OIA0330015
311
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
5. Til het achterste deel van de zitting
omhoog (2). 6. Beweeg de zitting in de richting van
de pijl in bovenstaande afbeelding.
7. Trek de rugleuning omhoog en klap de
rugleuning naar de voorkant van het
voertuig.
OIA0330016 OIA0330017
OIA0330018
OIA0330019
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
123
Om de achterzitplaats gebruiken:
1. Til en duw stevig tegen de rugleuning,
totdat de rugleuning is vergrendeld.
2. Duw de zitting stevig naar beneden
totdat deze in de juiste positie is.
Wanneer de achterrugleuningen naar de
verticale positie worden teruggezet, denk
er dan aan dat de gordels van de achter-
zitplaatsen terug te zetten in hun juiste
positie.
WAARSCHUWING
Wanneer u de rugleuning terugzet
in de verticale positie, houdt de
rugleuning vast en breng het lang-
zaam terug en let op dat er niets of
niemand bekneld raakt. Controleer
of de rugleuning volledig vergren-
deld is in de verti cale positie door
op de top van de rugleuning te du-
wen. Zonder goede vergrendeling
kan de zitplaats in geval van een
aanrijding of onverwachte stop,
kan leiden cargo om vooruit te ga-
an met grote kracht en voer het
passagiersruimte, wat zou kunnen
leiden tot ernstig letsel.
WAARSCHUWING -
Bagage
Bagage moet zoveel mogelijk vast-
gezet worden om te voorkomen dat
het door het voertuig schuift en bij
een aanrijding letsel veroorzaakt
aan de inzittenden. Plaats geen
voorwerpen los op de achterzit-
plaatsen, deze moeten worden
vastgezet.
WAARSCHUWING -
Laden van bagage
Let op dat de motor afgezet is,
schakelpook in P (Parkeren, auto-
matische versnellingsbak) of in N
staat (Neutraal, handgeschakelde
versnellingbak) en dat de parkeer-
rem veilig is aangetrokken gedu-
rende het inladen of uitladen.
313
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Veiligheidsgordelbevestigings-
systeem
VEILIGHEIDSGORDELS
(Vervolgd)
Vermijdt het dragen van verdra-
aide veiligheidsgordels. U wordt
niet afdoende beschermd tijdens
een ongeval door een verdraaide
veiligheidsriem. Verzeker u ervan
dat de veiligheidsgordel niet ver-
draaid wordt vastgezet.
Elke gordel mag slechts door één
persoon worden gedragen; het is
gevaarlijk om te leggen om het
kind als dit kind op de schoot van
een inzittende zit.
Wees voorzichtig om de gordel
niet te beschadigen. Indien de
gordel beschadigd is, moet deze
vervangen worden.
WAARSCHUWING
Beschadigde veiligheidsriemen en
montages van veiligheidsriemen
zullen niet goed werken. Vervang
altijd:
Als het weefsel gaat rafelen, vuil
of beschadigd is.
Indien de gordel beschadigd is.
De gehele montage van de veilig-
heidsriem moet na een ongeval
vervangen worden, zoals als de-
ze niet beschadigd lijkt.
WAARSCHUWING
Voor maximaal veiligheid moeten
de veiligheidsgordels altijd geb-
ruikt worden wanneer de auto
rijdt.
Veiligheidsgordels zijn het meest
effectief wanneer de rugleunin-
gen in de verticale positie staan.
Kinderen van 12 jaar en jonger
moeten altijd gebruik maken van
de achterzitplaats. Sta nooit toe
dat kinderen in de voor passagi-
erszitplaats mee rijden. Indien
een kind ouder dan 12 jaar in de
voorstoel moet meerijden, moet
hij/zij de veiligheidsgordel geb-
ruiken en de stoel moet zo ver
mogelijk maar wel comfortabel
naar achteren gezet worden.
Draag het schouderdeel van de
gordel nooit onder uw arm of
achter uw rug. Een onjuist gepo-
sitioneerde schoudergordel kan
ernstige letsels veroorzaken bij
een aanrijding. De schoudergor-
del moet altijd in de midden tus-
sen uw schouder over uw sleutel-
been gedragen worden.
(Vervolgd)
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
143
Veiligheidsgordel waarschuwings
Veiligheidsgordel van de bestuurder
waarschuwings (1)
Als herinnering aan de bestuurder zal de
waarschuwingslamp van de veiligheids-
gordel gedurende ongeveer 6 seconden
knipperen iedere keer dat u het contact
AAN zet, ongeacht het gebruik van de
gordel.
Indien de veiligheidsgordel van de
bestuurderszitplaats wordt losgemaakt,
nadat het contact AAN positie gezet is, zal
de waarschuwingslamp nogmaals oplich-
ten gedurende ongeveer 6 seconden.
De brandende lamp gaat knipperen als
de gordel niet wordt vastgezet en een
snelheid van 9 km/uur wordt bereikt, gaat
de brandende lamp knipperen, totdat
weer langzamer dan 6 km/uur wordt
gereden. (indien van toepassing)
Als de gordel nog steeds niet wordt vast-
gezet en er wordt harder gereden dan 20
km/uur dan klinkt gedurende ongeveer
100 seconden de zoemer en knippert de
betreffende waarschuwingslamp (indien
van toepassing).
Veiligheidsgordel van de voorste
passagier waarschuwings (2)
Als herinnering voor de voorpassagier,
zal de veiligheidsgordel van de voorste
passagier waarschuwingslamp gedu-
rende ongeveer 6 seconden knipperen
iedere keer dat u het contact AAN zet,
ongeacht het gebruik van de gordel.
Als de voorpassagiersgordel niet is vast-
gezet nadat het contactslot in de stand
ON is gezet of wordt los gemaakt nadat
het contactslot op ON is gezet, gaat de
bijbehorende gordel-waarschuwingslamp
branden, totdat de riem wordt omgelegd.
De brandende lamp gaat knipperen als
de gordel niet wordt vastgezet en een
snelheid van 9 km/uur wordt bereikt, gaat
de brandende lamp knipperen, totdat we-
er langzamer dan 6 km/uur wordt gere-
den.
Als de gordel nog steeds niet wordt vast-
gezet en er wordt harder gereden dan 20
km/uur dan klinkt gedurende ongeveer
100 seconden de zoemer en knippert de
betreffende waarschuwingslamp.
AANDACHT
De waarschuwingslamp niet vaste-
zette passagiersgordel voor bevindt
zich op het middelste dashboardpa-
neel.
(Vervolgd)
OIA0330020
315
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
(Vervolgd)
Als de voorpassagiersstoel niet is
bezet, gaat toch de gordel-waarschu-
wingslamp gedurende 6 seconden
knipperen of branden.
De waarschuwingslamp niet vastge-
zette passagiersgordel voor kan wer-
ken als zich bagage op de passagier-
sstoel voor is geplaatst.
Het rijden in een onjuiste houding
heeft een negatieve invloed op het
waarschuwingssysteem voor de passa-
giers voorin. Het is belangrijk dat de
bestuurder de passagier instructies
geven wat betreft de juiste zithouding,
zoals in deze handleiding aangegeven. Achter (indien van toepassing)
Als het contactslot in de AAN positie
geplaatst wordt (motor draait niet) en
achterste passagiers op schoot / schou-
dergordel niet is vastgezet, gaat de bij-
behorende lamp branden, totdat de gor-
del is vastgezet.
Vervolgens gaat de bijbehorende waar-
schuwingslamp gedurende ongeveer 35
seconden branden als een van de vol-
gende omstandigheden optreden:
- De motor wordt gestart als de gordel
niet is vastgezet.
- De snelheid wordt hoger dan 9 km/uur
(6 mph) als de gordel niet is vastgezet.
- De gordel achter wordt losgemaakt, ter-
wijl langzamer dan 20 km/uur (12 mph)
wordt gereden.
Als de achtergordel wordt vastgezet,
gaat de waarschuwingslamp onmiddellijk
uit.
Als de achtergordel wordt losgemaakt bij
een snelheid hoger dan 20 km/uur (12
mph), gaat de bijbehorende waarschu-
wingslamp knipperen en klinkt de wa-
arschuwingszoemer gedurende 35
seconden.
Als echter de sluiting van de driepunts-
gordel achter binnen 9 seconden nadat
de gordel is omgedaan wordt losge-
maakt, vastgemaakt en weer wordt los-
gemaakt, wordt de bijbehorende gordel-
waarschuwingslamp niet ingeschakeld.
OIA0330021
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
163
Driepuntsgordel
Om uw veiligheidsgordel vast te zetten:
Trek het uit het oprolmechanisme en
stop de metalen lip (1) in de gesp (2). Er
zal een hoorbare ‘klik’ zijn wanneer de lip
in de gesp grendelt.
De veiligheidsgordel zal pas automatisch
tot de juiste lengte afstellen, wanneer het
schootgordelgedeelte handmatig is afge-
steld strak rond de heupen ligt. Indien u
voorwaarts beweegt in een langzame,
vloeiende beweging, zal de gordel mee
bewegen. Echter bij een plotselinge stop
of botsing zal de gordel in de bestaande
positie vergrendelen. Het zal ook ver-
grendelen wanneer u probeert te snel
voorwaarts te leunen.
AANDACHT
Als u niet in staat om vlot genoeg te
trekken van de veiligheidsgordel uit het
oprolmechanisme, stevig trek de gordel
uit en laat hem los. Na de release, kan de
riem weer rustig en soepel uit de oprol-
automaat worden getrokken.
Hoogte afstelling
(indien van toepassing)
U kunt de hoogte van het gordelpunt
afstellen naar een van de 3 posities voor
maximaal comfort en veiligheid.
De gordel moet zodanig afgesteld zijn
dat het over de borstkas en halverwege
de schouder ligt.
Om de hoogte van veiligheidsgordel af te
stellen, verlaag of verhoog de hoogte
afsteller naar de juiste positie.
Om te verhogen, trek het bevestigings-
punt omhoog (1). Om ze te verlagen,
druk bevestigingspunt neer (3) terwijl de
hoogte regel knop wordt ingedrukt.
Controleer of het bevestigingspunt is ver-
grendeld na de afstelling.
B180A01NF
1
2
OBA033024R
317
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Tijdens het gebruik van de middelste
achterveiligheidsgordel moet de gesp
met de “CENTER” stempel worden
gebruikt (indien van toepassing).
WAARSCHUWING
Verzeker u ervan dat altijd de
schoudergordel punt in de juiste
positie is vergrendeld. Plaats het
bovenste deel nooit over uw nek of
gezicht. Onjuist geplaatste veilig-
heidsgordels kunnen ernstige let-
sels veroorzaken tijdens een onge-
val.
B200A01NF
WAARSCHUWING
Onjuist geplaatste veiligheidsgor-
dels kunnen ernstige letsels ver-
oorzaken tijdens een ongeval.
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen bij het aanpassen van de
veiligheidsriem:
U moet de gordel strak over uw
heupen plaatsen en niet over de
middel.
Hierdoor kunnen uw sterke heup-
beenderen de impact van de bot-
sing absorberen, waardoor de
kans op intern letsel afneemt.
Plaats een arm onder de schou-
derriem en de andere over de
riem, zoals getoond in de afbeel-
ding.
OPB039026
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
183
Om de veiligheidsgordel te ontgrendelen:
De veiligheidsgordel wordt ontgrendeld
door de knop (1) in de gesp in te druk-
ken. Wanneer het wordt ontgrendeld, rolt
de gordel automatisch in het oprolme-
chanisme.
Als dit niet gebeurt, controleer de gordel
of het niet verdraaid is en probeer het
dan opnieuw.
Veiligheidsgordelspanner
(indien van toepassing)
Uw voertuig kan uitgerust zijn met een
veiligheidsgordelspanner voor bestuur-
ders en voorste passagier (Retractor
voorspanner en EFD (Bevestigingstoe-
stel voor Noodsituaties)). De spanner
worden geactiveerd bij een ernstig bot-
sing.
Wanneer het voertuig plotseling stopt, of
indien een inzittende probeert om te snel
voorwaarts te leunen, zal de veiligheids-
gordel in de bestaande positie vergren-
delen. In bepaalde frontale botsingen zal
de gordelspanner activeren en de veilig-
heidsgordel strakker aantrekken tegen
het lichaam.
(1) Retractor Voorspanner
Het doel van de retractor voorspan-
ner is om zeker te stellen dat de
schoudergordels strak zitten rond het
bovenlichaam van de inzittenden in
bepaalde frontale botsingen.
(2) EFD (Bevestigingstoestel voor Nood-
situaties)
Het doel van de EFD is om zeker te
stellen dat de schootgordels strak zit-
ten rond het onderlichaam van de
inzittenden in bepaalde frontale bots-
ingen (indien van toepassing, Alleen
bestuurder).
Indien het systeem overmatige druk van
de veiligheidsgordel ervaart op de veilig-
heidsgordel van de bestuurder of de
inzittende en de gordelspanner geacti-
veerd wordt, zal de begrenzer van de vo-
orspanner iets van de druk op de betrok-
ken veiligheidsgordel iets verminderen
(indien van toepassing).
OMG035300
B210A01NF/H/Q
319
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Het voorspanner systeem bestaat uit de
volgende componenten. Hun locaties ge-
toond in de afbeelding:
1. SRS air-bag waarschuwingslamp
2. Gordelspanner assemblage
3. SRS-regeleenheid
4. Bevestigingstoestel voor Noodsitu-
aties (EFD)*
* :indien van toepassing, Alleen bestuur-
der
WAARSCHUWING
Voorspanners zijn ontworpen om
slechts een keer te werken. Na
activatie moeten de voorspan-
ners worden vervangen. Alle vei-
ligheidsgordels moeten altijd
worden vervangen als ze zijn
gedragen tijdens een aanrijding.
De voorspanner mechanismen
worden heet gedurende activatie.
Raak de spanner niet aan gedu-
rende een aantal minuten nadat
ze zijn geactiveerd.
Raak niet de voorspanner veilig-
heidsgordel assemblies.
Probeer niet om de voorspanners
zelf te inspecteren of vervangen.
Wij raden aan u het systeem
onderhouden bij een erkende
HYUNDAI-verdeler.
Probeer niet om de gordelspan-
ners zelf te inspecteren of ver-
vangen op enige wijze.
(Vervolgd)
1KMB3311A
(Vervolgd)
Onjuiste behandeling van de vo-
orspanner en het niet opvolgen
van de waarschuwingen om niet
aanpassen, inspecteren, vervan-
gen onderhouden of repareren
kan leiden tot een onjuiste wer-
king of onbedoelde activatie en
ernstig letsel.
Als het voertuig of de voorspan-
ner van de veiligheidsgordel mo-
et worden verwijderd, raden we
aan om contact op te nemen met
een erkende HYUNDAI-verdeler.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
203
AANDACHT
Sensor die de air-bag activeert, is aan-
gesloten op de voorspanner. Het waar-
schuwingslamp op het instrumentenpa-
neel zal oplichten gedurende ongeveer 6
seconden nadat het contact de AAN
positie is gezet, waarna de lamp uit moet
gaan.
Als de voorspanner niet correct werkt,
zal de waarschuwingslamp oplichten,
zelfs als er geen storing in de air-bag is.
Indien de SRS air-bag waarschuwings-
lamp niet oplicht, of blijft branden ter-
wijl het voertuig wordt bestuurd, raden
we aan om het systeem te laten geïn-
specteerd door een erkende HYUNDAI
verdeler.
AANDACHT
De voorspanner zal niet alleen bij een
botsing van voren geactiveerd wor-
den, maar tevens bij een botsing van
de zijkant, indien het voertuig is uit-
gerust met een gordijn airbag of een
airbag aan de zijkant.
Wanneer de spanners worden geacti-
veerd, kan een luid geluid worden
gehoord en een fijne stof zichtbaar
worden in het autocompartiment. Dit
zijn normale werkcondities van het
systeem en zijn niet gevaarlijk.
Hoewel het niet giftig is, kan de fijne
stof huidirritatie veroorzaken en moet
het niet gedurende langere perioden
worden ingeademd. Zorg voor een
goede wasbeurt van de inzittende
wanneer de spanners worden geacti-
veerd na een ongeval.
Additionele veiligheidsvoorzorgs-
maatregelen
Gebruik van de veiligheidsriem
tijdens een zwangerschap
De veiligheidsriem moet altijd tijdens de
zwangerschap gedragen worden. De
beste manier om uw ongeboren kind te
beschermen, is door u zelf te bescher-
men door altijd de veiligheidsriem te geb-
ruiken.
Zwangere vrouwen moeten altijd een sc-
hoot-schouder veiligheidsriem gebrui-
ken. Plaats de schouderriem over uw
borst, tussen uw borsten, en uit de buurt
van uw nek. Plaats de schootriem onder
uw buik zodat deze GOED past over uw
heupen en heupbeenderen, rond het
ronde deel van de buik.
WAARSCHUWING
Verminder het risico op ernstig let-
sel of overlijden van het ongeboren
kind gedurende een ongeval, en
plaats het schootgedeelte van de
veiligheidsriem NOOIT boven of
over het gedeelte van de buik waar
het kind zit.
321
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Gebruik van de veiligheidsriem bij
kinderen
Pasgeborene en kleine kinderen
De meeste landen hebben wetgeving
wat betreft kinderen in voertuigen waarbij
kinderen moeten reizen in goedgekeurde
kinderartikelen, inclusief booster stoel-
tjes. De leeftijd waarop veiligheidsgor-
dels gebruikt kunnen worden in plaats
van an-dere middelen om kinderen te
beschermen, verschillen per land, dus
controleer de voorwaarden in uw land
voordat u op reis gaat. Kinderzitjes voor
kinderen mo-eten correct geplaatst en
geïnstalleerd zijn op de achterzitplaats.
Voor meer in-formatie, raadpleeg ook
“Kinderzitje” in deze sectie.
Kleine kinderen zijn het best beschermd
tegen letsel in een ongeval, wanneer ze
correct in de achterzitplaats in een kin-
derzitje geplaatst zijn, die voldoet aan de
wettelijke vereisten van de van uw land.
Voordat u een kinderzitje koopt, verzeker
u ervan dat het gecertificeerd is en dus
voldoet aan de wettelijke eisen uw land.
Kinderzitje dat passend is voor de lengte
en het gewicht van het kind. Controleer
het etiket op het kinderzitje voor deze in-
formatie. Raadpleeg ook “Kinderzitje” in
deze sectie.
Grotere kinderen
Alle kinderen onder 13 jaar die te groot
zijn voor een booster zitting moeten altijd
de achterzitplaats gebruiken en de
beschikbare veiligheidsgordels dragen.
Een veiligheidsriem moet geplaatst wor-
den over de bovenkant van de dijen en
goed zitten over de schouder en borst
zodat het kind veilig geplaatst is. Cont-
roleer periodiek de of de gordel nog strak
zit. Een kind dat veel beweegt, kan resul-
teren in het losraken van de riem. Kin-
deren krijgen de beste bescherming
wanneer er gebruik ge-maakt wordt van
de juiste middelen inclusief gebruik van
kinderzit en/of de veiligheidsgordels op
de achterbank.
Indien een groter kind boven 13 jaar oud
in de voorste zitplaats mag zitten, moet
het kind de veiligheidsgordel correct
gebruiken.
Indien het schoudergedeelte van de gor-
del de nek of het gezicht aanraakt, moet
het kind in een kinderzitje worden gezet.
Als de schouderriem nog steeds hun ge-
zicht of nek raakt, dan moeten de kin-
deren in een kinderzitje geplaatst wor-
den.
WAARSCHUWING
Gebruik ALTIJD correcte methodes
voor peuters en kinderen, en pas
deze aan het gewicht en de hoogte
van het kind aan.
Om het risico op ernstig letsel of
overlijden van een kind en andere
passagiers te verminderen, houdt u
een kind NOOIT op uw schoot of in
uw armen tijdens het rijden. De
krachten die ontstaan tijdens een
ongeval zullen het kind uit uw ar-
men rukken met alle gevolgen van
dien.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
223
Gebruik van de veiligheidsriem bij
mensen met letsel
Ook wanneer een gewonde persoon
wordt vervoerd, moet de veiligheidsgor-
del worden gebruikt. Voor specifieke
aanbevelingen raadpleeg een arts.
Eén persoon per gordel
Twee mensen (inclusief kinderen) mo-
gen nooit samen gebruik maken van één
veiligheidsgordel. Dit zou de ernstig let-
sels kunnen veroorzaken in het geval
van een ongeluk.
Ga niet liggen
Op de rug liggen terwijl een voertuig in
beweging is, kan gevaarlijk zijn. Zelfs
wanneer omgedaan, de bescherming
van het veiligheids-systeem (veiligheids-
gordels en/of air-bags) wordt daardoor
sterk verminderd.
Veiligheidsgordels moeten strak zijn
tegen uw heupen en borstkas liggen om
goed te functioneren. U kunt tijdens een
ongeval in de zittingriem geworpen wor-
den, wat kan resulteren in letsel aan de
nek of ander letsel.
Hoe schuiner de rugleuning is afgesteld,
hoe groter de kans dat op letsel.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat grotere veilig-
heidsriemen voor kinderen
gebruikt worden en goed afge-
steld worden.
Zorg dat de schouderriem NOOIT
contact maakt met de nek of het
gezicht van het kind.
Zorg dat maar één kind gebruik
maakt van één veiligheidsriem.
WAARSCHUWING
Gebruik NOOIT een teruggeklap-
te zitting terwijl het voertuig in
beweging is.
Het rijden met een liggende rug-
leuning verhoogt de kans op ern-
stige letsel in het geval van een
ongeval of plotselinge stop.
Bestuurder en passagiers moe-
ten altijd goed op de zitplaats zit-
ten, met de veiligheidsgordel cor-
rect gedragen en met de rugleu-
ning zo veel mogelijk verticaal.
323
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Verzorging van veiligheid gordels
Het gordel systeem mag nooit uit elkaar
worden gehaald of worden aangepast.
Let op dat de gordels niet beschadigd
worden door het sluiten van een deur.
Periodieke inspectie
Alle veiligheidsgordels moeten periodiek
gecontroleerd worden op slijtage of
beschadiging van welke soort dan ook.
Beschadigde onderdelen moeten zo snel
mogelijk worden vervangen.
Houdt de gordels schoon en droog
Veiligheidsgordels moeten schoon en
droog worden gehouden. Indien gordels
vuil raken, kunnen ze schoongemaakt
worden met gebruik van een milde zeep-
oplossing en warm water. Bleekmiddel,
kleurmiddel, sterke afwasmiddelen of
schuurmiddelen moeten niet worden
gebruikt, omdat ze de gordels kunnen
beschadigen.
Wanneer de veiligheidsgordels
te vervangen
Gehele zijnde veiligheidsgordel en aan-
verwante delen moeten vervangen wor-
den indien het voertuig in een ongeluk
betrokken is geweest. Dit moet gedaan
worden zelfs indien er geen zichtbare
schade is. Raden we u aan een erkende
HYUNDAI verdeler te raadplegen.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
243
VEILIGHEIDSSYSTEEM VOOR KINDEREN (CRS)
Kinderen altijd op de achterbank
Alle kinderen onder 13 jaar die in de auto
meerijden, moeten altijd in de achterzit-
plaats zitten en moeten altijd correcte zit
hebben om het risico op letsel te vermin-
deren bij een ongeval, plotselinge stop of
manoeuvre. Volgens statistieken
betreffende ongelukken zijn kinderen vei-
liger wanneer ze correct zijn gepaatst op
de achterzitplaatsen ten op zichte van de
voor zitplaats. Zelfs met airbags kunt
kinderen ernstig letsel oplopen, of
overlijden. Grotere kinderen, niet in een
kinderzitje, moeten één veiligheidsgordel
gebruiken.
De meeste landen hebben wetgeving
wat betreft kinderen in voertuigen waarbij
kinderen moeten reizen in goedgekeurde
kinderartikelen. De wetgeving betreffen-
de de leeftijd of gewicht/hoogte beperkin-
gen waarbij veiligheidsriemen gebruikt
kunnen worden in plaats van andere
middelen om kinderen te beschermen,
verschillen per land, dus controleer de
voorwaarden in uw land voordat u op reis
gaat.
Kinderzitjes voor kinderen moeten cor-
rect geplaatst en geïnstalleerd zijn op de
achterzitplaats. U moet kinderzitjes geb-
ruiken die voldoen aan de vereisten van
de uw land.
Kinderzitjes zijn ontworpen om bevestigd
te worden aan de zitplaatsen in de auto
m.b.v. het buikdeel van de driepuntsgor-
del of het onderste bevestigingen en/of
ISOFIX bovenste bevestigingen op de
achterbank van het voertuig.
Child Restraint System (CRS, kinder-
beschermingssysteem) altijd op de
achterbank
Peuters en jongere kinderen moeten op
de juiste manier beschermd worden, met
het gezicht naar achteren of naar voren
met een CRS die goed vastgezet is aan
de achterbank van het voertuig. Lees en
volg altijd de installatie- en gebruiks-
voorschriften van de fabrikant van het
kinderzitje.
WAARSCHUWING
Kinderen moeten altijd op de ach-
terbank van het voertuig zitten, met
een veiligheidsriem.
Kinderen van alle leeftijden zijn vei-
liger op de achterzitplaatsen. Een
kind dat mee rijdt op de voor pas-
sagierszitplaats kan een klap krij-
gen door een opblazende air-bag
met als gevolg ERNSTIGE LET-
SELS OF DEATH. WAARSCHUWING
Een kind dat niet goed beveiligd is,
loopt extra risico op ERNSTIG LET-
SEL of OVERLIJDEN tijdens een
ongeval. Houd altijd de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht bij
het gebruik van CRS:
Installeer NOOIT een kinder- of
babyzitje op de zitplaats van de
voor passagier.
Zet de CRS altijd goed vast aan
de achterbank van het voertuig.
Volg altijd de instructies van de
fabrikant van het kinderzitje
betreffende installatie en gebruik.
(Vervolgd)
325
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Het selecteren van een kinderzitje
(CRS)
Let bij het kiezen van een CRS altijd op
het volgende:
Verzeker u ervan dat het gecertificeerd
is en dus voldoet aan de wettelijke
eisen uw land.
Kies een kinderzitje dat passend is vo-
or de lengte en het gewicht van het
kind. Het vereiste label of de gebruiks-
instructies bevatten normaliter deze
informatie.
Kies een CRS dat past in de zitting van
het voertuig waar het gebruikt zal wor-
den.
Lees en volg altijd de waarschuwingen
en installatie- en gebruiksvoorschriften
en alle waarschuwingen van de fabri-
kant van het kinderzitje.
Veiligheidssysteem types voor kinde-
ren
Er zijn drie hoofd types CRS's: gezicht
naar achteren, gezicht naar voren, en
booster zittingen. Ze worden ingedeeld
aan de hand van de leeftijd, de hoogte en
het gewicht van het kind.
CRS's voor het gezicht naar achteren
WAARSCHUWING
Installeer NOOIT een kinder- of
babyzitje op de zitplaats van de
voor passagier.
Het plaatsen van een CRS met ge-
zicht naar achteren in de voorstoel
kan resulteren in ERNSTIG LETSEL
of OVERLIJDEN als het kind getrof-
fen wordt door een opgeblazen air-
bag.
(Vervolgd)
Zet uw kind altijd vast in de CRS.
Gebruik NOOIT een kinderveilig-
heidszitje welke "haakt" over een
rugleuning, dit kan nooit vol-
doende veiligheid bieden bij een
ongeluk.
We raden aan dat u na een onge-
val een bezoek brengt aan een
HYUNDAI dealer om het CRS, de
veiligheidsriemen, ISOFIX onder-
ste bevestigingen en de bovenste
bevestigingen te laten controle-
ren.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
263
Een CRS met het gezicht naar achteren
zorgt dat het zittingoppervlakte tegen de
rug van het kind vast zit. Het harnassys-
teem houdt het kind vast, en tijdens een
ongeval zorgt dit dat het kind blijft zitten
en wordt de spanning op de kwetsbare
nek en ruggenwervel vermindert.
Alle kinderen onder een bepaalde leeftijd
moeten met het gezicht naar achteren
geplaatst worden. Er zijn verschillende
soorten CRS's voor het gezicht naar ach-
teren: zittingen voor peuters kunnen al-
leen gebruikt worden voor met het ge-
zicht naar achteren. Draagbare en 3-in-1
CRS's hebben normaliter hogere hoogte-
en gewichtsbeperkingen voor de positie
naar achteren, waardoor u uw kind lan-
ger met het gezicht naar achteren kunt
plaatsen.
Blijf CRS's met het gezicht naar achteren
gebruiken zolang het kind past binnen de
hoogte- en gewichtsbeperkingen van de
fabrikant van de CRS. Dit is de beste
manier om ze veilig te houden. Zodra uw
kind te groot is voor een CRS met het
gezicht naar achteren, kunt u uw kind in
een CRS met het gezicht naar voren in
een harnas plaatsen.
CRS met het gezicht naar voren
Een CRS voor het gezicht naar voren
houdt het kind vast door middel van een
harnas. Houd kinderen in een CRS met
het gezicht naar voren in een harnas tot-
dat ze de hoogte- en gewichtsbeperkin-
gen van de fabrikant van de CRS hebben
bereikt.
Uw kind is klaar voor een booster zitting
zodra het kind te groot is voor een CRS
met het gezicht naar voren.
CRS09 OUN026150
327
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Booster zittingen
Een booster zitting is een CRS die ont-
worpen is om te passen in het veilig-
heidsriemsysteem van het voertuig. Een
booster zitting plaatst de riem zo dat
deze goed past over de sterkere delen
van het lichaam van uw kind. Houd uw
kinderen in booster zittingen totdat ze
groot genoeg zijn om goed in de veilig-
heidsriem te passen.
Om een veiligheidsriem goed te plaat-
sen, moet de schootriem over de boven-
ste dijen geplaatst zijn, niet over de buik.
De schouderriem moet over de schouder
en de borst geplaatst zijn, en niet rond de
nek of het gezicht. Alle kinderen onder
13 jaar die in de auto meerijden, moeten
altijd in de achterzitplaats zitten en moe-
ten altijd correcte zit hebben om het risi-
co op letsel te verminderen bij een onge-
val, plotselinge stop of manoeuvre.
Het installeren van een kinderzitje
(CRS)
Nadat u een goede CRS gekoezen heeft,
en gecontroleerd heeft dat dit goed past
op de achterbank van het voertuig, dan
bent u klaar om het CRS te installeren
volgens de instructies van de fabrikant.
Er zijn drie algemene stappen bij het cor-
rect installeren van de zitting:
Zet de CRS goed vast aan het voer-
tuig. Alle CRS's moeten goed vastge-
zet worden aan het voertuig met het
schootgedeelte van een schoot-/sc-
houderriem of met de ISOFIX boven-
ste bevestiging en/of ISOFIX onderste
bevestiging.
Zorg dat het CRS goed vast zit. Nadat
u het CRS aan het voertuig he-eft
bevestigd, duwt u de zitting naar voren
en van links naar rechts om te controle-
ren of het goed vast zit. Een CRS die
met een veiligheidsriem is vastgezet
moet zo stevig mogelijk geïnstalleerd
worden. Bewegingen naar de zijkant
kunnen echter verwacht worden.
Zet het kind goed vast in de CRS.
Zorg dat het kind goed vastgeriemd is
in de CRS volgens de instructies van
de fabrikant.
Als de hoofdsteun van het voertuig de
juiste installatie van een kinderzitje
(zoals beschreven in de CRS-handlei-
ding) verhindert, moet de hoofdsteun van
de desbetreffende zitting worden ver-
steld of geheel verwijderd.
Om kinderzitjes in alle stelstanden aan te
brengen, kan de voorpassagiersstoel na-
ar achteren worden verplaatst met de
rugleuning in verticale stand niet voorbij
de B-stijl.
WAARSCHUWING
Lees altijd vóór de installatie van
het kinderzitje:
Lees en volg de installatie- en
gebruiksvoorschriften van de
fabrikant van het kinderzitje.
Lees en volg de instructies in de-
ze handleiding betreffende kin-
derzitjes.
Het niet opvolgen van alle waar-
schuwingen en instructies kan
het risico op ERNSTIG LETSEL of
OVERLIJDEN tijdens een ongeval
vergroten.
WAARSCHUWING
Een CRS in een gesloten voertuig
kan erg heet worden. Om brand-
wonden te voorkomen, controleert
u het oppervlakte en de gespen vo-
ordat u uw kind in het CRS plaatst.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
283
Geschiktheid Kinderzitjes met Gebruik van Veiligheidsgordel - Voor Europa
Gebruik kinderzitjes die officieel zijn goedgekeurd en die geschikt zijn voor de kin-
deren. Bij het gebruik van kinderzitjes, raadpleeg de volgende tabel.
WAARSCHUWING
Geadviseerd wordt dat een kinder-
zitje wordt geïnstalleerd op de ach-
terzitplaats, zelfs indien de airbag
AAN/UIT schakelaar van de voorste
passagier is gezet naar de UIT posi-
tie. Om de veiligheid van uw kind
zeker te stellen, moet de airbag van
de voorste passagier gede-active-
erd zijn wanneer het in uitzonderlij-
ke omstandigheden nodig is dat
een kinderzitje op de zitplaats van
de voorste passagier wordt gezet.
U : Geschikt voor "universele" categorieën kinderzitjes goedgekeurd van deze groep.
Massagroep
(Gewichtsklasse)
Zitplaats Positie (5 zitter)
Voorste Passagier Achter Zijkant Achter Midden
Groep 0 Tot aan 10 kg U U U
Groep 0+ Tot aan 13 kg U U U
Groep I 9 tot 18 kg U U U
Groep II 15 tot 25 kg U U U
Groep III 22 tot 36 kg U U U
Massagroep
(Gewichtsklasse)
Zitplaats Positie (4 zitter)
Voorste Passagier Achter Zijkant
Groep 0 Tot aan 10 kg U U
Groep 0+ Tot aan 13 kg U U
Groep I 9 tot 18 kg U U
Groep II 15 tot 25 kg U U
Groep III 22 tot 36 kg U U
329
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
ISOFIX onderste en bovenste
bevestigingen (ISOFIX bevestigings-
systeem) voor kinderen
Het ISOFIX systeem houdt een CRS op
de plaats tijdens het rijden en tijdens on-
gevallen. Dit systeem is ontworpen om
het installeren van een CRS te vereen-
voudigen en om de kans op het onjuist
installeren te verminderen. Het ISOFIX
systeem maakt gebruik van bevestigin-
gen in het voertuig en bevestigingen op
het CRS. Het ISOFIX systeem elimineert
de noodzaak om het CRS met veilig-
heidsriemen vast te zetten aan de ach-
terbank.
Lagere bevestigingen zijn metalen bal-
ken die in het voertuig zijn gebouwd. Er
zijn twee lagere bevestigingen voor elke
ISOFIX zittingpositie waarmee u een
CRS kunt vastzetten.
U moet in het bezit zijn van een CRS met
ISOFIX bevestigingen om gebruik te kun-
nen maken van ISOFIX in uw voertuig
(Een ISOFIX-zitje mag alleen worden
geïnstalleerd als het beschikt over een
goedkeuring voor dat specifieke voertuig
of over een universele goedkeuring in
overeenstemming met de vereisten van
ECE-R 44.)
De fabrikant van het CRS zal u instruc-
ties verstrekken over hoe u het CRS met
bevestigingen voor de onderste ISOFIX
bevestigingen kunt gebruiken.
De ISOFIX bevestigingspunten zijn alle-
en beschikbaar voor de linker en rechter
buiten achterzitplaats posities. Hun loca-
ties getoond in de afbeelding. Er zijn ge-
en onderste ISOFIX bevestigingen voor
de midden positie op de achterbank.
1SAE3090A
WAARSCHUWING
Probeer niet om het CRS met on-
derste ISOFIX bevestigingen te
gebruiken in het midden van de
achterbank. Er zijn geen hier geen
onderste ISOFIX bevestigingen
aanwezig. Het gebruik van de an-
dere bevestigingen voor de twee
andere zittingen kan resulteren in
een breuk of het niet vastzetten wat
weer kan leiden tot ernstig letsel of
overlijden.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
303
De ISOFIX lagere bevestigingspositie
indicatorsymbolen bevinden zich links en
rechts van de zitting voor het identifice-
ren van de juiste positie voor de onderste
ISOFIX bevestigingen in uw voertuig (zie
de pijlen in de illustratie).
Beide buitenste achterstoelen zijn uitge-
rust met een paar ISOFIX-Lagere Beves-
tigingspunten en met een overeenkom-
stige bovenste bevestigingspunten op de
achterzijde van de achterbanken.
(CRS met universele goedkeuring vol-
gens ECE-R44 moet bijkomend vastge-
maakt worden met een riem bovenaan
die verbonden is met het overeenkomsti-
ge het ankerpunt op de achterzijde van
de achterbanken.)
De ISOFIX onderste bevestigingen be-
vinden zich tussen de rugleuning en het
stoelkussen de linker en rechter buiten
van achterzitplaats posities.
Het vastzetten van een kinderzitje
met “ISOFIX bevestigingssystemen”
Installeren van een ISOFIX compatibele
CRS in een van de posities op de ach-
terbank:
1. Verplaats de gesp van de veiligheids-
riem altijd weg van de onderste ISO-
FIX bevestigingen.
2. Verplaats objecten weg van de beves-
tigingen indien deze een veilige aan-
sluiting tussen de CRS en de onder-
ste ISOFIX bevestigingen voorkomen.
3. Plaats de CRS op de achterbank, be-
vestig de zitting vervolgens aan de on-
derste ISOFIX bevestigingen volgens
de instructies van de fabrikant van het
CRS.
4. Volg de instructies van de fabrikant
van het CRS altijd op voor correcte
afstelling en zet de onderste bevesti-
gingen van het CRS vast aan de on-
derste ISOFIX bevestigingen.
OIA0330022
ISOFIX Lagere
Bevestigingspositie
Indicator
ISOFIX Lagere Bevestigingspunten
331
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
De bovenste riem installeren
Zet het CRS eerst vast met de onderste
ISOFIX bevestigingen of met de veilig-
heidsriem. Als de fabrikant van het CRS
aanraadt om de bovenste riem te beves-
tigen, zet de bovenste riem dan vast aan
de bovenste ISOFIX bevestiging.
De bovenste ISOFIX-bevestigingen be-
vinden zich op de vloer achter de ach-
terzitplaatsen.
Dit symbool geeft de positie
van de bevestiging aan.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen bij het ISOFIX-systeem:
Lees en volg de installatie- en
gebruiksvoorschriften van de
fabrikant van het kinderzitje.
Voorkom dat het kind ongebruik-
te veiligheidsriemen kan vastpak-
ken en plaats alle ongebruikte
veiligheidsriemen achter het
kind. Kinderen kunnen gewurgd
worden als een schouderriem
rond hun nek komt te zitten en
aanspant.
Monteer nooit meer dan een kin-
derzitje aan een bevestigings-
punt. Hierdoor kan de bevesti-
ging loskomen of breken.
Zorg dat uw ISOFIX-systeem na
een ongeval altijd door uw dealer
gecontroleerd wordt. Een onge-
val kan het ISOFIX-systeem
beschadigen en dit kan ertoe lei-
den dat het CRS niet meer goed
vastzit.
WAARSCHUWING
Let op het volgende bij het instal-
leren van de bovenste riem:
Lees en volg de installatie- en
gebruiksvoorschriften van de
fabrikant van het kinderzitje.
Monteer nooit meer dan een kin-
derzitje aan een ISOFIX bovenste
bevestigingspunt. Hierdoor kan
de bevestiging losraken of bre-
ken.
Zet de bovenste riem alleen vast
aan de juiste ISOFIX bevestiging
die voor de bovenste riem bes-
temd is. Het werkt misschien niet
goed als u dit aan iets anders be-
vestigt.
Bevestigingspunten voor kinder-
zitjes zijn ontworpen om alleen
die belasting te weerstaan die
ontstaat door juist vast gezette
kinderzitjes.
Onder geen enkele omstandig-
heid mogen ze worden gebruikt
voor veiligheidsgordels voor vol-
wassenen of voor het vastzetten
van andere spullen of uitrusting
aan het voertuig.
OIA0330023
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
323
De bovenste riem installeren:
1. Plaats de bovenste riem over de rug
van de kinderzitting. Plaats de boven-
ste riem onder de hoofdsteun en tus-
sen de posts van de hoofdsteun, of
plaats de riem over de bovenkant van
de rug van de zitting van het voertuig.
Zorg dat de riem niet verdraaid is.
2. Sluit de haak van de bovenste riem
aan op de bovenste ISOFIX bevesti-
ging en zet de bovenste riem vervol-
gens vast volgens de instructies van
de fabrikant van het CRS, zodat het
CRS goed vast zit aan de zitting.
3. Controleer of het CRS goed vastzit
aan de zitting door hier tegen te du-
wen, van voren naar achteren en va-
naf de zijkanten.
OIA0330026
333
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Kinderzitje Terughoudendheid voor het Voertuig ISOFIX Posities – Voor Europa
IUF = Geschikt voor naar voren gericht ISOFIX universele zit jes die
geschikt zijn voor de betreffende gewichtsklasse.
IL = Geschikt voor bepaalde ISOFIX CRS-systemen die in de bijgevoegde
lijst vermeld worden. Dit zijn ISOFIX CRS in de categorieën "specifiek
voertuig", "beperkt" of "semi-universeel".
X = ISOFIX-bevestiging niet geschikt voor ISOFIX kinderzitjes In deze
gewichtsklasse of lengteklasse.
* ISOFIX kinderzitje formaat en bevestigingen.
A - ISO/F3: Naar voren gericht kinderbeveiligingssysteem voor kleuter, (vol-
ledige hoogte 720 mm).
B - ISO/F2: Naar voren gericht kinderbeveiligingssysteem voor kleuter,
(verminderde hoogte 650 mm).
B1 -ISO/F2X: Tweede versie naar voren gericht kinderbeveiligings- systeem
voor kleuter, (verminderde hoogte 650 mm).
C - ISO/R3: Naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem voor kleuter,
groot formaat.
D - ISO/R2: Naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem voor kleuter,
klein formaat.
E - ISO/R1: Naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem voor peuter.
F - ISO/L1: Zijdelings gericht kinderbeveiligingssysteem, naar links (reis-
wieg).
G - ISO/L2: Zijdelings gericht kinderbeveiligingssysteem, naar rechts (reis-
wieg).
Massagroep
(Gewichtsklasse) Formaat Bevestiging
Voertuig ISOFIX Posities
Voorste Passagier Achter zijkant
(Bestuurderszijde)
Achter zijkant
(Bestuurderszijde) Achter Midden
Reiswieg F ISO/L1 - X X -
G ISO/L2 - X X -
0 : Tot 10 kg E ISO/R1 - IL IL -
0+ : Tot 13 kg
E ISO/R1 - IL IL -
D ISO/R2 - X X -
C ISO/R3 - X X -
I : 9 tot 18 kg
D ISO/R2 - X X -
C ISO/R3 - X X -
B ISO/F2 - IUF IUF -
B1 ISO/F2X - IUF IUF -
A ISO/F3 - IUF IUF -
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
343
Aanbevolen veiligheidssystemen voor kinderen – Voor Europa
Informatie CRS-fabrikant
Britax Römer http://www.britax.com
Massagroep
(Gewichtsklasse)
Grootte-
klasse Armatuur Naam Fabrikant ECE-R44
Goedkeuring Nr.
Bevestigingstype
Groep 0-1
(0-13kg) Achterwaarts geplaatst met ISOFIX-basis
Groep 1
(9-18kg)
Voorwaarts geplaatst met ISOFIX
onderste + bovenste bevestigingen
335
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Het vastzetten van een kinderzitje per
schoot/schoudergordel
Als u geen gebruik maakt van ISOFIX
bevestigingssystemen, dan moet de
CRS met het schootgedeelte van de vei-
ligheidsriem vastgezet worden.
Het installeren van een kinderzitje per
schoot/schoudergordel
Om een kinderzitje op de achterzitplaat-
sen te installeren, doe het volgende:
1. Plaats het kinderzitje op de achterzit-
plaats en routeer de schoot/schouder-
gordel om en door het kinderzitje, de
instructies van de fabrikant van het
kinderzitje opvolgend.
Verzeker u ervan dat de veiligheids-
gordel niet verdraaid wordt vastgezet.
2. Maak de slottong van de veiligheids-
gordel vast in het slot. Luister naar het
“klik” geluid.
AANDACHT
Positioneer de release knop zodanig dat
het makkelijk te bereiken is in een no-
odgeval.
WAARSCHUWING
Plaats ALTIJD een kinderzitje ach-
terwaarts op de achterbank van het
voertuig zitten.
Het plaatsen van een CRS met ge-
zicht naar achteren in de voorstoel
kan resulteren in ernstig letsel of
overlijden als het kind getroffen
wordt door een opgeblazen airbag.
E2MS103005 OEN036101
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
363
3. Verwijder zoveel mogelijk speling van
de riem door het CRS omlaag te
duwen terwijl u de schouderriem terug
duwt.
4. Trek en duw tegen het CRS om er
zeker van te zijn dat de veiligheids-
riem dit goed op de plek houdt.
Om het CRS te verwijderen, drukt u op
de vrijgaveknop van de riem en trekt u
het schoot-/schoudergedeelte van de
riem van het CRS en laat u de veilig-
heidsriem volledig terug gaan.
OEN036104
337
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
(1) Front-airbag bestuurder
(2) Voor passagiers air-bag*
(3) Side air-bag*
(4) Gordijn air-bag*
(5) Voor air-bag AAN/UIT schakelaar
passagier*
* : indien van toepassing
AIRBAG - AANVULLEND BEVEILIGINGSSYSTEEM
WAARSCHUWING
Zelfs in voertuigen met air-bags
moeten altijd de veiligheidsgordels
worden gedragen om het risico en
de ernst van letsel te minimaliseren
in het geval van een aanrijding.
OIA0330041/OIA0330033
Het werkelijke air-bags in het voertuig kan verschillen van de afbeelding.
5
5
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
383
Dit voertuig is uitgerust met een extra air-
bag-systeem voor de bestuurderssto-el,
bijrijdersstoel en/of achterbank.
De voorste airbags zijn ontworpen als
aanvulling op de driewegs veiligheidsri-
emen. Deze airbags geven alleen extra
bescherming als de veiligheidsriem altijd
tijdens het rijden gedragen wordt.
U kunt ernstig letsel oplopen, of overlij-
den, tijdens een ongeval als u de veilig-
heidsriem niet draagt. Airbags zijn ont-
worpen als aanvulling voor veiligheidsri-
emen, niet om deze te vervangen. De air-
bags zijn niet ontworpen om te ontploo-
ien in elke aanrijding. Tijdens sommige
ongevallen bieden alleen de veiligheids-
riemen u bescherming.
WAARSCHUWING - VEILIGHEIDSMAATREGELEN VOOR AIR-
BAGS
Gebruik altijd veiligheidsgordels en kinderzitjes - elke reis, elke keer, iede-
reen! Zelfs bij airbags kunt u ernstig letsel oplopen, of overlijden, tijdens een
botsing als uw riem niet goed vast zit of als u deze niet draagt terwijl de air-
bag opgeblazen wordt.
Plaats NOOIT een kind in een kinderzitje of zitstoel in de voor passagierszit-
plaats. Een airbag die opgeblazen wordt kan een peuter of kind zwaar raken
waardoor het kind ernstig letsel oploopt of zelfs kan overlijden.
Kinderen onder 13 jaar Altijd op de achterste Zitplaatsen. Het is de veiligste
plaats voor kinderen van iedere leeftijd om mee te rijden. Indien een kind van
13 jaar of jonger in de voorstoel moet meerijden, moet hij of zij de veilig-
heidsgordel gebruiken en de stoel moet zo ver mogelijk maar wel comforta-
bel naar achteren gezet worden.
Alle inzittenden moeten comfortabel en zoveel mogelijk rechtop zitten met de
rugleuning in een verticale positie, met de veiligheidsgordels om, de benen
comfortabel uitgestrekt en de voeten op de vloer totdat het voertuig is gepar-
keerd en als de motor uitgeschakeld is. Als een persoon in de verkeerde posi-
tie zit tijdens een ongeval, dan kan de airbag deze persoon hard raken wat
kan resulteren in ernstig letsel of zelfs overlijden.
De inzittenden moeten nooit zitten of leunen onnodig dicht bij de airbags of
leunen tegen de deur of het midden console.
Zet uw zitplaats als comfortabel en mogelijk is, hierdoor heeft u de beste
bescherming van het air-bag systeem. Het is aan te raden de borstkas ten-
minste 25 cm van het stuurwiel af te houden.
Airbag bestuurder en
voorpassagier
(indien van toepassing)
Uw voertuig is uitgerust met een SRS
(Supplemental Restraint System) en met
een schoot-/schouderriem bij zowel de
bestuuders- als passagierposities.
De SRS bestaat uit air-bags zijn ge-
plaatst in het midden van het stuurwiel
en het voorste paneel aan passagierszij-
de boven het handschoenen box.
De airbags zijn gelabeld met de letters
"AIR BAG" op de kappen.
Het doel van het air-bag systeem is om
de bestuurder en/of voor inzittenden te
voorzien met additionele bescherming
dan die geboden door alleen de veilig-
heidsgordel in het geval van een (fron-
tale) aanrijding.
339
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
WAARSCHUWING
Verminder het risico op ernstig letsel
of overlijden door een opgeblazen
airbag voor en houdt u aan de vol-
gende voorzorgsmaatregelen:
Veiligheidsriemen moet altijd ged-
ragen worden zodat de gebruikers
goed geplaatst zijn.
Pas de veiligheidsriemen voor de
passagier en de bestuurder zo ver
mogelijk naar achteren aan zodat u
volledige controle over het voertuig
heeft.
Leun nooit tegen de deur of het
midden console.
Zorg dat de bijrijder zijn of haar
voeten of benen niet op het dash-
board plaatst.
Laat nooit toe dat een passagier
meerijdt op de voor zitplaats, wan-
neer de front-air-bag OFF indicator
van de passagier opge licht is.
Er mogen geen voorwerpen (zoals
crash pad cover, mobiele telefoon-
houder, bekerhouder, parfum of sti-
ckers) worden geplaatst over of
dichtbij de airbag modules op het
stuurwiel, instrumentenpaneel, voor-
ruit en het paneel boven het hand-
schoenenvak van de voor passagier.
Dergelijke voorwerpen letsel kunnen
veroorzaken als de airbags bij een
aanrijding geactiveerd worden.
OBA033020
OBA033021
Front-airbag bestuurder
Voor passagiers air-bag
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
403
Side air-bag
(indien van toepassing)
Uw voertuig is uitgerust met een side air-
bag in de voor zitplaatsen. Het doel van
het air-bag systeem is om de bestuurder
en/of voor inzittenden te voorzien met
additionele bescherming dan die gebo-
den door alleen de veiligheidsgordel.
De side air-bags zijn ontworpen om al-
leen te ontplooien gedurende bepaalde
zijaanrijdingen, afhankelijk van de ernst
van de crash, hoek, snelheid en punt van
inrijding.
De side air-bags zijn niet ontworpen om
te ontplooien in alle zijbotsing situaties.
WAARSCHUWING
Verminder het risico op ernstig let-
sel of overlijden door impact van de
zijkant door een opgeblazen airbag
en houdt u aan de volgende voor-
zorgsmaatregelen:
Veiligheidsriemen moet altijd
gedragen worden zodat de geb-
ruikers goed geplaatst zijn.
Sta niet toe dat passagiers met
hun hoofd of het lichaam tegen
de portieren leunen, de armen op
de portieren leggen, een arm uit
de ruit steken of voorwerpen tus-
sen de portieren en de stoelen.
Houd het stuur vast op de posi-
ties 9 uur en 3 uur, zodat het risi-
co op letsel aan uw handen of
armen verminderd wordt.
Monteer nooit stoelhoezen. Hier-
door wordt de effectiviteit van het
systeem verminderd of voorko-
men.
(Vervolgd)
(Vervolgd)
Plaats geen voorwerpen op de
airbag of tussen de airbag en
uzelf. Ook, bevestig geen enkel
voorwerp rond het gebied waar
de airbag opgeblazen wordt zoals
de deur, het glas van de zijdeur,
voor- of achterstijl.
Plaats geen voorwerpen (een
paraplu, tas enz.) tussen de deur
en de stoel. De voorwerpen kun-
nen gevaarlijke projectielen wor-
den indien de zijairbag geacti-
veerd wordt.
Plaats geen enkel voorwerp tus-
sen het label van de zijairbag en
het zetelkussen. Dit kan veroor-
zaken als de airbags bij een aan-
rijding geactiveerd worden.
Installeer geen accessoires op de
zijkant van de stoelen of dicht bij
de side air-bags.
Sla niet op de deuren als de mo-
tor aanstaat, hierdoor kunnen de
airbags aan de zijkant opgebla-
zen worden.
Indien de zitplaats of stoelbekle-
ding is beschadigd, raden we aan
u het systeem onderhouden bij
een erkende HYUNDAI-verdeler.
OIA0330028
OIA033051
341
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Gordijn air-bags
(indien van toepassing)
De gordijn air-bags bevinden zich aan
beide zijden van het dak rails boven de
voor- en achterdeuren.
Ze zijn ontworpen om de hoofden van de
inzittenden voor en achter aan de buiten-
zijde te beschermen tegen flankbotsin-
gen.
De gordijn air-bags zijn ontworpen om
alleen te activeren tijdens flankaanrijdin-
gen, afhankelijk van de kracht van de
hoek, de snelheid en de aanrijding zelf.
De gordijn air-bags zijn niet ontworpen
om te ontplooien in alle zijbotsing situ-
aties.
OIA033024
OIA033052
WAARSCHUWING
Verminder het risico op ernstig let-
sel of overlijden door een opgebla-
zen gordijn air-bag en houdt u aan
de volgende voorzorgsmaatre-
gelen:
Veiligheidsriemen moet altijd
gedragen worden door alle inzit-
tenden zodat de gebruikers goed
geplaatst zijn.
Het kinderzitje moet zo ver mo-
gelijk van het portier worden ge-
plaatst.
Plaats geen voorwerpen op de
airbag. Ook, bevestig geen enkel
voorwerp rond het gebied waar
de airbag opgeblazen wordt zoals
de deur, het glas van de zijdeur,
voor- of achterstijl, zijde dakrails.
Plaats ook geen zware, scherpe
of breekbare voorwerpen in de
opbergvakken.
Sta niet toe dat passagiers met
hun hoofd of het lichaam tegen
de portieren leunen, de armen op
de portieren leggen, een arm uit
de ruit steken of voorwerpen tus-
sen de portieren en de stoelen.
Open or reparreer de airbags aan
de zijkant niet.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
423
OLM034302N/Q
Hoe werkt het air-bags systeem?
Het aanvullende beveiligingsysteem bestaat uit de volgende
componenten:
1. Voor air-bag module van de bestuurder
2. Voor air-bag module passagierszijde*
3. Zij-air-bag modules*
4. Gordijn air-bagmodules*
5. Veiligheidsgordelspanner systeem*
6. Airbag waarschuwingslamp*
7. SRS controle module (SRSCM)*
8. Voorste botsing sensoren*
9. Zij botsing sensoren*
10. Voor air-bag AAN/UIT indicator passagier*
11. Voor air-bag AAN/UIT schakelaar passagier*
*: indien van toepassing
De controlemodule monitort continu alle componenten zolang
het contact AAN staat om vast te stellen of een botsing ernstig
genoeg is om air-bag of gordelspanner activering vereisen.
343
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
SRS waarschuwingslamp
Het SRS (Supplement Restraint Sys-
tem)-airbag waarschuwinglampje op het
bedieningspaneel toont het airbagsym-
bool zoals aangegeven in de illustratie.
Het systeem controleert het elektrische
systeem van de airbag op fouten. Het
lampje geeft aan of er mogelijk een pro-
bleem is met uw airbagsysteem.
Tijdens een gemiddelde of ersntige bot-
sing zullen sensoren de snelle vertraging
van het voertuig vaststellen. Als deze
vertraging groot genoeg is, dan zal het
regeltoestel de voorste airbags opbla-
zen, op het juiste tijdstip en met de juiste
kracht.
De voorste airbags helpen bij het
beschermen van de bestuurder en de
passagier voor in het voertuig door te
reageren op een frontale impact waarbij
de veiligheidsriemen niet kunnen zorgen
voor voldoende weerstand. Indien nood-
zakelijk kunnen de airbags helpen bij het
verstrekken van bescherming bij een bot-
sing aan de zijkant door uw bovenli-
chaam vanaf de zijkant te steunen.
Airbags worden geactiveerd (in staat
op te blazen indien nodig) alleen wan-
neer het contactslot wordt ingescha-
keld in de AAN positie.
Air-bags ontplooien in het geval van
een zware frontale of zij-aanrijding om
de inzittenden te beschermen tegen
(ernstig) fysiek letsel.
De air-bags worden niet geactiveerd
tijdens het rijden, ook niet bij zeer hoge
snelheden. In het algemeen zijn air-
bags ontworpen om geactiveerd te
worden op basis van de ernst van een
aanrijding en de rijrichting. Deze twee
factoren bepalen of de sensoren een
elektronische activeringssignaal pro-
duceren.
WAARSCHUWING
Als uw SRS fouten toont, dan kan
het gebeuren dat de airbag niet
goed opgeblazen wordt tijdens een
ongeval wat kan resulteren in ern-
stig letsel of overlijden.
Als een van de volgende situaties
zich voordoet, je SRS slecht func-
tioneert.
De lamp brandt gedurende zes
seconden niet als de sleutel in de
AAN positie geplaatst wordt.
De lamp aan blijft na ongeveer 6
seconden te hebben opgelicht.
De lamp aan gaat terwijl het voer-
tuig rijdt.
(Vervolgd)
(Vervolgd)
De lamp gaat aan als de motor
aanslaat.
Wij adviseren een erkende HYUN-
DAI verdeler zo spoedig mogelijk
het SRS inspecteren als het volgen-
de zich voordoet.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
443
Air-bag activering is afhankelijk van
een aantal factoren inclusief snelheid
van het voertuig, hoek van de aanrij-
ding en de stijfheid van de voertuigen
of voorwerpen welke uw voertuig
geraakt heeft bij een aanrijding.
Daarnaast zijn er nog een aantal ande-
re factorenvan belang.
De front air-bags zullen volledig ont-
plooien en weer leeg lopen in zeer
korte tijd. Het is bijna onmogelijk dat u
de airbags ziet ontplooien tijdens een
ongeval. Het is veel waarschijnlijker
dat u na de botsing simpelweg de leeg-
gelopen air-bags waarneemt.
Om bescherming te bieden, moeten de
air-bags snel ontplooien. De opblaas-
snelheid van de air-bags is noodzake-
lijk in verband met de extreem korte tijd
en de noodzaak om de air-bag te ont-
plooien. Deze ontplooiingssnelheid
vermindert het risico op letsel en is dus
een noodzakelijke voorwaarde van het
air-bag ontwerp.
Het ontplooien van snelle air-bags kan
echter ook letsel veroorzaken zoals
gezichtsschrammen, blauwe plekken
en gebroken botten, omdat door de
ontplooiingssnelheid ook grote kracht
ontstaan.
Een onjuiste zitpositie kan door het
contact met de air-bag letsel veroorza-
ken, vooral indien de inzittende zeer
dicht dashbord zit.
U kunt stappen nemen om het risico op
letsel door een opgeblazen airbag te ver-
minderen. Het grootste risico is dat u te
dichtbij de airbag zit. Een airbag heeft
ongeveer 25 cm (10 in.) nodig om op te
kunnen opblazen. Het is aan te raden de
borstkas tenminste 25 cm van het stuur-
wiel af te houden.
Wanneer het systeem een voldoende
ernstige aanrijding detecteert zal het au-
tomatisch de front-airbags ontplooien.
OLMB033054
Front-airbag bestuurder (1)
345
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Bij activering zal de air-bag onder druk
ontplooien. De afdekdelen zullen open
gaan waardoor volledige ontplooiing van
de airbags mogelijk is.
Een volledig ontplooide air-bag, in com-
binatie met een correct gedragen veilig-
heidsgordel zal de voorwaartse bewe-
ging van de inzittenden vertragen, en het
risico of hoofd- en borstkasletsel vermin-
deren. Na het volledig ontplooien, zal de air-bag
onmiddellijk leeg te lopen. Hierdoor is het
mogelijk dat de inzittenden voorwaartse
zichtbaarheid, het vermogen om te stu-
ren en andere controles behouden.
OLMB033055
Front-airbag bestuurder (2)
OLMB033056
Front-airbag bestuurder (3)
OLMB033057
Voor passagiers air-bag*
WAARSCHUWING
Voorkom dat objecten gevaarlijke
projectielen worden als de airbag
van de passagier opgeblazen
wordt.
Monteer of plaats geen enkele
accessoire (drankhouder, casset-
tehouder, sticker enz.) op het
voorste dashboordpaneel boven
de handschoenenkastje in een
voertuig met een passagiers-air-
bag.
Plaats geen bakje met vloeibare
lichtverfrisser in de buurt van het
dashboard of op het dasboard.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
463
Wat kunt u verwachten als een
airbag opgeblazen wordt?
Na een botsing aan de voor- of zijkant zal
de airbag snel opblazen, en daarna weer
snel leeglopen. Een opgeblazen airbag
voorkomt niet dat de bestuurder niet me-
er door de vooruit kan kijken of niet meer
kan sturen. Gordijn airbags kunnen ge-
durende een bepaalde tijd na activatie
gedeeltelijk opgeblazen blijven. Geluiden en rook van een
opgeblazen airbag
Wanneer de air-bags ontplooien, veroor-
zaakt dit een luid geluid, rook en stof in
het voertuig. Dit is normaal en is het re-
sultaat van de ontsteking van de air-bag.
Nadat de air-bag ontplooit kunt u aan-
zienlijk ongemak ervaren met het adem-
halen als gevolg van het contact van uw
borstkast met zowel de veiligheidsgordel
als de air-bag en door het inademen van
de rook en stof. Het poeder kan astma bij
sommige mensen verergeren. Zoek
direct medische hulp als u problemen
heeft met uw ademhaling na activering
van een airbag.
Hoewel de rook en het stof niet giftig zijn,
kunnen ze huidirritatie (ogen, neus en
keel enz.) veroorzaken. Als dit het geval
is, wast u onmiddellijk met koud water en
gaat u naar een dokter als de sympto-
men aanhouden.
Voor air-bag AAN/UIT schakelaar
passagier
(indien van toepassing)
Het doel van de schakelaar is het uitsc-
hakelen van de airbag voor de bijrijder
zodat mensen die vanwege hun leeftijd,
grootte, of medische staat niet blootges-
teld worden aan letsel gerelateerd aan
airbags.
WAARSCHUWING
Nadat een airbag opgeblazen, ho-
udt u aan de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Open uw ramen en deuren zo
snel mogelijk na de botsing om
langdurige blootstelling aan de
rook en het poeder dat vrijkomt
na het opblazen van de airbag te
voorkomen.
Raak deze componenten van de
airbag niet aan onmiddellijk na-
dat de airbag is geactiveerd. De
onderdelen die in contact komen
met een opgeblazen airbag kun-
nen erg heet zijn.
Altjid zorg voor een goede was-
beurt van de inzittende en het in-
terieur van de auto. (Vervolgd)
(Vervolgd)
We raden aan om het systeem te
laten vervangen door een erken-
de HYUNDAI-verdeler onmiddel-
lijk nadat de airbag is afgegaan.
Airbags kunnen maar een keer
worden gebruikt.
OIA0330033
347
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Om de voor air-bag van de passagier te
deactiveren:
Steek de master sleutel of met een klein
stevig voorwerp in de voor-airbag AAN/
UIT schakelaar aan de passagierszijde
en draai het naar de UIT positie. De air-
bag UIT indicator ( ) van de passagier
zal oplichten en aan blijven totdat de
voor air-bag weer is ge-activeerd.
Om de voor air-bag van de passagier te
heractiveren:
Steek de master sleutel of met een klein
stevig voorwerp in de voor-airbag AAN/
UIT schakelaar aan de passagierszijde
en draai het naar de AAN positie. De air-
bag AAN indicator ( ) van de passagier
zal oplichten en aan blijven gedurende
60 seconden.
AANDACHT
De AAN/UIT indicator van de voor air-
bag van de passagier licht op gedurende
ongeveer 4 seconden nadat het contact
in de AAN positie geplaatst wordt.
OIA0330030 OIA0330029
WAARSCHUWING
Laat nooit toe dat een volwassen
passagier meerijdt op de voor zit-
plaats, wanneer de front-air-bag
OFF indicator van de passagier op-
ge licht is. De airbag zal tijdens een
botsing niet opgeblazen worden als
de indicator brandt. Schakel de air-
bag voor de bijrijder in, of zorg dat
uw passagier op de achterbank
plaats neemt.
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
483
Installeer geen kinderzitje op de zit-
plaats van de voorste passagier
Zet nooit een kinderzitje op de zitplaats
van de voor passagier. Een opgeblazen
airbag kan een kind hard raken, wat kan
resulteren in ernstig letsel of overlijden.
Indien uw voertuig is uitgerust met de
voor air-bag AAN/UIT schakelaar van de
passagier, u kunt activeer of de-activeer
de passagiers voor air-bag wanneer dit
nodig is. Voor meer informatie, zie raad-
pleeg de pagina 3-49.
Waarom ging mijn air-bag niet
open in een aanrijding?
(De air-bags zijn niet ontworpen
om te ontplooien in elke
aanrijding.)
Er zijn vele soorten ongevallen waarin ni-
ets van het air-bag systeem aanvullende
bescherming verwacht kan worden. Dit
zijn o.a. achteraanrijdingen, tweede of
derde aanrijdingen, meervoudige aanrij-
dingen of aanrijdingen met lage snelhe-
id. Schade aan het voertuig geeft aan dat
energie geabsorbeerd is tijdens een bot-
sing, maar niet of de airbag opgeblazen
had moeten worden of niet.
WAARSCHUWING
Als de AAN/UIT-schakelaar van de
airbag voor de bijrijder niet meer
werkt, dan kan het volgende gebe-
uren:
Het waarschuwingslamp ( ) op
het instrumentenpaneel zal op-
lichten.
De airbag UIT indicator ( ) van
de passagier zal niet oplichten en
AAN indicator ( ) zal gaat bran-
den en zal uitgaan na ongeveer
60 seconden. De airbag voor de
bijrijder zal opgeblazen worden
bij een botsing van de voorkant
zelfs als de AAN/UIT-schakelaar
voor de airbag voor de bijrijder is
ingesteld op de UIT-stand.
Wij adviseren een erkende HYUN-
DAI verdeler zo spoedig mogelijk
het AAN/UIT-knop van voorste
passagiersairbag en SRS-system
inspecteren.
WAARSCHUWING
Gebruik geen achterwaarts ge-
plaatste kinderzitje op een zit-
plaats voorzien van een air-bag,
dit een kan resulteren in ERN-
STIG LETSEL of OVERLIJDEN
van kinderen.
Zet nooit een kinderzitje op de zit-
plaats van de voor passagier.
Indien de air-bag van de voor
passagier ontplooit kan het ern-
stige letsel veroorzaken.
OYDESA2042
349
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Air-bag aanrijding sensoren
(indien van toepassing)
WAARSCHUWING
Om het risico op het onverwacht
opblazen van een airbag te vermin-
deren, en dus ook het risico op let-
sel of overlijden te verminderen:
Sla niet op de locaties waar air-
bags of sensoren zijn gemonte-
erd.
Probeer daarom niet om onder-
houd te plegen op of rond de air-
bag sensoren. Indien de loca-tie
of hoek van de sensoren wordt
veranderd op welke wijze dan
ook, kunnen de air-bags active-
ren wanneer ze dat niet zouden
moeten en daarmee (ernstig) let-
sel veroorzaken.
Het monteren van bumperbe-
scher-mers of het vervangen van
een bumper met niet-authentieke
on-derdelen kunnen de werking
het air-bag systeem van het voer-
tuig negatief beïnvloeden.
Wij raden aan u dat alle repara-
ties worden uitgevoerd door een
erkende HYUNDAI-verdeler. (1) SRS-regeleenheid
(2) Voor aanrijding sensor
(3) Zij-aanrijding sensor (indien van toe-
passing)
12 3
OIA036031/OBA033015/OIA036032/1LDA2054
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
503
Air-bag activeringscondities
Voor air-bags
Voor air-bags zijn ontworpen om te ont-
plooien bij een frontale aanrijding afhan-
kelijk van de intensiteit, snelheid of hoe-
ken van aanrijding.
Hoewel de air-bags van bestuurder en
voor passagier zijn ontworpen om te ac-
tiveren bij frontale aanrijdingen, kunnen
ze ook ontplooien bij andere aanrijdingen
indien de voorste aanrijdingsensoren
een voldoende aanrijding detecteren.
Rijdt voorzichtig op onverharde wegen of
op oppervlaktes die niet zijn bedoeld
voor voertuigverkeer om onbedoelde air-
bag activering te voorkomen.
Side air-bags en gordijn air-bags
(indien van toepassing)
Side air-bags en gordijn air-bags zijn ont-
worpen om te worden geactiveerd als
een aanrijding wordt gesignaleerd door
de betreffende sensoren, afhankelijk van
de kracht, de snelheid en de hoek wa-
aronder de flankaanrijding plaatsvindt.
Side air-bags en gordijn air-bags zijn ont-
worpen om bij een flankaanrijding te wor-
den geactiveerd, maar ze kunnen ook
activeren als de sensoren een aanrijding
signaleren die voldoende krachtig is.
Rijdt voorzichtig op onverharde wegen of
op oppervlaktes die niet zijn bedoeld
voor voertuigverkeer om onbedoelde air-
bag activering te voorkomen.
OPA037040
OSA038120
OIA033053
351
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Air-bag deactiveringscondities
In bepaalde lagesnelheid aanrijdingen
kunnen de air-bags mogelijk niet active-
ren. De air-bags zijn ontworpen om niet
te activeren in zulke gevallen, omdat ze
geen voordelen bieden boven op de
bescherming die de veiligheidsgordels.
Voor air-bags zijn niet ontworpen om op
te activeren in achteraanrijdingen, omdat
inzittenden achterwaarts worden bewo-
gen door de kracht van de aanrijding. In
dit geval hebben air-bags geen toegevo-
egde waarde.
Voor air-bags kunnen mogelijk niet acti-
veren in zij aanrijdingen, omdat inzitten-
den in de richting van de aanrijding be-
wegen en daarmee zou de voor air-bag
activatie bij zij aanrijdingen geen additio-
nele bescherming aan de inzittenden
bieden.
OPA037041 OSA038121OPA037042
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
523
In een hoekaanrijding kan de kracht van
een aanrijding de inzittenden in een rich-
ting sturen waar de air-bags niet die
extra veiligheid bieden en dus zullen de
sensoren geen air-bags ontplooien sig-
naal afgeven.
Net voor de aanrijding remmen bestuur-
ders meestal stevig af. Hierdoor verlaagt
het voorste deel van het voertuig zodat
het vaak onder een voertuig met een ho-
gere grondspeling “rijdt”. Het is mogelijk
dat air-bags daardoor niet activeren,
omdat de vermindering van de snelheid
die gedetecteerd wordt door sensoren
aanzienlijk minder is bij zulke aanrijdin-
gen.
Airbags worden misschien niet opgebla-
zen bij ongevallen waarbij het voertuig
over de kop gaat omdat het voertuig dit
niet kan detecteren.
Side air-bags kunnen echter wel active-
ren wanneer het voertuig omrolt door
een zijaanrijding.
1VQA2089 OPA037043 OED036104
353
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Air-bags kunnen niet activeren als het
voertuig tegen objecten aanrijdt zoals
elektriciteitspalen of bomen, waar het
aanrijdingspunt is geconcentreerd op
één gebied en de botsingsenergie is ge-
absorbeerd door de voertuig carrosserie.
SRS verzorging
De SRS is bijna onderhoudsvrij en dus
zijn er geen onderdelen welke u veilig
zelf kunt onderhouden. Indien de SRS
“AIR-BAG” waarschuwingslamp niet op-
licht wanneer het contact in de AAN posi-
tie staat, of continue aan blijft, raden we
aan om het systeem te laten geïnspec-
teerd onmiddellijk door een erkende
HYUNDAI verdeler.
Wij raden alle werkzaamheden aan het
SRS-systeem, zoals het verwijderen, ins-
talleren, repareren of wat voor werk dan
ook op het stuurwiel, paneel van de voor-
passagier, voorzitplaats en dakrails, wor-
den uitgevoerd door een geautoriseerde
HYUNDAI verdeler. Onjuiste behandeling
van het SRS systeem kan leiden tot ern-
stig persoonlijk letsel.
OSA038122
WAARSCHUWING
Verminder het risico op ernstig let-
sel of overlijden en houdt u aan de
volgende voorzorgsmaatregelen:
Probeer niet om de SRS onderde-
len of bedrading te wijzigen of te
verbreken, inclusief het toevoe-
gen van om het even welk soort
badges op de afdekbekleding van
de air-bag units.
Er mogen geen voorwerpen te
worden geplaatst over of dichtbij
de air-bag modules op het stuur-
wiel, instrumentenpaneel en het
paneel boven het handschoenen-
vak van de voor passagier.
Om de afdekbekleding van de air-
bags schoon te maken, gebruik
alleen een zachte, droge doek of
een die vochtig is gemaakt met
water. Oplosmiddelen of reini-
gers kunnen de bekleding besc-
hadigen.
We raden aan om de opgeblazen
airbags te laten vervangen door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
(Vervolgd)
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
543
Additionele
veiligheidsvoorzorgsmaatregelen
Passagiers moeten niet uit de zitplaat-
sen gaan of van zitplaats veranderen
terwijl het voertuig in beweging is.
"Een passagier die zijn veiligheidsgordel
niet draagt tijdens een crash of een
noodstop kan tegen het interieur van het
voertuig aan worden “gegooid”, tegen
andere inzittenden of buiten het voertuig
worden geslingerd.
Plaats geen accessoires op veilig-
heidsgordels. Apparaten die zeggen het
comfort van de inzittenden te verhogen
of de veiligheidsgordel herpositioneren
kunnen de effectiviteit van de veiligheids-
gordel verminderen en de kans op ern-
stig letsel in een crash verhogen.
Verander de voorste zitplaatsen niet.
Aanpassing van de voorste zitplaatsen
zou kunnen storen met de werking van
het Supplemental Restraint System die
componenten of zij-air-bags detecteren.
Plaats geen voorwerpen onder de
voorste zitplaatsen. Het plaatsen van
voorwerpen onder de voorste zitplaatsen
zou kunnen storen met de werking van
het Supplemental Restraint System die
componenten en bedradingsbundel de-
tecteren.
Sla niet op de deuren. Impact op de
deuren als de sleutel in de AAN stand
staat kan resulteren in opgeblazen air-
bags.
Het toevoegen van uitrusting aan of
het aanpassen van uw voertuig
uitgerust met airbag
Indien u uw voertuig aanpast door het
veranderen van het frame, bumper sys-
teem, voorste einde of zij-metaalplaat of
rijhoogte van uw voertuig, zal dit de wer-
king van het airbagsysteem van uw voer-
tuig beïnvloeden.
(Vervolgd)
Indien componenten van het air-
bagsysteem moeten worden ver-
nietigd, moeten bepaalde veilig-
heidsvoorzorgsmaatregelen in
acht worden genomen. Raden we
u aan een erkende HYUNDAI ver-
deler te raadplegen voor nodige
informatie. Het niet opvolgen van
deze voorzorgsmaatregelen kan
het risico op letsel vergroten.
355
Veiligheidskenmerken van uw voertuig
Air-bag waarschuwingsetiketten
(indien van toepassing)
Air-bag waarschuwingsetiketten zijn aan-
gebracht om de inzittenden attent te
maken op risico’s van het air-bag sys-
teem. Lees alle informatie over uw air-
bags, deze is geplaatst op de zonneklep-
pen.
OIA0330040
OIA0330050
Type A
Type B
Kenmerken van uw voertuig
SLEUTELS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-3
Registreer uw sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-3
Sleutel bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-3
Immobilizer system . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-4
AFSTANDBEDIENING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-6
Afstandbediening. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-6
Zender voorzorgsmaatregelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-7
Vervangen van de batterij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-8
SMART KEY (INTELLIGENTE SLEUTEL) . . 4-10
Werking van de Smart key (intelligente sleutel) . . . 4-10
Voorzorgsmaatregelen Smart key
(intelligente sleutel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-11
Deur in een noodsituatie vergrendelen/
ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-12
DIEFSTAL ALARMSYSTEEM . . . . . . . . . . . . . 4-13
Actieve fase . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-13
Diefstal alarm fase. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-14
Inactieve fase . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-14
DEURGRENDELS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-15
Bedienen van deursloten aan de buitenzijde . . . . . . 4-15
Het bedienen van deurgrendels aan
de binnenzijde. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-16
Aanrijdingsdetectie deurontgrendelsysteem . . . . . . 4-18
Deurvergrendelingssysteem met snelheidssensor . . 4-18
Kinderslot achterdeuren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-20
ACHTERKLEP . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-21
Het openen van de achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-21
Het sluiten van de achterklep. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-22
RAMEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-23
Elektrisch bediende ramen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-24
Handmatig bediende ramen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-27
MOTORKAP . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-28
Het openen van de motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-28
Het sluiten van de motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-29
BRANDSTOFVUL KLEP . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-30
Het openen van de brandstofvul klep . . . . . . . . . . . . 4-30
Het sluiten van de brandstofvul klep . . . . . . . . . . . . 4-31
SCHUIFDAK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-33
Om het openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-34
Het kantelen van het schuifdak . . . . . . . . . . . . . . . . 4-35
Herafstellen van het schuifdak. . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-36
STUURWIEL . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-37
Elektrische stuurbekrachtiging . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-37
Stuurverstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-37
Verwarmde stuurwiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-38
Hoorn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-39
SPIEGELS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-40
Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-40
Buitenspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-40
INSTRUMENTENPANEEL . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-43
Verlichting instrumentenpaneel . . . . . . . . . . . . . . . . 4-44
Meters. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-44
Waarschuwing en indicatorlampen. . . . . . . . . . . . . . 4-53
4
WAARSCHUWINGSIGNAAL . . . . . . . . . . . . . . 4-64
VERLICHTING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-65
Accu bespaarfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-65
Verlichting in en uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-65
Grootlicht bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-66
Knipperend grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-67
Richtingaanwijzer signalen en verandering
van rijvak signalen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-67
Voor-mistlampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-68
Achter-mistlamp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-68
Koplamp hoogte verstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-69
Verlichting overdag (Daytime running light) . . . . . 4-70
WISSER EN SPROEIER . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-71
Voorruit ruitenwissers/-sproeiers . . . . . . . . . . . . . . . 4-71
Achter Ruitenwisser/-sproeier . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-72
Ruitenwissers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-72
Ruitensproeier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-73
Achter Ruitenwisser en sproeier schakelaar . . . . . 4-74
INTERIEURLICHT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-75
Automatische uitschakelfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . 4-75
Kaartlamp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-75
Kofferbakverlichtinglamp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-76
Dashboardkastje verlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-77
RUITVERWARMER . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-78
Achterruitverwarmer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-78
HANDMATIG KLIMAATREGELING . . . . . . . 4-79
Verwarming en luchtbehandeling . . . . . . . . . . . . . . . 4-80
Systeembediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-84
Klimaatbeheersing luchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-86
Het controleren van de hoeveelheid airco
koudemiddel en compressor smeermiddel . . . . . . 4-86
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING . . . . . . 4-87
Automatische klimaatregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-88
Handmatig bediende verwarming
en airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-89
VOORRUIT ONTDOOIEN EN
ONTWASEMEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-94
Handmatig klimaatregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-94
Automatische klimaatregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-95
OPSLAGRUIMTES . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-97
Middenconsole opslag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-97
Handschoenenvak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-97
INTERIEUR KENMERKEN . . . . . . . . . . . . . . . 4-98
Sigarettenaansteker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-98
Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-98
Bekerhouder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-99
Zonnescherm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-99
Voedingsuitgang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-100
Smartphone dockingstation . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-101
Kledinghaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-101
Bagagenet (houder) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-102
Vloermat anker(s) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-103
AUDIOSYSTEEM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-104
Kenmerken van uw voertuig
4
43
Kenmerken van uw voertuig
Noteer het sleutelnummer
Het sleutelnummer is
gestempeld of gedrukt
in het plaatje met de
sleutelcode aan uw
sleutelset.
Als u uw sleutels
kwijtraakt, adviseren we u contact op te
nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer. Verwijder het plaatje met de sleu-
telcode en bewaar dit op een veilige
plaats. Noteer daarnaast het sleutelnum-
mer en bewaar dit op een veilige plaats
buiten de auto.
Sleutel bediening
Wordt gebruikt om de motor te starten.
Wordt gebruikt om de deuren (of de
achterklep) te ver- en ontgrendelen.
SLEUTELS
WAARSCHUWING -
Contactsleutel
Het zonder toezicht achterlaten van kin-
deren in een voertuig met de contact-
sleutel is gevaarlijk, zelfs als de sleutel
niet in het contactslot steekt. Kinderen
doen de volwassenen na en kunnen de
sleutel in het contactslot steken. De
contactsleutel kan kinderen in staat
stellen om de elektrische bediende
ramen of andere systemen te bedienen
of zelfs het voertuig te doen starten, wat
zou kunnen leiden tot schade aan het
voertuig en ernstig lichamelijk letsel.
Laat de sleutels nooit in uw voertuig
met kinderen zonder toezicht.
OJD043502
WAARSCHUWING
Gebruik voor de ontsteking in uw voer-
tuig uitsluitend originele onderdelen
van HYUNDAI. Indien een niet orginele
sleutel wordt gebruikt, kan de het con-
tactslot mogelijk niet goed functioneren
naar AAN na START. Hierdoor kan de
startverbinding blijven werken en scha-
de aanrichten aan de start motor en mo-
gelijk brand als gevolg van overmatig
stroom in de bedrading.
OHD046100
Type A
Type B
OBA043029
Type C
OHG040001L
Kenmerken van uw voertuig
44
Immobilizer systeem
Uw voertuig is uitgerust met een elektro-
nische immobilisersysteem om het risico
op diefstal van het voertuig te verminde-
ren.
Het immobilisersysteem bestaat uit een
transponder in de sleutel en de motor-
management computer van het voertuig.
Wagens zonder intelligent
sleutelsysteem
Het immobilisersysteem controleert, elke
keer dat u met de contactsleutel de auto
start, of de contactsleutel “bekend” is.
Als de sleutel is geldig, wordt de motor
gestart.
Als de sleutel ongeldig is, zal de motor
niet starten.
Om het immobilisersysteem
te de-activeren:
Steek de contactsleutel in het contact in
de AAN positie.
Om het immobilisersysteem te activeren:
Steek de sleutel in het contactslot en zet
het op de UIT positie. Wordt het immobi-
lisersysteem geactiveerd automatisch.
Met een ongeprogrammeerde sleutel zal
de motor niet aanslaan.
Wagens met intelligent
sleutelsysteem
Als de motor start/stop-knop in de AAN
stand wordt geplaatst, dan controleert
het stopzet systeem of de sleutel geldig
is of niet.
Als de sleutel is geldig, wordt de motor
gestart.
Als de sleutel ongeldig is, zal de motor
niet starten.
Om het immobilisersysteem
te de-activeren
Plaats de motor start/stop knop in de
AAN stand.
Om het immobilisersysteem te activeren
Verander de start-/stopknop van de mo-
tor op de UIT positie. Wordt het immobili-
sersysteem geactiveerd automatisch.
Met een ongeprogrammeerde intelligen-
te sleutel zal de motor niet aanslaan.
AANDACHT
Als de motor wordt gestart, gebruik dan
de sleutel niet als er andere immobiliser-
sleutels in de buurt zijn. Dit kan de oor-
zaak zijn dat de motor niet aanslaat.
Houdt de sleutels apart om evetuele sto-
ringen te vermijden.
AANDACHT
Indien u additionele sleutels nodig heeft
of uw sleutels verliest, raden we u aan
een erkende HYUNDAI verdeler te ra-
adplegen.
OPMERKING
Plaats geen metalen accessoires
dicht bij het contactslot.
De motor zal mogelijk niet starten
omdat de metalen accessoires het
transpondersignaal van de sleutel
kunnen onderbreken.
45
Kenmerken van uw voertuig
OPMERKING
De transponder in de autosleutels
is een belangrijk onderdeel van het
transpondersysteem. Het is gema-
akt om jaren te kunnen functio-
neren, echter wees voorzichtig met
vocht, statische elektriciteit en ru-
we behandeling. Ook de nabijheid
van zendapparatuur kan van invlo-
ed zijn. Hierdoor kan een storing
ontstaan.
OPMERKING
Veranderen niet, wijzigen of aan te
passen het immobilisersysteem, hi-
erdoor zou het kunnen dat het
syteem storing krijgt. Wij raden aan
u het systeem onderhouden bij een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Storingen veroorzaakt door onjuis-
te wijzigingen, aanpassingen of
modificaties aan het immobiliser-
steem vallen niet onder de fabrieks-
garantie van uw voertuig.
Kenmerken van uw voertuig
64
SLEUTELLOZE INGANG OP AFSTAND (INDIEN VAN TOEPASSING)
Afstandbediening
Type A
Om de sleutel te ontvouwen, drukt u op
de vrijgeven knop en daarna ontvouwd
de sleutel automatisch.
Om de sleutel op te vouwen, vouwt u
de sleutel handmatig terwijl u de vrijge-
ven knop ingedrukt houdt.
Type B
Om de mechanische sleutel te verwij-
deren, houdt u de ontgrendelknop in-
gedrukt en verwijdert u de mechani-
sche sleutel.
Om de mechanische sleutel opnieuw
te installeren, steekt u de sleutel in de
opening en duwt u hem erin tot een
klikgeluid te horen is.
Grendelen (1)
1. Sluit alle deuren.
2. Druk op de vergrendel-knop.
3. De gevarenlamp zal een keer knippe-
ren om aan te duiden dat alle deuren
gesloten zijn (de motorkap en de ach-
terklep moeten gesloten zijn).
OBA043029
Type B
OHG040001L
Type A
OPMERKING
Vouw de sleutel niet zonder de vrij-
geven knop in te drukken. Dit kan
de sleutel beschadigen.
OLMB043003
Type B
OHG040006L
Type A
47
Kenmerken van uw voertuig
AANDACHT
De deuren zullen niet vergrendelen als
er nog een deur open is.
Ontgrendelen (2)
1. Druk op de ontgrendel-knop.
2. De waarschuwingsknipperlichten knip-
peren twee maal om aan te geven dat
alle deuren zijn ontgrendeld.
Achterklep ontgrendelen (3)
1. Houd de ontgrendelknop van de ach-
terklep langer dan 1 seconde inged-
rukt.
2. De waarschuwingsknipperlicht knip-
peren twee maal om aan te geven dat
de achterklep is ontgrendeld.
AANDACHT
Na het ontgrendelen van de achterk-
lep, zal de achterklep automatisch
vergrendelen tenzij ze binnen de 30
seconden wordt geopend.
Zodra de achterklep wordt geopend
en vervolgens gesloten, zal de achter-
klep automatisch vergrendelen.
Het woord "HOLD" (vasthouden)
staat op de knop vermeld om u te in-
formeren dat u de knop moet indruk-
ken en vervolgens ingedrukt moet
houden.
Zender voorzorgsmaatregelen
AANDACHT
De zender zal niet werken als zich het
volgende voordoet:
De sleutel is in het contact.
De bedieningsafstand (ongeveer 10 m)
wordt overschreden.
De batterij in de zender defect of leeg
is.
Andere voertuigen of voorwerpen het
signaal blokkeren.
De buitentemperatuur extreem laag
is.
De zender bevindt zich dicht bij een
radiozender zoals een radiostation of
een luchthaven, die kan interfereren
met de normale werking van de zen-
der.
Als de zender niet behoorlijk werkt,
open en sluit het deur dan met de con-
tactsleutel. Als u een probleem is met de
zender, raden we aan om contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-ver-
deler.
(Vervolgd)
(Vervolgd)
Als de zender zich dicht bij uw mobi-
ele telefoon of smart phone bevindt,
zou het signaal van de zender kunnen
worden geblokkeerd door de normale
werking van uw mobiele telefoon of
smart phone. Dit is vooral belangrijk
als de telefoon actief is, zoals tijdens
het bellen, bij het ontvangen van op-
roepen, bij het ingeven van tekstbe-
richten en/of het verzenden/ontvan-
gen van e-mails. Vermijd om de zen-
der en uw mobiele telefoon of smart
phone in uw zelfde broek- of jaszak te
steken en zorg ervoor dat er voldo-
ende afstand aanwezig is tussen de
beide apparaten.
Kenmerken van uw voertuig
84
Vervangen van de batterij
De zender gebruikt een 3 volt lithium bat-
terij, die normaliter een aantal jaren mee
gaat. Wanneer vervangen nodig is, geb-
ruik de volgende procedure.
1. Verwijder dee sleutelhelft van de sleu-
tel. Let op dat dit altijd aan de zijde ge-
beurd waar de schroef is uitgedraaid.
2. Vervang de batterij met een nieuwe
batterij. Wanneer de batterij wordt ver-
vangen, verzeker u ervan dat het posi-
tieve batterijsymbool “+” naar boven
wijst zoals aangegeven in de afbeel-
ding.
3. Monteer de sleutel in de omgekeerde
volgorde.
Als een zender vervangen, raden we aan
om contact op te nemen met een erken-
de HYUNDAI-verdeler.
OPMERKING
Wijzigingen of aanpassingen die ni-
et expliciet zijn goedgekeurd door
Hyundai Motor Company, kunnen
storingen veroorzaken in het sys-
teem. Als de centrale vergrendeling
buiten werking is door wijzigingen
of aanpassingen die niet expliciet
zijn goedgekeurd zal dit niet gedekt
zijn door de fabrieksgarantie.
OPMERKING
Houd de afstandsbediening verwij-
derd van water, vocht, en vuur. Als
de binnenkant van de afstandsbe-
diening vochtig wordt (als gevolg
van een drankje of vocht), of ver-
warmd wordt, kan het interne cir-
cuit storen, waardoor het voertuig
buiten de garantie valt.
OLM042302
OLM043439
Type A
Type B
49
Kenmerken van uw voertuig
OPMERKING
De afstandbediening is ontwor-
pen om u jaren zorgeloos gebru-
ikt te kunnen worden. Echter het
kan slecht functioneren als het in
contact komt met vocht of stati-
sche elektriciteit.
Als u niet zeker bent hoe u uw
zender moet gebruiken, of hoe u
de batterij moet vervangen, raden
we aan om contact op te nemen
met een erkende HYUNDAI-verde-
ler.
Het gebruik van de verkeerde bat-
terij kan veroorzaken dat de zen-
der slecht functioneert.
Wees voorzichtig met de zender,
laat het niet vallen, nat worden of
langdurig blootstellen aan hitte of
zonlicht.
Een onjuiste geplaatste batterij
kan schadelijk zijn voor het milieu
en voor de menselijke gezondhe-
id. Verwijder de batterij volgens
de plaatselijke wet(ten) or regle-
menteringen.
Kenmerken van uw voertuig
104
Werking van de Smart key
(Intelligente Sleutel)
1. Deur grendelen
2. Deur ontgrendelen
3. Achterklep ontgrendelen
Met een intelligente sleutel kunt u een
deur vergrendelen en ontgrendelen en
zelfs de motor starten zonder de sleutel
in te steken.
De functies van de knoppen op een intel-
ligente sleutel zijn gelijksoortig als die-
gene voor de invoer via een afstandsbe-
diening. Zie “Invoer op de afstandsbedie-
ning” in dit gedeelte.
Als u de intelligente sleutel bij u hebt,
kunt u de deuren van de wagen en de
achterklep vergrendelen en ontgrende-
len.
U kunt ook de motor starten. Zie hieron-
der voor meer details.
Vergrendeling
1. Neem de intelligente sleutel mee.
2. Sluit alle deuren.
3. Druk op de knop aan de buitenzijde
van de portiergreep.
4. De gevaarlichten zullen een keer knip-
peren (de motorkap en de achterklep
moeten gesloten zijn).
5. Controleer of alle deuren gesloten zijn
door aan de buitenzijde aan de por-
tiergreep te trekken.
AANDACHT
De knop zal alleen werken als de intel-
ligente sleutel binnen een bereik is van
0,7 m (28 in) van de buitenzijde van de
portiergreep.
Zelfs als u van de buitenzijde op de
knop van de portiergreep drukt, zul-
len de deuren niet vergrendelen en de
bel zal 3 seconden hoorbaar zijn als
het volgende zich voordoet:
- De intelligente sleutel bevindt zich in
de wagen.
- De start-/stopknop van de wagen is
in de positie ACC of ON (aan).
- Gelijk welk deur, behalve de ach-
terklep, wordt geopend.
SMART KEY (INTELLIGENTE SLEUTEL) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OLMB043003 OIA043001
411
Kenmerken van uw voertuig
Ontgrendeling
1. Neem de intelligente sleutel mee.
2. Druk op de knop aan de buitenzijde
van de portiergreep.
3. Alle deuren zullen ontgrendelen en de
gevaarlichten zullen twee keer knippe-
ren.
AANDACHT
De knop zal alleen werken als de intel-
ligente sleutel binnen een bereik is van
0,7 m (28 in) van de buitenzijde van de
portiergreep.
Als de intelligente sleutel wordt
bekend binnen het bereik van 0,7 m
(28 in) van de buitenkant van het voor-
deur, kunnen andere personen de deu-
ren ook openen.
Achterklep ontgrendelen
1. Neem de intelligente sleutel mee.
2. Druk op de schakelaar in de greep
van de achterklep.
3. De achterklep zal ontgrendelen.
AANDACHT
Zodra de achterklep wordt geopend
en vervolgens gesloten, zal de achterk-
lep automatisch vergrendelen.
De knop zal alleen werken als de intel-
ligente sleutel zich binnen een bereik
bevindt van 0,7 m (28 in) van de greep
van de achterklep.
Voorzorgsmaatregelen Smart Key
(Intelligente Sleutel)
AANDACHT
Als u uw intelligente sleutel om een of
andere reden kwijt zou raken, kunt u
de motor niet meer starten. Sleep de
wagen, indien nodig, raden we aan om
contact op te nemen met een erkende
HYUNDAI-verdeler.
Er kunnen maximum 2 intelligente
sleutels op een wagen worden geregis-
treerd. Als u uw een intelligente sleutel
verliest, raden we aan om contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-
verdeler.
De intelligente sleutel zal niet werken
als zich het volgende voordoet:
- De intelligente bevindt zich dicht bij
een radiozender zoals een radiosta-
tion of een luchthaven, die kan
interfereren met de normale wer-
king van de intelligente sleutel.
- De intelligente sleutel bevindt zich
tegen een mobiel tweeweg-radiosys-
teem of een mobiele telefoon.
- Er wordt een intelligente sleutel van
een andere wagen dicht bij uw
wagen bediend.
(Vervolgd)
Kenmerken van uw voertuig
124
(Vervolgd)
Als de intelligente sleutel niet behoor-
lijk werkt, open en sluit het deur dan
met de mechanische sleutel. Als u een
probleem is met de intelligente sleutel,
raden we aan om contact op te nemen
met een erkende HYUNDAI-verdeler.
Als de intelligente sleutel zich in de
buurt van uw mobiele telefoon of
smart phone bevindt, kan het signaal
van de intelligente sleutel worden
geblokkeerd door de normale werking
van uw mobiele telefoon of smart
phone. Dit is vooral belangrijk als de
telefoon actief is, zoals tijdens het bel-
len, bij het ontvangen van oproepen,
bij het ingeven van tekstberichten
en/of het verzenden/ontvangen van e-
mails. Vermijd om de zender en uw
mobiele telefoon of smart phone in uw
zelfde broek- of jaszak te steken en
zorg ervoor dat er voldoende afstand
aanwezig is tussen de beide appara-
ten.
Deur in een noodsituatie
vergrendelen/ontgrendelen
Als de intelligente sleutel niet normaal
opent, kunt u de deuren met de mecha-
nische sleutelen ontgrendelen of verg-
rendelen.
1. Druk op de vrijgaveknop (1) en houd
hem ingedrukt en verwijder de mecha-
nische sleutel (2).
2. Steek de sleutel in het slot aan de bui-
tenzijde van de portiergreep. Draai de
sleutel naar de voorkant van het voer-
tuig om de deursloten te ontgrendelen
en naar de achterkant van het voer-
tuig om te grendelen.
3. Om de mechanische sleutel opnieuw
te installeren, steekt u de sleutel in de
opening en duwt u hem erin tot een
klikgeluid te horen is.
OPMERKING
Houd de Smart Key verwijderd van
water, vocht, en vuur. Als de bin-
nenkant van de Smart Key vochtig
wordt (als gevolg van een drankje
of vocht), of verwarmd wordt, kan
het interne circuit storen, waardoor
het voertuig buiten de garantie valt.
OBA043029
413
Kenmerken van uw voertuig
Dit systeem is ontworpen om bescher-
ming te bieden tegen ongeautoriseerde
gebruik van de auto. Dit systeem wordt
bediend in drie fasen: de eerste is de
“Armed” fase, de tweede is de "Theft-
alarm" fase en de derde is de "Disarmed"
fase. Als het systeem wordt geactiveerd
geeft het systeem een hoorbaar alarm
met knipperende waarschuwingslichten.
Actieve fase
Parkeer de auto en stop de motor. Acti-
veer het systeem als hieronder besch-
reven.
1. Verwijder de de sleutel uit het contact
en verlaat het voertuig.
2. Controleer dat alle deuren (en achter-
deur) en motorkap zijn gesloten.
3. Vergrendel de deuren met gebruikma-
king van de afstandbediening.
Na voltooiing van de bovengenoemde
stappen zullen de waarschuwingsknip-
perlichten eenmaal knipperen om aan te
geven dat het systeem is ge-activeerd.
Indien welk deur dan ook (of achterklep)
of motorkap open blijft, zullen de waar-
schuwingsknipperlichten niet werken en
het diefstal-alarm wordt niet geactive-
erd. Als alle deuren (en achterklep en
motorkap) worden gesloten nadat de ver-
grendelknop is ingedrukt, knipperen de
waarschuwingsknipperlichten een maal.
Activeer het systeem niet tot dat alle
passagiers het voertuig hebben verla-
ten. Indien het systeem wordt ge-acti-
veerd terwijl een of meerdere perso-
nen in het voertuig zijn gebleven, zal
het alarm worden af gaan wanneer
hij/zij het voertuig verlaat. Indien welk
deur dan ook (of achterklep of motor-
kap) wordt geo-pend binnen 30 se-
conden nadat het systeem de geacti-
veerde fase ingaat, wordt het systeem
gedeactiveerd om een onnodig alarm
te voorkomen.
DIEFSTAL-ALARM SYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Actieve
fase
Diefstal
alarm fase
Inactieve
fase
Kenmerken van uw voertuig
144
Diefstal alarm fase
Het alarm zal in werking worden gesteld
indien een van het volgende plaatsvindt
terwijl het systeem actief is.
Een voor- of achterdeur wordt geo-
pend zonder de zender te gebruiken.
De achterklep wordt geopend zonder
de zender te gebruiken.
De motorkap wordt geopend.
De sirene gaat gaan af en de waarschu-
wingsknipperlichten zullen knipperen
gedurende ongeveer 27 seconden en dit
drie keer herhalen, behalve als het sys-
teem tussentijds wordt uitgeschakeld en
gedeactiveerd. Het systeem kan worden
uit geschakeld met de afstandbediening.
Inactieve fase
Het systeem wordt uitgeschakeld als de
volgende situatie optreedt:
De ontgrendelknop op de zender wordt
ingedrukt. Als geen enkel deur (of de
achterklep) wordt geopend binnen 30
seconden, wordt het systeem weer
ingeschakeld.
De vergrendelknop wordt ingedrukt ter-
wijl een deur (of de achterklep) is geo-
pend.
De waarschuwingsknipperlichten knippe-
ren twee maal om aan te geven dat het
systeem is uitgeschakeld.
AANDACHT - Systeem zonder
startonderbreking
Probeer de motor niet te starten als
het alarmin werking is. De startmotor
is uitgeschakeld als het alarm in wer-
king is.
Als het systeem in werking is en de
afstandbediening is defect, steek dan
de sleutel in het contactslot, draai het
in de stand ON en wacht 30 seconden.
Het systeem wordt vervolgens uitge-
schakeld.
Als u uw sleutels verliest, raden we u
aan een erkende HYUNDAI verdeler
te raadplegen.
AANDACHT -
Immobilizer systeem
Indien het systeem niet kan worden
gedeactiveerd met de afstandbedie-
ning, steek dan de sleutel in het con-
tactslot en zet het contact aan. Het
systeem wordt vervolgens uitgesc-
hakeld.
Als u uw sleutels verliest, raden we u
aan een erkende HYUNDAI-verdeler
te raadplegen.
OPMERKING
Veranderen niet, wijzigen of aan te
passen het immobilisersysteem, hi-
erdoor zou het kunnen dat het sys-
teem storing krijgt en raden we aan
u het systeem onderhouden bij een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Storingen veroorzaakt door onju-
iste wijzigingen, aanpassingen of
modificaties aan het immobiliser-
systeem vallen niet onder de
fabrieksgarantie van uw voertuig.
415
Kenmerken van uw voertuig
Bedienen van deursloten aan de
buitenzijde
Zender / Intelligente sleutel
Deuren kunnen ook vergrendeld en
ontgrendeld worden met de zender of
intelligente sleutel
Deuren kunnen vergrendeld en ont-
grendeld worden door de knop aan de
buitenzijde van de portiergreep in te
drukken als u in het bezit bent van de
intelligente sleutel (wagens uitgerust
met een intelligent sleutelsysteem).
Als de deursloten eenmaal zijn ont-
grendeld kunnen ze geopend worden
door aan de deur te trekken.
Sluit de deur voorzichtige en contro-
leer of de deuren veilig zijn gesloten.
Sluit de deur voorzichtige en contro-
leer of de deuren veilig zijn ge-sloten.
Mechanische sleutel
Draai de sleutel naar de achterkant
van het voertuig om te grendelen en
naar de voorkant van het voertuig om
de deursloten te ontgrendelen.
Als het deurslot van de bestuurder
grendelt/ontgrendelt met een sleutel,
zullen alle deuren van het voertuig
automatisch grendelen/ontgrendelen.
(indien uitgerust met een centraal
deurgrendelsysteem)
Deuren kunnen ook vergrendeld en
ontgrendeld worden met de zender
(indien van toepassing).
Als de deursloten eenmaal zijn ont-
grendeld kunnen ze geopend worden
door aan de deur te trekken.
Sluit de deur voorzichtige en contro-
leer of de deuren veilig zijn gesloten.
Sluit de deur voorzichtige en contro-
leer of de deuren veilig zijn ge-sloten.
AANDACHT
In zeer koude en natte tijden kunnen
deurvergrendeling- en deurmechanis-
men mogelijk niet juist werken door
de vorst.
Indien de deur meerdere keren snel
achtereenvolgend wordt vergrendeld/
ontgrendeld met ofwel de sleutel van
het voertuig ofwel de deurgrendel
schakelaar kan de werking van het
systeem tijdelijk stoppen om het cir-
cuit te beschermen en schade aan sys-
teemcomponenten te voorkomen.
DEURGRENDELS
OIA043001
Type A
Type B
OIA043002
Kenmerken van uw voertuig
164
Om een deur te vergrendelen zonder de
sleutel, duw de binnengrendelknop (1)
naar de “Vergrendel” positie en sluit het
deur (2) (Indien niet uitgerust met een
centraal deurgrendelsysteem.).
AANDACHT
De centrale deurvergrendeling werkt al-
leen als alle deuren en de achterklep zijn
gesloten.
AANDACHT
Verwijder altijd de contactsleutel, zet de
parkeerrem vast, sluit alle ramen en
vergrendel alle deuren wanneer het
voertuig wordt geparkeerd.
Het bedienen van deurgrendels
aan de binnenzijde
Met de deurgrendelknop
Om een deur te ontgrendelen, duw de
grendelknop (1) naar de “Ontgrendel”
positie. Het rode teken (2) op de knop
zal zichtbaar zijn.
OIA043004
Grendel
Ontgrendel
OIA043003
417
Kenmerken van uw voertuig
Om een deur te vergrendelen, duw de
grendelknop (1) naar de “Grendel” po-
sitie. Indien het deur juist is vergren-
deld, zal het rode teken (2) op de gren-
delknop niet zichtbaar zijn.
Om een deur te openen, trek de hen-
del (3) naar buiten.
Door de grendelknop van de bestuur-
der (of passagier) (1) naar de “Gren-
del” of “Ontgrendel” positie te zetten
zullen alle deuren van het voertuig
grendelen of ontgrendelen. (indien uit-
gerust met een centraal deurgrendel-
systeem)
Als aan de binnenhandgreep van het
bestuurdersdeur en passagiersdeur
wordt getrokken en de vergrendelknop
staat in de “vergrendel”-stand, wordt
de knop ontgrendeld en gaat het deur
open. (indien van toepassing)
De linker en /of rechtervoordeur kan ni-
et worden afgesloten al seen van de
deuren of achterklep) open is (indien
van toepassing).
AANDACHT
De centrale deurvergrendeling werkt
alleen als alle deuren en de achterklep
zijn gesloten.
WAARSCHUWING -
Deurs
De deuren moeten altijd volledig
gesloten en vergrendeld blijven
als de wagen in beweging is om
accidentele opening van het deur
te vermijden. Vergrendelde deu-
ren zullen potentiële inbrekers
ook ontmoedigen als de wagen
stopt of vertraagt.
Wees voorzichtig als u deuren
opent en let op voor wagens, mo-
torfietsen, fietsen of voetgangers
die de wagen naderen in het pad
van het deur. Het openen van een
deur als er iets of iemand nadert,
kan schade of letsels veroorza-
ken.
WAARSCHUWING -
Deurslot storing
Als een van deuren niet uit de ver-
grendeling gaat en niet te openen
is, probeer dan op een van de vol-
gende manieren uit te stappen:
Bedien het deur ontgrendelknop
meermaals (zowel elektronisch
als handmatig) terwijl u tegelij-
kertijd trekt aan de deurhendel.
Bedien de andere grendels en
hendels, voor en achter.
Draai het raam open en gebruik
de sleutel om de deur van buiten
te ontgrendelen.
Kenmerken van uw voertuig
184
Aanrijdingsdetectie
deurontgrendelsysteem
(indien van toepassing)
Alle deuren zullen automatisch ontgren-
delen wanneer een aanrijding wordt ve-
roorzaakt waarbij dat de airbags ont-
plooien.
AANDACHT
De Erkend HYUNDAI reparateur kan
een aantal functies van de centrale deur-
vergrendeling in- of uitschakelen:
Snelheidsafhankelijke deurvergren-
deling
Automatische ontgrendeling als de
contactsleutel uit het contactslot
wordt verwijderd.
Als u deze functie wilt gebruiken, raden
we aan om contact op te nemen met een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Deurvergrendelingssysteem met
snelheidssensor
(indien van toepassing)
Alle deuren zullen automatisch worden
vergrendeld als de wagen sneller rijdt
dan 15 km/uur. En alle deuren zullen au-
tomatisch worden ontgrendeld als u de
motor uitschakelt, of als u de contact-
sleutel uittrekt (indien van toepassing).
WAARSCHUWING -
Deurs
De deuren moeten altijd volledig
gesloten en vergrendeld blijven
als de wagen in beweging is om
accidentele opening van het deur
te vermijden. Vergrendelde deu-
ren zullen potentiële inbrekers
ook ontmoedigen als de wagen
stopt of vertraagt.
Wees voorzichtig als u deuren
opent en let op voor wagens, mo-
torfietsen, fietsen of voetgangers
die de wagen naderen in het pad
van het deur. Het openen van een
deur als er iets of iemand nadert,
kan schade of letsels veroorza-
ken.
WAARSCHUWING -
Ontgrendelde voertuigen
Het niet op slot achter laten van uw
voertuig kan diefstal uitlokken.
Verwijder altijd de contactsleutel,
zet de parkeerrem vast, sluit alle
ramen en vergrendel alle deuren
wanneer het voertuig wordt gepar-
keerd.
WAARSCHUWING -
Veroorzaken aan kinderen
In een gesloten voertuig kan het
extreem heet worden en daardoor
letsel veroorzaken aan kinderen of
dieren die het voertuig zijn achter-
gelaten. Kinderen kunnen boven-
dien bepaalde systemen bedienen
waardoor letsel kan ontstaan. Laat
nooit kinderen of dieren zonder be-
geleiding achter in uw voertuig.
419
Kenmerken van uw voertuig
Met Centraal deurgrendel schakelaar
(indien van toepassing)
Gebruik door te drukken op de centrale
deurvergrendeling.
Als u het voorste gedeelte (1) van de
schakelaar omlaag duwt, zullen alle
deuren vergrendeld worden.
Alle deuren van het voertuig worden
weer geopend als u het achterste ge-
deelte (2) van de schakelaar omlaag
duwt.
Als de sleutel in de ontsteking is ge-
plaatst, en de voordeur is geopend,
dan zullen de deuren niet vergrendeld
worden, zelfs als het voorste gedeelte
(1) van de centrale deurvergrendeling
ingedrukt wordt.
Als de smart key in de ontsteking is
geplaatst, en een deur is geopend, dan
zullen de deuren niet vergrendeld wor-
den, zelfs als het voorste gedeelte (1)
van de centrale deurvergrendeling
ingedrukt wordt.
AANDACHT
Als de deuren vergrendeld worden met
een zender of smart key, dan kunnen de
deuren niet ontgrendeld worden met
behulp van de centrale deurvergrende-
ling/ontgrendelschakelaar (indien van
toepassing).
WAARSCHUWING -
Deurs
De deuren moeten altijd volledig
gesloten en vergrendeld blijven
als de wagen in beweging is om
accidentele opening van het deur
te vermijden. Vergrendelde deu-
ren zullen potentiële inbrekers
ook ontmoedigen als de wagen
stopt of vertraagt.
Wees voorzichtig als u deuren
opent en let op voor wagens, mo-
torfietsen, fietsen of voetgangers
die de wagen naderen in het pad
van het deur. Het openen van een
deur als er iets of iemand nadert,
kan schade of letsels veroorza-
ken.
OIA043038/Q
Kenmerken van uw voertuig
204
Kinderslot achterdeuren
Het kinderveiligheidsslot is toegepast om
te helpen voorkomen dat kinderen per
ongeluk de achterdeuren openen van
binnen uit. Een achterdeur veiligheids-
sloten moeten gebruikt worden iedere
ke-er dat er kinderen in het voertuig op
de achterbank zitten.
1. Open de achterdeur.
2. Schuif het kinderveiligheidsslot, ge-
plaatst op de achterbinnenzijde van
de deur, naar de grendelpositie. Wan-
neer het kinderveiligheidsslot in de
vergrendelpositie is, zal het achterde-
ur van binnenuit niet geopend kunnen
worden, zelfs als wordt getrokken aan
de binnenhendel (3).
3. Sluit de achterdeur.
Om open de achterdeur trek de hendel
(2) naar buiten.
Hoewel de deuren kan worden ontgren-
deld, wordt het achterdeur niet worden
geopend door aan de binnenkant van de
deur hendel (3) totdat het achterdeur kin-
derslot zit is ontgrendeld.
WAARSCHUWING -
Achtergrendels
Indien kinderen per ongeluk de
achterdeueren openen, terwijl het
voertuig rijdt, kunnen de kinderen
eruit vallen en ernstig gewond ra-
ken. Om dit te voorkomen moeten
de kinderveiligheidssloten van de
achterdeuren altijd worden gebru-
ikt op ieder moment dat er kinderen
met de auto meerijden.
OIA043005/Q
WAARSCHUWING -
Ontgrendelde voertuigen
Het niet op slot achter laten van uw
voertuig kan diefstal uitlokken.
Verwijder altijd de contactsleutel,
zet de parkeerrem vast, sluit alle
ramen en vergrendel alle deuren
wanneer het voertuig wordt gepar-
keerd.
WAARSCHUWING -
Veroorzaken aan kinderen
In een gesloten voertuig kan het
extreem heet worden en daardoor
letsel veroorzaken aan kinderen of
dieren die het voertuig zijn achter-
gelaten. Kinderen kunnen boven-
dien bepaalde systemen bedienen
waardoor letsel kan ontstaan. Laat
nooit kinderen of dieren zonder be-
geleiding achter in uw voertuig.
421
Kenmerken van uw voertuig
Het openen van de achterklep
De achterklep wordt vergrendeld of
ontgrendeld door de sleutel te draaien
naar de "Grendel" of "Ontgrendel" po-
sitie (indien van toepassing).
De achterklep wordt vergrendeld of
ontgrendeld wanneer alle deuren zijn
of worden vergrendeld of ontgrendeld
met de sleutel, zender, intelligente sle-
utel of centrale deurvergrendeling/ont-
grendel schakelaar.
Indien ontgrendeld, kan de achterklep
worden geopend door aan de hendel
te trekken.
AANDACHT
De centrale deurvergrendeling werkt al-
leen als alle deuren en de achterklep zijn
gesloten.
AANDACHT
In zeer koude en natte tijden kunnen
deurvergrendeling- en deurmechanis-
men mogelijk niet juist werken door de
vorst.
ACHTERKLEP
WAARSCHUWING
De achterklep zwaait naar boven.
Verzeker u ervan dat er geen voor
werpen of mensen dicht bij de ach-
terzijde van het voertuig zijn bij het
openen van de achterklep.
OPMERKING
Verzeker u ervan dat de achteklep
gesloten is als met de auto wordt
gereden. Mogelijk ontstaat er scha-
de aan de achterklep liftcilinders en
of andere betrokken delen.
OIA046006
Kenmerken van uw voertuig
224
Het sluiten van de achterklep
Om de achterklep te sluiten moet deze
omlaag getrokken worden en tegen de
druk van de lifters in dicht gedrukt wor-
den contoleer of de klep goed gesloten
is.
WAARSCHUWING -
Uitlaatgassen
Als gereden wordt met de ach-ter-
klep open komen de giftige uitlaat-
gassen in uw voertuig. Dit kan let-
sel veroorzaken.
Als u moet rijden met de achterklep
open zorg dan voor voldoende ven-
tilatie.
WAARSCHUWING -
Bagageruimte
Inzittenden mogen nooit meerijden
in de bagageruimte. Omdat deze
ruimte niet is ingericht om te zitten
kan er ernstige letsel ontstaan,
vooral bij het plotseling remmen.
423
Kenmerken van uw voertuig
(1) Elektrisch bediende raamschakelaar van bestuurder*
(2) Elektrisch bediende raamschakelaar van voor passagier*
(3) Elektrisch bediende raamschakelaar achterdeur (links)*
(4) Elektrisch bediende raamschakelaar achterdeur (rechts)*
(5) Raam openen en sluiten
(6) Automatische ruitbediening sluiten*/ openen*
(7) Elektrische raamgrendel knop*
*: indien van toepassing
AANDACHT
In een koud en/of nat klimaat kunnen elektrisch bediende ra-
men mogelijk niet juist werken als gevolg van vorstinvloeden.
RAMEN
OIA043042 OBA043004L
Type A Type B
Kenmerken van uw voertuig
244
Elektrisch bediende ramen
Het contact moet in de AAN positie zijn
zodat de elektrische bediende ramen
kunnen werken. Elk deur is voorzien van
een ruitschakelaar voor de ruit van het
betreffende portier. Het bestuurdersdeur
is voorzien van een blokkeerschakelaar
waarmee de werking van de ruitschake-
laars achter kan worden geblokkeerd.
De elektrisch bediende ramen kunnen
worden bediend tot ongeveer 30 secon-
den nadat de contactsleutel is verwijderd
of naar de stand “ACC” of “LOCK” positie
is gedraaid. Echter, als het voordeur is
geopend, de elektrisch bediende ramen
kunnen niet worden bediend zelfs binnen
30 seconden.
AANDACHT
Als u rijdt met de achterruit open, of
met het zonnedak (indien van toepas-
sing) open (geheel of gedeeltelijk geo-
pend), zal uw wagen een geluid door
windsc-hudding (wind buffeting) of pul-
serend geluid voorbrengen. Dit geluid is
normaal en kan worden verminderd of
vermeden door middel van de volgende
handelingen.
Als het geluid zich voordoet als een of
beide achterruiten geopend zijn, open
dan beide voorruiten circa een inch. Als
u het geluid ervaart met het zonnedak
open, verminder de opening van het
zonnedak dan een beetje.
Raam openen en sluiten
(indien van toepassing)
De deur van de bestuurder heeft een
centrale schakelaar voor elektrisch
bediende ramen, waarmee alle raam-
schakelaars in het voertuig kunnen wor-
den in of uitgeschakeld worden.
Om een raam te openen of te sluiten,
druk of trek aan het voorste deel van de
corresponderende schakelaar (5).
Automatische bediening
(Bestuurders zijde als hiermee
uitgerust)
Het kort indrukken van de raamschake-
laar naar de tweede positie (6) opent het
raam volledig, zelfs wanneer de schake-
laar wordt losgelaten. Om het raam op
de juiste hoogte te stoppen, terwijl het
omlaag gaat, trek aan de schakelaar en
laat deze direct weer los.
OBA043016INOBA043015L
425
Kenmerken van uw voertuig
Automatisch openen/sluiten ruit
(indien van toepassing)
(Bestuurdersruit)
Als de ruitschakelaar even naar de twee-
de stand (6) wordt geduwd of getrokken,
wordt de ruit geheel geopend of geslo-
ten; ook als de schakelaar wordt losgela-
ten. Als bij een bewegende ruit de ge-
wenste stand wordt gebruikt, kan de
schakelaar worden ingedrukt of omhoog
worden getrokken om de ruitbeweging te
stoppen.
Als de ruitbediening niet normaal werkt,
kan deze functie als volgt worden gere-
set:
1. Steek de sleutel in het contactslot en
zet het op de AAN positie.
2. Sluit de bestuurdersruit en blijf nog
gedurende ten minste 1 seconde de
schakelaar omhoog trekken nadat de
ruit geheel gesloten is.
Automatische omkering van de richting
(indien van toepassing)
Als de sluitende ruit wordt geblokkeerd
door een voorwerp of lichaamsdeel, sig-
naleert de ruit een weerstand en wordt
de sluitende beweging gestopt. Vervol-
gens gaat de ruit ongeveer 30 cm (11,8
in) naar beneden, zodat het voorwerp
kan worden verwijderd.
Als de ruit een weerstand signaleert en
de ruitschakelaar wordt doorlopend naar
boven getrokken, stopt de ruitbeweging
naar boven en wordt de ruit ongeveer 2,5
cm (1 in) geopend. Als de ruitschakelaar
binnen 5 seconden weer doorlopend na-
ar boven wordt getrokken, nadat de ruit
door deze functie is geopend, werkt de
automatische omkering van de richting
niet meer.
OUN026013OBA043017L
Kenmerken van uw voertuig
264
AANDACHT
De automatische omkering van de rich-
ting bij de bestuurdersruit wordt alleen
ingeschakeld als automatisch sluiten is
ingeschakeld door de schakelaar geheel
omhoog te trekken. De automatische
omkering van de richting werkt niet als
de ruit gedeeltelijk wordt gesloten door
de middelste stand van de ruitschake-
laar te gebruiken.
Elektrische raamgrendel knop
De bestuurder kan de ruitschakelaars
op de achterdeuren uitschakelen door
de blokkeerschakelaar ruitbediening
op het bestuurdersportier in de stand
LOCK te zetten (ingedrukt).
Als de blokkeerschakelaar in de
stand LOCK staat (ingedrukt), de
master control van de bestuurder
kan de achterste ramen bedienen.
OPMERKING
Om mogelijke schade aan het
elektrisch bediende raamsysteem
te voorkomen, open of sluit niet
meer dan twee ramen tegelijk,
vooral in verband met de belas-
ting van de zekering.
Probeer nooit om schakelaars te-
gelijk tegenovergesteld te bedie-
nen. Hierdoor kan het systeem
schade oplopen, het zal raam
stoppen en kan het niet meer geo-
pend of gesloten worden.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de ruitbeweging
gehinderd kan worden als de ruit
wordt gesloten, zodat verwondin-
gen en schade aan de auto worden
voorkomen. Als een voorwerp kle-
iner dan 4 mm (0,16 in) doorsnede
bekneld raakt tussen de ruit en de
bovenste ruitsponning, is het mo-
gelijk dat de functie dit niet signal-
eert en de ruit niet stopt en de ruit-
beweging niet omkeert.
OIA043040
427
Kenmerken van uw voertuig
Handmatig bediende ramen
(indien van toepassing)
Draai de raamslinger met de klok mee of
tegen de klok in om het raam te openen
of te sluiten aan de rechterkant. En de
linkerkant is de tegenovergestelde rich-
ting.
WAARSCHUWING
Verzeker u ervan dat armen, han-
den en lichaam van passagiers vei-
lig zijn bij het openen of sluiten van
de ramen.
OBA043009
WAARSCHUWING -
Ramen
Laat NOOIT de contactsleutel in
de auto achter.
Laat NOOIT kinderen alleen in het
voertuig. Zelfs heel jonge kinde-
ren kunnen onbedoeld het elk-
trisch bediende raamsysteem in
werking zetten met als gevolg dat
er schade of letsel ontstaat.
Controleer altijd om zeker te zijn
dat armen, handen, hoofd en an-
dere obstakels veilig uit de weg
zijn, voordat een raam wordt
gesloten.
Laat niet toe dat kinderen spelen
met de elektrisch bediende ra-
men. Houdt de centrale schake-
laar aan de bestuurderzijde in de
LOCK positie (ingedrukt). Steek
gezicht of armen niet naar buiten
door de raamopening tijdens het
rijden.
Kenmerken van uw voertuig
284
Het openen van de motorkap
1. Trek de hendel links onder het dash-
board om de motorkap te ontgrende-
len De motorkap zal iets open gaan
maar wordt door de windhaak vastge-
houden.
2. Open aan de voorzijde van de auto de
motorkap iets, druk de secundaire
vergrendeling (1) in het midden van de
motorkap in en plaats de motorkap (2)
omhoog.
3. Neem de motorkapsteun uit de hou-
der.
4. Plaats de steun in de opening van de
motorkap.
MOTORKAP
OBA046217L
OBA043020R
WAARSCHUWING -
Warm
De motorkapsteun kan erg warm
worden. Daarom is een deel voor-
zien van een kunststof bescherm-
laag.
OIA043007 WAARSCHUWING
Open de kap nadat u de motor op
een vlakke ondergrond heeft uitge-
schakeld, de versnelling geplaatst
in P (Parkeren) voor automaten en
in de 1e (Eerste) versnelling of R
(achteruit) voor manueel schake-
len, en trek de handrem aan.
429
Kenmerken van uw voertuig
Het sluiten van de motorkap
1. Controleer voordat de motorkap wordt
gesloten:
Alle vuldoppen in de motorruimte
moeten correct geplaatst zijn.
Let op dat ook gebruikte doeken, pa-
pier of ander vreemd materiaal ver-
wijderd is.
2. Plaats de motorkapsteun terug in de
houder.
3.
Laat de kap tot halfweg zakken (opge-
tild tot ongeveer 30 cm van de gesloten
positie) en duw ze naar beneden om
ze veilig te vergrendelen. Voer daarna
een dubbele controle uit om er zeker
van te zijn dat de kap beveiligd is.
WAARSCHUWING
Voer daarna een dubbele contro-
le uit om er zeker van te zijn dat
de kap beveiligd is. Controleer of
er geen waarschuwingslampje
voor een open kap oplicht of een
bericht weergegeven wordt op
het instrumentenpaneel. Als de
kap niet vergrendeld is terwijl het
voertuig in beweging is, zal het
signaal klinken om de bestuurder
te waarschuwen dat de kap niet
volledig vergrendeld is. Rijden
met motorkap geopend kan ver-
oorzaken voor de bestuurder
belemmerd wordt en een aanrij-
ding het gevolg kan zijn.
De motorkapsteun moet goed in
de uitsparing worden gezet als
onder de kap moet worden
gewerkt. Hiermee wordt voorko-
men dat de kap valt en u mogelijk
verwondt.
Rijdt nooit met de motorkap half
geopend. Dit belemmerd het zicht
en bovendien kan de kap verder
open gaan.
WAARSCHUWING -
Motorkap
Controleer voor het sluiten van
de motorkap dat alle vreemde
voorwerpen zijn verwijderd uit de
motorruimte. Anders dit kan een
ongeval met letsel of materiële
schade veroorzaken.
Als er vreemde voorwerpen ach-
ter blijven kan dit schade aan de
kap veroorzaken of in geval van
brandbaar materiaal, brand ont-
staan.
Kenmerken van uw voertuig
304
Het openen van de
brandstofvul klep
Het tankluikje moet vanuit het interieur
worden geopend door de ontgrendeling
voor het tankluikje omhoog te trekken.
AANDACHT
Indien de brandstofvulklep niet wil ope-
nen omdat er zich ijs eromheen heeft
gevormd, druk op de klep om het ijs te
breken en de klep los te maken. Breek de
klep niet open, maak eventueel gebruik
van een ontijsingsmiddel (gebruik geen
radiator antivries) of plaats het voertuig
op een warme plek.
1. Zet de motor uit.
2. Om de brandstofvulklep te openen,
trek de brandstofvulklepopener naar
boven.
3. Trek het tankluikje open (1).
4. De vuldop kan worden verwijderd do-
or deze tegen de klok (2) in te draaien.
5. Nu kan brandstof worden bijgevuld.
BRANDSTOFVUL KLEP
OBA043021L
OIA043008
431
Kenmerken van uw voertuig
Het sluiten van de
brandstofvul klep
1. Draai de vuldop op de vulopening met
de klok mee totdat het “klikt”. Dit geeft
aan dat de dop stevig is vastgezet.
2. Sluit de brandstofvulklep en contro-
leer dat het goed gesloten is.
WAARSCHUWING -
Bijtanken gevaren
Brandstoffen zijn (licht) ontvlamba-
re materialen. Tijdens het bijtan-
ken moet de nodige zorgvuldig-
heid worden betracht. Het niet vol-
gen van adviezen en richtlijnen kan
leiden tot ernstige gevolgen zoals
millieu vervuiling, ontploffingsge-
vaar, brand en (verbrandings) let-
sel.
Lees en volg alle waarschuwin-
gen aan de tankstation.
Voordat u de brandstof vulpistool
aanraakt moet u rekening houden
met eventuele statische elektrici-
teit. Dit ontstaat door wrijvend
contact met de stoffen bekleding.
Zorg ervoor dat de auto of u zelf
niet statisch geladen bent.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING -
Bijtanken
Brandstof onder druk, kan op de
kleren of huid komen en zo kan
het risico van brand of verbran-
dingen ontstaan. Neem de brand-
stofvuldop altijd voorzichtig los.
Als bij het losdraaien van de dop
een sissend geluid wordt waarge-
nomen, wacht totdat dit stopt
alvorens de dop volledig te ver-
wijderen.
Nooit doorgaan met ‘afvullen’ na-
dat de benzinepomp automatisch
is afgeslagen tijdens het bijtan-
ken.
Controleer altijd dat de brand-
stofvuldop goed is vastgezet om
brandstoflekkage te voorkomen.
(Vervolgd)
Ga niet terug in uw auto als u
eenmaal bent begonnen met bij-
tanken omdat u statische elektri-
citeit kunt genereren door stof
(polyester, satijn, nylon enz.) aan
te raken, of door wrijving. Statisc-
he elektriciteitsontlading kan
brandstof dampen laten ontvlam-
men. Als u het voertuig moet op-
nieuw in te voeren, moet u reke-
ning houden met eventuele stati-
sche elektriciteit. Dit ontstaat
door wrijvend contact met de
stoffen bekleding. Zorg ervoor
dat de auto of u zelf niet statisch
geladen bent.
Bij het gebruiken van een goed-
gekeurde jerry-can moet deze al-
tijd op de grond worden geplaatst
worden voor het vullen. Statische
elektriciteitsontlading van de
container kan brandstofdampen
doen ontvlammen en brand vero-
orzaken. Als bijtanken eenmaal is
begonnen, moet contact met het
voertuig worden gehouden totdat
het vullen is voltooid.
(Vervolgd)
Kenmerken van uw voertuig
324
(Vervolgd)
Gebruik alleen goedgekeurde
draagbare brandstofcontainers
om benzine te vervoeren en
bewaren.
Gebruik geen mobiele telefoons
tijdens het bijtanken. Elektrische
stroom en/of elektronische sto-
ringen van mobiele telefoons
kunnen potentieel brandstofdam-
pen doen ontvlammen en brand
veroorzaken.
Zet altijd de motor af als wordt
bijgetankt. Vonken geproduceerd
door elektrische componenten
kunnen brandstofdampen doen
ontvlammen. Als het bijtanken
eenmaal voltooid is, controleer of
de vuldop en vulklep goed zijn
gesloten, voordat de motor wordt
gestart.
(Vervolgd)
(Vervolgd)
Gebruik GEEN lucifers of een
aansteker en ROOK NIET of laat
geen brandende sigaret achter in
uw voertuig terwijl u bij een ben-
zinestation bent, vooral tijdens
het bijtanken. Brandstof (damp)
is zeer licht ontvlambaar en kan
eenmaal in brand leiden tot zeer
ernstige gevolgen.
OPMERKING
Let erop dat u alleen loodvrije
brandstof (of loodhoudende
brandstof voor sommige landen)
tankt. (Benzinemotor allen)
Indien vervanging van de brand-
stofvuldop nodig is, raden wij u
aan onderdelen van een erkende
HYUNDAI-verdeler te gebruiken.
Een onjuiste brandstofvuldop kan
leiden tot een ernstige storing
van het brandstofsysteem of het
emissieregelsysteem.
Mors geen brandstof op de buiten
oppervlaktes van het voertuig.
Welk soort brandstof dan ook,
gemorst op lakoppervlaktes, kan
de lak beschadigen.
Controleer na het bijtanken dat de
brandstofdop goed is vastgezet
om lekkage te voorkomen.
433
Kenmerken van uw voertuig
Indien uw voertuig is uitgerust met een
schuifdak, kunt u het schuifdak openen
of kantelen met het schuifdak regelhef-
boom gelokaliseerd op de bovenconsole.
Het schuifdak kan alleen worden geo-
pend, gesloten of gekanteld wanneer het
contact in de AAN positie staat.
AANDACHT
In een zeer koude en of natte omge-
ving kan het schuifdak soms niet juist
werken als gevolg van vorstinvloeden.
Na het wassen van de auto of nadat
het heeft geregend kan bij het openen
water in de auto komen. Let op dat
het water verwijderd is voor dat het
dak wordt geopend.
AANDACHT
Het schuifdak kan niet geopend worden
in de kantelpositie, de kantelfunctie kan
niet gebruikt worden als het dak wordt
geopend of gesloten.
SCHUIFDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)
OTA040022
OPMERKING
Blijf niet verplaatst op de schuif-
dak regelhefboom nadat het sc-
huifdak in de volledig open,
gesloten of de kantelstand is
ingesteld. Er kan schade aan de
motor of systeemcomponenten
ontstaan.
Zorg dat het schuifdak volledig
gesloten is voordat u uw voertuig
verlaat.
Als het zonnedank geopend is,
dan kan regen of sneeuw door het
zonnedak lekken en het interieur
nat maken, en tevens is diefstal
mogelijk.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig met het bedie-
nen van het schuifdak tijdens het
rijden. Dit kan leiden tot vermin-
dering van de voertuigcontrole,
wat resulteert in een ongeval en
of materiele schade.
Zorg dat kinderen het schuifdak
niet bedienen.
Kenmerken van uw voertuig
344
Om het openen en sluiten
Om het schuifdak openen, trek de hef-
boom voor het schuifdak achterwaarts.
Om het schuifdak sluiten, duwt u de hef-
boom voor het schuifdak voorwaarts.
Automatische schuif open
Om de auto schuif-functie gebruiken,
even trek de hefboom voor het schuifdak
in de bovenconsole gedurende meer dan
1 seconden. Het schuifdak zal glijden he-
lemaal open gaan. Om het schuifdak op
welk punt dan ook te stoppen, druk op
een van de bedienmingsknoppen van het
schuifdak.
Handmatig schuif open
Trek de hefboom voor het schuifdak in de
bovenconsole gedurende meer dan 0.5
seconde.
Automatische schuif afsluiten
Om het schuifdak sluiten, duwt u de hef-
boom voor het schuifdak in de boven-
console gedurende meer dan 1 seconde.
Het schuifdak zal glijden helemaal afslui-
ten. Om de stoppen op de gewenste
snelheid, duwt u de hefboom voor het
schuifdak.
AANDACHT
Als u rijdt met het schuifdak open
(geheel of gedeeltelijk geopend), zal uw
wagen een geluid door windschudding
(wind buffeting) of pulserend geluid vo-
orbrengen. Dit geluid is normaal en kan
worden verminderd of vermeden door
middel van de volgende handelingen.
Als u het geluid ervaart met het zonne-
dak open, verminder de opening van het
zonnedak dan een beetje.
Automatische beveiliging
Als een voorwerp of (deel van het) lic-
haam wordt in de schuifdakopening aan-
wezig is terwijl het schuifdak automatisch
aan het sluiten is, zal het de richting
omkeren en daarna stoppen.
Deze beveiligingsfunctie zal niet werken
als er een klein obstakel is in de schuif-
dakopening. U moet altijd controleren dat
het schuifdak onbelemmerd dicht kan
worden gedaan.
OTA040023 ORBC040096
435
Kenmerken van uw voertuig
Het kantelen van het schuifdak
Om het schuifdak openen, duwt u de hef-
boom voor het schuifdak naar boven.
Om het schuifdak te sluiten, duwt u de
hefboom voor het schuifdak volledig naar
voren totdat het zonnedak in de gewens-
te stand staat.
WAARSCHUWING
Probeer de automatische omkee-
rfunctie nooit opzettelijk te acti-
veren met behulp van een licha-
amsdeel.
De automatische omkeerfunctie
werkt niet als iets vast komt te zit-
ten voordat het zonnedak volle-
dig gesloten wordt.
OTA040024
WAARSCHUWING -
Schuifdak
Let op dat uw hoofd, handen en
lichaam niet gekneld geraakt bij
het sluiten van een zonnedak.
Steek geen voorwerpen of licha-
amdelen naar buiten door de ope-
ning van het schuifdak tijdens
het rijden. (Vervolgd)
(Vervolgd)
Blijf met uw handen en hoofd uit
de buurt van het schuifdak als u
het wilt sluiten.
OPMERKING
Verwijder periodiek het vuil dat
achterblijft op de geleiderail.
Indien u probeert om het schuif-
dak te openen wanneer het dak is
vastgevroren of wanneer het
schuifdak is bedekt met sneeuw
of ijs, kan het glas of de motor
worden beschadigd.
Als u het zonnedak gedurende
langere tijd gebruikt, dan kan het
stof tussen het zonnedake en het
dakpaneel een geluid maken.
Open het schuifdak regelmatig en
verwijder het stof met een poets-
doek.
Kenmerken van uw voertuig
364
Zonnescherm
Het zonnescherm gaat automatisch open
als het glazen paneel is geschoven. Het
moet handmatig worden gesloten als het
glazen paneel is gesloten.
Herafstellen van het schuifdak
Iedere keer dat de batterijaansluitingen
zijn losgenomen, als de batterij volledig
is ontladen, of als een gerelateerde
zekering gesprongen is, moet het schuif-
daksysteem opnieuw afgesteld worden
als volgt:
1. Draai de ontstekingsschakelaar naar
de AAN stand en sluit het zonnedak
volledig.
2. Laat de controle knop los.
3. Duwt u de hefboom voor het schuif-
dak voorwaarts in de richting van
afsluiten (gedurende 10 seconden)
totdat het schuifdak is teruggekeerd
naar de oorspronkelijke tilt positie.
Laat dan de hendel los.
4. Duwt u de hefboom voor het schuif-
dak voorwaarts in de richting van
afsluiten totdat het schuifdak als volgt
werkt;
TILT DOWN (KANTEL DICHT)
SLIDE OPEN (SCHUIF OPEN)
SLIDE CLOSE (SCHUIF DICHT)
Laat dan de controle knop los.
Wanneer dit proces voltooid is, is het
schuifdaksysteem opnieuw afgesteld.
Voor meer informatie, raden we aan
om contact op te nemen met een er-
kende Hyundai-verdeler.
ORBC040097
OPMERKING
Als het zonnedak niet gereset wordt
bij het loskoppelen of ontladen van
de accu, of als een gerelateerde ze-
kering gesprongen is, dan kan het
voorkomen dat het zonnedak niet
goed meer werkt.
437
Kenmerken van uw voertuig
Elektrische stuurbekrachtiging
Stuurbekrachtiging wordt toegepast om
alle stuurhandelingen met een geringe
inspanning te kunnen verrichten. Indien
de motor niet draait of als het stuurbek-
rachtigingsysteem buiten werking is, kan
het voertuig nog steeds worden
bestuurd, maar het zal toegenomen
stuu-rinspanning vereisen.
De elektrische stuurbekrachtiging (EPS)
wordt ge-activeerd door een besturings-
unit die het draaimoment van het stuur-
wiel en voertuigsnelheid controleert en
de stuurbekrachtiging daar op aan past.
Het sturen wordt zwaarder naarmate de
voertuigsnelheid toeneemt en wordt lich-
ter naarmate de voertuigsnelheid vermin-
dert, hierdoor onstaat een comfortabel
stuurgedrag.
Indien u enige verandering merkt in het
stuurgedrag van het voertuig, raden we
aan om het systeem te laten nakijken
door een erkende HYUNDAI-verdeler.
AANDACHT
De volgende eigenschappen kunnen wa-
arneembaar zijn:
De EPS waarschuwingslamp licht niet
op.
Het stuurwiel draait zwaarder na het
aanzetten van het contact. Dit gebeurt
wanneer het EPS systeem een zelfcon-
trole uitvoert, na de controle zal het
stuurwiel weer in de normale conditie
functioneren.
Klikgeluiden kunnen worden gehoord
uit de EPS relais nadat het contact is
aan of uitgezet.
De bekrachtigingsmotor kan worden
gehoord wanneer het voertuig stil
staat of rijdt met een lage snelheid.
De stuurinspanning kan plotseling
toenemen bij een defect van het EPS
systeem. Als bij de zelfcontrole van
het systeem blijkt dat er een defect is,
zal het bekrachtigingsysteem worden
uitgeschakeld om ongevallen te voor-
komen.
Het stuurwiel kan zwaarder gaan
draaien als het stuurwiel in een korte
tijd veel wordt gedraaid vooral als de
auto stil staat. Nadat het systeem is
afgekoeld zal het stuurwiel weer nor-
maal functioneren.
Stuurverstelling
(indien van toepassing)
Met de stuurverstelling kan de stand van
het stuurwiel kan worden afgesteld. Het
stuurwiel kan omhoog of omlaag worden
gezet.
Het stuurwiel moet zodanig afgesteld
worden dat het comfortabel is om te stu-
ren, terwijl de waarschuwingslampen en
meters van het instrumentenpaneel en
bediening goed bereikbaar zijn en af-
gelezen kunnen worden.
STUURWIEL
WAARSCHUWING
Stel nooit de hoogte van het
stuurwiel af tijdens het rijden. U
kunt de controle over het stuur
verliezen en ongelukken veroor-
zaken.
Controleer of de verstelling goed
is vastgezet door het stuurwiel
zowel naar boven als beneden te
drukken.
Kenmerken van uw voertuig
384
Trek de ontgrendelhendel (1) naar bene-
den om de stuurwielhoek te wijzigen, zet
het stuur in de gewenste stand (2) en
trek de ontgrendelhendel voor het stuur-
wiel omhoog in de juiste stand.
Controleer of het stuurwiel is afgesteld
op de juiste positie voor het rijden.
Verwarmde stuurwiel
(indien van toepassing)
Als de ontstekingsschakelaar in de AAN
stand staat, drukt u op de verwarmde
stuurknop om het stuur te verwarmen
(De indicatorlamp op de knop zal oplich-
ten.).
Druk opnieuw op de knop om de verwar-
ming voor het stuur uit te zetten (De indi-
catorlamp op de knop zal uitschakelen.).
AANDACHT
De verwarming voor het stuur wordt
automatisch uitgeschakeld na ongeveer
30 minuten na inschakeling van de ver-
warming.
OBA043007L OIA046210
439
Kenmerken van uw voertuig
Hoorn
De claxon kan worden gebruikt door op
het symbool op het stuurwiel te drukken.
Controleer de claxon regelmatig om
zeker te zijn dat het correct werkt.
AANDACHT
Om de claxon te gebruiken, druk op het
gebied aangegeven door het hoornsym-
bool op het stuurwiel (zie afbeelding).
De claxon werkt alleen als op de juiste
plaats, dit is de claxonschakelaar, wordt
gedrukt.
OPMERKING
Sla nooit met de vuist of een hard
voorwerp op de claxonschakelaar.
Gebruik geen scherpe voorwerpen
om de schakelaar in te drukken.
OBA043022L
Kenmerken van uw voertuig
404
Achteruitkijkspiegel
Stel de achteruitkijkspiegel om het zicht
door de achterruit naar uw persoonlijke
wensen. Doe dit altijd voor u gaat rijden.
Achteruitkijkspiegel anti-verblinding
(indien van toepassing)
Doe dit altijd voor u gaat rijden en terwijl
de dag/nacht hendel in de dag positie.
Zet de dag/nacht hendel naar u toe om
verblinding door de verlichting van ach-
terop komend verkeer te voorkomen.
Let op dat de helderheid van het achte-
ruitzicht hiermee verminderd.
Buitenspiegel
Contoleer voor dat u gaat rijden de af-
stelling van de buitenspiegels.
De auto is uitgerust met buitenspiegels
voor links gestuurde auto’s. De spiegels
kunnen door middel van de bedienings-
schakelaar worden afgesteld (elektrisch
afstelbaar) of m.b.v. de afstelknop (mec-
hanisch afstelbaar) aan de spiegel, af-
hankelijk van de uitrusting. De buiten-
spiegels kunnen worden teruggeklapt.
Hiermee kan schade tijdens het wassen
of bij het parkeren worden voorkomen.
SPIEGELS
WAARSCHUWING -
Uitzicht naar achter
Plaats geen voorwerpen op de ach-
terzitplaats of bagageruimte die het
uitzicht naar achter kunnen belem-
meren. OIA043009
Dag
Nacht
WAARSCHUWING
Stel de achteruitkijkspiegel niet af,
terwijl het voertuig rijdt. Dit kan lei-
den tot vermindering van de voer-
tuigcontrole, wat resulteert in een
ongeval en of materiele schade.
WAARSCHUWING -
Achteruitkijkspiegel
De Achteruitkijkspiegel geeft een
vertekent beeld (klein beeld). In
bepaalde landen geldt dit ook
voor de linker achteruitkijkspie-
gel. De afstanden lijken kleiner
dan ze in werkelijkheid zijn.
Gebruik daarom altijd de buiten-
spiegels in combinatie met de
binnenspiegel. Hierdoor wordt
een goed zichtveld verkregen.
441
Kenmerken van uw voertuig
Afstandsbediening
Handmatig (indien van toepassing)
Bedien de hendel om een buitenspiegel
te verstellen.
Elektrische bediening
(indien van toepassing)
Met de elektrische bedieningspiegelsc-
hakelaar is het mogelijk om vanaf de
bestuurdersplaats de positie van de lin-
ker en rechter buitenspiegels af te stel-
len. Om de afstelling van de spiegels te
wijzigen moet het contact in de stand
“AAN” of “ACC” staan.
OPMERKING
Wees voorzichtig met het ijs te ver-
wijderen van de buitenspiegels, het
spiegel oppervlak kan hierdoor
beschadigen. Gebruik een goede
ontdooier spray. Probeer nooit de
spiegels te verstellen als het mec-
haniek bevroren is.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels altijd af voordat u
gaat rijden. Dit kan leiden tot ver-
mindering van de voertuigcontrole,
wat resulteert in een ongeval en of
materiele schade.
B510A01E OIA043041
Kenmerken van uw voertuig
424
De spiegels kunnen worden afgesteld
door schakelaar (1) naar R of L te zetten
om de juiste zijspiegel te selecteren. Hi-
erna kan door op de corresponderende
knop te drukken de betreffende spiegel
naar boven, beneden, links of rechts te
verstellen.
Plaats na de afstelling de schakelaar (1)
in de neutrale (midden) positie om onbe-
doelde verstelling te voorkomen.
Inklappen van de buiten
achteruitkijkspiegel
Handmatig
Om de buitenspiegel in te klappen, pak
de behuizing van de spiegel en duw de
spiegel tegen de zijkant van het voertuig.
OPMERKING
De spiegelverstelling stopt als de
maximale afstelhoek bereikt is,
maar de verstelmotor blijft wer-
ken zo lang de schakelaar blijft in-
gedrukt. Druk de schakelaar niet
langer in dan nodig is, anders kan
de motor beschadigd raken.
Probeer niet om de elektrisch ver-
stelbare buitenspiegel handmatig
af te stellen. Dit kan de stelmec-
hanieken beschadigen.
OBA043025L
443
Kenmerken van uw voertuig
INSTRUMENTENPANEEL
1. Toerenteller
2. Motortemperatuurmeter
3. Brandstofmeter
4. Snelheidsmeter
5. Richtingaanwijzer indicatoren
6. Waarschuwings- en/of indicatorenlampen*
7. Dagteller/Tripcomputer*
* : indien van toepassing
Het werkelijke cluster in het voertuig kan
verschillen van de afbeelding.
Voor meer details raadpleeg de “Meters”
in de volgende pagina’s.
OIA046100
Benzinemotor
Kenmerken van uw voertuig
444
Instrumentenpaneel verlichting
(indien van toepassing)
Wanneer de stadslichten of de koplamp-
verlichting van het voertuig branden kan
de instrumentenpaneelverlichting in hel-
derheid worden versteld. Draai de be-
dieningsknop, links onder het stuurwiel,
om verlichting van het instrumentenpa-
neel af te stellen.
Meters
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de voorwaartse
snelheid van het voertuig aan.
De snelheidsmeter is gekalibreerd in kilo-
meters per uur en/of mijlen per uur.
Toerenteller
De toerenmeter geeft bij benadering het
aantal motoromwentelingen per minuut
(rpm).
Gebruik de toerenteller om de juiste sc-
hakelpunten te selecteren en voorkom
zo te langzaam optrekken en/of overtoe-
ren van de motor.
Wanneer het contact wordt aangezet
maar de motor niet gestart wordt binnen
1 minuut, kan de toerenmeter licht bewe-
gen terwijl de motor niet draait. Deze
beweging is normaal en zal de juistheid
van de toerenmeter niet beïnvloeden als
de motor eenmaal draait.
OBA043103
OBA043104
Type A (km/uur)
Type B (MPH)
OIA043037
OBA043105
445
Kenmerken van uw voertuig
Motortemperatuurmeter
(indien van toepassing)
Deze meter toont de temperatuur van de
motorkoelvloeistof wanneer het contact
op AAN staat.
Blijf niet doorrijden met een oververhitte
motor. Indien uw voertuig oververhit
raakt, raadpleeg “Indien de motor over-
verhit raakt” in sectie 6.
OPMERKING
Indien de meteraanwijzer beweegt
buiten het normale bereikgebied
naar de "130" positie, geeft deze
oververhitting aan met motorscha-
de tot gevolg.
WAARSCHUWING
Verwijder nooit de radiatordop
wanneer de motor heet is. Het koel-
systeem is onder hoge druk. Door
de dop te verwijderen zal de hete
koelvloeistof uit de radiateur spui-
ten waardoor er brandwonden kun-
nen ontstaan.
OIA043107
OPMERKING
Laat het motortoerental nooit bin-
nen de RODE ZONE van de toeren-
teller komen. Dit zal ernstige mo-
torschade veroorzaken.
Kenmerken van uw voertuig
464
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benadering
de hoeveelheid brandstof in de brand-
stoftank aan. De inhoud van de brand-
stoftank wordt gegeven in sectie 8. De
brandstofmeter heeft ook een waarschu-
wingslamp voor een laag brandstofni-
veau, deze zal oplichten als de brand-
stoftank bijna leeg is.
Op hellingen of in bochten kan de brand-
stof meter enigzins fluctueren of de wa-
arschuwingslamp kan oplichten als ge-
volg van de beweging van de brandstof
in de tank.
Kilometerteller (km of mi.)
De odomoter geeft de totale afstand
welke het voertuig heeft gereden.
Bovendien kunt aan de hand van de kilo-
meterstand bepalen wanneer het onder-
houd moet worden uitgevoerd.
AANDACHT
Aanpassing van de kilometerstand van
de teller is verboden. Bovendien bent u
strafbaar. De aanpassing kan uw garan-
tiedekking beperken.
WAARSCHUWING -
Brandstofmeter
U wordt geadviseerd niet door te
rijden tot de brandstoftank hele-
maal leeg is.
Dit kan een gevaarlijke situatie ve-
roorzaken. Ook komt het de levens-
duur van het brandstofsysteem niet
ten goede.
OPMERKING
Vermijd rijden met een zeer laag
brandstofniveau. Rijden met een
bijna lege brandstoftank kan scha-
de veroorzaken aan de katalysator
door een verkeerde mengselvor-
ming.
OIA043121
OIA043109
447
Kenmerken van uw voertuig
Buiten Thermometer
Deze meter geeft de huidige buitentem-
peratuur aan met stappen van 1°C (1°F).
- Temperatuurbereik:
-40°C ~ 60°C (-40°F ~ 140°F)
De buitentemperatuur op het scherm wij-
zigt niet onmiddellijk, zoals een algeme-
ne thermometer, om te voorkomen dat de
bestuurder wordt afgeleid.
Om de temperatuureenheid (°C °F) te
wijzigen drukt u de trip knop langer dan 5
seconden in en drukt u vervolgens bin-
nen 2 seconden op de trip knop.
Waarschuwingslamp ijs op de weg
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingslamp is er om de
bestuurder te waarschuwen dat de weg
glad kan zijn.
Als de volgende omstandigheden optre-
den, dan zal de waarschuwingslamp
(inclusief temperatuurmeter voor buiten)
10 keer knipperen en vervolgens gaan
branden, en er is tevens 3x een waar-
schuwingsbel te horen.
- De temperatuur op de buiten thermo-
meter ligt onder ongeveer 4°C (39.2°F).
- De ontstekeningsschakelaar of Motor
Start/Stop knop staat AAN.
AANDACHT
Als de waarschuwingslamp voor ijs op
de weg verschijnt als u aan het rijden
bent, dan moet u met meer aandacht rij-
den en opletten dat u niet te hard rijdt,
niet te snel optrekt, niet plotseling remt
en geen scherpe bochten maakt, etc.
OIA043112 OIA043113
Kenmerken van uw voertuig
484
Dagteller/Tripcomputer
(indien van toepassing)
De tripcomputer is een informatiesys-
teem voor de bestuurder dat geregeld
wordt m.b.v. een microcomputer. Het sys-
teem geeft op het display informatie over
de rit als het contactslot in de stand ON
is gezet. Alle opgeslagen informatie
(behalve kilometerteller) worden gereset
als de accu wordt losgekoppeld.
Druk de TRIP-knop korter dan 1 secon-
den in om het even welke modus als
volgt selecteren:
Dagteller (km of mi)
TRIP A: Dagteller A
TRIP B: Dagteller B
Deze functie geeft de afstand van afzon-
derlijke ritten aan, vanaf de laatste keer
dat de dagteller op nul is gezet.
Het bereik van de dagteller is 0,0 tot
9999,9 km (0,0 tot 9999,9 mijl). Als de
afgelegde afstand wordt weergegeven
en de RESET-knop langer dan 1 secon-
de wordt ingedrukt, wordt de weergave
van de afgelegde afstand op nul (0,0)
gezet.
* indien van toepassing
Dagteller B
Huidig brandstofverbruik*
Dagteller A
Actieradius*
Gemiddeld brandstofverbruik*
Verstreken tijd*
Gemiddelde snelheid*
ECO AAN/UIT*
Serviceherinnerings*
OBA043099 OBA043111
449
Kenmerken van uw voertuig
Actieradius (indien van toepassing) (km
of mi)
Deze functie geeft de verwachte afstand
aan die nog kan worden afgelegd met de
brandstof in de tank, afhankelijk van de
hoeveelheid brandstof in de tank en de
brandstoftoevoer naar de motor. Als de
resterende afstand kleiner wordt dan 50
km (30 mijl), wordt “---” weergegeven.
Het bereik van de dagteller is 50 tot 999
km (30 tot 615 mijl).
Gemiddeld brandstofverbruik (indien van
toepassing) (l/100 km of MPG)
Deze functie berekent het gemiddelde
brandstofverbruik m.b.v. de totale hoe-
veelheid gebruikte brandstof en de afge-
legde afstand vanaf het punt waarop het
gemiddelde verbruik voor het laatst op
nul werd gezet. De totale hoeveelheid
gebruikte brandstof wordt berekend
m.b.v. het signaal voor het brandstofver-
bruik. Rijd langer dan 300 m (0,18 mijl)
voor een nauwkeurige meting.
Als het gemiddelde verbruik wordt weer-
gegeven en de RESET-knop langer dan 1
seconde wordt ingedrukt, wordt de we-
ergave van het verbruik op nul gezet (---).
Huidig brandstofverbruik
(indien van toepassing)
(l/100 km of MPG)
Deze functie berekent het huidige brand-
stofverbruik van de laatste seconden.
OBA043112 OBA043113 OIA043120
Kenmerken van uw voertuig
504
AANDACHT
Als de auto niet op een vlakke onder-
grond staat of als de accu is losgekop-
peld, is het mogelijk dat de functie
“actieradius” niet juist werkt.
Als er minder dan 6 liter wordt ge-
tankt, dan is het mogelijk dat de trip-
computer de getankte brandstof niet
signaleert.
Het brandstofverbruik en de actier-
adius kunnen aanzienlijk afwijken,
omdat ze afhankelijk zijn van de ri-
jomstandigheden, uw rijgedrag en de
conditie van de auto.
De actieradius is een geschatte waar-
de, die de verwachte afstand aangeeft
die kan worden afgelegd met de
brandstof in de tank. Deze waarde
kan afwijken van de werkelijk moge-
lijke actieradius.
Gemiddelde snelheid (km/uur of MPH)
Deze functie berekent het gemiddelde
snelheid van de voertuig na de laatste
gemiddelde snelheid reset.
Zelfs als niet met de auto wordt gereden,
wordt de gemiddelde snelheid bij draai-
ende motor toch gemeten.
Als het gemiddelde snelheid wordt weer-
gegeven en de RESET-knop langer dan
1 seconde wordt ingedrukt, wordt de we-
ergave van het gemiddelde snelheid op
nul gezet (---).
Verstreken tijd (indien van toepassing)
Deze functie geeft de totale verstreken
reistijd aan, vanaf het moment dat de
functie is gereset.
Zelfs als niet met de auto wordt gereden,
wordt de rijtijd bij draaiende motor toch
gemeten.
Het bereik van de functie is 00:00 tot
99:59.
Als u langer dan 1 seconde op de
RESET-knop drukt als de reistijd wordt
weergegeven, wordt de tijd op nul gezet
(gereset) (00:00).
OBA043114 OBA043115
451
Kenmerken van uw voertuig
ECO AAN/UIT modus
(indien van toepassing)
U kunt in het instrumentenpaneel in deze
stand de ECO schakelaar in- of uitscha-
kelen.
Als u de RESET schakelaar langer dan 1
seconde in de ECO AAN stand houdt
ingedrukt, dan wordt ECO UIT getoond in
het scherm en schakelt de ECO indicator
tijdens het rijden uit.
Als u de ECO indicator opnieuw wilt
weergeven, drukt u langer dan 1 secon-
de op de RESET knop in de ECO uit
stand, en ECO AAN wordt getoond in het
scherm.
Pop-up waarschuwing serviceherinnering
Het berekent en toont wanneer een
geplande onderhoudsbeurt nodig is (kilo-
meterstand of dagen) indien IGN inge-
scha-keld is (exclusief de rij-omstandig-
heden).
Als de kilometerstand voor de onder-
houdsbeurt binnen 30 dagen valt of be-
neden 1.500 km (900 mijl) ligt voor de
onderhoudsbeurtdan, komt gedurende 4
seconden een Serviceherinnering in be-
eld, met 1 keer een waarschuwingsge-
luid (indien mogelijk) en vervolgens
wordt vorige trip computermodus
getoond.
De vorige computermodus wordt geto-
ond als u binnen 4 sec op de "TRIP"
knop drukt.
Pop-up symbool serviceherinnering
Als een van deze waarden "0" bereikt,
dan zal het spannersymbool knipperen -
1 Hz en zal de serviceherinnering
afstands- en tijdswaarden tonen.
OBA043116 OIA043116 OIA043117
Kenmerken van uw voertuig
524
Reset van serviceherinnering
De klant kan de vorige service-intervals
resetten met behulp van een speciale
knopcode.
(1) Open modus serviceherinnering van
de trip computer in stationair.
(2) En druk gedurende langer dan 5
seconden op de "RESET" knop totdat
de vorige instellingswaarden knippe-
ren (1Hz).
(3) Druk opnieuw gedurende langer dan
1 seconde op de "RESET" knop tot-
dat de vorige waarden van de servi-
ceherinnering gereset zijn. (als u bin-
nen 5 seconden de "RESET" knop los
laat, of als u een andere trip compu-
termodus opent, dan zal de status
van de knipperende waarden stoppen
en worden de huidige serviceherinne-
ringswaarden weer getoond).
Uitschakelen van serviceherinnering
Als het service-interval niet ingesteld is,
dan zal het scherm serviceherinnering
niet in de trip computer getoond worden.
Wij raden aan om contact op te nemen
met een erkende HYUNDAI-verdeler.
Instellen van serviceherinnering
Als het service-interval is ingesteld op
150 km en 1 maand (30 dagen), dan zal
dit gedurende 4 seconden getoond wor-
den op het scherm, daarna wordt het vo-
rige scherm weer geopend.
OIA043118 OIA043119 OIA043118
453
Kenmerken van uw voertuig
Waarschuwing en
indicatorlampen
Alle waarschuwingslampen worden
geschakeld door het contactslot, voor
controle zet het contact aan (start de
motor niet). Als een lampje dat niet bran-
den, raden we aan om het systeem te
laten nakijken door een erkende HYUN-
DAI-verdeler. Controleer na het starten
van de motor of alle lampen uit zijn. In-
dien een van de lampen nog blijft bran-
den, geeft dit een situatie aan die aan-
dacht verdient. Wanneer de parkeerrem
wordt losgelaten, moet de waarschu-
wingslamp van het remsysteem uitgaan.
De waarschuwingslamp van het brand-
stofniveau zal aanblijven indien het
niveau laag is.
ECO indicator
(indien van toepassing)
(Automatisch
versnellingsbak)
De ECO-indicator is een systeem dat u
informeert of u zuinig rijdt.
De brandstofeffciëntie wordt getoond
zodat u efficiënt kunt omgaan met uw
brandstof tijdens het rijden.
De ECO-indicator (groen) zal branden
als u in de ECO AAN modus efficiënt
rijdt.
Als u niet wilt dat de indicator getoond
wordt, dan kunt ud e ECO AAN modus
uitschakelen door te drukken op de
TRIP knop.
Kijk op de vorige pagina voor het aan
of uit zetten van de ECO modus.
De brandstofefficiëntie kan gewijzigd
worden door het rijgedrag van de
bestuurder en door de staat van de
weg.
Het werkt niet als de staat niet voldoet
aan de voorwaarden voor zuinig rijden,
als P (Parkeren), N (Neutraal), R
(Achteruit) of sport modus.
Lamp serviceherinnering
Deze modus verstrekt infor-
matie over het service-inter-
val (kilometerstand of dagen)
waarbij de gebruiker het vo-
ertuig moet laten onderhou-
den, zoals ingesteld door de
gebruiker (dealer).
WAARSCHUWING
Blijf tijdens het rijden niet naar de
indicator kijken. U zult worden af-
geleid tijdens het rijden en dit kan
resulteren in ongevallen met ern-
stig persoonlijk letsel als gevolg.
ECO
Kenmerken van uw voertuig
544
Air-bag waarschuwings-
lamp
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingslamp zal geduren-
de ongeveer 6 seconden oplichten ie-
dere keer dat het contact in de AAN posi-
tie wordt gezet.
Deze lamp zal ook aan gaan wanneer
het air-bagsysteem (SRS) niet correct
werkt. Als de air-bag waarschuwings-
lamp niet oplicht, of continu aanblijft na
ongeveer 6 seconden te hebben gebrand
met het contact AAN of gaat branden tij-
dens het rijden, raden we aan om het
systeem te laten geïnspecteerd door een
erkende HYUNDAI verdeler.
Anti-blokker remsysteem
(ABS) waarschuwingslamp
(indien van toepassing)
Deze lamp zal oplichten indien het con-
tact naar AAN is gedraaid en gaat uit na
ongeveer 3 seconden bij een normaal
werkend systeem.
Indien de ABS waarschuwingslamp aan
blijft, aangaat tijdens het rijden of niet
aangaat wanneer het contact wordt aan-
gezet, geeft dit aan dat er een storing is
met het ABS.
Als dit gebeurt, raden we aan om het
systeem te laten nakijken door een
erkende HYUNDAI-verdeler. Het normale
remsysteem zal nog steeds werkzaam
zijn, echter zonder het anti-blokkeer rem-
systeem.
Elektronische remkracht
distributie (EBD) systeem
waarschuwingslamp
Als de afgebeelde waarschu-
wingslampen tegelijk oplich-
ten tijdens het rijden, heeft
auto een storing met het ABS en het
EBD systeem.
In dit geval kan het ABS het remsysteem
niet normaal werken. Wij aanbevelen het
systeem te worden gecontroleerd door
een erkende HYUNDAI verdeler.
WAARSCHUWING
Indien zowel ABS als de rem wa-
arschuwingslampen aan zijn en
aan blijven, zal het remsysteem van
uw voertuig niet normaal werken
tijdens het remmen. Vermijd het rij-
den op hoge snelheid en bruuske
remmen. Wij aanbevelen het sys-
teem te worden gecontroleerd door
een erkende HYUNDAI verdeler.
455
Kenmerken van uw voertuig
Veiligheidsgordel waar-
schuwingslamp (indien
van toepassing)
Type A
Als herinnering aan de bestuurder zal de
waarschuwingslamp van de veiligheids-
gordel gedurende ongeveer 6 seconden
knipperen iedere keer dat u het contact
AAN zet, ongeacht het gebruik van de
gordel.
Indien de veiligheidsgordel van de
bestuurderszitplaats wordt losgemaakt,
nadat het contact aan gezet is, zal de
wa-arschuwingslamp nogmaals knippe-
ren gedurende ongeveer 6 seconden.
Indien de veiligheidsgordel niet vastge-
zet is, wanneer het contact in de AAN
positie is of indien het losgemaakt wordt
nadat het contact AAN is, zal de veilighe-
idsgordel waarschuwingsbel te horen zijn
gedurende ongeveer 6 seconden. Op het
moment dat de veiligheidsgordel wordt
vastgezet, zal de bel onmiddellijk stop-
pen (indien van toepassing).
Type B
Als herinnering aan de bestuurder zal de
waarschuwingslamp van de veiligheids-
gordel gedurende ongeveer 6 seconden
knipperen iedere keer dat u het contact
AAN zet. Als de bestuurdersgordel niet is
vastgezet nadat het contactslot in de
stand ON is gezet of wordt los gemaakt
nadat het contactslot op ON is gezet, ga-
at de bijbehorende gordel-waarschu-
wingslamp branden, totdat de riem wordt
omgelegd.
Als u harder rijdt dan 9km/uur (6 mph)
rijdt zonder veiligheidsriem (maar als de
veiligheidsriem is vastgezet voor en als
de 100 seconden bel nog niet voltooid is)
dan zal de waarschuwingslamp voor de
veiligheidsriem knipperen en zal de bel
gedurende 100 seconden te horen zijn.
Als u harder rijdt dan 9km/uur (6mph)
rijdt zonder veiligheidsriem (maar als de
veiligheidsriem niet is vastgezet voor en
als de 100 seconden bel nog niet vol-
tooid is) dan zal de waarschuwingslamp
voor de veiligheidsriem knipperen. En als
de waarschuwingsbel voor de veilig-
heidsriem gedurende 100 seconden
knippert als u harder rijdt dan 20 km/uur
(12,5 mph) (maar als de 100 seconden
bel niet voltooid is).
Als de veiligheidsgordel van de bestuur-
der wordt losgemaakt bij een snelheid
hoger dan 9 km/uur (6 mph), gaat de
waarschuwingslamp knipperen en klinkt
de waarschuwingszoemer gedurende
100 seconden.
Als de veiligheidsgordel voor de bestuur-
der wordt bevestigd terwijl de waarschu-
wingsbel voor de veiligheidsgordel te
horen is, dan zal de bel onmiddellijk stop-
pen.
Richtingaanwijzer indicator
De knipperende groene pijlen op het ins-
trumentenpaneel laten de aange-geven
richting zien van de richtingaanwijzers.
Indien de pijl aan gaat, maar niet knip-
pert, sneller knippert dan normaal, of
helemaal niet oplicht, geeft dit een sto-
ring aan in het richtingaanwijzersysteem.
Raden we u aan een erkende HYUNDAI
verdeler te raadplegen.
Grootlicht indicator
Deze indicator licht op wanneer de kop-
lampen aan zijn en groot licht is inge-
schakeld of wanneer signaal functie
wordt gebruikt.
Kenmerken van uw voertuig
564
Dimlicht Indicator Lamp
(indien van toepassing)
Deze lamp gaat branden als de koplam-
pen voor worden ingeschakeld.
Parkeer (stadslicht)
Controlelampje
Deze lamp gaat branden als de Parkeer
(stadslicht) Controlelampje voor worden
ingeschakeld.
Oliedrukmeter waarschu-
wingslamp
Deze waarschuwingslamp geeft aan dat
de motoroliedruk te laag is.
Indien de waarschuwingslamp oplicht tij-
dens het rijden:
1. Rijdt direct naar een veilige parkeer-
plaats en stop de motor.
2. Met de motor uit, controleer het motor-
oliepeil. Indien het niveau laag is, vo-
eg olie toe.
Indien de waarschuwingslamp aan blijft
na het toevoegen van olie of als er geen
olie beschikbaar is, raden we aan om
een erkende HYUNDAI-verdeler te bel-
len.
OPMERKING
Indien de motor niet onmiddellijk is
stopgezet nadat de motoroliedruk
waarschuwingslamp is gaan bran-
den, zal dit leiden tot ernstige (mo-
tor) schade welke mogelijk niet
voor garantie wordt vergoed.
OPMERKING
Indien de oliedruk waarschuwings
lamp aan blijft terwijl de motor
draait, kan dit ernstige motorsc-
hade veroorzaken. De oliedruk wa-
arschuwingslamp gaat aan iedere
keer als de oliedruk te laag is. Bij
normale werking gaat de lamp aan
als het contact wordt aangezet en
zodra de motor draait zal de lamp
uitgaan. Indien de oliedruk waar-
schuwings lamp aan blijft terwijl de
motor draait, kan dit ernstige mo-
torschade veroorzaken.
Als dit gebeurt, stop de auto zo
spoedig mogelijk zonder de veilig-
heid uit het oog te verliezen en zet
de motor uit. Controleer het olieni-
veau en controleer op lekkage. In-
dien het olieniveau laag is en er is
geen lekkage kan de motorolie bij-
gevuld worden tot het juiste niveau
en de motor opnieuw worden
gestart. Als de lamp aan blijft met
een lopende motor, zet deze dan
onmiddelijk af In alle gevallen waar-
in de olie lamp aan blijft terwijl de
motor draait, wij aanbevelen het
systeem te worden gecontroleerd
door een erkende HYUNDAI ver-
deler.
457
Kenmerken van uw voertuig
Parkeerrem & remvloei-
stof waarschuwings-
lamp
Deze lamp licht op indien het contact
wordt aangezet en gaat uit in ongeveer 3
seconden als de parkeerrem niet wordt
gebruikt.
Parkeerrem waarschuwing
Deze lamp licht op wanneer de parkeer-
rem wordt gebruikt met het contact aan.
De waarschuwingslamp moet uit gaan
wanneer de parkeerrem wordt gelost.
Remvloeistofniveau waarschuwing
Indien de waarschuwingslamp aanblijft,
geeft het aan dat het remvloeistofniveau
in het reservoir te laag is.
Indien de waarschuwingslamp oplicht:
1. Rij direct naar de dichtstbijzijnde veili-
ge locatie en stop uw voertuig.
2. Zet de motor uit en controleer het
remvloeistofniveau en voeg vloeistof
toe indien nodig en mogelijk. Contro-
leer ook het remsysteem op vloei-stof-
lekkage.
3. Rij niet met het voertuig indien lekka-
ge wordt gevonden, de waarschu-
wingslamp aan blijft en/of de remmen
niet correct werken. Wij raden aan om
contact op te nemen met een erkende
HYUNDAI-verdeler.
De auto is uitgerust met het dualdiago-
nale remsysteem. Dit betekent dat het
voertuig op twee wielen blijft remmen als
één circuit zou falen. Met één circuit wer-
kend, is een grotere pedaaldruk nodig
om de auto te stoppen. Uiteraard zal de
auto ook niet stoppen binnen dezelfde
remweg. Als de remmen falen terwijl u
aan het rijden bent, schakel dan terug
naar een lagere versnelling voor extra
afremmen op de motor en stop de auto
zo snel mogelijk als veilig is eventueel
m.b.v. de parkeerrem.
Om de werking van de gloeilamp te con-
troleren, controleer of de parkeerrem en
remvloeistof waarschuwingslamp gaat
branden wanneer het contact wordt aan-
gezet.
Controlelamp mistlampen
voor
(indien van toepassing)
Deze lamp gaat branden als de mistlam-
pen voor worden ingeschakeld.
Controlelamp mistlampen
achter
(indien van toepassing)
Deze lamp gaat branden als het mistach-
terlicht wordt ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Het besturen van het voertuig met
de waarschuwingslamp aan is
gevaarlijk. Indien de waarschu-
wingslamp van de rem aan blijft,
raden we aan om het systeem te
laten nakijken door een erkende
HYUNDAI-verdeler.
Kenmerken van uw voertuig
584
Schakeldisplay
(indien van toepassing)
Dit display geeft aan welke versnelling
door de automaat is ingeschakeld.
Indicator handmatige
overschakeling
(indien van toepassing)
Deze indicator informeert u welke ver-
snelling gewenst is tijdens het rijden om
benzine te sparen.
Bij voorbeeld
: Duidt aan dat het gewenst is
om over te schakelen naar de
3de versnelling (momenteel
staat de pook in de 2de versnel-
ling).
: Duidt aan dat het gewenst is
om over te schakelen naar de
3de versnelling (momenteel
staat de pook in de 4de versnel-
ling).
AANDACHT
Als het systeem niet behoorlijk werkt,
worden de pijltjes op en neer en de ver-
snelling niet aangeduid.
Indicator Automatisch
Overschakeling
(indien van toepassing,
Voor Europa)
In de Sport-modus, deze indicator infor-
meert u welke versnelling gewenst is tij-
dens het rijden om benzine te sparen.
Om één versnelling omhoog te scha-
kelen: 2, 3, 4, 5, 6
Om één versnelling terug te schakelen:
1, 2, 3, 4, 5
Bij voorbeeld
: Duidt aan dat het gewenst is om
over te schakelen naar de 3de ver-
snelling (momenteel staat de pook
in de 2de of 1ste versnelling).
: Duidt aan dat het gewenst is om
over te schakelen naar de 3de ver-
snelling (momenteel staat de pook
in de 4de, 5de of 6de versnelling).
Als het systeem niet behoorlijk werkt, wor-
den de indicator niet aangeduid.
459
Kenmerken van uw voertuig
Dynamolaadstroom waar-
schuwingslamp
Deze waarschuwingslamp geeft een sto-
ring aan van ofwel de dynamo ofwel het
elektrisch laadsysteem.
Indien de waarschuwingslamp aan gaat
terwijl het voertuig in beweging is:
1. Rij naar de dichtstbijzijnde veilige
locatie.
2. Zet de motor uit en controleer de V-
snaar.
3. Als de V-snaar juist is afgesteld, dat
het lijkt alsof de elektrisch laadsys-
teem defect is. Wij aanbevelen het
systeem te worden gecontroleerd
door een erkende HYUNDAI verdeler.
Achterklep open waar-
schuwingslamp
Deze waarschuwingslamp gaat aan wan-
neer de achterklep niet goed is gesloten,
Het contact hoeft niet aan te staan.
Deur open waarschuwings-
lamp
Deze waarschuwingslamp licht op wan-
neer een deur niet goed is gesloten. Het
contact hoeft niet aan te staan.
Waarschuwingszoemer geopend deur
(indien van toepassing)
De waarschuwingszoemer geopend deur
klinkt als een portier (of de achterklep) is
geopend terwijl sneller wordt gereden
dan 9km/uur. De zoemer klinkt 3 keer
gedurende ongeveer 6 seconden met
tussenpozen van 20 seconden. Hiermee
wordt voorkomen dat met een geopend
deur wordt gereden.
Immobiliser indicator
(indien van toepassing)
Deze lamp licht op wanneer de immobili-
ser sleutel in het contact wordt gestoken
en het contact in de AAN positie wordt
gezet om de motor te starten.
Op dat moment kunt u de motor starten.
De lamp gaat uit nadat de motor aan-
slaat.
Indien de lamp knippert met de het con-
tact aan voordat de motor wordt gestart,
raden we aan om het systeem te laten
nakijken door een erkende HYUNDAI-
verdeler.
Kenmerken van uw voertuig
604
Brandstofniveau waarschu-
wingslamp
Deze waarschuwingslamp licht op als de
brandstoftank bijna leeg is. Wanneer de
lamp aan gaat, moet u zo snel mogelijk
brandstof tanken. Het rijden met een
laag brandstofniveau en dus de waar-
schuwingslamp aan kan veroorzaken dat
de motor overslaat en de katalysator
overmatig wordt belast (indien van toe-
passing).
Defect indicator (MIIL)
lampje
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingslamp is onderdeel
van het Motor Controle Systeem.Het
motor Controle Systeem controleert o.a.
de emmissie controlesysteem compo-
nenten. Indien deze lamp oplicht tijdens
het rijden, geeft het aan dat er een mo-
gelijke storing gedetecteerd is in het
emissie controlesysteem.
De lamp zal ook oplichten wanneer het
contact naar de AAN positie wordt
gedraaid en zal uitgaan in een paar
seconden nadat de motor aanslaat. Als
het oplicht tijdens het rijden of niet aan-
gaat wanneer het contact naar de AAN
positie wordt gedraaid, raden we aan om
het systeem te laten nakijken door een
erkende HYUNDAI-verdeler.
In het algemeen zal uw auto nog
bestuurbaar zijn, maar wij aanbevelen
het systeem te worden gecontroleerd
door een erkende HYUNDAI verdeler.
OPMERKING
Langdurig rijden met de Emission
Control System Storing Indicator
Lamp (MIIL) aan zal schade vero-
orzaken aan het emissie cont-
rolesysteem waardoor het brand-
stofverbruik wordt beïnvloed.
Indien de Emissie Controle Sys-
teem Storing Indicator Lamp
(MIL) brandt, is katalysator scha-
de mogelijk, dit zal leiden tot ver-
lies van motorvermogen. Wij ra-
den aan om het systeem te laten
geïnspecteerd door een erkende
HYUNDAI verdeler.
461
Kenmerken van uw voertuig
Elektronische stuurbe-
krachtiging (EPS)
systeem waarschuwings-
lamp (indien van toepas-
sing)
Deze lampje gaat aan wanneer het con-
tact naar de AAN positie wordt gedraaid
en het zal uitgaan wanneer de motor
aanslaat.
De lamp gaat ook aan indien de EPS een
storing heeft. Indien het aangaat tijdens
het rijden, raden we aan om het systeem
te laten geïnspecteerd door een erkende
HYUNDAI verdeler.
KEY OUT indicator
(indien van toepassing)
Als de START-/STOPKNOP van de mo-
tor in de ACC-stand of AAN-stand, zal
het systeem, als het deur wordt geo-
pend, controleren of de intelligente sleu-
tel aanwezig is. Als de intelligente sleutel
zich niet in de wagen bevindt, de indica-
tor knippert, en als alle deuren gesloten
zijn, zal de beltoon gedurende 5 secon-
den hoorbaar zijn. De indicator zal uit-
schakelen als de wagen beweegt. Houdt
de intelligente sleutel in de wagen.
Sleutel waarschuwingsignaal
(indien van toepassing)
Als de deur van de bestuurder wordt
geopend terwijl de sleutel in het contact
wordt gelaten (ACC of LOCK positie), zal
het waarschuwingsignaal klinken. Dit is
om te voorkomen dat de sleutels in het
voertuig achterblijven. Het signaal blijft
hoorbaar tot de sleutel wordt verwijderd
of de deur van de bestuurder wordt
gesloten.
TPMS
(Bandenspanningcontrole-
systeem) indicator (indien
van toepassing)
Lage bandenspanning waarschuwings-
lamp
De lampen Lage bandenspanning van de
band met lage spanning gaan 3 secon-
den branden, nadat het contactslot in de
stand ON is gedraaid.
De indicator van een lage bandenspan-
ning zal oplichten na het knipperen voor
ongeveer 1 seconden als er een proble-
em is met het Banden Spanningcontrole-
systeem.
Als dit gebeurt, raden we aan om het
systeem te laten nakijken door een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Voor informatie, raadpleeg “TPMS” in
sectie 6.
KEY
OUT
WAARSCHUWING -
Veilig stoppen
Het TPMS kan u niet waarschuwen
voor ernstige of onverwachte
beschadiging van de banden door
externe factoren.
Als u merkt dat de auto niet meer
stabiel is, haal dan uw voet onmid-
dellijk van het gaspedaal, trap het
rempedaal rustig en geleidelijk in
en rijd rustig naar een veilige plaats
naast de rijweg.
Kenmerken van uw voertuig
624
Auto stop indicator
(indien van toepassing)
Deze indicator zal branden als de motor
de Passieve Stop modus staat van het
ISG (Idle Stop and Go) systeem.
Als het automatisch starten optreedt, dan
zal de auto stop indicator op het cluster
gedurende 5 seconden knipperen.
Voor meer informatie, raadpleeg “ISG
(Idle Stop and Go) systeem” in het vo-
orste van de sectie 5.
AANDACHT
Als de motor automatisch start met het
OSG-systeem zullen waarschuwings-
lampen (ABS, ESC, ESC OFF, EPS of
de waarschuwingslamp van de parkeer-
rem) enkele seconden branden.
De oorzaak is de lage batterij spanning.
Dit betekent niet dat het systeem niet
goed werkt.
Elektronisch
Stabiliteitscontrole
indicatorlamp (ESC)
(indien van toepassing)
Deze lampje gaat aan:
Na het plaatsen van de ontsteking of
Motor Start/Stop knop in de AAN
stand.
- Het brandt gedurende 3 seconden en
gaat vervolgens uit.
Als er een fout optreedt met het ESC
systeem.
Als dit gebeurt, wij raden u aan de auto
geïnspecteerd door een erkende
HYUNDAI verdeler.
Deze lampje knippert:
Terwijl het ESC werkt.
Voor meer details, raadpleeg ook “Elekt-
ronische Stabiliteit Controle (ESC)” in
sectie 5.
Elektronisch
Stabiliteitscontrole (ESC)
UIT indicatorlamp
(indien van toepassing)
Deze lampje gaat aan:
Na het plaatsen van de ontsteking of
Motor Start/Stop knop in de AAN
stand.
- Het brandt gedurende 3 seconden en
gaat vervolgens uit.
Als u het ESC systeem uitschakelt do-
or de drukken op de ESC UIT knop.
Voor meer details, raadpleeg ook “Elekt-
ronische Stabiliteit Controle (ESC)” in
sectie 5.
463
Kenmerken van uw voertuig
Waarschuwingslampje Voorwaarts
Botsing Waarschuwingssysteem
(FCW) (indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje
gaat branden:
Wanneer de FCW is uitgeschakeld.
In het geval van een storing in het
Voorwaarts Botsing Waarschuwings-
systeem (FCW).
Wanneer het FCW-waarschuwingslamp-
je blijft branden, zelfs wanneer het FCW-
Systeem ingeschakeld is, we adviseren u
het systeem te laten nakijken door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Zie voor meer informatie "Voorwaarts
Botsing Waarschuwingssysteem
(FCW)” in hoofdstuk 5.
Controlelampje
Waarschuwingssysteem voor het
Onbedoeld Verlaten (LDWS) (indien
van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
[Groen] Wanneer u het waarschu-
wingssysteem voor het onbedoeld ver-
laten van de rijstrook activeert door het
drukken op de LDWS-knop.
[Wit] Wanneer de bedieningscondities
van het systeem niet vervuld zijn of
wanneer de sensor de rijstrook niet
detecteert.
[Geel] Wanneer zich een storing voor-
doet in het waarschuwingssysteem
voor het onbedoeld verlaten van de rij-
strook.
In dat geval adviseren we u de auto te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Zie voor meer informatie "Waarschu-
wingssysteem voor het Onbedoeld
Verlaten (LDWS)” in hoofdstuk 5.
Cruise indicator
(indien van toepassing)
CRUISE indicator
De indicator brandt als het cruise control
systeem geactiveerd is.
De cruise-indicator in het instrumenten-
paneel brandt als de cruise control AAN-
UIT knop op het stuur ingedrukt wordt.
De indicator gaat uit als de cruise control
AAN-UIT knop opnieuw wordt ingedrukt.
Voor meer informatie over gebruik de
cruise control, raadpleeg “Cruise control
systeem” in sectie 5.
Cruise SET indicator
De indicator brandt als de cruise control
schakelaar (-SET of RES+) AAN staat.
De cruise SET indicator in het instru-
mentenpaneel brandt als de cruise con-
trol schakelaar (-SET of RES+) wordt
ingedrukt.
De cruise SET indicator brandt niet als
de cruise control schakelaar (ANNULE-
REN) ingedrukt wordt of als het systeem
ontkoppeld wordt.
SET
Kenmerken van uw voertuig
644
Schuifdak open waarschuwingslamp
(indien van toepassing)
Als de bestuurder de ontstekingssleutel
(Smart key: schakelt de motor uit) verwij-
dert en de deur aan de bestuurderskant
opent als het schuifdak niet volledig
gesloten is, dan zal er een waarschu-
wingsbel te horen zijn en knipprt of
brandt schuifdak Open Waarschuwing.
Sluit het schuifdak goed als u uw voer-
tuig verlaat.
Schakel de "ZEKERINGSCHAKE-
LAAR" in (indien van toepassing)
Deze waarschuwingslamp brandt als
de zekeringschakelaar indien de zeke-
ringdoos UIT staat.
Dit betekent dat u de zekeringschake-
laar moet inschakelen.
Voor meer informatie, raadpleeg “Zeke-
ringen” in sectie 7.
De alarmverlichting moet gebruikt wor-
den iedere keer dat het het noodzakelijk
is om het voertuig te stoppen op een
gevaarlijke locatie. Wanneer u zo een
noodstop moet maken, ga altijd zover
weg van de weg af als mogelijk.
De alarmverlichting gaan aan door de
schakelaar van de alarmverlichting in te
drukken. Hierdoor zullen alle richtingaan-
wijzerlampen gaan knipperen. De waar-
schuwingsknipperlichten werken zelfs
als de sleutel niet in het contactslot
steekt.
De alarmverlichting werkt zonder con-
tactsleutel.
WAARSCHUWINGSIGNAAL
OIA046027
465
Kenmerken van uw voertuig
Accu bespaarfunctie
(indien van toepassing)
Het doel van deze functie is te voorko-
men dat de batterij wordt ontladen. Het
systeem schakelt automatisch uit het
exterieur licht op wanneer de bestuur-
der de contactsleutel verwijdert en het
deur van de bestuurder opent.
Ook de parkeerlichten worden automa-
tisch uitgeschakeld.
Als de parkeerlichten ingeschakeld
moeten worden als deze automatisch
zijn uitgeschakeld kan dat als volgt:
1) Open het zijdeur van de bestuurder.
2) Draai de parkeerlichten opnieuw
UIT en AAN gebruikmakend van de
lichtschakelaar op de stuurkolom.
Verlichting in en uitschakelen
De lichtschakelaar heeft een koplamp en
stads en parkeerlichtpositie.
Om de verlichting in en uit te schakelen,
draai de knop van de bedieningshendel
naar een van de volgende posities:
(1) UIT positie
(2) Parkeer / stadslicht positie
(3) Groot/dimlicht positie
Parkeer / stadslicht ( )
Wanneer de lichtschakelaar in de parke-
er/stadslicht positie staat, is ook de ach-
ter, nummerplaat en instrumentpaneel-
verlichting.
AANDACHT
Het contact moet in de AAN positie zijn
om de instrumentenpaneelverlichting
aan te doen.
VERLICHTING
OIA043010
Type A
OIA043010L
Type B
Type A
OIA043011L
Type B
OIA043011
Kenmerken van uw voertuig
664
Groot/dimlicht positie ( )
Wanneer de lichtschakelaar in de groot/
dimlicht positie (2e positie) staat is de
dim (groot), achter, nummerplaat en ins-
trumentenpaneelverlichting aan.
AANDACHT
Het contact moet in de AAN positie zijn
om de koplampen aan te doen.
Grootlicht bediening
Om het groot licht aan te doen, moet de
schakelaar naar beneden worden ged-
rukt. Voor dimlicht moet de schakelaar
weer in de stand terug gezet worden.
De groot licht controlelamp brandt als het
grootlicht aan is.
Om te voorkomen dat de batterij wordt
ontladen is het aan te bevelen de dim/
grootlichten niet nodeloos te laten bran-
den als de motor niet draait.
Type A
OIA043012L
Type B
OIA043012
Type A
OIA043013L
Type B
OIA043013
WAARSCHUWING
Gebruik het grootlicht niet als er
andere voertuigen zijn. Het gebruik
van het grootlicht kan het zicht van
andere bestuurders belemmeren.
467
Kenmerken van uw voertuig
Knipperend grootlicht
Om een signaal te geven met het groot-
licht, moet de schakelaar omhoog
getrokken worden. Bij het loslaten van de
schakelaar zal deze terug gaan naar de
normale positie (dimlicht). Het is niet
noodzakelijk dat de koplampverlichting
aan is, om het signaal licht te kunnen
gebruiken.
Richtingaanwijzer signalen en
verandering van rijvak signalen
Het contact moet op de stand AAN zijn
geschakeld om de richtingaanwijzers te
laten functioneren. Om de richtingaanwij-
zer in te schakelen moet de hendel naar
boven of beneden (A) worden gezet.
Groene pijl indicatoren op het instrumen-
tenpaneel geven aan welke richtingaan-
wijzer werkt.
De schakelaar komt terug als een bocht
is voltooid. Indien de richtingaanwijzer-
verlichting aan blijft na de bocht, moet
deze handmatig worden terug gezet.
Een baanwisseling aan geven, kan door
de richtingaanwijzerschakelaar een we-
ing omhoog (of omlaag) te duwen en in
deze positie (B) te houden. De hendel
keert terug naar de neutraalpositie bij het
loslaten.
Indien een indicator aan blijft en niet
knippert of het afwijkende snelheid knip-
pert kan een van de lampen defect brand
zijn en moet deze worden vervangen.
Functie voor verandering van rijvak
met een aanraking -One-touch)
(indien van toepassing)
Om de one-touch functie voor het veran-
deren van rijvak te activeren, beweegt u
de richtingaanwijzer lichtjes en laat u die
vervolgens los. Het signaal voor de ve-
randering van rijvak knippert 3 keer.
AANDACHT
Indien een indicator een afwijkende
knipperfrequentie heeft of continu blijft
branden, kan een lamp defect zijn of een
slechte elektrische verbinding in het cir-
cuit hebben.
Type A
OIA043014L
Type B
OIA043014
Type A
OIA043015L
Type B
OIA043015
Kenmerken van uw voertuig
684
Voorste mistlampen
(indien van toepassing)
Mistlampen worden gebruikt om beter
zicht te bieden en ongevallen te voor-
komen bij slecht zicht wegens mist, re-
gen of sneeuw etc. De mistlampen wor-
den ingeschakeld als de knop voor de
mistlampen (1) in stand wordt gezet, na-
dat de buitenverlichting is ingeschakeld.
Draai de knop naar de stand “OFF” om
de mistlampen uit te schakelen.
AANDACHT
Het contact moet in de AAN positie zijn
om de voorste mistlamp aan te doen.
Achter mistlampen
(indien van toepassing)
Schakel, om het mistachterlicht in te sc-
hakelen, met de koplampschakelaar de
koplampen in en draai de mistachterlicht-
knop (1) in de stand “ON” (3).
Het mistachterlicht gaat branden als de
knop voor het mistachterlicht in de stand
“ON” wordt gezet, nadat de koplamp sc-
hakelaar in de parkeerlicht positie of high
light positie.
OIA043016
OPMERKING
Gebruik de mistlichten alleen wan-
neer het zicht slecht is, anders
onnodige leegloop van de accu en
generator kunnen optreden. Let ook
op de wettelijke voorschriften.
Type A
OIA043017L
Type B
OIA043017
469
Kenmerken van uw voertuig
Draai, om het mistachterlicht uit te sc-
hakelen, de mistachterlichtknop in de
stand “AAN” of schakel de buitenverlich-
ting uit (met autolicht).
Draai de knop naar de stand “OFF” om
de mistachterlicht UIT te schakelen (zon-
der autolicht).
AANDACHT
Het contact moet in de AAN positie zijn
om de mistachterlicht aan te doen.
Koplamp hoogte verstelling
(indien van toepassing)
Handmatig
De koplamphoogte kan worden afgesteld
afhankelijk van het aantal passagiers en
het laadgewicht in de bagageruimte.
Door de nivelleringsschakelaar te ver-
draaien kan het niveau worden afgesteld,
hoe hoger het nummer van de schake-
laarspositie, hoe lager het lichtstraal van
de koplamp.
In de onderstande tabel zijn voorbeelden
gegeven van de juiste schakelaarinstel-
lingen voor de koplamphoogte instelling.
Indien nodig kan het niveau naar eigen
inzicht worden gecorrigeerd.
Laadconditie Schakel positie
Alleen bestuurder 0
Bestuurder +
Voorste passagier 0
Vol met passagiers 1
Vol met passagiers +
maximum toegestane
lading
2
Bestuurder + maximum
toegestane lading 3
OIA043018
Kenmerken van uw voertuig
704
Verlichting overdag
(indien van toepassing)
Verlichting Overdag (DRL), hiermee
wordt het voertuig door medeweggebrui-
kers eerder waargenomen gedurende de
dag. DRL kan hulpzaam zijn in vele ver-
schillende rijcondities.
Het DRL-systeem zal de aangewezen
lamp uitschakelen als:
De koplamp (dimlicht) AAN is.
Zet de motor en het contact uit.
De voorste mistlamp AAN is.
471
Kenmerken van uw voertuig
WISSER EN SPROEIER
Voorruit ruitenwissers/-sproeiers
A: Ruitenwisserknop
· – Enkele slag
· O – Uit
· --- – Interval ruitenwisser
· 1 – Lage wissersnelheid
· 2 – Hoge wissersnelheid
B: Sproeien met kort wissen (voor)
(indien van toepassing)
Type A Type C
Type B Type D
OIA043019/OIA043019L//OIA043019E/OIA043019EL
Kenmerken van uw voertuig
724
Achter Ruitenwisser/-sproeier
(indien van toepassing)
C: Bediening achterruitenwisser /-
sproeier
· – Sproeien met kort wissen
· ON ( ) – Continue wipe
· OFF (O) – Uit
Ruitenwissers
Als volgt werkt als het contact in de stand
AAN is gezet.
: Voor een enkele wisser slag, druk
de hendel naar boven, de hendel
keert terug naar de 0 (OFF) positie
bij het loslaten. De wissers zullen
continu werken indien de hendel
naar boven wordt gehouden.
O : Wisser is niet in werking
--- : Wisser werkt ingestelde wisser inter-
vallen. Gebruik deze stand bij lichte
regen of mist. Om de snelheidsin-
stelling te veranderen, draait u aan
de knop voor de snelheidsregeling.
1 : Normale wissersnelheid
2 : Hoge wissersnelheid
AANDACHT
Indien er veel sneeuw of ijs op de voor-
ruit aanwezig is, ontdooi dan de voor-
ruit gedurende ongeveer 10 minuten of
totdat de sneeuw en/of ijs is verwijderd
voordat de voorruitwissers worden geb-
ruikt, om een juiste werking te verkrij-
gen en schade aan het ruitenwissersys-
teem te vermijden.
Type A
OIA043020L
Type B
OIA043020
473
Kenmerken van uw voertuig
Type A Type C
Type B Type D
OIA043022/OIA043022E/OIA043022EL/OIA043022L
WAARSCHUWING
Gebruik altijd ruitensproeier-vloeis-
tof met voldoende vorstbeveiliging,
hierdoor wordt voorkomen dat ij-
safzetting ontstaat op de ruit wat
het zicht belemmerd.
OPMERKING
Om schade aan de wissers of
voorruit te voorkomen zet de wis-
sers niet aan als de voorruit dro-
og is.
Gebruik geen schadelijke oplos-
middelen voor het reiningen van
de wisserbladen.
Probeer de wisserarmen niet met
de hand te bewegen om schade te
voorkomen.
OPMERKING
Om mogelijke schade aan de ruiten-
sproeierpomp te voorkomen,
bedien de pomp niet wanneer het
vlo-eistofreservoir leeg is.
Ruitensproeier
Trek de hendel lichtjes omhoog, in de neutrale posistie om vloeistof op de voorruit te
sproeien, de wissers zullen 1-3 slagen wissen.
Gebruik deze functie wanneer het nodig is.
De sproei- en wisserbediening blijft voortgaan zolang de schakelaar vat wordt gehou-
den. Controleer het niveau van de ruitensproeier reservoir, indien nodig, aanvullen.
De vulopening is geplaatst voor in het motorcompartment aan de bestuurderzijde.
Kenmerken van uw voertuig
744
Achterruitwisser en sproeier
schakelaar
(indien van toepassing)
De achterruitwisser en sproeierschake-
laar is geplaatst aan het einde van de
wisser en sproeier schakelaarhendel.
Draai de schakelaar in de gewenste po-
sitie om de achterwisser en sproeier aan
te zetten.
- Sproeien en wisser functie
ON () - Normale wisser functie
OFF (O) - Wisser is niet in werking
Type A Type C
Type B Type D
OIA043021/OIA043021E/OIA043021EL/OIA043021L
475
Kenmerken van uw voertuig
Automatische uitschakelfunctie
(indien van toepassing)
De interieurverlichting wordt automatisch
uitgeschakeld ongeveer 20 minuten na-
dat het contactslot in de stand UIT is
gedraaid.
Kaartlamp
(indien van toepassing)
Druk de schakelaar in om de kaartlamp
aan of uit te doen. Deze lamp geeft een
straal die handig is als kaartlamp 's
nachts of als een persoonlijke lamp voor
de bestuurder en de bijrijder.
: In de stand "DOOR", gaat
de kaartlamp branden als
een willekeurig deur wordt
geopend, ongeacht de stand
van het contactslot. Als de
deuren met de zender (of in-
telligente sleutel) worden
ontgrendeld, gaat de kaart-
lamp gedurende ongeveer
30 seconden branden; het
licht dooft als geen portier
wordt geopend.
De kaartlamp gaat geleidelijk
uit na ongeveer 30 seconden
nadat het deur is gesloten. Als
het contactslot in de stand AAN
staat en alle portieren zijn ver-
grendeld, gaat de kaartlamp
onmiddellijk UIT. Als een deur
wordt geopend en het contact-
slot staat in de stand ACC of
LOCK, blijft de kaartlamp gedu-
rende ongeveer 20 minuten
branden. Als echter een deur
wordt geopend en het contact-
slot staat in de stand ON, blijft
de kaartlamp doorlopend bran-
den.
: De lamp gaat uit, zelfs als een
deur geopend wordt.
Als de lamp aangezet wordt
door op de lens (1) te drukken,
dan schakelt de lamp niet uit
als de schakelaar (2) in de UIT
stand staat.
: De kaartlamp en de kamer-
lamp blijven altijd branden.
(DEUR)
O
(UIT)
(AAN)
INTERIEURLICHT
OPMERKING
Gebruik de interieurverlichting niet
voor langere perioden wanneer de
motor niet draait.
Het kan een lege veroorzaken.
WAARSCHUWING
Gebruik de binnenverlichting niet
als u in het donker rijdt. Er kunnen
ongevallen optreden omdat het
zicht verslechterd door het gebruik
van de binnenverlichting.
OIA043030
Kenmerken van uw voertuig
764
Kamerlamp (indien hiermee
uitgerust)
• ON (AAN) (1)
Het licht blijft uit als een deur is geopend.
• DOOR (DEUR) (2)
In de stand "DOOR" gaat de verlichting
branden als een willekeurig deur wordt
geopend, ongeacht de stand van het
contactslot.
Als de deur met de zender worden ont-
grendeld, gaat de verlichting gedurende
ongeveer 30 seconden branden; het licht
dooft als geen portier wordt geopend. De
verlichting gaat geleidelijk uit na onge-
veer 30 seconden nadat het deur is
gesloten. Als het contactslot in de stand
ON staat en alle deuren zijn vergrendeld,
gaat de verlichting onmiddellijk uit.
Als een deur wordt geopend en het con-
tactslot staat in de stand ACC of LOCK,
blijft de verlichting gedurende ongeveer
20 minuten branden. Als echter een deur
wordt geopend en het contactslot staat in
de stand ON, blijft de verlichting doorlo-
pend branden.
• OFF (UIT) (3)
In de UIT positie blijft het licht altijd uit
zelfs wanneer een deur open is.
Kofferbakverlichtinglamp
(indien van toepassing)
Het licht gaat aan wanneer de kofferbak-
verlichtinglamp wordt geopend.
OBA043028L
OPMERKING
Gebruik de interieurverlichting niet
voor langere perioden wanneer de
motor niet draait.
OTD049086
477
Kenmerken van uw voertuig
Dashboardkastjeverlichting
(indien van toepassing)
De verlichting in het dashboardkastje ga-
at branden als het kastje wordt geopend.
Deze functie werkt alleen als de buiten-
verlichting of de koplampen branden.
OIA043214
Kenmerken van uw voertuig
784
AANDACHT
Indien u de voorruit wilt ontwasemen ra-
adpleeg “Voorruit Ontdooien en Ontwa-
semen” in deze sectie.
Achterruitverwarmer
(indien van toepassing)
De achterruitverwarming verwarmt de
ruit om vorst, mist en ijs te ontdooien, ter-
wijl de motor draait.
Om de achterruitverwarmer te activeren,
druk de achterruitverwarmer knop gepla-
atst in het midden dashboard schakelpa-
neel. De indicator in de schakelaar licht
op wanneer de verwarming ingeschakeld
is.
Indien er sneeuw of ijsafzetting op de
achterruit is, veeg dit dan eerst weg voor
dat de achterruitverwarming wordt aan-
gezet.
De achterruitverwarming schakelt auto-
matisch na 20 minuten uit of als het con-
tactslot in de stand OFF wordt gezet. Om
de ontdooier uit te zetten, druk de ach-
terruitverwarmer knop nogmaals, de indi-
cator zal dan ook uitgaan.
RUITVERWARMER
OPMERKING
Om schade te voorkomen aan de
verwarmingsstrips die aan de bin-
nenzijde van de achterruit zijn aan-
gebracht is het niet aan te bevelen
de achterruit met schuurmiddelen
of scherpe delen te behandelenen.
De achterruitverwarming werkt al-
leen als de motor draait. OBA043159
Automatisch klimaatregeling
OIA043174
OIA043150
• Type B
Handmatig klimaatregeling
• Type A
479
Kenmerken van uw voertuig
HANDMATIG BEDIENDE KLIMAATREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)
1. Temperatuur regelknop
2. Aanjager-knop
3. Functie-knop
4. Airco-knop*
5. Luchtinname-knop (recirculatie luchtpositie)
6. Luchtinname-knop (Buitenluchtpositie (fris))
7. Achterruit verwarmingschakelaaron*
8. Luchtinname schakelaar recirculatie of buiten luchtpositie
* : indien van toepassing
OBA043151L/OIA043151
Type A Type B
Kenmerken van uw voertuig
804
Verwarming en luchtbehandeling
1. Start de motor.
2. Zet de selectieknop op de gewenste
positie.
Om het effect te vergroten van ver-
warming en koeling maak de selectie
zoals hieronder wordt aangegeven:
- Verwarming:
- Koeling:
3. Zet het klimaatbeheersingsysteem
naar de gewenste positie.
4. Zet de luchtinname schakelaar naar
de buitenlucht (fris) positie en recircu-
latiestand.
5. Zet de ventilator op de gewenste snel-
heid.
6. Indien de werking van het airconditi-
esysteem is gewenst, zet het airco-
systeem aan (indien hiermee uitge-
rust).
OIA043216
481
Kenmerken van uw voertuig
Selectieknop
Met de selectieknop kan de richting van
de luchtstroom door het ventilatiesys-
teem worden geselecteerd.
De luchtstroom kan worden gericht naar
de vloer, dashboard uitgangen of voor-
ruit. Vijf symbolen worden gebruikt om
Gezicht, Dubbel Niveau, Vloer, Vloer-ont-
dooiing en ontwaseming luchtpositie
weer te geven.
Gezicht-Niveau (B, C)
Luchtstroom wordt gericht op het boven-
lichaam en gezicht. Iedere uitgang kan
bovendien bediend worden om de lucht
stroom te richten.
Dubbel-Niveau (B, C, D)
Luchtstroom wordt gericht naar het ge-
zicht en de vloer.
Vloer-Niveau (A, C, D)
De grootste luchtstroom wordt gericht op
de vloer, een klein deel van de lucht-
stroom wordt gericht naar de voorruit en
zijrruiten.
Vloer/Ontdooiing-Niveau
(A, C, D)
De grootste luchtstroom wordt gericht
naar de vloer en de voorruit, een klein
deel wordt gericht naar de zijramen.
Defrost-Level (A, C)
De grootste luchtstroom wordt gericht
naar de voorruit, een klein deel van de
lucht wordt gericht naar de zijramen.
Instrumentpaneel ventilatie
De ventilatieopeningen kunnen worden
geopend of gesloten met behulp van de
bedieningshendel.
Ook kan de richting van luchtstroom van
deze kanalen worden afgesteld door de
bedieningshendel of bovenblad zoals
getoond.
OBA043153 OBA043154
Kenmerken van uw voertuig
824
Temperatuurregelknop
Met de temperatuurregelknop kan de
luchttemperatuur van de instromende
lucht worden ingesteld. Om de luchtem-
peratuur aan te passen kan de knop naar
de rechterpositie voor warme tot hete
lucht of de linkerpositie voor koelere
lucht worden gedraaid.
Luchtinname
Dit wordt gebruikt om de buitenluchtposi-
tie of recirculatiepositie te selecteren.
Om de circulatie te veranderen naar reci-
culatie, druk op de controle knop.
Recirculatie luchtpositie
De lamp op de knop gaat
branden als de recirculatie
is ingeschakeld.
Als gekozen wordt voor re-
ciculatie zal de lucht in de
passagiersruimte door het
verwarmingssysteem stro-
men en verwarmd of geko-
eld worden in overeen-
stemming met de geselec-
teerde temperatuur.
Buitenluchtpositie
Met de buitenluchtpositie
geselecteerd, komt lucht
van buiten het voertuig bin-
nen en wordt verwarmd of
gekoeld in overeenstem-
ming met de geselecteerde
temperatuur.
OBA043155 OIA043152
• Type B
• Type A
Type A Type B
483
Kenmerken van uw voertuig
AANDACHT
Langdurige keuze van de reciculatie
positie (zonder airconditioning) kan de
ruiten laten beslaan en de lucht in de
passagiersruimte kan “muf” worden.
Landurig gebruik van de airco in de
recirculatie positie, kan leiden tot
bovenmatig droge lucht in de passa-
giersruimte.
Ventilator snelheidsregelaar
Alleen als het contact aan staat werkt de
ventilator.
Met de ventilator snelheidsregelaar kan
de snelheid van de luchtstroom worden
ingesteld. Om de snelheid te veranderen,
draai de knop naar rechts voor hogere
snelheid of links voor lagere snelheid.
Door de schakelaar op de nulstand te
zetten wordt de ventilator uit gezet. Ook
schakelt de airco uit.
WAARSCHUWING
Voortdurend met het klimaatbe-
heersingsysteem aan in de recir-
culatie positie kan veroorzaken
dat luchtvochtigheid toeneemt in
het voertuig. Hierdoor zullen de
ruiten beslaan.
Verblijf niet langdurig in een
voertuig met de airco of verwar-
mingssysteem aan in de recircu-
latiestand. Hierdoor kan een
tekort aan zuurstof ontstaan.
Langdurig met het klimaatbehe-
ersingsysteem in de recirculatie
positie kan slaperigheid of suf-
heid veroorzaken en concentratie
verlies. Gebruik zoveel mogelijk
de keuzepositie buitenlucht tij-
dens het rijden.
OBA043157
Kenmerken van uw voertuig
844
Airconditioning
(indien van toepassing)
Druk op de A/C knop om het airconditio-
ningsysteem in te schakelen (de indica-
torlamp zal oplichten). Druk de knop nog-
maals om de airconditioningsysteem uit
te schakelen.
Systeembediening
Ventilatie
1. Zet de selectieknop op de posi-
tie.
2. Zet de luchtinname schakelaar naar
de buitenlucht (fris) positie.
3. Zet het klimaatbeheersingsysteem
naar de gewenste positie.
4. Zet de ventilator op de gewenste snel-
heid.
Verwarming
1. Zet de selectieknop op de posi-
tie.
2. Zet de luchtinname schakelaar naar
de buitenlucht (fris) positie.
3. Zet het klimaatbeheersingsysteem
naar de gewenste positie.
4. Zet de ventilator op de gewenste snel-
heid.
5. Als droge lucht is gewenst, schakel
dan het airconditioningsysteem
(indien van toepassing) aan.
Indien de ramen beslaan, zet dan de
selectieknop naar de ,posi-
tie.
Bedieningstips
Om te voorkomen dat stof of onaange-
name geuren het voertuig binnenko-
men door het ventilatiesysteem, kan
de luchtinname tijdelijk naar de recir-
culatie positie gezet worden. Let op dat
de recirculatie op tijd wordt aangepast
om de kwaliteit van de lucht op peil te
houden. Dit zal helpen om de bestuur-
der alert en wakker te houden.
Lucht voor het verwarmings-/koeling-
systeem wordt door de ventilatiegaten
recht voor de voorruit aangezogen. Let
op dat de ventilatiegaten niet worden
geblokkeerd door bladeren, sneeuw, ijs
of andere materialen.
Om beslagen ruiten te voorkomen mo-
et de selectie luchtinname zoveel als
mogelijk is op de buitenluchtpositie
worden gezet en ventilatorsnelheid op
de gewenste positie. Zet naar keuze
het airconditioningsysteem aan en stel
de temperatuurinstelling af op de ge-
wenste temperatuur.
OBA043158L
485
Kenmerken van uw voertuig
Airconditioning
(indien van toepassing)
Alle HYUNDAI Airconditioningsystemen
zijn gevuld met milieuvriendelijk R-134a
koelmiddel.
1. Start de motor. Schakel de airconditio-
ning in.
2. Zet de selectieknop op de posi-
tie.
3. Zet de luchtinname schakelaar naar
de recirculatiestand. Een langdurige
werking van de gerecirculeerde lucht-
positie zal achter overdreven droge
lucht veroorzaken. Verander in dat
geval de luchtpositie.
4. Stel de ventilatie snelheid in en kies
de juiste temperatuur voor uw maxi-
male comfort.
Wanneer maximale koeling is ge-
wenst, zet dan de temperatuurinstel-
ling naar de uiterst links, zet de luch-
tinname op recirculatie en de ventila-
torsnelheid op de hoogste snelheid.
AANDACHT
Wanneer het aircosysteem wordt
gebruikt, moet wat extra aandacht
worden gegeven aan de motortempe-
ratuur tijdens het rijden in bergen of
in andere zware bedrijfsomstandighe-
den zeker als de buitentemperatuur
hoog is. De werking van het aircosys-
teem kan oververhitting van de motor
veroorzaken. Blijf in dat geval de ven-
tilator gebruiken, maar schakel het
aircosysteem uit.
Wanneer de ramen worden geopend
in vochtig weer, kan het airco systeem
waterdruppels veroorzaken in het
voertuig. Aangezien waterdruppels
schade kunnen veroorzaken aan elek-
trische uitrusting, moet het airco sys-
teem vooral gebruikt worden met
gesloten ramen.
Aircosysteem bedieningstips
Indien het voertuig is geparkeerd in
direct zonlicht tijdens warm weer, open
de ramen voor een korte tijd om de
warme lucht binnen het voertuig te
laten ontsnappen.
Om vochtigheid binnen de auto te hel-
pen verminderen op regenachtige of
vochtige dagen maak gebruik van het
airconditioning systeem.
Tijdens het inschakelen van het airco-
systeem kun u soms een lichte veran-
dering opmerken in het motortoerental.
Dit is een normale eigenschap.
Gebruik het aircosysteem iedere ma-
and minimaal een paar minuten om
maximale systeemprestatie te contro-
leren.
Tijdens het gebruik van het aircosys-
teem kunt u het druppelen van helder
water opmerken onder de passagiers-
zijde van het voertuig. Dit is een nor-
male eigenschap.
Het bedienen van het aircosysteem in
de recirculatie positie verschaft maxi-
male koeling, echter continue werking
in deze stand kan veroorzaken dat de
lucht binnen het voertuig “muf” en zu-
urstofarm wordt.
Tijdens het inschakelen van het airco-
systeem kunt u soms een mistige
luchtstroom opmerken door snelle koe-
ling en vochtige luchtinname. Dit is een
normale eigenschap.
Kenmerken van uw voertuig
864
Klimaatbeheersing luchtfilter
Het luchtfilter van de klimaatregeling in
uw auto filtert het stof en andere ver-vui-
lende stoffen uit de lucht, die vanaf de
buitenzijde via de verwarming en aircon-
ditioning naar het interieur stroomt. Het
filtert de stof en andere vervuilende de-
len die in de aangezogen lucht voorko-
men. Indien stof of andere vervuilende
delen het filter verstoppen zal de lucht-
stroom door de luchtventilatiekanalen
verminderen. Dit leidt tot condensvor-
ming aan de binnenzijde van de voorruit,
zelfs als de buitenlucht positie is gese-
lecteerd. Als dit plaatsvindt, raden we
aan om het interieurfilter te laten nakijken
door een geautoriseerde HYUNDAI ver-
deler.
AANDACHT
Controleer het filter in overeenstem-
ming met het Onderhoudsschema in
sectie 7.
Indien de auto wordt bestuurd in
zware gebruiksomstandigheden zoals
stoffige of ruwe wegen, zijn veelvul-
diger controle en of vervanging van
het filter nodig
Het luchtdebiet neemt plots af, raden
we aan om het systeem te laten na-kij-
ken door een erkende HYUNDAI-ver-
deler.
Het controleren van de
hoeveelheid airco koudemiddel
en compressor smeermiddel
Wanneer de hoeveelheid koudemiddel te
laag is, kan de prestatie van het airco
systeem minder worden. Een te grote
hoeveelheid koudemiddel heeft ook een
negatief effect op de werking van het air-
conditioning systeem.
Als een abnormale werking wordt vast-
gesteld, raden we aan om het systeem te
laten geïnspecteerd door een erkende
HYUNDAI verdeler.
AANDACHT
Let op dat de juiste type olie en koude
middel wordt gebruikt voor het aircondi-
tioning systeem. Anders kan het systeem
niet goed functioneren of schade aan delen
van het airco systeem ontstaan.
OPB049140L
Buiten lucht
Circulerende
lucht
Klimaatbeheersing
luchtfilter
Blazer Verdamper
kern
Verwarmer
kern
WAARSCHUWING
Als een abnormale werking wordt
vastgesteld, raden we aan om het
systeem te laten geïnspecteerd
door een erkende HYUNDAI verde-
ler. Voor meer informatie, raden we
aan om contact op te nemen met
een erkende HYUNDAI-verdeler.
487
Kenmerken van uw voertuig
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)
1. Ontdooi-knop voor de voorruit
2. Airco-knop
3. Temperatuur regelknop
4. Aanjager-knop
5. Achterruit verwarmingschakelaaron
6. Luchtinname-knop
7. AUTO-knop (automatische regeling)
8. OFF-knop
9. Functie-knop
10. Display van de klimaatregeling
OBA043160/OIA043153R
Type A
Type B
Kenmerken van uw voertuig
884
Automatische klimaatregeling
De regeling van de temperatuurinstelling
zal ervoor zorgen dat de verluchtings-
gleuven, de toevoerlucht en de ventilator
automatisch worden geregeld.
Gebruik van de automatische modus
Druk op de AUTO-Knop.
De airconditioning wordt automatisch
geregeld volgens de temperatuurin-
stelling.
U kunt de temperatuurregeling instel-
len op de gewenste temperatuur.
De klimaatregeling kan eenvoudig
worden bediend en effectief werken
als de AUTO-knop wordt gebruikt en
de temperatuur op 23°C (73°F) wordt
ingesteld.
Om de automatische werking uit te scha-
kelen, drukt u op gelijk welke knop,
behalve op de knop voor de tempera-
tuurregeling. Als druk op de functie-knop,
de geselecteerde functie wordt vervol-
gens handmatig geregeld en de andere
functies werken automatisch.
AANDACHT
Plaats nooit iets over de sensor in het
instrumentenpaneel, zodat de werking
van het verwarmings-/koelsysteem niet
nadelig wordt beïnvloed.
OIA043176OBA043161
489
Kenmerken van uw voertuig
Handmatig bediende verwarming
en airconditioning
Het verwarmings- en koelsysteem kan
handmatig worden bediend door een
andere knop dan de AUTO-knop in te
drukken. In dat geval werkt het systeem
afhankelijk van de ingedrukte knoppen.
1. Start de motor.
2. Zet de selectieknop op de gewenste
positie.
Om het effect te vergroten van ver-
warming en koeling maak de selectie
zoals hieronder wordt aangegeven:
- Verwarming:
- Koeling:
3. Zet het klimaatbeheersingsysteem
naar de gewenste positie.
4. Zet de luchtinname schakelaar naar
de buitenlucht (fris) positie en recircu-
latiestand.
5. Zet de ventilator op de gewenste snel-
heid.
6. Indien de werking van het airconditie-
systeem is gewenst, zet het aircosys-
teem aan.
Druk op de AUTO-knop om de geheel
automatische werking van het systeem in
te stellen.
Selectieknop
Met de selectieknop kan de richting van
de luchtstroom door het ventilatiesys-
teem worden geselecteerd.
De luchtuitlaat kan als volgt veranderd
worden:
Zie de afbeelding in het "Instructieboekje
klimaatregeling".
Vloer & Ontdoiing
De grootste luchtstroom wordt gericht
naar de vloer en de voorruit, een klein
deel wordt gericht naar de zijramen.
Vloer-Niveau
De grootste luchtstroom wordt gericht op
de vloer, een klein deel van de lucht-
stroom wordt gericht naar de voorruit en
zijrruiten.
Dubbel-Niveau
Luchtstroom wordt gericht naar het ge-
zicht en de vloer.
Gezicht-Niveau
Luchtstroom wordt gericht op het boven-
lichaam en gezicht. Iedere uitgang kan
bovendien bediend worden om de lucht
stroom te richten.
OBA043162
Kenmerken van uw voertuig
904
Ontdooiing-Niveau
De grootste luchtstroom wordt gericht
naar de voorruit, een klein deel van de
lucht wordt gericht naar de zijramen.
Instrumentpaneel ventilatie
De ventilatieopeningen kunnen worden
geopend of gesloten apart met behulp
van de bedieningshendel.
Ook kan de richting van luchtstroom van
deze kanalen worden afgesteld door de
bedieningshendel of bovenblad zoals
getoond.
Temperatuurregelknop
Als de knop geheel naar rechts wordt
gedraaid, wordt de temperatuur maxima-
al (HI).
Als de knop geheel naar links wordt
gedraaid, wordt de temperatuur minimaal
(LO).
Als de knop wordt verdraaid, wordt de
temperatuur in stappen van 0.5°C (1°F)
verlaagd of verhoogd.
OBA043163 OBA043154 OBA043164
491
Kenmerken van uw voertuig
Eenheid van temperatuur wisselen
(indien van toepassing)
De temperatuurweergave (Celsius of
Fahrenheit) kan als volgt worden gewis-
seld:
Druk terwijl de OFF-knop ingedrukt wordt
gehouden de AUTO-knop ten minste 3
seconden in.
Op het display wijzigt de eenheid van
Celsius naar Fahrenheit of andersom.
Als de accu ontladen of losgekoppeld is
geweest, wordt de standaardweergave
Celsius ingesteld.
Luchtinname
Dit wordt gebruikt om de buitenluchtposi-
tie of recirculatiepositie te selecteren.
Om de circulatie te veranderen naar reci-
culatie, druk op de controle knop.
Recirculatie luchtpositie
De lamp op de knop gaat
branden als de recirculatie
is ingeschakeld.
Als gekozen wordt voor re-
ciculatie zal de lucht in de
passagiersruimte door het
verwarmingssysteem stro-
men en verwarmd of geko-
eld worden in overeen-
stemming met de geselec-
teerde temperatuur.
Buitenluchtpositie
De lamp op de knop gaat
niet branden als de toevoer
van buitenlucht is ingesc-
hakeld.
Met de buitenluchtpositie
geselecteerd, komt lucht
van buiten het voertuig bin-
nen en wordt verwarmd of
gekoeld in overeenstem-
ming met de geselecteerde
temperatuur.
OBA043165
OIA043165
Type A
Type B
Kenmerken van uw voertuig
924
AANDACHT
Langdurige keuze van de reciculatie
positie (zonder airconditioning) kan de
ruiten laten beslaan en de lucht in de
passagiersruimte kan “muf” worden.
Landurig gebruik van de airco in de
recirculatie positie, kan leiden tot
bovenmatig droge lucht in de passa-
giersruimte.
Ventilator snelheidsregelaar
Alleen als het contact aan staat werkt de
ventilator.
Met de ventilator snelheidsregelaar kan
de snelheid van de luchtstroom worden
ingesteld. Om de snelheid te veranderen,
draai de knop naar rechts voor hogere
snelheid of links voor lagere snelheid.
WAARSCHUWING
Voortdurend met het klimaatbe-
heersingsysteem aan in de recir-
culatie positie kan veroorzaken
dat luchtvochtigheid toeneemt in
het voertuig. Hierdoor zullen de
ruiten beslaan.
Verblijf niet langdurig in een vo-
ertuig met de airco of verwar-
mingssysteem aan in de recircu-
la-tiestand. Hierdoor kan een
tekort aan zuurstof ontstaan.
Langdurig met het klimaatbe-
heersingsysteem in de recircula-
tie positie kan slaperigheid of
sufheid veroorzaken en concen-
tratie verlies. Gebruik zoveel
mogelijk de keuzepositie buiten-
lucht tijdens het rijden.
OBA043166
493
Kenmerken van uw voertuig
Airconditioning
Druk op de A/C knop om het airconditio-
ningsysteem in te schakelen (de indica-
torlamp zal oplichten).
Druk nogmaals op de knop om de air-
conditioning uit te schakelen.
OFF modus
Druk op de OFF-knop om de klimaatre-
geling uit te schakelen. Zolang het con-
tactslot in de stand ON staat, kunnen
echter nog wel de functie- (mode) en
recirculatie-knop worden bediend.
OBA043168
OBA043167
OIA043167
Type A
Type B
Kenmerken van uw voertuig
944
Voor maximale ontdooien, zet de tem-
peratuurcontrole naar uiterst rechts /
hete positie en de ventilator snelheid
naar de hoogste snelheid.
Indien ook warme lucht naar de vloer is
gewenst tijdens het ontdooien en ont-
wasemen, zet de de selectieknop naar
de vloer.
Haal voor rijden alle sneeuw en ijs van
de voorruit, achterruit, buitenspiegels
en alle zijramen.
Haal alle sneeuw en ijs van de kap en
luchtinname van het ventilatierooster
om de luchtaanvoer en daarmee de
verwarming te optimaliseren en om de
kans op beslaan van de binnenzijde
van de voorruit te verminderen.
Handmatig klimaatregeling
Om de binnenzijde van de voorruit te
ontwasemen
1. Selecteer een ventilatorsnelheid.
2. Selecteer de gewenste temperatuur.
3. Selecteer de positie.
4. De toevoer van buitenlucht (fris) en
airconditioning (indien van toepas-
sing) worden automatisch geselec-
teerd.
Als de airconditioning (indien van toe-
passing) en de toevoer van buitenlucht
niet automatisch worden geselecteerd,
druk dan de betreffende knop in.
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN
WAARSCHUWING -
Voorruit verwarming
Gebruik de of positie niet
tijdens koelwerking in extreem
vochtig weer. Het verschil tussen
de temperatuur van de buitenlucht
en dat van de voorruit zou kunnen
veroorzaken dat de buitenopper-
vlakte van de voorruit beslaat en
leidt tot verlies van uitzicht. Zet in
dit geval de selectieknop naar de
positie en de ventilator snel-
heid naar de lagere snelheid.
OBA043169L
OIA043171L
Type A
Type B
495
Kenmerken van uw voertuig
Om het ontdooien buiten voorruit
1. Zet de ventilatorsnelheid naar de
hoogste positie.
2. Zet de temperatuur naar de hoogste
positie.
3. Selecteer de positie.
4. De toevoer van buitenlucht (fris) en
airconditioning worden automatisch
geselecteerd.
Automatische klimaatregeling
Om de binnenzijde van de voorruit te
ontwasemen
1. Selecteer de gewenste aanjagersnel-
heid.
2. Selecteer de gewenste temperatuur.
3. Druk ontdooier knop .
OBA043171
OIA043169
Type A
Type B
OIA043172L
OBA043170L
Type A
Type B
Kenmerken van uw voertuig
964
4. De airconditioning schakelt afhanke-
lijk van de gesignaleerde interieurtem-
peratuur in, de toevoer van buiten-
lucht en een hogere aanjagersnelheid
worden automatisch geselecteerd.
Als de airconditioning, de toevoer van
buitenlucht en de hogere aanjagersnel-
heid niet automatisch worden geselec-
teerd, bedien dan de betreffende knop
met de hand.
Als de stand is gekozen, wordt een
hogere aanjagersnelheid ingeschakeld.
Om het ontdooien buiten voorruit
1. Zet de ventilatorsnelheid naar de ho-
ogste positie.
2. Zet de temperatuur naar de hoogste
(HI) positie.
3. Druk ontdooier knop .
4. De airconditioning schakelt afhanke-
lijk van de gesignaleerde interieurtem-
peratuur in, de toevoer van buiten-
lucht en een hogere aanjagersnelheid
worden automatisch geselecteerd.
Als de stand is gekozen, wordt een
hogere aanjagersnelheid ingeschakeld.
OBA043172
OIA043170
Type A
Type B
497
Kenmerken van uw voertuig
Middenconsole opslag
(indien van toepassing)
Deze vakken kunnen worden gebruikt
om kleine voorwerpen te bewaren.
Handschoenenvak
Om het handschoenenvak te openen,
trek aan de hendel en het handschoen-
envak opent. Sluit het handschoenenvak
na gebruik.
OPSLAGRUIMTES
WAARSCHUWING -
Ontvlambare materialen
Bewaar geen ontvlambare/explo-
sieve materialen in het voertuig.
Deze voorwerpen kunnen ontbran-
den en/of ontploffen indien het
voertuig wordt blootgesteld aan
hoge temperaturen gedurende lan-
gere perioden of betrokken bij een
ongeval.
OPMERKING
Om mogelijke diefstal te voor-
komen, laat geen waardevolle
voorwerpen in de opslagruimte.
Houdt de opslagruimtes altijd
gesloten tijdens het rijden. Pro-
beer niet om zoveel voorwerpen
in de opslagruimte te zetten zodat
de opslagruimte niet gesloten
kan worden. OIA043200
OIA043201
OIA043215
WAARSCHUWING
Om het risico op letsel bij een
ongeluk of plotselinge stop te ver-
minderen, houdt het handschoen-
envak altijd gesloten tijdens het rij-
den.
Kenmerken van uw voertuig
984
Sigarettenaansteker
(indien van toepassing)
De sigarettenaansteker werkt allen met
het contact op de stand “ACC” of “AAN “
positi.
Om de sigarettenaansteker te gebruiken,
druk deze in. Wanneer het element is op-
gewarmd, zal de aansteker uitspringen
en is klaar voor gebruik.
Asbak (indien van toepassing)
Open het deksel als de asbak moet wor-
den gebruikt.
Trek de asbak naar buiten om de asbak
te reinigen of te legen.
INTERIEUR KENMERKEN
OIA043202 OPMERKING
Raden wij u aan onderdelen van
een erkende HYUNDAI-verdeler te
gebruiken, wees voorzichtig met
het gebruik van plug-in accessoires
(scheerapparaten, handstofzuigers
en koffie-apparaten, enz.), door een
verkeerde stekker kan beschadi-
ging of elektrische storing worden
veroorzaakt.
WAARSCHUWING
Houdt de aansteker niet inge-
drukt nadat het reeds opge-
warmd is, het element zal over-
verhitten.
Indien de aansteker niet terug
komt binnen 30 seconden, verwij-
der het dan om oververhitting te
voorkomen.
OIA043203
WAARSCHUWING -
Asbak gebruik
Gebruik de asbakken van het
voertuig niet als afvalbakken.
Wees voorzichtig met aangesto-
ken sigaretten of lucifers in een
asbak samen met andere ont-
vlambare materialen, dit kan
brand veroorzaken.
499
Kenmerken van uw voertuig
Bekerhouder
Bekers of kleine drankblikken kunnen in
de bekerhouderse geplaatst worden. Zonnescherm
Gebruik de zonneklep om u te beschermen
tegen direct licht via de voorruit of de zijrui-
ten.
Trek de zonneklep omlaag om de klep te
gebruiken.
Als de zonneklep voor de zijruit moet wor-
den gebruikt, trek dan de klep naar bene-
den, maak de beugel (1) los en draai de
klep naar de zijkant (2).
Trek, om de make-up spiegel te gebruiken,
de zonneklep naar beneden en schuif de
schuifklep (3, indien van toepassing) opzij.
De documentenhouder (4) is bestemd voor
een kaartje voor de tolweg (indien van toe-
passing).
WAARSCHUWING -
Hete vloeistoffen
Plaats geen open bekers met
hete vloeistof in de bekerhouder
terwijl het voertuig in rijdt. Indien
de hete vloeistof wordt gemorst,
kunt u uzelf verbranden met alle
daarbij komende ongemakken.
Om het risico op persoonlijk let-
sel te voorkomen in het geval van
een plotselinge stop of aanrij-
ding, wordt geadviseerd geen
open en of niet passende flessen,
glazen, blikken enz. in de beker-
houder te plaatsen tijdens het rij-
den.
OIA043203 OIA043208
WAARSCHUWING
Blokkeer uit veiligheidsredenen uw
zicht niet door de zonneklep.
Kenmerken van uw voertuig
1004
Voedingsuitgang
De stroomuitgang is ontworpen voor voe-
ding voor mobiele telefoons of an-dere
toestellen die kunnen werken met het
elektriciteitssysteem van het voertuig. De
toestellen moeten minder dan 15 amps
verbruiken als de motor werkt.
OIA043205
OIA043206
OPMERKING
Gebruik de stroomuitgang alleen
als de motor in werking is en ver-
wijder de accessoirestekker na
gebruik. Het gebruik van de
accessoirestekker gedurende
langere tijd terwijl de motor uitge-
schakeld is, kan ertoe leiden dat
de accu leeg raakt.
Gebruik uitsluitend 12V elektri-
sche accessoires met minder dan
15A in elektrisch vermogen.
Pas de airconditioning of de ver-
warming aan naar het laagste
stroomniveau als u gebruik
maakt van de stroomuitgang.
Sluit de kap indien niet in gebruik.
Sommige elektronische toestel-
len kunnen eletronische storin-
gen veroorzaken indien ingesto-
ken in een stroomuitgang van een
voertuig. Deze toestellen kunnen
excessieve audio static en fouten
veroorzaken in andere elektroni-
sche systemen en toestellen die
in uw voertuig gebruikt worden.
WAARSCHUWING
Plaats geen vinger of een ander
vreemd voorwerp (pin, etc.) in een
stroomuitgang en raak het niet met
een natte hand aan. U kunt een
elektrische schok krijgen.
4 101
Kenmerken van uw voertuig
Smartphone dockingstation
(indien van toepassing)
De grootte van de smartphone die in het
smartphone dockingstation geplaatst
mag worden, is beperkt door de wet.
- Aanbevolen smartphone modellen:
iPhone 5/6 en Galaxy S2/S3/S4/S5
- Zie de afzonderlijke handleiding van
het smartphone dockingstation voor
andere modellen.
De afzonderlijke handleiding (aanvulling
op deze handleiding) geeft u verdere
informatie over het systeemgebruik van
het smartphone dockingsysteem, de
converter specificaties, de converter ver-
vanging en andere waarschuwingen.
Kledinghaak (indien hiermee
uitgerust)
Om een hanger te gebruiken, trekt u het
bovenste gedeelte van de hanger om-
laag.
WAARSCHUWING
Vermijd het gebruik van uw
smartphone of het aanpassen
van het smartphone-dock, terwijl
de wagen in beweging is.
Voor uw veiligheid, verwijder de
smartphone-cover, vóór het aan-
brengen van de smartphone in
het smartphone-dock.
OIA043209
OPMERKING
Hang geen andere voorwerpen
zoals hangers of harde voorwerpen
op dan kleding. Plaats ook geen
zware, scherpe of breekbare voor-
werpen in de opbergvakken. Bij een
ongeval of wanneer de gordijn air-
bags wordt opgeblazen kunnen
deze de auto beschadigen of per-
soonlijk letsel veroorzaken.
Kenmerken van uw voertuig
1024
Bagagenet
(indien van toepassing)
Om te voorkomen dat voorwerpen in de
bagageruimte verschuiven kan gebruik
worden gemaakt van de vier sjorogen in
de bagageruimte om het bagagenet vast
te zetten.
Indien nodig, raden we aan om contact
op te nemen met een erkende HYUN-
DAI-verdeler om een bagagenet.
OPB049138
OPB049139
OPB049142
WAARSCHUWING
Voorkom verwondingen aan het
oog. Trek het net NIET te hard aan.
Houd uw gezicht en lichaam
ALTIJD buiten het bereik van het
bagagenet, in het geval dit los zou
schieten.
OPMERKING
Om schade aan de voorwerpen of
de auto te voorkomen, moeten bij
het vervoer van kwetsbare of zware
voorwerpen in de bagageruimte de
nodige voorzorgsmaatregelen in
acht worden genomen.
4 103
Kenmerken van uw voertuig
Vloermat anker(s)
(indien van toepassing)
Wanneer u een vloermat gebruikt, moet
u ervoor zorgen dat deze wordt beves-
tigd aan de vloermatankers in uw voer-
tuig. Dit belet de vloermat te verschuiven.
Afdekscherm bagageruimte
(indien van toepassing)
Gebruik de hoedenplank om de voorwer-
pen in de bagageruimte te verbergen.
Het afdekscherm kan worden opgerold
of uitgenomen.
ODMECO2034
Type A Type B WAARSCHUWING
U moet u houden aan het volgende
tijdens het plaatsen van welke
vloermat dan ook in het voertuig.
Zorg dat de vloermatten goed
vastzitten aan de vloermatbeves-
tigingen van het voertuig, voor-
dat u gaat rijden in het voertuig.
Gebruik GEEN vloermat die niet
goed bevestigd kan worden aan
de vloermatbevestigingen van
het voertuig.
Stapel vloermatten niet op elkaar
(bijv. een vloermat voor alle weer-
somstandighden bovenop een
tapijtmat). Gebruik maar één
vloermat die op elke positie
bevestigd moet worden.
BELANGRIJK - Uw voertuig werd
gemaakt met bevestgingen voor
de vloermat aan de kant van de
bestuurder die ontworpen zijn
om de vloermat goed vast te hou-
den. Om te voorkomen dat het
gebruik van de pedalen gehin-
derd wordt, raden we aan om uit-
sluitend HYUNDAI vloermatten in
uw voertuig te plaatsen.
OPMERKING
Zet geen (zware) bagage op het af-
dekscherm, hierdoor kan het sc-
herm worden beschadigd of ver-
vormd.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op het
afdekscherm. Losse voorwerpen
kunnen leiden tot letsel van de
inzittenden tijdens een ongeval
of (plotseling) remmen.
Laat nooit toe dat iemand mee-
rijdt in de bagageruimte. De
baga-geruimte is uitsluitend voor
ba-gage.
Kenmerken van uw voertuig
1044
AUDIOSYSTEEM
AANDACHT
Als u achteraf een HID-koplamp
monteert, treden er mogelijk storin-
gen op in het audiosysteem en de elek-
tronische onderdelen van uw auto.
Algemeen Voorkom dat chemicaliën
als parfum, cosmetische oliën, zonne-
brandcrème en luchtverfrisser in aan-
raking komen met onderdelen van het
interieur, omdat deze beschadiging of
verkleuring kunnen veroorzaken.
Antenne
Dakantenne
Uw auto maakt gebruik van een dakan-
tenne om zowel AM- als FMsignalen te
ontvangen. Deze antenne kan verwijderd
worden. Draai de antennemast linksom
om hem te verwijderen. Draai de anten-
ne rechtsom om deze te plaatsen.
OPMERKING
Vóór het betreden van een omge-
ving met een lage doorrijhoogte
of bij een car wash, verwijdert
voorzeker u de antenne door deze
tegen de klok te draaien. Het kan
anders gebeuren dat de antenne
wordt beschadigd.
Bij het terugplaatsen van de
antennemast is het voor een
goede ontvangst van belang dat
de antenne goed wordt vastge-
draaid en dat de antenne rechtop
staat. De antenne kan verwijderd
worden wanneer het voertuig
geparkeerd of wanneer er lading
op het dakrek geladen wordt.
Plaats geen bagage in de buurt
van de antennevoet om de ont-
vangst van signalen niet te sto-
ren.
OHM048154
Type A Type B
Kenmerken van uw voertuig
4 105
Toets audioafstandsbediening
(indien van toepassing)
Het aanwezige functie kan afwijken van de
afbeelding.
Het audio-schakelaarpaneel op het
stuurwiel is aanwezig om een veilige
manier van rijden mogelijk te maken.
MODE (1)
Druk op de MODE toets om de Radio, de
CD-speler of AUX (Auxiliary, indien van
toepassing) te selecteren.
SEEK ( / ) (2)
Als de SEEK-toets gedurende 0,8 s of
langer wordt ingedrukt, werkt hij in elke
stand als volgt.
Radiomodus
Werkt als AUTO SEEK-toets.
CDP modus
Werkt als FF/REW-toets.
Als de SEEK-toets gedurende korter dan
0,8 s wordt ingedrukt, werkt hij in elke
stand als volgt.
Radiomodus
Werkt als PRESET STATION SELECT
toets.
CDP modus
Werkt als TRACK UP/DOWN-toets.
SCHAKELAAR (+/ -) (3)
Druk op de (+)-schakelaar om het volu-
me te verhogen.
Druk op de (-)-schakelaar om het volu-
me te verlagen.
MUTE (4)
Druk op de toets MUTE om het geluid
uit te schakelen.
Druk nogmaals op de toets MUTE om
het geluid in te schakelen.
Meer informatie over de bedieningstoet-
sen van het audiosysteem vindt u op de
volgende bladzijden in dit hoofdstuk.
OPMERKING
Bedien nooit meerdere schakelaars
van het audio-schakelaarpaneel
tegelijkertijd.
ODM042327
Kenmerken van uw voertuig
1064
De werking van een autoradio
AM en FM radiosignalen worden door
het radiostation uitgezonden. Deze sig-
nalen worden ontvangen door de radio-
antenne op het spatscherm van uw
wagen. Dit signaal wordt dan ontvangen
door de radio en doorgestuurd naar de
luidsprekers.
Als een krachtig radiosignaal uw wagen
bereikt zorgt de moderne techniek van
uw geluidsinstallatie voor een hoge kwa-
liteit van de geluidsweergave. In sommi-
ge gevallen is het ontvangen signaal
echter niet krachtig en helder.
Dit kan worden veroorzaakt door bijvoor-
beeld de afstand tot het radiostation,
andere krachtige stations of de aanwe-
zigheid van gebouwen, bruggen of grote-
re obstakels in het desbetreffende
gebied.
In het algemeen is de ontvangst van AM
signalen beter dan van FM signalen. Dit
komt doordat AM radiogolven met een
lage frequentie worden uitgezonden.
Deze lange golven met een lage fre-
quentie volgen het aardoppervlak en ver-
plaatsen zich niet recht in de atmosfeer.
Bovendien ontwijken ze obstakels zodat
over het algemeen een betere signaal
weergave het gevolg is.
ȻȹȺ
JBM001
ȻȹȺ
ȻȹȺ
JBM002
FM-ontvangst
IONOSFEER IONOSFEER
AM (MW, LW)-ontvangst
Kenmerken van uw voertuig
4 107
FM signalen worden met een hoge fre-
quentie uitgezonden en volgen hierbij
niet het aardoppervlak. Daarom ontstaat
bij FM uitzendingen op een relatief korte
afstand van het radiostation vervorming.
Bovendien ondervinden FM signalen
nadelige invloeden door gebouwen, ber-
gen of andere obstakels. Dit kan een
geluidsweergave tot gevolg hebben
waardoor u veronderstelt dat uw geluids-
installatie niet in orde is. De volgende
condities zijn normaal en duiden niet op
een storing:
Vervorming - Tijdens het rijden kan de
afstand ten opzichte van het radiosta-
tion gewijzigd worden, het signaal
wordt zwakker en er treedt vervorming
op. In een dergelijk geval adviseren wij
u op een ander en krachtiger station af
te stemmen.
Flutter - Zwakke FM signalen of grote
obstakels tussen de zenden en de
radio vervormen het signaal waardoor
er flutter ontstaat. Deze storing kan
iets worden onderdrukt door de hoge
tonen te verminderen.
Radiostation Wisselen - Bij het zwak-
ker worden van het FM signaal is het
mogelijk dat het signaal van een nabij
gelegen, krachtige zender op dezelfde
frequentie wordt ontvangen. Dit komt
omdat uw radio is ontworpen om op
het sterkste signaal af te stemmen. In
dit geval adviseren wij u een andere
zender op te zoeken.
Multi-Path Annulering - Als radiosigna-
len vanuit diverse richtingen worden
ontvangen heeft dit vervorming tot
gevolg. Dit kan worden veroorzaakt
door een direct en een gereflecteerd
signaal van hetzelfde station of door
signalen van twee stations met dicht bij
elkaar liggende frequenties. In dit geval
adviseren wij u op een andere zender
af te stemmen.
JBM004 JBM005JBM003
FM radiostation
Bergen
Gebouwen Onbelemmerd
gebied
Ijzeren bruggen
Kenmerken van uw voertuig
1084
Gebruik van een mobiele telefoon of
radiozender
Bij gebruik van een mobiele telefoon in
de auto kan de audio apparatuur storen-
de geluiden voortbrengen. Dit betekent
niet dat er iets verkeerd is met de audio-
apparatuur. In dat geval moet de mobiele
telefoon op een zo groot mogelijke
afstand van de audioapparatuur worden
gebruikt.
OPMERKING
Bij gebruik van een mobiele tele-
foon of een radiozender in de auto,
moet een afzonderlijke antenne
worden gemonteerd. Door het
gebruik van een mobiele telefoon of
radiozender met een interne anten-
ne, kunnen storingen aan de elektri-
sche installatie van de auto worden
veroorzaakt en kan de veilige wer-
king van de auto in gevaar komen.
WAARSCHUWING
Gebruik geen mobiele telefoon tij-
dens het rijden. Parkeer de auto op
een veilige plaats bij gebruik van
een mobiele telefoon.
Kenmerken van uw voertuig
4 109
AUDIO (Zonder Touchscreen)
Type A-1
B9G3G0000EE
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
Kenmerken van uw voertuig
1104
Kenmerken van uw autoradio
De aanwezigl functies kan afwijken
van de afbeelding.
(1) DISP
Elke korte druk wisselt door de volgen-
de modus: Scherm Off Scherm On
Scherm Off.
De audio blijft ingeschakeld, maar het
scherm wordt uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld, druk
dan op een willekeurige toets om het
scherm weer in te schakelen.
(2) RADIO (Type A-1)
Schakelt over naar de FM/AM-modus.
Telkens wanneer u op de toets drukt,
wordt de volgende modus gekozen in
de volgorde FM1 FM2 FMA
AM AMA.
(voor DAB-model)
FM1 FM2 FMA DAB1
DAB2 AM.
(3) MEDIA
Schakelt over naar de modus USB
(iPod®), AUX, My Music*, BT
(Bluetooth®) Audio*.
Telkens wanneer u op de toets drukt,
wordt de volgende modus gekozen in
de volgorde USB (iPod®) AUX My
Music* BT (Bluetooth®) Audio*.
*: indien van toepassing
(4) PHONE (Type A-1)
Bedient het scherm Phone.
Het verbindingsscherm wordt weerge-
geven, wanneer een telefoon niet is
verbonden.
(5) SEEK/TRACK
Radiomodus: Zoekt automatisch naar
uitzendfrequenties.
USB, iPod®, My Music modus
- Druk de toets kort in: Ga naar het
volgende of vorige muziekstuk
(bestand)
- Houd de toets ingedrukt: Spoelt het
actuele muziekstuk terug of vooruit.
Bluetooth®Audio modus*: Ga naar het
volgende of vorige muziekstuk (be-
stand)
- De functie voor het Afspelen/On-der-
breken van muziek kan per mobiele
telefoon verschillen.
(6) MAP
USB modus: Map doorzoeken:
(7) Knop POWER/VOL
Knop Power: Druk op de knop om het
systeem in of uit te schakelen.
Knop Volume: Stelt het volume in door
de knop linksom/rechtsom te draaien.
Kenmerken van uw voertuig
4 111
(8) BACK
Gaat naar de vorige scherm.
(9) TA/SCAN
Radiomodus
- Druk de toets kort in: TA aan/uit.
- Houd de toets ingedrukt: Elke zen-
der wordt gedurende 5 seconden
weergegeven.
De USB, My Music*-modus gebruiken
- Houd de toets ingedrukt: Elk muziek-
stuk (bestand) wordt gedurende 10
seconden weergegeven.
(10) SETUP/CLOCK
Druk de toets kort in: Schakelt over
naar de modi Weergave, Geluid, Klok,
Telefoon en Systeeminstellingen
Houd de toets ingedrukt: Schakelt over
naar het scherm Tijdsinstellingen.
(11) MENU
Geeft menu's voor de actuele modus
weer.
•iPod
®-lijst: Verplaatsen naar bovenlig-
gende categorie.
(12) Knop TUNE
Radiomodus: Wijzigt de frequentie
door de knop linksom/rechtsom te
draaien.
USB (iPod®), My Music* modus:
Zoeken naar muziekstukken (bestan-
den) door de knop linksom of rechtsom
te draaien. Wanneer het gewenste
muziekstuk wordt weergegeven, druk
dan op de knop om het lied af te spe-
len.
Wijzigt het geselecteerde item in alle
keuzemenu's en selecteert menu's.
(13) [1] ~ [6] (Preset)
Radiomodus: Slaat frequenties (kana-
len) op of ontvangt opgeslagen fre-
quenties (kanalen)
USB, iPod®, My Music modus
- Toets [RPT]: Herhalen
- Toets [RDM]: Willekeurig
In het pop-upscherm Radio, Media,
Instellingen en Menu wordt het nummer-
menu geselecteerd.
Kenmerken van uw voertuig
1124
B9G3G0001EE/B9G3G0002EE
Type A-2 Type A-3
Kenmerken van uw voertuig
4 113
Kenmerken van uw autoradio De aanwezigl functies kan afwijken
van de afbeelding.
(1) DISP
Elke korte druk wisselt door de volgen-
de modus: Scherm Off Scherm On
Scherm Off.
De audio blijft ingeschakeld, maar het
scherm wordt uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld, druk
dan op een willekeurige toets om het
scherm weer in te schakelen.
(2) FM/AM (Type A-2)
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde FM1 FM2
FMA AM AMA.
(3) DAB (Type A-2)
Schakelt over naar de DAB-modus.
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde DAB1 DAB2.
(4) FM (Type A-3)
Schakelt over naar de FM-modus.
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde FM1 FM2
FMA.
(5) AM (Type A-3)
Schakelt over naar de AM-modus.
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde AM AMA.
(6) MEDIA
Schakelt over naar de modus USB
(iPod®), AUX.
Telkens wanneer u op de toets drukt,
wordt de volgende modus gekozen in
de volgorde USB (iPod®) AUX.
(7) SEEK/TRACK
Radiomodus: Zoekt automatisch naar
uitzendfrequenties.
USB, iPod®, My Music modus
- Druk de toets kort in: Ga naar het
volgende of vorige muziekstuk
(bestand)
- Houd de toets ingedrukt: Spoelt het
actuele muziekstuk terug of vooruit.
Type A 3
Type A 2
Kenmerken van uw voertuig
1144
(8) MAP
USB modus: Map doorzoeken.
(9) Knop POWER/VOL
Knop Power: Druk op de knop om het
systeem in of uit te schakelen.
Knop Volume: Stelt het volume in door
de knop linksom/rechtsom te draaien.
(10) BACK
Gaat naar de vorige scherm.
(11) TA/SCAN
Radiomodus
- Druk de toets kort in: TA aan/uit.
- Houd de toets ingedrukt: Elke zen-
der wordt gedurende 5 seconden
weergegeven.
USB modus
- Houd de toets ingedrukt: Elk muziek-
stuk (bestand) wordt gedurende 10
seconden weergegeven.
- Houd de toets ingedrukt: Spoelt het
actuele muziekstuk terug of vooruit.
(12) SETUP/CLOCK
Druk de toets kort in: Schakelt over
naar de modi Weergave, Geluid, Klok,
Telefoon en Systeeminstellingen
Houd de toets ingedrukt: Schakelt over
naar het scherm Tijdsinstellingen.
(13) MENU
Geeft menu's voor de actuele modus
weer.
•iPod
®-lijst: Verplaatsen naar bovenlig-
gende categorie.
(14) Knop TUNE
Radiomodus: Wijzigt de frequentie
door de knop linksom/rechtsom te
draaien.
USB (iPod®) modus: Zoeken naar
muziekstukken (bestanden) door de
knop linksom of rechtsom te draaien.
Wanneer het gewenste muziekstuk
wordt weergegeven, druk dan op de
knop om het lied af te spelen.
(15) [1] ~ [6] (Preset)
Radiomodus: Slaat frequenties (kana-
len) op of ontvangt opgeslagen fre-
quenties (kanalen)
USB, iPod®modus
- Toets [RPT]: Herhalen
- Toets [RDM]: Willekeurig
In het pop-upscherm Radio, Media,
Instellingen en Menu wordt het nummer-
menu geselecteerd.
Kenmerken van uw voertuig
4 115
B9G3G0003EE/B9G3G0004EE
Type A-4 Type A-5
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
Kenmerken van uw voertuig
1164
Kenmerken van uw autoradio De aanwezigl functies kan afwijken
van de afbeelding.
(1) EJECT
Schijf uitwerpen.
(2) FM/AM (Type A-4)
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde FM1 FM2 AM.
(3) MEDIA
Schakelt over naar de modus USB
(iPod®), AUX, My Music*, BT (Blue-
tooth®) Audio*.
Telkens wanneer u op de toets drukt,
wordt de volgende modus gekozen in
de volgorde USB (iPod®) AUX My
Music* BT (Bluetooth®) Audio*.
* indien van toepassing
(4) PHONE (Type A-4)
Bedient het scherm Phone.
Het verbindingsscherm wordt weerge-
geven, wanneer een telefoon niet is
verbonden.
(5) FM (Type A-5)
Schakelt over naar de FM-modus.
Iedere keer dat de toets wordt inge-
drukt, worden de volgende modi geko-
zen in de volgorde FM1 FM2.
(6) AM (Type A-5)
Schakelt over naar de AM-modus.
(7) SEEK/TRACK
Radiomodus: Zoekt automatisch naar
uitzendfrequenties.
USB, iPod®, My Music modus
- Druk de toets kort in: Ga naar het
volgende of vorige muziekstuk
(bestand)
- Houd de toets ingedrukt: Spoelt het
actuele muziekstuk terug of vooruit.
* indien van toepassing
(8) MAP
USB modus: Map doorzoeken.
Type A-5
Type A-4
Kenmerken van uw voertuig
4 117
(9) Knop POWER/VOL
Knop Power: Druk op de knop om het
systeem in of uit te schakelen.
Knop Volume: Stelt het volume in door
de knop linksom/rechtsom te draaien.
(10) DISP
Elke korte druk wisselt door de volgen-
de modus: Scherm Off Scherm On
Scherm Off.
De audio blijft ingeschakeld, maar het
scherm wordt uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld, druk
dan op een willekeurige toets om het
scherm weer in te schakelen.
(11) SCAN
Radiomodus
- Houd de toets ingedrukt: Elke zen-
der wordt gedurende 5 seconden
weergegeven.
CD, USB, MY Music* modus
- Houd de toets ingedrukt: Elk muziek-
stuk (bestand) wordt gedurende 10
seconden weergegeven.
- Houd de toets ingedrukt: Spoelt het
actuele muziekstuk terug of vooruit.
* indien van toepassing
(12) SETUP/CLOCK
Druk de toets kort in: Schakelt over
naar de modi Weergave, Geluid, Klok,
Telefoon en Systeeminstellingen
- Houd de toets ingedrukt: Schakelt
over naar het scherm Tijdsinstellingen.
* indien van toepassing
(13) MENU
Geeft menu's voor de actuele modus
weer.
•iPod
®-lijst: Verplaatsen naar bovenlig-
gende categorie.
(14) Knop TUNE
Radiomodus: Wijzigt de frequentie
door de knop linksom/rechtsom te
draaien.
USB (iPod®), My Music* modus:
Zoeken naar muziekstukken (bestan-
den) door de knop linksom of rechtsom
te draaien. Wanneer het gewenste
muziekstuk wordt weergegeven, druk
dan op de knop om het lied af te spe-
len.
* indien van toepassing
(15) [1] ~ [6] (Preset)
Radiomodus: Slaat frequenties (kana-
len) op of ontvangt opgeslagen fre-
quenties (kanalen)
USB, iPod®, My Music modus
- button [RPT]: Herhalen
- button [RDM]: Willekeurig
In het pop-upscherm Radio, Media,
Instellingen en Menu wordt het nummer-
menu geselecteerd.
* indien van toepassing
Kenmerken van uw voertuig
1184
WAARSCHUWING
- Audiosysteem Veilig-
heidswaarschuwingen
Staar tijdens het rijden niet naar
het scherm. Als u gedurende lan-
gere tijd naar het scherm staart,
kunt u verkeersongelukken ver-
oorzaken.
Demonteer of monteer het audio-
systeem niet en breng geen wijzi-
gingen aan. Als u dit doet, kan
dat resulteren in ongelukken,
brand of een elektrische schok.
Als u de telefoon gebruikt tijdens
het rijden, kunt u minder goed op
het verkeer letten en kunnen zich
ongelukken voordoen. Parkeer
de auto voordat u de telefoon-
functie gebruikt.
Wees ervoor dat er geen water of
vreemde voorwerpen op het ap-
paraat terechtkomen. Dit kan lei-
den tot rook, brand of storingen
in het product.
(Vervolg)
(Vervolg)
Gebruik het product niet als het
scherm leeg is of als er geen
geluid hoorbaar is. Dit kan dui-
den op een storing in het pro-
duct. Als u het product in derge-
lijke situaties blijft gebruiken, kan
dat leiden tot ongelukken (brand,
elektrische schok) of storingen in
het product.
Raak tijdens onweer de antenne
niet aan omdat dit kan leiden tot
een elektrische schok.
Stop of parkeer de auto niet in
gebieden met een stop- of par-
keerverbod om het product te
gebruiken. Dit kan leiden tot ver-
keersongelukken.
Gebruik het systeem met het con-
tact AAN. Langdurig gebruik met
het contact UIT, kan leiden tot
een lege accu.
WAARSCHUWING -
Afleiden van het rijden
Wanneer u tijdens het rijden wordt
afgeleid, kunt u de controle over de
auto verliezen, waardoor ongeval-
len en ernstig letsel veroorzakt
kunnen worden. De eerste verant-
woordelijkheid voor de bestuurder
is een veilige bediening van de auto
volgens de geldende verkeersre-
gels. Mobiele apparatuur of syste-
men in de auto die de blik, aan-
dacht en concentratie van de
bestuurder afleiden van een veilige
bediening, of die door de wet ver-
boden zijn, mogen tijdens het rij-
den nooit gebruikt worden.
Kenmerken van uw voertuig
4 119
(Vervolg)
Als u de positie van de installatie
van apparaten wil veranderen,
gelieve contact op te nemen met
uw plaats van aankoop of onder-
houdscentrum. Technische ex-
pertise is vereist om het apparaat
te installeren of te demonteren.
Zet het contact AAN voordat u dit
apparaat gebruikt. Gebruik het
audiosysteem niet gedurende
langere perioden met het contact
UIT omdat hierdoor de accu leeg
kan raken.
Stel het apparaat niet bloot aan
ernstige schokken en laat het niet
vallen. Directe druk op de voorzij-
de van de monitor kan schade
veroorzaken aan het LCD of
touchscreen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer u het apparaat schoon-
maakt, moet u het apparaat uit-
schakelen en een droge, zachte
doek gebruiken. Gebruik nooit
ruwe materialen, chemische doe-
ken of oplosmiddelen (alcohol,
benzeen, thinner, enz.) omdat
dergelijke middelen het paneel
van het apparaat kunnen bescha-
digen of verkleuringen kunnen
veroorzaken.
Plaats geen dranken in de buurt
van het audiosysteem. Als u
morst met dranken kan dit leiden
tot storingen in het systeem.
Als er sprake is van een storing,
neem dan contact op met uw
leverancier of servicecentrum.
Wanneer het audiosysteem in een
elektromagnetische omgeving
wordt geplaatst, ontstaat moge-
lijk ruis.
OPMERKING
Als u het apparaat gebruikt tij-
dens het rijden, kan dit leiden tot
ongelukken omdat u onvoldoen-
de op uw omgeving let. Parkeer
eerst de auto voordat u het appa-
raat gebruikt.
Pas het volume zodanig aan dat u
ook de geluiden buiten de auto
kunt horen. Als het volume te
hoog is en u geluiden buiten de
auto niet kunt horen, kan dat lei-
den tot ongelukken.
Let op het volume wanneer u het
apparaat inschakelt. Een plotse-
ling zeer hoog volume bij het
inschakelen van het apparaat kan
leiden tot gehoorbeschadigingen.
(Pas het volume aan tot een aan-
vaardbaar niveau voordat u het
apparaat inschakelt.)
(Vervolg)
Kenmerken van uw voertuig
1204
AANDACHT - Gebruik van het
USB-Apparaat
Als u een extern USB-apparaat wilt
gebruiken, moet u ervoor zorgen dat
het apparaat niet is aangesloten wan-
neer de motor wordt gestart. Sluit het
apparaat aan nadat de motor is
gestart.
Als u de motor start terwijl het USB-
apparaat is aangesloten, kan het
apparaat beschadigd raken. (USB-
flashstations zijn zeer gevoelig voor
statische elektriciteit.)
Als de motor wordt gestart of afgezet
terwijl het externe USB-apparaat is
aangesloten, werkt het externe USB-
apparaat mogelijk niet.
Niet-originele MP3- of WMA-bestan-
den kunnen mogelijk niet worden
afgespeeld door het systeem.
1) Er kunnen alleen MP3-bestanden
met een compressiesnelheid tussen
8 Kbps en 320 Kbps worden afge-
speeld.
2) Er kunnen alleen WMA-muziekbe-
standen met een compressiesnel-
heid tussen 8 Kbps en 320 Kbps
worden afgespeeld.
Voorkom statische elektriciteit bij het
aansluiten of loskoppelen van het
externe USB-apparaat.
(Vervolg)
(Vervolg)
Een gecodeerde MP3-SPELER is niet
herkenbaar.
Afhankelijk van de instellingen van
het externe USB-apparaat, wordt het
apparaat mogelijk niet herkend.
Wanneer de geformatteerde byte-/sec-
torinstelling van het externe USB-
apparaat niet 512 byte of 2048 byte is,
wordt het apparaat niet herkend.
Het USB-apparaat mag uitsluitend
geformatteerd zijn volgens FAT
12/16/32.
USB-apparaten zonder USB I/F-veri-
ficatie worden mogelijk niet herkend.
Voorkom dat lichaamsdelen of voor-
werpen in aanraking komen met de
USB-aansluiting.
Als u het USB-apparaat in korte tijd
herhaaldelijk aansluit en weer loskop-
pelt, kan het apparaat defect raken.
U hoort mogelijk een vreemd geluid
bij het aansluiten of loskoppelen van
het USB-apparaat.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als u het externe USB-apparaat tij-
dens het afspelen loskoppelt, kan het
apparaat beschadigd raken of werkt
het mogelijk niet goed meer. Koppel
daarom het externe USB-apparaat
pas los wanneer het audiosysteem is
uitgeschakeld of in een andere modus
(bijvoorbeeld Radio) staat.
Afhankelijk van het type en de capaci-
teit van het externe USB-apparaat of
het bestandstype dat op het apparaat
is opgeslagen, kan de benodigde tijd
voor het herkennen van het apparaat
variëren.
Gebruik het USB-apparaat niet voor
andere doeleinden dan het afspelen
van muziekbestanden.
Via de USB-aansluiting kunnen geen
video's worden afgespeeld.
Het gebruik van USB-accessoires,
zoals laders of verwarming die
gebruikmaken van USB I/F, kan de
prestaties negatief beïnvloeden of sto-
ringen veroorzaken.
(Vervolg)
Kenmerken van uw voertuig
4 121
(Vervolg)
Als u een apparaat gebruikt dat u
afzonderlijk hebt gekocht, zoals een
USB-hub, herkent het audiosysteem
het apparaat mogelijk niet. Sluit in
dat geval het USB-apparaat rechtst-
reeks aan op de multimediaaanslui-
ting van de auto.
Als het USB-apparaat is ingedeeld in
logische stations, worden alleen de
muziekbestanden op het station met
de hoogste prioriteit herkend door het
audiosysteem van de auto.
Apparaten zoals een MP3-speler,
mobiele telefoon en digitale camera
die niet door een standaard USB I/F
worden herkend.
Mogelijk kunnen bepaalde telefoons
niet via de USB-aansluiting worden
opgeladen.
USB-harddisk-drives of andere
USBapparaten waarbij verbindings-
problemen kunnen optreden door tril-
lingen van de auto worden niet onder-
steund. (type i-stick)
Bepaalde niet-standaard USB-appa-
raten (METAL COVER TYPE USB)
worden mogelijk niet herkend.
(Vervolg)
(Vervolg)
Bepaalde USB-flash memory-lezers
(zoals CF, SD, micro SD, enz.) of
externe HDD-apparaten worden
mogelijk niet herkend.
Muziekbestanden die worden
beschermd door DRM (Digital Rights
Management), worden niet herkend.
De gegevens in het USB-geheugen
gaan mogelijk verloren bij het
gebruik van dit audiosysteem. Sla
belangrijke gegevens altijd op in een
extern geheugen.
Maak geen gebruik van
USB-sticks die als sleu-
telhanger of accessoire
voor mobiele telefoons
kunnen worden gebru-
ikt, aangezien deze de USB-aanslui-
ting kunnen beschadigen. Zorg ervoor
dat u alleen producten gebruikt met
een stekkerverbinding.
AANDACHT - Gebruik van het
iPod®-Apparaat
Sommige iPod®-modellen ondersteu-
nen mogelijk het communicatie-pro-
tocol niet en bestanden worden moge-
lijk niet goed afgespeeld.
Ondersteunde iPod®-modellen:
- iPhone®3GS/4
- iPod®touch 1e~4e generatie
- iPod®nano 1e~6e generatie
- iPod®classic
De volgorde bij het zoeken of afspelen
van muziekstukken op de iPod®kan
verschillen van de volgorde op het
audiosysteem.
Als de iPod®vanwege een interne sto-
ring wordt uitgeschakeld, moet de
iPod®worden gereset. ( (Raadpleeg
voor het resetten de handleiding van
de iPod®)
Bij een bijna lege batterij werkt de
iPod®mogelijk niet goed.
(Vervolg)
Kenmerken van uw voertuig
1224
(Vervolg)
Sommige iPod®-apparaten, zoals de
iPhone®, kunnen via de Bluetooth®
Wireless Technology worden verbon-
den. Het apparaat moet een Blue-
tooth®Wireless Technology audio-
functie hebben (zoals voor een
Bluetooth®Wireless Technology ste-
reokoptelefoon). De audio op het
apparaat kan worden afgespeeld,
maar het kan niet via het audiosys-
teem worden bediend.
Als u functies van de iPod®op het
audiosysteem wilt gebruiken, moet u
de bij iPod®kabel te gebruiken.
Afhankelijk van de eigenschappen
van uw iPod®/ iPhone®, kan er audio
worden overgeslagen of onjuist wor-
den afgespeeld.
Wanneer uw iPhone®zowel via de
Bluetooth®Wireless Technology als
via USB is verbonden, is het mogelijk
dat de muziek niet goed wordt afge-
speeld. Selecteer op uw iPhone®de
Dock-stekker of de Bluetooth®Wire-
less Technology om de audiouitgang
(bron) te wijzigen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Bij het aansluiten van iPod®met de
iPod® -kabel, voer de USB-connector
zijde van de kabel volledig in de USB-
poort van het voertuig. Als de stekker
niet goed is aangesloten, wordt de
communicatie tussen de iPod®en het
audiosysteem mogelijk onderbroken.
Wanneer u de geluidsinstellingen van
de iPod®en het audiosysteem aanpast,
zullen de instellingen van beide appa-
raten elkaar overlappen en kan de
geluidskwaliteit afnemen of het geluid
vervormen.
Schakel de equalizerfunctie van de
iPod®uit wanneer u de geluidssterkte
van het audiosysteem aanpast en zet
de equalizer van het audiosysteem uit
wanneer u die van de iPod®gebruikt.
Ontkoppel de iPod® -kabel wanneer de
iPod®niet gebruikt wordt met het
audiosysteem van het voertuig. Als u
dit niet doet, blijft de iPod®mogelijk
in de accessoiremodus en werkt de
iPod®mogelijk niet goed.
Gebruik een iPod® /iPhone®USB-
kabel korter dan 1 meter in lenge, lan-
gere kabels kunnen niet herkent wor-
den.
AANDACHT
- Vóór het gebruik van de tele-
foonfuncties van Bluetooth®
Wireless Technology (indien
van toepassing)
Bluetooth®Wireless Technology
Handsfree verwijst naar een apparaat
waarmee de gebruiker eenvoudig kan
bellen met een mobiele telefoon met
Bluetooth®Wireless Technology via
het audiosysteem.
Bluetooth®Wireless Technology ma-
akt het mogelijk meerdere apparaten
(zoals handsfree-sets, stereoheadsets,
draadloze afstandsbedieningen, enz.)
met elkaar te verbinden. Kijk voor
meer informatie op de Bluetooth®
Wireless Technology website op
www.Bluetooth.com. Vóór het geb-
ruik van de audiofuncties van
Bluetooth®Wireless Technology
Het woord Bluetooth®en de logo's zijn
geregistreerde handelsmerken van
Bluetooth®SIG, Inc. en voor het
gebruik van deze merken moet een
licentie zijn verleend. Andere handels-
merken en handelsnamen zijn eigen-
dom van de respectievelijke eigena-
ren. Om gebruik te maken van
Bluetooth®Wireless Technology is een
mobiele telefoon nodig die Bluetooth®-
compatibel is.
(Vervolg)
Kenmerken van uw voertuig
4 123
(Vervolg)
In de auto worden de volgende
Bluetooth®Wireless Technology-func-
ties ondersteund. Sommige functies
worden mogelijk niet ondersteund,
afhankelijk van uw Bluetooth®
Wireless Technology-apparaat.
- Handsfree bellen met Bluetooth®
Wireless Technology
- Het inenu gebruiken tijdens het bel-
len (overschakelen naar Private,
overschakelen naar wisselgesprek,
volume aanpassen)
- Oproepoverzicht downloaden
- Telefoonboek mobiele telefoon
downloaden
- Telefoonboek/Oproepoverzicht
Automatisch Downloaden
- Automatische verbinding for
Bluetooth®Wireless Technology-
apparaat
-BluBluetooth®etooth® Wireless
Technology-audio
Raadpleeg alvorens de Bluetooth®
Wireless Technology-functies van het
audiosysteem te gebruiken de handlei-
ding van uw telefoon voor wat betreft
de bediening van Bluetooth®Wireless
Technology op uw telefoon.
(Vervolg)
(Vervolg)
De telefoon moet aan het audiosys-
teem zijn gekoppeld voordat de
Bluetooth®Wireless Technology-func-
ties kunnen worden gebruikt.
Het koppelen van en verbinding
maken met een mobiele telefoon met
Bluetooth®Wireless Technology is
alleen mogelijk wanneer de optie
Bluetooth®Wireless Technology op
uw mobiele telefoon is ingeschakeld.
(De procedure voor het inschakelen
van Bluetooth®Wireless Technology is
afhankelijk van de mobiele telefoon.)
Bedien uw mobiele telefoon niet tij-
dens het rijden en pas de Bluetooth®
Wireless Technology-instellingen niet
aan tijdens het rijden (bijvoorbeeld
koppelen van een telefoon).
Zelfs als de telefoon Bluetooth®
Wireless Technology ondersteunt,
wordt de telefoon tijdens zoekacties
niet gevonden als de telefoon is inge-
steld op de status verborgen of als de
Bluetooth®Wireless Technology is uit-
geschakeld. Schakel de status verbor-
gen uit of schakel Bluetooth®Wireless
Technology in voordat u een verbin-
ding met het audiosysteem van de
auto maakt.
(Vervolg)
(Vervolg)
De handsfree-functies zijn niet
beschikbaar als uw telefoon (in de
auto) buiten het bereik van een tele-
foonnetwerk is (bijvoorbeeld in tun-
nels, ondergrondse parkeergarages, in
bergachtig gebied, enz.).
Als het telefoonsignaal zwak is of als
het te rumoerig is in de auto, kan de
gesprekspartner moeilijk te verstaan
zijn.
Leg de telefoon niet in de buurt van of
in metalen voorwerpen, omdat die de
communicatie met het Bluetooth®
Wireless Technology-systeem of de
mobiele telefoon kunnen verstoren.
Wanneer het audiosysteem in een
elektromagnetische omgeving wordt
geplaatst, ontstaat mogelijk ruis.
Sommige mobiele telefoons of andere
apparaten kunnen storingen veroor-
zaken in het audiosysteem. Door in
dat geval de apparaten op een andere
plaats op te bergen, kan de storing
verholpen worden.
(Vervolg)
Kenmerken van uw voertuig
1244
(Vervolg)
Als uw telefoon via Bluetooth®Wire-
less Technology verbonden is, kan de
batterij sneller ontladen raken vanwe-
ge het uitvoeren van extra Bluetooth®
Wireless Technology-functies.
Als Prioriteit wordt ingesteld wanneer
het contact aan (IGN/ACC ON) wordt
gezet, maakt de telefoon met
Bluetooth®Wireless Technology auto-
matisch verbinding. Zelfs wanneer u
buiten bent, maakt de telefoon met
Bluetooth®Wireless Technology auto-
matisch verbinding wanneer u in de
buurt van de auto komt. Als u niet
automatisch een verbinding wilt
maken tussen uw Bluetooth®Wireless
Technology-telefoon en het audiosys-
teem, probeert u het volgende.
1) Schakel de Bluetooth®Wireless
Technology-functie van uw mobie-
le telefoon uit.
2) Schakel de Bluetooth®Wireless
Technology-functie van uw audio-
systeem uit.
- Druk toets [SETUP/CLOCK]
[Phone] (telefoon) en [turn off] (uit-
schakelen) om de Bluetooth®Wire-
less Technology-functie van uw
audiosysteem uit te schakelen.
(Vervolg)
(Vervolg)
•De Bluetooth®Wireless Teclinology-
verbinding wordt bij sommige mobie-
le telefoons mogelijk regelmatig
onderbroken. Neem de volgende stap-
pen om opnieuw een verbinding te
maken.
1) Zet de Bluetooth®Wireless Techno-
logy-functie van de mobiele tele-
foon uit/aan eu probeer opnieuw
verbinding te maken.
2) Zet de mobiele telefoon uit/aan en
probeer opnieuw verbinding te
maken.
3) Verwijder de batterij uit de mobie-
le telefoon, plaats de batterij weer
terug, start de mobiele telefoon
weer en probeer opnieuw verbin-
ding te maken.
4) Start het Audiosysteem opnieuw en
probeer opnieuw verbinding te
maken.
5) Verwijder alle gekoppelde appara-
ten en probeer opnieuw verbinding
te maken.
Er kunnen maximaal vijf Bluetooth®
Wireless Technology-apparaten wor-
den gekoppeld met het audiosysteem
van de auto.
(Vervolg)
(Vervolg)
Sla namen van contactpersonen op in
het Engels, omdat deze anders moge-
lijk niet juist worden weergegeven.
Het volume en de geluidskwaliteit van
de handsfree-gesprekken kunnen per
mobiele telefoon verschillen.
Er kan slechts één Bluetooth®Wireless
Technology-apparaat per keer zijn
verbonden.
In sommige telefoons kan het inscha-
kelen van het contact tijdens een
handsfree telefoon-gesprek via Blue-
tooth®Wireless Technology ervoor
zorgen dat het gesprek wordt beëin-
digd. (Schakel het gesprek terug naar
uw mobiele telefoon wanneer u het
contact inschakelt.)
Wanneer de mobiele telefoon niet is
gekoppeld of verbonden, is het niet
mogelijk de telefoonmodus in te scha-
kelen. Wanneer een telefoon is gekop-
peld of verbonden, wordt het instruc-
tiescherm weergegeven.
Kenmerken van uw voertuig
4 125
OPMERKING
Bluetooth®Wireless Technology
Handsfree is een functie die veili-
ger rijden mogelijk maakt. Als u
een verbinding maakt tussen hét
audiosysteem van de auto en de
Bluetooth®Wireless Technology~
telefoon, kunt u eenvoudig bel-
len, oproepen ontvangen en het
telefoonboek beheren. Lees eerst
zorgvuldig deze handleiding door
voordat u de Bluetooth®Wireless
Technology gebruikt
Het veelvuldig gebruiken of
bedienen tijdens het rijden kan
leiden tot onoplettendheid waar-
door ongelukken kunnen ont-
staan.
Gebruik het apparaat niet te vaak
tijdens het rijden.
Langere tijd naar het scherm kij-
ken tijdens het rijden, is gevaar-
lijk en kan leiden tot ongelukken.
Kijk tijdens het rijden slechts kort
op het scherm.
Kenmerken van uw voertuig
1264
Radiomodus
(uitvoeringen met RDS)
Met deToets Radiomodus
Zoeken
Druk toets [SEEK/TRACK].
Druk de toets kort in: wijzigt de fre-
quentie.
Houd de toets ingedrukt: Automatisch
naar de volgende frequentie zoeken.
Preset
Druk op toets [1] ~ [6].
Druk de toets kort in: Stemt af op de
frequentie die onder de bijbehorende
toets is opgeslagen.
Houd de toets ingedrukt: Wanneer
toets [1] ~ [6] ingedrukt wordt gehou-
den, wordt de radiozender waar u op
dat moment naar luistert opgeslagen
onder deze toets en klinkt er een biep-
signaal.
Scan
Druk toets [TA/SCAN].
Houd de toets ingedrukt: De radiofre-
quentie wordt hoger en iedere radio-
zender is 5 seconden te horen. Na het
scannen van alle frequenties wordt er
teruggekeerd naar de actuele radiofre-
quentie.
Zenderselectie bij handmatig zoeken
Draai knop TUNE linksom/rechtsom om
de frequentie in te stellen.
Verkeersinformatie (TA - Traffic
Announcement)
Kort indrukken van de toets [TA/SCAN]:
De modus TA (Traffic Announcement,
verkeersinformatie) [On/Off] instellen.
MENU: Radio
Na op toets [MENU] te drukken kunt u
kiezen uit de functies AST (Auto Store)
en info.
AST (Auto store): [1] Toets
Selecteer AST (Auto Store) om frequen-
ties met goede ontvangst op te slaan
onder voorkeuzezenders [1] ~[6].
Worden er geen frequenties ontvangen,
dan wordt er afgestemd op de als laatste
ontvangen frequentie.
Opslaan onder voorkeuzetoetsen [1] ~
[6] is alleen mogelijk in de FMA- of AMA-
modus.
AF (Alternatieve Frequentie): [2]
Toets
De optie voor Alternatieve Frequentie
kan worden in- en uitgeschakeld.
Regio: [3] Toets
De regio-optie kan worden in- of uitge-
schakeld.
Kenmerken van uw voertuig
4 127
Niews: [4] Toets
De niews-optie kan worden in- of uitge-
schakeld.
Info Volume
Info Volume verwijst naar het geluidsvo-
lume over het ontvangen van Nieuws of
Verkeersinformatie.
Het informatievolume kan worden gere-
geld door de knop VOL linksom/recht-
som te draaien tijdens nieuws- of ver-
keersuitzendingen. AF, Region, en News
zijn RDS-menu's.
DAB Radio Mode (indien van toe-
passing)
With the Radio Mode Button
Zoeken
Druk toets [SEEK/TRACK].
Druk de toets kort in: wijzigt de fre-
quentie.
Houd de toets ingedrukt: Automatisch
naar de volgende frequentie zoeken.
Ensemble
Druk op de toets [FOLDER].
Zoek het Ensemble. Gebruik de
TUNE-knop voor het gewenste En-
semble en het selecteren van stations
binnen het Ensemble.
Kenmerken van uw voertuig
1284
Voorkeuzetoets Zoeken
Druk op de toets [1] ~ [6].
Kort indrukken van de toets: stemt af
op het radiostation die onder de bijbe-
horende toets is opgeslagen.
Toets ingedrukt houden: Wanneer
toets [1] ~ [6] ingedrukt wordt gehou-
den, wordt de radiostation waar u op
dat moment naar luistert opgeslagen
onder deze toets en klinkt er een biep-
signaal.
Scan
Druk op de toets [TA/SCAN].
Toets ingedrukt houden: De uitzend-
station wordt hoger en iedere uitzen-
dingen is 5 seconden te horen.
Na het scannen van alle radiostations
wordt er teruggekeerd naar de actuele
uitzendstation.
Zenderselectie bij handmatig zoeken
Draai de knop TUNE naar links of rechts
om naar de station te selecteren.
Verkeersinformatie (TA - Traffic
Announcement)
Kort indrukken van de toets [TA/SCAN]:
De modus TA (Traffic Announcement,
verkeersinformatie) [On/Off] instellen.
MENU: DAB Radio
Na op toets [MENU] te drukken kunt u
kiezen uit de functies Service.F (Service
Following) en L-Band.
Service Following
Wanneer het DAB-signaal zwak is, zal de
Service Following-functie automatisch
omschakelen naar de corresponderende
FM-zender, indien deze beschikbaar is.
Kenmerken van uw voertuig
4 129
Radiomodus
(Type A-4, Type A-5)
Met deToets Radiomodus
Zoeken
Druk toets [SEEK/TRACK].
Druk de toets kort in: wijzigt de fre-
quentie.
Houd de toets ingedrukt: Automatisch
naar de volgende frequentie zoeken.
Preset
Druk op toets [1] ~ [6].
Druk de toets kort in: Stemt af op de
frequentie die onder de bijbehorende
toets is opgeslagen.
Houd de toets ingedrukt: Wanneer
toets [1] ~ [6] ingedrukt wordt gehou-
den, wordt de radiozender waar u op
dat moment naar luistert opgeslagen
onder deze toets en klinkt er een biep-
signaal.
Scan
Druk toets [TA/SCAN].
Houd de toets ingedrukt: De radiofre-
quentie wordt hoger en iedere radio-
zender is 5 seconden te horen. Na het
scannen van alle frequenties wordt er
teruggekeerd naar de actuele radiofre-
quentie.
Toets ingedrukt houden: De uitzend-
station wordt hoger en iedere [1] ~ [6]
uitzendingen is 5 seconden te horen.
Zenderselectie bij handmatig zoeken
Draai knop TUNE linksom/rechtsom om
de frequentie in te stellen.
MENU: Radio
Druk toets [MENU] met knop AST (Auto
store).
AST (Auto store): [1] Toets
Selecteer AST (Auto Store) om frequen-
ties met goede ontvangst op te slaan
onder voorkeuzezenders [1] ~ [6].
Worden er geen frequenties ontvangen,
dan wordt er afgestemd op de als laatste
ontvangen frequentie.
Kenmerken van uw voertuig
1304
Mediamodus
Met de Toets Radiomodus
Druk op de toets [MEDIA] in om de
modus te wijzigen in de volgorde USB
(iPod®) AUX My Music* BT
(Bluetooth®) Audio*.
De naam van de map/bestandsnaam
wordt op het scherm weergegeven.
* indien van toepassing
USB-muziek wordt automatisch afge-
speeld wanneer een USB-stick wordt
aangesloten.
Herhalen
Tijdens het afspelen van een muziekstuk
(bestand) [RPT]-toets
USB, iPod®, My Music* modus RPT op
het scherm
Eén muziekstuk herhalen (toets kort
indrukken): Herhalen het huidige num-
mer.
USB modus: FLD.RPT op het scherm
Map herhalen (twee keer indrukken):
Alle bestanden in de actuele map wor-
den herhalen.
Druk toets [RPT] nogmaals in om het
herhalen uit te schakelen.
* indien van toepassing
MP3 CD-modus
Audio CD-modus
My Music-modus
USB-modus
Kenmerken van uw voertuig
4 131
Willekeurig
Tijdens het afspelen van een muziekstuk
(bestand) -toets [RDM]
Audio CD*, My Music-modus: RDM op
het scherm
Willekeurig (toets kort indrukken): Alle
muziekstukken worden in willekeurige
volgorde afgespeeld.
MP3 CD*, USB modus: FLD.RDM op het
scherm USB mode: FLD.RDM on screen
Map willekeurig (toets kort indrukken):
Alle bestanden in de actuele map wor-
den in willekeurige volgorde afge-
speeld.
MP3 CD*, USB modus: ALL RDM op het
scherm
Willekeurig (twee keer indrukken): Alle
bestanden worden in willekeurige volg-
orde afgespeeld.
iPod®-modus: RDM op het scherm
Willekeurig (toets kort indrukken): Alle
bestanden worden in willekeurige volg-
orde afgespeeld.
Druk de toets [RDM] nogmaals in om het
afspelen in willekeurige volgorde uit te
schakelen.
* indien van toepassing
Muziekstuk/bestand wijzigen
Tijdens het afspelen van een muziekstuk
(bestand) [SEEK/TRACK
]-toets
Druk de toets kort in: Het actuele
muziekstuk worden vanaf het begin
afgespeeld.
Als toets [SEEK/TRACK
] binnen 1
seconde nogmaals wordt ingedrukt,
wordt het vorige muziekstuk afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt: het muziek-
stuk wordt teruggespoeld.
Tijdens het afspelen van een muziekstuk
(bestand) [SEEK/TRACK
]-toets
Druk de toets kort in: Speelt het vol-
gende nummer.
- Houd de toets ingedrukt: Het muziek-
stuk wordt vooruitgespoeld.
Scan (uitvoeringen met RDS)
Houd de toets [TA/SCAN] ingedrukt:
Van alle muziekstukken vanaf het vol-
gende muziekstuk worden de eerste
10 seconden afgespeeld.
Houd nogmaals de toets [TA/SCAN]
ingedrukt om de functie uit te schake-
len.
De SCAN functie is in de iPod®-modus
niet ondersteunt.
Scan (Uitvoeringen Met RDS)
Houd de toets [TA/SCAN] ingedrukt:
Van alle muziekstukken vanaf het vol-
gende muziekstuk worden de eerste
10 seconden afgespeeld.
Houd nogmaals de toets [TA/SCAN]
ingedrukt om de functie uit te schake-
len.
De SCAN functie is in de iPod®-modus
niet ondersteunt.
Mapzoekfunctie (Alleen USB-modus)
Tijdens het afspelen van een bestand
[FOLDER
]-toets
Door de volgende map bladeren.
Tijdens het afspelen van een bestand
[FOLDER
]-toets
Door bovenliggende map bladeren.
Wanneer een map wordt geselecteerd
met knop TUNE dan wordt het eerste
bestand in de geselecteerde map afge-
speeld.
* indien van toepassing
Door muziekstukken/bestanden bla-
deren
Draaien aan knop TUNE: Door
muziekstukken (bestanden) bladeren.
Drukken op knop TUNE: Geselecte-
erde muziekstuk afspelen (bestand).
Kenmerken van uw voertuig
1324
MENU: Audio CD (indien van toepas-
sing)
Druk de [MENU]-toets voor de modus
CD MP3 in om de functies Repeat,
Random, Information te gebruiken.
Herhalen: [1] Toets
Herhalen het huidige nummer.
Druk nogmaals op RPT om de functie uit
te schakelen.
Map willekeurig: [2] Toets
Willekeurig afspelen van de muziekstuk-
ken in de huidige map.
Druk nogmaals op RDM om de functie uit
te schakelen.
Map Herhalen: [3] Toets
Alle muziekstukken in de actuele map
herhalen.
Druk nogmaals op [MENU] om de func-
tie uit te schakelen.
MENU: MP3 CD*, USB
Druk de [MENU]-toets voor de modus
USB in om de functies Repeat, Folder
Random, Folder Repeat, All Random,
Information en Copy te gebruiken.
* indien van toepassing
Herhalen: [1] Toets
Herhalen het huidige nummer.
Druk nogmaals op RPT om de functie uit
te schakelen.
Map willekeurig: [2] Toets
Willekeurig afspelen van de muziekstuk-
ken in de huidige map.
Druk nogmaals op F.RDM om de functie
uit te schakelen.
Map Herhalen: [3] Toets
Alle muziekstukken in de actuele map
herhalen.
Druk nogmaals op F.RPT om de functie
uit te schakelen.
Alle muziekstukken willekeurig: [4]
Toets
Willekeurig afspelen van de alle muziek-
stukken in de modi USB.
Druk nogmaals op A.RDM om de functie
uit te schakelen.
Informatie: [5] Toets
Om informatie over het actuele muziek-
stuk weer te geven.
Druk toets [MENU] in om de informatie-
weergave uit te schakelen.
Kopiëren: [6] Toets (indien van toe-
passing)
Wordt gebruikt om het actuele muziek-
stuk te kopiëren naar My Music. U kunt
de gekopieerde muziek afspelen in de
modus My Music.
Wanneer tijdens het kopiëren een toets
wordt ingedrukt, verschijnt er een pop-up
waarin wordt gevraagd of u het kopiëren
wenst af te breken.
Wanneer tijdens het kopiëren andere
media (USB, iPod®, AUX) worden aange-
sloten of ingevoerd, wordt het kopiëren
afgebroken.
Er wordt geen muziek afgespeeld tijdens
het kopiëren.
* indien van toepassing
Kenmerken van uw voertuig
4 133
MENU: iPod®
Druk in de iPod®-modus op de toets
[MENU] om de functies voor herhalen,
afspelen in willekeurige volgorde, infor-
matie en zoeken in te stellen.
Herhalen: [1] Toets
Herhalen het huidige nummer.
Druk nogmaals op RPT om de herhaal-
functie uit te schakelen.
Willekeurig: [2] Toets
Alle muziekstukken in de actuele
afspeelcategorie worden in willekeurige
volgorde afgespeeld.
Druk nogmaals op RDM om de functie uit
te schakelen.
Informatie: [3] Toets
Om informatie over het actuele muziek-
stuk weer te geven.
Druk toets [MENU] in om de informatie-
weergave uit te schakelen.
Zoeken: [4] Toets
Hiermee geeft u de iPod®-categorielijst
weer.
Terwijl in iPod®categorie sublijsten, druk
op de [MENU] knop om naar de boven-
liggende categorie te gaan.
MENU: AUX
AUX wordt gebruikt om de externe
MEDIA af te spelen die op dat moment
via de AUX-ingang zijn aangesloten.
De AUX-modus wordt automatisch inge-
schakeld wanneer via de AUX-ingang
een extern apparaat wordt aansloten.
Als er een extern apparaat is aangeslo-
ten, kunt u ook toets [MEDIA] indrukken
om de AUX-modus in te schakelen.
De AUX-modus kan niet worden inge-
schakeld tenzij er een extern apparaat is
aangesloten op de AUX-ingang.
AANDACHT - De AUX-aanslui-
ting gebruiken
Steek de AUX-kabel stevig in de AUX-
ingang om deze te gebruiken.
MENU: My Music
(indien van toepassing)
Druk in de My Music-modus op toets
[MENU] om de functie Repeat, Random,
Information, Delete, Delete All of Delete
Selection in te schakelen.
Herhalen: [1] Toets
Herhaalt het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld.
Druk nogmaals op RPT om de herhaal-
functie uit te schakelen.
Willekeurig: [2] Toets
Alle muziekstukken worden in willekeuri-
ge volgorde afgespeeld.
Druk nogmaals op RDM om de functie uit
te schakelen.
Kenmerken van uw voertuig
1344
Informatie: [3] Toets
Om informatie over het actuele muziek-
stuk weer te geven.
Druk toets [MENU] in om de informatie-
weergave uit te schakelen.
Delete (Verwijderen): [4] Toets
Verwijdert het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld
Wanneer in het afspeelscherm op
Delete wordt gedrukt, wordt het
muziekstuk dat op dat moment wordt
afgespeeld verwijderd.
Verwijdert bestand uit lijst
Selecteer het bestand dat u wilt ver-
wijderen met knop TUNE.
Druk op toets [MENU] en selecteer
het menu [Delete] om het geselecteer-
de bestand te verwijderen.
Alle muziekstukken verwijderen: [5]
Toets
Verwijdert alle muziekstukken uit My Music.
Selectie verwijderen: [6] Button
De muziekstukken in My Music worden
geselecteerd en verwijderd.
Selecteer de muziekstukken die u uit
de lijst wilt verwijderen.
Druk na het selecteren op toets
[MENU] en selecteer het menu
Delete.
AANDACHT - My Music
gebruiken
Er kunnen maximaal 6.000 muziek-
stukken worden opgeslagen, zelfs
wanneer er dan nog geheugen vrij is.
Leder muziekstuk kan tot 1.000 keer
worden gekopieerd.
Geheugeninformatie kan worden
gecontroleerd in het menu System
onder Setup.
MENU: Bluetooth®Wireless
Technology Audio
(indien van toepassing)
Wanneer BT (
Bluetooth®
) Audio wordt
geselecteerd, wordt
Bluetooth®
Wireless
Technology-audio afgespeeld.
Bij sommige mobiele telefoons zal de
audio niet automatisch worden afge-
speeld.
Afspelen/Onderbreken
Druk op knop TUNE om het actuele
muziekstuk af te spelen en te onderbre-
ken.
De functies vorig muziekstuk/volgend
muziekstuk/afspelen/onderbreken wor-
den bij sommige mobiele telefoons
mogelijk niet ondersteund.
Kenmerken van uw voertuig
4 135
Telefoonmodus
(indien van toepassing)
Bellen via de stuurwieltoetsen
De aanwezigl functies kan afwijken
van de afbeelding.
(1) INHOUD
Verhogen of verlagen van het luidspre-
kervolume.
(2) MUTE
Uitschakelen van de microfoon tijdens
een gesprek.
(3) CALL
Aannemen en doorschakelen van ge-
sprekken.
Oproepoverzicht controleren en ge-
sprek starten
- Druk de toets [CALL] kort in op het
stuurwielondersteuning.
- De lijst van de oproepoverzicht wordt
weergegeven op het scherm.
- Druk nogmaals op toets [CALL] om
het geselecteerde nummer te bellen.
Het als laatste gebelde nummer
opnieuw bellen
- Houd de toets [CALL] ingedrukt op
het stuurwielondersteuning.
- Het als laatste gebelde nummer
wordt opnieuw gebeld.
(4) END
Beëindigen van gesprekken of uitschake-
len van functies.
WAARSCHUWING -
Afleiden van het rijden
Wanneer u tijdens het rijden wordt
afgeleid, kunt u de controle over de
auto verliezen, waardoor ongeval-
len en ernstig letsel veroorzakt
kunnen worden. De eerste verant-
woordelijkheid voor de bestuurder
is een veilige bediening van de auto
volgens de geldende verkeersre-
gels. Mobiele apparatuur of syste-
men in de auto die de blik, aan-
dacht en concentratie van de
bestuurder afleiden van een veilige
bediening, of die door de wet ver-
boden zijn, mogen tijdens het rij-
den nooit gebruikt worden.
Kenmerken van uw voertuig
1364
MENU: Telefoon (Type A-1)
Druk toets [PHONE] in om de drie
menu's weer te geven (Call History
(Oproepoverzicht), Phone book (tele-
foonboek), Phone Setup (telefoon instel-
len).
Overzicht: [1] Toets
Het oproepoverzicht wordt weergegeven
en kan worden gebruikt om een nummer
te selecteren en te bellen.
Wanneer er geen oproepoverzicht
bestaat, verschijnt er een scherm waarop
wordt gevraagd of er een oproepover-
zicht moet worden gedownload. (De
downloadfunctie wordt op sommige
mobiele telefoons mogelijk niet onder-
steund)
P.Book: [2] Toets
Het telefoonboek wordt weergegeven en
kan worden gebruikt om een nummer te
selecteren dat vervolgens gebeld kan
worden.
Als er bij één telefoonboek meerdere
nummers zijn opgeslagen, worden op
een scherm het mobiele nummer, het
privénummer en het zakelijke nummer
weergegeven. Selecteer het gewenste
nummer om te bellen.
Als er geen telefoonboek is, verschijnt er
een scherm waarin gevraagd wordt of er
een telefoonboek moet worden gedown-
load. (De downloadfunctie wordt op som-
mige mobiele telefoons mogelijk niet
ondersteund)
Instellingen: [3] Toets
Het instelscherm voor de mobiele tele-
foon met
Bluetooth®
Wireless Technology
wordt weergegeven. Raadpleeg voor
meer informatie “Telefoon instellen”.
MENU: Telefoon (Type A-4)
Druk toets [PHONE] in om de drie
menu's weer te geven (Call History
(Oproepoverzicht), Contacts (telefoon-
boek), Phone Setup (telefoon instellen).
Overzicht: [1] Toets
Het oproepoverzicht wordt weergegeven
en kan worden gebruikt om een nummer
te selecteren en te bellen.
Wanneer er geen oproepoverzicht
bestaat, verschijnt er een scherm waarop
wordt gevraagd of er een oproepover-
zicht moet worden gedownload. (De
downloadfunctie wordt op sommige
mobiele telefoons mogelijk niet onder-
steund)
Kenmerken van uw voertuig
4 137
Contactpersonen: [2] Toets
Het Contacten wordt weergegeven en
kan worden gebruikt om een nummer te
selecteren dat vervolgens gebeld kan
worden.
Als er bij één contact meerdere nummers
zijn opgeslagen, worden op een scherm
het mobiele nummer, het privénummer
en het zakelijke nummer weergegeven.
Selecteer het gewenste nummer om te
bellen.
Als er geen contacten is, verschijnt er
een scherm waarin gevraagd wordt of er
een contactpersonen moet worden
gedownload. (De downloadfunctie wordt
op sommige mobiele telefoons mogelijk
niet ondersteund)
Instellingen: [3] Toets
Het instelscherm voor de mobiele tele-
foon met Bluetooth®Wireless Technology
wordt weergegeven. Raadpleeg voor
meer informatie “Telefoon Instellen”.
Setup Modus
Gebruik de TUNE-knop om door de
Setup menu's te scrollen. Wanneer het
gewenste item oplicht, druk op de knop
om het te selecteren.
Menu Display
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [Display].
Pop-up modus
[Modus pop-up] Wijzigt de keuzemo-
dus [On]
Druk in de stand Aan op toets [RADIO]
of [MEDIA] om de modus voor het wij-
zigen van het pop-upscherm weer te
geven.
Scrolltekst
[Scroll text] Zet [uit/aan].
[On]: Blijft scrollen.
[Off]: Scrollt slechts één (1) keer.
Informatie muziekstuk
Wanneer een MP3-bestand wordt afge-
speeld, selecteer dan de gewenste
scherminformatie.
Kenmerken van uw voertuig
1384
Geluidmenu
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [Sound].
Audio-instellingen
In dit menu kunt u 'Bass, Middle en
Treble' en de Fader en Balance instellen.
Selecteer [Audio Settings] (Audio-instel-
lingen) Selecteer [Menu].
Return (Terug): Wanneer bij het aan-
passen van de waarden knop TUNE
wordt ingedrukt, wordt er teruggekeerd
naar het hoofdmenu.
Bass, Middle, Treble: Selecteert de
toonhoogte.
Fader, Balance: Verplaatst de fader en
de balans van het geluid.
Default: herstelt de oorspronkelijke
instellingen.
Virtual Sound (Virtueel Geluid)
De PowerTreble, en Surround kan inge-
steld worden.
Selecteer [Virtual [Sound] Selecteer
de menu.
PowerTreble: Deze optie van het
audio-systeem levert krachtige hoge
tonen.
Surround: Dit is een geluidssysteem
functie die surround geluid voorziet.
SDVC (snelheidsafhankelijke volume-
regeling) (Type A-1, A-2, A-3)
Deze optie wordt gebruikt om het volu-
meniveau automatisch te regelen aan de
hand van de rijsnelheid.
Selecteer [Speed Dependent Vol.]
(Snelheidsafhankelijke volumeregeling)
Schakelt de SDVC in/uit door de knop
TUNE in te drukken. Zet [uit/aan].
Kenmerken van uw voertuig
4 139
SDVC (snelheidsafhankelijke volume-
regeling) (Type A-4, A-5)
Deze optie wordt gebruikt om het volu-
meniveau automatisch te regelen aan de
hand van de rijsnelheid.
Selecteer [Speed Dependent Vol.]
(Snelheidsafhankelijke volumeregeling)
Schakelt de SDVC in/uit door de knop
TUNE in te drukken. Zet [uit/aan].
Menu Klok
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [Clock].
Type A-1, A-2, A-3
Type A-4, A-5
Kenmerken van uw voertuig
1404
Instellingen Klok
Dit menu wordt gebruikt om de tijd in te
stellen.
Select [Clock Settings] (Instellingen
klok).
Stel het geselecteerde cijfer in om [hour]
in te stellen en druk op knop TUNE om
[minute] in te stellen.
Datuminstellingen
Dit menu wordt gebruikt om de datum in
te stellen.
Select [Day Settings] (Datuminstellin-
gen).
Stel het geselecteerde cijfer in om de
instelling aan te passen en druk op knop
TUNE om naar de volgende instelling te
gaan.
Time Format (Tijdsweergave) (Uit-
voeringen met RDS)
Deze functie wordt gebruikt om de tijd op
het audiosysteem in te stellen op 12 of
24 uursweergave.
Selecteer [Time Format] Selecteer
12Hr of 24Hr.
Weergave klok bij uitgeschakeld con-
tact
Selecteer [Clock Djspl (contact is uit)
Zet [uit/aan].
[On]: Geeft de tijd/datum weer op het
scherm
[Off]: Uitschakelen.
Automatische tijdweergave (Automa-
tic RDS Time) via RDS
Deze optie wordt gebruikt om de tijd
automatisch aan te passen door synch-
ronisatie met RDS.
Selecteer [Automatic RDS Time] Zet
[uit/aan].
[On]: Automatische tijdsaanpassing
ingeschakeld.
[Off]: Uitschakelen.
AANDACHT
Omdat sommige lokale radio's geen
automatische RDS-tijd-functie onder-
steunen, kunnen sommige RDS-zenders
geen juiste tijd weergeven.
Als de verkeerde tijd wordt weergege-
ven, stelt u deze handmatig in aan de
hand van de stappen onder "instellingen
klok" in de vorige pagina.
Kenmerken van uw voertuig
4 141
Telefoonmenu
(indien van toepassing)
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [Phone].
Telefoon koppelen
Selecteer [Pair Phone].
Zoek naar apparaatnamen zoals deze
op uw mobiele telefoon verschijnen en
maak verbinding.
SSP: Secure Simple Pairing
Niet SSP ondersteunt apparaat:
Na een paar seconden wordt er een
scherm weergegeven waarin u uw
wachtwoord kunt invoeren.
Type A-1
Type A-4 OPMERKING
Om de auto te koppelen aan een
telefoon met Bluetoot®Wireless
Technology, moeten eerst de
authenticatie- en verbindingspro-
cessen worden uitgevoerd. U kunt
daarom geen mobiele telefoon kop-
pelen tijdens het rijden. Parkeer
eerst uw auto.
Kenmerken van uw voertuig
1424
Voer in dit scherm het wachtwoord
"0000" in om uw
Bluetooth®
Wireless
Technology-apparaat te koppelen aan
het audiosysteem van de auto.
SSP ondersteunt apparaat:
Na enkele ogenblikken, wordt er een
scherm weergegeven dat de 6-cijferi-
ge passkey heeft van elk nabijgelegen
SSP-apparaat dat er is gevonden.
Controleer de passkey op uw
Bleutooth®
Wireless Technology.
De apparaatnaam en het wachtwoord
worden maximaal 3 minuten weergege-
ven. Wanneer het koppelen niet binnen 3
minuten wordt voltooid, wordt het koppel-
precies automatisch afgebroken.
Er wordt weergegeven dat het koppe-
len is voltooid.
Bij sommige mobiele telefoons wordt er
na het koppelen automatisch verbinding
gemaakt.
Er kunnen maximaal vijf mobiele tele-
foons met
Bluetooth®
Wireless Techno-
logy aan de auto worden gekoppeld.
Telefoonlijst
De namen van de maximaal 5 gekoppel-
de telefoons worden weergegeven.
Voor de actueel verbonden telefoon
wordt [] weergegeven.
Selecteer de gewenste naam om de
geselecteerde telefoon in te stellen.
• Verbinding maken met een telefoon
Selecteer [Phone List] Selecteer de
mobiele telefoon Selecteer [Connect
Phone].
Selecteer een mobiele telefoon waar-
mee geen verbinding is gemaakt.
Maak verbinding met de geselecteer-
de mobiele telefoon.
Er wordt weergegeven dat het verbin-
den is voltooid.
Wanneer er reeds een telefoon is ver-
bonden, koppel deze dan los en selec-
teer de telefoon die u wilt verbinden.
Kenmerken van uw voertuig
4 143
Loskoppelen van een verbonden tele-
foon
Selecteer [Phone List] Selecteer de
mobiele telefoon Selecteer [Discon-
nect Phone].
Selecteer de verbonden mobiele tele-
foon.
Koppel de geselecteerde mobiele
telefoon los.
Er wordt weergegeven dat het loskop-
pelen is voltooid.
Wijzigen van de volgorde van verbin-
den (prioriteit)
Deze functie wordt gebruikt om de volg-
orde (prioriteit) vast te leggen voor het
automatisch verbinden van gekoppelde
mobiele telefoons.
Selecteer [Phone List] Selecteer
[Priority] Selecteer de mobiele tele-
foon met prioriteit nr.1.
Selecteer [Priority].
Selecteer uit de gekoppelde telefoons
de mobiele telefoon waarbij prioriteit
nr. 1 is gewenst.
De gewijzigde prioriteitsvolgorde
wordt weergegeven.
Wanneer de volgorde van verbinden (pri-
oriteit) is gewijzigd, wordt er verbinding
gemaakt met de mobiele telefoon met
prioriteit nr.
Wanneer er geen verbinding kan worden
gemaakt met de telefoon met prioriteit
nr.1: Er wordt automatisch geprobeerd
verbinding te maken met de als laatste
aangesloten telefoon.
In gevallen waarbij geen verbinding kan
worden gemaakt met de als laatste aan-
gesloten telefoon: Er wordt geprobeerd
verbinding te maken met de telefoons in
de volgorde van de opgesomde gekop-
pelde telefoons.
De verbonden telefoon krijgt automatisch
prioriteit nr.
• Delete (verwijderen)
Selecteer [Phone List]Selecteer een
mobiele telefoonSelecteer [Delete].
Selecteer de gewenste mobiele tele-
foon.
Verwijder de gewenste mobiele tele-
foon.
Er wordt weergegeven dat het verwij-
deren s voltooid.
Wanneer wordt geprobeerd een verbon-
den telefoon te verwijderen, dan wordt
deze telefoon eerst losgekoppeld.
OPMERKING
Wanneer u een mobiele telefoon
verwijderd, worden ook de con-
tactpersonen van deze mobiele
telefoon gewist.
Voor een stabiele communicatie
via Bluetooth®Wireless Techno-
logy, moet de mobiele telefoon
worden verwijderd uit het audio-
systeem en moet de audio van uw
mobiele telefoon worden verwij-
derd.
Kenmerken van uw voertuig
1444
Downloaden van het Telefoonboek
Deze functie wordt gebruikt om contact-
personen en gespreksgeschiede-nis te
downloaden naar het audiosysteem.
Selecteer [Phone book Download] (tele-
foonboek downloaden).
Automatisch downloaden
Bij het verbinden met een mobiele tele-
foon kunnen automatisch nieuwe con-
tactpersonen en gespreksgeschiede-nis-
gegevens worden gedownload.
Selecteer [Auto Download] (Automatisch
downloaden) Zet [uit/aan].
Audio streamen (Type A-4)
De muziekstukken (bestanden) op uw
mobiele telefoon met Bluetooth®Wire-
less Technology kunnen via het audio-
systeem worden afgespeeld.
Selecteer [Audio Streaming] Selecteer
[On/Off] met knop TUNE.
Uitgangsvolume
Wordt gebruikt om het volume van uw
stem in te stellen, zoals deze wordt ont-
vangen door uw gesprekspartner wan-
neer u handsfree belt met een telefoon
met
Bluetooth®
Wireless Technology.
Selecteer [Outgoing Volume] Stel het
volume.
Tijdens het voeren van een gesprek kan
het volume worden gewijzigd met de
toets [SEEK/TRACK].
Het Bluetooth-systeem uitschakelen
Deze functie wordt gebruikt wanneer u
geen gebruik wilt maken van het
Bluetooth®
Wireless Technology-sys-
teem.
Selecteer [Bluetooth System Off].
Wanneer er reeds verbinding is met een
telefoon, koppel deze telefoon dan los en
schakel het
Bluetooth®
Wireless Tech-
nology-systeem uit.
OPMERKING
De downloadfunctie wordt door
sommige mobiele telefoons
mogelijk niet ondersteund.
Verwijder alle eerder opgeslagen
contactpersonen voordat u nieu-
we contactpersonen gaat downlo-
aden.
Wanneer tijdens het downloaden
van contactpersonen een andere
functie wordt gebruikt, wordt het
downloaden gestopt. De contact-
personen die dan reeds gedown-
load zijn, wordt opgeslagen.
OPMERKING
De audiostreamfunctie via Blue-
tooth®Wireless Technology wordt
bij sommige mobiele telefoons mo-
gelijk niet ondersteund.
Kenmerken van uw voertuig
4 145
Het gebruik van de Bluetooth®
Wireless Technology Systeem
Voer de volgende stappen uit om het
Bluetooth®
Wireless Technology-systeem
in te schakelen wanneer het systeem uit-
geschakeld is.
Schakel de
Bluetooth®
Wireless Tech-
nology in door toets [PHONE] in te
drukken.
Druk toets [PHONE] Instructies op het
scherm.
De functies van de
Bluetooth®
Wireless
Technology kunnen worden gebruikt en
er worden instructies weergegeven.
Schakel de
Bluetooth®
Wireless Tech-
nology in door toets [SETUP/ CLOCK]
in te drukken.
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [Phone].
Er wordt een scherm weergegeven
waarop wordt gevraagd of de
Bluetooth®
Wireless Technology moet
worden ingeschakeld.
Selecteer (YES) op het scherm om de
Bluetooth®
Wireless Technology in te
schakelen en instructies weer te
geven.
Als het
Bluetooth®
Wireless Technology-
systeem is ingeschakeld, probeert het
systeem automatisch verbinding te
maken met de als laatste via
Bluetooth®
Wireless Technology aangesloten mo-
biele telefoon.
Menu Systeem
Druk toets [SETUP/CLOCK] Selec-
teer [System].
Geheugeninformatie (indien van toe-
passing)
Geeft het actueel gebruikte geheugen en
het totale systeemgeheugen weer.
Selecteer [Memory Information] [OK].
Het actueel gebruikte geheugen wordt
aan de linkerzijde weergegeven en het
totale systeemgeheugen aan de rechter-
zijde.
Kunnen verschillen afhankelijk van de
geselecteerde audio.
Taal
Dit menu wordt gebruikt om de weerga-
vetaal en de taal van de stemherkenning
in te stellen.
Selecteer [Language].
Het systeem start opnieuw op nadat de
taal is gewijzigd.
Taalondersteuning per regio.
Type A-4, A-5
Type A-1, A-2, A-3
Kenmerken van uw voertuig
1464
BIJLAGE
Naam Beschrijving
AST (Auto store) Automatisch selecteren en
opslaan van zenders
SDVC SDVC (Snelheidsafhankelijke
Volumeregeling)
Kenmerken van uw voertuig
4 147
CE
Verklaring van Conformiteit
Het besturen van uw voertuig
Voor het rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-4
Voor het instappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-4
Voor het starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-4
Ontstekingssleutel. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-5
Positie van contactsleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-5
Starten van de motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-6
Start/stop-knop motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-7
Verluchte start-/stopknop van de motor. . . . . . . . . . . 5-7
Stand van de start-/stopknop van de motor . . . . . . . . 5-7
Starten van de motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-10
Handgeschakelde versnellingsbak . . . . . . . . . . . . 5-12
Bediening van de handgeschakelde
versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-12
Goede rijpraktijken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-13
Automatisch versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . . . 5-15
Automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-16
Parkeer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-19
Goede rijpraktijken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-19
Remsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-21
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-21
Schijfremmen slijtage indicator . . . . . . . . . . . . . . . . 5-22
Parkeerrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-22
Anti-blokker Remsysteem (ABS) . . . . . . . . . . . . . . . 5-24
Elektronische Stabiliteitscontrole (ESC). . . . . . . . . . 5-27
Stabiliteitssysteem van de wagen
(Vehicle stability management (VSM) . . . . . . . . . . 5-30
Assistentie bij hellingproef (HAC). . . . . . . . . . . . . . . 5-31
Noodstopsignaal (ESS) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-31
Goed gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-32
Voorwaarts Botsing Waarschuwingssysteem
(FCW) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-33
FCW-werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-33
Beperkingen van het systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-34
Waarschuwingssysteem voor het
Onbedoeld Verlaten (LDWS) . . . . . . . . . . . . . . . . 5-35
LDWS-werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-36
Waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-37
Cruisecontrolesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-38
Cruise Control Werking. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-38
Regelsysteem voor de snelheidslimiet. . . . . . . . . . 5-43
Regelsysteem voor de snelheidslimiet . . . . . . . . . . . . 5-43
ISG-Systeem (Idle Stop & Go) . . . . . . . . . . . . . . . 5-46
ISG Bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-46
5
Systeem voor parkeerassisentie achteraan . . . . . 5-50
Speciale rijcondities . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-52
Gevaarlijke rijomstandigheden . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-52
Schommelen het voertuig . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-52
Vloeiend nemen van een bocht. . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-53
Rijden in de regen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-53
Rijden in overstroomde gebieden . . . . . . . . . . . . . . . 5-54
Rijden in de winter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-55
Sneeuwachtige of ijzige omstandigheden . . . . . . . . . 5-55
Voertuiggewicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-58
Overbelasting. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-58
5
Het besturen van uw voertuig
53
Het besturen van uw voertuig
WAARSCHUWING
Koolmonoxide (CO) gas is giftig. Het inademen van CO kan bewusteloosheid en overlijden veroorzaken.
De uitlaatgassen van de motor bevatte koolmonixide die u niet kunt zien of ruiken.
Adem geen uitlaatgassen van de motor.
Indien u uitlaatgassen van de motor binnen het voertuig ruikt, open dan onmiddellijk de ramen en neem contact met de raden
we u aan een erkende HYUNDAI verdeler te raadplegen. Blootstelling aan CO kan bewusteloosheid en overlijden door verstik-
king veroorzaken.
Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt
Het uitlaatsysteem moet regelmatig worden gecontroleerd. Indien u een verandering in het geluid van de uitlaat hoort of als het
uitlaatsysteem schade heeft opgelopen, het wordt aanbevolen het systeem wordt gecontroleerd door een Erkende HYUNDAI-
verdeler.
Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.
Het stationair laten draaien van de motor in uw garage of andere afgesloten ruimte, zelfs met open (garage)deuren is gevaar-
lijk.
Vermijdt dat de motor lang stationair draait met mensen in de auto.
Indien het nodig is om de motor stationair te laten draaien voor een langere periode, zorg dan dat het ventilatiesysteem correct
is ingesteld.
Houd de luchtingangen vrij.
Om het juiste functioneren van de ventilatiesysteem te verzekeren,houden de ventilatie luchtinlaten aan de voorkant van het
windscherm vrij van sneeuw, ijs, bladeren of andere obstakels.
Als u moet rijden met de achterklep geopend:
Sluit alle ramen.
Open de luchtopeningen in het dashboard.
Zet de het ventilatiesysteem op “buitenlucht”, de luchtstroom “Vloer” of “Gezicht” en de ventilator op de hoogste snelheid.
Het besturen van uw voertuig
45
VOOR HET RIJDEN
-Voor het instappen
Let op dat alle ramen, buitenspiegel(s)
en buitenlampen schoon zijn.
Controleer het banden op ongelijkmati-
ge slijtage en schade.
Controleer onder het voertuig op vloei-
stoflekkage.
Let op dat er geen obstakels vlak voor
en vlak achter de auto zijn.
Voor het starten
Zorg dat de motorkap, de achterklep
en de deuren goed gesloten en ver-
grendeld zijn.
Pas de positie van de zitting en het
stuur aan.
Stel de indien nodig de binnen- en bui-
tenspiegels af.
Controleer of alle lampen werken.
Maak uw veiligheidsriem vast. Contro-
leer of alle passagiers hun veiligheids-
riem hebben bevestigd.
Controleer de meters en indicatoren
op het dashboard en de berichten op
het instrumentenscherm zodra de ont-
steking in de AAN stand staat.
Controleer of voorwerpen die u ver-
voerd goed opgeborgen of goed vast-
gezet zijn.
WAARSCHUWING
Alle inzittenden moeten gebruik
maken van de veiligheidsgordels
als de auto rijdt. Raadpleeg “Veilig-
heidsgordels” in sectie 3 voor meer
informatie over het juiste gebruik.
WAARSCHUWING -
Onder invloed van alcohol
of drugs rijden
Gebruik NOOIT alcohol of drugs als
u moet rijden. Het gebruik van alco-
hol of drug en het besturen van een
voertuig is gevaarlijk en kan resul-
teren in een ongeval en ERNSTIG
LETSEL of OVERLIJDEN.
Rijden onder invloed is ieder jaar de
hoofdoorzaak van veel dodelijke
ongevallen op de snelwegen. Zelfs
een kleine hoeveelheid alcohol zal
de reflexen, percepties en het insc-
hattingsvermogen beïnvloeden.
Maar één drankje kan uw reactiever-
mogen op wijzigende omstandighe-
den en noodsituaties verminderen,
en uw reactietijd wordt steeds
slechter naarmate u meer drinkt.
Het rijden onder invloed van drugs
is even gevaarlijk of nog gevaarlij-
ker onder invloed van alcohol of
drugs.
De berijder heeft meer kans op een
ernstig ongeluk bij het rijden in
combinatie met drank of drugs. Als
u drinkt of het nemen van drugs,
niet rijden. Rijd niet, ook niet als
passagier met een bestuurder die
heeft gedronken of drugs heeft
gebruikt. Spreek vooraf wie rijdt of
bel een taxi.
Positie van contactsleutel
LOCK positie
Het stuurwiel vergrendelt door middel
van het stuurslot om diefstal te voorko-
men. De contactsleutel kan alleen verwij-
derd worden in de LOCK positie.
Wanneer de contactsleutel naar de
LOCK positie moet worden gedraaid,
moet de sleutel bij de ACC positie iets
worden ingedrukt, hierna doordraaien
naar de LOCK positie.
(Accessoire)
Het stuurwiel is ontgrendeld en de me-
este elektrische accessoires kunnen
worden ingeschakeld.
AANDACHT
Als het contactslot moeilijk in de stand
ACC geplaatst kan worden, verdraai
dan de sleutel en beweeg tegelijkertijd
het stuur naar rechts en links om de
spanning te verlagen.
AAN
De waarschuwingslichten kunnen wor-
den gecontroleerd voordat de motor
start. Dit is de normale rijstand nadat de
motor aanslaat.
Laat het contact niet in de AAN positie
als de motor niet draait, dit om ontlading
van de batterij te voorkomen.
START positie
Draai het contact naar de START positie
om de motor te starten. De schakelaar
blijft in de AAN stand als u de sleutel los
laat.
55
Het besturen van uw voertuig
ONTSTEKINGSSLEUTEL (INDIEN VAN TOEPASSING)
ORBC050001
WAARSCHUWING -
Contactslot
Draai het contact NOOIT naar de
LOCK of ACC positie terwijl het
voertuig in beweging is uitgezon-
derd in een noodsituatie. Hierdoor
wordt de motor uitgeschakeld en
verliezen stuur- en remsystemen
hun voeding. Dit zou resulteren in
verlies van de stuurcontrole en de
remfunctie, wat een ongeval zou
kunnen veroorzaken.
Voor het verlaten van de auto moet
de auto altijd op de parkeerrem
worden gezet. Als extra kan de auto
in de 1e versnelling (Handgesc-
hakelde versnellingsbak) of in P
(Automatische versnellingsbak) en
zet de motor af. Er kunnen zich
onverwachte wagenbewegingen
voordoen als deze voorzorgen niet
worden genomen.
Probeer NOOIT de contactsleutel te
bedienen of handelingen te doen
door het stuurwiel terwijl het voer-
tuig rijdt. De aanwezigheid van uw
hand of arm in de zone zou verlies
van controle over de wagen kunnen
veroorzaken, of zou tot een ongeval
of ernstige lichamelijke verwondin-
gen en zelfs tot de dood kunnen lei-
den.
Het besturen van uw voertuig
65
Starten van de motor
AANDACHT - Kick down
mechanisme (indien van toe-
passing)
Voor een snelle acceleratie is uw auto
voorzien van een kickdownmechanisme
op het gaspedaal (alleen bij voertuigen
met een automatische versnellingsbak).
Als het pedaal meer dan ongeveer 80%
wordt ingetrapt, kan de auto terug scha-
kelen naar een lagere versnelling waar-
door snel kan worden ingehaald.
1. Zorg ervoor dat de parkeerrem op
staat.
2. Handmatig schakelen - Druk het
koppelingspedaal volledig in en scha-
kel handmatig. Houdt het koppelings-
en rempedaal ingedrukt als het con-
tact wordt aan gezet.
Automatisch schakelen - Plaats de
schakelpook in P (Parkeren). Druk het
rempedaal volledig in.
U kunt de motor ook starten als de
schakelpook in de stand N (Neutraal)
staat.
3. Steek de sleutel in het contactslot en
zet het op de START positie. Houdt
het sleutel (maximum 10 seconden)
totdat de motor aanslaat en laat dan
de sleutel.
Hij dient gestart te worden zonder het
gaspedaal in te trappen.
4. Breng de motor niet op bedrijfstempe-
ratuur door hem stationair te laten
draaien.
Ga rijden met gematigde motortoeren-
tallen. (Vermijd krachtig accelereren
en decelereren.)
AANDACHT
Start het voertuig, bij een koude of
warme motor, altijd met uw voet op
het rempedaal. Druk het gaspedaal
niet in tijdens het starten van het
voertuig. Rijd niet te snel als de motor
nog aan het opwarmen is.
Bij extreem koud weer (onder -18°C /
0°F) of nadat de wagen meerdere
dagen stil heeft gestaan, moet u de
motor laten opwarmen zonder het
gaspedaal in te drukken.
WAARSCHUWING
Draag altijd passende schoenen als
u een wagen bestuurt. Verkeerde
schoenen (hoge hakken, skiboots
enz.) kunnen uw bewegingvrijheid
beperken bij het bedienen van de
pedalen.
OPMERKING
Voorkom schade aan het voertuig:
Houd de ontstekingssleutel niet
langer dan 10 seconden in de
START stand. Wacht 5 tot 10
seconden voordat u het opnieuw
probeert.
Als de verkeersomstandigheden
en de toestand op de weg dat toe-
laten, kunt u de versnellingspook
in de stand N (Neutrale stand)
trekken terwijl de wagen nog be-
weegt en kunt u op de start-/stop-
knop drukken in een poging om
de wagen terug te starten.
Probeer de auto niet aan te du-
wen of slepen, om de motor te
starten.
57
Het besturen van uw voertuig
Verluchte start-/stopknop van de
motor
Als het front deur is geopend, zal de
start-/stopknop van de motor zal branden
en de indicator zal na ongeveer 30
seconden doven als het deur wordt
gesloten.
Stand van de start-/stopknop van
de motor
OFF (UIT)
Met handmatig schakelen
Om de motor uit te schakelen (START/
RUN-positie) of de wagen (stand ON),
moet u de wagen stoppen door op de
start-/stopknop van de motor te drukken.
Met automatische schakeling
Om de motor uit te schakelen (START/
RUN-positie) of de wagen (stand ON),
moet u de start-stopknop van de motor
indrukken met de schakelpook in de
stand P (Park). Als u de start-/stopknop
indrukt zonder de schakelpook in de
stand P (Park), zal de start-/stopknop
van de motor niet naar de OFF-stand
gaan, maar naar de ACC-stand.
Wagens met een vergrendeling van de
stuurkolom als antidiefstalsysteem
Het stuur vergrendelt als de start-/stop-
knop van de moto op OFF staat om uw
wagen tegen diefstal te beschermen.
Het vergrendelt als het portier wordt geo-
pend.
Als het stuur niet goed is vergrendeld als
u het bestuurdersportier opent, zal een
waarschuwingstoon hoorbaar zijn. Pro-
beer om het stuur opnieuw te vergrende-
len. Als het probleem is niet opgelost, ra-
den we aan om het systeem te laten na-
kijken door een erkende HYUNDAI-ver-
deler.
Bovendien staat de start-/stopknop van
de motor in de stand OFF als het portier
aan de bestuurderszijde wordt geopend,
het stuur zal niet worden geblokkeerd en
er wordt een waarschuwingstoon gege-
ven. Sluit in dergelijke situatie het portier.
Het stuur zal vergrendelen en de waar-
schuwingstoon zal stoppen.
AANDACHT
Als het stuur niet behoorlijk vergren-
delt, zal de start-/stopknop van de motor
niet werken. Druk op de start-/stopknop
terwijl u het stuur rechts en links draait
om de spanning vrij te geven.
START/STOP-KNOP VAN DE MOTOR (INDIEN VAN TOEPASSING)
OBA053001
Het besturen van uw voertuig
85
ACC (Accessoire)
Met handmatig schakelen
Druk op de start-/stopknop van de motor
als de knop op de stand OFF staat zon-
der het koppelingspedaal in te drukken.
Met automatische schakeling
Druk op de start-/stopknop van de motor
terwijl de knop in de stand OFF staat
zonder het rempedaal in te drukken.
Het stuur ontgrendelt (indien uitgerust
met antidiefstalsysteem met stuurver-
grendeling) en de elektrische accesso-
ires operationeel zijn.
Als de start-stopknop van de motor in de
stand ACC staat gedurende meer dan 1
uur, schakelt de motor automatisch uit
om ontladen van de batterij te vermijden.
ON (AAN)
Met handmatig schakelen
Druk op de start-/stopknop van de motor
als de knop in de ACC-stand staat zon-
der het koppelingspedaal in te drukken.
With automatic transaxle
Druk op de start-/stopknop van de motor
terwijl hij in de ACC-stand staat zonder
het rempedaal in te drukken.
De waarschuwingslichten kunnen wor-
den gecontroleerd voordat de motor
start. Als de start-stopknop van de motor
in de stand ON staat gedurende meer
dan 1 uur, schakelt de motor automatisch
uit om ontladen van de batterij te vermij-
den.
WAARSCHUWING
De motor in een noodsituatie uit-
schakelen:
Houd de Motor Start/Stop knop lan-
ger dan twee seconden ingedrukt
OF druk snel drie keer achter elkaar
op de Motor Start/Stop knop (bin-
nen drie seconden).
Als de wagen nog in beweging is,
kunt u de motor herstarten zonder
het rempedaal in te drukken door
de start-/stopknop van de motor in
te drukken terwijl de schakelpook
in de stand N (Neutraal) staat.
59
Het besturen van uw voertuig
START/RUN
(STARTEN/WERKEN)
Met handmatig schakelen
Om de motor te starten, drukt u het kop-
pelingspedaal en het rempedaal in en
drukt u vervolgens op de start-/stopknop
van de motor terwijl de schakelpook in de
stand N (Neutraal) staat.
Met automatische schakeling
Om de motor te starten, moet u het rem-
pedaal indrukken en de start-/stopknop
van de motor indrukken terwijl de scha-
kelpook in de stand P (Parkeren) of N
(Neutraal) staat. Voor uw eigen veilig-
heid mag u de motor niet starten met de
schakelpook in de stand P (Parkeren).
AANDACHT
Als u de start-/stopknop van de motor
indrukt zonder het koppelingspedaal in
te drukken voor manueel geschakelde
wagens of zonder het rempedaal in te
drukken voor automatisch geschakelde
wagens, zal de motor niet starten en ver-
andert de start-/stopknop van de mo-tor
als volgt:
OFF
ACC
ON
OFF of ACC
WAARSCHUWING
Druk de start-stopknop van de
motor nooit in als de wagen in
beweging is behalve in een nood-
situatie. Hierdoor wordt de motor
uitgeschakeld en verliezen stuur-
en remsystemen hun voeding. Dit
zou resulteren in verlies van de
stuurcontrole en de remfunctie,
wat een ongeval zou kunnen ver-
oorzaken.
Voordat u de bestuurdersstoel
verlaat, moet u controleren of de
schakelpook in P (parkeren) staat;
stel de parkeerrem volledig in,
druk de start-/stop knop van de
motor in de positie van de UIT, en
zorg ervoor dat u de intelligente
sleutel bij hebt. Er kunnen zich
onverwachte wagenbewegingen
voordoen als deze voorzorgen niet
worden genomen.
Probeer NOOIT de start-/stopknop
van de motor te bedienen of han-
delingen te doen door het stuur-
wiel terwijl het voertuig rijdt. De
aanwezigheid van uw hand of arm
in de zone zou verlies van contro-
le over de wagen kunnen veroor-
zaken, of zou tot een ongeval of
ernstige lichamelijke verwondin-
gen en zelfs tot de dood kunnen
leiden.
Het besturen van uw voertuig
105
Starten van de motor
AANDACHT - Kick down
mechanisme (indien van toe-
passing)
Voor een snelle acceleratie is uw auto
voorzien van een kickdownmechanisme
op het gaspedaal (alleen bij voertuigen
met een automatische versnellingsbak).
Als het pedaal meer dan ongeveer 80%
wordt ingetrapt, kan de auto terug scha-
kelen naar een lagere versnelling waar-
door snel kan worden ingehaald.
AANDACHT
De motor zal alleen starten door te
drukken op de Motor Start/Stop knop
als de smart key in het voertuig gep-
laatst is.
Zelfs als de intelligente sleutel zich in
de wagen bevindt, als deze ver van u
verwijderd is, kan het zijn dat de
motor niet start.
Als de Start-/Stopknop van de motor
in de ACC-stand of AAN-stand, zal
het systeem, als het portier wordt geo-
pend, controleren of de intelligente
sleutel aanwezig is. Als de intelligente
sleutel zich niet in de wagen bevindt,
de indicator "KEY OUT" knippert,
en als alle deuren gesloten zijn, zal de
beltoon gedurende 5 seconden hoor-
baar zijn. De indicator zal uitschake-
len als de wagen beweegt. Houd de
smart key in het voertuig als u de
ACC positie gebruikt of als de motor
AAN is.
1. Houd de intelligente sleutel bij u of
laat hem in de wagen.
2. Controleer of de parkeerrem goed is
geactiveerd.
3. Handmatig schakelen - Druk het
koppelingspedaal volledig in en scha-
kel handmatig. Houd het koppeling-
spedaal en het rempedaal ingedrukt
als u de motor start.
Automatisch schakelen - Plaats de
schakelpook in P (Parkeren). Druk het
rempedaal volledig in.
U kunt de motor ook starten als de
schakelpook in de stand N (Neutraal)
staat.
4. Druk op de start-/stopknop van de mo-
tor.
Hij dient gestart te worden zonder het
gaspedaal in te trappen.
5. Breng de motor niet op bedrijfstempe-
ratuur door hem stationair te laten
draaien. Ga rijden met gematigde
motortoerentallen. (Vermijd krachtig
accelereren en decelereren.)
AANDACHT
Start het voertuig, bij een koude of
warme motor, altijd met uw voet op
het rempedaal. Druk het gaspedaal
niet in tijdens het starten van het
voertuig. Rijd niet te snel als de motor
nog aan het opwarmen is.
WAARSCHUWING
Draag altijd passende schoenen als
u een wagen bestuurt. Verkeerde
schoenen (hoge hakken, skiboots
enz.) kunnen uw bewegingvrijheid
beperken bij het bedienen van de
pedalen.
511
Het besturen van uw voertuig
Bij extreem koud weer (onder -18°C /
0°F) of nadat de wagen meerdere da-
gen stil heeft gestaan, moet u de motor
laten opwarmen zonder het gaspedaal
in te drukken.
AANDACHT
Voorkom schade aan het voertuig:
Druk de start-/stopknop van de motor
niet langer dan 10 seconden in, behalve
wanneer de zekering van de stoplamp is
afgekoppeld.
Als de zekering van de stoplamp is door-
gebrand, kunt u de motor niet normaal
starten. Vervang de zekering door een
nieuwe. Als het niet mogelijk is, kunt u
de motor starten door de start-/stop-
knop gedurende 10 seconden in te druk-
ken als hij in de ACC-stand staat.
Voor uw eigen veiligheid altijd drukt u
het rempedaal en/of koppelingspedaal
in voordat u de motor start.
AANDACHT
Als de batterij van de intelligente sleutel
te zwak is, of als de intelligente sleutel
niet correct werkt, kunt u de motor star-
ten door de start-/stopknop in te druk-
ken met de intelligente sleutel in de rich-
ting in bovenstaande afbeelding.
OBA053002
OPMERKING
Als de motor stilvalt terwijl de
wagen in beweging is, probeer dan
niet om de versnellingspook in de
positie P (Park) te schakelen. Als de
verkeersomstandigheden en de
toestand op de weg dat toelaten,
kunt u de versnellingspook in de
stand N (Neutrale stand) trekken
terwijl de wagen nog beweegt en
kunt u op de start-/stopknop druk-
ken in een poging om de wagen
terug te starten.
Het besturen van uw voertuig
125
Bediening van de handge-scha-
kelde versnellingsbak
De handmatig geschakelde versnellings-
bak heeft vijf versnellingen vooruit. De
versnellingsbak is volledig gesynchroni-
seerd in alle versnellingen vooruit zodat
het schakelen naar een hogere of lagere
versnelling makkelijk verloopt.
Om naar R (Achteruit) te schakelen,
zorgt u dat het voertuig volledig gestopt
is en plaatst u de versnellingspook ver-
volgens naar neutraal voordat u naar R
(Achteruit) gaat.
Als u volledig gestopt bent, en het is
moeilijk om de versnellingspook te plaat-
sen in de 1e versnelling of in R (Achter-
uit):
1. Plaats de versnellingspook naar neu-
traal en laat de koppeling los.
2. Trap het koppelingspedaal opnieuw in
en schakel dan naar 1ste versnelling
of R (achteruit) versnelling positie.
AANDACHT
Tijdens koud weer kan het overschake-
len moeilijker gaan totdat de versnell-
ingsbakolie is opgewarmd.
Het gebruik van de koppeling
De koppelingspedaal moet worden hele-
maal tot aan de vloer voordat:
- Starten van de motor
De motor niet aanslaan zonder het
koppelingspedaal in te drukken.
- Schakelen
Laat de koppeling langzaam opkomen.
Het koppelingspedaal moet altijd losgela-
ten zijn tijdens het rijden.
HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
OBA053003
OPMERKING
Voorkom onnodige slijtage of scha-
de aan de koppeling:
Rust met de voet niet op het kop-
pelingspedaal tijdens het rijden.
Houd de voet niet op de koppe-
ling als u stil staat op een helling,
bijvoorbeeld voor een stoplicht
etc.
Druk de koppeling altijd volledig
in om lawaai of schade te voor-
komen.
WAARSCHUWING
Zorg dat u, voordat u de bestuur-
dersstoel verlaat, dat de versnel-
lingspook in 1e versnelling staat
als het voertuig omhoog in een hel-
ling geplaatst is en in R (Acheruit)
als het voertuig omlaag in een hel-
ling geplaatst is en plaats de ont-
steking in de VERGRENDELD/ UIT
stand. Er kunnen zich onver-wach-
te wagenbewegingen voordoen als
deze voorzorgen niet worden geno-
men.
513
Het besturen van uw voertuig
Terugschakelen
U moet terug schakelen als u bij veel ver-
keer moet vertragen of als u een steile
helling op rijdt zodat u voorkomt dat u de
motor belast.
Ook terugschakelen vermindert de kans
op afslaan en kan versnellen wanneer u
nodig hebt om uw snelheid opnieuw te
verhogen.
Als het voertuig omlaag rijdt, dan kan het
wel eens helpen om terug te schakelen
om een veilige snelheid te bereiken door
op de motor te remmen, hierdoor slijten
de remmen ook minder snel.
Goede rijpraktijken
Haal nooit een auto uit versnelling en
laat het nooit vrijlopen tijdens een
afdaling. Dit kan extreem gevaarlijk
situaties veroorzaken.
Rijd niet met de voet constant op de
rem. Anders kunnen de remmen en
gerelateerde onderdelen oververhit
raken en fouten veroorzaken.
Beter is bij het naar beneden rijden op
een (lange) helling de snelheid te ver-
minderen en terug te schakelen naar
een lagere versnelling. Het voertuig zal
vertragen als u op de motor remt.
Verminder snelheid voor het schakelen
naar een lagere versnelling. Hierdoor
wordt een te hoog motortoerental en
eventueel schade aan de motor voor-
komen.
Pas de snelheid aan bij de rijomstan-
digheden. Dit geeft u veel betere
beheersing van uw auto.
De auto moet volledig stilstaan voordat
u probeert te schakelen naar de ach-
teruit versnelling, de versnellingsbak
kan anders schade oplopen.
Wees vooral voorzichtig met remmen,
versnellen of schakelen op gladde we-
gen. Voor correct naar achteruit scha-
kelen moet de auto volledig stil staan,
na het volledig intrappen van de kop-
peling de pook in neutraal gedurende
drie sec. en daarna naar R (achteruit)
schakelen.
OPMERKING
Voorkom schade aan het motor:
Tijdens het terugschakelen van
vijfde versnellig naar vierde, moet
de berijder er op letten niet per
ongeluk de versnellingspook te
ver zijwaarts te drukken waardoor
de tweede versnelling wordt inge-
schakeld. Het drastisch terug-
schakelen kan leiden tot een zeer
hoog motortoerental waardoor
motorschade kan ontstaan.
Schakel niet meer dan een ver-
snellingen op of terug.
Het besturen van uw voertuig
145
WAARSCHUWING
Om de kans op ERNSTIGE of FA-
TALE LETSELS te voorkomen:
Draag ALTIJD uw veiligheidsri-
em. Bij een ongeval heeft een
inzittende minder kans om (ern-
stig) letsel op te lopen.
Vermijdt hoge snelheden tijdens
het nemen van bochten of bij het
draaien.
Maak geen snelle stuurwielbewe-
gingen, zoals scherpe baanwis-
selingen of snelle, scherpe boch-
ten.
Het risico om over de kop rollen
neemt toe met de voertuigsnel-
heid.
Verlies van controle van het voer-
tuig gebeurt vaak indien twee of
meer wielen van de weg afraken
en de bestuurder probeert te cor-
rigeren om de weg weer op te
gaan.
In het geval dat uw voertuig de
verharde weg verlaat, pas dan de
snelheid en stuurgedrag aan.
HYUNDAI raadt altijd aan dat u
alle aanwezige snelheidslimieten
opvolgt.
515
Het besturen van uw voertuig
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
OBA056004
Verplaats de versnellingspook.
Druk op de schakelknop en verplaats de versnellingspook.
Laat het rempedaal los, druk op de schakelknop en verplaats de versnellingspook.
Het besturen van uw voertuig
165
Automatische versnellingsbak
De automatische versnellingsbak heeft 4
versnellingen vooruit en een achteruit.
Een versnelling kan worden gerealiseerd
afhankelijk van de positie van de schake-
lingspook.
De aanduiding op het instrumentenpa-
neel geeft, als het contactslot in de stand
ON staat, de stand van de keuzehendel
weer.
P (Parkeer)
Let op dat de auto volledig stil staat als
naar P (Parkeren) wordt geschakeld.
Om van P (Park) te wisselen, moet u
eerst het rempedaal goed indrukken en
zorgen dat u voet niet rust op het gas-
pedaal.
De versnellingspook moet in P (Park)
staan voordat u de motor uitschakelt.
R (Achteruit)
Door naar de R positie te schakelen zal
de auto achteruit rijden.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstige of fatale
letsels te voorkomen:
Controleer altijd de rijomgeving,
let vooral op kinderen, voor het
wegrijden met de auto in D (voor-
uit) of R (achteruit).
Voordat u de bestuurdersstoel
verlaat, moet u controleren of de
schakelpook in P (parkeren) sta-
at; stel de parkeerrem en plaats
de ontsteking in de VERGREN-
DELD/UIT stand. Er kunnen zich
onverwachte en plotse wagenbe-
wegingen voordoen als deze
voorzorgen niet worden geno-
men.
WAARSCHUWING
Als wordt geschakeld in P (Par-
keren) terwijl het voertuig in
beweging is, kan de controle over
het voertuig verloren worden.
Nadat het voertuig gestopt is,
moet u controleren of de scha-
kelpook in P (parkeren) staat. Stel
de parkeerrem en schakel de
motor op Off.
Gebruik geen de P (Parkeren) po-
sitie niet in plaats van de parke-
errem.
OPMERKING
Let op dat de auto volledig stil staat
voor dat de R (achteruit) positie in
of uitgeschakeld wordt. Als de auto
niet volledig stil staat kan de aan-
drijving worden beschadigd.
517
Het besturen van uw voertuig
N (Neutraal)
De wielen en aandrijving zijn niet niet
gekoppeld aan de motor.
Gebruik N (Neutraal) als u een uitge-val-
len motor opnieuw wilt starten, of als het
noodzakelijk is om de motor AAN te
laten. Plaats de versnellingspook in P
(Park) als u uw voertuig om welke reden
ook moet verlaten.
Trap het rempedaal altijd in als u wisselt
van N (Neutraal) naar een andere ver-
snelling.
D (Vooruit)
Dit is de normale rijpositie. De versnel-
lingsbak zal automatisch schakelen door
de vier versnellingen, om de beste
brandstofzuinigheid en kracht te ver-
schaffen.
Voor extra vermogen bij het inhalen of op
hellingen, moet het gaspedaal (volledig)
worden ingedrukt worden, hierdoor zal
de versnellingsbak terug schakelen naar
een lagere versnelling.
Sportstand
U kunt, of het voertuig nu in stationaire
stand staat of in beweging is, de sport-
stand selecteren door te drukken op de
versnellingspook van de D (Rijden) stand
naar manueel. Om terug te keren naar D
(Rijden), duwt u de versnellingspook te-
rug naar de hoofdstand.
WAARSCHUWING
Plaats niet in een versnelling als uw
voet niet op het rempedaal gep-
laatst is. Het in versnelling plaatsen
terwijl de motor op hoge snelheid
loopt kan ervoor zorgen dat het
voertuig erg snel gaat. U kunt de
controle verliezen en mensen of
voorwerpen raken.
WAARSCHUWING
Laat NOOIT iemand rijden in een
zitting waarvan de hoofdsteun ver-
wijderd is.
OBA053005
Het besturen van uw voertuig
185
In de Sportstand, verplaats de versnel-
lingspook naar achteren en naar voren
om de gewenste versnellingen voor de
huidige rijdomstandigheden te selec-
teren.
+ (Omhoog) : Duw de versnellingspook
één keer naar voren om
één versnelling omhoog te
schakelen.
- (Omlaag) : Duw de versnellingspook
één keer naar achteren om
één versnelling terug te sc-
hakelen.
AANDACHT
U kunt alleen de vier versnelling naar
voren selecteren. Om het voertuig in
de achteruit of parkeren te plaatsen,
verplaatst u de versnellingspook naar
R (Achteruit) of P (Parkeren), zoals
gewenst.
Terug schakelen vindt automatisch
plaats als het voertuig vertraagt. De
eerste versnelling wordt automatisch
geselecteerd als het voertuig stopt.
Als de motor een toerental bij de rode
zone bereikt, dan zal de transas au-
tomatisch omhoog schakelen.
Als de bestuurder de pook naar +
(Omhoog) of - (Omlaag) plaatst, dan
zal de transas de gevraagde wijziging
van versnelling niet doorvoeren als de
volgende versnelling buiten het toe-
gestane toerental ligt. De bestuurder
moet vooruit schakelen volgens de
omstandigheden op de weg, en erop
letten dat het toerental niet in de rode
zone belandt.
Als u rijdt op een gladde weg, duwt u
de versnellingspook naar voren naar
de + (Omhoog) stand. Hierdoor ver-
plaatst de transas de versnelling naar
de 2e stand wat beter is om soepel te
rijden op een gladde weg. Duw de ver-
snellingspook naar de - (Omlaag)
stand om terug te schakelen naar de
1e versnelling.
Schakel- vergrendel systeem
Voor de veiligheid heeft de automatische
versnellingsbak een blokkeersysteem
dat voorkomt dat de versnellingsbak van
P (parkeren) naar R (achteruit) kan wor-
den geschakeld, behalve als het rem-
pedaal wordt ingedrukt.
Om van P (parkeren) naar R (achteruit)
te schakelen:
1. Trap het rempedaal in.
2. Druk op de schakelknop.
3. Verplaats de versnellingspook.
519
Het besturen van uw voertuig
Parkeer
Stop altijd volledig en blijf op het rem-
pedaal drukken. Schakel de versnel-ling-
spook in P (parkeren) staat; stel de par-
keerrem en plaats de ontsteking in de
VERGRENDELD/UIT stand. Neem de
sleutel mee als u het voertuig verlaat.
Goede rijpraktijken
Schakel de versnellingspook nooit van
P (parkeren) of N (neutraal) naar enig
andere positie zonder dat het rempe-
daal is ingetrapt.
Schakel de versnellingspook nooit in P
(parkeren) wanneer het voertuig in be-
weging is.
De auto moet volledig stilstaan voordat
u probeert te schakelen naar naar R
(achteruit) of D (vooruit).
Verplaats de versnellingspook tijdens
het rijden niet in de N (Neutraal) stand.
Dit kan resulteren in een ongeval om-
dat de motor niet meer kan remmen en
de transas beschadigd kan worden.
Rijdt niet met de voet rustend op het
rempedaal. Zelfs lichte, constante druk
op het rempedaal kan ertoe leiden dat
de remmen oververhit raken, de rem-
men slijten en mogelijk zelfs uitvallen.
Verminder snelheid voor het schakelen
naar een lagere versnelling. Ook kan
de lagere versnelling niet gekoppeld
zijn als het toerental van de motor bui-
ten het toegestane bereik valt.
Trek de handrem van het voertuig altijd
aan als u het voertuig verlaat. Nooit
alleen de versnellingbak in de P (par-
keren) positie zetten tijdens het parke-
ren van de auto.
Wees vooral voorzichtig met remmen,
versnellen of schakelen op gladde
wegen. Pas de rijstijl aan aan de rijom-
standigheden.
Optimale voertuigprestaties en zuinig-
heid kan verkregen worden door het
gaspedaal geleidelijk in te drukken en
los te laten.
WAARSCHUWING
Wanneer je verblijf in het voertuig
met draaiende motor, zorg er dan
voor dat het gaspedaal niet langdu-
rig wordt ingetrapt. Hierdoor kan de
motor of het uitlaatsysteem over-
verhit raken, waardoor brand kan
ontstaan.
Uitlaatgassen en het uitlaatsysteem
zijn erg heet. Blijf uit de buurt van
de onderdelen van het uitlaatsys-
teem.
Stop of parkeer niet over ontvlam-
bare materialen, zoals droog gras,
papier of bladeren. Deze kunnen
ontbranden en brand veroorzaken.
Het besturen van uw voertuig
205
WAARSCHUWING
Om de kans op ERNSTIGE of FA-
TALE LETSELS te voorkomen:
Draag ALTIJD uw veiligheidsri-
em. Bij een ongeval heeft een
inzittende minder kans om (ern-
stig) letsel op te lopen.
Vermijdt hoge snelheden tijdens
het nemen van bochten of bij het
draaien.
Maak geen snelle stuurwielbewe-
gingen, zoals scherpe baanwis-
selingen of snelle, scherpe boch-
ten.
Het risico om over de kop rollen
neemt toe met de voertuigsnel-
heid.
Verlies van controle van het voer-
tuig gebeurt vaak indien twee of
meer wielen van de weg afraken
en de bestuurder probeert te cor-
rigeren om de weg weer op te
gaan.
In het geval dat uw voertuig de
verharde weg verlaat, pas dan de
snelheid en stuurgedrag aan.
HYUNDAI raadt altijd aan dat u
alle aanwezige snelheidslimieten
opvolgt.
521
Het besturen van uw voertuig
Remmen
Het voertuig is voorzien van remsysteem
inclusief rembekrachtiger voor normaal
gebruik.
Als de motor tijdens het rijden niet loopt,
of uitgeschakeld is, dan zal de vermo-
gensassistentie voor de remmen niet
werken. Voorkom zoveel als mogelijk is
het blokkeren van de remmen. Geblok-
keerde wielen zijn onbestuurbaar en de
remweg is langer.
Wanneer de motor niet draait, werkt de
rembekrachtiging na een of twee keer
remmen niet meer. Om toch dezelfde
remkracht te verkrijgen moet veel harder
op het rempedaal worden getrapt.
REMSYSTEEM
(Vervolgd)
Om de remmen te drogen, duwt u
het rempedaal iets in zodat de
remmen warmer woren terwijl u
veilig naar voren rijdt totdat de
prestaties van de remmen weer
normaal worden. Vermijd het rij-
den op hoge snelheid totdat de
remmen weer correct werken.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen:
Rijdt niet met de voet rustend op
het rempedaal. Dit geeft hoge slij-
tage van het frictiemateriaal en
de temperatuur van het remsys-
teem loopt zeer hoog op.
Schakel tijdens het afdalen van
een lange of steile helling naar
een lagere versnelling en ver-
mijdt constant gebruik van de
remmen. Continue gebruik van
de remmen veroorzaakt overver-
hitting van het remsysteem en
leidt tot (tijdelijk) verlies van rem-
mend vermogen (fading).
Natte remmen kunnen het rem-
mend vermogen beinvloeden; het
voertuig kan ook naar een kant
trekken wanneer de remmen wor-
den gebruikt. Door het rempedaal
licht in te trappen worden de rem-
men gedroogd en tevens gecon-
troleerd. Test altijd de remmen op
deze wijze na het rijden door
water.
(Vervolgd)
Het besturen van uw voertuig
225
Schijfremmen slijtage indicator
Wanneer uw remblokken bijna zijn ver-
sleten en nieuwe blokken nodig zijn, is
een hoog piepend waarschuwingsgeluid
te horen van de voor- of achterremmen.
Het geluid is hoorbaar als het rempedaal
wordt ingetrapt.
Ook is het mogelijk dat bij de eerste keer
remmen, na een (langere) periode van
stilstand een bijgeluid hoorbaar is. Dit
verdwijnt na de eerste keer remmen en is
normaal.
AANDACHT
Vervang altijd remblokken als set voor
of achter.
Parkeerrem
Trek de handrem van het voertuig altijd
aan als u het voertuig verlaat:
Druk stevig het rempedaal in.
Trek de handrem hendel voor zover mo-
gelijk.
OPMERKING
Om dure reparaties aan het remsys-
teem te voorkomen moet niet door
worden gereden met versleten rem-
blokken.
OIA053006
WAARSCHUWING
Vermijd het risico op ERNSTIG
LETSEL of OVERLIJDEN, en geb-
ruik de handrem niet als het voer-
tuig beweegt tenzij in een noodsitu-
atie. Het remsysteem kan bescha-
digd worden en dit kan resulteren
in ongevallen.
523
Het besturen van uw voertuig
Vrijgeven:
Druk stevig het rempedaal in.
Trek de handrem hendel iets.
Laat de handrem (2) zakken terwijl u op
de vrijgaveknop (1) drukt.
Als de handrem niet vrij komt, of niet
geheel vrij komt, dan raden we aan om
het systeem te laten controleren door
een bevoegde HYUNDAI dealer.
WAARSCHUWING
Stop altijd volledig en blijf op het
rempedaal drukken als u het vo-
ertuig verlaat of parkeert. Ver-
plaats de versnellingspook staat
naar P (Parkeren, automatische
versnellingsbak) of 1e versnel-
ling (handgeschakelde versnel-
lingbak); stel de parkeerrem en
plaats de ontsteking in de VER-
GRENDELD/UIT stand.
Hiermee wordt voorkomen dat de
auto ongewenste rijbewegingen
maakt.
Laat NOOIT iemand die niet
bekend is met het voertuig aan de
handrem te aan raken. Voorkom
dat de parkeerrem ongewenst
wordt losgezet, hierdoor kan de
auto in beweging komen en daar-
door schade en/of letsel veroor-
zaken.
Geef de handrem pas vrij als u in
het voertuig zit met uw voet op
het rempedaal.
OIA053007
OPMERKING
Druk het gaspedaal niet als de
handrem gekoppeld is. Als u het
gaspedaal indrukt terwijl de
handrem aangetrokken is, dan zal
er een waarschuwingsgeluid te
ho-ren zijn. De handrem kan zo
beschadigd worden.
Rijden met de handrem aange-
trokken kan resulteren in een
oververhit remsysteem en kan
vroegtijdige slijtage van of sc-
hade aan de remonderdelen vero-
orzaken. Voor u gaat rijden, con-
troleer of de parkeerrem volledig
is losgezet en de waarschu-
wingslamp uit is.
Het besturen van uw voertuig
245
Controleer de werking van de Parkeer-
rem Waarschuwingslamp door het con-
tact in de AAN positie te zetten (start de
motor niet).
De lamp zal branden als de parkeerrem
wordt vastgezet met het contact op de
START of AAN positie.
Voor u gaat rijden, controleer of de par-
keerrem volledig is losgezet en de wa-
arschuwingslamp uit is.
Als de remwaarschuwingslamp blijft
branden nadat de parkeerrem is losge-
zet, kan er een storing zijn in het rem-
systeem.
Neem direct contact op met een Erkende
HYUNDAI Verdeler, deze kan u advise-
ren of het nog veilig is om met de auto te
rijden.
Anti-blokker Remsysteem (ABS)
WAARSCHUWING
Anti-blokker remsysteem (ABS) of
Elektronisch Stabiliteitscontrole
(ESC) systeem zal geen ongevallen
voorkomen als gevolg van onjuiste
onverantwoordelijke of gevaarlijke
rijmanoeuvres. Hoewel de voertuig-
besturing is verbeterd tijdens een
noodstop, moet altijd een veilige
afstand worden gehouden. Voertu-
igsnelheden moeten altijd aange-
past worden aan de rijomstandig-
heden. De remafstand van auto’s
uitgerust met een ABS of ESC kan
langer zijn dan de remafstand van
een voertuig zonder een ABS onder
de volgende wegcondities.
Bij het rijden de hieronder geno-
emde conditie moet de snelheid
worden aangepast:
Ruwe, met grind of sneeuw be-
dekte wegen.
Op slechtte wegen met gaten in
het wegdek.
Sneeuwkettingen zijn in uw voer-
tuig geïnstalleerd.
(Vervolgd)
WK-23
525
Het besturen van uw voertuig
ABS is een elektronisch remsysteem dat
slippen tijdens het remmen helpt te voor-
komen. ABS maak het mogelijk dat de
bestuurder tegelijkertijd kan sturen en
remmen.
Gebruik van ABS
Om het maximale voordeel van uw ABS
te verkrijgen in een noodsituatie, moet
het rempedaal stevig of zo hard als de
situatie dat vraagt worden ingetrapt. Ga
nooit pompend remmen.
Wanneer de remmen worden gebruikt
onder condities die de wielen kunnen
blokeren, kunt u geluid van de remmen
horen of een gelijksoortig gevoel in het
rempedaal hebben. Dit is normaal en het
betekent dat het ABS actief is.
ABS vermindert niet de tijd of afstand die
nodig is om het voertuig te stoppen.
Houdt altijd een veilige afstand van het
voertuig voor u.
ABS voorkomt niet dat slippen kan resul-
teren in plotseling richtingwijzigingen
zoals proberen om een hoek te snel om
te gaan of bij het plotseling veranderen
van rijbaan. Rijd altijd met een veilige
snelheid voor de weg- en weersomstan-
digheden.
ABS kan niet stabiliteitsverlies voorko-
men. Stuur altijd gematigd als u hard
moet remmen. Plotseling of harde stuur-
bewegingen kunnen er nog steeds toe
leiden dat uw voertuig op de verkeerde
baan terecht komt of van de weg raakt.
Op slechte of los grind wegen kan de
werking van het anti-blokkeersysteem re-
sulteren in een langere remweg dan voor
voertuigen uitgerust remsysteem zonder
ABS.
De ABS waarschuwingslamp ( ) zal
voor enkele seconden aan blijven nadat
het contact op de AAN positie is. Ge-
durende die tijd zal het ABS een zelf-
diagnose uitvoeren en de lamp zal uit-
gaan als alles correct is. Als de lamp aan
blijft, kan er een probleem zijn met het
ABS. Wij raden aan om op te nemen zo
snel mogelijk een erkende HYUNDAI-
verdeler.
(Vervolgd)
De veiligheidseigenschappen van
een voertuig voorzien van ABS of
ESC moeten nietonnodig worden
getest door te rijden met hoge snel-
heid of bochten te nemen. Dit
brengt de veiligheid van uzelf en
anderen in gevaar brengen.
Het besturen van uw voertuig
265
AANDACHT
Wanneer de auto met een starthulp
wordt gestart, wegens een ontladen
baterij, kan de ABS waarschuwings-
lamp ( ) aan gaan. De oorzaak is de la-
ge batterij spanning. Het betekent niet
dat het ABS slecht functioneert. Laat de
batterij opnieuw opladen voordat het
voertuig gaat rijden.
WAARSCHUWING
Als de ABS waarschuwings lamp
( ) aangaat en aan blijft, kan er
een probleem zijn met het ABS. Het
remsysteem normaal werken. Ver-
minder het risico op ernstig letsel
of overlijden, wij raden aan om op
te nemen zo snel mogelijk een
erkende HYUNDAI-verdeler.
OPMERKING
Als op een zeer gladde weg wordt
gereden en de remmen moeten
continue gebruikt worden, zal het
ABS continu actief zijn en kan de
ABS waarschuwingslamp ( ) op-
lichten. Als dit zich voordoet moet
de auto op een veilige plaats wor-
den gestopt en de motor worden
afgezet.
Start de motor opnieuw. Als de ABS
waarschuwingslamp uit is en uit
blijft, is het ABS normaal. Als de
lamp aan blijft, kan er een probleem
zijn met het ABS systeem. Wij
raden aan om op te nemen zo snel
mogelijk een erkende HYUNDAI-
verdeler.
527
Het besturen van uw voertuig
Elektronische Stabiliteitscontrole
(ESC)
Het Elektronische Stabiliteit Controle
(ESC) systeem wordt toegepast om het
voertuig te stabiliseren tijdens onge-
wenste manoeuvres bij het nemen van
bochten. ESC controleert hoe wordt
gestuurd en waar het voertuig echt naar
toe gaat.
ESC past remdruk toe op alle remmen
van het voertuig en komt tussenbeide in
het motormanagementsysteem om de
bestuurder te helpen bij het houden van
het voertuig op de juiste baan. Het is
geen vrijbrief voor onveilige rijpraktijken.
Pas uw snelheid altijd aan de wegom-
standigheden aan.
ESC werking
ESC AAN conditie
Wanneer het contact in de AAN positie
is, branden de ESC en ESC UIT indica-
torlampen gedurende ongeveer 3 secon-
den en gaat uit, daarna is de ESC actief.
Als dit lamp aan blijft, kan er een pro-
bleem zijn met het ESC-systeem. Wij
aanbevelen het voertuig te worden
gecontroleerd door een erkende HYUN-
DAI verdeler.
WAARSCHUWING
Pas altijd de snelheid aan aan de
rijomstandigheden. De ESC-sys-
teem zal geen ongevallen voorko-
men. Overmatige snelheid bij het
draaien, abrupte manoeuvers of nat
wegdek kan nog steeds leiden tot
ernstige ongevallen.
OIA056026
Het besturen van uw voertuig
285
Bij het werken
Wanneer de ESC in werking is,
knippert de ESC indicatorlamp-
je:
Wanneer de remmen worden
gebruikt onder condities die
de wielen kunnen blokeren,
kunt u geluid van de remmen
horen of een gelijksoortig ge-
voel in het rempedaal heb-
ben. Dit is normaal en het be-
tekent dat het ESC actief is.
Als ESC geactiveerd wordt,
dan kan het voorkomen dat
de motor niet reageert op het
gaspedaal zoals dit normaal
het geval is.
Bij het wegrijden uit de mod-
der of een gladde weg, kan
het gebeuren dat bij gasge-
ven het motortoerental niet
toeneemt zelfs indien je diep
druk op het gaspedaal. Dit
om de stabiliteit en tractie van
het voertuig te voorkomen, dit
is geen probleem.
ESC UIT conditie
Om de ESC werking te annu-
leren, druk op de ESC UIT
knop (de ESC UIT indicator
lampje gaat aan).
Indien het contact op de
LOCK/UIT positie is wanneer
ESC uit is, blijft ESC uit. Bij het
opnieuw starten van de motor
zal de ESC automatisch opni-
euw ingeschakeld zijn.
Indicator lampje
Wanneer het contact in de AAN positie is
brandt de ESC indicator lampje en gaat
daarna uit indien het ESC systeem nor-
maal werkt.
De ESC-lampje knippert als het ESC
actief is.
Indien de ESC-lampje aan blijft, er een
fout optreedt met het ESC systeem.
Wanneer deze waarschuwingslamp
brandt, het wordt aanbevolen het voer-
tuig wordt gecontroleerd door een
Erkende HYUNDAI Verdeler.
De ESC OFF lampje gaat branden als
het ESC met de knop is uitgeschakeld.
ESC indicator lampje (knippert)
ESC UIT indicator lampje (aan staat)
529
Het besturen van uw voertuig
ESC UIT gebruik
Tijdens het rijden
De ESC UIT stand mag alleen kort
gebruikt worden als het voertuig vast zit
in sneeuw of modder, zodat het ESC sys-
teem tijdelijk gestopt wordt met als doel
de wielen te laten draaien.
Om ESC uit te zetten tijdens het rijden,
druk de ESC UIT knop op een vlakke rij-
weg.
AANDACHT
Het uitzetten van de ESC heeft geen in-
vloed op ABS of werking van het rem-
systeem.
OPMERKING
Het rijden met afwijkende band- of
velgmaten veroorzaakt dat het ESC
systeem niet goed functioneert. Bij
het vervangen van banden, moet
dezelfde maat worden gebruikt als
de oorspronkelijke banden.
OPMERKING
Voorkom schade aan het versnel-
lingsbak:
Laat wiel(en) van één as niet ex-
cessief draaien als de waarschu-
wingslampen van ESC, ABS en
de remmen branden. De repara-
ties vallen niet onder de voertuig-
garantie. Vermiinder het vermo-
gen van de motor en laat de wi-
el(en) niet excessief draaien als
deze lampen branden.
Bij het besturen van het voertuig
op vermogenstester moet de ESC
uitgezet worden (ESC UIT lamp
brandt).
WAARSCHUWING
De ESC is actief als ESC knippert:
Rij langzaam en probeer niet om te
versnellen. Druk NOOIT op de ESC
UIT knop terwijl de ESC indicator-
lamp knippert, u kunt namelijk de
controle over het voertuig verliezen
wat kan resulteren in een ongeval.
Het besturen van uw voertuig
305
Stabiliteitssysteem van de wagen
(Vehicle stability management
(VSM)) (indien van toepassing)
VSM (Voertuig Stabiliteit Management)
helpt te garanderen dat het voertuig sta-
biel blijft bij het acceleren of plotseling
remmen op natte, gladde en ongelijke
wegen waarbij de tractie van de vier ban-
den plotseling ongelijk wordt.
VSM werking
VSM AAN conditie
Het VSM werkt bij:
Elektronische Stabiliteitscontrole
(ESC) aan staat.
De voertuigsnelheid ligt op ongeveer
15 km/uur (9 mph) op bochtige wegen.
De voertuigsnelheid ligt ongeveer op
30 km/uur (18 mph) als het voertuig
remt op ongelijke wegen.
Bij het werken
Wanneer de VSM in werking is, knippert
de ESC indicatorlampje ( ).
Wanneer de remmen worden gebruikt
onder condities die de ESC kunnen blo-
keren, kunt u geluid van de remmen
horen of een gelijksoortig gevoel in het
rem-pedaal hebben. Dit is normaal en
het betekent dat het VSM actief is.
AANDACHT
Het VSM werkt niet bij:
Achteruit rijden.
ESC UIT ( ) indicator lampje aan
staat.
EPS (Elektrische Stuurbekrachtiging)
waarschuwingslamp ( ) aan staat.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaa-
tegelen bij het gebruik van VSM
(Voertuig Stabiliteit Management):
Het is aan de bestuurder om zijn
snelheid en de afstand tot de wa-
gen voor hem altijd te controle-
ren. VSM is geen vrijbrief voor
onveilige rijpraktijken.
Pas altijd de snelheid aan aan de
rijomstandigheden. De VSM-sys-
teem zal geen ongevallen voor-
komen. Overmatige snelheid bij
het draaien, abrupte manoeuvers
of nat wegdek kan nog steeds lei-
den tot ernstige ongevallen.
531
Het besturen van uw voertuig
VSM UIT conditie
Om de ESC werking te annuleren, druk
op de ESC UIT knop. ESC UIT indicator
( ) zal oplichten.
Druk nogmaals op de knop ESC OFF, om
de VSM te draaien. De indicatorlamp
ESC OFF dooft.
Assistentie bij hellingproef (HAC)
(indien van toepassing)
De HAC (Helling Start Assistentie-con-
trole) voorkomt dat het voertuig terug rolt
als het voertuig gestart wordt vanuit een
stop op een helling. Het systeem bedient
de remmen automatisch gedurende on-
geveer 1,5 seconden en laat de rem los
als het gaspedaal wordt ingedrukt, of na
2 seconden.
AANDACHT
De HAC werkt niet als de versnel-ling-
spook in P (Parkeren) of N (Neut-raal)
staat (voor Automatisch versnel-lings-
bak).
Het HAC werkt bij:
- De versnelling staat in N (Neutraal)
of D (Rijden), helling omhoog.
- De versnelling staat in R (Achteruit),
helling omlaag (voor handgescha-
kelde versnellingsbak).
De HAC wordt geactiveerd als ESC
(Elektronische Stabiliteitscontrole) uit
staat maar wordt niet geactiveerd als
er een fout is opgetreden in ESC.
Noodstopsignaal (ESS)
(indien van toepassing)
Het Noodstopsignaal systeem waarsc-
huwt de bestuurder door de stop lamp te
laten knipperen als het voertuig hard
remt.
Het systeem wordt geactiveerd als:
Het voertuig stopt plotseling (voertuig-
snelheid is hoger dan 55km/uur (34
mph) en de vertraging van het voertuig
is groter dan 7 m/s2).
ABS wordt geactiveerd.
Als de snelheid van het voertuig lager
is dan (25 mph) en ABS is gedeacti-
veerd of de situatie van plotseling stop
is voorbij, dan zal de stop lamp niet
meer knipperen. In plaats daarvan zal
de waarschuwing voor gevaren auto-
matisch ingeschakeld worden. De
waarschuwing voor gevaren zal uitge-
schakeld worden als de snelheid van
het voertuig hoger is dan 10 km/uur,
nadat het voertuig gestopt is. Het zal
tevens uitgeschakeld worden als het
voertuig gedurende langere tijd heel
langzaam rijdt. U kunt dit automatisch
uitgeschakelen door te drukken op de
schakelaar voor de waarschu-wing
voor gevaren.
WAARSCHUWING
Indien de ESC-lampje ( ) of EPS-
lampje ( ) aan blijft, er een fout
optreedt met het VSM systeem.
Wanneer de waarschuwingslamp
brandt, het wordt aanbevolen het
voertuig wordt gecontroleerd door
een Erkende HYUNDAI Verdeler.
WAARSCHUWING
Wees altijd klaar om het gaspedaal
in te drukken als u op een helling
start. De HAC is alleen gedurende 2
seconden geactiveerd.
OPMERKING
Het rijden met afwijkende band- of
velgmaten veroorzaakt dat het ESC
systeem niet goed functioneert. Bij
het vervangen van banden, moet
dezelfde maat worden gebruikt als
de oorspronkelijke banden.
Het besturen van uw voertuig
325
Goed gebruik Natte remmen geven een ander remge-
drag bij het eerste remcommando! De
remmen kunnen nat zijn als het voertuig
door stilstaand water heeft gereden of na
het wassen. De auto zal een moment
minder goed remmen als de remmen nat
zijn. Natte remmen kunnen ook de oor-
zaak zijn dat de auto naar een kant trekt.
De auto zal een moment minder goed
remmen als de remmen nat zijn. Natte
remmen kunnen ook de oorzaak zijn dat
de auto naar een kant trekt. Om het
water te laten verdampen moet het rem-
pedaal lichtjes worden ingetrapt. Als de
remactie niet terugkeer naar de normale
situatie, stop dan zodra het veilig is en in
dat geval raden we aan om een erkende
HYUNDAI-verdeler te contacteren.
Rijdt niet met de voet rustend op het
rempedaal. Zelfs lichte, constante druk
op het rempedaal kan ertoe leiden dat de
remmen oververhit raken, de remmen
slijten en mogelijk een band lek gaat
zelfs uitvallen.
Indien een band lek gaat terwijl u aan het
rijden bent, gebruik de remmen voor-
zichtig en hou de auto recht vooruit ge-
richt terwijl u vaart mindert. Ga van de
weg en stop op een veilige plaats om het
wiel te wisselen.
Om het “kruipen” te vermijden, hou de
voet op het rempedaal wanneer de auto
is gestopt of stil moet staan.
WAARSCHUWING
Stop altijd volledig en blijf op het
rempedaal drukken als u het voer-
tuig verlaat of parkeert. Verplaats
de versnellingspook staat naar P
(Parkeren, automatische versnel-
lingsbak) of 1e versnelling (hand-
geschakelde versnellingbak); stel
de parkeerrem en plaats de ont-ste-
king in de VERGRENDELD/UIT
stand.
Hiermee wordt voorkomen dat de
auto ongewenste rijbewegingen
maakt.
533
Het besturen van uw voertuig
Het Voorwaarts Botsing Waarschuwings-
systeemhelpt om ongevallen te voorko-
men door het vroeger identificeren van
kritieke situaties en de bestuurder te
waarschuwen.
Het systeem zal geactiveerd worden
wanneer de voertuigsnelheid boven 15
km /u (9 mph) en onder 180 km / u (112
mph) is.
FCW-werking
FCW zal standaard AAN staan wanneer
het voertuig opnieuw opgestart wordt
zelfs wanneer FCW was uitgeschakeld.
Het uitschakelen van het FCW-syteem,
druk op de FCW OFF-knop. Het Waar-
schuwingslampje FCW ( ) in het ins-
trumentenpaneel zal gaan branden.
Wanneer het FCW-waarschuwingslamp-
je blijft branden, zelfs wanneer het FCW-
Systeem ingeschakeld is, we adviseren u
het systeem te laten nakijken door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingsmeldinge
FCW-waarschuwingslampje zal knippe-
ren en een signaal zal gegeven worden
wanneer er snel een trager bewegend,
remmend of een stoppend voorligend
voertuig nadert.
Verminder onmiddelijk uw snelheid om
een botsing te voorkomen.
VOORWAARTS BOTSING WAARSCHUWINGSSYSTEEM (FCW) (INDIEN VAN TOEPASSING)
WAARSCHUWING
Het Voorwaarts Botsing Waar-
schuwingssysteem is een aan-
vullend systeem om u te assiste-
ren en zijn effect kan verschillen
afhankelijk van de weg- en rijcon-
dities. Vertrouw niet alleen maar
op het systeem en besteedt altijd
aandacht om gevaarlijke voorko-
mende situaties te voorkomen.
FCW is een waarschuwingssys-
teem en is niet van toepassing bij
het automatisch remmen in een
aanrijdingssituatie in de buurt.
FCW kunnen geen waarschuwing
met genoeg tijd voorzien om een
aanrijding helpen te voorkomen.
FCW detecteert geen voetgan-
gers, dieren, tekens, constructies
of andere voorwerpen. Het is de
verantwoordelijkheid van de
bestuurder om aandacht te
besteden aan de rijbaan om bots-
ingen te voorkomen.
OIA056030
Het besturen van uw voertuig
345
Storing FCW
Wanneer de FCW niet goed werkt, het
waarschuwingslampje FCW ( ) zal
gaan branden.
Beperkingen van het systeem
Het Voorwaarts Botsing Waarschuwings-
systeem kan beperkingen hebben naar
zijn vermogen om afstand naar zijn voor-
ligger te detecteren dat te wijten is aan
de weg en de verkeerscondities.
Het FCW kan geen voertuigen detecte-
ren of kan voorwerpen als voertuigen
detecteren wanneer:
- De cameralens bedekt is met vuil.
- Er hevige regen of sneeuw is.
- Rijden in een bocht.
- Bergop of bergaf rijden.
- Een voorliggend voorwerp is erg smal
zoals motorfietsen of fietsen.
- Een voertuig komt plotseling op uw rij-
strook.
- Het voorste voertuig vertrekt plotseling
vanaf de rijstrook of het is verborgen
door andere voorwerpen.
- Een voertuig passeert bij een hogere
snelheid.
- Een ongewoon gevormd voorliggend
voertuig zoals een opligger, een voer-
tuig met speciale toegang of een
vrachtwagen met een uniek gevormde
lading.
- De achterlichten van het voorliggende
voertuig zijn niet aanwezig, geïnstal-
leerd op een ongewone plaats of one-
ven geïnstalleerd.
- Het voorste voertuig installeerde een
aparte lamp of LED lamp aan de ach-
terkant van het voertuig.
- In of uit een tunnel komen, waar de ver-
lichtingsintensiteit hoog is.
- U rijdt met de zon recht voor u.
- Het naderende voertuig heeft de groot-
lichten aan.
De auto zwaar trilt vanwege wegom-
standigheden.
- Het voertuig is gekanteld door een
lekke band of wordt gesleept.
- Het voorliggende voertuig is niet te
onderscheiden door soortgelijk gevorm-
de lampen.
- Het voorliggende voertuig is niet te
onderscheiden door voorwerpen die
verward kunnen worden met een voer-
tuig.
- de omringende omgevingen zoals
schaduw of merktekens op de weg,
enz. kunnen verward worden met een
voertuig.
OIA056028
535
Het besturen van uw voertuig
Het systeem voor het onbedoeld verlaten
van de rijbaan herkent de rijbaan met de
sensor op de voorruit en waarschuwt u
wanneer uw auto afwijkt van de rijbaan.
WAARSCHUWINGSSYSTEEM VOOR HET ONBEDOELD VERLATEN (LDWS) (INDIEN VAN TOEPASSING)
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen bij Waarschuwingssysteem
Voor Het Onbedoeld Verlaten
(LDWS):
Check ALTIJD de toestand van
de wegen. Het LDWS zorgt er
niet voor dat de auto van rijbaan
verandert of op de rijbaan blijft.
Draai niet plots aan het stuurwiel
als de LDWS waarschuwt dat uw
auto de rijbaan verlaat.
Als de camera de rijbaan niet kan
detecteren of als de snelheid van
de auto geen 60 km/u (38 mph)
overschrijdt, zal de LDWS niet in
staat zijn om u te waarschuwen
als de auto de rijbaan verlaat.
Als uw wagen uitgerust is met
getint glas of andere soorten
coating en accessoires op de
voorruit, kan het zijn dat de
LDWS niet goed werkt.
(Vervolg)
(Vervolg)
Zorg ervoor dat LDWS-camera
niet in contact komt met water of
vloeistof, dit kan de camera
beschadigen.
Probeer de LDWS-onderdelen
niet te verwijderen en bechadig
de camera niet door een sterke
impact.
Plaats geen voorwerpen die licht
reflecteren op het dashboard.
De werking van de LDWS kan
worden beïnvloed door verschil-
lende factoren (inclusief de lucht-
verontreiniging). Het is de verant-
woordelijkheid van de chauffeur
om aandacht te besteden aan de
weg en om de auto te allen tijde
op de baan te houden.
Controleer altijd de wegcondities
omdat het kan zijn dat u het waar-
schuwingssignaal niet hoort als
gevolg van de audio en externe
condities.
OIA056025
OIA056029
Het besturen van uw voertuig
365
LDWS-werking
Bediening:
Drukt op de LDWS-knop terwijl de con-
tactsleutel-knop in de stand AAN. De
indicator licht (wit) op op het bediening-
spaneel.
Om te annuleren:
Druk nogmaals op de LDWS-knop. De
indicator op het instrumentenpaneel zal
uitgaan.
Als de auto de rijstrook verlaat wanneer
de LDWS ingeschakeld is en de snelheid
van de auto hoger is dan 60 km/u (38
mph), werkt het waarschuwingssysteem
als volgt:
1. Visuele waarschuwing
Als je de rijstrook verlaat, wordt een
waarschuwingssignaal weergegeven.
2. Auditieve waarschuwing
Als je de rijstrook verlaat, wordt een
waarschuwingssignaal weergegeven.
De kleur van het symbool zal veranderen
afhankelijk van de conditie van het
LDWS-systeem.
- Witte kleur: Wanneer u het waarschu-
wingssysteem voor het onbedoeld ver-
laten van de rijstrook activeert door het
drukken op de LDWS-knop, de bedrijf-
stoestanden in het systeem zijn niet
vervuld of de sensor detecteert de rij-
strook niet.
- Groen kleur: Wanneer u het waarschu-
wingssysteem voor het onbedoeld ver-
laten van de rijstrook activeert door het
drukken op de LDWS-knop, de bedrijf-
stoestanden in het systeem zijn ver-
vuld of de sensor detecteert de rij-
strook.
- Geel kleur: Wanneer zich een storing
voordoet in het waarschuwingssys-
teem voor het onbedoeld verlaten van
de rijstrook.
OIA056027
537
Het besturen van uw voertuig
Waarschuwingslampje
Wanneer de LDWS niet goed werkt, het
waarschuwingslampje (Geel kleur) zal
gaan branden.
Wij raden u aan zich tot een erkende
HYUNDAI-dealer te wenden om het sys-
teem te laten controleren.
Het LDWS werkt niet wanneer:
De bestuurder zet de richtingaanwijzer
aan om van rijstrook te veranderen of
zet de alarmknipperlichten op.
Rijden op de rijstrook.
AANWIJZING
Gebruik de richtingaanwijzer altijd
voor je van rijstrook wisselt.
BESTUURDER OPGELET
De LDWS mag u niet waarschuwen,
zelfs als de auto de rijstrook verlaat,
of u waarschuwen zelfs als de auto de
rijstrook niet verlaat wanneer:
De rijstrook niet zichtbaar is ten
gevolge van sneeuw, regen, een
vlek, een plas of andere factoren.
De helderheid buiten plotseling ver-
andert zoals bij het binnenrijden of
verlaten van een tunnel.
De koplampen 's nachts niet zijn
ingeschakeld of in een tunnel, of bij
slechte verlichting.
Het moeilijk is om de kleur van de
markering van de weg of de rij-
strook te onderscheiden, of deze
markering beschadigd of onduide-
lijk is.
U op een steile helling rijdt of een
bocht neemt.
Licht, zoals straatlicht, zonlicht of
licht van een tegenligger weerkaatst
op het water op de weg.
De lens of de voorruit bedekt is met
vreemde stoffen.
De camera de rijstrook niet detec-
teert als gevolg van mist, hevige
regen of hevige sneeuwval.
(Vervolg)
(Vervolg)
De omgevingstemperatuur van de
achteruitkijkspiegel hoog is, te wij-
ten aan direct zonlicht.
De rijstrook erg breed of smal is.
De voorruit aangedampt is door de
vochtige lucht in de auto.
Er een schaduw lgt op de markering
van de rijstrook.
Er een markering is die lijkt op de
lijn van een rijstrook.
Er een grensstructuur is, zoals een
betonblok.
De afstand tot de voorligger erg kort
is of de voorligger over de marke-
ring van de rijstrook rijdt.
De auto zwaar trilt vanwege wegom-
standigheden.
Het aantal rijstroken toeneemt of
afneemt of de rijstrookmarkeringen
elkaar kruisen.
Er iets op het dashboard werd
geplaatst.
U rijdt met de zon recht voor u.
U rijdt in gebieden in aanbouw.
De rijstrook is meer dan twee aan
elke kant (Links/Rechts).
OIA056027
Het besturen van uw voertuig
385
Cruise Control Werking
1. Cruise indicator
2. Cruise set indicator
Het cruise control systeem stelt u in staat
om harder te rijden dan ongeveer 30
km/uur (20 mph) zonder dat u het rempe-
daal hoeft aan te raken.
AANDACHT
Als de SET-schakelaar wordt geacti-
veerd of opnieuw geactiveerd na het
inschakelen van de rem tijdens de
normale cruise control werking wordt
de cruise control ca. 3 seconden in-
geschakeld. Dit is normaal.
Moet u het rempedaal minimum een
maal indrukken om de cruise control
in te stellen na het contact wordt AAN
gezet en het starten van de motor. Dit
om te controleren of de remschake-
laar, een erg belangrijk onderdeel
voor het annuleren van cruise control,
in goede staat is.
CRUISE CONTROL SYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen:
Als de cruise control ingescha-
keld blijft (CRUISE indicatorlamp-
je in het instrumentencluster licht
op) kan de cruise control per
ongeluk worden ingeschakeld.
Houd het cruise control systeem
uitgeschakeld (CRUISE indicator-
lampje UIT) als u de cruise con-
trol niet gebruikt om te vermijden
dat u een snelheid per ongeluk
instelt.
Gebruik het cruise control sys-
teem enkel op de autosnelweg in
goede weersomstandigheden.
Gebruik geen de cruise control
niet als het onveilig is de wagen
aan een constante snelheid te
houden:
- Als u rijdt in zwaar of variërend
snelheid verkeer.
- Op gladde (regen, ijs of sneeuw)
wegen.
- Heuvelachtige of winderige
wegen.
- Erg winderige gebieden.
OIA053010
539
Het besturen van uw voertuig
Cruise Control schakelaar
O: Annuleert cruise control werking.
: Schakelt het cruise control systeem
in of uit.
RES+: Hervatten of verhogen van de
snelheid van de cruise control.
SET-: Instellen of verlagen van de snel-
heid van de cruise control.
De cruise control snelheid instellen
1. Duw de cruise toets in op het stuur
om het systeem in te schakelen. De
indicatorlamp van de cruise zal bran-
den.
2. Versnel naar de gewenste snelheid
die hoger moet zijn dan 30 km/uur.
AANDACHT -
Handgeschakelde
versnellingsbak
Bij voertuigen met manuele transaxles
moet u het rempedaal minimum een
maal indrukken om de cruise control in
te stellen na het starten van de motor.
3. Druk de SET-schakelaar in en laat
hem los op de gewenste snelheid. Het
SET indicatorlampje in het instrumen-
tencluster licht op. Laat gelijktijdig het
gaspedaal los. De gewenste snelheid
wordt automatisch gehandhaafd.
Op een steile helling is het mogelijk dat
het voertuig lichtjes vertraagt of versnelt
tijdens de afdaling.
OIA053011 OIA053012 OIA053013
Het besturen van uw voertuig
405
De ingestelde cruise control snelheid
verhogen
Volg een van deze procedures:
Duw de +RES schakelaar in en houd
hem ingedrukt. Uw voertuig versnelt.
Laat de schakelaar los aan de
gewenste snelheid.
Duw de +RES schakelaar in en laat
hem onmiddellijk los. De kruissnelheid
verhoogt met 2 km/uur - Dieselmotor
iedere maal de +RES schakelaar op
deze wijze wordt bediend.
De cruise control snelheid verlagen:
Volg een van deze procedures:
Duw de SET- schakelaar in en houd
hem ingedrukt. Uw voertuig zal gelei-
delijk aan vertragen.
Laat de schakelaar los aan de snelheid
die u wilt handhaven.
Duw de SET- schakelaar in en laat
hem onmiddellijk los. De kruissnelheid
verlagen met 2 km/uur - Dieselmotor
iedere maal de SET- schakelaar op
deze wijze wordt bediend.
Om tijdelijk te versnellen met de
cruise control ingeschakeld
Als u tijdelijk wilt versnellen wanneer de
cruise control is ingeschakeld, drukt u
het gaspedaal in. De verhoogde snelheid
zal de werking van de cruise control niet
beïnvloeden noch de ingestelde snelheid
wijzigen.
Om terug te keren naar de ingestelde
snelheid haalt u uw voet van het gaspe-
daal.
OIA053014 OIA053013
541
Het besturen van uw voertuig
Cruise control wordt geannulleerd
als:
Druk het rempedaal in.
Druk de koppeling in met een manuele
transaxle (indien van toepassing).
Schakel in Neutraal met een automati-
sche transaxle (indien van toepas-
sing).
Druk de ANNULEREN toets in op het
stuur.
Verlaag de snelheid tot minder dan de
geheugensnelheid van 20 km/uur.
Verlaag de snelheid van het voertuig
tot minder dan ca. 30 km/uur.
AANDACHT
Leder van boven acties annuleert de
werking van de cruise control (het SET
indicatorlampje in het instrumenten-
paneel schakelt uit) maar alleen druk-
ken op de cruise ( ) knop gaat het sys-
teem uit. Als u de cruise control wilt
hevatten, duwt u de RES+ schakelaar in
op het stuur. U zult terugkeren naar de
vorige ingestelde snelheid, tenzij het sys-
teem werd uitgeschakeld via de cruise
( ) knop.
Om de kruissnelheid hervatten
Indien een andere methode dan de
CRUISE ON-OFF schakelaar werd geb-
ruikt om de kruissnelheid te annuleren en
het systeem nog steeds actief is, wordt
de meest recent ingestelde snelheid
automatisch hervat als de +RES schake-
laar wordt ingedrukt.
Deze snelheid wordt echter niet hervat
als de snelheid van het voertuig gedaald
is tot ca. 30 km/uur.
OIA053015 OIA053014
Het besturen van uw voertuig
425
Om de cruise control uit te schakelen
Druk de cruise knop in.
Schakel het contact uit.
Deze beide acties annuleren de werking
van de cruise control. Als u de cruise
control werking wilt hervatten, herhaalt u
de stappen in “De cruise control snelheid
instellen” op de vorige pagina.
543
Het besturen van uw voertuig
Controlesysteem voor
snelheidsbeperking
U kunt de snelheidslimiet instellen als u
niet hoger dan een specifieke snelheid
wilt rijden.
Als u sneller rijdt dan de vooringestelde
snelheidslimiet werkt het waarschuwing-
systeem (ingestelde snelheidslimiet knip-
pert en geeft een geluidsignaal weer) tot
de snelheid van het voertuig terugkeert
binnen de snelheidslimiet.
AANDACHT
Tijdens de werking van de snelheidsli-
miet controle kan het cruise control sys-
teem niet worden ingeschakeld.
Control schakelaar voor de
snelheidslimiet
O: Annuleren van de ingestelde snel-
heidslimiet.
: Schakelt het regelsysteem voor de
snelheidslimiet in of uit.
RES+: Hervatten of verhogen van de re-
gelsnelheid voor de snelheidsli-
miet.
SET-: Instellen of verlagen van de regel-
snelheid voor de snelheidslimiet.
De snelheidslimiet instellen
1. Duw de snelheidslimiet toets in op
het stuur om het systeem in te sc-
hakelen.
BEHEERSYSTEEM SNELHEIDSLIMIET (INDIEN VAN TOEPASSING)
OIA053016OIA053011
Het besturen van uw voertuig
445
Het snelheidslimiet indicatorlampje in het
instrumentencluster licht op. 2. Druk de SET-schakelaar in.
3. Druk de +RES of SET- schakelaar in
en laat hem los op de gewenste snel-
heid.
Duw de +RES of SET- schakelaar in
en houd hem ingedrukt. De snelheid
verhoogt of verlaagt met 5 km/uur.
Duw de +RES of SET- schakelaar in
en laat hem onmiddellijk los. De snel-
heid verhoogt of verlaagt met 1
km/uur.
De ingestelde snelheidslimiet ver-
schijnt op de instrument cluster.
De ingestelde snelheidslimiet verschijnt.
OIA053020 OIA053021
OIA053017
90
545
Het besturen van uw voertuig
Om sneller te kunnen rijden dan de
geprogrammeerde snelheidslimiet, moet
u het gaspedaal diep (verder dan on-
geveer 80%) intrappen totdat het aftrap
mechanisme werkt, te horen aan een
klikgeluid. Daarna knippert de ingestelde
snelheidslimiet en een geluidsignaal
weerklinkt tot het voertuig terugkeert bin-
nen de snelheidslimiet.
AANDACHT
Als u sneller wilt rijden dan de voo-
ringestelde snelheidslimiet wanneer u
het gaspedaal minder dan 50% in-
drukt, wordt de snelheid van het voer-
tuig gehandhaafd binnen de snel-
heidslimiet.
Een klikgeluid is te horen uit het afs-
trapmechanisme door het gaspedaal
bij normale omstandigheden volledig
in te duwen.
Om de controle van de snelheidsli-
miet uit te schakelen
Druk de snelheidslimiet schake-
laar opnieuw in.
Druk de cruise schakelaar in (als u de
cruise schakelaar indrukt, schakelt het
cruise systeem in).
Als u een paar keer op de knop AN-
NULEREN (O (CANCEL)) drukt, wordt
de ingestelde snelheidslimiet geannu-
leerd, maar het system wordt niet uitge-
schakeld. Als u de snelheidslimiet wilt
herstellen, drukt u op de +RES of SET-
schakelaar op het stuur tot de gewenste
snelheid is bereikt.
OPMERKING
De “---” indicator zal knipperen als
er een probleem is opgetreden met
het regelsysteem voor de snel-
heidslimiet.
Als dit gebeurt, raden we aan om
het systeem te laten nakijken door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
OIA053018 OIA053020
Het besturen van uw voertuig
465
ISG Bediening
Het ISG-systeem helpt het brandstofver-
bruik te verminderen door automatisch
uitschakelen van de motor, wanneer het
voertuig stilstaat (Bij voorbeeld : rode
lamp, verkeerslicht en file).
De motor start automatisch zodra aan de
startvoorwaarden is voldaan.
Het ISG-systeem is AAN als de motor
draait.
AANDACHT
Als de motor automatisch start met het
OSG-systeem zullen waarschuwings-
lampen (ABS, ESC, ESC OFF, EPS of
de waarschuwingslamp van de parkeer-
rem) enkele seconden branden.
Dit gebeurt bij een lage laadtoestand
van de batterij. Dit betekent niet dat het
systeem niet goed werkt.
Automatische stop
Om de motor te stoppen in de onbelaste
modus.
1. Verminder de snelheid van de wagen
tot minder dan 5 km/uur (3 mph).
2. Schakel naar de stand N (Neutraal).
3. Laat het koppelingspedaal los.
De motor zal stoppen en de groene indi-
cator AUTO STOP ( ) op het instru-
mentenpaneel zal branden.
ISG-SYSTEEM (IDLE STOP AND GO) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OIA053022
547
Het besturen van uw voertuig
AANDACHT
Als u uw veiligheidsgordel losmaakt of
het bestuurdersportier opent (of de mo-
torkap) in de automatische stopmodus,
zal het volgende zich voordoen, het ISG-
systeem zal uitschakelen (de lamp op de
ISG OFF knop zal branden).
Auto start
Om de motor opnieuw te starten vanuit
een onbelaste stopmodus
Druk het koppelingspedaal in als de
schakelpook in de stand N (Neutraal)
staat.
De motor zal starten en de groene indi-
cator AUTO STOP ( ) op het instru-
mentenpaneel zal doven.
De motor zal automatisch herstarten zon-
der enige handeling vanwege de bestuur-
der in de volgende gevallen:
- De ventilatorsnelheid van het handma-
tige klimaatregelingssysteem is inge-
steld boven de 3de positie als de air-
conditioning aan staat.
- De ventilatorsnelheid van het handma-
tige klimaatregelingssysteem is inge-
steld boven de 3de positie als de air-
conditioning aan staat.
- Als een bepaalde tijd verstreken is ter-
wijl het airconditioningsysteem aan
staat.
- Als de ontwaseming aan staat.
- De vacuümdruk van de rem is laag.
- De laadtoestand van de batterij is zwak.
- Het voertuig overschrijdt 5 km/uur (3
mph).
De groen AUTO STOP ( ) indicator op
het instrumentenbord zal blijven branden
nadat het 5 seconden heeft geknipperd.
OIA053019
Het besturen van uw voertuig
485
Het ISG-systeem zal in de volgende
situatie werken systeem:
- De veiligheidsgordel van de bestuurder
is vastgemaakt.
- Het bestuurdersportier en de motorkap
zijn gesloten.
- De vacuümdruk van de rem is ade-
quaat.
- De batterij is voldoende geladen.
- De buitentemperatuur bedraagt tussen
-2°C to 35°C (28.4°F tot 95°F).
- De koeltemperatuur van de motor is
niet te laag.
AANDACHT
Als het ISG-systeem niet aan de wer-
kingsvoorwaarden voldoet, wordt het
ISG-systeem uitgeschakeld. De lamp
op de knop ISG OFF zal branden.
Als de lamp continu brandt, ver-
schijnt doorlopend, controleer dan de
werkingstoestand.
Uitschakeling van het ISG-systeem
Als u het ISG-systeem wilt uitschake-
len, druk dan op de knop ISG OFF. De
lamp op de knop ISG OFF zal bran-
den.
Als u de knop ISG OFF nogmaals
indrukt, wordt het systeem geactiveerd
en zal de lamp van de knop ISG OFF
doven.
OIA053019
549
Het besturen van uw voertuig
Storing van het ISG-systeem
Het systeem zal niet werken als:
De ISG-gerelateerde sensoren gestoord
zijn of bij een systeemfout.
Het volgende zal zich voordoen:
De gelde AUTO STOP ( ) indicator
op het instrumentenbord zal blijven
branden nadat het 5 seconden heeft
geknipperd.
De lamp op de knop ISG OFF zal bran-
den.
AANDACHT
Als de knop ISG OFF niet wordt uit-
geschakeld door nogmaals op de knop
ISG OFF te drukken, of als het ISG-
systeem doorlopend niet correct
werkt, raden we aan om contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-
verdeler.
Als de lamp van de ISG OFF oplicht,
kan het zijn dat ze dooft als uw wagen
tegen circa 80 km/uur rijdt gedurende
een maximum van 2 uur en bij een
instelling van de regeling van de ven-
tilatorsnelheid onder de 2de stand. Als
de lamp van de knop ISG OFF door-
lopend brand ondanks de procedure,
raden we aan om contact op te nemen
met een erkende HYUNDAI-verdeler.
WAARSCHUWING
Als de motor in de modus Idle Stop
(onbelaste stop) staat, is het mo-
gelijk om de motor weer te starten
zonder dat de bestuurder enige
actie onderneemt.
Voordat u de wagen verlaat of iets
doet in de motorruimte, stopt u de
motor door de contactsleutel op de
stand LOCK/OFF te draaien, of de
contactsleutel te verwijderen.
Het besturen van uw voertuig
505
Het assistentiesysteem voor achteruit
parkeren helpt de bestuurder bij de ach-
terwaartse beweging van de wagen door
middel van een waarschuwingstoon als
een voorwerp wordt gedetecteerd binnen
een afstand van 120 cm (47 inch) achter
de wagen. Dit is een bijkomende sys-
teem detecteert objecten binnen het
bereik en de locatie van de sensoren, het
kan geen voorwerpen detecteren in
andere delen waar geen sensoren zijn
geïnstalleerd.
AANDACHT
Het is mogelijk dat de systeem geen vo-
orwerpen detecteert op minder dan 30
cm (11.8 inch) van de sensor, of dat de
sensor dan een verkeerde afstand de-
tecteert.
Werking van de Parkeerhulpsystem
(indien van toepassing)
Werkingstoestand
Het systeem wordt geactiveerd als de
indicator van de parkeerassistent ach-
teruit UIT knop niet brandt.
ASSISTENTIESYSTEEM VOOR ACHTERUIT PARKEREN (INDIEN VAN TOEPASSING)
OIA046033
WAARSCHUWING
Kijk ALTIJD rond uw voertuig om
er zeker van te zijn dat er geen
objecten of obstakels aanwezig
zijn die bij het wegrijden een hin-
dernis kunnen vormen.
Let goed op als de wagen dicht
bij voorwerpen, en let vooral op
voor voetgangers en meer speci-
fiek voor kinderen.
Er rekening mee dat sommige
objecten niet zichtbaar zijn op het
scherm of worden gedetecteerd
door de sensoren, door de
afstand tot het voorwerp, de
afmeting of het materiaal. Dit
alles kan de efficiëntie van de
sensor beïnvloeden.
OPMERKING
Duw, kras of sla de sensor niet met
harde voorwerpen aangezie deze
het oppervlakte van de sensor kun-
nen beschadigen. De sensor zou
beschadigd kunnen geraken.
OIA053009
Sensoren
551
Het besturen van uw voertuig
De sensorafstand tijdens het achteruit
rijden is ongeveer 120 cm (47 in)
indien u langzamer rijdt dan 10 km/uur
(6 mph).
Als meer dan twee voorwerpen tegelijk
worden gedetecteerd, zal het voorwerp
dichtst bij de wagen eerst worden
gedetecteerd.
Types waarschuwingsgeluiden
Als een object zich op een afstand tus-
sen 120 cm tot 61 cm (47,2 inch tot 24
inch) van de achterbumper bevindt: De
zoemer biept intermitterend.
Als een object zich op een afstand tus-
sen 60 cm tot 31 cm (23,6 inch tot 12,2
inch) van de achterbumper bevindt: De
buzzer laat na elkaar twee piep gelui-
den horen.
Als een object zich binnen 30 cm (11,8
inch) van de achterbumper bevindt: De
zoemer produceert een doorlopend
geluid.
Als u geen waarschuwingstoon hoort of
als de zoemer intermitterend biept als u
de versnellingspook in de stand R (Re-
verse, achteruit) zet, kan dit erop wijzen
dat het assistentiesysteem voor het par-
keren defect is. Indien dit gebeurt, wij
aanbevelen het voertuig te worden
gecontroleerd door een erkende HYUN-
DAI verdeler.
Omstandigheden waarin het assis-
tentiesysteem voor achteruit parke-
ren niet werkt.
Het assistentiesysteem voor achteruit
parkeren zal niet behoorlijk werken
als:
Er bevroren vocht op de sensor zit.
De sensor wordt bedekt met vreemd
materiaal zoals sneeuw of water, of de
sensorkap is geblokkeerd.
Het kan gebeuren dat de parkeeras-
sistentie niet goed werkt als:
Rijden op oneffen wegdekken (zoals
ongeasfalteerde wegen, grint, keien,
hellingen).
Zich voorwerpen die overdreven lawa-
ai veroorzaken zoals claxons van
auto's, motorlawaai van motorfietsen
of luchtremmen van een vrachtwagen
kunnen interfereren met de sensor.
Het regent hevig of er spat veel water.
Draadloze zenders of mobiele tele-
foons binnen het bereik van de sensor.
De sensor is bedekt met sneeuw.
Alle apparaten of accessoires die niet
in de fabriek werden geïnstalleerd, of
als de bumperhoogte van de wagen of
de sensorinstallatie werd gewijzigd.
Slepen van een aanhangwagen.
Het detectiebereik kan verkleinen
wanneer:
Buitentemperatuur is extreem warm of
koud.
Ondetecteerbare voorwerpen van min-
der dan (ongeveer) 1 m (40 inch) hoog
en met een diameter van minder dan
(ongeveer) 14 cm (6 inch).
Het is mogelijk dat de sensor de vol-
gende objecten niet herkend:
Scherpe of dunne voorwerpen zoals
koorden, kettingen of smalle paaltjes.
Voorwerpen die de neiging hebben om
sensorfrequentie op te slorpen, zoals
kleding, sponsachtig materiaal of sne-
euw.
WAARSCHUWING
De garantie van uw wagen dekt
geen accidenten of schade aan uw
wagen of verwondingen van de
inzittenden die te wijten zijn aan
een defect van het assistentiesys-
teem voor achteruit parkeren. Rijd
altijd veilig en voorzichtig.
Gevaarlijke rijomstandigheden
Wanneer gevaarlijke rijcondities ontstaan
door omstandigheden zoals water, snee-
uw, ijs, modder of zand:
Rij voorzichtig en laat neem voldoende
afstand van de voorganger.
Vermijdt plotseling remmen of sturen.
Als de auto vast staat in sneeuw, modder
of zand maak dan gebruik van de twee-
de versnelling. Geef langzaam gas om
het spinnen van de wielen te voorkomen.
Gebruik eventueel zand, zout, sneeuw-
kettingen.
Schommelen het voertuig
Indien het nodig is om het voertuig vrij te
rijden uit sneeuw, zand of modder, draai
eerst het stuurwiel rechts en links om het
gebied rond uw voorwielen vrij te maken.
Schakel dan heen en weer tussen 1e en
R (Achteruit, bij voertuigen met manuele
transas) of R (Achteruit) en voorwaartse
versnelling (voor automaten). Rijd niet te
snel als voorkom dat de wielen spinnen.
Om te voorkomen dat de transas slijt,
wacht u totdat de wielen niet meer draa-
ien voordat u van versnelling verandert.
Laat het gaspedaal los tijdens schakelen,
en druk licht op het gaspedaal totdat de
transas gekoppeld is. Laat de wielen
langzaam naar voren en naar achteren
rollen, dit veroorzaakt een schommelen-
de beweging die het voertuig weer vrij
kan geven.
Het besturen van uw voertuig
525
SPECIALE RIJCONDITIES
WAARSCHUWING
Terugschakelen met een automati-
sche versnellingsbak tijdens het rij-
den op gladde wegen kan een
ongeval veroorzaken. De plotselin-
ge verandering in wielsnelheid kan
slip veroorzaken.
WAARSCHUWING
Als de banden op hoge snelheid
draaien, dan kunnen de banden
ontploffen, en u of anderen kunnen
gewond raken. Let op als er men-
sen of obstakels in de buurt zijn.
Het voertuig kan oververhit raken
waardoor een motorafdeling brand
kan vatten of andere schade kan
ontstaan. Laat de wielen zo min
mogelijk draaien en voorkom dat
de wielen spinnen bij snelheden
hoger dan 56 km/uur (35 mph),
zoals aangegeven op de snelheids-
meter.
OPMERKING
Als dit na meerdere pogingen niet
lukt na schommelen het voertuig,
laat dan het voertuig eruit trekken
door een sleepvoertuig om overver-
hitting van de motor te voorkomen
en mogelijke schade aan de aandrij-
ving en schade aan banden. Zie
"Slepen" in sectie 6.
Om schade aan de transas te voor-
komen, schakelt u ESC (indien van
toepassing) uit voordat u het voer-
tuig laat schommelen.
553
Het besturen van uw voertuig
Vloeiend nemen van een bocht
Vermijd remmen of verandering van ver-
snelling in bochten, vooral wanneer de
wegen nat of glad zijn. Idiaal is de boch-
ten te nemen met een lichte versnelling.
Omdat ’s nachts rijden meer inspanning
vereist zijn hier enkele tips om aan te
denken:
Pas uw snelheid aan en houd voldoen-
de afstand tussen u en de voorgan-ger.
Let op dat de afstanden in donkere
omstandigheden moeilijker zijn in te sc-
hatten, vooral zonder straatverlichting.
Stel uw spiegels af om verblinding van
de koplampen van andere voertuigen
te verminderen.
Hou de verlichting schoon en juist af-
gesteld. Vuile of onjuist afgestelde ver-
lichting geeft minder zicht wat vooral ‘s
nachts belangrijk is.
Vermijdt zoveel mogelijk kijken in direct
licht (van de koplampen van aanko-
mende voertuigen). Hierdoor kan tijde-
lijk het zicht minder zijn dan wenselijk,
omdat de ogen enige tijd nodig hebben
om weer te wennen aan het donker.
Rijden in de regen
Regen en natte wegen kunnen rijden ge-
vaarlijk maken. Let op de volgende aan-
dachtspunten als rijden in de regen of op
nat wegdek pavement:
Rij voorzichtig en laat neem voldoende
afstand van de voorganger. Een zware
regenval maakt het moeilijker om te
zien en vergroot de afstand die nodig is
om uw voertuig te stoppen.
Vervang uw ruitenwisser bladen wan-
neer deze niet goed meer wissen,
beschadigd zijn of strepen geven op de
voorruit.
OLMB053041 OMC035004 OLMB053043
Het besturen van uw voertuig
545
Controleer regelmatig de banden. In-
dien de banden niet in goede conditie
zijn, kan het maken van een (nood)
stop op nat wegdek slippen veroorza-
ken en leiden tot een ongeval. Zie
"Bandgroef" in sectie 7.
Zet de verlichting aan in het kader van
zien en gezien worden.
Hard rijden door grote (diepe) plassen
kan het remmen beïnvloeden. Indien
door plassen gereden moet worden
pas dan, indien mogelijk, de snelheid
aan.
Als er veel water achter blijft rondom
de remvoering zal de remwerking in
eerste aanleg minder zijn. Controleer
daarom de werking nadat langdurig
door diepe plassen is gereden.
Aquaplanning
Uw voertuig maakt nog maar weinig con-
tact met de weg, en rijdt eigenlijk op het
water, als er veel water op de weg is en
u snel genoeg hiervoor gaat. Het beste
advies is om LANGZAMER te gaan rij-
den als de weg nat is. Het risico op aqua-
planning neemt toe als de diepte van de
bandgroeven afneemt, zie "Bandgroef" in
sectie 7.
Rijden in overstroomde gebieden
Vermijdt rijden door overstroomde gebi-
eden behalve als zeker is dat het water
niet hoger is dan de onderkant van de
wielnaaf. Probeer altijd langzaam te rij-
den door ondergelopen straaten op di-
epe plassen. Pas de afstand t.o.v. de
voorganger aan.
Controleer de remwerking na het rijden
door water.
555
Het besturen van uw voertuig
Sneeuwachtige of ijzige omstan-
digheden
Houdt voldoende afstand tussen het
voertuig voor u en uw voertuig, voorkom
noodstops.
Gebruik de remmen voorzichtig. Boven-
dien kan door te hard rijden, abrupt sc-
hakelen of remmen enz. een gevaarlijke
situatie ontstaan. Gebruik altijd indien
mogelijk het af remmen op de motor tij-
dens snelheidsvermindering. Plotselinge
remmen op sneeuwachtige, gladde of
ijzige wegen kan slip veroorzaken.
Om uw voertuig in diepe verse sneeuw te
kunnen rijden kan het nodig zijn om win-
terbanden te gebruiken of sneeuwkettin-
gen te monteren.
Nooduitrusting. Ook kan het nodig zijn te
beschikken over extra hulpmiddelen
zoals sneeuwkettingen, lantaarn, nood-
fakkels, zand, een schop, doorverbin-
dingskabels, een raamschrapper, hand-
schoenen, grondkleed, coveralls, een
deken enz. Zorg er voor dat dit in geval
van nood beschikbaar is.
Winterbanden
Indien u winterbanden monteert op uw
voertuig, verzeker u ervan dat de banden
van dezelfde maat en laadvermogen zijn
als de orginele banden. Monteer winter-
banden altijd op alle vier wielen om de
bestuurbaarheid van het voertuig zo go-
ed mogelijk te houden alle weersomstan-
digheden. Let op, winterbanden voldoen
minder op droge wegen, droge wegen en
hoge buitentemperaturen. Pas altijd de
rijstijl aan aan de rijomstandigheden.
AANDACHT
Installeer geen spijkerbanden zonder
eerst de lokale wetgeving te raadplegen
in verband met mogelijke beperkingen.
RIJDEN TIJDENS DE WINTER
OLMB053045
WAARSCHUWING
Winterbanden moeten equivalent in
maat en soort zijn aan de standa-
ardbanden van het voertuig. An-
ders kan de veiligheid en het stuur-
comfort van uw voertuig negatief
aangetast worden.
Sneeuwkettingen
Aangezien de zijwanden van radiaalban-
den dunner zijn, kunnen ze beschadigd
worden door de montage van sommige
soorten van bandkettingen. Daarom
wordt het gebruik van winterbanden aan-
bevolen. Wees voorzichtig met sneeuw-
kettingen op voertuigen uitgerust met
aluminium wielen; indien onvermijdelijk
moet een draad soort ketting. Als het
gebruik van bandenkettingen verplicht is,
raden we aan om gebruik te maken van
originele HYUNDAI onderdelen en om de
bandenketting te installeren nadat u de
instructies hierover gelezen hebt.
Schade aan het voertuig, veroorzaakt
door onjuist gebruik van sneeuwkettin-
gen, wordt niet gedekt door de fabrieks-
garantie.
AANDACHT
Installeer sneeuwkettingen op de vo-
orste banden. Het dient te worden op-
gemerkt dat het installeren van snee-
uwkettingen op de banden zal zorgen
voor een beter rijvermogen, maar dat
dit slippartijen niet zal voorkomen.
Installeer geen spijkerbanden zonder
eerst de lokale wetgeving te raadple-
gen in verband met mogelijke beper-
kingen.
Montage van de sneeuwkettingen
Volg de fabrieksinstructies bij het monte-
ren van de kettingen en monteer ze zo
strak mogelijk. Pas de snelheid aan met
de gemonteerde kettingen (minder dan
30 km/ uur). Indien de ketting tegen de
carosserie of chassis slaat, stop dan on-
middelijk en controleer op de juiste mon-
tage.
Parkeer het voertuig op effen ondergrond
tijdens het monteren van sneeuwkettin-
gen. Zet eventueel de waarschuwings
knipperlichten aan en plaats een ge-
varendriehoekig instrument achter het
voertuig, indien beschikbaar. Zet het
voertuig altijd in P (Parkeer), trek de par-
keerrem aan en zet de motor uit voor het
monteren van de sneeuwkettingen.
WAARSCHUWING
Het gebruik van sneeuwkettingen
zal het stuurcomfor van het voer-
tuig negatief beïnvloeden.
Overschrijdt niet 30 km/uur of de
aanbevolen snelheidslimiet van
de kettingfabrikant, welke het
laagste is.
Rij voorzichtig en vermijdt hob-
bels, scherpe bochten en andere
wegobstakels die het voertuig
erg ver door laat veren.
Vermijdt scherpe bochten en
remmen met geblokkeerde wie-
len.
1JBA4068
556
Het besturen van uw voertuig
OPMERKING
Bij gebruik van de bandenkettin-
gen:
Kettingen van een verkeerde ma-
at of onjuist gemonteerd kunnen
de remleidingen, ophanging, ca-
rosserie en wielen beschadigen.
Gebruik SAE "S" klasse of snee-
uwkettingen.
Als u lawaai hoort veroorzaakt
door contact van de kettingen
met de behuizing, zet dan de ket-
ting verder vast zodat contact
met de carrosserie van de auto
voorkomen wordt.
Voorkom schade aan de carros-
serie, en zet de kettingen opni-
euw vast na ongeveer 0.5~1.0 km
(0.3~0.6 mijl).
Wees voorzichtig met sneeuwket-
tingen op voertuigen uitgerust
met aluminium wielen; sneeuw-
kettingen kunnen schade veroor-
zaken aan de wielen. Indien on-
vermijdelijk moet een draad soort
ketting.
Gebruik sneeuwkettingen die
minder breed zijn dan 15 mm
(0.59 in) om schade aan de ket-
tingaansluiting te voorkomen.
Het besturen van uw voertuig
575
Twee labels op de deur van de bestuur-
der tonen hoeveel gewicht uw voertuig
mag trekken: het band en lading informa-
tielabel en het certificaatlabel.
Lees de aanwijzigen voor het laden van
het voertuig en wordt zodoende bekend
met de terminologie om de gewichtskwa-
lificaties van het voertuig en het certifi-
caatlabel vast te stellen:
Basis ledig gewicht
Dit is het gewicht van het voertuig inc-
lusief een volle brandstoftank en alle
standaarduitrusting. Het omvat geen
inzittende, vracht of optionele uitrusting.
Voertuig ledig gewicht
Dit is het gewicht van het voertuig zoals
het is afgeleverd, eventueel inclusief de
extra uitrusting, vanaf de HYUNDAI dea-
ler.
Laadgewicht
Het laadgewicht is het gewicht waarmee
de auto mag geladen mag worden inc-
lusief de inzittenden en optionele uitrus-
ting.
GAW (Bruto asgewicht)
Dit is het totale gewicht per as (voor en
achter) – inclusief ledig gewicht van het
voertuig en alle laadvermogen.
GAWR (Bruto asgewicht kwalificatie)
Dit is de maximaal toegelaten gewicht
per as (voor of achter). Deze gegevens
worden getoond op de certificaatlabel.
De totale lading op iedere as mag nooit
het opgegeven GAWR overschrijden.
GVW (Bruto voertuiggewicht)
Dit is de Basis Ledig Gewicht met werke-
lijke belading en inzittenden.
GVWR (Bruto voertuig gewicht
kwalificatie)
Dit is de maximaal toegelaten gewicht
van een volledig geladen voertuig (inclu-
sief alle opties, uitrusting, passagiers en
vracht). De GVWR wordt getoond op de
certificeringsetiket geplaatst op de
bestuurders- deurdrempel.
Overbelasting
VOERTUIG GEWICHT
WAARSCHUWING
De bruto asgewicht kwalificatie
(GAWR) en de bruto voertuigge-
wicht kwalificatie (GVWR) voor uw
voertuig zijn op de certificeringseti-
ket vermeld. Het overschrijden van
deze kwalificaties kan een ongeval
of voertuigschade veroorzaken. U
kun het gewicht van uw lading
berekenen door de bagage (en
inzittenden) te wegen voordat het
voertuig wordt beladen. Wees voor-
zichtig om het voertuig niet te over-
laden.
558
Het besturen van uw voertuig
Wat te doen in noodgevallen
Waarschuwingverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-2
Waarschuwingsknipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-2
In geval van een noodsituatie tijdens het rijden . . 6-2
Als de auto afslaat op een kruispunt. . . . . . . . . . . . . . 6-2
Een lekke band tijdens het rijden . . . . . . . . . . . . . . . . 6-2
Indien de motor afslaat tijdens het rijden . . . . . . . . . 6-3
Als de motor niet start . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-3
Als de motor niet start of langzaam ronddraait . . . . 6-3
Indien de motor wel start maar niet aanslaat . . . . . . 6-3
Starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-4
Jump starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-4
Aanduwen of aantrekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-5
Motor Oververhitting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-6
Indien de auto een lekke band heeft
(met reservewiel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-7
Krik en gereedschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-7
Losnemen en vastzetten van de reserveband . . . . . . 6-8
Het wisselen van het wiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-8
Indien de auto een lekke band heeft
(met Tire Mobility Kit) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-15
Introductie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-15
Opmerking voor het veilig gebruiken van de Tire
Mobility Kit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-16
Onderdelen van de bandmobiliteitskit . . . . . . . . . . . 6-17
Gebruik van de bandmobiliteitskit . . . . . . . . . . . . . . 6-18
Het dichtingsmiddel verdelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-19
Bandenspanningcontrolesysteem (TPMS). . . . . . 6-21
Lage bandenspanning waarschuwingslamp . . . . . . . 6-22
TPMS-defect indicator
(Bandenspanningcontrolesysteem) . . . . . . . . . . . . . . 6-23
Band met TPMS vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-24
Slepen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-26
Sleepservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-26
Verwijderbare sleephaak (voor-zijde). . . . . . . . . . . . 6-27
Noodslepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-28 6
Wat te doen in noodgevallen
26
WAARSCHUWINGVERLICHTING
Waarschuwingsknipperlichten
De waarschuwingsverlichting geldt als
een waarschuwing aan andere bestuur-
ders om extra voorzichtigheid te betrach-
ten bij het naderen, inhalen of pas-seren
van uw voertuig.
Het moet gebruikt worden als een nood-
reparatie moet worden uitgevoerd of
wanneer het voertuig wordt gestopt aan
de rand van de (auto)weg zonder parke-
ervak.
Druk de schakelaar in, het maakt niet uit
in welke stand het contact staat. De
schakelaar is geplaatst in het middenpa-
neel. De richtingaanwijzerlampen zullen
allen tegelijkertijd knipperen.
De waarschuwingsknipperlichten zul-
len werken zolang als de batterij vol-
doende vermogen levert.
De richtingaanwijzersignalen werken
niet wanneer de waarschuwingsver-
lichting brandt.
Als de auto afslaat op een
kruispunt
Als de motor afslaat op een kruispunt,
plaats dan de versnellingspook in de
stand N (vrij) en duw de auto vervol-
gens naar een veilige plek.
Als de auto is voorzien van een hand-
matige geschakelde versnellingsbak
en niet van een startknop, kan de auto
met de startmotor vooruit worden be-
wogen door de 2e of 3e versnelling in
te schakelen, het koppelingspedaal ni-
et in te trappen en het contactslot in te
startstand te draaien.
Een lekke band tijdens het rijden
Indien een band lek gaat terwijl u rijdt:
1. Haal de voet van het gaspedaal en
laat de auto snelheid minderen terwijl
u rechtdoor rijdt. Gebruik de remmen
niet onmiddellijk of probeer niet om
van de weg te gaan omdat dit verlies
van controle kan veroorzaken. Wan-
neer de snelheid van de auto zodanig
is geminderd dat het veilig is, rem
voorzichtig en ga van de weg af. Rijdt
naar een veilige plaats en parkeer de
auto indien mogelijk op een effen
ondergrond. Parkeer nooit op de mid-
denberm tussen de twee verkeersba-
nen.
IN GEVAL VAN EEN
NOODTOESTAND TIJDENS
HET RIJDEN
OIA046027
63
Wat te doen in noodgevallen
2. Wanneer de auto is gestopt, zet uw
waarschuwingsverlichting aan, trek de
parkeerrem aan en zet de versnel-
lingspook in P (automatische versnel-
lingsbak) of in achteruit (handgescha-
kelde versnellingsbak).
3. Laat alle inzittenden uit de auto stap-
pen. Let op de verkeerssituatie, laat
uitstappen zonder het overige verkeer
te hinderenwaardoor gevaarlijke situ-
aties kunnen ontstaan.
4. Bij het vervangen van de lekke band,
volg de instructies die later in deze
sectie worden verstrekt.
Indien de motor afslaat tijdens
het rijden
1. Verminder de snelheid geleidelijk, en
houdt een rechte lijn aan. Zoek zo
snel mogelijk een veilige plek om de
auto stil te zetten.
2. Zet de waarschuwingsverlichting aan.
3. Probeer om de motor opnieuw te star-
ten. Probeer om de motor opnieuw te
starten. Indien het voertuig niet start,
raden we u aan een erkende HYUN-
DAI verdeler te raadplegen.
Als de motor niet start of
langzaam ronddraait
1. Als de auto een automatische trans-
missie heeft, moet de de versnel-ling-
spook in N (neutraal) of P (parke-ren)
staan.
2. Controleer de batterijverbindingen of
deze droog en schoon zijn en vast zit-
ten.
3. Zet het binnenlicht aan. Als de verlich-
ting aanmerkelijk zwakker gaat bran-
den of uit gaat tijdens het starten is de
batterij ontladen.
4. Controleer de starterverbindingen of
deze stevig is zijn en vast zitten.
5. Probeer de auto niet aan te duwen of
slepen, met name bij een een auto
met een automatische versnellings-
bak kan aanmerkelijke schade ontsta-
an. Zie instructies voor "Starthulp”.
Indien de motor wel start maar
niet aanslaat
1. Controleer brandstofniveau
2. Met het contact op de LOCK positie,
controleer indien mogelijk de verbin-
dingen van het motormanagement en
bougies. Zonodig moet de losse stek-
ker worden vastgezet.
3. Controleer zo mogelijk de brandtoe-
voer naar de motor.
4. Als de motor niet start, raden we aan
om een erkende HYUNDAI-verdeler
te bellen.
INDIEN DE MOTOR NIETWIL STARTEN
WAARSCHUWING
Als de de motor niet wil starten,
duw of trek de auto niet om alsnog
de motor te laten starten. Dit zou
kunnen resulteren in een aanrijding
of andere schade veroorzaken. Dit
veroorzaken dat de katalysator ver-
zadigd raakt waardoor brandgevaar
ontstaat.
Wat te doen in noodgevallen
46
STARTHULP
Sluit de kabels aan in numerieke volgor-
de en neem deze altijd los in tegen-
gestelde volgorde.
Starthulp
Starthulp kan gevaarlijk zijn indien dit niet
zorgvuldig wordt gedaan. Om persoonlijk
letsel of schade aan het voertuig of bat-
terij te vermijden is het aan te raden de
procedures te volgen bij het gebruik van
een starthulp. Als u twijfelt raden wij u
aan een erkende HYUNDAI dealer raad-
plegen.
OPMERKING
Gebruik alleen een 12-volt starthulp.
Het elektrische systeem zal zeker
schade oplopen bij het gebruik van
een hogere spanningsbron.
WAARSCHUWING -
Batterij
Vermijd vonken en open vuur in
de nabijheid van de batterij. De
batterij produceert waterstofgas
dat kan ontploffen.
Indien deze instructies niet wor-
den opgevolgd, kan ernstig per-
soonlijk letsel of schade aan het
voertuig ontstaan. Bij twijfel over
het opvolgen van de startproce-
dure wordt aangeraden om con-
tact op te nemen met een Erkend
HYUNDAI Reparateur. Batterijen
voor auto’s bevatten bevatten
zwavelzuur. Dit is giftig en bevor-
dert corrosie in hoge mate. Geb-
ruik voldoende voorzorgsmaatre-
gelen bij het gebruik van een
starthulp en wees voorzichtig om
geen zuur op het lichaam, kleding
of op de lak te krijgen.
Voer geen starthulp uit als de
ontladen batterij bevroren is of
het elektrolietniveau laag is; de
batterij kan scheuren of ontplof-
fen.
WAARSCHUWING -
Batterij
Wees voorzichtig bij het controle-
ren van het ektrolietniveau van de
batterij. Voorkom direct contact an-
ders kan er ernstig letsel ontstaan.
1VQA4001
Ontladen batterij
Startkabels
Extra starthulp
(-)
(+)
(+)
(-)
65
Wat te doen in noodgevallen
Opstartprocedure
1. Controleer of de starthulp 12-volt is en
wat de plus en min aansluiting is.
2. Als de starthulp (batterij) in een ander
voertuig gemonteerd is moet voorkomen
worden dat beide voertuigen elkaar
raken.
3. Zet alle elektrische verbruikers uit.
4. Sluit de startkabels aan in de volgorde
zoals getoond in de afbeelding. Verbindt
eerst een einde van een startkabel aan
de plus aansluitklem van de ontladen
batterij (1), verbindt dan het andere ein-
de aan de plus aansluitklem van de
starthulp (2).
Sluit daarna de andere startkabel aan
aan de min aansluitklem van de start-
hulp (3) en verbindt daarna het andere
einde aan de min aansluiting van de
lege batterij (4). Let op dat contact van
de kabels met draaiende delen van het
voertuig wordt voorkomen.
Let op dat de startkabels alleen aan de
batterijklemmen worden bevestigd. Let
op dat er niets anders aangeraakt wordt
bij het aanbrengen van de startkabels
onder de motorkap.
5. Start de motor van het voertuig met de
starthulp (batterij) en laat deze draaien
op 2,000 rpm, start dan de motor van het
voertuig met de ontladen batterij.
Indien de oorzaak van de ontlading van uw
batterij niet duidelijk is, raden we aan om
het systeem te laten nakijken door een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Aanduwen of aantrekken
Een auto met een handgeschakelde ver-
snellingsbak mag niet worden aangeduwd
of aangetrokken om te starten. Hierdoor
kan het emissiecontrolesysteem bescha-
digd raken.
Voertuigen uitgerust met automatische
aandrijving kunnen niet gestart worden
door duwen.
Volg de aanwijzingen voor het starten met
een starthulp.
WAARSCHUWING
Probeer nooit een auto aan te trek-
ken met een ander voertuig. Door
onverziene omstandigheden kun-
nen er gevaarlijke situaties ont-
staan.
OPMERKING -
Batterijkabels
Verbindt de startkabels van de min
aansluiting starthulp niet op de
positieve aansluiting van de ontla-
den batterij. Dit kan leiden tot het
oververhitten en scheuren van de
ontladen batterij, waarbij batterij-
zuur vrij komt.
OPMERKING -AGM-accu
(indien uitgerust)
AGM-accu’s (Absorbent Glass Matt)
zijn onderhoudsvrij, servicewerk-
zaamheden mogen alleen worden
uitgevoerd door een geautoriseerde
HYUNDAI verdeler. Gebruik alleen
volautomatische acculaders die
speciaal voor AGM accu’s zijn ont-
wikkeld om uw AGM accu op te
laden.
Raden wij u aan onderdelen van
een erkende HYUNDAI-verdeler te
gebruiken voor het ISG-systeem als
de AGM accu wordt vervangen.
Open of verwijder de afdekkap bo-
venop de accu niet. Dit kan lekkage
van het inwendige elektrolyt vero-
orzaken wat tot ernstig letsel kan
leiden.
Als de AGM accu weer wordt aan-
gesloten of vervangen, zal de ISG-
functie niet onmiddellijk in werking
treden. Indien u de ISG-functie wilt
gebruiken moet de accusensor
gedurende ongeveer 4 uur worden
gekalibreerd met uitgeschakelde
ontsteking.
Wat te doen in noodgevallen
66
MOTOR OVERVERHITTING
Indien uw temperatuurmeter een te hoge
temperatuur aangeeft kan het zijn dat de
motor onvoldoende prestaties levert of
dat de motor bijgeluid zoals ping- of klop-
geluid en geeft. Als dit wordt waarge-
nomen hebben wij de volgende advi-
ezen:
1. Probeer zo snel mogelijk de auto op
een veilige plaats stil te zetten en zet
2. Zet de versnellingspook in P (automa-
tische versnellingsbak) of neutraal
(handgeschakelde versnellingsbak)
en zet de parkeerrem vast. Als de air-
conditioning aan staat, zet hem dan
uit.
3. Controleer of motorkoelvloeistof van
onder de auto wordt waargenomen of
damp / stoom onder de motorkap uit-
komt. Maak de motorkap voorzichtig
open, pas op voor de damp dit is zeer
heet. Als er geen zichtbaar verlies van
koelvloeistof is en geen stoom, laat
dan de motor draaien en controleer
om zeker en controleer of de koelven-
tilator van de motor werkt. Als deze
niet werkt moet de motor worden uit-
gezet.
4. Controleer om te zien of de aandrij-
friem (Vsnaar) van de koelvloeistof-
pomp slipt of beschadigd is. Zonodig
moet de aandrijfriem opnieuw ge-
spannen worden. Controleer nogma-
als of er geen koelvloeistof onder de
auto wordt waargenomen, let op als
de de airco is gebruikt, is het normaal
dat er koud water uit het airco sys-
teem op de gronddruppelt.
5. Indien de koelvloeistofpomp aandrijf-
riem gebroken is of koelvloeistof lekt,
stop dan de motor onmiddellijk en
raden we aan om een erkende HYUN-
DAI-verdeler te bellen.
6. Als de oorzaak van de oververhitting
niet gevonden wordt, wacht dan tot de
motortemperatuur weer normaal is.
Controleer daarna het niveau van de
koelvloeistof en voeg zonodig voor-
zichtig koelvloeistof toe om het niveau
op de markering te brengen.
7. Rij voorzichtig verder en let op de
motortemperatuur. Als oververhitting
treedt opnieuw op, raden we aan om
een erkende HYUNDAI-verdeler te
bellen.
OPMERKING
Verlies van koelvloeistof geeft aan
dat er een lek is in het koelsysteem
en raden we aan om het systeem te
laten nakijken door een erkende
HYUNDAI-verdeler.
WAARSCHUWING
Let op dat terwijl de motor draait, er
geen contact is met (hoofd)haar,
handen en kleding met de bewe-
gende delen van de motor om letsel
te voorkomen.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiatordop niet wan-
neer de motor heet is om te vo-
orkomen dat hete koelvloeistof ont-
snapt door de opening en ernstige
brandwonden veroorzaken.
67
Wat te doen in noodgevallen
BIJ EEN LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING)
Krik en gereedschappen
Het reservewiel, de krik, de krikslinger en
de sleutel bevinden zich in de baga-
geruimte.
Door de vloerbekleding van de bagage-
ruimte op te tillen kan de krik en het
reservewiel worden uitgenomen (indien
van toepassing).
(1) Krik
(2) Krikhendel
(3) Wielmoersleutel
Krikinstructies
De krik moet alleen gebruikt worden in-
geval van het wisselen van de lekke
band.
Let op deze de krik op de juiste manier
wordt terug geplaatst, om te voorkomen
dat de krik “rammelt” als de auto rijdt.
Volg de gebruiksinstructies op, daarmee
worden ongewenste situaties voorko-
men.
WAARSCHUWING -
Verwisselen van wielen
Zorg altijd dat de auto op een vei-
lige plaats staat geparkeerd als
een wiel worden moet gewisseld.
Zet het voertuig altijd op de hand-
rem en zonodig in een vers-nel-
ling of de P positie (automaat). De
krik moet gebruikt worden op
effen stevige ondergrond. Indien
er geen effen stevige parkeer-
plaats gevonden kan worden
neem dan contact op met een
Erkend HYUNDAI Reparateur.
Let op dat de juiste voor- en ach-
terkrikposities gebruikt worden;
gebruik nooit de bumpers of enig
ander onderdeel van het voertuig
als steunpunt voor de krik.
(Vervolgd)
OIA0630003
Wat te doen in noodgevallen
86
Losnemen en vastzetten van de
reserveband
Draai de bevestigingsbout van het re-ser-
vewiel tegen de klok in los.
Vastzetten van het reservewiel in de
omgekeerde volgorde van het losnemen.
Om te voorkomen dat de reserveband en
gereedschap gaan “rammelen” als het
voertuig rijdt moet het resevewiel goed
vastgezet worden en let ook op dat het
gereedschap op de juiste wijze wordt op-
geborgen.
Het wisselen van het wiel
1. Parkeer op een effen en harde onder-
grond en zet de parkeerrem vast.
2. Zet de snellingspook naar R (achte-
ruit) positie (handgeschakelde ver-
snellingsbak) of P (parkeer) positie
(automatischeversnellingsbak).
3. Zet de waarschuwingsverlichtin aan.
OIA0630004
(Vervolgd)
Het voertuig kan gemakkelijk van
de krik afglijden wat kan leiden
tot schade aan de auto en even-
tueel lichamelijk letsel. Het is niet
aan te raden om onder de auto te
werken, of een deel van het
lichaam onder te houden.
Start de motor niet terwijl het
voertuig opgekrikt is.
Let op dat er geen mensen in de
auto zitten of gaan zitten als de
auto opgekrikt wordt of is.
Houdt iedereen op veilige aan-
dacht van de auto, als deze op de
krik staat, let speciaal op de aan-
wezige kinderen.
OED066033
69
Wat te doen in noodgevallen
4. Trek vloerbedekking van de bagage-
ruimte omhoog en neem de wielmoer-
sleutel, krik, krikhendel en reservewiel
uit het voertuig.
5. Blokkeer indien mogelijk zowel de vo-
or- als achterkant van het wiel dat dia-
gonaal tegenover de krikpositie staat.
6. Los de wielmoeren tegen de klok in
een omwenteling elk, maar verwijder
geen enkele moer totdat het wiel van
de grond af is getild.
OIA066010 OIA066011
WAARSCHUWING -
Wisselen van een wiel
Om te voorkomen dat de auto
gaat rijden tijdens het wisselen
van een wiel moet altijd de par-
keerrem worden vast gezet en
indien mogelijk, blokkeer het wiel
diagonaal tegenover het wiel dat
wordt gewisseld.
Laat geen mensen in de auto tij-
dens het wisselen van een wiel.
Wat te doen in noodgevallen
106
7. Plaats de krik op de krikpositie bij het
wiel welke gewisseld moet worden.
Let op dat de krik op de aangewezen
plaatsen onder het onderdstel wordt
geplaatst. De krikposities van het au-
to-onderstel zijn verstevigd en aange-
geven met twee lippen en een verho-
ogde punt.
8. Steek de krikhendel in de krik en draai
het tegen de klok in, en breng het
voertuig omhoog totdat de band net
vrij is van de grond. Houdt ongeveer
30 mm vrije ruimte aan. Let op dat vo-
or het losdraaien en verwijderen van
de wielmoeren de auto stabiel staat
en er geen kans is dat de auto van de
krik glijdt.
9. Neem de wielmoeren los en verwijder
deze. Pak het wiel van de astap en leg
het plat neer zodat het niet kan weg-
rollen. Pak het te monteren wiel op en
kijk waar de gaten van de wielmoeren
zich bevinden en breng het wiel in lijn
en plaats het op de naaf.
WAARSCHUWING -
Krikpositie
Om verrassingen te voorkomen is
het raadzaam alleen de bij het voer-
tuig geleverde krik te gebruiken en
in de juiste krikpositie; gebruik
nooit andere steunpunten van het
voertuig als krikondersteuning.
OIA066012 OBA063006
611
Wat te doen in noodgevallen
10. Om het wiel opnieuw te monteren,
moet het goed op zijn plaats worden
gehouden waarna de wielmoeren op
handvast kunnen worden aangedra-
aid. Let op dat moeren op de juiste
wijze worden gemonteerd. Let op dat
het reservewiel op de juiste wijze is
gemonteerd en alle wielmoeren goed
zijn bevestigd.
11. Laat de krik zakken en en zet de auto
op de grond.
Plaats de wielmoersleutel dan zoals
getoond in de tekening en draai de wiel-
moeren vast. Controleer of de sleutel vol-
ledig over de moer wordt gezet om sc-
hade aan de wielmoeren te voorkomen.
Gebruik alleen de sleutel, breng geen
verlengstuk aan.
Trek de wielmoeren een voor een aan en
let op dat deze goed vastgezet worden.
Controleer nogmaals of alle moeren zijn
vastgezet. Na het veranderen van wie-
len, raden we aan om het systeem te
laten nakijken door een erkende HYUN-
DAI-verdeler.
OBA063007
WAARSCHUWING
Velgen en wieldeksel kunnen sc-
herpe randen hebben. Wees vo-
orzichtig om lichamelijk letsel te
voorkomen.
Voordat het wiel op zijn plek
wordt gezet, controleer of zowel
de naaf als het wiel vrij is van vuil
waardoor de velg niet goed op de
naaf kan worden gezet. Verwijder
eventueel het vuil. Als er geen
goed contact van de montagev-
lakken tussen het wiel en de naaf,
kunnen de wielmoeren los raken.
Het verlies van een wiel kan
resulteren in verlies van controle
over het voertuig, ongevallen,
ernstig persoonlijk letsel en
dood.
Wat te doen in noodgevallen
126
Wielmoer aanhaalmoment:
Stalen velgen en aluminium velgen:
9~11 kgf•m (65~79 lbf•ft)
Controleer regelmatig de bandenspan-
ning en corrigeer deze zonodig. Let op
dat na het controleren en corrigeren van
de bandenenspanning het ventieldopje
weer wordt terug gezet op het ventiele
spanning. Dit om te voorkomen dat het
ventiel vervuilt raakt en eventueel gaat
lekken. Als een wiel gewisseld is, zorg
dan dat alle gebruikte gereedschappen
en het wiel weer terug op de juiste plaats
worden geplaatst.
Dit om rammels en beschadigingen te
voorkomen.
Om te voorkomen dat de krik, krikhendel,
reservewiel moersleutel en reserveband
gaan rammelen terwijl het voertuig in be-
weging is, zorg dat deze op de juiste wij-
ze zijn vastgezet.
OPMERKING
De wielmoeren en tapeinden zijn
voorzien van metrisch schroef-
draad. Let op dat bij het vervangen
van de wielmoeren de juiste worden
gebruikt. Als wielen worden vervan-
gen moeten wielen worden gebruikt
van dezelfde maatvoering. Dit geldt
ook voor de bijbehorende wielmoe-
ren.
Neem bij twijfel, raden we u aan een
erkende HYUNDAI verdeler te raad-
plegen.
WAARSCHUWING - Wiel
tapeinden
Indien de tapeinden beschadigd
raken, is het mogelijk dat de wielen
niet goed vast gezet kunnen wor-
den. Dit kan leiden tot verlies van
het wiel en alle gevolgen daatuit
voortkomend.
WAARSCHUWING -
Bandspanning reservewiel
Controleer de bandspanningen zo
snel mogelijk na het in gebruik ne-
men van het reservewiel. Breng het
op de aangegeven spanning. Raad-
pleeg “Banden en wielen” sectie 8.
613
Wat te doen in noodgevallen
Belangrijk – gebruik van een com-
pact reservewiel
(indien van toepassing)
Het voertuig is uitgerust met een com-
pact reservewiel. Dit compacte reserve-
wiel neemt minder plaats in en is lichter
dan een wiel van normale grootte. Dit
wiel is kleiner dan een conventioneel wiel
en is alleen ontworpen voor tijdelijk geb-
ruik.
Het compacte reservewiel moet een
spanning hebben van 420 kPa (60 psi).
AANDACHT
Controleer indien mogelijk de band-
spanning na het installeren van het
reservewiel. Breng het op de aangegeven
spanning.
Bij het gebruik van een compacte reser-
vewiel, moeten de volgende voorzorgs-
maatregelen in achtgenomen worden:
Onder geen omstandigheden mag de
snelheid hoger zijn dan 80 km/ uur (50
mph); een hogere snelheid kan de
band beschadigen.
Let op dat er niet te lang wordt door
gereden met het compacte reserve-
wiel. Dit wiel is kwetsbaarder en zal
eerder beschadigen. Vermijdt slechte
wegcondities en rijdt niet te snel.
Het continue gebruik van deze band
kan resulteren in bandbreuk, verlies
van controle over het voertuig en mo-
gelijk een ongeval (Met persoonlijk let-
sel.).
Overschrijdt niet de maximale belas-
ting van het voertuig of het laadvermo-
gen welke op de zijkant van de re-ser-
veband is vermeld.
Vermijdt het rijden over obstakels. De
diameter van de compacte reserve-
band is kleiner dan de diameter van de
“normale” banden. Dit is ook van
invloed op de vrije voertuighoogte.
OPMERKING
Rij voorzichtig wanneer het
compacte reservewiel in gebruik
is. Het compacte reservewiel
moet zo snel mogelijk worden
terug gewisseld door een “nor-
maal” wiel.
Het is aan te raden niet meer dan
één compact reserve wiel te geb-
ruiken en dit wiel zo snel mogelijk
weer terug te wisselen voor het
orginele wiel.
WAARSCHUWING
Het compacte reservewiel is alleen
voor gebruik in noodgevallen. Rij
niet harder dan 80 km/ uur (50
mph). Het oorspronkelijke wiel mo-
et zo spoedig mogelijk worden
gerepareerd en terug geplaatst. Dit
komt het rijcomfort en de veiligheid
te goede.
Wat te doen in noodgevallen
146
Het is aan te raden de auto niet in een
door een automatische autowasstraat
te rijden met een compact reservewiel
gemonteerd.
Gebruik geen sneeuwkettingen op het
compacte reservewiel. Door de klei-
nere diameter zal de sneeuwketting ni-
et juist passen. Dit zal het voertuig
beschadigen en leiden tot verlies van
de ketting.
Monteer het compacte reservewiel niet
op de vooras indien het voertuig moet
worden gereden in sneeuw of op ijs.
Gebruik het compacte reservewiel niet
op welk ander voertuig dan ook omdat
het speficiek is ontworpen voor dit
voertuig.
Het profiel van de reserveband is min-
der diep dan van een reguliere band.
Controleer daarom elke keer als het
reservewiel gebruikt is de profieldiepte
van de band. Vervang de band als
deze versleten is voor hetzelfde type
en afmeting, gemonteerd op dezelfde
velg.
De compacte reserveband moet niet
op enig andere velg gemonteerd wor-
den. Ook moeten standaardbanden,
winterbanden, wieldeksels of velgrin-
gen worden gebruikt in relatie met de
compacte velg. Als dit toch wordt gep-
robeerd, kan schade ontstaan aan zo-
wel de banden als de velgen. Boven-
dien kan de auto schade oplopen bij
het gebruik van een verkeerde band/
velg combinatie.
Gebruik niet meer dan een compact
reservewiel tegelijk.
Sleep geen aanhangwagen terwijl het
compacte reservewiel is geïnstalleerd.
615
Wat te doen in noodgevallen
Kriklabel
1. Modelnaam.
2. Maximaal toegestane belasting.
3. Activeer de parkeerrem wanneer u de
krik gebruikt.
4. Zet de motor uit wanneer u de krik
gebruikt.
5. Ga niet onder een auto liggen die
wordt ondersteund door een krik.
6. De aangegeven plaatsen onder de
dorpel.
7. Bij het ondersteunen van de auto
moet de voetplaat van de krik verti-
caal onder het opkrikpunt worden
geplaatst.
8. Zet bij auto's met een handgescha-
kelde transmissie de versnellingspook
in de achteruit of zet bij auto's met een
automatische transmissie de selectie-
hendel in stand P.
9. Plaats de krik op een stevige, vlakke
ondergrond.
10. Fabrikant krik.
11. Productiedatum.
Het werkelijke label op de krik in de auto kan afwijken van de afbeelding.
Meer informatie vindt u op het label op de krik.
• Type A
Voorbeeld
Type B
Type C
OHYK065010
OHYK065011
OHYK064002
Wat te doen in noodgevallen
166
EU conformiteitsverklaring voor krik
JACKDOC14GB
617
Wat te doen in noodgevallen
BIJ EEN LEKKE BAND (MET TIREMOBILITYKIT, INDIEN VAN TOEPASSING)
Lees voor veilig gebruik de instructies in
deze handleiding voor gebruik aandach-
tig door en volg ze op.
(1)Compressor
(2)Cilinder met dichtmiddel
De bandmobiliteitsit is een tijdelijke
oplossing om de band te repareren en
we raden aan dat u de band door een
bevoegde HYUNDAI dealer laat controle-
ren.
Introductie
Met de Tire Mobility Kit kunt u blijven rij-
den, zelfs als u een lekke band heeft.
Het systeem (met compressor en dicht-
middel) dicht eenvoudig en comfortabel
de meeste lekken in de band van een
personenauto, die worden veroorzaakt
door spijkers of gelijksoortige voorwer-
pen en de band kan weer worden opge-
pompt.
Als u heeft gecontroleerd of de band niet
meer lek is, kan met de band voorzichtig
worden doorgereden (maximaal 200
km/120 mijl) met een maximale snelheid
van 80 km/uur / 50 mph, zodat bij de
dealer of een bandenspecialist de band
kan worden vervangen.
OIA0630001 OIA0630008
OPMERKING
- Een dichtingsmiddel voor
een band
Als twee of meer banden plat zijn,
gebruik dan de bandmobiliteitskit
niet omdat het ondersteunde dich-
tingsmiddel van de bandmobiliteits-
kit maar geschikt is voor één platte
band.
WAARSCHUWING -
Bandwand
Gebruik de bandmobiliteitskit niet
voor het repareren van gaten in de
bandwanden. Dit kan resulteren in
een ongeval als gevolg van uitval
van de band.
WAARSCHUWING -
Tijdelijke reparatie
Laat uw band zo snel mogelijk re-
pareren. De band kan op ieder mo-
ment luchtdruk verliezen als u deze
heeft opgeblazen met de bandmo-
biliteitskist.
Wat te doen in noodgevallen
186
Het is mogelijk dat sommige banden met
grotere lekken of een beschadigde wang
niet geheel gedicht kunnen worden.
Als de lucht uit de band loopt, heeft dit
een negatieve invloed op de prestaties
van de band.
Voorkom daarom bruuske bewegingen of
andere manoeuvres, vooral als de auto
zwaar is beladen of als een aanhanger
wordt getrokken.
De Tire Mobility Kit is niet ontworpen of
bedoeld voor een permanente reparatie
en kan voor slechts één band worden
gebruikt.
Deze instructie laat u stap voor stap zien
hoe u eenvoudig en betrouwbaar de
band tijdelijk kunt dichten.
Lees “Opmerkingen over het veilig geb-
ruik van de Tire Mobility Kit”.
Opmerking voor het veilig gebrui-
ken van de Tire Mobility Kit
Parkeer de auto naast de rijweg, zodat
veilig en buiten het bereik van rijdend
verkeer met de Tire Mobility Kit kan
worden gewerkt.
Trek altijd de handrem aan, zodat de
auto niet kan gaan rollen. Ook op een
vlakke ondergrond.
Gebruik de TireMobilityKit alleen voor
het dichten/oppompen van banden van
personenauto’s. De Tire Mobility Kit
kan alleen lekken dichten op het loop-
vlak van de band.
Gebruik de Kit niet bij motorfiets-, fiets-
en andere typen banden.
Gebruik de bandmobiliteitskit voor uw
eigen veiligheid niet als de band en het
wiel beschadigd zijn.
Het gebruik van de bandmobiliteitskit is
niet effectief voor schade aan de band
die groter is dan ongeveer 0,24 inch (6
mm).
Wij raden aan om contact op te nemen
met een erkende HYUNDAI-verdeler.
Gebruik de Tire Mobility Kit niet als de
band zwaar is beschadigd omdat is
doorgereden met een lekke of zachte
band.
Verwijder de oorzaak van het lek -
zoals spijkers of schroeven - NIET.
Laat de motor draaien als de auto bui-
ten staat. Anders zou door het gebruik
van de compressor de accu uiteindelijk
kunnen worden ontladen.
Houd altijd toezicht als de Tire Mobility
Kit wordt gebruikt.
Laat de compressor niet langer dan 10
minuten achter elkaar werken om over-
verhitting te voorkomen.
Gebruik de Tire Mobility Kit niet als de
buitentemperatuur lager is dan 30°C (-
22°F).
619
Wat te doen in noodgevallen
0. Snelheidsbeperkingslabel
1. Fles met dichtingsmiddel en label met
snelheidsbeperking
2. Vulslang van fles met dichtingsmiddel
naar wiel
3. Aansluitingen en kabel voor de direc-
te aansluiting op de voeding.
4. Houder voor de fles met dichtingsmid-
del.
5. Compressor
6. AAN/UIT schakelaar
7. Drukmeter voor tonen van de banden-
spanning
8. Slang voor het aansluiten van de com-
pressor en fles met dichtingsmiddel of
compressor en wiel
Aansluitingen, kabel, en aansluitings-
slang worden opgeborgen in de behui-
zing van de compressor.
Volg de aangegeven volgorde nauwkeu-
rig op, anders kan het gebeuren dat het
dichtingsmiddel onder hoge druk weg-
loopt.
Onderdelen van de bandmobiliteitskit
OIA0630007/Q
WAARSCHUWING -
Verlopen dichtingsmiddel
Gebruik het dichtingsmiddel voor
de band niet als dit verlopen is
(d.w.z. na de vervaldatum op de
container van het dichtingsmiddel).
Dit verhoogt het risico dat de band
uitvalt.
WAARSCHUWING -
Dichtingsmiddel
Houd buiten het bereik van kinde-
ren.
Vermijd oogcontact.
Slik niet in.
0
Wat te doen in noodgevallen
206
Gebruik van de bandmobiliteitskit
1. Verwijder het snelheidsbeperkingsla-
bel (0) van de fles met dichtingsmiddel
(1) en plaats het op een zichtbare plek
in het voertuig, zoals op het stuur
zodat de bestuurder eraan herinnert
wordt om niet te hard te rijden.
2. Schroef de aansluitingsslang (8) op
de aansluiting van de fles met dich-
tingsmiddel.
3. Schroef de ventieldop los van het ven-
tiel van het defecte wiel en schroef de
vulslang (2) van de fles met dichtings-
middel op de klep.
4. Plaats de fles met dichtingsmiddel in
de behuizing (4) van de compressor
zodat de fles rechtop staat.
5. Zorg dat de compressor uitgescha-
keld is, positie 0.
6. Sluit de stroomkabel van de compres-
sor aan op de voeding van het voer-
tuig.
OIA0630008OIA066016
OPMERKING
Veilig installeren van de afdichting
vulslang op de klep. Zo niet, kan de
afdichting achteruit stromen, even-
tuele verstopping van de vulslang.
621
Wat te doen in noodgevallen
7. Met de motor start/stop knop op aan,
of de ontsteking op aan, schakel de
compressor in en laat deze ongeveer
5-7 minuten worden zodat er voldoen-
de druk opgebouwd wordt. (raadpleeg
“Banden en wielen” sectie 8). De ban-
denspanning van de band na het vul-
len is niet belangrijk en zal later
gecontroleerd/gecorrigeerd worden.
Let op dat u de band niet te vol doet
en blijf uit de buurt van de band tijdens
het vullen.
8. Schakel de compressor uit.
9. Koppel de slangen los van de fles met
dichtingsmiddel en van het ventiel van
de band.
Plaats de bandmobiliteitskit in de op-
berglocatie in het voertuig.
Het dichtingsmiddel verdelen
10. Rijd onmiddelijk ongeveer 4-6 mijl (7-
10 km, of ongeveer 10 min) om het
dichtingsmiddel gelijkmatig door de
band te verdelen.
Ga niet sneller dan 50 mph (80 km/uur).
Ga, indien niet mogelijk, niet sneller dan
12 mph (20 km/uur).
Als tijdens de rit ongebruikelijke trillingen,
rijgedrag of geluiden worden waargeno-
men, verlaag dan de snelheid voorzich-
tig, totdat u veilig de weg kunt verlaten.
Roep de hulp van een pechdienst in.
Als u de bandmobiliteitskit gebruikt, dan
kan de bandenspanning sensoren en
wielen door het dichtingsmiddel bescha-
digd worden, verwijder het dichtingsmid-
del dat op de bandenspanningsensoren
zit en laat het wiel door een bevoegde
dealer controleren.
OPMERKING -
Bandenspanning
Probeer niet met uw voertuig te rij-
den als de bandenspanning lager is
dan 29 PSI (200kpa). Dit kan resul-
teren in een ongeval vanwege plot-
selinge uitval van de band.
WAARSCHUWING -
Koolmonoxide
Laat uw voertuig gedurende lange-
re tijd niet draaien in een slecht
geventileerde ruimte. Koolmono-
xidevergiftiging en verstikking kun-
nen hiervan het gevolg zijn.
OIA0630005
Wat te doen in noodgevallen
226
Het controleren van
bandspanning
1. Nadat u ongeveer 4-6 mijl (7~10km of
ongeveer 10 minuten) heeft gereden,
stopt u op een veilige plek.
2. Sluit de verbindingsslang (8) van de
compressor direct aan op het ventiel
van de band.
3. Sluit de stroomkabel van de compres-
sor aan op de voeding van het voer-
tuig.
4. Pas de druk van de band aan naar de
vereiste spanning van de band.
Ga als volgt te werk als de ontsteking
ingeschakeld is.
- Om de inflatiedruk te verhogen:
Schakel de compressor in, positie I.
Om de huidige bandenspanning te
kunnen controleren, schakelt u de
compressor even uit.
AANDACHT
De drukmaat kan een hogere druk to-
nen dan de daadwerkelijke waarde als
de compressor nog loopt. De compressor
moet uitgeschakeld zijn om een accura-
te bandenspanning te kunnen aflezen.
OPMERKING -
Bandenspanningsensor
Raden wij u aan dichtingsmiddel
van de bandmobiliteitskit van een
erkende HYUNDAI-verdeler te geb-
ruiken. De afdichting van de sensor
voor de bandenspanning en het
wiel moete worden verwijderd als u
de band door een nieuwe vervangt
en laat het sensor voor de banden-
spanning door een bevoegde
dealer controleren.
623
Wat te doen in noodgevallen
BANDENSPANNING CONTROLESYSTEEM (TPMS, (INDIEN VAN TOEPASSING)
(1) Waarschuwingslamp lage banden-
spanning / TPMS defect indicator
De bandenspanning van elke band,
inclusief de reserveband (indien van toe-
passing) moet elke maand worden
gecontroleerd bij een koude band; de
bandenspanning moet tot de door de
fabrikant op de bandenspanningsticker
aangegeven spanning worden opge-
pompt. (Als uw auto is uitgerust met ban-
den met een andere maat dan is aange-
geven op de sticker, moet u de juiste
spanning voor deze banden zelf achter-
halen).
Uw auto is uitgerust met een extra veilig-
heidssysteem: het bandenspanningcon-
trolesysteem (TPMS) dit systeem laat
een lamp branden als een of meer ban-
den een te lage spanning hebben. Als de
lamp “lage bandenspanning” brandt,
moet u zodra dat mogelijk is de auto tot
stilstand brengen en de banden controle-
ren; pomp de banden vervolgens op tot
de juiste spanning is bereikt. Als wordt
gereden met banden met een veel te
lage spanning, kan de band te warm wor-
den en beschadigen. Een te lage span-
ning verhoogt bovendien het brandstof-
verbruik en verlaagt de levensduur van
de banden; ook kan het invloed hebben
op het rijgedrag van de auto en de rem-
weg.
Het TPMS is geen vervanging voor het
onderhoud van de banden; het blijft de
verantwoordelijkheid van de bestuurder
om de juiste bandenspanning in stand te
houden, zelfs als door de te lage span-
ning de lamp van het TPMS niet is gaan
branden.
U auto is ook voorzien van een TPMS-
defect indicator, die aangeeft dat het sys-
teem niet op de juiste wijze werkt. De
storing van de TPMS-indicator gaat ge-
paard met de indicator van een lage ban-
denspanning. Als het systeem een sto-
ring ontdekt, zal de verklikkerlamp snel
knipperen gedurende circa 1 minuut en
zal vervolgens doorlopend branden.
Deze sequentie zal ook plaatsvinden als
de wagen de volgende keren wordt
gestart, zolang de storing bestaat. Als de
defect indicator brandt, is het systeem
mogelijk niet in staat om een lage ban-
denspanning te signaleren en aan te
geven. Storingen in het TPMS kunnen
verschillende oorzaken hebben, waaron-
der de montage van vervangende ban-
den of wielen, waardoor het TPMS
onjuist kan gaan werken. Controleer
altijd de TPMS-waarschuwingslamp
nadat een of meer banden of wielen zijn
vervangen, om zeker te weten dat het
TPMS met deze banden of wielen kan
werken.
OIA0630006
Wat te doen in noodgevallen
246
AANDACHT
Als de TPMS indicator gedurende 3
seconden niet brandt als de ontsteking
ingeschakeld is, of als de motor loopt, of
als het gedurende één minuut gaat knip-
peren, dan raden we aan dat u contact
opneemt met een bevoegde HYUNDAI
dealer.
Lage bandenspanning
waarschuwingslamp
Als de lampen van het bandenspanning-
controlesysteem branden, heeft een of
meer banden een veel te lage spanning.
Als een lamp gaat branden, verlaag dan
onmiddellijk de snelheid, voorkom dat
bruusk door bochten wordt gereden en
houd rekening met een langere remweg.
U moet zo snel mogelijk de auto tot stil-
stand brengen en de banden controle-
ren. Pomp de banden op tot de juiste
druk zoals aangeduid op het gevevens in
de wagen, of het label op de middenstijl
aan bestuurderszijde. Als de banden niet
snel kunnen worden opgepompt of als de
band na het oppompen weer leegloopt,
vervang dan het wiel met de lage span-
ning door het reservewiel.
De lamp lage bandenspanning kan gaan
knipperen voor ongeveer 1 seconden en
vervolgens continu blijft branden, als de
motor wordt gestart en vervolgens onge-
veer 20 minuten ononderbroken met de
auto wordt gereden voordat de band met
de lage spanning is gerepareerd en weer
op de auto is gemonteerd.
OPMERKING
In de winter of bij koude kan de
lamp Lage bandenspanning gaan
branden als de bandenspanning op
de juiste waarde was gebracht bij
warm weer. Dit geeft geen storing
aan in het TPMS, omdat de lagere
temperatuur een lagere banden-
spanning veroorzaakt.
Als met de auto van een warm
gebied naar een koud gebied wordt
gereden, of als de buitentempera-
tuur veel hoger of lager wordt, moet
de bandenspanning worden gecon-
troleerd en zonodig worden her-
steld.
625
Wat te doen in noodgevallen
Controlelampje storing
TPMS
(Controlesysteem Lage
Bandenspanning)
De TPMS-defect indicator zal oplichten
na het knipperen voor ongeveer 1 secon-
den als er een probleem is met het Ban-
den Spanningcontrolesysteem. Als het
systeem op de juiste wijze een te lage
spanning signaleert en tegelijkertijd een
storing in het systeem, vervolgens de
TPMS-defect indicatorlampje branden.
Wij raden aan om het systeem te laten
nakijken door een erkende HYUNDAI-
verdeler.
WAARSCHUWING -
Beschadiging door lage
spanning
Een te lage bandenspanning zorgt
ervoor dat de auto niet meer stabiel
is en kan bijdragen aan het verli-
ezen van de controle over de auto
en het langer worden van de rem-
weg.
Als wordt doorgereden met een la-
ge bandenspanning, kunnen de
banden te warm worden en besc-
hadigen.
OPMERKING
Het is mogelijk dat de indicator
voor een TPMS-defect kan gaan
branden als de wagen beweegt
rond elektrische toevoervoerka-
bels of radiozenders, zoals poli-
tieposten, kantoren van over-
heidsinstantaties en publieke
kantoren, zendstations, militaire
ins-tallaties, luchthavens of zend-
torens enz. Dit kan de normale
werking van het bandenspan-
ningcontrolesysteem (TPMS) be-
ïnvloeden.
De TPMS-defect indicator kan
gaan branden als sneeuwkettin-
gen zijn omgelegd of elektroni-
sche apparatuur (notebook-pc’s)
in de auto wordt gebruikt.
Dit kan de normale werking van
het bandenspanningcontrolesys-
teem (TPMS) beïnvloeden.
Wat te doen in noodgevallen
266
Band met TPMS vervangen
Als u een lekke band heeft, gaat de lamp
lage bandenspanning aangeeft branden.
Wij aanbevelen de lekke band te worden
gecontroleerd door een erkende HYUN-
DAI verdeler.
Elk wiel is voorzien van een banden-
spanningsensor in de band achter het
ventiel. U moet wielen gebruiken die
geschikt zijn voor het TPMS. We raden
aan dat u uw banden te laten onderhou-
den bij een erkende HYUNDAI-verdeler
Als u de band met een lage spanning
vervangt door de reserveband, dan zal
lage bandenspanning knipperen of aan-
blijven totdat er een nieuwe band ge-
plaatst is.
Als u de platte band door de reserveband
hebt vervangen, kan de lamp lage ban-
denspanning kan knipperen of branden
na een paar minuten, omdat de TPMS-
sensor die op het reservewiel is gemon-
teerd, niet is geïnitieerd.
Zodra de lage bandenspanning is opge-
pompt tot de aanbevolen spanning en
geïnstalleerd op het voertuig of raden we
aan om het TPMS-sensor gemonteerd
op de vervangen reserveband wordt geï-
nitieerd door een erkende HYUNDAI-ver-
deler, de TPMS-defect indicator en de
lage bandenspanning-telltale zal doven
binnen een paar minuten rijden.
Als de lampen na een rit van enige mi-
nuten niet doven, raden we aan om het
systeem te laten nakijken door een
erkende HYUNDAI-verdeler.
OPMERKING
Indien een origineel gemonteerde
band wordt vervangen door de
reserveband, moet de TPMS-sensor
op de reserveband worden geïni-
tieerd en wij raden aan om het
TPMS-sensor op de oorspronkelijke
band worden uitgeschakeld door
een erkende HYUNDAI verdeler. Als
de TPMS-sensor op de oorspronke-
lijke band die in de bergruimte voor
de reserveband zit nog altijd werkt,
kan het zijn dat het systeem voor de
controle van de banden niet beho-
orlijk zal werken. Wij raden aan u
het systeem onderhouden bij een
erkende HYUNDAI-verdeler.
OPMERKING
We raden aan dat u voor de re-para-
tie naar een erkende verdeler van
HYUNDAI gaat.
De afdichting van de sensor voor
de bandenspanning en het wiel
moete worden verwijderd als u de
band door een nieuwe vervangt.
627
Wat te doen in noodgevallen
Het is mogelijk dat u een te lage banden-
spanning niet ontdekt door er ge-woon
naar te kijken. Gebruik altijd een band-
spanningsmeter te meten band-span-
ning. Houd er rekening mee dat een
warme band (door de rit) een hogere
spanning heeft dan een koude band.
De auto heeft koude banden als de auto
ten minste 3 uur niet is gebruikt of als de
auto gedurende die drie uur maximaal
1,6 km (1 mijl) heeft gereden.
Laat de band afkoelen, voordat de span-
ning wordt gecontroleerd. Controleer
altijd of de band koud is voordat de band
wordt opgepompt tot de aanbevolen
spanning.
OPMERKING
We raden aan om de bandenkit te
gebruiken die door HYUNDAI werd
goedgekeurd. Als uw auto is voor-
zien van het Bandenspanning-con-
trolesysteem. Dit vloeibare dicht-
middel kan de bandenspanningsen-
soren beschadigen
WAARSCHUWING -
TPMS
Het TPMS kan u niet waarschu-
wen voor ernstige of onverwach-
te beschadiging van de banden
door externe factoren, zoals spij-
kers of andere scherpe voorwer-
pen.
Als u merkt dat de auto niet meer
stabiel is, haal dan uw voet on-
middellijk van het gaspedaal, trap
het rempedaal rustig en geleide-
lijk in en rijd rustig naar een veili-
ge plaats naast de rijweg.
WAARSCHUWING -
Bescherming van het TPMS
Als het bandenspanningcontrole-
systeem onoordeelkundig wordt
gerepareerd, gewijzigd of uitge-
schakeld, kan dit van invloed zijn
op de werking van het systeem (de
bestuurder wordt niet geattendeerd
op een lage spanning en/of storin-
gen). Als het bandenspanningcon-
trolesysteem onoordeelkundig
wordt gerepareerd, gewijzigd of uit-
geschakeld, kan dit van invloed zijn
op de garantie van dit deel van de
auto.
WAARSCHUWING - Voor
EUROPA
Pas het voertuig niet aan, dit kan
de TPMS functie hinderen.
De banden die u ergens anders
koopt, hebben geen TPMS func-
tie.
Voor uw eigen veiligheid, raden
wij u aan onderdelen van een
erkende HYUNDAI-verdeler te
gebru-iken.
Als u banden ergens anders
koopt, gebruik dan een TPMS
sensor die door een HYUNDAI
dealer is goedgekeurd. Als u
voertuig niet is uitgerust met een
TPMS sensor of TPMS werkt niet
goed, dan kan het gebeuren dat
voertuig afgekeurd wordt.
Alle voertuigen die in EUROPA
verkocht worden gedurende on-
derstaande periode moeten uit-
gerust zijn met TPMS.
- Nieuw model voertuig: Nov. 1,
2012 ~
- Huidig model voertuig: Nov. 1,
2014 ~ (Gebaseerd op voertuig-
registraties)
SLEPEN
Sleepservice
Indien afslepen van het voertuig nodig is,
wordt aangeraden om contact op te ne-
men met een Erkend HYUNDAI Repara-
teur. Let dat de juiste afsleepprocedures
worden gevolgd om schade aan het vo-
ertuig te voorkomen. Het gebruik van
wiel rolplaten of oprijwagen wordt aanbe-
volen.
Voor sleeprichtlijnen inzake aanhangwa-
gens, raadpleeg “Het slepen van aan-
hangwagens” in sectie 5.
Het is mogelijk om het voertuig te slepen
met de achterwielen op de grond (zonder
rolplaten) en met de voorwielen van de
grond af.
Als de wagen wordt afgesleept met de
achterwielen op de grond moet gebruik
gemaakt worden van een dolly op oprij-
platen om de voorwiel vrij van de weg te
houden.
Nooit de wagen afslepen met de voor-
wielen op de weg, dit kan schade opleve-
ren aan de aandrijflijn.
Het is aan te bevelen gebruik te maken
van een oprijwagen om de auto naar een
Erkend HYUNDAI Reparateur te bren-
gen.
OPA067015
OPA067016
OPA067017
OPMERKING
Sleep het voertuig niet achter-
waarts met de voorste wielen op
de grond omdat dit schade kan
aanrichten aan het voertuig.
Sleep niet met een takel-type uit-
rusting. Gebruik een wiel lift of
flatbed afsleepwagen.
Rolplaat
628
Wat te doen in noodgevallen
Bij het slepen van het voertuig in een
noodtoestand zonder wiel rolplaten kan
dit alleen als de auto is voorzien van een
handgeschakelde versnellingsbak.
Houdt de volgende procedure aan:
1. Zet het contact in de ACC positie.
2. Plaats de versnellingspook in N (ne-
utraal).
3. De parkeerrem wordt gelost.
Verwijderbare sleephaak
(voorzijde)
(indien van toepassing)
1. Open de achterklep en pak de sleep-
haak uit de gereedschapstas.
2. Verwijder de afdekdop in de bumper
door te drukken op het lagere deel van
de afdekdop in de voorbumper.
3. Monteer de de sleephaak door het
met de klok mee te draaien in het gat
totdat deze volledig vast zit.
4. Na gebruik, verwijder de sleephaak en
installeer de afdekdop na het gebruik.
OPMERKING
Als de auto wordt gesleept met de
versnellingspook in een versnelling
zal dit schade aan de aandrijflijn
veroorzaken.
OIA066014 OIA066017
Wat te doen in noodgevallen
296
Noodslepen
Indien afslepen nodig is, wordt aan-
geraden om dit te laten doen door een
Erkend HYUNDAI Reparateur.
Indien er geen andere mogelijkheden
zijn, kan het voertuig (mits voorzien van
een handgeschakelde versnellingsbak)
gesleept worden door middel van een
kabel of ketting. Deze kan worden vast-
gemaakt aan de noodsleephaak onder
aan de voorkant (of achterkant) van het
voertuig.
Wees voorzichtig bij het slepen van een
voertuig. Er dient een bestuurder aanwe-
zig te zijn in het gesleepte voertuig om te
sturen en te remmen.
Het op deze manier slepen mag gedaan
worden voor een korte afstand en met
lage snelheden. De wielen, assen, aan-
drijflijn, besturing en remmen moeten
ook allemaal in goede conditie zijn.
Gebruik de sleephaken niet om een
voertuig uit de modder, zand of andere
conditieswaar het voertuig niet op
eigen kracht uit zou kunnen rijden, los
te trekken.
Vermijdt het slepen van een voertuig
die zwaarder is dan het voorste voer-
tuig.
De bestuurders van beide voertuigen
moeten goede afspraken met elkaar
maken.
Voor het afslepen, controleer dat de
haak correct is gemonteerd en niet
gebroken of beschadigd is.
Bevestig de sleepkabel of -ketting
degelijk aan de sleephaak.
Rij voorzichtig en gelijkmatig zodat de
sleepkabel en de sleepbevestigingen
niet overmatig belast worden.
Trek niet vanuit de zijkant of op een
verticale hoek.Hierdoor worden scha-
de aan het voertuig of andere onge-
wenste gevolgen voorkomen. Trek
altijd recht vooruit.
OIA066017
OIA066015
Voorste (indien van toepassing)
Achter
OPMERKING
Bevestig een sleepkabel aan de
sleephaak.
Bevestig de sleepkabel nooit aan
een ander deel van het voertuig
anders dan de sleephaken, ander
zal de carrosserie beschadigen.
Gebruik alleen een kabel of ket-
ting specifiek bedoeld voor het
slepen van voertuigen. Bevestig
de kabel of ketting degelijk vast
aan de voorziene sleephaak.
630
Wat te doen in noodgevallen
Gebruik een sleepkabel van maximaal
5 m lang. Bevestig een witte of rode
doek in het midden van de riem voor
een betere zichtbaarheid.
Rij voorzichtig zodat de sleepkabel niet
extreem belast wordt tijdens het sle-
pen.
Voorzorgsmaatregelen bij het afsle-
pen
Zet het contact op ACC positie zodat
het stuurwiel gedraaid kan worden.
Plaats de versnellingspook in N (neu-
traal).
De parkeerrem wordt gelost.
Het afremmen zal meer moeite kosten
omdat de rembekrachtiging niet werkt.
Ook het sturen vereist meer inspan-
ning, de stuurbekrachtiging werkt niet
of nauwelijks.
Als heuvelafwaart wordt gereden kun-
nen de remmen oververhit raken en
remprestatie verminderen.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het slepen van
een voertuig.
Vermijdt schokkend optrekken en
rijden tijdens het slepen, hierdo-
or wordt overmatig belasten van
de sleepkabel en bevestigingen
voorkomen. Een sleepkabel die
breekt kan tot ernstige gevolgen
leiden.
Als het voertuig vast staat moet
niet worden geprobeerd deze
weg te slepen. Neem contact op
met een Erkend HYUNDAI Repa-
rateur.
Sleep de wagen altijd recht voo-
ruit.
Wees voorzichtig in de nabijheid
het voertuig tijdens het slepen.
OPA067014
Wat te doen in noodgevallen
316
OPMERKING -
Automatiche
versnellingsbak
Als het voertuig wordt gesleept
met allevier de banden op het
wegdek, kan het uitsluitend aan
de voorzijde worden gesleept. Let
erop dat de transaxle in neutraal
is geschakeld. Niet slepen op
snelheden van meer dan 40
km/uur (25 mph) en over een
afstand van meer dan 25 km (15
mijl). Zorg ervoor dat het stuur-
wiel ontgrendeld is door de con-
tact-schakelaar in de ACC-stand
te zetten. Er dient een bestuurder
aanwezig te zijn in het gesleepte
voertuig om te sturen en te rem-
men.
Auto’s voorzien van een automa-
tische versnellingsbak mogen
niet worden gesleept met de vo-
orwielen op de weg. Dit veroor-
zaakt schade aan de versnellings-
bak.
632
Wat te doen in noodgevallen
Onderhoud
7
Motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-3
Onderhoudswerkzaamheden. . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-4
Verantwoordelijkheid van de eigenaar . . . . . . . . . . . . 7-4
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud
door eigenaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-4
Onderhoudsadvies voor eigenaar . . . . . . . . . . . . . . 7-6
Uitleg van geplande onderhoudsdelen . . . . . . . . . . 7-8
Motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-11
Het controleren van het motorolieniveau. . . . . . . . 7-11
Vervangen van motorolie en -filter . . . . . . . . . . . . . . 7-12
Motor koelvloeistof. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-12
Controle van het koelvloeistofpeil . . . . . . . . . . . . . . . 7-12
Het vervangen van de koelvloeistof. . . . . . . . . . . . . . 7-14
Rem-/koppelingsvloeistof. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-15
Het controleren van het
rem/koppelingsvloeistofniveau . . . . . . . . . . . . . . . . 7-15
Automatische versnellingsbakolie. . . . . . . . . . . . . 7-16
Het controleren automatische versnellingsbakolie
niveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-16
Het vervangen van automatische
versnellingsbakolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-17
Wasser vloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-18
Het controleren van het wasser vloeistof niveau . . 7-18
Parkeerrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-18
Het controleren van de parkeerrem . . . . . . . . . . . . . 7-18
Luchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-19
Luchtfilter vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-19
Klimaatbeheersing luchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . . 7-21
Filter inspectie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-21
Wisser bladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-23
Bladen inspectie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-23
Vervanging van de wisserbladen . . . . . . . . . . . . . . . 7-23
Batterij. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-27
Voor de beste levensduur van de accu . . . . . . . . . . . 7-27
Label batterijcapaciteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-28
Herladen van de batterij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-29
Opnieuw instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-29
Banden en wielen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-30
Onderhoud van banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-30
Aanbevolen koude bandspanning . . . . . . . . . . . . . . . 7-30
Het controleren van bandspanning . . . . . . . . . . . . . . 7-32
Bandrotatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-33
Wieluitlijning en banduitbalancering . . . . . . . . . . . 7-34
Bandenvervanging. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-34
Velg vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-35
Band wegcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-36
Bandonderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-36
Informatie op de zijwand van de band . . . . . . . . . . . 7-36
Lage verhouding banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-37
Zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-41
Hoofdzekering (Zekeringen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-44
Licht gloeilampen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-52
Vervanging van de gloeilamp van koplamp,
positielamp, richtingaanwijzer lamp,
voorste mistlamp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-53
Doelpunt koplamp en voorste mistlamp
(Voor Europa) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-56
Vervanging van de Zijrichtingaanwijzers . . . . . . . . 7-62
Vervanging van de achterlicht gloeilamp . . . . . . . . . 7-62
Vervanging van het hoog gemonteerd
remlichtlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-64
Vervanging van het nummerplaat verlichting . . . . 7-64
Vervangen van de binnenverlichtinglamp . . . . . . . . 7-65
Zorg voor de carrosserie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-66
Onderhoud exterieur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-66
Onderhoud interieur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-71
Emissie controlesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-72
Carteremissie controlesysteem. . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-72
Verdampingsemissie controlesyteem. . . . . . . . . . . . . 7-72
Uitlaat emissie controlesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 7-73
Onderhoud
7
73
Onderhoud
MOTORRUIMTE
Benzinemotor
1. Expansiereservoir
2. Motoroliedop
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir
4. Luchtfilter
5. Zekeringskast
6. Plusaansluiting accu
7. Minaansluiting accu
8. Ruitensproeiervloeistofreservoir
9. Radiateurdop
10. Motoroliepeilstok
11. Oliepeilstok automatische
versnellingsbak*
* : indien van toepassing
OIA013005
Het werkelijke motorruimte in het voertuig kan verschillen van de afbeelding.
Onderhoud
47
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
U moet de grootste zorgvuldigheid in
acht te nemen om schade aan uw voer-
tuig en letsel aan uzelf te voorkomen
iedere keer dat u controles of onderho-
udswerkzaamheden wil uitvoeren.
Onbekwame, incomplete of onvoldoende
service kan leiden tot problemen welke
kunnen leiden tot voertuigschade, een
ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid
van de eigenaar
AANDACHT
Onderhoudsservice en de registratie
zijn de verantwoordelijkheid van de
eigenaar.
We raden in het algemeen aan dat u uw
wagen laat onderhouden bij een erkende
HYUNDAI-verdeler.
U moet controleren dat in het Service en
Garantieboekje wordt geregistreerd dat
correct onderhoud is gepleegd aan uw
voertuig, in overeenstemming met de
geplande onderhoudsservice overzich-
ten zoals op de volgende pagina’s zijn
vermeld.
Gedetailleerde garantie-informatie wordt
verstrekt in uw Service en Garantie-
boekje.
Vereiste reparaties en aanpassingen als
gevolg van onjuist onderhoud of het ver-
zuimen om vereist onderhoud uit te voe-
ren worden niet voor garantie vergoed.
Voorzorgsmaatregelen voor
onderhoud door eigenaar
Onjuiste of onvolledige service kan lei-
den tot problemen. Echter sommige con-
troles en werkzaamheden kunt u zelf uit
voeren.
AANDACHT
Onjuiste onderhoud door eigenaar tij-
dens de garantieperiode kan de garan-
tiedekking beinvloeden. Voor informa-
tie, lees voor de voorwaarden in het
Service en Garantieboekje. Bij vragen
over een service- of onderhoudsproce-
dure, raden we aan u het systeem onder-
houden bij een erkende HYUNDAI-ver-
deler.
75
Onderhoud
WAARSCHUWING -
Onderhoudswerk
Het uitvoeren van onderhouds-
werk aan een voertuig kan ge-
vaarlijk zijn. U kunt gewond raken
tijdens het uitvoeren van sommi-
ge onderhoudsprocedures. Als u
onvoldoende kennis en ervaring
hebt of niet de beschikking over
het juiste gereedschap en de juis-
te uitrusting om de werkzaamhe-
den uit te voeren, raden we aan u
het systeem onderhouden bij een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Werken onder de motorkap met
draaiende motor is gevaarlijk. Ze-
ker wanneer u sieraden of losse
kleding draagt. Deze kunnen
vastraken in bewegende delen en
leiden tot letsel. Indien u toch
onder de motorkap moet zijn
draag dan geen sieraden (vooral
ringen, armbanden, horloges en
kettingen) en alle dassen, sjaals
en vergelijkbare kleding en wees
voorzichtig met lange haren.
Onderhoud
67
ONDERHOUD DOOR EIGENAAR
De volgende lijsten zijn voertuigcontroles
en -inspecties die met de aangegeven
intervallen moeten worden uitgevoerd
om een veilige, betrouwbare werking van
uw voertuig te helpen verzekeren.
Negatieve omstandigheden dienen zo
snel mogelijk bij de dealer gemeld te
worden.
Deze Eigenaren Onderhoud Controles
zijn over het algemeen niet gedekt door
garanties en worden u gefactureerd voor
het arbeidsloon, onderdelen en gebruikte
(smeer) middelen.
Onderhoudsadvies voor eigenaar
Als u stopt voor het tanken van
brandstof:
Controleer het motorolie niveau.
Controleer koelvloeistofniveau in het
koelvloeistofreservoir.
Controleer het niveau van de ruiten-
wasservloeistof.
Controleer de bandenspanning.
Tijdens het besturen van uw
voertuig:
Neem nota van elke verandering, ook
in het geluid van de uitlaat.
Controleer op trillingen in het stuurwiel.
Let op het stuurgedrag of verandering
in de rechtuit positie van uw voertuig.
Let op of uw voertuig constant lichtjes
draait of naar een zijde “trekt” bij het rij-
den op een gladde, effen weg. Houdt
daarbij wel het stuur vast.
Luister bij het stoppen en controleer op
ongewone geluiden of het trekken naar
een zijde bij het remmen.
Indien enig slippen of verandering in
de werking van de aandrijving wordt
waargenomen, laat dan de koppeling
of de automatische versnellingsbakolie
controleren.
Controleer de P (Parkeer) functie van
de automatische versnellingsbak.
Controleer de werking van de parkeer-
rem.
Controleer op vloeistoflekken onder uw
voertuig (Het druppelen van (schoon)
water uit het aircosysteem tijdens of na
gebruik is normaal).
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controle-
ren van het koelvloeistofniveau van
uw motor wanneer de motor heet
is. Bij het verwideren van de radia-
teurdop kan kokend hete ko-
elvloeistof en stoom uit de radia-
teur spuiten. Dit zou brandwonden
of ander ernstig letsel kunnen vero-
orzaken.
77
Onderhoud
Maandelijks:
Controleer koelvloeistofniveau in het
koelvloeistofreservoir.
Controleer de werking van de verlich-
ting inclusief de stoplampen, richting-
aanwijzers en waarschuwingsknipper-
lichten.
Controleer de bandspanning van alle
banden, inclusief de reserveband.
Twee maal per jaar
(bijv. iedere Lente en Herfst):
Controleer radiator-, verwarming- en
aircoslangen op lekken of schade.
Controleer de werking van ruiten-
sproeier en -wisser.
Controleer de koplampafstelling.
Controleer het uitlaatsysteem inclusief
uitlaatpijpen, afscherming en ophan-
ging.
Controleer de veiligheidsgordels op
slijtage beschadiging en functioneren.
Controleer de banden op slijtage.
Minimaaal een maal per jaar:
Maak carosserie- en deurventilatiega-
ten schoon.
Smeer deurscharnieren en controles
en kapscharnieren.
Smeer deur- en kapsloten en grendels.
Behandel de deurrubbers tegen uitdr-
ogen.
Controleer de werking het aircosys-
teem.
Inspecteer de werking van de automa-
tische versnellingsbak.
Maak batterij en aansluitklemmen
schoon.
Controleer het rem/koppeling vloeistof-
niveau.
Onderhoud
87
UITLEG VAN GEPLANDE ONDERHOUDSDELEN
Motorolie en -filter
De motorolie en –filter (inclusief afdich-
tingsring) moeten worden vervangen op
de aangegeven intervallen in het onder-
houdsschema. Als de auto wordt
bestuurd onder extreme omstandighe-
den is regelmatiger vervanging van olie
en filter vereist.
Aandrijfriemen
Inspecteer alle aandrijfriemen op sne-
den, barsten, overmatigesluitage of olie-
saturatie en vervang indien nodig.
Aandrijfriemen moeten periodiek worden
gecontroleerd op de juiste spanning en
indien nodig afgesteld.
Brandstoffilter
Een verstopte filter kan de prestaties van
het voertuig beperken, het emissiesys-
teem beschadigen of andere klachten
veroorzaken zoals slecht starten. Indien
te veel vuil materiaal zich ophoopt in de
brandstoftank,moet het filter regelmati-
ger vervanging worden.
Laat de motor na het installeren van een
nieuwe filter een aantal minuten draaien
en controleer op lekken bij de verbindin-
gen. We raden aan om de brandstoffilter
te laten vervangen door een erkende
HYUNDAI-verdeler.
Brandstoflieidingen,
brandstofslangen en
verbindingen
Controleer de brandstofleidingen, brand-
stofslangen en verbindingen op lekkage
en schade. We raden aan om de brand-
stofleidingen, de brandstofslangen en de
aanslutiingen te laten vervangen door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
Dampslang en brandstoftankdop
De dampslang en brandstofvuldop moet
worden gecontroleerd bij die intervallen
die aangegeven staan in het onder-
houdsschema. Controleer of de damp-
slang en brandstofvuldop wordt correct
vervangen.
Carterventilatieslangen
(indien van toepassing)
Controleer de oppervlakte van slangen
op mechanische schade en veroudering.
Hard en broos rubber, barsten, scheuren,
sneden, of overmatige opzwelling geven
aan dat de slang vervangen moet wor-
den. Specifieke aandacht moet worden
gegeven aan het onderzoeken van die
slangoppervlakten die het dichtst bij
motor liggen zoals de uitlaatspruitstuk in
verband met warmte.
Controleer de route van de slang om ze-
ker te zijn dat de slangen niet in contact
komen met een warmtebron, scherpe
randen of bewegende componenten die
hitteschade of mechanische slijtage kun-
nen veroorzaken. Controleer alle verbin-
dingen, zoals klemmen en koppelingen,
om zeker te stellen dat deze goed ge-
monteerd zijn en dat er geen lekken aan-
wezig zijn. Slangen moeten onmiddellijk
worden vervangen indien er schade aan
de slangen worden waargenommen.
79
Onderhoud
Luchtfilter
Bij het terugplaatsen van de luchtreini-
gingsfilter, raden we aan om oorspronke-
lijke HYUNDAI-onderdelen te gebruiken.
Bougies (voor benzinemotor)
Let op dat de nieuwe bougies met het
juiste hittebereik worden geïnstalleerd.
Klepspeling
(indien van toepassing)
Controleer overmatig kleppengeluid of
niet goed functioneren van de motor en
stel de kleppen af indien nodig. Wij raden
aan u het systeem onderhouden bij een
erkende HYUNDAI-verdeler.
Koelsysteem
Controleer koelsysteemcomponenten
zoals radiator, koelvloeistofreservoir,
slangen en verbindingen op lekkage en
schade. Vervang de beschadigde onder-
delen.
Koelvloeistof
De koelvloeistof moet worden vervangen
met de intervallen aangegeven in het on-
derhoudsschema.
Handgeschakelde versnellings-
bakolie (indien van toepassing)
Inspecteer de versnellingsbakolie in
overeenstemming met het onderhouds-
schema.
Automatische versnellingsbakolie
(indien van toepassing)
Het vloeistofniveau moet in het "HOT"
bereik van de peilstok zijn, nadat de
motor en aandrijving op werktempera-
tuur is. Controleer het niveau met draai-
ende motor en de aandrijving in neutraal,
met de parkeerrem correct toegepast op
een vlakke ondergrond.
Remslangen en - leidingen
Controleer visueel op juiste installatie,
schades, barsten en mogelijke lekkage.
Vervang alle beschadigde onderdelen
onmiddellijk.
Remvloeistof
Controleer remvloeistofniveau in het
remvloeistofrevservoir. Het niveau moet
tussen “MIN” en “MAX” markeringen lig-
gen aan de zijkant van het reservoir.
Gebruik alleen hydraulische remvloeistof
die voldoet aan DOT 3 of DOT 4 specifi-
caties.
Parkeerrem
Inspecteer het parkeerremsysteem inclu-
sief het parkeerrempedaal en de kabels.
Onderhoud
107
Achterremschijven en
remcilinders
(indien van toepassing)
Controleer de achterremschijven en rem-
cilinders en en voeringen van de achter-
remmen op krassen, verbranding, lek-
kende vloeistof, gebroken onderdelen en
overmatige slijtage.
Remschijven, voering en
remcilinders
Controleer de remschijven, remcilinders
en voering op op krassen, verbranding,
lekkende vloeistof, gebroken onderdelen
en overmatige slijtage.
Voor meer informatie over de controle
van de paden of de limiet voor de linings-
lijtage, zie de website van Hyundai.
(http://service.hyundai-motor.com)
Ophangingsverbindingsbouten
Controleer de ophangingsverbindingen
op slijtage of schade en de juiste aan-
haalspanning. Draai met het voorgesch-
reven aanhaalmoment.
Stuurinrichting, koppeling en
rubbers
Controleer op overmatige speling in het
stuurwiel.
Controleer de koppeling op schade.
Controleer de stofkappen en kogelschar-
nieren op slijtage, barsten of schade.
Vervang de beschadigde onderdelen.
Aandrijfassen en rubbers
Controleer de aandrijfassen, rubbers en
klemmen op slijtage veroudering bars-
ten, of schade. Indien nodig moet het
betrffende onderdeel vervangen worden.
Raadpleeg een Erkend HYUNDAI Re-
parateur voor details.
Airco koudemiddel
(indien van toepassing)
Controleer de aircoleidingen en verbin-
dingen op lekkage en schade.
711
Onderhoud
MOTOROLIE
Het controleren van het motoro-
lieniveau
1. Wees er zeker van dat het voertuig op
effen grond staat.
2. Start de motor en laat het normale
werktemperatuur bereiken.
3. Zet de motor af en wacht (ongeveer 5
minuten) zodat de olie kan terugkeren
naar de carter.
4. Trek de peilstok uit de motor, veeg het
schoon en steek het opnieuw volledig
in.
5. Trek de peilstok opnieuw uit de motor
en controleer het niveau. Het niveau
moet tussen F en L liggen.
Indien het dichter bij L is dan bij F voeg
dan voldoende olie toe. Vul het niet te-
veel.
Gebruik een trechter om te helpen
voorkomen dat olie wordt gemorst op
motorcomponenten.
Gebruik alleen de geadviseerde motor-
olie (Raadpleeg “Aanbevolen smeermid-
delen en inhouden” in sectie 8.).
WAARSCHUWING -
Radiatorslang
Wees bij het bijvullen van motorolie
i.v.m. de temperatuur van de radia-
teurslang.
OIA073002 OBA073003
VOORZICHTIG
Doe niet te veel motorolie. Dit kan
de motor beschadigen.
Onderhoud
127
MOTOR KOELVLOEISTOF
Vervangen van motorolie
en -filter
Wij raden aan dat het motorolie en –filter
worden vervangen door een erkende
HYUNDAI verdeler.
Het koelsysteem is gevuld met koelvloe-
istof, dit is tevens antivries.
Controleer de vloeistof op vorstbeveili-
ging minstens 1 keer per jaar.
Controle van het koelvloeistofpeil
WAARSCHUWING
Gebruikte motorolie kan irritatie of
kanker aan de huid veroorzaken
indien in contact gelaten met de
huid voor uitgestrekte perioden.
Gebruikte motorolie bevat chemi-
caliën die kanker hebben veroor-
zaakt in laboratorium proefdieren.
Bescherm u gezondheid altijd door
uw handen grondig te wassen met
zeep en warm water zo spoedig
mogelik na het omgaan met geb-
ruikte olie.
WAARSCHUWING
Het verwijderen van
de radiatordop
Probeer nooit om de radiatordop
te verwijderen terwiji de motor
draait of heet is. Dit zou kunnen
leiden tot schade aan het koel-
systeem en tot motorschade en
zou ernstige persoonlijke ver-
wondingen kunnen veroorzaken
door het ontsnappen van warme
koelvloeistof of stoom.
Zet de motor uit en wacht totdat
het is afgekoeld. Gebruik uiterste
zorgvuldigheid bij het verwij-
deren van de radiatordop. Wikkel
een dikke handdoek eromheen
en draai het langzaam tegen de
klok in tot de eerste stop. Stap
terug terwijl de druk wordt losge-
laten uit het koelsysteem. Wan-
neer u zeker bent dat alle druk is
losgelaten, druk de dop naar
beneden, met gebruikmaking van
een dikke handdoek, en ga door
met het tegen de klok in draaien
om het te verwijderen. (Vervolgd)
713
Onderhoud
Controleer de conditie en de slang ver-
bindingen van het koelsysteem en de
verwarmingslangen. Vervang alle verou-
dere, gebarsten en gezwollen slangen.
Het koelvloeistofniveau moet gevuld zijn
tussen de F en L markeringen op het
koelvloeistofreservoir bij koude motor.
Indien het koelvloeistofniveau te laag is
moet de koelvloeistof worden aangevuld
om te voorkomen dat de motor te warm
wordt. Voeg tot aan het F niveau (maxi-
mum) maar niet te veel.
Indien vaak bijgevuld moet worden, ra-
den we aan om het systeem te laten
geïnspecteerd door een erkende HYUN-
DAI verdeler.
Aanbevolen koelvloeistof
Gebruik alleen zacht (de-mineralized)
water in het koelvloeistofmengsel.
De motor in uw voertuig heeft alumini-
um motoronderdelen en moet besc-
hermd worden door een op ethylene-
glycol-gebaseerde koelvloeistof om
corrosie en bevriezing in de winter te
voorkomen.
Gebruik geen alcohol of methanol
koelvloeistof en mix deze niet met de
aangegeven koelvloeistof.
Gebruik geen oplossing die meer dan
60% anti-vries bevat of minder dan
35% antivries, wat de bescherming
tegen corrosie en of bevriezing zou
verminderen.
Voor mengpercentage, raadpleeg de vol-
gende tabel.
(Vervolgd)
Zelfs als de motor niet in werking
is, verwijder de radiatordop niet
terwijl de motor en de radiator
heet zijn. Hete koelvloeistof en
stoom kunnen nog steeds onder
druk uitblazen, en ernstig letsel
veroorzaken.
WAARSCHUWING
De elektrische motor
(koelventilator) wordt
geregeld door de koel-
temperatuur van de mo-
tor , de druk van het ko-
elmiddel en de wagensnelheid.
Deze kan soms werken als de
motor niet draait. Wees bijzonder
voorzichtig als u werkt nabij de bla-
den van de koelventilator, zodat u
niet geraakt wordt door de draaien-
de ventilatorbladen. Als de koel-
temperatuur van de motor afneemt,
zal de elektrische motor automa-
tisch uitschakelen. Dit is een nor-
male situatie.
OIA073004
Omgevings-
temperatuur
Mengpercentage
(volume)
Anti-vries Water
-15°C (5°F) 35 65
-25°C (-13°F) 40 60
-35°C (-31°F) 50 50
-45°C (-49°F) 60 40
Onderhoud
147
Het vervangen van de
koelvloeistof
We raden aan om de koelvloeistof te
laten vervangen door een erkende
HYUNDAI-verdeler.
WAARSCHUWING -
Koelvloeistof
Gebruik geen koelvloeistof of
anti-vries in de wasservloeistof
reservoir.
Koelvloeistof kan uitzicht ernstig
verminderen wanneer wordt
gesproeid op de ruit en kan ver-
lies van controle over het voer-
tuig veroorzaken of schade aan
lak en carosseriedelen.
WAARSCHUWING
Radiateurdop
Verwijder de radiatordop niet wan-
neer de motor en radiator heet zijn.
Hete koelvloeistof en damp kunnen
ontsnappen uit de radiateur onder
druk en ernstig letsel veroorzaken.
OIA073005
715
Onderhoud
REM/KOPPELINGSVLOEISTOF
Het controleren van het rem/
koppelingsvloeistofniveau
Controleer periodiek het vloeistofniveau
in het reservoir. Het vloeistofniveau moet
tussen de MAX en MIN markeringen aan
de zijde van het reservoir zijn.
Voor het verwijderen van de reservoirdop
en het toevoegen van de rem/koppe-
lingsvloeistof, maak het gebied rond de
reservoirdop grondig schoon om vervui-
ling met rem/koppelingsvloeistof te voor-
komen.
Indien het niveau laag is, voeg vloeistof
toe tot aan het MAX niveau. Het niveau
zakt met toegenomen kilometrage. Dit is
een normale conditie, geassocieerd met
de slijtage van de remvoeringen. Indien
het vloeistof niveau te laag is, wij aanbe-
velen het systeem te worden gecontro-
leerd door een erkende HYUNDAI-ver-
deler.
Gebruik alleen de aangegeven rem/kop-
pelingsvloeistof (Raadpleeg “Aanbevo-
len smeermiddelen en inhouden” in sec-
tie 8.).
Meng nooit verschillende soorten vlo-eis-
tof.
AANDACHT
Lees, voordat u de kap van het vultoe-
stel verwijderd, eerst de waarschuwing
op de kap.
WAARSCHUWING -
Rem-/koppelings vloeistof
Wees voorzichtig met het bijvullen
van remvloeistof. Wanneer het in
contact komt met huid en ogen kan
dit irritatie veroozaken.
WAARSCHUWING
REINIG DE KAP VAN HET VULTO-
ESTEL VOORDAT U DEZE VERWIJ-
DERD. GEBRUIK UITSLUITEND
DOT3 OF DOT4 REMVLOEISTOF
UIT EEN AFGESLOTEN CONTAI-
NER.
WAARSCHUWING -
Lekkage van remvloeistof
In het geval dat het remsysteem
regelmatige bijgevuld moet wor-
den, raden we aan om het systeem
te laten geïnspecteerd door een
erkende HYUNDAI-verdeler. VOORZICHTIG
Voorkom morsen van de remvlo-
eistof op omliggende onderdelen.
Remvloeistof veroorzaakt laksc-
hade.
OIA073006
Onderhoud
167
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAKOLIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
Het controleren automatische
versnellingsbakolie niveau
Het niveau van de automatische versnel-
lingsbak moet regelmatig gecontroleerd
worden.
Plaats het voertuig op vlakke ondergrond
met de parkeerrem aangetrokken en
controleer het vloeistof niveau volgens
de volgende procedure.
1. Plaats de versnellingspook in de N
(Neutraal) positie en laat de motor
stationair draaien.
2. Nadat de aandrijving voldoende is
opgewarmd [vloeistof temperatuur
70~80°C (158~176°F)] schakel, met
de voet op de rem, de pook door alle
posities en plaats dan de versnelling-
spook in N (Neutraal) of P (Parkeer)
positie.
3. Controleer of het vloeistofniveau in de
“HEET” range is op de peilstok. Indien
het vloeistofniveau lager is moet er
olie worden toegevoegd. Indien het
vloeistof niveauhoger is moet er olie
worden afgetapt.
4. Indien het vloeistofniveau is gecontro-
leerd in koude conditie [vloeistof tem-
peratuur 20~30°C (68~86°F)], moet
eventueel worden bijgevuld tot aan de
"KOUD" lijn. Controleer of het vloei-
stofniveau in overeenstemming met
bovenstaande stap 2.
OIA073007 OHD076045N
WAARSCHUWING -
Automatische versnellings-
bakolie
Het niveau van de automatische
versnellingsbakolie moet gecontro-
leerd worden als de motor op werk-
termperatuur is. Dit betekent dat de
motor, radiator, radiator slang en
uitlaatsysteem enz. erg warm zijn.
Wees daarom voorzichtig bij het
controleren van het olieniveau in
verband met verbrandingsgevaar.
717
Onderhoud
AANDACHT
“KOUD” bereik is alleen ter referentie
en kan beter NIET gebruikt worden om
het olieniveau te controleren.
AANDACHT
Nieuwe automatische versnellingsbaks-
olie moet helder van kleur zijn, meestal
rood. De rode kleur wordt toegevoegd
zodat de reparateur het kan herkennen
als automatische versnellingsbakolie. De
rode is geen indicatie is van kwaliteit
van de vloeistof en is niet permanent.
Naarmate het voertuig wordt meer heeft
gereden, zal de automatische versnel-
lingsbaksolie donkerder worden.
Daarom, we raden aan u dat het systeem
te laten vervangen door een erkende
HYUNDAI-verdeler in overeenstem-
ming met het Onderhoudsschema aan
het begin van deze sectie.
Gebruik alleen de aangegeven automati-
sche versnellingsbakolie (Raadpleeg
“Aanbevolen smeermiddelen en inhou-
den” in sectie 8.).
Het vervangen van automatische
versnellingsbakolie
Wij raden aan u dat het systeem te laten
vervangen door een erkende HYUNDAI-
verdeler.
WAARSCHUWING -
Parkeerrem
Om te voorkomen dat de auto di-
rect begint te rijden bij het inscha-
kelen moet altijd de voet op de rem
worden gehouden bij het inschake-
len.
VOORZICHTIG
Een te laag vloeistofniveau vero-
orzaakt slip in de aandrijving. Een
te hoog niveau kan schuimvor-
ming veroorzaken, verlies van
vloeistof en storing in de aandrij-
ving.
Het gebruik van een nietaan-
gegeven vloeistof kan leiden tot
storingen.
Onderhoud
187
WASSER VLOEISTOF
Het controleren van het wasser
vloeistof niveau
De reservoir van de ruitensproeier is
doorzichtig zodat u het niveau gemakke-
lijk kunt controleren.
Controleer het vloeistofniveau en voeg
zonodig vloeistof toe. Gewoon water kan
gebruikt worden indien er geen wasser
vloeistof beschikbaar is. Gebruik indien
mogelijk altijd ruitensproeiervloeistof met
anti-vries om bevriezing tegen te gaan.
Het controleren van de
parkeerrem
Controleer de parkeerrem door het aan-
tal gehoorde “kliks” te tellen als deze
wordt aangetrokken vanuit de neutrale
positie. Alleen de parkeerrem moet het
voertuig veilig op zijn plaats houden op
een redelijk steile helling. Indien het aan-
tal “kliks” meer of minder is dan gespe-
cificeerd, raden we aan u het systeem
onderhouden bij een erkende HYUNDAI-
verdeler.
Aanhaal: 6~8 “kliks’’ bij een kracht van
20 kg (196 N).
WAARSCHUWING -
Koelvloeistof
Gebruik geen koelvloeistof of
anti-vries in de wasservloeistof
reservoir.
Koelvloeistof kan uitzicht ernstig
verminderen wanneer wordt
gesproeid op de ruit en kan ver-
lies van controle over het voer-
tuig veroorzaken of schade aan
lak en carosseriedelen.
Ruitensproeiervloeistof kan be-
paalde hoeveelheden alcohol
bevatten en ontvlambaar zijn on-
der bepaalde omstandighden. Er
kan schade plaatsvinden aan het
voertuig of het inzittenden.
Ruitensproeiervloeistof is giftig
voor mens en dier.
OBA073008 OIA053006
PARKEERREM
719
Onderhoud
LUCHT FILTER ELEMENT
Luchtfilter vervangen
Het moet periodiek worden vervangen
en eerder bij ernstige vervuiling. Het filter
kan niet worden schoongemaakt en her-
bruikt.
Benzinemotor
1. Verwijder de slangklem bij de ingang.
2. Maak het luchtfilterhuisclips los en ne-
em het luchtfilterelement eruit.
3. Vervang de luchtfilterelement.
4. Monteer opnieuw in de omgekeerde
volgorde.
VOORZICHTIG
De prestaties van het voertuig kun-
nen verschillen als u de slangklem
niet goed installeert. U wij raden
aan om contact op te nemen met
een erkende HYUNDAI-verdeler vo-
or vervangen. OBA073027
OBA073025
OBA073026R
Onderhoud
207
Vervang de filter in overeenstemming
met het Onderhoudsschema.
Indien het voertuig wordt bestuurd in
extreem stoffige of zanderige gebieden,
vervang het element vaker dan de geb-
ruikelijke aanbevolen intervallen (Raad-
pleeg “Onderhoud onder zware gebruik-
somstandigheden” in deze sectie.).
VOORZICHTIG
Rijdt niet zonder luchtfilter, dit
kan leiden tot overmatige motors-
lijtage.
Wanneer het luchtfilter wordt ver-
wijderd, wees voorzichtig dat stof
of vuil niet in de luchtinlaat valt,
hierdoor kan schade ontstaan.
Raden wij u aan onderdelen van
een erkende HYUNDAI-verdeler te
gebruiken. Gebruik van onjuist
onderdelen kan de luchtstroom-
sensor of turbolader bescha-
digen.
721
Onderhoud
AIRCOLUCHTFILTER (INDIEN VAN TOEPASSING)
Filter inspectie
De airco luchtfilter moet worden gecon-
troleerd in overeenstemming met het On-
derhoudsschema. Indien het voertuig
wordt bestuurd in een ernstig vervuilde
omgeving of op stoffige wegen gedu-
rende een langere periode, moet het va-
ker gecontroleerd worden en schoonge-
maakt. Wanneer u het aircofilter gecon-
troleerd, doe dit volgens de procedure.
1. Duw, terwijl het handschoenenkastje
geopend is, aan beide kanten van de
handschoenenkast, zoals afgebeeld.
Dit zorgt ervoor dat de stopperpinnen
van het handschoenenkastje vrijko-
men van de bevestigingslocatie waar-
door het handschoenenkastje kan
hangen.
2. Verwijder deksel van het luchtfilter
voor de klimaatregeling.
OBA073032R
OBA073029R
OIA073036
Type A
Type B
Onderhoud
227
3. Trek het luchtfilter naar buiten. 4. Inspecteer en reinig de filter voor de
klimaatregeling met water.
5. Monteer opnieuw in de omgekeerde
volgorde.
AANDACHT
Na inspectie of schoonmaken van de
airco luchtfilter, moet worden gelet op
de juiste montage. Bij verkeerde monta-
ge kan het systeem geluid produceren en
de effectiviteit van de filter worden ver-
minderd.
OBA073031R
OBA073030R
723
Onderhoud
WISSER BLADEN
Bladen inspectie
AANDACHT
Als gebruik wordt gemaakt van een au-
towasinstalatie met autowas is de voor-
ruit vet. Vraag om het juiste reiniging
advies.
Vervuiling van ofwel de ruit of de wisser
bladen met vreemd(vet) materiaal kan de
effectiviteit van de ruitenwissers vermin-
deren. Algemene vervuilingen zijn insec-
ten, boomsap en hete was behandelin-
gen, enz.. Indien de wisserbladen niet
juist wissen, maak dan zowel de ruit als
de wisserbladen schoon met een goede
reiniger of mild wasmiddel en spoel gron-
dig met schoon water
Vervanging van de wisserbladen
Wanneer de wisserbladen niet meer
adequaat wissen, kunnen de bladen ver-
sleten of verouderd zijn en moeten ver-
vangen worden.
1JBA5122 VOORZICHTIG
Gebruik geen schadelijke oplos-
middelen voor het reiningen van de
wisserbladen.
VOORZICHTIG
Om schade te voorkomen aan de
wisserbladen gebruik voor het rei-
nigen geen benzine, kerosine, verf-
verdunner of andere oplosmidde-
len.
VOORZICHTIG
Het gebruik van een niet orginele
wisserbladen kan leiden tot (wis-
ser) storing en of ruitschade.
Onderhoud
247
Voor-ruitenwisserbladen
Type A
1. Til de wisserarm op en draai de wis-
serarm zodat de plastic grendel clip
ingedrukt kan worden.
2. Druk de clip in en schuif de wissers
omlaag.
3. Schuif het wisserblad uit de arm.
4. Monteer de ruitenwisserbladen door
de werkzaamheden voor het verwijde-
ren in omgekeerde volgorde uit te
voeren.
Type B
1. Zet de ruitenwisserarm omhoog.
1LDA5023
VOORZICHTIG
Voorkom dat de wisserarm tegen
de ruit valt, omdat de ruit kan besc-
hadigen of barsten.
1JBA7037
1JBA7038
OHM078059
VOORZICHTIG
Voorkom dat de wisserarm tegen
de ruit valt, omdat de ruit kan besc-
hadigen of barsten.
725
Onderhoud
2. Plaats de klem van het wisserblad
omhoog. Trek de wisserblad naar be-
neden en verwijder deze.
3. Monteer de nieuwe ruitenwisserbla-
den door de werkzaamheden voor het
verwijderen in omgekeerde volgorde
uit te voeren.
Achter-ruitenwisser blad
(indien van toepassing)
1. Til de wisserarm op en neem het wis-
serblad los.
OHM078060 OHM078061 OPA077017
Onderhoud
267
2. Installeer de nieuwe door het midden-
deel in de slot van de wisserarm te
steken totdat het op zijn plaats klikt.
3. Controleer of het wisserblad stevig is
gemonteerd.
Wij raden aan om het wisserblad worden
vervangen door een erkende HYUNDAI
verdeler, om schade aan de wisserarmen
of andere componenten te vermijden.
OPA077018
727
Onderhoud
BATTERIJ
Voor de beste levensduur
van de accu
Let op dat de de batterij degelijk is ge-
monteerd.
Houdt de bovenzijde van de batterij
schoon en droog.
Houdt de aansluitklemmen en verbin-
dingen schoon en ingevet met vase-
line.
Verwijder onmiddellijk alle gemorst
elelctrolyte van de batterij met van
water.
Indien het voertuig gedurende een lan-
gereperiode niet gebruikt wordt, is het
aan te bevelen de batterijkabels los te
nemen.
AANDACHT
De accu die normaliter geplaatst wordt,
is onderhoudsvrij. Als uw voertuig uit-
gerust is met een accu die gemarkeerd is
met ONDER en BOVEN aan de zijkant,
dan kunt u het peil van de elektrolyten
controleren. Het elektrolyt niveau moet
tussen ONDER en BOVEN. Als dit elek-
trolytenpeil laag is, dan moet er gedes-
tilleerd (gedeminiraliseerd) water wor-
den toegevoegd (voeg nooit zwavelzuur
of andere elektrolyten toe). Let er bij het
bijvullen op dat u niet spetters op de
accu en aangrenzende onderdelen. En
let tevens op dat u de accucellen niet
overvult. Dit kan roestvorming op an-
dere onderdelen veroorzaken. Zorg ver-
volgens dat u de celdoppen vast zet. Wij
raden aan om contact op te nemen met
een erkende HYUNDAI-verdeler.
WAARSCHUWING -
Batterij gevaren
Lees de volgende instruc-
ties zorgvuldig wanneer
met een batterij gewerkt
moet worden.
Houdt aangestoken sigaret-
ten en alle andere vlammen
of vonken weg van de bat-
terij.
Hydrogen, een hogelijk ont-
vlambaar gas, is altijd aan-
wezig in de batterijcellen en
kan ontploffen bij contact
met vuur.
Houdt batterijen buiten het
bereik van kinderen omdat
batterijen een hoge con-
centratie ZWAVELZUUR
bevatten. Voorkom dat bat-
terijzuur in contact komt
met huid, ogen, kleding of
lak.
(Vervolgd)
OIA073008
Onderhoud
287
Het werkelijke batterijlabel in de wagen kan
afwijken van de illustratie.
Label batterijcapaciteit
1. CMF60L-BCI: Modelnaam batterij
HYUNDAI
2. 12V: Nominale spanning
3. 60Ah(20HR): Nominale capaciteit (in
Ampèreuren)
4. 92RC: Nominale reservecapaciteit (in
min.)
5. 550CCA: Koudeproefspanning in Am-
père door SAE
6. 440A: Koudeproefspanning in Ampè-
re door EN
(Vervolgd)
Het ontstekingssysteem werkt
met hoge spanning. Raak deze
componenten nooit aan met dra-
aiende motor of met de ontste-
king aan.
Het ontstekingssysteem werkt
met hoge spanning.
Raak deze componenten nooit
aan met draaiende motor of met
de ontsteking aan.
Het niet opvolgen van de boven-
staande waarschuwingen kan lei-
den tot (ernstig) lichamelijk letsel.
OJD072039
Voorbeeld
(Vervolgd)
Mocht enige elektroliet in
uw ogen komen, was uw
ogen met schoon water
gedurende tenminste 15
minuten en zoek zonodig
medische hulp.
Indien elektroliet op uw hu-
id komt, moet dit zorg-vul-
dig worden weggewassen.
Raadpleeg zonodig medi-
sche hulp.
Draag oogbescherming wa-
neer wordt gewerkt aan of
dicht bij een batterij. Zorg
altijd voor voldoende venti-
latie tijdens het werken in
een afgesloten ruimte.
Een onjuiste geplaatste
batterij kan schadelijk zijn
voor het milieu en voor de
menselijke gezondheid.
Verwijder de batterij vol-
gens de plaatselijke wet-
(ten) or reglementeringen.
(Vervolgd)
729
Onderhoud
Herladen van de batterij
Uw voertuig heeft een onderhoudsvrije
batterij.
Indien de batterij ontladen raakt binnen
een korte periode (doordat bijv. de kop-
lampen of interieurlampen aan zijn
gebleven terwijl het voertuig niet in
gebruik was), moet de batterij herladen
worden het door langzame lading
gedurende 10 uren.
Indien de batterij ontlaadt door hoge
elektrische lading terwijl het voertuig
wordt gebruikt, herlaadt het bij 20-30A
gedurende twee uren.
Opnieuw instellen
Bepaalde apperatuur moet opnieuw wor-
den afgesteld nadat de batterij is ontla-
den of de batterij aansluitingen zijn los-
genomen.
Automatisch openen/sluiten ruit (Zie
sectie 4)
Schuifdak (Zie sectie 4)
Multifunctioneel display (Zie sectie 4)
Klimaatbeheersingsysteem (Zie sectie
4)
Audio (Zie sectie 4)
(Vervolgd)
3. Neem daarna de plus aanslui-
ting van de plus losvan de bat-
terij.
Zet altijd voor het uitvoeren van
onderhoud of het herladen van
de batterij alle accessoires uit, en
stop de motor en zet het contact
af neem daarna de batterij los
voor het opladen.
De min kabel van de batterij moet
als eerste los genomen worden
en als laatste worden vastgezet
wanneer de batterij is losgeno-
men.
WAARSCHUWING -
Herladen van de batterij
Neem tijdens het herladen van de
batterij de volgende voorzorgs-
maatregelen in acht:
De batterij moet uit het voertuig
verwijderd worden en in een ru-
imte met goede ventilatie gepla-
atst worden.
Laat geen sigaretten, vonken of
vlam toe dicht bij de batterij.
Controleer het laadproces regel-
matig en stop of verminder de
laadcapaciteit indien de batterij-
cellen beginnen te veel gassen
(koken) of indien de temperatuur
van de elektroliet van een cel
49°C (120°F) overschrijdt.
Draag oogbescherming wanneer
de batterij wordt gecontroleerd
tijdens het laden.
Ontkoppel de batterijlader in de
volgende volgorde.
1. Zet de hoofdschakelaar van de
batterijlader uit.
2. Neem eerst de aansluiting van
de min aansluiting los van de
batterij.
(Vervolgd)
Onderhoud
307
BANDEN EN WIELEN
Onderhoud van banden
Voor het juiste onderhoud, veiligheid en
maximale brandstofzuinigheid moet altijd
de aanbevolen bandspanningen worden
aanhouden en binnen de aanbevolen la-
adlimieten en gewichtsverdeling van het
voertuig blijven.
Aanbevolen koude bandspanning
Alle bandspanningen (inclusief de reser-
ve) moeten gecontroleerd worden wan-
neer de banden koud zijn. “Koude Ban-
den” betekent dat het voertuig niet gere-
den heeft gedurende minimaal drie uren.
De geadviseerde bandenspanning moe-
ten worden aangehouden voor de beste
prestaties, optimale en veilige voertuig-
besturing en minimale bandenslijtage.
Voor aanbevolen bandspanningen raad-
pleeg “Banden en Wielen” in sectie 8.
Alle specificaties (maten en spanningen)
kunnen gevonden worden op de banden-
spanningstabel van het voertuig.
WAARSCHUWING - Lage
Bandenspanning
Te lage bandenspanning leidt tot
een hoger brandstofverbruikt en
gaat ten koste van de veiligheid.
Langer doorrijden veroorzaakt ern-
stige bandenslijtage. Dit kan leiden
tot ongelukken.
OBA073010
731
Onderhoud
WAARSCHUWING -
Bandenspanning
Te hoge of te lage spanning kan de
levensduur van de banden vermin-
deren, het stuurcomfort van het vo-
ertuig negatief beïnvloeden en lei-
den tot eventuele schade aan de
banden met alle gevolgen van dien.
VOORZICHTIG -
Bandenspanning
Let op het volgende:
Controleer de bandspanning
wanneer de banden koud zijn
(Nadat het voertuig geparkeerd is
geweest gedurende minimaal drie
uren niet gereden heeft.).
Controleer de spanning van de
reserveband iedere keer dat de
spanning van andere banden
wordt gecontroleerd.
Overlbelast uw voertuig nooit.
Zorg ervoor dat uw bagageruimte
niet overladen wordt.
Versleten, oude banden kunnen
ongevallen veroorzaken. Indien
het profiel erg versleten is of in-
dien uw banden beschadigd zijn,
moeten deze worden vervangen.
VOORZICHTIG
Warme banden hebben hogere
spanning dan de aanbevolen
koude spanninge van 28 tot 41
kPa (4 to 6 psi). Als een band
vaak moet worden bijgevuld, wij
aanbevelen het systeem te wor-
den gecontroleerd door een
erkende HYUNDAI verdeler.
Draai de ventieldoppen altijd te-
rug op de ventielen. Zonder de
ventielkap kan vuil of vocht in het
ventiel komen en eventueel lek-
kage veroorzaken.
Onderhoud
327
Het controleren van
bandspanning
Controleer uw banden minimaal een-
maal per maand of meer.
Controleer ook de spanning van de re-
serveband.
Hoe te controleren
Gebruik een bandenspanningsmeter van
goede kwaliteit om bandspanning te con-
troleren. Door simpelweg naar de buiten-
zijde te kijken kunt u niet weten of de
banden juist zijn opgepompt. Afhankelijk
van het merk en type band kan het lijken
dat de spanning niet correct is.
Controleer de bandspanning wanneer de
banden koud zijn. “Koude” betekent dat
het voertuig niet gereden heeft gedu-
rende minimaal drie uren.
Verwijder de ventieldop. Druk de span-
ningsmeter stevig op het ventiel en lees
de spanning af. Indien de koude band-
spanning overeenkomt met de aanbevo-
len spanning op de bandenspanning-sta-
bel is geen verdere correctie nodig.
Indien de spanning te laag is, voeg lucht
toe totdat de geadviseerde spanning is
bereikt.
Ook als de bandenspanning te hoog mo-
et dit gecorrigeerd worden. Controleer de
bandspanningen met de spanningsme-
ter. Wees er zeker van dat de ventieldop-
penweer op de ventielen worden ged-
raaid om vervuiling van het binnenventiel
te voorkomen.
WAARSCHUWING
Inspecteer uw banden regelmatig
op juiste spanning en op slijtage
en schade. Gebruik altijd een
bandspanningsmeter.
Banden met te veel of te weinig
spanning slijten onregelmatig en
leiden tot minder stuurcomfort,
dus veiligheid met als gevolg een
grotere kans op een ongeval. De
aanbevolen bandspanning voor
het voertuig is vermeld in de
handleiding en op de banden-
spanningstabel in de auto.
Versleten, banden kunnen onge-
vallen veroorzaken. Vervang ban-
den die versleten zijn, ongelijk-
matige slijtage vertonen of besc-
hadigd zijn.
Denk eraan om regelmatig de
bandenspanning van te controle-
ren inclusief de reserveband.
733
Onderhoud
Bandrotatie
Om profielslijtage vlak te maken is het
aanbevolen dat de banden iedere 12.000
km of eerder worden gewisseld van voor
naar achter.
Controleer voor de wisseling de band-
velg combinatie op onbalans.
Controleer tijdens het wisselen de ban-
den ook op ongelijkmatige slijtage en
schade. Abnormale slijtage wordt vaak
veroorzaakt door onjuiste bandspanning,
wieluitlijning, onbalans in de wielen, hard
remmen of het snel nemen van bochten.
Let op knobbels of uitpuilingen in het pro-
fiel of zijkant van de band. Vervang de
band indien noodzakelijk. Vervang de
band als weefsel of koordlagen zichtbaar
zijn. Corrigeer na het wisselen van de
wielen de bandenspanning en let op dat
de wielbouten met het juiste aanhaalmo-
ment zijn vastgezet.
Raadpleeg “Banden en wielen” sectie 8.
AANDACHT
Wissel banden die een assymetrisch pro-
fielpatroon hebben, alleen van voor na-
ar achter en niet van rechts naar links.
WAARSCHUWING
Gebruik het de compacte reser-
vewiel niet bij het wisselen van
de wielen.
Bij het vervangen van banden is
het noodzakelijk banden van het-
zelfde type en profiel te monte-
ren. Deze heeft invloed op de
wegligging, prestaties en bedie-
nings-comfort. Dit kan leiden tot
vermindering van de voertuig-
controle, wat resulteert in een
ongeval en/of materiele schade.
S2BLA790
S2BLA790A
CBGQ0707A
Zonder een reserveband
Met een full-size reserveband
(indien van toepassing)
Banden met draairichting
(indien van toepassing)
Onderhoud
347
Wieluitlijning en
banduitbalancering
De wielstanden en wielen van de auto
zijn met zorg op de fabriek afgesteld en
uitgebalanceerd om u de langste ban-
denlevensduur en een optimale prestatie
te geven.
In de meeste gevallen behoeft de auto
niet opnieuw uit te lijnen. Indien er echter
sprake is van ongebruikelijke bandenslij-
tage of dat het voertuig overmatig naar
de één kant trekt op een vlakke weg,
moet de uitlijning worden ingesteld.
Indien u merkt dat het voertuig trilt tijdens
het rijden op een vlakke weg, moeten uw
wielen opnieuw worden uitgebalanceerd.
Bandenvervanging
Indien een band gelijkmatig is versleten,
zal een bandprofielslijtage indicator ver-
schijnen over het profiel. Dit laat zien dat
er minder dan 1.6 mm van profiel over is
op de band. Vervang de band wanneer
deze slijtgrens is bereikt.
Wacht niet te lang totdat de strook ver-
schijnt over het gehele profiel voordat de
band vervangt wordt.
VOORZICHTIG
Onjuiste wielgewichten kunnen de
aluminium wielen van uw voertuig
beschadigen. Gebruik alleen goed-
gekeurde wielgewichten.
OEN076053
Profielslijtage indicator WAARSCHUWING -
Banden vervangen
Om de veiligheid zo veel als mo-
gelijk is te waarborgen:
Vervang banden die versleten
zijn, ongelijkmatige slijtage verto-
nen of beschadigd zijn. Versleten
banden hebben een grote invloed
op de remeffectiviteit, stuurbe-
heersing en de wegligging.
Rijdt nooit met te lage of te hoge
bandenspanning. Dit kan leiden
tot ongelijkmatige slijtage en
breuk in de koordlagen.
Bij het vervangen van banden is
het noodzakelijk banden van het-
zelfde type en profiel te monte-
ren. Banden met gelijke profiel-
diepte moeten zoveel mogelijk op
dezelfde as worden gemonteerd.
(Vervolgd)
735
Onderhoud
Compacte reserveband vervangen
(indien van toepassing)
Een compacte reserveband heeft een
kortere levensduur dan een gewone ban-
den van uw auto. Vervang het wanneer u
de profielslijtage indicator staven kunt
zien. De vervanging van de compacte
reserveband moet dezelfde maat en type
als te vervangen band. Het is aan te be-
velen de compacte reserveband alleen te
gebruike n als dit noodzakleijk is. Laat de
band welke tijdelijk vervangen moest
worden zo snel als mogelijk is repareren
en weer monteren.
Velg vervangen
Als een velg vervangen moet worden om
welke reden dan ook, verzeker u ervan
dat de nieuwe velg gelijk is aan de oor-
spronkelijke door de fabriek geleverde
velgen.
WAARSCHUWING
Een wiel met een onjuiste maat he-
eft een negatieve invloed op de
levensduur van het wiel en de
lagers, de remwerking, de bodem-
vrijheid, de speling tussen het wiel
en de carrosserie, de afstelling van
de snelheidsmeter en kilometertel-
ler, de afstelling van de koplampen
en de bumperhoogte.
(Vervolgd)
Het gebruik van banden en vel-
gen anders dan de aanbevolen
maten heeft invloed op de weglig-
ging, prestaties en bedienings-
comfort.
Velgen die niet voldoen aan de
specificaties van HYUNDAI bein-
vloeden de prestaties en het rij-
gedrag van uw auto. Laat u altijd
adviseren door de Erkend HYUN-
DAI Reparateur.
Het ABS werkt door de wielsnel-
heden te combineren. De wiel-
snelheid is afhankelijk van de
bandenmaat. Als de banden wor-
den vervangen, moeten alle 4 de
banden dezelfde maat hebben als
de originele banden. Als banden
met een andere maat worden
gemonteerd, is het mogelijk dat
het ABS (Antiblokkeersysteem)
en het ESC (Electronic Stability
Control; elektronische stabilite-
itsregeling) niet juist werken.
Onderhoud
367
Band wegcontact
Het band wegcontact kan verminderen
indien gereden wordt op versleten ban-
den, banden met een onjuiste spanning
of op slipperige wegoppervlakten. Ban-
den moeten vervangen worden wanneer
de slijtage indicatoren verschijnen. Het is
aan te bevelen het rijgedrag aan te pas-
sen aan de rij, weer en weg omstandig-
heden.
Bandonderhoud
Naast de juiste bandenspanning, helpt
een correcte wieluitlijning om bandslijta-
ge te beperken. Vraag uw Erkend HYUN-
DAI Reparateur advies als u ziet dat een
band onregelmatig is versleten.
Wanneer u nieuwe banden laat monte-
ren, laat deze dan ook balaceren. Dit zal
het rijeigenschappen van het voertuig en
de levensduur van de banden verhogen.
Tevens is het bij ongelijkmatige slijtage
aan te bevelen ook de wielstanden te
laten controleren.
Informatie op de zijwand van de
band
Deze informatie geeft de eigenschappen
van de band weer. Tevens zijn een aan-
tal andere gegevens terug te vinden op
de zijkant van de band. Ook geeft het
bandidentificatienummer de standaard
veiligheidscertificering aan.
1. Fabrikant- of merknaam
Fabrikant- of Merknaam wordt getoond.
2. Bandenmaat
De zijwand van een band is gemarkeerd
met een bandenmaat. U zult deze infor-
matie nodig hebben als er een of me-
erdere banden moeten worden vervan-
gen van uw auto. Hieronder volgt enige
uitleg over de velgmaat.
Voorbeeld bandenmaat:
(Deze nummers worden alleen verstrekt
als voorbeeld; de bandenmaattabel kan
varieren afhankelijk van uw voertuig.)
175/70R14 64T
175 - Bandbreedte in millimeters.
70 - Hoogte van de band. De sectie-
hoogte van de band als een percen-
tage van diens breedte.
R - Band constructiecode (Radiaal).
14 - Velgdiameter in duimen.
64 - Belastingsindex, een nummerieke
code waarmee wordt aangegeven
wat de maximale be-lasting is van
de band.
T - Snelheidsymbool. Zie de grafiek voor
additionele informatie.
I030B04JM
1
1
23
4
5,6
7
737
Onderhoud
Bandenmaat
Velgen zijn ook gemarkeerd met belang-
rijke informatie die u nodig heeft om een
te vervangen. Hieronder volgt enige uit-
leg over de velgmaat.
Voorbeeld wielgrootte aanwijzing:
5.0JX14
5.0 - Velgbreedte in duimen.
J - Vorm van de velg.
14 - Velgdiameter in duimen.
Bandsnelheid klassificatie
De onderstaande grafiek laat de verschil-
lende snelheidsklassificaties zien die
gebruikt worden voor de banden van per-
sonenauto’s. De snelheidsclassificatie is
onderdeel van de bandmaat op de zij-
wand van de band. In de onderstaande
tabel worden de verschillende klassific-
ties weergegeven.
3. Het controleren van levensduur
van de band (TIN: Band
Identificatie Nummer)
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar,
gebaseerd of de fabricagedatum, (inclu-
sief de reserveband) moeten worden ver-
vangen door nieuwe. De fabricagedatum
is terug te vinden op de zijwand van de
band (mogelijk op de binnenzijde van het
wiel), herkenbaar als DOT Code. De
DOT Code is een reeks nummers op een
band bestaande uit nummers en letters.
De fabricagedatum is herkenbaar door
de laatste vier cijfers (karakters) van de
DOT code.
DOT : XXXX XXXX OOOO
Het voorste deel van de DOT betekent
een fabriekscodenummer, bandmaat en
loopvlakprofiel en de laatste vier cijfers
geven week en jaar van fabricage aan.
Bij voorbeeld:
DOT XXXX XXXX 1516 geeft aan dat de
band is geproduceerd in week 15 van
2016.
S 180 km/uur (112 mph)
T 190 km/uur (118 mph)
H 210 km/uur (130 mph)
V 240 km/uur (149 mph)
Z Meer dan 240 km/uur
(149 mph)
Maximale Snelheid
Snelheid
Klassificatie
Symbool
Onderhoud
387
4. Koordlagen en materiaal
Het aantal lagen van rubber-bekleed
weefsel in de band. Bandenfabrikanten
moeten ook de materialen in de band
aangeven, die staal, nylon, polyester of
anderen omvatten. De letter “R” betekent
radiaalband constructie; de letter “D”
betekent diagonaalband constructie en
de letter “B” betekent gordel band met
diagonaal karkas constructie.
5. Maximale toegestane
bandenspanning
Dit getal geeft de hoogste bandenspan-
ning aan die mag worden toegepast.
Overschrijdt de maximaal toegestande
bandspanning niet. Raadpleeg de Band
en Laadinformatietabel voor aanbevolen
bandspanning.
6. Maximale belasting
Dit getal geeft de maximale belasting in
kilogrammen aan waarmee de band mag
worden belast. Monteer altijd bij het ver-
vangen van de banden op het voertuig
een band die dezelfde belastingindex
heeft als de fabrieksgemonteerde band.
7. Uniforme kwaliteitsaanduiding
voor banden
De kwaliteitsaanduiding bevindt zich op
de wang van de band tussen de schou-
der en de maximum breedte.
Bij voorbeeld:
TREADWEAR 200
TRACTION AA
TEMPERATURE A
Slijtage index
De slijtageindex is een vergelijkbare
kwalificatie gebaseerd op de slijtage-
graad van de band tijdens het testen
onder gecontroleerde omstandigheden.
Een band graded 150 zou bijvoorbeeld
anderhalf keer minder slijten tijdens de
test als een band graded 100.
De relatieve prestatie van banden is ech-
ter afhankelijk van de werkelijke omstan-
digheden van het gebruik en zullen aan-
zienlijk afwijken van deze norm als
gevolg van afwijkingen in rijgewoontes,
servicegewoontes en versc-hillen in
wegenkarakteristieken en klima-at enz.
WAARSCHUWING -
Bandleeftijd
Banden verouderen met de tijd,
zelfs wanneer ze niet gebruikt wor-
den. Onafhankelijk van het restpro-
fiel is het aanbevolen dat banden
over het algemeen worden vervan-
gen na zes (6) jaren. Warmte ver-
oorzaakt door warmere klimaten of
frequente hoge laadcondities kun-
nen het verouderingsproces ver-
snellen. Het niet opvolgen van deze
waarschuwing kan leiden tot ernsti-
ge schade aan de banden met alle
gevolgen van dien.
739
Onderhoud
Deze graden zijn geperst op de zijkant
van de band. De als standaard of optio-
nele uitrusting beschikbare banden kun-
nen varieren met betrekking tot deze
klasse.
Grip - AA, A, B & C
De grip van de band op de weg, van ho-
ogste tot laagste, zijn AA, A, B en C. Die
klassen stellen de de weerstand van de
banden voor om te stoppen op nat weg-
dek pavement, gemeten onder gecontro-
leerde omstandigheden. Een band ge-
merkt als C kan een slechtegrip op het
wegdek hebben maar een hoge slijtvast-
heid.
Temperatuur -A, B & C
De temperatuurindicatie zijn A (de hoog-
ste), B en C, die de bandenweerstand
weergeven op de om warmte af te voe-
ren tijdens het testen onder gecontro-
leerde omstandighedenl.
Vasthoudende hoge temperatuur kan
veroorzaken dat het materiaal van de
band degenereert en de bandleeftijd
aanzienlijk vermindert en bovenmatige
temperatuur kan leiden tot schade aan
de. Indicatie B en A stellen hogere pres-
tatieniveaus op het testwiel voor dan het
vereiste wettelijke minimum.
WAARSCHUWING
De gripklasse is gebaseerd op
recht vooruit rem en griptesten en
omvatten geen accelleratie, het
nemen van bochten of piek karakte-
ristieken.
WAARSCHUWING -
Bandtemperatuur
De temperatuurgraad voor de
bandvelg combinatie is vastgesteld
voor een combinatie die de juiste
spanning heeft Bovenmatige snel-
heid, te lage spaninng of overma-
tige belading, of een combinatie
van factoren, kan de hitteopbouw
en mogelijk plotselinge banden-
schade veroorzaken. Dit kan leiden
tot vermindering van de voertuig-
controle, wat resulteert in een on-
geval.
Onderhoud
407
Lage verhouding banden
(indien van toepassing)
Banden met een lage verhouding, lager
dan 60, met een sportief uiterlijk.
Omdat banden met een lage verhouding
geoptimaliseerd zijn voor hantering en
remmen, kan het oncomfortabel zijn om
er in te rijden, en is er meer geluid verge-
leken met normale banden.
VOORZICHTIG
Omdat de zijkant van een band met
lage verhouding korter is dan nor-
maal, kunnen het wiel en de band
sneller beschadigd worden. Dus
volg onderstaande instructies op.
- Als u op een ongelijke weg, of
landweg, rijdt, dan moet u voor-
zichtig rijden om anders banden
en wielen beschadigd kunnen
raken. Inspecteer na het rijden de
banden en de wielen.
- Als u door een gat, over een snel-
heidsdrempel, put, of stoeprand
rijdt, dan moet u langzaam rijden
zodat banden en wielen niet
beschadigd worden.
- Als er impact is geweest op de
band, dan raden we aan dat u de-
ze laat inspecteren door een be-
voegde HYUNDAI dealer.
- Om schade aan de band te voor-
komen, inspecteert u de staat van
de band en spanning iedere 3.000
km.
VOORZICHTIG
Het is niet eenvoudig om schade
aan een band met uw eigen ogen
te zien. Maar als er ook maar een
beetje indicatie van schade is,
zelfs als u dit niet kunt zien, dan
moet de band gecontroleerd of
vervangen worden omdat er an-
ders een lekkage in de band kan
zijn.
Als de band beschadigd is terwijl
u op een ongelijke weg, landweg,
door een gat of over een stoe-
prand rijdt, dan valt dit niet onder
de garantie.
U kunt de bandeninformatie vin-
den op de zijkant van de band.
741
Onderhoud
ZEKERINGEN
Het elektrische systeem van een voer-
tuig is door zekeringen beschermd tegen
elektrische overbelasting.
Het voertuig heeft 2 (of 3) zekeringshou-
ders, een geplaatst in het de zijkant van
het dashboard aan de bestuurderszijde,
de andere(n) in de motorruimte.
Indien om het even welke van de lam-
pen, accessoires systemen van uw voer-
tuig niet werkt, controleer dan de zeke-
ringen van het betreffende circuit. Als
een zekering is doorgebrand, het ele-
ment in de zekering smelt.
Indien het elektrische systeem niet
werkt, controleer eerst het zekeringspa-
neel aan de bestuurderszijde.
Voor het vervangen van een zekering ne-
em de minaansluiting van de batterij los.
Vervang altijd een doorgebrande zeke-
ring met een van dezelfde kwalificatie.
Indien een vervangingszekering weer
opnieuw is doorgebrand, geeft dit een
elektrisch problem aan. Vermijd het
gebruik van het betrokken systeem en
raden we u aan een erkende HYUNDAI
verdeler te raadplegen.
Er worden drie soorten zekeringen geb-
ruikt: Er zijn drie verschillende zekering
types gebruikt, steekzekeringen voor
lage stroomsterkte, een smeltzekering
en de draadzekering voor hogere stro-
omsterkte.
AANDACHT
Het label van juiste zekering/ het relai-
spaneel kan verschillen volgens de uitge-
ruste items.
OHDC078019
Normal
Normal
Blad soort
Behuizing soort
Zekeringen
Gesprongen
Gesprongen
Gesprongen
Normal
WAARSCHUWING -
Vervangen zekering
Vervang nooit een zekering met
iets anders dan een zekering van
dezelfde kwalificatie.
Een zekering met een hogere ca-
paciteit kan schade en mogelijk
brand veroorzaken.
Installeer nooit een draad of alu-
miniumfolie in plaats van de ju-
iste zeker - zelfs niet als een tij-
delijke reparatie. Het kan bedra-
dingsschade en een eventueel
brand veroorzaken.
VOORZICHTIG
Gebruik geen schroevendraaier of
ander metalen hulpmiddel om zeke-
ringen te verwijderen omdat het een
kortsluiting kan veroorzaken en het
systeem kan beschadigen.
Onderhoud
427
Vervanging van het ins-
trumentenpaneel zekering
1. Zet het contact uit en schakel alle ver-
bruikers uit.
2. Open de zekeringhouder.
3. Neem de defecte zekering uit de hou-
der. Gebruik het kunststof hulpgereed-
schap uit de zekeringhouder in de
motorruimte.
4. Controleer de verwijderde zekering;
vervang het indien deze is doorge-
brand.
5. Plaats een nieuwe zekering van de-
zelfde kwalificatie in en controleer op
de juiste montage.
Als het los zit, raden we u aan een erken-
de HYUNDAI verdeler te raadplegen.
Als niet een gelijke zekering beschikbaar
is, kan een zekering van dezelfde kwali-
ficatie welke niet nodig is zoals de zeke-
ring van de sigarettenaansteker.
Indien de koplampen of andere elektri-
sche componenten niet werken en de
zekeringen zijn in orde, controleer dan de
zekeringen in de motorruimte. Als een
zekering is doorgebrand, moet deze ver-
vangen worden.
OIA073011 OBA073013
(Vervolgd)
Verwijder geen zekeringen, relais
en aansluitklemmen die zijn
bevestigd met bouten of moeren.
Het kan zijn dat de zekeringen,
relais en aansluitklemmen niet
goed vastzitten en dit kan mo-
gelijk brand veroorzaken. Als met
bouten of moeren bevestigde ze-
keringen, relais en aansluitklem-
men smelten, adviseren wij u een
geautoriseerde HYUNDAI dealer
te raadplegen.
Breng geen andere objecten be-
halve zekeringen of relais aan in
de zekering/relais aansluitklem-
men, zoals een driver of bedra-
ding. Dit kan leiden tot onderbre-
king van het contact en systeem-
storing.
VOORZICHTIG
Controleer bij het vervangen van
een gesmolten zekering of relais
door een nieuwe, dat de nieuwe
zekering of het relais stevig in de
klemmen past. Het niet volledig
bevestigen van de zekering of
relais kan leiden tot beschadiging
aan de bedrading en elektrische
systemen van het voertuig en een
mogelijke brand.
(Vervolgd)
743
Onderhoud
Zekeringschakelaar
Plaats de zekeringschakelaar altijd in de
AAN stand.
Als u de schakelaar plaatst in de UIT
stand, dan moeten sommige onderdelen
gereset worden en kan het gebeuren dat
de zender (of smart key) niet goed wer-
ken.
Vervangen van de zekering in de
motorruimte
1. Zet het contact uit en schakel alle ver-
bruikers uit.
2. Verwijder de zekeringhouderdeksel
door het haakje in te drukken en de
deksel naar boven te trekken.
3. Controleer de verwijderde zekering;
vervang het indien deze is doorge-
brand. Gebruik het speciale stukje
gereedschap om de zekering te ver-
wijderen of in te steken.
4. Plaats een nieuwe zekering van
dezelfde kwalificatie in en controleer
op de juiste montage.
Als het los zit, raden we u aan een
erkende HYUNDAI verdeler te raad-
plegen.
OIA073012
VOORZICHTIG
Plaats de zekeringschakelaar altijd
in de AAN stand tijdens het rijden.
OBA073014
VOORZICHTIG
Na het controleren van de zekering-
houder in de motorruimte, veilig
installeren van de zekeringhouder-
deksel. Er kunnen anders elekt-
rische fouten optreden door water
dat naar binnen lekt.
Onderhoud
447
Hoofdzekering (zekeringen)
Indien de hoofdzekering defect is, moet
deze als volgt worden verwijderd:
1. Neem de minaansluiting van de batte-
rij los.
2. Verwijder de moeren, afgebeeld in de
bovenstaande afbeelding.
3. Vervang de zekering met een nieuwe
van hetzelfde kwalificatie.
4. Monteer in omgekeerde volgorde.
AANDACHT
Indien de hoofd zekering is doorge-
brand, raden we u aan een erkende
HYUNDAI verdeler te raadplegen.
OIA073042
745
Onderhoud
Zekering/relais omschrijving
Binnenste zekeringpaneel
Binnen in de zekering/relaishouder, kunt
u de zekering/relais etiket vinden met de
beschrijving van de naam en capaciteit
van de zekering/relais.
AANDACHT
Niet alle informatie van zekeringpaneel
in deze handleiding kan van toepassing
zijn op uw voertuig. Wanneer u de
zekeringpaneel in uw voertuig contro-
leert, raadpleeg dan het etiket.
OIA073016
OIA076046
Onderhoud
467
Instrumentenpaneel (Zekeringpaneel aan bestuurderszijde)
Zekeringnaam Symbool Zekering-
pvermogen Met beveiligde kringloop
RR HTD 30A RR HTD Relais
S/HEATER 15A Stoelverwarming LA/RA
A/CON 1 7.5A A/C-regeleenheid (Automatische)
SAFETY POWER
WINDOW 25A Module elektrische veiligheidsbediening ruit bestuurder
STOP LAMP
STOP
LAMP
15A Stop Signaal Elektronische Module, Stekker Gegevensverbinding
P/WDW LH 25A Schakelaar elektrisch bediende ruit, module veiligheidsschakelaar elektrisch bediende ruit
bestuurder (LA), schakelaar elektrisch bediende ruit passagier (RA)
P/WDW RH 25A Schakelaar Elektrisch Bediende Ruit, Module Veiligheidsschakelaar Elektrisch Bediende
Ruit Bestuurder (RA), Schakelaar Elektrisch Bediende Ruit Passagier (LA)
PDM 2
2
10A Start/stopknop, module met intelligente sleutelregeling
SUNROOF 15A Schuifdak
SENSOR S10A PCB Zekering & Relaiskast (Relais Vacuumpomp)
START 7.5A Relais Alarmsysteem, PCB Zekering & Relaiskast (Startrelais), PCM, Module met
İntelligente Sleutelregeling, Schakelaar Transaxiaal Bereik
PDM 1
1
25A Module met intelligente sleutelcontrole
BRAKE SWITCH 10A Module met intelligente sleutelcontrole, schakelaar stoplamp
747
Onderhoud
Zekeringnaam Symbool Zekering-
pvermogen Met beveiligde kringloop
TCU T15A A/T: Schakelaar Transaxiaal Bereik, Pulsgenerator 'A'/'B'
M/T: Sensor voertuigsnelheid, PCB-zekering & relaiskast (F34)
BLOWER 7.5A PCM, A/C Regeleenheid, Electronische A/C Compressor, Blazerschakelaar,
Blazerweerstand
DR LOCK 20A Relais Deurverrendeling/Ontgrendeling, Relais Ontgrendeling Laadklep, Botsing Deur
Ontsluiten Eenheid
HTD MIRR 10A PCM, A/C-regeleenheid, elektrisch bediende buitenspiegel bestuurder/passagier
MODULE 2 2 MODULE 10A Schakelaar Stoplamp, Botsing Pad Schakelaar, Parkeerassistentie Achteraan, Sensor
Parkeerassistentie Achteraan (Midden) Sensor LA/RA, LA/RA
WIPER 25A Motor Voorruitwisser, Multifunctionele Schakelaar
MEMORY MEMORY 10A Stekker Gegevensverbinding, Digitale Klok, Instrumentenpaneel, BCM, Module voor
Controle van Bandenspanning, A/C-regeleenheid, Botsing Deur Ontsluiten Eenheid, Audio
INTERIOR LAMP 10A Kofferbakverlichtinglamp, Kamerlamp
MODULE 3 3 MODULE 10A E/R Aansluitdoos (Multifunctionele Aansluitstekker), A/C-regeleenheid
ECU E10A PCM, Module met Intelligente Sleutelcontrole, Alternator (G3LA/G4LA)
A/CON 2 10A PCB, Zekering & Relaiskast (Blazerrelais), A/C-regeleenheid
MULTI MEDIA
MULTI
MEDIA
20A Auido
POWER
OUTLET 2
2 POWER
OUTLET
20A Achter Voedingsuitgang
Onderhoud
487
Zekeringnaam Symbool Zekering-
pvermogen Met beveiligde kringloop
CLUSTER 10A Instrumentenpaneel
ABS 7.5A ESP Regeleenheid
MODULE 5 5 MODULE 10A -
WIPER RR 15A Motor Achterruitwisser, Multifunctionele Schakelaar
POWER
OUTLET 1
1 POWER
OUTLET
20A Voedingsuitgang
HTD
STRG 15A Stuurwiel schakelaar
A/BAG 10A SRS-regeleenheid
MDPS 7.5A MDPS-eenheid
MODULE 4 4 MODULE 10A BCM, Module met intelligente sleutelcontrole
ACC 10A BCM, Regeleenheid Intelligente Sleutel, Digitale Klok, Audio,
Schakelaar Elektrische Buitenspiegel
A/BAG IND 10A Instrumentenpaneel
MODULE 1 1 MODULE 10A BCM, SBR Indicator
749
Onderhoud
Hoofdzekeringenpaneel motorcompartiment
Zekering-
naam Symbool Zekering-
pvermogen Met beveiligde kringloop
MULTI-
ZEKE-
RING
MDPS 80A MDPS-eenheid
ALT 125A (150A) Alternator, Zekering - F3 / F4 / F6, PCB, Zekering & Relaiskast
ZEKE-
RING
B+4 450A Smart Aansluitdoos (Zekering : F1 / F2)
ESP 2
2
30A ESP-Regeleenheid, Multifunctionele Aansluitstekker
ESP 1
1
50A ESP Regeleenheid
B+1 150A Smart Aansluitdoos (T/Sig Geluidrelais, Zekering : F10, ARISU-LT1, IPS 3)
B+3
3
40A Smart Aansluitdoos (Relais Elektrische Ruitbediening),
Zekering : F4, ARISU-LT2, IPS 5)
B+2 250A Smart Aansluitdoos (Zekering : F5 / F9 / F13 / F14 / F17, Lekkage Stroom Autocut
Toestel Zekering : F23 / F24 / F29)
IG1 40A Zonder Start knop : Contactslot
Met Start knop : PDM relaiskast (IG1 / ACC relais)
FRT WIPER 7.5A PCM, Motor Voorruitwisser, Multifunctionele Schakelaar
BLOWER 40A Blazerrelais
ECU1
E1
30A Relais motorregeling, Zekering : F25 / F26
Onderhoud
507
Zekering-
naam Symbool Zekering-
vermogen Met beveiligde kringloop
ZEKE-
RING
F/PUMP 15A Brandstofpomp 1 Relais
HORN 10A Claxonrelais, Claxonrelais Alarmsysteem
A/CON 10A A/CON-relais
VACUUM
PUMP
VACUUM
PUMP
20A Relais Vacuumpomp
C/FAN 40A C/FAN LO Relais, C/FAN HI Relais
IG2 40A Startrelais, Contactschakelaar (Zonder Start knop), PDM Relaiskast (IG2 Relais)
(Met Start knop)
ECU3 E3 10A PCM
ECU2
E2
10A B3LA : PCM, Shut Off Valve #1/#2
SENSOR S1 10A
C/FAN LO Relais, C/FAN HI Relais, A/CON Relais, Startrelais(G3LA, met ISG),
PCM, Olieregelklep #1/#2 (IN/EX), Dampafzuigsolenoideklep, Sensor
Nokkenasstand #1/#2 (IN/EX)
SENSOR2
S2
10A G3LA/G4LA : PCM
ECU4
E4
20A Niet Gebruikt
INJECTOR 10A
PCM, Immobilizer Module, Brandstofpomp 1 Relais
G3LA: Injector #1/#2/#3, G4LA : Injector #1/#2/#3/#4
B3LA: Injector #1/#2/#3 (GSL), Injector #1/#2/#3 (LPI), Botsing Pad schakelaar
751
Onderhoud
Hoofdzekeringenpaneel motorcompartiment
Nr. Naam van de Relais Type
1 BLAZERRELAIS PCB MICRO
2 HOOFDRELAIS (MOTORREGELING) PCB MICRO
3 BRANDSTOFPOMP 1 RELAIS PCB MINI
4 KOPLAMPRELAIS (HI) PCB MICRO
5 KOPLAMPRELAIS (LO) PCB MICRO
6 RELAIS VACUUMPOMP PCB MINI
7 CLAXONRELAIS ALARMSYSTEEM PCB MINI
8 A/CON-RELAIS PCB MINI
9 CLAXONRELAIS PCB MINI
10 C/FAN LO RELAIS PCB MICRO
11 C/FAN HI RELAIS PCB MICRO
12 STARTRELAIS PCB MICRO
Zekering-
naam Symbool Zekering-
pvermogen Met beveiligde kringloop
ZEKE-
RING
IGN COIL IGN
COIL 15A G3LA/B3LA: Ontstekingsspoel #1/#2/#3, Condensator
G4LA : Ontstekingsspoel
B/UP LAMP B/UP
LAMP 7.5A
A/T : PCM, Schakelaar Transaxiaal Bereik, BCM, Instrumentenpaneel, Achterste
Combinatielamp LA/RA
M/T : Schakelaar Back-up Lamp, Smart Aansluitdoos (Zekering : F15)
Onderhoud
527
LICHT GLOEILAMPEN
Gebruik alleen de gloeilampen met het
opgegeven vermogen.
AANDACHT
Na regen of wassen, kunnen koplamp en
achterlamp lensen bevroren lijken. Deze
conditie wordt veroorzaakt door het
temperatuurverschil tussen de binnen-
en buitenkant van de lampunit. Dit is
vergelijkbeaar met de condensatie op de
ruiten binnen uw voertuig tijdens de
regen en geeft niet aan dat er een pro-
bleem is met uw voertuig. Indien er
water in de lampunit lekt, raden we aan
om het systeem te laten nakijken door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
WAARSCHUWING - Het
werken aan de lampen
Voor het werken aan de verlichting,
zet de parkeerrem stevig vast, ver-
zeker u ervan dat het contact uit
staat en de verlichting is uitgesc-
hakeld. Hierdoor kunt u veilig wer-
ken om te voorkomen dat uw vin-
gers verbrandt.
VOORZICHTIG
Verzeker u ervan dat de defecte
gloeilamp wordt vervangen door
een van dezelfde sterkte. Anders
kan er schade ontstaan aan de ze-
kering of het elektrisch bedrading-
ssysteem.
VOORZICHTIG
Als u niet de nodige gereedschap-
pen, de juiste gloeilampen en de
ervaring heeft, raden we u aan een
erkende HYUNDAI verdeler te raad-
plegen.
In sommige gevallen, is het moeilijk
om gloeilampen te vervangen om-
dat andere onderdelen van het
voertuig verwijderd moeten worden
voordat u bij de gloeilamp kunt ko-
men. Dit is vooral van toepassing
indien u de koplamp assemblage
moet verwijderen. Ondeskundig
verwijderen / installeren van de
koplamp assemblage kan leiden tot
beschadiging van het voertuig.
753
Onderhoud
Vervanging van de gloeilamp
van koplamp, positielamp,
richtingaanwijzer lamp,
voorste mistlamp
Type A
(1) Koplamp (Groot/dimlicht)
(2) Positielampje
(3) Richtingaanwijzer lamp
(4) Voorste mistlampen (indien van toe-
passing)
(5) Gloeilamp DRL
Kopgloeilamp
AANDACHT
Als de koplampen moeten worden af-
gesteld, moet de koplampassemblage
opnieuw worden geïnstalleerd, raden we
u aan een erkende HYUNDAI-verdeler
te raadplegen voor meer informatie.
OHD076046
WAARSCHUWING -
Halogeen gloeilampen
Halogeen gloeilampen bevatten
gas onder druk die rondvliegen-
de stukken glas kunnen produce-
ren als ze breken.
Behandel de lampen met de nodi-
ge voorzichtigheid. Indien de
lampen branden, vermijdt dan
contact met vloeistoffen. Raak
het glas nooit aan met blote han-
den. Vet kan veroorzaken dat de
gloeilamp oververhit en defect ra-
akt. Een gloeilamp mag alleenin-
geschakeld worden als deze is
gemonteerd.
(Vervolgd)
OIA076018
(Vervolgd)
Indien een gloeilamp beschadigd
of defect, vervang deze.
Neem de nodige voorzichtigheid
in acht om lichamelijk letsel te
voorkomen. Laat de gloeilamp
afkoelen voor vervangen.
Onderhoud
547
Verkeerswijziging (Voor Europa)
De verdeling van het dimlicht is asymme-
trisch. Als u naar het buitenland gaat,
naar een land waar het verkeer op het
andere rijvak rijdt, kan dit asymmetrisch
deel de tegenliggers verplichten. Om ver-
blinding te vermijden, vereist de EGE-
reglementering diverse technische oplos-
singen (bv. automatisch omschakelsys-
teem, kleeffolie, neerwaarts gerichte lam-
pen). Deze koplampen zijn bedoeld om
de tegenliggers niet te verblinden. U
hoeft uw koplampen dus niet te verande-
ren in een land met tegenovergestelde
verkeersrichting. Koplamp
1. Open de kap.
2. Verwijder de deksel van de koplampu-
nit door het tegen de klok in te draai-
en.
3. Neem de fittinghouder van de gloei-
lamplos van de koplampunit.
4. Verwijder de gloeilamp bevestiging
door het eind in te drukken en het
naar boven te duwen.
5. Verwijder de gloeilamp uit de koplam-
punit.
6. Installeer een nieuwe gloeilamp en zet
de gloeilamp bevestiging vast. Let op
dat de lamp op de juiste wijze is
gemonteerd, met de uitsparing op de
juiste plaats.
7. Zet de fitting opnieuw vast en sluit de
stekker aan.
8. Installeer de koplampunitdeksel door
het met de klok mee te draaien.
OIA073023
755
Onderhoud
Richtingaanwijzer
1. Verwijder de lamphouder uit de unit
door de lamphouder linksom te draai-
en, totdat de nokken op de houder in
lijn staan met de openingen in de unit.
2. Verwijder de gloeilamp uit de houder
door de lamp in te drukken en linksom
te draaien, totdat de nokken op de
lamp in lijn staan met de openingen in
de houder. Trek de lamp uit de houder.
3. Plaats de nieuwe lamp door deze in
de houder te plaatsen en te verdraai-
en, totdat de lamp vastzit.
4. Monteer de houder in de unit door de
nokken op de houder in lijn te zetten
met de openingen in de unit. Druk de
houder in de unit en draai de houder
rechtsom.
Positielampje
1. Verwijder de houder uit de unit door
de houder recht naar buiten te trek-
ken.
2. Verwijder de lamp uit de houder door
de houder naar buiten te trekken.
3. Plaats de nieuwe lamp in de houder.
4. Druk de houder in de unit.
Vervanging van de gloeilamp van
voorste mistlampen
1. Verwijder de schroef onder de kap.
2. Voer de werkzaamheden uit aan de
achterzijde van de voorbumper.
3. Maak de kabel los van de lamphouder.
OIA073038
OIA073039
OIA073025
Onderhoud
567
4. Verwijder de lamphouder met de lamp
uit de behuizing door de lamphouder
met lamp linksom te draaien, totdat de
nokken op de lamphouder met lamp in
lijn staan met de openingen in de
behuizing.
5. Monteer de nieuwe lamphouder met
lamp in de behuizing door de nokken
op de houder in lijn te plaatsen met de
openingen in de behuizing. Druk de
houder in de behuizing en draai de
houder rechtsom.
6. Sluit de stekker aan op de lamphou-
der.
7. Monteer de plaat onder de bumper. Doelpunt koplamp en voorste
mistlamp (Voor Europa)
Doelpunt koplamp
1. Pomp de banden op tot de vermelde
druk en verwijder alle last uit de wa-
gen, behalve de bestuurder, de reser-
veband en het gereedschap.
2. De wagen moet op een effen onder-
grond worden geplaatst.
3. Teken verticale lijnen (1) (Verticale lij-
nen die door de respectieve middel-
punten van de koplampen gaan) en
een horizontale lijn (2) (horizontale lijn
die door het midden van de koplam-
pen gaat) op het scherm.
4. Als de koplamp en de batterij in nor-
male stand staan, stel de koplampen
dan zo af dat het sterkste gedeelte op
de horizontale en verticale lijnen valt.
5. Om de straal van de groot/dim lichten
links of rechts af te stellen, moet u de
regeling (2) linksom of rechtsom dra-
aien. Om de straal van de groot/dim
lichten opwaarts of neerwaarts te rich-
ten, moet u de regeling (1) linksom of
rechtsom draaien.
OIA073030
757
Onderhoud
Afstellen van de mistlampen
De voorste mistlamp kan op dezelfde
manier worden afgesteld als de koplam-
pen.
Stel de voorste mistlampen af als de
voorste mistlampen en de batterij in nor-
male toestand verkeren. Om de voorste
mistlamp omhoog of omlaag te richten,
moet u de regeling (1) rechtsom of links-
om draaien.
OIA076031
Onderhoud
587
Toestand van de wagen H1 H2 W1 W2
Mist Mist
Zonder bestuurder 745 (29.3) 337 (13.26) 1234 (48.5) 1407 (55.39)
Met bestuurder --
Eenheid: mm (in)
<Grondhoogte>
Scherm
<Afstand tussen lampen>
H1: Hoogte tussen het middelpunt van de koplamp en de grond (grootlicht/Dimlicht).
H2: Hoogte tussen het middelpunt van de mistlamp en de grond.
W1: Afstand tussen het middelpunt van de de twee koplampen (grootlicht/dimlicht).
W2: Afstand tussen het middelpunt van de mistlampen.
Doelpunt
OIA076032
759
Onderhoud
Lage straal koplamp (Links gestuurde)
1. Draai het laag licht aan met de bestuurder aan boord.
2. De snijlijn moet worden geprojecteerd in de snijlijn die op de afbeelding wordt getoond.
3. Bij het afstellen van de kleine lichten, moet het verticale richtpunt vlak na het horizontale richtpunt worden geregeld.
4. Als de wagen over kantelmechanisme van de koplamp beschikt, pas de kanteling van de koplamp dan aan met 0 posities.

OIA076044
Gebaseerd op 10 m scherm
Verticale lijn van het midden van de
lamp van de koplamp
WAGENAS (O/L)
Verticale lijn van het midden van de
lamp van de koplamp
SNIJNLIJN
Horizontale lijn van het midden
van de lamp van de koplamp
AARDING
100
W1
(DIMLICHT)
H1
(DIMLICHT)
Onderhoud
607
Lage straal koplamp (Rechts gestuurde)
1. Draai het laag licht aan met de bestuurder aan boord.
2. De snijlijn moet worden geprojecteerd in de snijlijn die op de afbeelding wordt getoond.
3. Bij het afstellen van de kleine lichten, moet het verticale richtpunt vlak na het horizontale richtpunt worden geregeld.
4. Als de wagen over kantelmechanisme van de koplamp beschikt, pas de kanteling van de koplamp dan aan met 0 posities.

OIA076045
Gebaseerd op 10 m scherm
Verticale lijn van het midden van
de lamp van de koplamp
WAGENAS (O/L)
Verticale lijn van het midden van de
lamp van de koplamp
SNIJNLIJN
Horizontale lijn van het midden
van de lamp van de koplamp
AARDING
100
W1
(DIMLICHT)
H1
(DIMLICHT)
761
Onderhoud
Voor-mistlampen
1. Schakel de voorste mistlamp aan met de bestuurder (75 kg) aan boord.
2. De snijlijn moet worden geprojecteerd in het toelaatbare bereik (geschaduwde gebied).
OIA073029
Gebaseerd op 10 m scherm
WAGENAS (O/L)
Voorste mistlamp midden
Voorste mistlamp midden
W2 (VOORSTE
MISTLAMP)
H2 (VOORSTE
MISTLAMP)
Voorste mistlamp midden
AARDING
SNIJNLIJN
Onderhoud
627
Vervanging van de
Zijrichtingaanwijzers
Als het lampje niet werkt, raden we aan
om het systeem te laten nakijken door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
Vervanging van de achterlicht
gloeilamp
(1) Stop en achterlamp
(2) Achter-richtingaanwijzerslamp
(3) Achteruitrijlichtlamp
1. Open de achterklep
2. Maak het lichtunit los met een schroe-
vendraaier.
3. Verwijder de achtercombinatie van de
carosserie van het voertuig.
4. Verwijder de lamphouder uit de unit
door de lamphouder linksom te dra-
aien, totdat de nokken op de houder in
lijn staan met de openingen in de unit.
OIA073020
OBA073019
OIA073026
OIA073027
763
Onderhoud
5. Verwijder de gloeilamp uit de houder
door de lamp in te drukken en linksom
te draaien, totdat de nokken op de
lamp in lijn staan met de openingen in
de houder. Trek de lamp uit de houder.
6. Plaats de nieuwe lamp door deze in
de houder te plaatsen en te verdraai-
en, totdat de lamp vastzit.
7. Monteer de houder in de unit door de
nokken op de houder in lijn te zetten
met de openingen in de unit. Druk de
houder in de unit en draai de houder
rechtsom.
8. Monteer de knipperlichtunit.
Achter mistlampen (indien van toe-
passing)
1. Verwijder de achterste band en de
wieldop.
2. Verwijder de lamphouder uit de unit
door de lamphouder linksom te dra-
aien, totdat de nokken op de houder in
lijn staan met de openingen in de unit.
3. Verwijder de gloeilamp uit de houder
door de lamp in te drukken en linksom
te draaien, totdat de nokken op de
lamp in lijn staan met de openingen in
de houder. Trek de lamp uit de houder.
4. Steek een nieuwe gloeilamp in de
houder.
5. Monteer de knipperlichtunit.
OIA076040
OIA073041
Onderhoud
647
Vervanging van het hoog
gemonteerd remlichtlicht
Als het lampje niet werkt, raden we aan
om het systeem te laten nakijken door
een erkende HYUNDAI-verdeler.
Vervanging van het nummerplaat
verlichting
1. Verwijder de kentekenverlichting los
van de carosserie, eventueel m.b.v.
een platte schroevedraaier.
2. Verwijder de lamphouder en de lens
delen door de lamphouder linksom te
draaien, totdat de nokken op de hou-
der in lijn staan met de openingen in
de lens delen.
3. Verwijder de gloeilamp door het recht
uit te trekken.
4. Steek een nieuwe gloeilamp in de
houder.
5. Draai de lamp en fitting terug door met
de klok mee te draaien.
6. Monteer de knipperlichtunit.
OBA073022OBA073021
765
Onderhoud
Vervangen van de
binnenverlichtinglamp
1. Neem de binnenverlichting compleett
los uit de carosserie eventueel m.b.v.
een platte schroevendraaier en maak
de unit open.
2. Verwijder de gloeilamp door het recht
uit te trekken.
3. Installeer een nieuwe gloeilamp in de
houder.
4. Zet de lens in lijn met het uitsparing in
de carosserie enn klik de lens op zijn
plaats.
WAARSCHUWING
Voordat u werkt met de binnenver-
lichting verzeker u ervan dat de
“UIT” knop wordt ingedrukt om te
voorkomen dat uw vingers ver-
brandt.
VOORZICHTIG
Wees voorzichtig om de lens en
plastiek behuizingen niet vuil te ma-
ken of te beschadigen.
Kamerlamp
Dashboardkastje verlichting
Kofferbakverlichtinglamp
OIA073022/OBA073024/OBA073023
Onderhoud
667
ZORG VOOR DE CARROSSERIE
Onderhoud exterieur
Algemene waarschuwing exterieur
Het is zeer belangrijk om de gebruiks
aanwijzingen te volgen tijdens het geb-
ruik van (chemische) reiniger shampoo
of autowas. Lees altijd voor aanvang de
gebruiksaanwijzingen. Raadpleeg ook
de Erkend Reparateur.
Hogedruk reiniging
Bij het gebruik van hogedrukreinigers,
zorg ervoor om voldoende afstand te
houden van het voertuig.
Onvoldoende afstand of overmatige
druk kan leiden tot beschadiging van
onderdelen of het binnendringen van
water.
Spuit niet rechtstreeks met een hoge-
drukreiniger op de camera, de sen-
soren of hun omgeving. Druk door
water onder hoge druk kan ervoor zor-
gen dat het apparaat niet normaal
functioneert.
Breng de tip van het mondstuk niet te
dicht bij laarzen (rubber of plastiek
deksels) of connectors aangezien ze
kunnen beschadigd raken als ze in
contact komen met water onder hoge
druk.
Onderhoud van de lak
Het wassen
Om de lak van uw voertuig voldoende te
beschermen is het noodzakelijk de auto
regelmatig te waseen, minstens eenmaal
per maand.
Indien u uw voertuig gebruikt voor off-
road rijden moet de auto vaker gewassen
worden eventueel na iedere reis. Bes-
teedt specifieke aandacht aan de verwij-
dering van zout, vuil, modder en ander
vreemd materiaal. Verzeker u ervan dat
de afwateringsgaten in de lagere randen
van de deur schoon en vrij blijven.
Insecten, teer, boomsap, vogel uitwerp-
selen, industriële vervuiling of vergelijk-
baar vuil beschadigen de lak van uw
voertuig als deze niet onmiddellijk verwij-
derd worden.
Zelfs het direct wassen met enkel water
kan mogelijk niet alle vuil verwijderen.
Een goede autoshampoo, veilig voor
gebruik op gelakte oppervlaktes, kan
worden gebruikt.
Spoel de auto goed na met lauw of koud
water en laat geen zeep drogen op de
lak.
WAARSCHUWING -
Natte remmen
Na het wassen van het voertuig kan
er een weinig water in het remsys-
teem zijn achtergebleven. Gebruik
direct na het wassen van het voer-
tuig de remmen bij zeer langzaam
rijden. Houdt rekening met iets
minder remvertraging de eerste
keer na het wassen van de auto.
VOORZICHTIG
Gebruik geen sterke zeep, chemi-
sche oplosmiddelen of warm water
en was het voertuig niet in direct
zonlicht of als de carrosserie van
het voertuig warm is.
767
Onderhoud
Poetsen
Zorg voor het in de was zetten van de
carosserie dat deze schoon en droog is.
Gebruik een goede kwaliteit vloeibare of
vaste autowas en volg de gebruiksin-
structies van de fabrikant.
Het verwijderen van olie, teer en ver-gel-
ljkbare materialen zal gewoonlijk door
het gebruik van de autowas van de lak
worden verwijderd. Verzeker u ervan om
deze gebieden te poetsen.
Reparatie van het laksysteem
Diepe krassen of steeninslagen in de lak
moeten zo snel mogelijk gerepareerd
worden. Anders zal de lakschade al snel
snel gaan roesten waardoor de repara-
tiekosten flink op kunnen lopen.
AANDACHT
Indien uw voertuig is schade heeft opge-
lopen en er moeten carosseriedelen wor-
den vervangen, moeten de nieuwe caros-
serie delen behandeld worden met een
anti-corrosie middel.
VOORZICHTIG
Het wegvegen van stof of vuil op
de carosserie met een droge doek
zal krassen op de lak veroorza-
ken.
Gebruik geen staalwol, wasmid-
delen die alkaline of andere bij-
tende stoffen bevatten. Dit leidt
tot beschadiging van de bescher-
mingslaag en veroorzaakt verk-
leuring of veroudering van de lak.
VOORZICHTIG
Het wassen met water in de mo-
torruimte, inclusive het wassen
onder hoge druk, kan falen van
elektrische circuits veroorzaken.
Vermijd het contact van water en
andere vloeistoffen met elekt-
rische/elektronische componen-
ten in het voertuig, aangezien
schade kan veroorzaken.
OJB037800
Onderhoud
687
Onderhoud chroom en andere
metalen delen
Om wegenteer en insecten te verwijde-
ren, gebruik een teer remover, gebruik
geen schrapper of ander scherpe voor-
werpen.
Om de oppervlaktes van chroom of an-
dere metalen delen te beschermen te-
gen corrosie, moet een beschermlaag
van was of chroom conserveringsmid-
del worden aangebracht.
Tijdens winterweer of in kustgebieden,
is het aan te bevelen de chroom en an-
dere metalen delen van een stevigere
beschermlaag van was of conserve-
ringsmiddel te voorzien. Indien nodig,
laag de onderdelen met niet-corrosi-
eve vaseline of andere bescherming
compound.
Onderhoud van de onderzijde
Zout en zand gebruikt voor het ijs en
sneeuwvrij houden van de wegen kun-
nen ophopen aan de onderzijde van de
auto. Indien deze vervuiling niet verwij-
derd wordt, kan ernstige roestvorming
plaatsvinden op onderdelen aan de
onderzijde zoals de brandstof en remlei-
dingen, bodemplaat en uitlaatsysteem,
zelfs als ze behandeld zijn met roestbe-
scherming.
Spoel de onderkant van het voertuig en
de wielopeningen minimaal eenmaal per
maand, na elke off-road rit en aan het
einde van iedere winter. Besteedt vol-
doende aandacht aan de genoemde
delen omdat het moeilijk is om alle mod-
der en vuil te zien. De onderzijde van de
deuren, panelen en bodemdelen hebben
ventilatiegaten die niet verstopt mogen
raken met vuil; ingesloten water zullen
ernstige roestvorming veroorzaken.
Aluminium wielen onderhoud
De aluminium wielen zijn behandeld met
een blanke beschermingslak.
Gebruik geen agressieve reiniger,
staalwol, chemische oplossmiddel, of
staalborstel op aluminium wielen. Ze
veroorzaken krassen en beschadigen
in de laklaag.
Gebruik alleen goede shampoo en
borstel de velgen schoon met water.
Reinig ook de wielen schoon te maken
na het rijden in pekel wegenstrooizout.
Hiermee wordt corrosie voorkomen.
Gebruik geen zuur wasmiddel. Het zal
de aluminium wielen, met een blanke
beschermingslak beschadigen en of
aantasten.
WAARSCHUWING
Na het wassen van het voertuig kan
er een weinig water in het remsys-
teem zijn achtergebleven. Gebruik
direct na het wassen van het voer-
tuig de remmen bij zeer langzaam
rijden. Houdt rekening met iets
minder remvertraging de eerste
keer na het wassen van de auto.
769
Onderhoud
Bescherming tegen corrosie
Het beschermen van uw voertuig tegen
corrosie
Door de meest vooruitstrevende ontwerp
en montagetechnieken te gebruiken om
corrosie tegen te gaan, produceert Hyun-
dai Motor Company auto’s met de hoge
kwaliteit. Om een langdurige corrosie-
weerstand te verkrijgen de hulp van de
eigenaar vereist.
Algemene oorzaken van corrosie
De meest algemene oorzaken van corro-
sie op de auto zijn:
Wegenzout, vuil en vochtigheid die
zich aan de carosserie van de auto
hechten.
Beschadiging van het laksysteem of de
andere beschermlagen door steen-
slag, beschadigingen, (kleine) krassen
en deuken waardoor onbe-schermde
carosserie delen bloot worden gesteld
stellen aan corrosie.
Extra aandacht
Indien u in een gebied woont waar uw
auto regelmatig wordt blootgesteld aan
corrosive materialen, is de corrosie
bescherming nog belangrijker. Boven op
de normaal voorkomende oorzaken
komen daar de belasting bij van wegen-
zout, zeelucht en industriële vervuiling.
Vocht kan corrosie veroorzaken
Vocht creert de condities waaronder cor-
rosie het makkelijkst kan ontstaan.
Corrosie wordt bijvoorbeeld versneld
door een hoge vochtigheidgraad, vooral
wanneer temperaturen net boven het
vriespunt liggen. In zulke omstandighe-
den zal het vocht langzaam verdampen.
Vooral modder bevordert het ontstaan
van corossie omdat het heel langzaam
opdroogt en vocht invloed houdt de
carosseriedelen.
Hoge temperaturen kunnen ook corrosie
van onderdelen versnellen, vooral als de
(holle) niet of onvoldoende geventileerd
zijn. Om al deze redenen is het van groot
belang om uw auto schoon te houden.
Niet alleen de motor heeft onderhoud
nodig ook de carosserie zowel de lak als
de onderzijde vragen onderhoud. De Er-
kend HYUNDAI Reparateur zal u graag
adviseren voor het juiste onderhoud met
de juiste producten.
Onderhoud
707
Om corrosie te helpen voorkomen
U kunt corrosie helpen voorkomen door
het volgende in acht te nemen:
Hou uw auto schoon
De beste manier om corrosie te helpen
voorkomen is om uw auto schoon te hou-
den en regelmatig te wassen. Aandacht
voor de onderzijde van de auto is ook
belangrijk.
Indien u in een gebied woont — waar
wegenzout wordt gebruikt, dicht bij de
oceaan, gebieden met industriële ver-
vuiling, zure regen enz. — moet u extra
zorg nemen om corrosie te voor-ko-
men. Maak tijdens de winter de onder-
zijde van uw auto vaker schoon, ten-
minste een keer per maand en contro-
leer of de onderzijde volledig sc-hoon-
gemaakt is als de winter voorbij is.
Besteedt tijdens het schoonmaken van
de onderzijde van de auto specifieke
aandacht aan wielkasten en andere
gebieden die uit het zicht zijn. Werk
nauwkeurig; het alleen bevochtigen
van de opgehoopte modder in plaats
van het weg te wassen zal de ro-est-
vorming versnellen in plaats van het te
voorkomen. Water onder hoge druk en
stoom zijn vooral effectief bij het ver-
wijderen van opgehoopte modder en
andere vervuilende stoffen.
Controleer ook tijdens het schoonma-
ken van de deurpanelen en “chassis”
delen dat ventilatiegaten open blijven
zodat vocht (ige lucht) kan ontsnap-
pen.
Houdt de garage droog
Parkeer uw auto niet in een vochtige,
slecht geventileerde garage. Dit creert
een gunstige omgeving voor corrosie. Zo
een klimaat ontstaat als u de auto in de
garage wast of de garage in rijdt wanneer
de auto nog nat is of bedekt met sneeuw,
ijs of modder. Zelfs een verwarmde ga-
rage kan bijdragen aan corrosie behalve
als de garage goed geventileerd is.
Houdt de lak in goede conditie
Krassen en lakschade in de afwerkking
moeten zo snel mogelijk worden gerepa-
reerd met "touch-up" verf om de mo-
gelijkhied op corrosie te verminderen. Wij
raden aan u dat juiste reparatiemethode
worden uitgevoerd door een Erkend
HYUNDAI Verdeler.
Vogelpoep: Vogelpoep is zeer corrosief
en kan lakoppervlakken beschadigen in
een zeer korte tijd. Verwijder daarom de
vogelpoep zo snel mogelijk.
Het interieur
Vocht kan worden meegenomen in de
auto en altijd vochtige vloermatten en ta-
pijten veroorzaken roestvorming. Contro-
leer periodiek onder de vloermatten dat
de vloer droog is.
Als roestbevorderend materiaal met de
auto wordt vervoerd is het raadzaam dit
alleen te doen in een goede verpakking.
771
Onderhoud
Onderhoud interieur
Algemene voorzorgsmaatregelen
interieur
Voorkom dat bijtende oplossingen zoals
parfum en cosmetische oliën in contact
komen met de dashboardmateriaal om-
dat ze schade of verkleuring kunnen ver-
oorzaken. Veeg deze onmiddelijk weg
voor dat ze in contact komen met de
dashboarddelen.
Het schoonmaken van het interieur
Vinyl
Verwijder stof en los vuil met een stofzu-
iger. Maak vinyl oppervlaktes schoon met
een goede vinyl reiniger.
Stof
Verwijder stof en los vuil met een zachte
stoffer of stofzuiger. Maak schoon met
een milde zeepoplossing aanbevolen vo-
or bekleding of tapijten. Verwijder verse
vlekken onmiddellijk met een bekleding
vlekreiniger. Volg altijd de gebruiksaan-
wijzingen van de leverancier.
Het schoonmaken van de
veiligheidsgordel
Maak de gordelband schoon met een
milde zeepoplossing aanbevolen voor
het schoonmaken van tapijt. Volg de geb-
ruiksinstructies. Gebruik geen agressieve
middelen, deze kunnen een negatieve
invloed hebben op de sterkte van de gor-
dels.
Het schoonmaken van de binnenzijde
van de ruiten
De buiten en de binnenzijde van de rui-
ten moeten worden schoongemaakt met
een goede glasreiniger.
VOORZICHTIG
Vermijd het contact van water en
andere vloeistoffen met elektrisc-
he/elektronische componenten in
het voertuig, aangezien schade kan
veroorzaken. VOORZICHTIG
Het gebruiken van iets anders dan
de aanbevolen reinigers en proce-
dures kunnen het uiterlijk en brand-
werende kenmerken van de mate-
rialen aantasten.
VOORZICHTIG
Wees voorzichtig met het reiningen
van de binnenzijde van achterruit
i.vm. de achterruitverwarming.
Onderhoud
727
EMISSIE CONTROLESYSTEEM
Het emissiecontrolestysteem van de
auto zorgt ervoor dat de auto voldoet aan
de strenste eisen van de overheid. Ge-
detailleerde garantie-informatie wordt
verstrekt in uw Service en Garantiebo-
ekje.
Ook uw voertuig is uitgerust met een
emissie controlesysteem om aan alle
voorschriften te kunnen.
Er zijn drie emissie controlesystemen, bij
uw auto toegepast deze zijn als volgt.
(1) Carteremissie controlesysteem
(2) Verdampingsemissie controlesyteem
(3) Uitlaat emissie controlesysteem
Om het juiste functioneren van de emis-
sie controlesystemen te verzekeren,
wordt aangeraden uw auto te laten on-
derhouden en repareren door een Er-
kend HYUNDAI Reparateur in overeen-
stemming met het onderhoudsschema in
deze handleiding.
Om te voorkomen dat het voertuig
schade oploopt tijdens het testen
op de rollentester moet het (Elektro-
nische Stabiliteit Controle (ESC) uit-
geschakeld worden.
1. Carteremissie controlesysteem
Het positieve carter ventilatiesysteem
wordt gebruikt om luchtvervuiling te vo-
orkomen, veroorzaakt door de (olie)
dampen die uitgestoten worden uit de
motor. Dit systeem zorgt voor vers gefil-
terde lucht naar de carter door de luch-
tinnameslang. In het carter mengt de
verse lucht met blow-by gassen, die dan
door de PVC ventiel gaan naar de ver-
brandingsruimte van de motor.
2. Verdampingsemissie
controlesyteem
Het Verdampingsemissie Controle sys-
teem is ontworpen om te voorkomen dat
brandstofdampen in de atmosfeer ko-
men.
Filter
Brandstofdampen die ontstaan in de
brandstoftank worden geabsorbeerd en
opgeslagen in de filter. Wanneer de mo-
tor draait, worden de geabsorbeerde
dampen vanuit de filter naar de verbran-
dingsruimte geleid via een dampafzuig-
solenoïdeklep.
Dampafzuigsolenoïdeklep (PCSV)
De dampafzuigsolenoïdeklep, via elek-
tromagetisch ventiel wordt gestuurd door
de Motor Controle Module (ECM); als de
wanneer de motortermperatuur laag is
tijdens het stationair draaien, gaat de
PCSV dicht zodat de verdampte brand-
stof niet in de motor wordt opgenomen.
Zodra de motor warm is opent, tijdens
normaal rijden, de PCSV om de ver-
dampte brandstof door te laten naar de
verbrandingsruimte van motor.
773
Onderhoud
3. Uitlaat emissie
controlesysteem
Het Uitlaat Emissie Controlesysteem is
een zeer effectief systeem die de uitlaat-
gassen controleert en daarbij de voertuig
prestaties worden gewaarborgd.
Voertuig aanpassingen
Het voertuig mag niet worden aange-
past. Aanpassing van uw voertuig zal de
prestaties en eventueel de veiligheid of
duurzaamheid aantasten. Mogelijk wor-
den zelfs overheidsveilig-heids- en emis-
siewetten overtreden.
Schade of prestatieproblemen veroor-
zaakt door om het even welke aanpas-
sing worden bovendien niet gedekt door
de garantievoorschriften.
Motor uitlaatgas voorzorgsmaatrege-
len (koolmonoxide)
Koolmonoxide is een van de delen die
aanwezig zijn in de uitlaatgassen. Als
u uitlaatgassen van welke soort dan
ook ruikt in uw voertuig laat dit dan on-
middellijk controleren en repareren.
Als u uitlaatgassen van welke soort
dan ook ruikt in uw voertuig laat dit dan
onmiddellijk controleren en repareren.
Laat de motor niet draaien in beperkte
of afgesloten ruimtes (zoals garages)
meer dan wat nodig is om het voertuig
in of uit te rijden.
Wanneer het voertuig wordt gestopt in
een open gebied voor met een draai-
ende motor let dan op dat het ventuila-
tiesysteem goed afgesteld is om te
voorkomen dat er uitlaatgassen in de
autokomen.
Blijf niet in een geparkeerd voertuig
voor een langere periode met draai-
ende motor.
Wanneer de motor niet aanslaat kun-
nen herhaalde pogingen om de motor
te herstarten schade veroorzaken aan
het emissie controlesysteem.
WAARSCHUWING -
Uitlaat
Motor uitlaatgassen bevatten kool-
monoxide (CO). Hoewel kleur- en
geurloos, is het gevaarlijk en kan
het dodelijk zijn bij inademing.
Volg de instructies op deze pagina
om CO vergiftiging te voorkomen.
Onderhoud
747
Voorzorgsmaatregelen voor katalysa-
toren (indien van toepassing)
Uw voertuig is uitgerust met een ka-taly-
sator emissie controlesysteem.
Daarom moeten de volgende instructies
in acht worden genomen:
Gebruik alleen ONGELOOD BRAND-
STOF.
Rijdt niet wanneer er signalen waar-
neembaar zijn van motorstoring, zoals
overslaan of opmerkelijk prestatiever-
lies.
Misbruik de motor niet. Voorbeeld van
misbruik zijn het vrij laten lopen, even-
tueel bergafwaarts met de de mo-tor
uit en contact aan.
Laat de motor niet op hoog toerental
draaien voor een langere perioden (5
minuten of meer).
Verander of demonteer geen enkel de-
el van de motor of emissie controle-
systeem. Wij raden aan om het sys-
teem te laten geïnspecteerd door een
erkende HYUNDAI verdeler.
Voorkom rijden met een extreem laag
brandstofniveau.
Dit kan veroorzaken dat de motor te
weinig brandstof krijgt en overslaat wat
leidt tot extra belasting van de kataly-
sator.
Het niet opvolgen van deze voorzorgs-
maatregelen zal leiden tot schade aan de
katalysator en of aan uw voertuig.
WAARSCHUWING -
Brand
Door een heet uitlaatsysteem kan
brand ontstaan als brandbare stof-
fen onder de auto aanwezig zijn.
Rijd niet, parkeer niet of laat de
motor niet stationair draaien boven
ontvlambare materialen, zoals gras,
droge planten, papier, bladeren
enz.
Specificaties & Informatie voor de klant
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-2
Airconditioningsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-2
Motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-2
Gloeilamp vermogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-3
Banden en wielen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-4
Belasting en snelheid capaciteit branden. . . . . . . . 8-4
Bruto Asgewicht Kwalificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-5
Bagagevolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-5
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheid . . . . . 8-6
Aanbevolen SAE visositeit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-8
Voertuig Identificatienummer (VIN) . . . . . . . . . . . 8-9
Voertuig certificaatlabel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-9
Bandenspecificatie en spanningstabel . . . . . . . . . 8-10
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-10
Compressorlabel air conditioning . . . . . . . . . . . . 8-10
Label e-markering (Voor Europa) . . . . . . . . . . . . 8-11
Koudemiddel label . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8-11
Verklaring van overeenstemming. . . . . . . . . . . . . 8-11
8
Specificaties & Informatie voor de klant
28
AFMETINGEN
Onderwerp mm (in)
Totale lengte 3665 (144.3)
Totale breedte 1660 (65.4)
Totale hoogte 1500 (59.1)
Spoorbreedte
voor
1491 (58.7) *1/1467 (57.8)*2/
1455 (57.3)*3
Spoorbreedte
achter
1504(59.2)*1/1480(58.3 )*2/
1468(57.8)*3
Wielbasis 2385 (93.9)
*1: 155/70R13 (4.5JX13)
*2: 175/65R14 (5.5JX14)
*3: 185/55R15 (6.0JX15)
Voor meer informatie, raden we aan om contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-verdeler.
MOTOR
Onderwerp 1.0 Kappa 1.2 Kappa
Verschuiving cc
(cu. in) 997 (60.84) 1,248 (76.15)
Gat x slag mm
(in.)
71.0x84.0
(2.8x3.3)
71.0x78.8
(2.8x3.1)
Startvolgorde 1-2-3 1-3-2-4
Aantal cilinders 34
Onderwerp Gewicht van volume Classificatie
Koudemiddel 400±25g R134a
R-1234yfa
Compressor smeermiddel 100g PAGoile
AIRCONDITIONINGSYSTEEM
83
Specificaties & Informatie voor de klant
GLOEILAMP VERMOGEN (WATT)
* : indien van toepassing
Licht gloeilamp Watt
Koplampen (Dim/groot) 60/55
Voor-richtingaanwijzerlampen 21
Positielampje 5
Dagverlichting, Daytime running light
(Lamptype)* 21
Dagverlichting, Daytime running light
(LED-type)*
LED (1W voor
elk)
Vervanging van de Zijrichtingaanwijzers* 5
Voor-mistlampen* 51
Achter-mistlamp* 21
Stop en achterlamp 21/5
Achter-richtingaanwijzerslamp 21
Achteruitrijlichtlamp 16
Hoog gemonteerd remlichtlicht* 5
Nummerplaatverlichtinglamp 5
Kamerlampen 8
Kofferbakverlichtinglamp* 8
Dashboardkastje verlichting* 5
Specificaties & Informatie voor de klant
48
BANDEN EN WIELEN
Onderwerp Bandenmaat Velgmaat
Bandenspanning kPa (psi) Aanhaalmoment
wielmoeren
kg•m (lb•ft, N•m)
Normale belasting Maximale belasting
Voor Achter Voor Achter
Standaardband
155/70R13 4.5JX13 250 (36) 250 (36) 250 (36) 250 (36)
9~11
(65~79,88~107)
175/65R14 5.5JX14 220 (32)
250 (36)*
220 (32)
250 (36)*
230 (33)
250 (36)*
240 (34)
250 (36)*
185/55R15 6.0JX15 220 (32) 220 (32) 230 (33) 240 (34)
Tijdelijke band T115/70D15 3.5JX15 410 (60) 410 (60) 410 (60) 410 (60)
* Is van toepassing op MSTA Bandenspanning.
AANDACHT
Het is toegestaan om 20 kPa (3 psi) aan de standaard bandenspanning specificatie toe te voegen als er kortelings koudere tem-
peraturen verwacht worden. Banden verliezen meestal 7 kPa (1 psi) voor elke 7°C (12°F) temperatuurdaling. Als er extreme
temperatuursverschillen verwacht worden, controleer dan indien nodig opnieuw uw bandendruk om ze op een juiste spanning
te houden.
Een luchtdruk neemt over het algemeen af, wanneer u naar een gebied op een grote hoogte boven het zeeniveau rijdt. Dus,
als u van plan bent om te rijden in een gebied op grote hoogte, controleer dan op voorhand de bandendruk. Indien nodig,
plaats de spanning op een juist niveau (Opblazen per stand +10 kPa/1 km (+2.4 psi/1 mijl).
85
Specificaties & Informatie voor de klant
BRUTO ASGEWICHT KWALIFICATIE
5 zitter 1.0 MT 1.0 AT 1.2 MT 1.2 AT
G.V.W
Kg (lbs.)
1420
(3130)
1440
(3174)
1450
(3196)
1455
(3207)
Onderwerp 5 zitter
VDA MIN. 252 l(8.9 cu ft)
MAX. 1046 l(49.65 cu ft)
Min: Achter achterste zitting naar bovenste rand van
de rug van de zitting.
Max: Achter voorste zitting tot dak.
BAGAGEVOLUME
Onderwerp Bandenmaat Velgmaat Laadvermogen Snelheidsvermogen
LI kg SS km/h
Bandenmaat
155/70R13 4.5JX13 75 387 T 190
175/65R14 5.5JX14 86 530 T 190
185/55R15 6.0JX15 86 530 H210
Tijdelijke band T115/70D15 3.5JX15 90 600 M120
BELASTING EN SNELHEID CAPACITEIT BRANDEN
LI : LADINGINDEX
SS : SNELHEIDSSYMBOOL
Specificaties & Informatie voor de klant
68
AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN INHOUD
Gebruik alleen smeermiddelen van de juiste kwaliteit, dit komt de auto, de prestaties en de duurzaamheid ten goede. De juiste
smeermiddelen helpen ook om de effectiviteit van de motor te optimaliseren wat leidt tot een beter brandstofverbruik.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw voertuig.
Smeermiddel Hoeveelheid Classificatie
Motorolie verversen *1 *2 *3
(afvoer en hervullen) Benzine-
motor 1.0L/1.2L 3.0 l (1.0L)/
3.6 l (1.2L)
Voor Europe
API Service SM of meer, ACEA A5 of meer
Uitgezonderd Europa
API Service SL of meer, ILSAC GF-4
Handmatige geschakelde
versnellingsbakolie
Benzine-
motor 1.0L/1.2L 1.9 ~ 2.0 l
(2.0 ~ 2.1 US qt.)
API Service GL-4, SAE 70W
(HYUNDAI originele versnellingsbakolie)
Automatische versnellings-
bakolie
Benzine-
motor 1.0L/1.2L 5.7 l (6.02 US qt.)/
6.1 l (6.44 US qt.) DIAMOND ATF SP-III, SK ATF SP-III
Koelvloeistof Benzine-
motor
1.2L - M/T 5.3 l (5.6 US qt.)
Mengsel van antivries en water
(Ethylene glycol basis koelvloeistof
voor aluminum radiator)
1.2L - A/T 5.2 l (5.49 US qt.)
1.0L - M/T 4.9 l (5.17 US qt.)
1.0L - A/T 4.8 l (5.07 US qt.)
Rem/koppelingsvloeistof 0.7~0.8 l
(0.7~0.8 US qt.) FMVSS116 DOT-3 of DOT-4
Brandstof 40 l(10.5 US gal.) -
87
Specificaties & Informatie voor de klant
*1Raadpleeg de aanbevolen SAE viscositeitsindex op de volgende pagina.
*2Motor olieen op basis van “Energy Conserving Oil” zijn nu verkrijgbaar. Deze kunnen bijdragen aan het brandstofverbruik door
de hoeveelheid brandstof te verminderen. Deze verbeteringen zijn vaak moeilijk te meten in het dagelijks verkeer, maar op een
langere termijn kunnen ze energiebesparingen realiseren.
*3Wij raden aan u gebruik motorolie die overeenkomt met de door HYUNDAI Motor Company opgegeven specificaties. Raden we
u aan een erkende HYUNDAI verdeler te raadplegen voor meer informatie.
Specificaties & Informatie voor de klant
88
Aanbevolen SAE visositeit Motorolie viscositeit (dikte) heeft effect
op het brandstofverbruik en de werking
bij koud weer, denk aan motor en vlo-
eibaarheid van de motorolie. Lagere vis-
cositeit (motor)olie kan een beter brand-
stofverbruik verschaffen en betere koud-
weerprestatie, echter hogere viscositeit
(motor)olie is vereist voor een goede
smeering bij hogere temperaturen.
Het gebruik van (motor)olie met een vis-
cositeit anders dan wat wordt aanbev-
olen kan leiden tot motorschade. Bij het
kiezen van een olie wordt rekening geho-
uden met de omgeving waar het voertuig
rijdt. Als langdurig in een andere omgev-
ing wordt gereden is het aanbevolen om
de keuze van de motorolie aan te pas-
sen. Zie ook de tabel.
VOORZICHTIG
Reinig altijd de omgeving van de
olievuldop en de peilstok voor het
controleren of bijvullen van de olie.
Dit is vooral belangrijk in een stof-
fige of zanderige omgeving of wan-
neer het voertuig wordt gebruikt op
onverharde wegen. Het schoon-
maken van de omgeving van de vul-
dop en de peilstok voorkomt dat
vuil en zand in de motor of andere
mechanismen valt, waardoor de
motor beschadigd kan worden.
Temperatuurbereik voor SAE Viscositeit Nummers
Temperatuur
Benzinemotorolie *1
(Voor Europa)
°C
(°F)
-30 -20 -10 0 10 20 30 40 50
-10 0 20 40 60 80 100 120
*1. Voor beter brandstofverbruik wordt het aanbevolen om de motorolie te gebruikenn met een
viscositeitsgraad SAE 5W-30 (API SM / ACEA A5).
*2. Voor beter brandstofverbruik wordt het aanbevolen om de motorolie te gebruikenn met een
viscositeitsgraad SAE 5W-20 (API SM / ILSAC GF-4). Indien de motorolie echter niet verkri-
jgbaar is in uw land, selecteer de juiste motorolie met gebruikmaking van de motorolie vis-
cositeit tabel.
*3. In het Midden-Oosten gebruikt u geen motorolie met een viscositeit van SAE 5W-20.
0W-40, 5W-30, 5W-40
Benzinemotorolie *2
(Uitgezonderd
Europa)
20W-50
10W-30
15W-40
5W-20*3, 5W-30
89
Specificaties & Informatie voor de klant
VOERTUIG IDENTIFICATIENUMMER (VIN)
Het voertuig identificatienummer (VIN) is
het chassisnummernummer en wordt
gebruikt voor het registreren van uw auto
in alle juridische zaken met betrekking tot
eigenaarschap enz.
Het getal is onder de passagiersstoel (of
bestuurder’s) ingeslagen.
Het VIN bevindt zich ook op een plaatje
aan de bovenzijde van het dashboard.
Het nummer op het plaatje kan een-
voudig via de voorruit van buitenaf wor-
den gezien.
Het VIN (Vehicle Identification Number;
chassisnummer) staat op het certificaat-
label op de middenstijl aan de bestuur-
ders- of passagierszijde.
VOERTUIG TYPEPLAAT
OPB089001
Type A
OBA083001
Type B
OBA083002
Specificaties & Informatie voor de klant
108
De banden die op uw voertuig zijn
gemonteerd, zijn gekozen om de beste
prestatie te leveren voor normaal rijden.
De tabel is geplaatst op de centrale stijl
aan de bestuurderszijde geeft de ban-
dendruk aanbevolen voor uw auto.
Het motornummer is ingeslagen op de
motorblok zoals getoond in de tekening. Een compressorlabel geeft u informatie
over het compressortype waarmee uw
wagen is uitgerust, zoals het model, het
onderdeelnummer van de leverancier,
het productienummer, het koelmiddel (1)
en de koelolie (2).
OBA073010
BANDEN SPECIFICATIE EN
SPANNINGSTABEL
OHC081001
COMPRESSORLABEL AIR
CONDITIONING
MOTORNUMMER
OPB089005
811
Specificaties & Informatie voor de klant
Een E-mark label bevindt zich op de mid-
denstijl aan de zijde van de voorpassa-
gier. Het label certificeert dat uw wagen
voldoet aan de ECE Veiligheids-/milieu-
reglementering.
Het bevat de volgende informatie:
Landcode
Regulatienummer
Nummer amendement regulering
Goedkeuringsnummer
De koudemiddel label is geplaatst voor in
het de motorruimte. De radiofrequentiecomponenten van het
voertuig voldoen aan de eisen en andere
desbetreffende bepalingen van de richtli-
jn 1995/5/EG.
Meer informatie, met inbegrip van de
verklaring van overeenstemming van de
fabrikant is beschikbaar op de volgende
HYUNDAI website;
http://service.hyundai-motor.com
OIA083002
LABEL E-MARKERING
(VOOR EUROPA) (INDIEN
VAN TOEPASSING)
VERKLARING VAN
OVEREENSTEMMING
KOUDEMIDDEL LABEL
OIA083004 CE0678
Voorbeeld
394


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Hyundai i10 IA 2017 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Hyundai i10 IA 2017 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 8.24 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info