657691
9
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/68
Next page
GPSMAP
®
7400/7600 serie
Gebruikershandleiding
© 2014–2017 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van Garmin. Garmin
behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of
organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin
®
, het Garmin logo, BlueChart
®
, g2 Vision
®
, GPSMAP
®
, FUSION
®
, Ultrascroll
®
en VIRB
®
zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde
Staten en andere landen. Fantom
, FUSION-Link
, Garmin Helm
, Garmin LakeVü
, Garmin Nautix
, Garmin Quickdraw
, GCV
, GMR
, GRID
, GXM
, HomePort
, MotionScope
,
Panoptix
, quatix
®
, Shadow Drive
en SmartMode
zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de
uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
iPod
®
is een handelsmerk van Apple Inc., geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. Android
is een handelsmerk van Google
Inc. CZone
is een handelsmerk van Power
Products, LLC. FLIR
®
is een geregistreerd handelsmerk van FLIR Systems, Inc. SiriusXM
®
is een geregistreerd handelsmerk van SiriusXM Radio Inc. WiFi
®
is een geregistreerd merk van Wi-Fi
Alliance Corporation. Windows
®
is een geregistreerd handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en andere landen. Andere handelsmerken en auteursrechten zijn eigendom
van hun respectieve eigenaars.
Inhoudsopgave
Inleiding........................................................................... 1
Overzicht van het toestel............................................................ 1
Het aanraakscherm gebruiken............................................... 1
Schermknoppen..................................................................... 1
Tips en snelkoppelingen........................................................ 1
Het aanraakscherm vergrendelen..........................................1
Gebruikershandleidingen openen op de kaartplotter.................. 1
De handleidingen downloaden................................................... 1
Meer informatie........................................................................... 1
Een geheugenkaart plaatsen...................................................... 1
Geheugenkaarten plaatsen........................................................ 2
Software-update......................................................................... 2
De nieuwe software op een geheugenkaart laden................ 2
De software van het toestel bijwerken................................... 2
GPS-satellietsignalen................................................................. 2
De GPS-bron selecteren........................................................ 2
De kaartplotter aanpassen............................................ 2
Startscherm................................................................................ 2
Een item toevoegen aan favorieten....................................... 3
Pagina's aanpassen................................................................... 3
De lay-out van een SmartMode pagina of combinatiepagina
aanpassen............................................................................. 3
Een SmartMode lay-out toevoegen....................................... 3
Een aangepast combinatiescherm toevoegen....................... 3
De gegevensoverlays aanpassen.......................................... 3
Lay-out van stations resetten................................................. 3
Voorinstellingen.......................................................................... 3
Een nieuwe voorinstelling opslaan........................................ 4
Voorinstellingen beheren....................................................... 4
Het type boot instellen................................................................ 4
De schermverlichting aanpassen................................................4
De kleurmodus aanpassen......................................................... 4
Kaarten en 3D-kaartweergaven..................................... 4
Navigatiekaart en buitengaatse viskaart..................................... 4
In- en uitzoomen met het aanraakscherm............................. 4
Een kaart selecteren.............................................................. 5
Een afstand op de kaart meten.............................................. 5
Kaartsymbolen....................................................................... 5
Een via-punt op de kaart maken............................................ 5
Informatie over locaties en objecten op een kaart
weergeven............................................................................. 5
Details over navigatiekenmerken weergeven........................ 5
Navigeren naar een punt op de kaart.................................... 5
Koerslijn en hoekmarkeringen............................................... 5
De voorliggende-koerslijn en koers-over-de-grondlijn
(COG) instellen................................................................. 5
Hoekmarkeringen inschakelen.......................................... 6
Premiumkaarten......................................................................... 6
Informatie van een getijdenstation weergeven...................... 6
Bewegende indicaties voor getijden en stromingen.......... 6
Indicaties voor getijden en stromingen weergeven........... 6
Satellietbeelden op de navigatiekaart weergeven................. 6
Luchtfoto's van oriëntatiepunten weergeven......................... 7
Automatic Identification System..................................................7
Symbolen van AIS-doelen..................................................... 7
Voorliggende koers en geprojecteerde koers van
geactiveerde AIS-doelen
........................................................7
AIS en MARPA schepen op een kaart of een 3D-
kaartweergave weergeven..................................................... 7
Een doel voor een AIS-schip activeren.................................. 8
Informatie over een gevonden AIS-schip bekijken............ 8
Een doel voor een AIS-schip deactiveren......................... 8
Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven................ 8
Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen
................. 8
AIS-noodsignaal.....................................................................8
Navigeren naar een noodsignaal-uitzending.................... 8
Symbolen voor zoeken van AIS-noodsignaaltoestel......... 8
AIS-uitzendingen met testwaarschuwingen
inschakelen....................................................................... 8
AIS-ontvangst uitschakelen................................................... 8
Instellingen kaart en 3D-kaartweergave..................................... 8
Navigatiekaart- en viskaartinstellingen.................................. 9
Instellingen voor via-punten en sporen op de kaarten en
kaartweergaven..................................................................... 9
Instellingen kaartweergave.................................................... 9
Instellingen voor andere schepen op de kaarten en
kaartweergaven................................................................... 10
Leylijninstellingen................................................................. 10
Instellingen voor Fish Eye 3D.............................................. 10
Garmin Quickdraw™ Contours kaarten..................... 10
Water in kaart brengen met de functie Garmin Quickdraw
Contours................................................................................... 10
Een label toevoegen aan een Garmin Quickdraw Contours
kaart.......................................................................................... 11
Garmin Quickdraw Community................................................. 11
Toegang krijgen tot de Garmin Quickdraw Community....... 11
Uw Garmin Quickdraw Contours kaarten delen met de
Garmin Quickdraw Community............................................ 11
Downloaden van Garmin Quickdraw Community kaarten... 11
Garmin Quickdraw Contours instellingen................................. 11
Navigatie met een kaartplotter.................................... 12
Elementaire navigatievragen.................................................... 12
Bestemmingen.......................................................................... 12
Bestemming zoeken op naam............................................. 12
Een bestemming selecteren op de navigatiekaart............... 12
Zoeken naar een watersportdienstbestemming................... 12
Stoppen met navigeren........................................................ 12
Via-punten................................................................................ 12
Uw huidige positie als waypoint markeren........................... 12
Een via-punt op een andere positie maken......................... 12
Een SOS-locatie markeren.................................................. 13
Een lijst met alle waypoints weergeven............................... 13
Een opgeslagen waypoint bewerken................................... 13
Een opgeslagen waypoint verplaatsen................................ 13
Naar een opgeslagen waypoint zoeken en navigeren......... 13
Een waypoint of MOB verwijderen....................................... 13
Alle waypoints verwijderen...................................................13
Een directe koers instellen en volgen met behulp van Ga
naar...................................................................................... 13
Routes...................................................................................... 13
Een route vanaf uw huidige locatie maken en navigeren.... 13
Een route maken en opslaan............................................... 14
Een lijst met routes en Auto Guidance routes weergeven... 14
Een opgeslagen route bewerken......................................... 14
Naar een opgeslagen route zoeken en navigeren............... 14
Naar een opgeslagen route zoeken en parallel aan deze
route navigeren
.................................................................... 14
Een opgeslagen route verwijderen...................................... 14
Alle opgeslagen routes verwijderen..................................... 14
Auto Guidance.......................................................................... 15
Een Auto Guid. route instellen en volgen............................ 15
Een Auto Guid. route maken en opslaan............................. 15
Een opgeslagen Auto Guid. route wijzigen.......................... 15
De uitvoering van een Auto Guid. berekening annuleren.... 15
Een getimede aankomst instellen........................................ 15
Configuraties van Auto Guidance routes............................. 15
De afstand ten opzichte van de kust aanpassen............ 15
Sporen...................................................................................... 16
Sporen weergeven............................................................... 16
Inhoudsopgave i
De kleur van het actieve spoor instellen.............................. 16
Het actieve spoor opslaan................................................... 16
Een lijst met opgeslagen sporen weergeven....................... 16
Een opgeslagen spoor bewerken........................................ 16
Een spoor opslaan als route................................................ 16
Naar een opgeslagen spoor zoeken en navigeren.............. 16
Een opgeslagen spoor verwijderen..................................... 16
Alle opgeslagen sporen verwijderen.................................... 16
Het actieve spoor volgen in tegengestelde richting............. 16
Het actieve spoor wissen..................................................... 17
Het spoorloggeheugen beheren tijdens het opslaan........... 17
Het opslaginterval van het spoorlog configureren............... 17
Grenzen.................................................................................... 17
Een grens maken................................................................. 17
Een route omzetten in een grens......................................... 17
Een spoor omzetten in een grens........................................ 17
Een grens bewerken............................................................ 17
Een grensalarm instellen..................................................... 17
Een grens verwijderen......................................................... 17
Gebruikersgegevens synchroniseren op het Garmin Marine
Network.....................................................................................17
Alle opgeslagen waypoints, routes en sporen verwijderen....... 17
Zeilfuncties................................................................... 18
Het type boot instellen.............................................................. 18
Zeilrace..................................................................................... 18
Startlijnbegeleiding...............................................................18
De startlijn instellen......................................................... 18
De startlijnbegeleiding gebruiken.................................... 18
De racetimer starten............................................................ 18
De racetimer stoppen...........................................................18
De afstand tussen de boeg en de GPS-antenne instellen... 18
Leylijninstellingen......................................................................18
De kielcorrectie instellen........................................................... 18
Bediening van de stuurautomaat op een zeilboot.................... 19
Vaste windsturing.................................................................19
Het type vaste windsturing instellen................................ 19
Vaste windsturing inschakelen........................................ 19
Vaste windsturing inschakelen vanuit een vaste
voorliggende koers.......................................................... 19
De hoek voor vaste windsturing met de stuurautomaat
aanpassen
.......................................................................19
Overstag gaan en gijpen...................................................... 19
Overstag gaan en gijpen vanuit een vaste voorliggende
koers............................................................................... 19
Overstag gaan en gijpen vanuit een vaste
windsturing
...................................................................... 19
Een overstag-/gijpvertraging instellen............................. 19
De gijpbegrenzer inschakelen......................................... 19
Echolood....................................................................... 20
Echoloodweergaven................................................................. 20
Traditioneel echoloodweergave........................................... 20
Garmin ClearVü echoloodweergave.................................... 20
SideVü echoloodweergave.................................................. 20
SideVü scanning-technologie......................................... 20
Gesplitst zoomscherm voor echoloodweergave.................. 21
Gesplitst frequentiescherm voor echoloodweergave........... 21
Panoptix echoloodweergaven.............................................. 21
LiveVü Down echoloodweergave.................................... 21
LiveVü Forward echoloodweergave................................ 21
RealVü 3D Forward echoloodweergave......................... 21
RealVü 3D Down echoloodweergave............................. 21
RealVü 3D historische echoloodwaargave..................... 21
FrontVü echoloodweergave............................................ 22
De echoloodweergave veranderen...................................... 22
Het transducertype selecteren.................................................. 22
Het kompas kalibreren......................................................... 22
Een via-punt maken in het echoloodscherm
............................ 22
Afstanden meten op het echoloodscherm................................ 22
De weergave van echoloodgegevens pauzeren...................... 22
Echoloodgeschiedenis weergeven........................................... 22
Echoloodgegevens delen......................................................... 22
Een echoloodbron selecteren.............................................. 23
Naam van een echoloodbron wijzigen................................. 23
Het detailniveau aanpassen..................................................... 23
De kleurintensiteit aanpassen.................................................. 23
Het bereik van de diepte- of breedteschaal aanpassen........... 23
Het zoomniveau instellen op het echoloodscherm................... 23
De schuifsnelheid instellen....................................................... 23
Echoloodfrequenties................................................................. 24
Frequenties selecteren........................................................ 24
Een frequentievoorinstelling maken..................................... 24
De Panoptix echoloodweergaven aanpassen.......................... 24
De presentatie van LiveVü echoloodweergaven
aanpassen........................................................................... 24
De zendhoek van de LiveVü transducer instellen................ 24
Kijkhoek en zoomniveau van RealVü aanpassen................ 24
De presentatie van RealVü echoloodweergaven
aanpassen
........................................................................... 24
De RealVü zwaaisnelheid aanpassen................................. 25
De a-scope inschakelen........................................................... 25
Het transducertype selecteren.................................................. 25
Echoloodinstelling..................................................................... 25
Echoloodinstellingen............................................................ 25
RealVü echoloodinstellingen............................................... 25
LiveVü echoloodinstellingen................................................ 25
Instellingen voor ruisonderdrukking..................................... 25
Instellingen voor echoloodweergave................................... 26
Instellingen voor echoloodwaarschuwingen........................ 26
Geavanceerde echoloodinstellingen.................................... 26
Instellingen voor installatie van transducer.......................... 26
Echoloodopnamen.................................................................... 27
De weergave van echoloodgegevens opnemen.................. 27
De echoloodopname stoppen.............................................. 27
Een echoloodopname verwijderen...................................... 27
Echoloodopnamen afspelen................................................ 27
Radar............................................................................. 27
Radarmodus wijzigen............................................................... 27
Radiosignalen uitzenden.......................................................... 27
Het uitzenden van radarsignalen stopzetten....................... 27
De modus Gepland uitzenden instellen............................... 28
Een radarvrije zone inschakelen en aanpassen.................. 28
Het radarbereik aanpassen...................................................... 28
Tips voor het selecteren van een radarbereik..................... 28
Het radarscherm in- en uitzoomen........................................... 28
Een via-punt op het radarscherm markeren............................. 28
MotionScope™ Doppler radartechnologie................................ 28
Een bewakingszone inschakelen............................................. 28
Een cirkelvormige bewakingszone inschakelen.................. 28
Een gedeeltelijke bewakingszone inschakelen.................... 28
Een bewakingszone uitschakelen........................................ 29
MARPA..................................................................................... 29
Symbolen voor zoeken met MARPA....................................29
Een MARPA-tag aan een object toewijzen.......................... 29
Een MARPA-tag van een doelobject verwijderen................ 29
Informatie weergeven over een object dat met een MARPA-
tag is gelabeld
...................................................................... 29
Een lijst met AIS en MARPA gevaren weergeven............... 29
AIS-schepen op het radarscherm weergeven..................... 29
VRM en EBL........................................................................ 29
De VRM en de EBL weergeven...................................... 29
De VRM en de EBL aanpassen...................................... 29
Het bereik en de peiling tot een doelobject meten.......... 30
ii Inhoudsopgave
Radaroverlay............................................................................ 30
Radaroverlay en uitlijning van kaartgegevens..................... 30
Echosporen...............................................................................30
Echosporen inschakelen...................................................... 30
De lengte van echosporen aanpassen................................ 30
De echosporen wissen.........................................................30
Het radarbeeld optimaliseren................................................... 30
Radarversterking en -storing................................................30
De versterking op het radarscherm automatisch
aanpassen
.......................................................................30
De versterking op het radarscherm handmatig
aanpassen.......................................................................30
De interferentie van nabijgelegen objecten
minimaliseren.................................................................. 31
De interferentie door stralingslobben op het radarscherm
tot een minimum beperken..............................................31
Zeeruis op het radarscherm automatisch aanpassen..... 31
Zeeruis op het radarscherm handmatig aanpassen....... 31
Regenruis op het radarscherm aanpassen..................... 31
Radarstoring op het radarscherm verminderen.............. 31
Radaroptiesmenu.................................................................31
Radarinstellingenmenu........................................................ 32
Radarweergave-instellingen................................................ 32
Instellingen voor installatie van de radar............................. 32
Boegcorrectie.................................................................. 32
Een aangepaste parkeerstand instellen.......................... 32
Een andere radarbron selecteren............................................. 32
Stuurautomaat.............................................................. 32
Het stuurautomaatscherm openen........................................... 33
Het stuurautomaatscherm........................................................ 33
De grootte van de koerswijzigingstappen aanpassen......... 33
De spaarstand instellen....................................................... 33
Shadow Drive™ inschakelen............................................... 33
De stuurautomaat inschakelen................................................. 33
De koers aanpassen met het roer....................................... 33
De voorliggende koers wijzigen met de kaartplotter in de
koerswijzigingsstapmodus................................................... 33
Koerspatronen.......................................................................... 33
Het patroon 180 graden bocht volgen................................. 33
Het cirkelpatroon instellen en volgen................................... 33
Het zigzagpatroon instellen en volgen................................. 33
Het Williamson turn-patroon volgen..................................... 33
Een cirkelbaanpatroon volgen............................................. 34
Het patroonsturingspatroon instellen en volgen.................. 34
Een zoekpatroon instellen en volgen................................... 34
Een koerspatroon annuleren............................................... 34
Digital Selective Calling (DSC).................................... 34
Netwerkkaartplotter en marifoonfunctionaliteit......................... 34
DSC inschakelen...................................................................... 34
DSC-lijst.................................................................................... 34
De DSC-lijst weergeven....................................................... 34
Een DSC-contactpersoon toevoegen.................................. 34
Inkomende noodoproepen........................................................ 34
Naar een schip in nood navigeren....................................... 34
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren via een
marifoon............................................................................... 34
Man-over boord- en noodoproepen geïnitieerd vanaf de
kaartplotter........................................................................... 35
Positie bijhouden...................................................................... 35
Een positiemelding weergeven............................................ 35
Naar een schip navigeren waarvan u de positie bijhoudt.... 35
Een waypoint maken op de positie van een schip waarvan u
de positie bijhoudt
................................................................ 35
Informatie in een positiemelding bewerken......................... 35
Een oproep met een positiemelding verwijderen................. 35
Sporen van schepen weergeven op de kaart...................... 35
Persoonlijke standaardoproepen
.............................................. 35
Een DSC-kanaal selecteren.................................................35
Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren...................... 35
Een individuele routineoproep voor een AIS-doel............... 35
Meters en grafieken...................................................... 36
De meters bekijken................................................................... 36
De gegevens op een meter aanpassen............................... 36
Meters aanpassen............................................................... 36
De grenzen van de motormeter en de brandstofmeter
aanpassen........................................................................... 36
Motor- en brandstofmeters weergeven..................................... 36
Het aantal motoren selecteren dat door de meters wordt
weergegeven....................................................................... 36
Instellen welke motoren in de meters worden
weergegeven....................................................................... 36
Statusalarmen voor motormeters inschakelen.................... 36
Afzonderlijke statusalarmen voor motormeters
inschakelen
.......................................................................... 36
Het brandstofalarm instellen..................................................... 36
De brandstofcapaciteit van het vaartuig instellen................ 36
De brandstofgegevens synchroniseren met de actuele
brandstofvoorraad................................................................ 36
De windmeters weergeven....................................................... 37
De windmeter voor zeilen configureren............................... 37
De bron van de snelheid configureren................................. 37
De bron van de koers voor de windmeter configureren....... 37
De close hauled-windmeter aanpassen............................... 37
Tripmeters weergeven.............................................................. 37
De tripmeters opnieuw instellen........................................... 37
Grafieken weergeven................................................................37
Het grafiekbereik en de tijdschaal instellen......................... 37
Batterijbeheer........................................................................... 37
De pagina Batterijbeheer instellen....................................... 37
Informatie over getijden, stromingen en zon en
maan.............................................................................. 38
Informatie van getijdenstation................................................... 38
Informatie van stromingenstation............................................. 38
Zon- en maanstanden.............................................................. 38
Gegevens van getijdenstation, stromingenstation of zon- en
maanstanden voor een andere datum weergeven................... 38
Informatie van een ander getijden- of stromingenstation
weergeven................................................................................ 38
Almanakgegevens weergeven op de navigatiekaart................ 38
Waarschuwingsbeheer................................................ 38
Berichten weergeven................................................................ 38
Berichten sorteren en filteren................................................... 38
Berichten opslaan op een geheugenkaart................................ 38
Alle berichten wissen................................................................ 38
Mediaspeler................................................................... 38
De mediaspeler openen........................................................... 38
Pictogrammen...................................................................... 38
De mediabron selecteren..........................................................38
Muziek afspelen........................................................................ 39
Bladeren naar muziek.......................................................... 39
Alfabetisch zoeken inschakelen...................................... 39
Een nummer laten herhalen................................................ 39
Alle nummers herhalen........................................................ 39
Nummers in willekeurige volgorde afspelen........................ 39
Het volume aanpassen............................................................. 39
Zones inschakelen en uitschakelen..................................... 39
Het mediavolume dempen................................................... 39
Marifoon.................................................................................... 39
VHF-kanalen scannen......................................................... 39
De VHF-squelch aanpassen................................................ 39
Radio........................................................................................ 39
Inhoudsopgave iii
De tunerregio instellen......................................................... 39
Een ander radiostation kiezen............................................. 39
De afstemmodus wijzigen.................................................... 39
Voorinstellingen................................................................... 39
Een station als voorinstelling instellen............................ 39
Voorinstelling selecteren................................................. 39
Voorinstelling verwijderen............................................... 39
DAB afspelen............................................................................ 39
De DAB-tunerregio instellen................................................ 39
Zoeken naar DAB-stations................................................... 39
Een ander DAB-station kiezen............................................. 40
Een DAB-station in een lijst selecteren........................... 40
Een DAB-station selecteren in een categorie................. 40
DAB-voorkeuzezenders....................................................... 40
Een DAB-station als voorinstelling instellen.................... 40
Een DAB-voorinstelling in een lijst selecteren................ 40
DAB-voorkeuzezenders wissen...................................... 40
SiriusXM Satellite Radio........................................................... 40
Een SiriusXM radio-id zoeken..............................................40
Een SiriusXM abonnement activeren.................................. 40
De kanalengids aanpassen................................................. 40
Een SiriusXM kanaal in de voorkeuzelijst opslaan.............. 40
Ontgrendelen van SiriusXM Ouderlijk toezicht.................... 40
Ouderlijk toezicht instellen op SiriusXM radiokanalen.... 40
De code voor ouderlijk toezicht wijzigen op een SiriusXM
Radio
............................................................................... 40
De standaardinstellingen voor ouderlijk toezicht
herstellen.........................................................................41
Alle vergrendelde kanalen wissen op een SiriusXM
Radio............................................................................... 41
De toestelnaam instellen.......................................................... 41
De software van de mediaspeler bijwerken.............................. 41
SiriusXM Weather......................................................... 41
Vereisten voor SiriusXM uitrusting en -abonnement................ 41
Weersverwachtingen................................................................ 41
Weerkaart wijzigen................................................................... 41
Informatie over neerslag weergeven........................................ 41
Neerslagweergave............................................................... 41
Informatie over stormkernen en bliksem...................................41
Informatie over orkanen............................................................ 42
Weerwaarschuwingen en weerberichten.................................. 42
Weersverwachting.................................................................... 42
Gegevens over de weersverwachting voor een andere
tijdsperiode weergeven........................................................ 42
Weerfronten en drukcentra.................................................. 42
Een weersverwachting voor de scheepvaart of de
verwachting voor buitengaats bekijken................................ 42
Verwachtingen voor steden................................................. 42
Zeegang weergeven................................................................. 42
Oppervlaktewind.................................................................. 42
Hoogte, duur en richting van de golven............................... 42
Informatie over de verwachte zeegang voor een andere
tijdsperiode weergeven........................................................ 43
Visinformatie weergeven.......................................................... 43
Gegevens over de oppervlaktedruk en de
watertemperatuur................................................................. 43
Verwachtingen van vislocaties............................................. 43
Het kleurbereik van de temperatuur van het zeeoppervlak
wijzigen................................................................................ 43
Zichtgegevens.......................................................................... 43
Gegevens over het verwachte zicht voor een andere
tijdsperiode weergeven........................................................ 43
Boeirapporten weergeven........................................................ 43
Gegevens over het plaatselijke weer bij de boei
weergeven........................................................................... 43
Een waypoint op een weerkaart maken................................... 43
Weeroverlay
..............................................................................43
De weeroverlay inschakelen op een kaart........................... 44
Weeroverlay-instellingen op de navigatiekaart.................... 44
Weeroverlay-instellingen op de viskaart.............................. 44
Informatie over weerabonnementen weergeven...................... 44
Video weergeven.......................................................... 44
Een videobron selecteren......................................................... 44
Wisselen tussen meerdere videobronnen........................... 44
Videotoestellen in het netwerk.................................................. 44
Videovoorkeuzes gebruiken op videocamera's in het
netwerk
................................................................................ 44
Videovoorkeuzes opslaan op een videocamera in het
netwerk............................................................................44
Videovoorkeuzes een naam geven op een videocamera in
het netwerk......................................................................44
Videovoorkeuzes activeren op een videocamera in het
netwerk............................................................................44
Camera-instellingen............................................................. 44
Video-instellingen.................................................................45
De camera met een videobron koppelen............................. 45
De bewegingen van videocamera's aansturen.................... 45
Videocamera's bedienen met de knoppen op het
scherm
............................................................................ 45
Een videocamera met gebaren bedienen....................... 45
Een combinatiescherm met videofuncties maken.................... 45
De videoweergave configureren............................................... 45
Pc-weergave configureren........................................................ 45
Pc-weergavemodus verlaten............................................... 46
De VIRB® actiecamera bedienen via de kaartplotter............... 46
Instellingen van de VIRB actiecamera................................. 46
Video-instellingen van de VIRB actiecamera....................... 46
De bedieningsknoppen van de VIRB actiecamera toevoegen
aan andere schermen.......................................................... 46
Video van de VIRB actiecamera afspelen........................... 46
Een VIRB video verwijderen........................................... 46
Een VIRB videopresentatie starten...................................... 46
Toestelconfiguratie...................................................... 46
De kaartplotter automatisch inschakelen.................................. 46
Systeeminstellingen.................................................................. 46
Scherm- en geluidsinstellingen............................................ 47
GPS-instellingen.................................................................. 47
Stationinstellingen................................................................ 47
Informatie over systeem en software weergeven................ 47
Het gebeurtenislog weergeven....................................... 47
Voorkeursinstellingen............................................................... 47
Eenheden instellen.............................................................. 47
Navigatie-instellingen........................................................... 47
Configuraties van Auto Guidance routes........................ 48
De afstand ten opzichte van de kust aanpassen............ 48
Communicatie-instellingen........................................................48
NMEA 0183 instellingen.......................................................48
NMEA 0183-uitvoertelegrammen configureren............... 49
De communicatie-indeling voor elke NMEA 0183-poort
instellen
........................................................................... 49
NMEA 2000 instellingen.......................................................49
Toestellen en sensors in het netwerk een naam
geven.............................................................................. 49
Marine Network.................................................................... 49
Alarmen instellen...................................................................... 49
Navigatiealarmen................................................................. 49
Het krabbend-ankeralarm instellen................................. 49
Systeemalarmen.................................................................. 49
Instellingen voor echoloodwaarschuwingen........................ 49
Weeralarmen instellen......................................................... 49
Het brandstofalarm instellen................................................ 49
Mijn boot instellingen................................................................ 50
iv Inhoudsopgave
De kielcorrectie instellen...................................................... 50
De watertemperatuurcorrectie instellen............................... 50
Een toestel voor watersnelheid kalibreren........................... 50
Instellingen voor overige schepen............................................ 51
Instellingen die worden gesynchroniseerd op het Garmin Marine
Network.....................................................................................51
De fabrieksinstellingen van de kaartplotter herstellen.............. 51
Communicatie met draadloze toestellen.................... 51
WiFi® netwerk......................................................................... 51
Het WiFi draadloos netwerk instellen................................. 51
Een draadloos toestel verbinden met de kaartplotter.......... 51
Het draadloze kanaal wijzigen............................................. 52
De WiFi host wijzigen......................................................... 52
Draadloze afstandsbediening................................................... 52
De draadloze afstandsbediening koppelen met de
kaartplotter........................................................................... 52
De schermverlichting van de afstandsbediening in- en
uitschakelen
......................................................................... 52
De afstandsbediening loskoppelen van alle kaartplotters.... 52
De Garmin Helm toepassing gebruiken met de kaartplotter..... 52
Een quatix® horloge verbinden met de kaartplotter................. 52
Een Garmin Nautix™ toestel verbinden met de kaartplotter.... 52
Beheer van kaartplottergegevens............................... 52
Via-punten, routes en sporen vanaf HomePort naar een
kaartplotter kopiëren................................................................. 52
Een bestandstype selecteren voor via-punten en routes van
andere leveranciers.................................................................. 52
Gegevens van een geheugenkaart kopiëren............................ 53
Via-punten, routes en sporen kopiëren naar een
geheugenkaart.......................................................................... 53
Geïntegreerde kaarten naar een geheugenkaart kopiëren...... 53
Een back-up van gegevens maken op een computer.............. 53
De back-upgegevens herstellen naar een kaartplotter............. 53
Systeeminformatie op een geheugenkaart opslaan................. 53
Appendix....................................................................... 53
Het toestel registreren.............................................................. 53
Digitaal schakelen.....................................................................53
Het GRID externe invoertoestel koppelen met de
kaartplotter................................................................................ 53
Het GRID toestel met de kaartplotter koppelen vanaf de
kaartplotter........................................................................... 53
Het GRID toestel met de kaartplotter koppelen via het GRID
toestel
.................................................................................. 53
De GRID joystick draaien.....................................................53
Het scherm schoonmaken........................................................ 54
Afbeeldingen op een geheugenkaart bekijken......................... 54
Schermafbeeldingen................................................................. 54
Schermafbeeldingen vastleggen......................................... 54
Schermafbeeldingen naar een computer kopiëren.............. 54
Problemen oplossen................................................................. 54
Mijn toestel ontvangt geen GPS-signalen............................ 54
Ik kan mijn toestel niet inschakelen of mijn toestel gaat
steeds uit..............................................................................54
Mijn toestel maakt geen via-punten op de juiste locatie...... 54
Contact opnemen met Garmin Support.................................... 55
NMEA 2000 PGN informatie..................................................... 55
NMEA 0183-informatie............................................................. 55
J1939 PGN informatie.............................................................. 55
Software License Agreement................................................ 0
Index.............................................................................. 57
Inhoudsopgave v
Inleiding
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Op de Garmin
®
website www.garmin.com vindt u recente
informatie over uw product. Op de ondersteuningspagina's vindt
u de antwoorden op veelgestelde vragen en kunt u software en
kaartupdates downloaden. Tevens vindt u daar de
contactgegevens van de Garmin ondersteuning voor als u
vragen hebt.
Overzicht van het toestel
De locatie van de items kan verschillen, afhankelijk van het
model.
À
Aanraakscherm
Á
Aan-uitknop
Â
Sensor automatische schermverlichting
Ã
SD of microSD
®
* geheugenkaartsleuf
*7-inch modellen hebben microSD kaartsleuven.
Het aanraakscherm gebruiken
Tik op het scherm om een item te selecteren.
Sleep of veeg uw vinger over het scherm om te pannen of te
scrollen.
Knijp twee vingers samen om uit te zoomen.
Spreid twee vingers uit elkaar om in te zoomen.
Schermknoppen
Deze schermknoppen kunnen worden weergegeven op
bepaalde schermen en bij bepaalde functies. Sommige knoppen
zijn alleen toegankelijk via een combinatiepagina of
SmartMode
lay-out.
Knop Functie
Hiermee wist u de schermpictogrammen en wordt het scherm
op de boot gecentreerd
Hiermee opent u een volledige schermweergave van het item
Hiermee maakt u een nieuw via-punt
Hiermee maakt u een route met koerswijzigingen naar de
bestemming
Hiermee voegt u op de geselecteerde locatie een koerswijziging
toe aan de route
Hiermee verwijdert u de laatst toegevoegde koerswijziging van
de route
Hiermee maakt u een route zonder koerswijzigingen naar de
bestemming
Hiermee maakt u een Auto Guidance route naar de bestemming
Hiermee start u de navigatie
Hiermee beëindigt u de navigatie
Knop Functie
Hiermee kunt u een radardoel zoeken en volgen
Hiermee opent u het menu voor de pagina of functie
Hiermee opent u het menu met voorinstellingen voor de pagina
of functie
Tips en snelkoppelingen
Druk op om de kaartplotter in te schakelen.
Selecteer Start in een willekeurig scherm om terug te keren
naar het startscherm.
Selecteer Menu om toegang tot aanvullende instellingen te
krijgen.
Selecteer Menu om het menu te sluiten wanneer u klaar
bent.
Druk op om extra opties te openen, zoals het aanpassen
van de helderheid en het vergrendelen van het
aanraakscherm.
Druk op en selecteer Voeding uit om de kaartplotter uit te
schakelen.
Het aanraakscherm vergrendelen
U kunt het aanraakscherm vergrendelen om te voorkomen dat u
per ongeluk op het scherm tikt en functies activeert.
1
Selecteer .
2
Selecteer Vergrendel aanraakscherm.
Gebruikershandleidingen openen op de
kaartplotter
1
Selecteer Info > Gebruikershandleiding.
2
Selecteer een handleiding.
3
Selecteer Open.
De handleidingen downloaden
U kunt de nieuwste gebruikershandleiding en vertaalde versies
daarvan downloaden van internet.
1
Ga naar www.garmin.com/manuals/GPSMAP7400-7600.
TIP: Scan deze code om deze webpagina snel te openen:
2
Download de handleiding.
Meer informatie
Als u nog vragen over uw toestel hebt, kunt u contact opnemen
met Garmin Support.
De website, support.garmin.com, biedt allerlei tips voor
probleemoplossing waarmee u de meeste problemen kunt
verhelpen en vragen kunt beantwoorden.
Veelgestelde vragen
Software-updates
Gebruikers- en installatiehandleidingen
Servicewaarschuwingen
Video
Contactinformatie
Een geheugenkaart plaatsen
U kunt optionele geheugenkaarten bij de kaartplotter gebruiken.
Via gegevenskaarten kunt u satellietbeelden met hoge resolutie
en luchtfoto's van havensteden, havens, jachthavens en andere
nuttige punten weergeven. U kunt lege geheugenkaarten
plaatsen om gegevens als via-punten, routes en sporen naar
Inleiding 1
een andere compatibele kaartplotter of een computer over te
brengen.
1
Open het klepje
À
van de geheugenkaartlezer.
2
Plaats de geheugenkaart
Á
met het label weggericht van het
klepje.
3
Druk op de kaart tot deze vastklikt.
4
Sluit het klepje van de kaartlezer.
Geheugenkaarten plaatsen
U kunt optionele geheugenkaarten in de kaartplotter gebruiken.
Via gegevenskaarten kunt u satellietbeelden met hoge resolutie
en luchtfoto's van havensteden, havens, jachthavens en andere
nuttige punten weergeven. U kunt lege geheugenkaarten
plaatsen om echoloodgegevens vast te leggen en gegevens
zoals via-punten, routes en sporen naar een andere
compatibele Garmin kaartplotter of een computer over te
brengen.
1
Open het klepje of het lipje aan de voorzijde van de
kaartplotter.
2
Plaats de geheugenkaart.
3
Druk op de kaart tot deze vastklikt.
4
Sluit de klep.
Software-update
Mogelijk moet u de toestelsoftware bijwerken wanneer u het
toestel installeert of een accessoire toevoegt aan het toestel.
Voor de software-update hebt u een Garmin
geheugenkaartlezer-accessoire of een andere Garmin
kaartplotter nodig die is verbonden via het Garmin Marine
Network.
Dit toestel ondersteunt geheugenkaarten tot 32 GB met de
indeling FAT32.
De nieuwe software op een geheugenkaart laden
1
Plaats een geheugenkaart in de kaartsleuf van de computer.
2
Ga naar www.garmin.com/support/software/marine.html.
3
Selecteer Downloaden naast GPSMAP serie met SD kaart.
4
Lees en accepteer de voorwaarden.
5
Selecteer Downloaden.
6
Selecteer Hardlopen.
7
Selecteer het station van de geheugenkaart en selecteer
vervolgens Volgende > Voltooien.
De software van het toestel bijwerken
Voordat u de software kunt bijwerken, moet u beschikken over
een software-update op een geheugenkaart of de nieuwste
software zelf op een geheugenkaart laden.
1
Schakel de kaartplotter in.
2
Nadat het startscherm verschijnt, plaatst u de geheugenkaart
in de kaartsleuf.
OPMERKING: De instructies voor de software-update
verschijnen alleen als het toestel volledig is opgestart voordat
u de kaart plaatst.
3
Volg de instructies op het scherm.
4
Wacht enkele minuten totdat de software-update is voltooid.
5
Laat de geheugenkaart op zijn plaats zitten en start de
kaartplotter handmatig opnieuw op, wanneer daar om wordt
gevraagd.
6
Verwijder de geheugenkaart.
OPMERKING: Als de geheugenkaart wordt verwijderd
voordat het toestel opnieuw is opgestart, is de software-
update niet voltooid.
GPS-satellietsignalen
Wanneer u de kaartplotter inschakelt, moet de GPS-ontvanger
de gegevens van de satellieten verzamelen en de actuele
locatie bepalen. Wanneer de kaartplotter satellietsignalen
ontvangt, worden de boven aan het startscherm groen.
Wanneer de kaartplotter het satellietsignaal verliest, verdwijnen
de en knippert er een vraagteken op op de kaart.
Ga voor meer informatie over GPS naar www.garmin.com
/aboutGPS.
De GPS-bron selecteren
U kunt uw voorkeursbron voor GPS-gegevens selecteren, als u
meerdere GPS-bronnen hebt.
1
Selecteer Instellingen > Systeem > GPS > Bron.
2
Selecteer de bron voor GPS-gegevens.
De kaartplotter aanpassen
Startscherm
Het startscherm van de kaartplotter biedt toegang tot alle
functies in de kaartplotter. De functies zijn afhankelijk van de
accessoires die u op de kaartplotter hebt aangesloten. Mogelijk
beschikt u niet over alle opties en functies die in deze
handleiding worden besproken.
De categorieën aan de rechterkant van het scherm geven snel
toegang tot de hoofdfuncties van uw kaartplotter. De categorie
Echolood, bijvoorbeeld, geeft de weergaven en pagina's weer
die zijn gerelateerd aan de echoloodfunctie. U kunt items die u
vaak gebruikt opslaan in de categorie Favorieten.
Alle opties aan de onderkant van het startscherm zijn zichtbaar
op alle andere schermen, behalve de knop Instellingen. De knop
Instellingen is alleen toegankelijk vanaf het startscherm.
Vanuit een ander scherm kunt u terugkeren naar het
startscherm door Start te selecteren.
Als er meerdere schermen zijn geïnstalleerd op het Garmin
Marine Network, kunt u ze groeperen in een station. Een station
zorgt ervoor dat schermen samenwerken, en niet als aparte
schermen functioneren. Als u in een van de geopende
schermen Start selecteert, keert elk scherm in het station terug
naar het startscherm. U kunt de lay-out van de pagina's op ieder
scherm aanpassen en elke pagina op alle schermen
2 De kaartplotter aanpassen
verschillend maken. Als u in een scherm de lay-out van een
pagina verandert, gelden de wijzigingen alleen voor dat scherm.
Als u de naam en het symbool van de lay-out verandert,
verschijnen deze veranderingen op alle schermen van het
station voor een consistente weergave.
De SmartMode items zijn gericht op een specifieke activiteit,
bijvoorbeeld varen of afmeren. Als in het startscherm een
SmartMode knop wordt geselecteerd, kan op elk scherm in het
station unieke informatie worden weergegeven. Als bijvoorbeeld
Onder motor wordt geselecteerd in het startscherm, kan op een
van de schermen de navigatiekaart worden weergegeven en op
een ander scherm het radarbeeld.
Een item toevoegen aan favorieten
1
Selecteer op het startscherm een categorie aan de
rechterkant.
2
Houd een knop aan de linkerkant ingedrukt.
Het item wordt toegevoegd aan de categorie Favorieten op
het startscherm.
Pagina's aanpassen
De lay-out van een SmartMode pagina of combinatie-
pagina aanpassen
U kunt de lay-out van en de weergave van gegevens op de
combinatiepagina's en in de SmartMode lay-outs aanpassen.
Als u in een scherm dat u hebt geopend de lay-out van een
pagina wijzigt, geldt die wijziging alleen voor dat scherm,
behalve als de naam en het symbool SmartMode wordt
gewijzigd. Als u de SmartMode naam of het symbool voor de
lay-out wijzigt, wordt de nieuwe naam of het nieuwe symbool
weergegeven op alle schermen in het station.
1
Open de pagina die u wilt aanpassen.
2
Selecteer Menu.
3
Selecteer Wijzig lay-out of Wijzig combo.
4
Selecteer een optie:
Als u de naam wilt wijzigen, selecteert u Naam of Naam
en symbool > Naam, voert u een nieuwe naam in en
selecteert u OK.
Als u het SmartMode symbool wilt wijzigen, selecteert u
Naam en symbool > Symbool en kiest u vervolgens een
nieuw symbool.
Als u het aantal getoonde functies en de lay-out van het
scherm wilt wijzigen, selecteert u Indeling en vervolgens
een optie.
Als u de functie van een gedeelte van het scherm wilt
wijzigen, selecteert u het te wijzigen gedeelte en kiest u
vervolgens een functie in de rechts weergegeven lijst.
Sleep de pijlen naar een nieuwe locatie om te wijzigen
hoe de schermen worden gesplitst.
Als u de gegevens wilt veranderen die op de pagina en in
de extra gegevensbalken worden weergegeven, selecteert
u Overlays en selecteert u een optie.
Als u een gedeelte van het SmartMode scherm aan een
voorinstelling wilt toewijzen, selecteert u Voorinstel. >
Neem op en selecteert u een voorinstelling in de lijst aan
de rechterkant.
Een SmartMode lay-out toevoegen
U kunt naar wens SmartMode lay-outs toevoegen. Elk wijziging
in een SmartMode lay-out voor het startscherm in een station
wordt weergegeven op alle schermen in het station.
1
Selecteer in het startscherm SmartMode™ > Menu > Voeg
layout toe.
2
Selecteer een optie:
Als u de naam wilt wijzigen, selecteert u Naam en
symboolNaam, voert u een nieuwe naam in en selecteert
u OK.
Als u het SmartMode symbool wilt wijzigen, selecteert u
Naam en symbool > Symbool en kiest u vervolgens een
nieuw symbool.
Als u het aantal getoonde functies en de lay-out van het
scherm wilt wijzigen, selecteert u Indeling en vervolgens
een optie.
Als u de functie van een gedeelte van het scherm wilt
wijzigen, selecteert u het te wijzigen gedeelte en kiest u
vervolgens een functie in de rechts weergegeven lijst.
Sleep de pijlen naar een nieuwe locatie om te wijzigen
hoe de schermen worden gesplitst.
Als u de gegevens wilt veranderen die op de pagina en in
de extra gegevensbalken worden weergegeven, selecteert
u Overlays en selecteert u een optie.
Als u een gedeelte van het SmartMode scherm aan een
voorinstelling wilt toewijzen, selecteert u Voorinstel. >
Neem op en selecteert u een voorinstelling in de lijst aan
de rechterkant.
Een aangepast combinatiescherm toevoegen
U kunt naar wens een aangepast combinatiescherm maken.
1
Selecteer Combinaties > Menu > Voeg combo toe.
2
Volg de instructies op het scherm.
De gegevensoverlays aanpassen
Hiermee kunt u de gegevens aanpassen die op het scherm
worden weergegeven.
1
Selecteer een optie op basis van het type scherm dat u
bekijkt:
In een volledige schermweergave selecteert u Menu >
Wijzig overlays.
In een combinatiescherm selecteert u Menu > Wijzig
combo > Overlays.
In een SmartMode scherm selecteert u Menu > Wijzig
lay-out > Overlays.
TIP: Als u snel gegevens in een overlayvak wilt wijzigen,
houdt u het overlayvak ingedrukt.
2
Selecteer een item waarvan u de gegevens en de
gegevensbalk wilt aanpassen:
Als u de getoonde gegevens in een overlayvak wilt
wijzigen, selecteert u het overlayvak en de nieuwe
gegevens die u wilt weergeven. Selecteer vervolgens
Terug.
Als u de locatie en de lay-out van de gegevensoverlaybalk
wilt selecteren, selecteert u Gegevens en selecteert u een
optie.
Als u tijdens het navigeren getoonde informatie wilt
aanpassen, selecteert u Navigatie en selecteert u een
optie.
Als u andere gegevensbalken, zoals de mediabediening,
wilt inschakelen, selecteert u Bovenstang of Onderste
balk en selecteert u de benodigde opties.
3
Selecteer OK.
Lay-out van stations resetten
U kunt de lay-outs voor alle stations herstellen naar de
fabrieksinstellingen.
Selecteer Instellingen > Systeem > Stationsgegevens >
Herstel stations.
Voorinstellingen
Een voorinstelling is een verzameling instellingen waarmee u
het scherm of de weergave kunt optimaliseren. U kunt
De kaartplotter aanpassen 3
specifieke voorinstellingen gebruiken om groepen instellingen te
optimaliseren voor uw activiteiten. Zo kunnen bepaalde
instellingen ideaal zijn voor het vissen en andere voor het varen.
Voorinstellingen zijn beschikbaar op bepaalde schermen, zoals
kaarten, echoloodweergaven en radarweergaven.
Selecteer Menu > en selecteer de voorinstelling om een
voorinstelling te kiezen voor een compatibel scherm.
Als u een voorinstelling gebruikt en de instellingen of weergave
wijzigt, kunt u deze opslaan in de voorinstelling of een nieuwe
voorinstelling maken op basis van de nieuwe aanpassingen.
Een nieuwe voorinstelling opslaan
Nadat u de instellingen en de weergave van een scherm hebt
aangepast, kunt u deze wijzigingen opslaan als een nieuwe
voorinstelling.
1
Wijzig de instellingen en weergave in een compatibel
scherm.
2
Selecteer Menu > > Sla op > Nieuw.
3
Voer een naam in en selecteer OK.
Voorinstellingen beheren
U kunt de meegeleverde voorinstellingen aanpassen en de
voorinstellingen die u hebt gemaakt, bewerken.
1
Selecteer Menu > > Beheer in een compatibel scherm.
2
Selecteer een voorkeuze.
3
Selecteer een optie:
Als u de naam van de voorinstelling wilt wijzigen,
selecteert u Wijzig naam, voert u een naam in en
selecteert u OK.
Selecteer Wijzig en werk de voorinstelling bij om de
voorinstellingen te bewerken.
Selecteer Wis om de voorinstelling te verwijderen.
Selecteer Herstel alles om alle voorinstellingen terug te
zetten naar de fabrieksinstellingen.
Het type boot instellen
U kunt uw type boot selecteren om de kaartplotterinstellingen te
configureren en functies te gebruiken die zijn afgestemd op uw
type boot.
1
Selecteer Instellingen > Mijn boot > Type boot.
2
Selecteer een optie.
De schermverlichting aanpassen
1
Selecteer Instellingen > Systeem > Geluiden en scherm >
Schermverlichting.
TIP: Selecteer > Schermverlichting in een willekeurig
scherm om de instellingen voor schermverlichting te openen.
2
Selecteer een optie:
Pas de schermverlichting aan.
Selecteer Automatisch.
De kleurmodus aanpassen
1
Selecteer Instellingen > Systeem > Geluiden en scherm >
Kleurmodus.
TIP: Selecteer > Kleurmodus vanuit een willekeurig
scherm om de kleurinstellingen te openen.
2
Selecteer een optie.
Kaarten en 3D-kaartweergaven
Welke kaarten en 3D-kaartweergaven beschikbaar zijn, is
afhankelijk van de gebruikte kaartgegevens en accessoires.
U kunt de kaarten en 3D-kaartweergaven openen door
Grafieken te selecteren.
Navigatiekaart: Geeft alle beschikbare navigatiegegevens weer
die op de vooraf geïnstalleerde kaarten en eventuele extra
kaarten beschikbaar zijn. Deze gegevens omvatten boeien,
lichten, kabels, dieptepeilingen, jachthavens en
getijdenstations in een overheadweergave.
Perspective 3D: Biedt een panoramisch beeld van bovenaf en
van achter uw boot (in overeenstemming met uw koers) en
dient als visueel navigatiehulpmiddel. Deze weergave is
nuttig voor het navigeren rond verraderlijke ondiepten, riffen,
bruggen of kanalen en komt van pas bij het binnenvaren en
verlaten van onbekende havens of ankerplaatsen.
Mariner's Eye 3D: Biedt een gedetailleerd, driedimensionaal
beeld van bovenaf en van achter uw boot (in
overeenstemming met uw koers) en dient als visueel
navigatiehulpmiddel. Deze weergave is nuttig voor het
navigeren rond verraderlijke ondiepten, riffen, bruggen of
kanalen en komt van pas bij het binnenvaren en verlaten van
onbekende havens of ankerplaatsen.
OPMERKING: In sommige gebieden zijn Mariner's Eye 3D
en Fish Eye 3D kaartweergaven beschikbaar bij
premiumkaarten.
Fish Eye 3D: Geeft een panoramisch onderwaterbeeld met
visuele weergave van de zeebodem op basis van de
kaartinformatie. Als er een echolood-transducer is
aangesloten, worden zwevende doelen (zoals vissen)
aangeduid met rode, groene en gele bollen. Rood verwijst
hierbij naar de grootste objecten en groen naar de kleinste
objecten.
Viskaart: Biedt een gedetailleerde weergave van de
bodemcontouren en dieptepeilingen op de kaart. Deze kaart
verwijdert de navigatiegegevens van de kaart, verschaft
gedetailleerde bathymetrische gegevens en benadrukt de
bodemcontouren voor dieptewaarneming. Deze kaart is bij
uitstek geschikt voor diepzeevissen.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
Radaroverlay: Projecteert radargegevens over de
navigatiekaart of viskaart heen wanneer de kaartplotter is
aangesloten op een radar. Deze functie is niet op alle
modellen beschikbaar.
Navigatiekaart en buitengaatse viskaart
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
Met behulp van de navigatie- en viskaarten kunt u uw koers
uitzetten, kaartinformatie weergeven en een koers volgen. De
viskaart is bij uitstek geschikt voor buitengaats vissen.
Als u de navigatiekaart wilt openen, selecteert u Grafieken >
Navigatiekaart.
Als u de viskaart wilt openen, selecteert u Grafieken > Viskaart.
In- en uitzoomen met het aanraakscherm
U kunt gemakkelijk in- en uitzoomen op meerdere schermen,
zoals kaarten en echoloodweergaven.
Knijp twee vingers samen om uit te zoomen.
Spreid twee vingers uit elkaar om in te zoomen.
4 Kaarten en 3D-kaartweergaven
Een kaart selecteren
Als uw product over ingebouwde BlueChart
®
g2 en Garmin
LakeVü
HD kaarten beschikt, kunt u kiezen welke kaart u wilt
gebruiken. Niet op alle modellen zijn beide typen ingebouwde
kaarten voorhanden.
1
Selecteer in de navigatiekaart Menu > Ingebouwde kaart.
2
Selecteer een optie:
Wanneer u zich op een meer bevindt, selecteert u
LakeVü™ HD.
Wanneer u op zee bent, selecteert u BlueChart® g2.
Een afstand op de kaart meten
1
Selecteer een locatie op een kaart of de radaroverlay.
2
Selecteer Afstand meten.
Op uw huidige locatie op het scherm wordt een punaise
weergegeven. De afstand en de hoek vanaf de punaise staan
vermeld in de linkerbovenhoek.
TIP: Als u de punaise en afstandsmeting vanaf de huidige
cursorpositie opnieuw wilt instellen, selecteert u Stel referentie
in.
Kaartsymbolen
Deze tabel bevat een aantal algemene symbolen die u op de
gedetailleerde kaarten kunt tegenkomen.
Pictogram Beschrijving
Boei
Informatie
Watersportdiensten
Getijdenstation
Stromingenstation
Foto van bovenaf beschikbaar
Perspectieffoto beschikbaar
Andere zaken die op de meeste kaarten voorkomen, zijn
dieptecontourlijnen, getijdenzones, puntpeilingen (zoals
weergegeven op de oorspronkelijke papieren kaart),
navigatiehulpmiddelen en -symbolen, obstakels en
kabelgebieden.
Een via-punt op de kaart maken
1
Selecteer op een kaart of 3D-kaartweergave een locatie of
object.
2
Selecteer Via-punt maken of .
Informatie over locaties en objecten op een kaart
weergeven
Op de navigatiekaart of de viskaart kunt u informatie over een
locatie of een object bekijken.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
1
Selecteer een locatie of een object op de navigatie- of
viskaart.
Er wordt een lijst met opties rechts van de kaart
weergegeven. Het hangt van de locatie of het object af welke
opties er in de lijst staan.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Navigeren naar om naar de geselecteerde
locatie te navigeren.
Selecteer Via-punt maken om een via-punt te maken op
de plaats waar de cursor staat.
Selecteer Afstand meten om de afstand en de koers van
het object vanaf de huidige positie weer te geven.
De afstand en de koers worden weergegeven op het
scherm. Selecteer Selecteer om de meting vanaf een
andere plaats dan van uw huidige locatie te verrichten.
Selecteer Informatie om getijden, stromingen, zon- en
maanstanden, kaartnotities of informatie over lokale
diensten in de nabijheid van de cursor weer te geven.
Details over navigatiekenmerken weergeven
Op de navigatiekaart, de viskaart of de Perspective 3D- en
Mariner's Eye 3D-kaartweergave kunt u de details over de
diverse typen navigatiehulpmiddelen zoals bakens, lichten en
obstructies bekijken.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
OPMERKING: In sommige gebieden zijn Mariner's Eye 3D en
Fish Eye 3D kaartweergaven beschikbaar bij premiumkaarten.
1
Selecteer in een kaart of 3D-kaartweergave een
navigatiehulpmiddel.
2
Selecteer de naam van het navigatiehulpmiddel.
Navigeren naar een punt op de kaart
VOORZICHTIG
De functie Auto Guidance is gebaseerd op elektronische
kaartgegevens. De gegevens garanderen niet dat de route vrij is
van obstakels en dat deze diep genoeg is. Let tijdens het volgen
van de koers altijd goed op en vermijd land, ondiep water en
andere obstakels die u onderweg kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een
gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen.
Gebruik visuele waarnemingen om land, ondiep water en
andere gevaarlijke objecten te vermijden.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
OPMERKING: In sommige gebieden is Auto Guidance
beschikbaar bij premiumkaarten.
1
Selecteer een locatie op de navigatie- of viskaart.
2
Selecteer indien nodig Navigeren naar.
3
Selecteer een optie:
Als u rechtstreeks naar de locatie wilt navigeren,
selecteert u Ga naar of .
Als u een route naar de locatie wilt maken, inclusief
koerswijzigingen, selecteert u Route naar of .
Als u Auto Guidance wilt gebruikten, selecteert u Auto
Guid. of .
4
Controleer de koers die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
OPMERKING: Als u de functie Auto Guidance gebruikt, geeft
een grijs gedeelte op de magenta lijn aan dat de functie Auto
Guidance een deel van de Auto Guidance lijn niet kan
berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen voor
een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en
obstakelhoogte.
5
Volg de magenta lijn en vermijd daarbij land, ondiep water en
andere obstakels.
Koerslijn en hoekmarkeringen
De koerslijn is een lijn op de kaart vanaf de boeg van de boot in
de richting van de koers die de boot gaat varen.
Hoekmarkeringen geven de relatieve positie aan van de koers of
de koers over de grond, die u helpt tijdens casting of het vinden
van referentiepunten.
De voorliggende-koerslijn en koers-over-de-grondlijn (COG)
instellen
U kunt de voorliggende-koerslijn en de koers-over-de-grondlijn
(COG) weergeven op de kaart.
Kaarten en 3D-kaartweergaven 5
Navigatie met een kaartplotter
VOORZICHTIG
Als uw vaartuig over een stuurautomaat beschikt, moet bij elk
roer een bedieningsscherm zijn geïnstalleerd waarmee de
stuurautomaat kan worden uitgeschakeld.
De functie Auto Guidance is gebaseerd op elektronische
kaartgegevens. De gegevens garanderen niet dat de route vrij is
van obstakels en dat deze diep genoeg is. Let tijdens het volgen
van de koers altijd goed op en vermijd land, ondiep water en
andere obstakels die u onderweg kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een
gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen.
Gebruik visuele waarnemingen om land, ondiep water en
andere gevaarlijke objecten te vermijden.
OPMERKING: Sommige kaartweergaven zijn beschikbaar met
premiumkaarten, in sommige gebieden.
Als u wilt navigeren, moet u een bestemming kiezen, een koers
uitzetten of een route maken en vervolgens de koers of route
volgen. Volg de koers of route op de navigatie- of viskaart, of in
de Perspective 3D- of Mariner's Eye 3D-kaartweergave.
U kunt een koers naar een bestemming instellen en deze volgen
met behulp van een van de volgende drie methoden: Ga naar,
Route naar, of Auto Guid..
Ga naar: Brengt u direct naar uw bestemming. Dit is de
standaardoptie om naar een bestemming te navigeren. De
kaartplotter tekent een rechte koers- of navigatielijn naar de
bestemming. De route kan over land en andere obstakels
lopen.
Route naar: Berekent een route van uw locatie naar een
bestemming, met de mogelijkheid om koerswijzigingen aan te
brengen. Met deze optie kunt u een rechte koers uitzetten
naar de bestemming en zo nodig koerswijzigingen in de route
aanbrengen om land en andere obstakels te vermijden.
Auto Guid.: Maakt gebruik van de kaartgegevens en
ingevoerde gegevens over uw boot om de beste
doorvaartroute naar uw bestemming te bepalen. Deze optie
is alleen beschikbaar bij gebruik van een compatibele
premiumkaart op een compatibele kaartplotter. Een wending-
voor-wending navigatieroute naar de bestemming wordt
aangegeven, waarbij land en andere obstakels worden
vermedenAuto Guidance, pagina 15.
Als u een compatibele Garmin stuurautomaat gebruikt die op
de kaartplotter is aangesloten via NMEA 2000
®
, volgt de
stuurautomaat de Auto Guidance route.
OPMERKING: In sommige gebieden is Auto Guidance
beschikbaar bij premiumkaarten.
Elementaire navigatievragen
Vraag Antwoord
Hoe kan ik ervoor zorgen dat
de kaartplotter mij in de
richting wijst waarin ik wil gaan
(peiling)?
Navigeer met Ga naar (Een directe
koers instellen en volgen met behulp
van Ga naar, pagina 13).
Hoe kan ik ervoor zorgen dat
het toestel een rechte koers
(met minimale koersafwij-
kingen) naar een locatie vaart,
waarbij de kortste weg vanaf
de huidige locatie wordt
gevolgd?
Stel een route in die uit één routedeel
bestaat en navigeer langs deze route
met behulp van Route naar (Een route
vanaf uw huidige locatie maken en
navigeren, pagina 13).
Hoe kan ik ervoor zorgen dat
het toestel obstakels op de
kaart vermijdt bij het navigeren
naar een locatie?
Stel een route in die uit meerdere
routedelen bestaat en navigeer langs
deze route met behulp van Route naar
(Een route vanaf uw huidige locatie
maken en navigeren, pagina 13).
Vraag Antwoord
Hoe kan ik ervoor zorgen dat
het toestel gebruikmaakt van
mijn stuurautomaat?
Navigeer met behulp van Route naar
(Een route vanaf uw huidige locatie
maken en navigeren, pagina 13).
Kan het toestel een route voor
me maken?
Als u beschikt over premiumkaarten
die Auto Guidance ondersteunen en u
bevindt zich in een gebied met dekking
voor Auto Guidance, navigeer dan met
Auto Guidance (Een Auto Guid. route
instellen en volgen, pagina 15).
Hoe kan ik de instellingen voor
Auto Guidance wijzigen voor
mijn boot?
Zie Configuraties van Auto Guidance
routes, pagina 15.
Bestemmingen
U kunt bestemmingen selecteren met behulp van verschillende
kaarten en 3D-kaartweergaven, of met behulp van de lijsten.
Bestemming zoeken op naam
U kunt op naam zoeken naar opgeslagen waypoints,
opgeslagen routes, opgeslagen sporen en watersportdiensten.
1
Selecteer Info > Diensten > Zoek op naam.
2
Voer ten minste een deel van de naam van de bestemming
in.
3
Selecteer OK indien nodig.
De 50 dichtstbijzijnde bestemmingen die met uw zoekcriteria
overeenkomen, worden weergegeven.
4
Kies de bestemming.
Een bestemming selecteren op de navigatiekaart
Selecteer uw bestemming op de navigatiekaart.
Zoeken naar een watersportdienstbestemming
OPMERKING: In sommige gebieden is deze functie
beschikbaar bij premiumkaarten.
De kaartplotter bevat informatie over duizenden bestemmingen
waar watersportdiensten worden aangeboden.
1
Selecteer Info > Diensten.
2
Selecteer Buitengaatsdiensten of Binnenlandse diensten.
3
Selecteer indien nodig een watersportdienstcategorie.
De kaartplotter geeft een lijst met de dichtstbijzijnde posities
en de afstand en peiling tot deze posities weer.
4
Selecteer een bestemming.
U kunt Volgende pagina of Vorige pagina selecteren om
extra informatie of de positie op een kaart weer te geven.
Stoppen met navigeren
Selecteer tijdens het navigeren een optie in de navigatiekaart
of viskaart:
Selecteer Menu > Navigatie stoppen.
Wanneer u met Auto Guidance navigeert, selecteert u
Menu > Navigatieopties > Navigatie stoppen.
Via-punten
Via-punten zijn locaties die u vastlegt en in het toestel opslaat.
Met via-punten kunt u markeren waar u bent, waar u naartoe
gaat of waar u bent geweest. U kunt details over de locatie
toevoegen, zoals naam, hoogte en diepte.
Uw huidige positie als waypoint markeren
Selecteer vanuit een willekeurig scherm Markeer.
Een via-punt op een andere positie maken
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten > Via-
punt maken.
12 Navigatie met een kaartplotter
2
Selecteer een optie:
Om het via-punt te maken door positiecoördinaten in te
voeren, selecteert u Voer coördinaten in en voert u de
coördinaten in.
Om het via-punt te maken met behulp van een kaart,
selecteert u Gebruik kaart en daarna achtereenvolgens
de locatie en Selecteer.
Een SOS-locatie markeren
U kunt een SOS-locatie markeren. Als een Garmin marifoon is
aangesloten via NMEA 2000, kunt u verschillende typen SOS-
oproepen selecteren, zoals Man-over-boord en Piraterij.
1
Houd SOS gedurende één seconde ingedrukt.
2
Selecteer het SOS-type.
3
Selecteer zo nodig OK om naar de man-over-boord-locatie te
navigeren.
Als u OK hebt geselecteerd, zet de kaartplotter een directe
koers uit terug naar de locatie. Als u een ander type SOS hebt
geselecteerd, worden de oproepgegevens naar de marifoon
verzonden. U moet de oproep via de marifoon verzenden.
Een lijst met alle waypoints weergeven
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten.
Een opgeslagen waypoint bewerken
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer Bekijk > Wijzig.
4
Selecteer een optie:
Als u een naam wilt toevoegen, selecteert u Naam en
voert u de naam in.
Als u het symbool wilt wijzigen, selecteert u Symbool.
Als u de diepte wilt wijzigen, selecteert u Diepte.
Als u de watertemperatuur wilt wijzigen, selecteert u
Watertemperatuur.
Als u de opmerking wilt wijzigen, selecteert u Opmerking.
Een opgeslagen waypoint verplaatsen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer Bekijk > Verplaats.
4
Geef een nieuwe locatie voor het waypoint aan:
Als u tijdens het weergeven van een kaart het waypoint
wilt verplaatsen, selecteert u Gebruik kaart, selecteert u
een nieuwe locatie op de kaart en vervolgens Verplaats
via-punt.
Als u het waypoint wilt verplaatsen door middel van
coördinaten, selecteert u Voer coördinaten in en voert u
de nieuwe coördinaten in.
Naar een opgeslagen waypoint zoeken en navigeren
VOORZICHTIG
De functie Auto Guidance is gebaseerd op elektronische
kaartgegevens. De gegevens garanderen niet dat de route vrij is
van obstakels en dat deze diep genoeg is. Let tijdens het volgen
van de koers altijd goed op en vermijd land, ondiep water en
andere obstakels die u onderweg kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een
gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen.
Gebruik visuele waarnemingen om land, ondiep water en
andere gevaarlijke objecten te vermijden.
OPMERKING: In sommige gebieden is Auto Guidance
beschikbaar bij premiumkaarten.
Voordat u naar een waypoint kunt navigeren, moet u er eerst
een maken.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer Navigeren naar.
4
Selecteer een optie:
Om direct naar de locatie te navigeren, selecteert u Ga
naar.
Om een route naar de locatie te maken, inclusief
koerswijzigingen, selecteert u Route naar.
Om Auto Guidance te gebruiken, selecteert u Auto Guid..
5
Controleer de koers die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
OPMERKING: Als u de functie Auto Guidance gebruikt, geeft
een grijs gedeelte op de magenta lijn aan dat de functie Auto
Guidance een deel van de Auto Guidance lijn niet kan
berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen voor
een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en
obstakelhoogte.
6
Volg de magenta lijn en vermijd daarbij land, ondiep water en
andere obstakels.
Een waypoint of MOB verwijderen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Via-punten.
2
Selecteer een waypoint of MOB.
3
Selecteer Bekijk > Wis.
Alle waypoints verwijderen
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Wis
gebruikergegevens > Via-punten > Alles.
Een directe koers instellen en volgen met behulp van
Ga naar
VOORZICHTIG
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een
gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen.
Gebruik visuele waarnemingen om land, ondiep water en
andere gevaarlijke objecten te vermijden.
U kunt een directe koers uitzetten en deze volgen vanaf uw
huidige positie naar een geselecteerde bestemming.
1
Selecteer een bestemming (Bestemmingen, pagina 12).
2
Selecteer Navigeren naar > Ga naar.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. Een dunnere paarse
lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde
koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u
van de koers afwijkt.
3
Volg de magenta lijn en vermijd daarbij land, ondiep water en
andere obstakels.
4
Wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de
paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te
gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
Routes
Een route vanaf uw huidige locatie maken en
navigeren
U kunt een route op de navigatiekaart of de viskaart maken en
deze meteen gaan volgen. Met deze procedure worden de
route- of waypointgegevens niet opgeslagen.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
1
Selecteer een bestemming op de navigatie- of viskaart.
2
Selecteer Navigeren naar > Route naar.
3
Selecteer de locatie van de laatste koerswijziging voor de
bestemming.
4
Selecteer Voeg koerswijziging toe.
Navigatie met een kaartplotter 13
5
Herhaal de stappen 3 en 4 als u meer koerswijzigingen wilt
toevoegen. Werk daarbij terug vanaf de bestemming naar de
huidige locatie van uw vaartuig.
De laatste koerswijziging die u toevoegt moet de eerste
koerswijziging zijn die u maakt, beginnend vanaf uw huidige
locatie. Het moet de koerswijziging zijn die zich het dichtst bij
uw vaartuig bevindt.
6
Indien nodig selecteert u Menu.
7
Selecteer Navigeer route.
8
Controleer de koers die met een magenta lijn wordt
aangegeven.
9
Volg de magenta lijn en vermijd daarbij land, ondiep water en
andere obstakels.
Een route maken en opslaan
Met deze procedure worden de route en alle hierin opgenomen
via-punten opgeslagen. Het startpunt kan uw huidige positie of
een willekeurige andere positie zijn.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden > Nieuw > Route maken met kaart.
2
Selecteer de beginlocatie van de route.
3
Selecteer Voeg koerswijziging toe.
4
Selecteer de locatie van de volgende koerswijziging op de
kaart.
5
Selecteer Voeg koerswijziging toe.
De kaartplotter markeert de locatie van de koerswijziging met
een via-punt.
6
Herhaal de stappen 4 en 5 als u meer koerswijziging wilt
opgeven.
7
Selecteer de eindbestemming.
Een lijst met routes en Auto Guidance routes
weergeven
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer zo nodig Filter om alleen routes of Auto Guidance
routes weer te geven.
Een opgeslagen route bewerken
U kunt de naam van een route wijzigen of de koerswijzigingen in
een route aanpassen.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Bekijk > Wijzig route.
4
Selecteer een optie:
Als u een naam wilt wijzigen, selecteert u Naam en voert
u de naam in.
Als u een waypoint wilt selecteren in de
koerswijzigingslijst, selecteert u Wijzig koerswijzigingen
> Gebruik lijst met koerswijzigingen en selecteert u een
waypoint in de lijst.
Als u een koerswijziging wilt selecteren, gaat u naar
Wijzig koerswijzigingen > Gebruik kaart en selecteert u
een locatie op de kaart.
Naar een opgeslagen route zoeken en navigeren
Voordat u een lijst met routes kunt doorzoeken en naar de
gewenste route kunt navigeren, moet u ten minste één route
maken en opslaan.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Navigeren naar.
4
Selecteer een optie:
Selecteer Vooruit om de route te navigeren vanaf het
beginpunt dat is gebruikt bij het maken van de route.
Selecteer Achteruit om de route te navigeren vanaf het
bestemmingspunt van de route dat is gebruikt bij het
maken van de route.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. Een dunnere paarse
lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde
koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u
van de koers afwijkt.
5
Controleer de koers die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
6
Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd
land, ondiep water en andere obstakels.
7
Wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de
paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te
gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
Naar een opgeslagen route zoeken en parallel aan
deze route navigeren
Voordat u een lijst met routes kunt doorzoeken en naar de
gewenste route kunt navigeren, moet u ten minste één route
maken en opslaan.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Navigeren naar.
4
Selecteer Offset om op een opgegeven afstand parallel aan
de oorspronkelijke route te navigeren.
5
Geef aan hoe u langs de route wilt navigeren:
Selecteer Vooruit - bakboord om de route te volgen
vanaf het vertrekpunt bij het maken van de route naar
links van de oorspronkelijke route.
Selecteer Vooruit - stuurboord om de route te volgen
vanaf het vertrekpunt bij het maken van de route naar
rechts van de oorspronkelijke route.
Selecteer Achteruit - bakboord om de route te volgen
vanaf het bestemmingspunt bij het maken van de route
naar links van de oorspronkelijke route.
Selecteer Achteruit - stuurboord om de route te volgen
vanaf het bestemmingspunt bij het maken van de route
naar rechts van de oorspronkelijke route.
6
Selecteer OK indien nodig.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. Een dunnere paarse
lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde
koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u
van de koers afwijkt.
7
Controleer de koers die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
8
Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd
land, ondiep water en andere obstakels.
9
Wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de
paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te
gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
Een opgeslagen route verwijderen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Bekijk > Wis.
Alle opgeslagen routes verwijderen
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Wis
gebruikergegevens > Routes en Auto Guidance paden.
14 Navigatie met een kaartplotter
Auto Guidance
VOORZICHTIG
De functie Auto Guidance is gebaseerd op elektronische
kaartgegevens. De gegevens garanderen niet dat de route vrij is
van obstakels en dat deze diep genoeg is. Let tijdens het volgen
van de koers altijd goed op en vermijd land, ondiep water en
andere obstakels die u onderweg kunt tegenkomen.
OPMERKING: In sommige gebieden is Auto Guidance
beschikbaar bij premiumkaarten.
U kunt Auto Guidance gebruiken om de beste route naar uw
bestemming in kaart te brengen. Auto Guidance gebruikt uw
kaartplotter om kaartgegevens, zoals waterdiepte en bekende
obstakels, te scannen en op basis daarvan een route te
berekenen en voor te stellen. U kunt de route onderweg
wijzigen.
Een Auto Guid. route instellen en volgen
1
Selecteer een bestemming (Bestemmingen, pagina 12).
2
Selecteer Navigeren naar > Auto Guid..
3
Controleer de route die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
4
Selecteer Start navigatie.
5
Volg de magenta lijn en vermijd daarbij land, ondiep water en
andere obstakels.
OPMERKING: Als u de functie Auto Guidance gebruikt, geeft
een grijs gedeelte op de magenta lijn aan dat de functie Auto
Guidance een deel van de Auto Guidance lijn niet kan
berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen voor
een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en
obstakelhoogte.
Een Auto Guid. route maken en opslaan
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden > Nieuw > Auto Guid..
2
Selecteer een beginpunt en vervolgens Volgende.
3
Selecteer een bestemming en daarna Volgende.
4
Selecteer een optie:
Als u een obstakel wilt bekijken en de route in de buurt
daarvan wilt wijzigen, selecteert u Gevaren weergeven.
Als u de route wilt wijzigen, selecteert u Pad aanpassen
en volgt u de instructies op het scherm.
Als u de route wilt wissen, selecteert u Annuleer Auto
Guidance.
Als u de route wilt opslaan, selecteert u OK.
Een opgeslagen Auto Guid. route wijzigen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Routes en Auto
Guidance paden.
2
Selecteer een route en vervolgens Bekijk > Wijzig > Pad
aanpassen.
TIP: Als u een Auto Guid. route volgt, selecteert u de route
op de navigatiekaart en daarna Pad aanpassen.
3
Selecteer een locatie op de route.
4
Sleep het punt naar een nieuwe locatie.
5
Selecteer zo nodig een punt en kies Verwijder.
6
Selecteer OK.
De uitvoering van een Auto Guid. berekening
annuleren
Selecteer in de navigatiekaart Menu > Annuleer.
TIP: U kunt Terug selecteren om de berekening snel te
annuleren.
Een getimede aankomst instellen
U kunt deze functie op een route of een Auto Guid. route
gebruiken om te worden geïnformeerd op welk tijdstip u
aankomt op een geselecteerd punt. Op die manier kunt u timen
op welk tijdstip u aankomt op een locatie, bijvoorbeeld een brug
die opengaat of de startlijn van een race.
1
Selecteer vanuit de navigatiekaart Menu.
2
Selecteer zo nodig Navigatieopties.
3
Selecteer Getimede aankomst.
TIP: U kunt het menu Getimede aankomst snel openen door
een punt te selecteren op de route of Auto Guidance route.
Configuraties van Auto Guidance routes
VOORZICHTIG
De instellingen voor Voorkeursdiepte en Vrije doorvaarthoogte
zijn van invloed op de manier waarop de kaartplotter een Auto
Guid. route berekent. Als de waterdiepte of de obstakelhoogte in
een gebied niet bekend is, wordt geen Auto Guid. route
berekend voor dat gebied. Als een gebied aan het begin of
einde van een Auto Guid. route minder diep is dan de
Voorkeursdiepte of lager dan de instellingen voor Vrije
doorvaarthoogte, wordt er afhankelijk van de kaartgegevens wel
of geen Auto Guid. route berekend voor dat gebied. De koers
door deze gebieden wordt op de kaart weergegeven als een
grijze lijn of een lijn met magenta en grijze lijnen. Er wordt een
alarmbericht weergegeven wanneer uw boot een van deze
gebieden binnenvaart.
OPMERKING: In sommige gebieden is Auto Guidance
beschikbaar bij premiumkaarten.
OPMERKING: Niet alle instellingen zijn van toepassing op alle
kaarten.
U kunt de parameters instellen die door de kaartplotter worden
gebruikt bij het berekenen van een Auto Guid. route.
Voorkeursdiepte: Hiermee stelt u de minimale waterdiepte in,
gebaseerd op dieptegegevens van de kaart, waarin uw boot
veilig kan varen.
OPMERKING: De minimale waterdiepte voor de
premiumkaarten (van vóór 2016) is 0,9 meter (3 ft.). Als u
een waarde invoert van minder dan 0,9 meter (3 ft.), gebruikt
de kaart alleen diepten van 0,9 meter (3 ft.) bij het berekenen
van een Auto Guid. route.
Vrije doorvaarthoogte: Hiermee kunt u de minimale hoogte
voor bruggen of obstakels instellen, gebaseerd op de
kaartgegevens, waar de boot nog veilig onderdoor kan varen.
Afstand kustlijn: Hiermee stelt u in hoe dicht op de kust u de
Auto Guid. route wilt plaatsen. De Auto Guid. route wordt
mogelijk verplaatst als u deze instelling tijdens het navigeren
wijzigt. De voor deze instelling beschikbare waarden zijn
relatief in plaats van absoluut. Om ervoor te zorgen dat de
Auto Guidance lijn op de juiste afstand van de kust wordt
geplaatst, kunt u de plaatsing van de Auto Guid. route
beoordelen aan de hand van een of meer bekende
bestemmingen waarvoor navigatie door nauw vaarwater is
vereist (De afstand ten opzichte van de kust aanpassen,
pagina 15).
De afstand ten opzichte van de kust aanpassen
De instelling Afstand kustlijn geeft aan hoe dicht op de kust u de
Auto Guid. lijn wilt plaatsen. De Auto Guid. lijn wordt mogelijk
verplaatst als u deze instelling tijdens het navigeren wijzigt. De
beschikbare waarden voor de instelling Afstand kustlijn zijn
relatief, niet absoluut. Om ervoor te zorgen dat de Auto Guid. lijn
op de juiste afstand van de kust wordt geplaatst, kunt u de
plaatsing van de Auto Guid. lijn beoordelen aan de hand van
een of meer bekende bestemmingen waarvoor navigatie door
nauw vaarwater is vereist.
1
Meer uw vaartuig af of ga voor anker.
Navigatie met een kaartplotter 15
2
Selecteer Instellingen > Voorkeuren > Navigatie > Auto
Guid. > Afstand kustlijn > Normaal.
3
Selecteer een bestemming waar u eerder naartoe bent
gevaren.
4
Selecteer Navigeren naar > Auto Guid..
5
Controleer de plaatsing van de Auto Guidance-lijn en bepaal
of de lijn veilig om bekende obstakels heen gaat en of de
route met koerswijzigingen een efficiënte route is.
6
Selecteer een optie:
Als u tevreden bent met de plaatsing van de Auto
Guidance-lijn, selecteert u Menu > Navigatieopties >
Navigatie stoppen en gaat u verder met stap 10.
Als de Auto Guidance-lijn te dicht bij bekende obstakels is
geplaatst, selecteert u Instellingen > Voorkeuren >
Navigatie > Auto Guid. > Afstand kustlijn > Ver.
Als de koerswijzigingen in de Auto Guidance-lijn te groot
zijn, selecteert u Instellingen > Voorkeuren > Navigatie
> Auto Guid. > Afstand kustlijn > Nabij.
7
Als u Nabij of Ver hebt geselecteerd in stap 6, controleert u
de plaatsing van de Auto Guidance-lijn en bepaalt u of de lijn
veilig om bekende obstakels heen gaat en of de route met
koerswijzigingen een efficiënte route is.
Auto Guid. zorgt ervoor dat u ver bij obstakels in open water
vandaan blijft, ook als u Afstand tot kustlijn instelt op Nabij of
Dichtstb. Dit betekent dat de kaartplotter de positie van de
Auto Guid. lijn wellicht niet wijzigt, tenzij navigatie door nauw
vaarwater is vereist voor de geselecteerde bestemming.
8
Selecteer een optie:
Als u tevreden bent met de plaatsing van de Auto
Guidance-lijn, selecteert u Menu > Navigatieopties >
Navigatie stoppen en gaat u verder met stap 10.
Als de Auto Guidance lijn te dicht bij bekende obstakels is
geplaatst, selecteert u Instellingen > Voorkeuren >
Navigatie > Auto Guid. > Afstand kustlijn > Verst.
Als de koerswijzigingen in de Auto Guidance lijn te groot
zijn, selecteert u Instellingen > Voorkeuren > Navigatie
> Auto Guid. > Afstand kustlijn > Dichtstb.
9
Als u Dichtstb of Verst hebt geselecteerd in stap 8,
controleert u de plaatsing van de Auto Guid. lijn en bepaalt u
of de lijn veilig om bekende obstakels heen gaat en of de
route met koerswijzigingen een efficiënte route is.
Auto Guid. zorgt ervoor dat u ver bij obstakels in open water
vandaan blijft, ook als u Afstand tot kustlijn instelt op Nabij of
Dichtstb. Dit betekent dat de kaartplotter de positie van de
Auto Guid. lijn wellicht niet wijzigt, tenzij navigatie door nauw
vaarwater is vereist voor de geselecteerde bestemming.
10
Herhaal stap 3 t/m 9 in ieder geval nog één keer. Gebruik
daarbij elke keer een andere bestemming tot u vertrouwd
bent met de functionaliteit van de instelling Afstand kustlijn.
Sporen
Een spoor (track) is een registratie van de door uw boot
afgelegde weg. Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd is
het actieve spoor. Dit kan worden opgeslagen. U kunt sporen
weergeven op elke kaart of in elke 3D-kaartweergave.
Sporen weergeven
Selecteer in een willekeurige kaart of een 3D-kaartweergave
Menu > Waypoints en sporen > Sporen > Aan.
Een lijn achter uw boot op de kaart geeft uw route aan.
De kleur van het actieve spoor instellen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen > Actieve
spooropties > Spoorkleur.
2
Selecteer een spoorkleur.
Het actieve spoor opslaan
Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd, wordt het actieve
spoor genoemd.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen > Actief
spoor opslaan.
2
Selecteer een optie:
Selecteer de tijd waarop het actieve spoor is begonnen.
Selecteer Geheel log.
3
Selecteer Sla op.
Een lijst met opgeslagen sporen weergeven
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen >
Opgeslagen sporen.
Een opgeslagen spoor bewerken
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen >
Opgeslagen sporen.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer Wijzig spoor.
4
Selecteer een optie:
Selecteer Naam en voer een nieuwe naam in.
Selecteer Spoorkleur en selecteer een kleur.
Een spoor opslaan als route
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen >
Opgeslagen sporen.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer Selecteer > Wijzig spoor > Route opslaan.
Naar een opgeslagen spoor zoeken en navigeren
Voordat u een lijst met sporen kunt doorzoeken en naar het
gewenste spoor kunt navigeren, moet u ten minste één spoor
maken en opslaan (Sporen, pagina 16).
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen >
Opgeslagen sporen.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer Volg spoor.
4
Selecteer een optie:
Selecteer Vooruit om vanaf het beginpunt dat is gebruikt
bij het maken van het spoor naar het spoor te navigeren.
Selecteer Achteruit om vanaf het bestemmingspunt dat is
gebruikt bij het maken van het spoor naar het spoor te
navigeren.
5
Controleer de koers, die met een gekleurde lijn is
aangegeven.
6
Volg de lijn langs elk traject van de route, vermijd land,
ondiep water en andere obstakels.
Een opgeslagen spoor verwijderen
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen >
Opgeslagen sporen.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer Selecteer > Wis.
Alle opgeslagen sporen verwijderen
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Wis
gebruikergegevens > Opgeslagen sporen.
Het actieve spoor volgen in tegengestelde richting
Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd, wordt het actieve
spoor genoemd.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens > Sporen > Volg
actief spoor.
2
Selecteer een optie:
Selecteer de tijd waarop het actieve spoor is begonnen.
16 Navigatie met een kaartplotter
Gesplitst zoomscherm voor echoloodweergave
Het gesplitste zoomscherm voor echoloodweergave bevat een
volledige grafiek van de echoloodmetingen plus een
uitvergroting van een gedeelte van de grafiek op hetzelfde
scherm.
Gesplitst frequentiescherm voor echoloodweergave
In het gesplitste frequentiescherm voor echoloodweergave
worden aan de ene kant hoogfrequente echoloodgegevens
weergegeven in een grafiek op het volledige scherm, en aan de
andere kant laagfrequente echoloodgegevens.
OPMERKING: Voor het gesplitste frequentiescherm is een
transducer met dubbele frequentie vereist.
Panoptix echoloodweergaven
OPMERKING: Niet alle modellen ondersteunen Panoptix
transducers.
Als u Panoptix echoloodbeelden wilt ontvangen, hebt u een
compatibele kaartplotter en een compatibele transducer nodig.
In de Panoptix echoloodweergaven kunt u alles rond de boot in
real-time zien. U kunt zelfs het aas onderwater zien en
aasvissen voor of onder uw boot zien zwemmen.
In de LiveVü echoloodweergaven kunt u alles wat er voor of
onder uw boot beweegt 'live' zien. Het scherm wordt zeer snel
bijgewerkt, wat de geproduceerde echoloodbeelden een vrijwel
live video-effect geeft.
De RealVü 3D-echoloodweergaven tonen alles wat zich voor of
onder uw boot bevindt in 3D. Het scherm wordt bijgewerkt met
elke zwaai van de transducer.
Om alle vijf de Panoptix echoloodweergaven te kunnen zien
hebt u een transducer nodig voor de beelden onder de boot en
een tweede transducer voor de beelden vóór uw boot.
U opent de Panoptix echoloodweergaven door Echolood en
vervolgens een weergave te selecteren.
LiveVü Down echoloodweergave
Deze echoloodweergave toont in tweedimensionale beelden wat
zich onder de boot bevindt. U kunt in deze weergave ook ballen
aas en scholen vis zien.
À
Panoptix beelden van onder de boot in bewegende echoloodweer-
gave
Á
Boot
Â
Bereik
Ã
Sporen
Ä
Dropshot-rig
Å
Bodem
LiveVü Forward echoloodweergave
Deze echoloodweergave toont in tweedimensionale beelden wat
zich voor de boot bevindt. U kunt in deze weergave ook ballen
aas en scholen vis zien.
À
Boot
Á
Bereik
Â
Vis
Ã
Sporen
Ä
Bodem
RealVü 3D Forward echoloodweergave
Deze echoloodweergave toont in driedimensionale beelden wat
zich vóór de transducer bevindt. U kunt deze weergave
gebruiken als u stilligt en de bodem en de naar de boot toe
zwemmende vissen wilt zien.
À
Kleurlegenda
Á
Boot
Â
Ping-indicator
Ã
Vis
Ä
Bodem
Å
Bereik
RealVü 3D Down echoloodweergave
In deze echoloodweergave worden driedimensionale beelden
getoond van wat zich onder de transducer bevindt. U kunt deze
weergave als u stilligt gebruiken om alles rondom uw boot te
bekijken.
RealVü 3D historische echoloodwaargave
In deze weergave kunt u in 3D zien wat zich achter uw boot
afspeelt terwijl u vaart en de hele waterkolom van bodem tot
oppervlakte in 3D weergeven. Deze weergave wordt gebruikt
om vis te vinden.
À
Kleurlegenda
Á
Boot
Echolood 21
Â
Bereik
Ã
Bodem
Ä
Structuur
Å
Vis
FrontVü echoloodweergave
De Panoptix FrontVü echoloodweergave vergroot uw kennis van
de situatie door obstakels onder water te tonen, tot maximaal
91 meter (300 feet) voor de boot.
Wanneer u sneller vaart dan 8 knopen, kan het FrontVü
echolood minder goed aanvaringen voorkomen.
Als u de FrontVü echoloodweergave wilt bekijken, moet u een
compatibele transducer, zoals een PS21 transducer, installeren
en aansluiten. U moet mogelijk de software van de transducer
bijwerken.
De echoloodweergave veranderen
1
Selecteer in een combinatiescherm of SmartMode lay-out
met echolood het te wijzigen venster.
2
Selecteer Menu > Wijzig echolood.
3
Selecteer een echoloodweergave.
Het transducertype selecteren
Voordat u het transducertype kunt selecteren, moet u weten
welk transducertype u in uw bezit hebt.
Deze kaartplotter is compatibel met de Garmin ClearVü
transducer en met diverse andere transducers, zoals Garmin GT
transducers, die verkrijgbaar zijn op www.garmin.com.
Als u een transducer aansluit die bij de kaartplotter is geleverd,
moet u mogelijk het transducertype instellen om het echolood
correct te laten functioneren. Als het toestel uw transducer
automatisch heeft gedetecteerd, wordt deze optie niet
weergegeven.
1
Selecteer vanuit een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Installatie > Transducertype.
2
Selecteer een optie:
Als u een transducer met dubbele bundel voor frequenties
van 200 of 77 kHz hebt, selecteert u Dubbele bundel
200/77khz.
Als u een transducer met dubbele frequentie voor
frequenties van 200 of 50 kHz hebt, selecteert u Dubbele
frequentie (200/50 kHz).
Als u een ander type transducer hebt, selecteert u deze in
de lijst.
Het kompas kalibreren
Voordat u het kompas kunt kalibreren, moet de transducer op
voldoende afstand van de trollingmotor op de as zijn geplaatst
om magnetische interferentie te voorkomen, en in het water zijn
geplaatst. De kalibratie moet voldoende nauwkeurig zijn om het
interne kompas te kunnen gebruiken.
OPMERKING: U moet de transducer op de as monteren om het
kompas te gebruiken. Het kompas werkt niet wanneer u de
transducer op de motor monteert.
OPMERKING: Kompaskalibratie is alleen beschikbaar voor
transducers met een intern kompas.
U kunt uw boot alvast draaien voordat u begint te kalibreren,
maar tijdens het kalibreren moet uw boot 1,5 keer volledig
roteren.
1
Selecteer op de ForwardVü of LiveVü Forward
echoloodpagina Menu > Echoloodinstelling > Installatie.
2
Selecteer indien nodig Gebruik AHRS.
3
Selecteer Kalibreer kompas.
4
Volg de instructies op het scherm.
Een via-punt maken in het echoloodscherm
1
Sleep het scherm of selecteer in een echoloodweergave.
2
Selecteer een locatie.
3
Selecteer Nieuw Via-punt of .
4
Bewerk zo nodig de via-puntgegevens.
Afstanden meten op het echoloodscherm
U kunt de afstand tussen twee punten in de SideVü
echoloodweergave meten.
1
Selecteer in de SideVü echoloodweergave een locatie op het
scherm.
2
Selecteer Afstand meten.
Er verschijnt een punaise op het scherm op de selecteerde
locatie.
3
Selecteer een andere locatie.
De afstand en hoek vanaf de punaise worden weergegeven
in de linkerbovenhoek.
TIP: Als u de punaise en de meetgegevens vanaf de huidige
locatie van de punaise wilt verwijderen, selecteert u Afstand
meten.
De weergave van echoloodgegevens
pauzeren
Selecteer in een echoloodweergave .
Echoloodgeschiedenis weergeven
U kunt historische echoloodgegevens in een echoloodweergave
bekijken.
OPMERKING: Niet alle transducers slaan historische
echoloodgegevens op.
1
Selecteer in een echoloodweergave .
2
Sleep het scherm.
Echoloodgegevens delen
Deze functie is mogelijk niet op alle kaartplottermodellen
beschikbaar.
U kunt via het Garmin Marine Network de echoloodgegevens uit
alle compatibele bronnen bekijken. U kunt echoloodgegevens
bekijken uit een compatibele, externe echoloodmodule, zoals
een GCV
echoloodmodule. Bovendien kunt u de
echoloodgegevens bekijken van andere kaartplotters met een
ingebouwde echoloodmodule.
Elke op het netwerk aangesloten kaartplotter kan
echoloodgegevens afkomstig van op het netwerk aangesloten
compatibele echoloodmodules en transducers weergeven,
ongeacht waar de kaartplotters en transducers op uw boot zijn
geïnstalleerd. Op bijvoorbeeld een transducer met Garmin
ClearVü die achterin de boot is geïnstalleerd, kunt u de
echoloodgegevens bekijken via de voorin de boot geplaatste
GPSMAP 7407xsv.
Bij het delen van echoloodgegevens worden de waarden van
sommige echoloodinstellingen, zoals Bereik en Versterking,
gesynchroniseerd tussen de toestellen in het netwerk. De
waarden van andere echoloodinstellingen, zoals de Presentatie
22 Echolood
instellingen, worden niet gesynchroniseerd en dienen te worden
geconfigureerd op elk afzonderlijk toestel. Bovendien worden de
schuifsnelheden van de verschillende traditionele en Garmin
ClearVü echoloodweergaven gesynchroniseerd om de gesplitste
weergaven overzichtelijker te maken.
OPMERKING: Bij gebruik van meerdere transducers tegelijk
kan radarstoring ontstaan, wat kan worden verholpen door de
echoloodinstelling Interferentie bij te stellen.
Een echoloodbron selecteren
Deze functie is mogelijk niet op alle modellen beschikbaar.
Als u meerdere echoloodgegevensbronnen gebruikt voor een
bepaalde echoloodweergave, kunt u de voor die
echoloodweergave te gebruiken bron selecteren. Als u
bijvoorbeeld twee bronnen hebt voor Garmin ClearVü, kunt u de
te gebruiken bron selecteren in de Garmin ClearVü
echoloodweergave.
1
Open de echoloodweergave waarvoor u een andere bron wilt
gebruiken.
2
Selecteer Menu > Echoloodinstelling > Bron.
3
Selecteer de bron voor deze echoloodweergave.
Naam van een echoloodbron wijzigen
U kunt de naam van een echoloodbron wijzigen om die bron
gemakkelijk te herkennen. U duidt de transducer op de boeg
van uw boot bijvoorbeeld aan met de naam "Boeg".
De naam van de bron wordt alleen voor de huidige weergave
gewijzigd. Als u bijvoorbeeld de naam van de Garmin ClearVü
echoloodbron wilt wijzigen, moet u de Garmin ClearVü
echoloodweergave openen.
1
Selecteer in de echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Bron > Wijzig naam bronnen.
2
Voer de naam in.
Het detailniveau aanpassen
U kunt het detailniveau en de ruis die op het echoloodscherm
worden weergegeven, aanpassen door de versterking aan te
passen voor traditionele transducers of door de helderheid aan
te passen voor Garmin ClearVü transducers.
Als u de signalen met de hoogste intensiteit wilt weergeven op
het scherm, kunt u de versterking of de helderheid verlagen om
signalen en ruis met een lagere intensiteit te verwijderen. Als u
alle signaalinformatie wilt weergeven, kunt u de versterking of
de helderheid verlagen om meer informatie weer te geven op
het scherm. Hiermee geeft u ook meer ruis weer, waardoor het
lastiger kan zijn om echte signalen te herkennen.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu.
2
Selecteer Versterking of Helderheid.
3
Selecteer een optie:
Selecteer Omhoog of Omlaag om de helderheid
handmatig te verhogen of te verlagen.
Selecteer een automatische optie om de versterking of de
helderheid automatisch te laten aanpassen door de
kaartplotter.
De kleurintensiteit aanpassen
U kunt de intensiteit van kleuren aanpassen en bepaalde
gebieden op het echoloodscherm markeren door de
kleurversterking voor traditionele transducers of het contrast
voor Garmin ClearVü en SideVü/ClearVü transducers aan te
passen. Deze instelling werkt het beste nadat u het niveau van
de details die op het scherm worden weergegeven, hebt
aangepast met de versterkings- of helderheidsinstellingen.
Als u kleinere vissen wilt markeren of een doel wilt weergeven
met een hogere intensiteit, kunt u de kleurversterking of de
contrastinstelling verhogen. Dit gaat ten koste van het
onderscheid tussen de signalen met een hoge intensiteit
onderaan. Als u de intensiteit van een signaal wilt verlagen, kunt
u de kleurversterking of het contrast verlagen.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu.
2
Selecteer een optie:
Selecteer in de Garmin ClearVü of SideVü
echoloodweergave Contrast.
Selecteer in een Panoptix LiveVü echoloodweergave
Kleurversterk..
Selecteer in een andere echoloodweergave
Echoloodinstelling > Geavanceerd > Kleurversterk..
3
Selecteer een optie:
Selecteer Omhoog of Omlaag om de kleurintensiteit
handmatig te verhogen of te verlagen.
Selecteer Standaard als u de standaardinstelling wilt
gebruiken.
Het bereik van de diepte- of breedteschaal
aanpassen
U kunt het bereik van de diepteschaal voor traditionele en
Garmin ClearVü echoloodweergaven, en het bereik van de
breedteschaal voor de SideVü echoloodweergave aanpassen.
Als u toestaat dat het toestel het bereik automatisch aanpast,
wordt de bodem weergegeven in het onderste of buitenste
derde deel van het echoloodscherm. Dit kan handig zijn voor het
volgen van een bodem met minimale of minder grote
dieptewijzigingen.
Als u het bereik handmatig aanpast, kunt u een opgegeven
bereik weergeven. Dit kan handig zijn voor het volgen van een
bodem met grote dieptewijzigingen, zoals steile hellingen. De
bodem wordt op het scherm weergegeven zolang deze binnen
het door u ingestelde bereik blijft.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu > Bereik.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Automatisch om het bereik automatisch te
laten aanpassen door de kaartplotter.
Selecteer Omhoog of Omlaag om het bereik handmatig
te vergroten of te verkleinen.
TIP: Op het echoloodscherm kunt u of selecteren om
het bereik handmatig aan te passen.
TIP: Als u meerdere echoloodschermen hebt, kunt u met de
knop Selecteer het actieve scherm selecteren.
Het zoomniveau instellen op het
echoloodscherm
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu > Zoom.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Bodem vast om in te zoomen op
echoloodgegevens op bodemdiepte.
Als u het dieptebereik van het uitvergrote gebied
handmatig wilt instellen, selecteert u Zoom instellen.
Selecteer vervolgens Weerg. hoger of Wrgv. dieper om
het dieptebereik van het uitvergrote gebied in te stellen en
selecteer Inzoomen of Uitzoomen om de vergroting van
het uitvergrote gebied te verhogen of te verlagen.
Selecteer Zoom instellen > Automatisch om de diepte
en de zoom automatisch te laten instellen.
Selecteer Geen zoom om de zoom te annuleren.
De schuifsnelheid instellen
U kunt bepalen hoe snel de echoloodgegevens over het scherm
schuiven. Een hogere schuifsnelheid geeft meer details weer,
met name als u vaart of op de motor vaart. Een lagere
schuifsnelheid geeft echoloodgegevens langer op het scherm
Echolood 23
weer. Als u de schuifsnelheid in één echoloodweergave instelt,
wordt deze toegepast op alle echoloodweergaven.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Schuifsnelheid.
2
Selecteer een optie:
Als u de schuifsnelheid automatisch wilt instellen met
behulp van gegevens over de snelheid over de grond
(SOG) of de watersnelheid, selecteert u Automatisch.
De instelling Automatisch selecteert een schuifsnelheid
die is afgestemd op de snelheid van de boot, zodat doelen
in het water met de juiste hoogte-breedteverhouding
worden getekend en minder zijn vertekend. Bij gebruik
van Garmin ClearVü of SideVü echoloodweergaven, wordt
aangeraden de instelling Automatisch te gebruiken.
Als u een zeer hoge schuifsnelheid wilt, selecteert u
Ultrascroll®.
Met de optie Ultrascroll schuiven nieuwe
echoloodgegevens snel over het scherm, maar met een
lagere beeldkwaliteit. In de meeste situaties, biedt de optie
Snel een goede balans tussen een snel schuivend beeld
en doelen die minder vertekend worden.
Echoloodfrequenties
OPMERKING: De beschikbare frequenties zijn afhankelijk van
de gebruikte kaartplotter, echoloodmodules en transducer.
Door de frequentie in te stellen, past u het echolood aan voor
uw specifieke doel en de aanwezige waterdiepte.
Hogere frequenties maken gebruik van smallere bundels en zijn
daarom beter voor snelle weergave en bij een ruwe zee. De
weergave van bodem en thermoclines (inversielagen) kan beter
zijn wanneer u een hogere frequentie gebruikt.
Lagere frequenties maken gebruik van bredere bundels, die de
visser meer doelen laten zien, maar kunnen ook meer
oppervlakteruis genereren en de continuïteit van bodemsignalen
verslechteren bij een ruwe zee. Bredere bundels genereren
grotere visbogen, waardoor ze ideaal zijn voor het opsporen van
vis. Bredere bundels werken ook beter in diep water, omdat de
lagere frequentie beter doordringt in diep water.
Met CHIRP frequenties kunt u elke puls een reeks frequenties
laten doorlopen voor een betere scheiding van doelen in diep
water. U kunt CHIRP gebruiken om doelen, zoals vissen in een
school, te onderscheiden en voor toepassing in diep water.
CHIRP presteert over het algemeen beter dan toepassingen met
één enkelvoudige frequentie. Omdat sommige vissen beter
worden weergegeven met een vaste frequentie, moet u rekening
houden met uw doelstellingen en met de wateromstandigheden
wanneer u CHIRP frequenties gebruikt.
Met sommige black-box echoloden en transducers kunt u ook
vooraf ingestelde frequenties aanpassen voor elk
transducerelement. Dit betekent dat u de frequentie met behulp
van de voorinstellingen snel kunt wijzigen wanneer de
wateromstandigheden en uw doelstellingen veranderen.
Wanneer u twee frequenties tegelijk gebruikt in de gesplitste
frequentieweergave, kunt u dieper kijken met de lagere
frequentie en tegelijkertijd meer details zien met de hogere
frequentie.
Frequenties selecteren
OPMERKING: U kunt niet de frequentie voor alle
echoloodweergaven en transducers aanpassen.
U kunt opgeven welke frequenties in het echoloodscherm
worden weergegeven.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu > Frequentie.
2
Selecteer een frequentie die is afgestemd op uw behoeften
en waterdiepte.
Zie Echoloodfrequenties, pagina 24 voor meer informatie
over frequenties.
Een frequentievoorinstelling maken
OPMERKING: Niet voor alle transducers beschikbaar.
U kunt een voorinstelling maken om een specifieke
echoloodfrequentie op te slaan, zodat u snel van frequentie kunt
wisselen.
1
Selecteer in een echoloodweergave Menu > Frequentie.
2
Selecteer Frequentiebeheer > Nieuwe voorinstelling.
3
Voer een frequentie in.
De Panoptix echoloodweergaven aanpassen
OPMERKING: Niet alle modellen ondersteunen Panoptix
transducers.
De presentatie van LiveVü echoloodweergaven
aanpassen
1
Selecteer in een LiveVü echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling.
2
Selecteer een optie:
Als u de kleuren van de echoloodweergave wilt wijzigen,
selecteert u Kleurenschema en kiest u een optie.
Als u de lengte van sporen voor de weergave van doelen
wilt wijzigen, selecteert u Sporen en kiest u een optie.
Selecteer Bodem vullen om de bodem bruin te kleuren,
zodat bodem en water gemakkelijker zijn te
onderscheiden.
Als u de coördinaten wilt weergeven of verbergen,
selecteert u Grid overlay.
Als u de geschiedenis aan de zijkant van het scherm wilt
weergeven of verbergen, selecteert u Scrollgeschied..
De zendhoek van de LiveVü transducer instellen
U kunt de zendhoek van de LiveVü transducer wijzigen om de
transducer te richten op een bepaald gebied. Bijvoorbeeld om
een bal aas te volgen of om een boom in beeld te brengen die u
passeert.
1
Selecteer in een LiveVü echoloodweergave Menu >
Zendhoek.
2
Selecteer een optie.
Kijkhoek en zoomniveau van RealVü aanpassen
U kunt de kijkhoek van de RealVü echoloodweergaven wijzigen.
U kunt ook in- en uitzoomen op de weergave.
Selecteer in een RealVü echoloodweergave een optie:
Om de kijkhoek diagonaal te wijzigen selecteert u .
Om de kijkhoek horizontaal te wijzigen selecteert u .
Om de kijkhoek verticaal te wijzigen selecteert u .
Veeg over het scherm in de gewenste richting om de
kijkhoek te wijzigen.
Spreid twee vingers uit elkaar om in te zoomen.
Knijp twee vingers samen om uit te zoomen.
De presentatie van RealVü echoloodweergaven
aanpassen
1
Selecteer in een RealVü echoloodweergave Menu.
2
Selecteer een optie:
Als u de diepte waar het kleurenpalet opnieuw begint wilt
wijzigen, selecteert u Paletdiepte en kiest u een optie.
Als u een ander kleurenpalet wilt kiezen voor de
echoloodweerkaatsingspunten, selecteert u
Echoloodinstelling > Puntkleuren en kiest u een optie.
24 Echolood
Als u een ander kleurenpalet wilt kiezen voor de bodem,
selecteert u Echoloodinstelling > Bodemkleuren en
kiest u een optie.
Als u een andere stijl wilt kiezen voor de bodem,
selecteert u Echoloodinstelling > Bodemstijl en kiest u
een optie.
Als u de kleurlegenda aan de zijkant van het scherm wilt
verbergen of weergeven, selecteert u Echoloodinstelling
> Kleurlegenda.
De RealVü zwaaisnelheid aanpassen
U kunt de snelheid waarop de transducer heen en weer zwaait
aanpassen. Bij een hogere zwaaisnelheid worden minder
gedetailleerde beelden gegenereerd, maar wordt het scherm
sneller vernieuwd. Bij een lagere zwaaisnelheid zijn de beelden
gedetailleerder, maar wordt het scherm langzamer vernieuwd.
OPMERKING: Deze functie is niet beschikbaar voor de RealVü
3D historisch echoloodweergave.
1
Selecteer in een RealVü echoloodweergave Menu >
Scansnelheid.
2
Selecteer een optie.
De a-scope inschakelen
OPMERKING: Deze functie is niet in alle echoloodweergaven
beschikbaar.
De a-scope is een verticale flitser rechts in de
echoloodweergave op volledig scherm. Met deze functie worden
de meest recentelijk ontvangen echoloodgegevens uitvergroot
zodat deze eenvoudiger te zien zijn. Dit kan handig zijn als u
vissen wilt detecteren die zich dicht bij de bodem bevinden.
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Presentatie > A-Scope > Aan.
Het transducertype selecteren
Voordat u het transducertype kunt selecteren, moet u weten
welk transducertype u in uw bezit hebt.
Deze kaartplotter is compatibel met de Garmin ClearVü
transducer en met diverse andere transducers, zoals Garmin GT
transducers, die verkrijgbaar zijn op www.garmin.com.
Als u een transducer aansluit die bij de kaartplotter is geleverd,
moet u mogelijk het transducertype instellen om het echolood
correct te laten functioneren. Als het toestel uw transducer
automatisch heeft gedetecteerd, wordt deze optie niet
weergegeven.
1
Selecteer vanuit een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Installatie > Transducertype.
2
Selecteer een optie:
Als u een transducer met dubbele bundel voor frequenties
van 200 of 77 kHz hebt, selecteert u Dubbele bundel
200/77khz.
Als u een transducer met dubbele frequentie voor
frequenties van 200 of 50 kHz hebt, selecteert u Dubbele
frequentie (200/50 kHz).
Als u een ander type transducer hebt, selecteert u deze in
de lijst.
Echoloodinstelling
OPMERKING: Niet alle opties en instellingen zijn van
toepassing op alle modellen, echoloodmodules en transducers.
Echoloodinstellingen
OPMERKING: Deze instellingen zijn niet van toepassing op
Panoptix transducers. Zie RealVü echoloodinstellingen,
pagina 25 en LiveVü echoloodinstellingen, pagina 25.
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling.
Schuifsnelheid: Hiermee stelt u in hoe snel de
echoloodgegevens van rechts naar links schuiven (De
schuifsnelheid instellen, pagina 23).
In ondiep water kunt u de schuifsnelheid lager instellen om
de informatie langer weer te geven op het scherm. In diep
water kunt u de schuifsnelheid hoger instellen. Via
Automatische schuifsnelheid wordt de schuifsnelheid
aangepast aan de snelheid van het schip.
Ruisonderdrukking: Hiermee kunt u de interferentie en de
hoeveelheid ruis op het echoloodscherm verminderen
(Instellingen voor ruisonderdrukking, pagina 25).
Presentatie: Hiermee kunt u de presentatie van het
echoloodscherm configureren (Instellingen voor
echoloodweergave, pagina 26).
Alarmen: Hiermee kunt u echoloodwaarschuwingen instellen
(Instellingen voor echoloodwaarschuwingen, pagina 26).
Geavanceerd: Hiermee kunt u diverse echoloodweergaven en
gegevensbroninstellingen configureren (Geavanceerde
echoloodinstellingen, pagina 26).
Installatie: Hiermee kunt u de transducer configureren
(Instellingen voor installatie van transducer, pagina 26).
RealVü echoloodinstellingen
Selecteer in een RealVü echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling.
Puntkleuren: Hiermee kunt u een ander kleurenschema
instellen voor de echoloodweerkaatsingspunten.
Bodemstijl: Hiermee kunt u de stijl voor de bodem instellen. In
diep water kunt u deze instelling op de Punten instellen en
vervolgens het bereik handmatig minder diep maken.
Bodemkleuren: Hiermee stelt u het kleurenschema voor de
bodem in.
Kleurlegenda: Kleurlegenda met bijbehorende diepten.
Overlaygegevens: Hiermee kunt u de gegevens instellen die op
het echoloodscherm worden weergegeven.
Installatie: Hiermee kunt u de transducer configureren
(Instellingen voor installatie van transducer, pagina 26).
LiveVü echoloodinstellingen
Selecteer in een LiveVü echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling.
Kleurenschema: Hiermee stelt u het kleurenpalet in.
Bodem vullen: Kleurt de bodem bruin om deze te
onderscheiden van water.
Sporen: Hiermee stelt u in hoe lang de sporen op het scherm
worden weergegeven. De sporen tonen de beweging van het
doel.
Grid overlay: Geeft een raster van bereiklijnen weer.
Ruisonderdrukking: Hiermee kunt u de interferentie en de
hoeveelheid ruis op het echoloodscherm verminderen.
Scrollgeschied.: Geeft historische echoloodbeelden weer in
een traditionele echoloodweergave.
Overlaygegevens: Hiermee stelt u in welke gegevens worden
getoond op het echoloodscherm (De gegevensoverlays
aanpassen, pagina 3).
Installatie: Hiermee kunt u de transducer configureren (Het
kompas kalibreren, pagina 22).
Instellingen voor ruisonderdrukking
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Ruisonderdrukking.
Interferentie: Hiermee past u de gevoeligheid aan om de
gevolgen van interferentie door ruis veroorzakende bronnen
in de buurt te verminderen.
Gebruik de laagste interferentie-instelling waarmee de
gewenste verbetering kan worden bereikt, om interferentie
Echolood 25
Zendsnelheid: Stelt de tijdsduur tussen echoloodsignalen in.
Als u de zendsnelheid verhoogt, wordt de schuifsnelheid
verhoogd, maar dit kan ook zelfinterferentie veroorzaken.
Als u de zendsnelheid verlaagt, wordt tijdsduur tussen
opeenvolgende pulsen vergroot, wat zelfinterferentie kan
oplossen.
Zendvermogen: Hiermee kunt u de echo van de transducer
nabij het oppervlak verminderen. Een lager zendvermogen
vermindert de echo van de transducer, maar kan ook de
sterkte van de echosignalen verlagen.
Filterbreedte: Hiermee kunt u de randen van het doel
definiëren. Een korter filter verscherpt de randen van doelen,
maar geeft mogelijk meer ruis. Een langer filter verzacht de
randen van doelen en vermindert mogelijk ook de ruis.
Transducerdiagnose: Hiermee kunt u gegevens over de
transducer weergeven.
L/R spiegelen: Wijzigt de SideVü weergave-oriëntatie van links
naar rechts.
Instal.diepte: Hiermee stelt u in hoe diep onder de waterlijn de
Panoptix transducer is gemonteerd. Door de exacte diepte
van de montageplaats van de transducer in te voeren wordt
de visuele weergave van wat zich in het water bevindt
verbeterd.
Gespiegeld: Hiermee stelt u de oriëntatie van de Panoptix
echoloodweergave in als de Down View transducer is
geïnstalleerd met de kabels richting de bakboordzijde van de
boot.
Straalbreedte: Hiermee stelt u de breedte van de Panoptix
transducerstraal in.
Met een smalle straalbreedte kunt u dieper en verder kijken.
Met bredere straalbreedten kunt u meer dekkingsgebieden
zien.
Gebruik AHRS: De interne sensors van het Attitude Heading &
Reference System (AHRS) detecteren automatisch de
installatiehoek van de Panoptix transducer. Als deze
instelling is uitgeschakeld, kunt u de specifieke
installatiehoek voor de transducer opgeven via de instelling
Pitch-hoek. Veel naar voren gerichte transducers worden
geïnstalleerd onder een hoek van 45 graden en omlaag
gerichte transducers worden geïnstalleerd onder een hoek
van nul graden.
Echoloodopnamen
De weergave van echoloodgegevens opnemen
OPMERKING: Niet alle modellen ondersteunen het opnemen
van echolood.
1
Plaats een geheugenkaart in de kaartsleuf.
2
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Echoloodopname > Echolood
opnemen.
15 minuten echoloodopname kost circa 200 MB aan
schijfruimte op de in het toestel geplaatste geheugenkaart. U
kunt echoloodopnamen maken tot alle ruimte op de
geheugenkaart is gebruikt.
De echoloodopname stoppen
Voordat u een echoloodopname kunt stoppen, moet u de
opname eerst starten (De weergave van echoloodgegevens
opnemen, pagina 27).
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Echoloodopname > Stop opnemen.
Een echoloodopname verwijderen
1
Plaats een geheugenkaart in de kaartsleuf.
2
Selecteer in een echoloodweergave Menu >
Echoloodinstelling > Echoloodopnamen > Bekijk
opnamen.
3
Selecteer een opname.
4
Selecteer Wis.
Echoloodopnamen afspelen
Voordat u echoloodopnamen kunt afspelen, moet u de
HomePort
toepassing downloaden en installeren, en
echoloodgegevens opnemen op een geheugenkaart.
1
Verwijder de geheugenkaart uit het toestel.
2
Plaats de geheugenkaart in een kaartlezer die is aangesloten
op een computer.
3
Open de HomePort toepassing.
4
Selecteer een echoloodopname in uw toestellijst.
5
Klik met de rechtermuisknop op de echoloodopname in het
onderste deelvenster.
6
Selecteer Speel af.
Radar
WAARSCHUWING
De scheepsradar zendt microgolfenergie uit, die een gevaar kan
vormen voor mens en dier. Controleer, vóór de radar wordt
ingeschakeld, of de directe omgeving vrij is. De radarbundel
bestrijkt een gebied van ca. 12° boven en onder de horizontale
lijn vanuit het midden van de radar.
Kijk als de radar aan het zenden is niet direct van dichtbij naar
de antenne; de ogen zijn van alle lichaamsdelen het meest
gevoelig voor elektromagnetische energie.
Wanneer u uw compatibele kaartplotter aansluit op een
optionele maritieme radar van Garmin, zoals een GMR
Fantom
6 of een GMR 24 xHD radar, kunt u meer informatie
over uw omgeving weergeven.
De radar zendt tijdens het ronddraaien in een patroon van 360°
een smalle bundel microgolfenergie uit. Wanneer die
energiebundel op een object stuit, kaatst een deel van de
energie terug naar de radar.
Radarmodus wijzigen
1
Selecteer in een combinatiescherm of SmartMode lay-out
met radar Menu > Radarmenu > Wijzig radar.
2
Selecteer een radarmodus.
Radiosignalen uitzenden
OPMERKING: Om veiligheidsredenen gaat de radar na het
opwarmen in de stand-bymodus. Dat geeft u de gelegenheid om
te controleren of de omgeving van de radar vrij is, voordat u met
de radartransmissie begint.
1
Schakel de kaartplotter uit en sluit de radar aan zoals
beschreven in de installatie-instructies van de radar.
2
Schakel de kaartplotter in.
Indien nodig, warmt de radar op en waarschuwt een
aftelsignaal u wanneer de radar gereed is.
3
Selecteer Radar.
4
Selecteer een radarmodus.
Tijdens het opstarten van de radar wordt er een aftelbericht
weergegeven.
5
Selecteer Menu > Radar zenden.
Het uitzenden van radarsignalen stopzetten
Selecteer op een radarscherm Menu > Radar in standby.
Radar 27
TIP: Druk op het scherm dat wordt weergegeven op >
Radar in standby om het uitzenden van radarsignalen direct
stop te zetten.
De modus Gepland uitzenden instellen
Om energie te besparen kunt u tijdsintervallen instellen waarop
de radar signalen uitzendt of op stand-by staat.
OPMERKING: Deze functie is niet beschikbaar in dubbele
radarmodi.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Gepland uitzenden.
2
Selecteer Gepland uitzenden om de optie in te schakelen.
3
Selecteer Stand-bytijd, voer het tijdsinterval in waarop de
radar signalen uitzendt en selecteer OK.
4
Selecteer Verzendtijd, voer de duur van elke
signaaltransmissie in en selecteer OK.
Een radarvrije zone inschakelen en aanpassen
U kunt een gebied aangeven waarin door de radarscanner geen
signalen worden verzonden.
OPMERKING: Deze functie is niet op alle radar- en
kaartplottermodellen beschikbaar.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radar instellen >
Installatie > Radarvrijezone inschak..
De radarvrije zone is het gearceerde gebied op het
radarscherm.
2
Selecteer Pas radarvrije zone aan > Verpl. radarvrije zone.
3
Selecteer Hoek 1 en daarna de nieuwe locatie voor de eerste
hoek.
4
Selecteer Hoek 2 en daarna de nieuwe locatie voor de
tweede hoek.
5
Selecteer OK.
Het radarbereik aanpassen
Het bereik van het radarsignaal geeft de lengte van het
impulssignaal aan dat door de radar wordt verzonden en
ontvangen. Als het bereik groter wordt, zendt de radar langere
pulsen uit om verre objecten te kunnen bereiken. Objecten die
dichterbij zijn, zoals vooral regen en golven, weerkaatsen ook
de langere pulsen en dat geeft ruis op het radarscherm. Als
informatie over objecten die zich verder weg bevinden op het
scherm wordt weergegeven, is er minder ruimte op het scherm
beschikbaar voor het weergeven van informatie over objecten
die zich dichterbij bevinden.
Selecteer om het bereik te verkleinen.
Selecteer om het bereik te vergroten.
Tips voor het selecteren van een radarbereik
Bepaal eerst welke informatie u op het radarscherm wilt
kunnen bekijken.
Wilt u bijvoorbeeld informatie over het weer of informatie over
objecten en scheepsverkeer dichtbij, of hebt u meer aan
informatie over weersomstandigheden verder weg?
Evalueer de omstandigheden van de omgeving waarin u de
radar gaat gebruiken.
Vooral bij zeer slechte weersomstandigheden kunnen
radarsignalen met een lang bereik het radarscherm
onoverzichtelijker maken, waardoor het lastiger wordt om de
informatie over objecten in de onmiddellijke nabijheid van uw
schip goed te kunnen interpreteren. Bij regen kunt u met
radarsignalen met een kort bereik objecten in de buurt
duidelijker zien, mits de instelling voor regenruis optimaal is
geconfigureerd.
Selecteer het kortste effectieve bereik voor de radar,
gebaseerd op de reden van uw gebruik van de radar en de
op dat moment geldende omstandigheden.
Het radarscherm in- en uitzoomen
Knijp twee vingers samen om uit te zoomen.
Spreid twee vingers uit elkaar om in te zoomen.
Sleep het scherm om het te verschuiven en selecteer zo
nodig of om te zoomen.
Een via-punt op het radarscherm markeren
1
Selecteer in een radarscherm een locatie.
2
Selecteer op een combinatiescherm of Via-punt maken
op een volledig scherm.
MotionScope
Doppler radartechnologie
De GMR Fantom radar gebruikt het Doppler-effect om
bewegende doelen te detecteren en te markeren, onder andere
om aanvaringen te voorkomen, zwermen vogels te signaleren
en veranderende weersomstandigheden in de gaten te houden.
Het Doppler-effect is de frequentieverandering in de radarecho,
veroorzaakt door de relatieve beweging van het doel. Op die
manier kunnen doelen die naar de radar toe of van de radar af
bewegen direct worden gedetecteerd.
De MotionScope functie markeert de bewegende doelobjecten
op het radarscherm, zodat u om andere boten of slecht weer
heen kunt navigeren, of naar visstekken waar vogels op het
wateroppervlak naar voedsel zoeken.
De bewegende doelobjecten worden kleurgecodeerd zodat u in
een oogopslag weet welke doelobjecten uw kant op komen en
welke van u af bewegen. Bij de meeste kleurenschema's geeft
groen aan dat het doelobject van u af beweegt en geeft rood
aan dat het doelobject uw kant op komt.
Een bewakingszone inschakelen
U kunt een bewakingszone inschakelen om u te waarschuwen
als een object een opgegeven gebied rond uw boot binnenkomt.
OPMERKING: Deze functie is niet beschikbaar in dubbele
radarmodi.
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Bewakingszone inschak..
Een cirkelvormige bewakingszone inschakelen
Voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen, moet u eerst
een bewakingszone inschakelen (Een bewakingszone
inschakelen, pagina 28).
U kunt een cirkelvormige bewakingszone definiëren die uw boot
volledig omsluit.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Verplaats bewakingszone > Verplaats bewakingszone >
Cirkel.
2
Selecteer de locatie van de cirkel van de buitenste
bewakingszone.
3
Selecteer de locatie van de cirkel van de binnenste
bewakingszone om de breedte van de bewakingszone te
bepalen.
Een gedeeltelijke bewakingszone inschakelen
Voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen, moet u eerst
een bewakingszone inschakelen (Een bewakingszone
inschakelen, pagina 28).
28 Radar
U kunt ook de grenzen opgeven van een bewakingszone die uw
boot niet volledig omsluit.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Verplaats bewakingszone > Verplaats bewakingszone >
Hoek 1.
2
Versleep de hoek van de buitenste bewakingszone
À
.
3
Selecteer Hoek 2.
4
Tik op hoek
Á
van de binnenste bewakingszone om de
breedte van de bewakingszone te bepalen.
5
Selecteer OK.
Een bewakingszone uitschakelen
U kunt een bewakingszone uitschakelen.
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Verplaats bewakingszone > Bewakingszone uitschak..
De bewakingszoneconfiguratie wordt opgeslagen, zodat u de
zone op elk gewenst moment weer kunt inschakelen.
MARPA
Met Mini-automatic Radar Plotting Aid (MARPA) kunt u doelen
identificeren en traceren. De functie wordt voornamelijk gebruikt
om aanvaringen te voorkomen. Om MARPA te kunnen
gebruiken moet u eerst een MARPA-tag aan een object
toewijzen. De radar volgt automatisch het gelabelde object en
geeft u informatie over dat object, waaronder het bereik, de
peiling, snelheid, GPS-koers, het moment waarop dat object het
dichtst bij u was en het tijdstip daarvan. MARPA geeft de status
van elk gelabeld object aan (zoeken, verloren, volgen of
gevaarlijk) en de kaartplotter kan een waarschuwingssignaal
geven als het object uw veiligheidszone binnenkomt.
Symbolen voor zoeken met MARPA
Een doel zoeken. Concentrische, gestippelde groene cirkels
stralen golven vanuit het doel uit als de radar op het doel is
gericht.
Doel is gevonden. Een effen groene cirkel geeft de locatie van
het doel aan waarop de radar is gericht. Een groene stippellijn
die aan de cirkel vastzit, geeft de geprojecteerde koers over de
grond of de GPS-koers van het doel aan.
Gevaarlijk doel binnen bereik. Een rode cirkel knippert bij het
doel terwijl er een waarschuwingssignaal klinkt en een melding
wordt gegeven. Nadat het alarm is bevestigd, geeft een effen
rode punt met daaraan een rode stippellijn de locatie en de
geprojecteerde koers over de grond of de GPS-koers van het
doel aan. Als het alarm voor het aanvaringsgevaar is uitgescha-
keld, knippert het doel maar gaat er geen waarschuwingssignaal
af en wordt er geen melding gegeven.
Doel is verdwenen. Een effen groene cirkel met een X erin geeft
aan dat de radar niet op het doel kon worden vastgezet.
Dichtstbijzijnd punt van nadering en tijd tot dichtstbijzijnd punt
van nadering voor een gevaarlijk doel.
Een MARPA-tag aan een object toewijzen
Voordat u MARPA kunt gebruiken, moet een koerssensor zijn
verbonden en moet een actief GPS-signaal beschikbaar zijn. De
koerssensor moet het NMEA 2000-parametergroepsnummer
(PGN) 127250 of het NMEA 0183-uitvoertelegram HDM of HDG
aanleveren.
1
Selecteer een object of locatie in een radarscherm.
2
Selecteer Bepaal doel > MARPA-doel.
Een MARPA-tag van een doelobject verwijderen
1
Selecteer vanaf het radarscherm een MARPA-doel.
2
Selecteer MARPA-doel > Verwijder.
Informatie weergeven over een object dat met een
MARPA-tag is gelabeld
U kunt het bereik, de peiling, de snelheid en andere informatie
over een object bekijken dat met een MARPA-tag is gelabeld.
1
Selecteer vanuit het radarscherm een doelobject.
2
Selecteer MARPA-doel.
Een lijst met AIS en MARPA gevaren weergeven
Vanuit elk radarscherm of de radaroverlay kunt u de vormgeving
van een lijst met AIS en MARPA gevaren bekijken en
aanpassen.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Overige schepen >
Lijst > Toon.
2
Selecteer het type gevaar dat u in de lijst wilt opnemen.
AIS-schepen op het radarscherm weergeven
AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van
een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt.
U kunt instellen hoe andere schepen op het radarscherm
moeten worden weergegeven. Als u een instelling voor één
radarmodus wijzigt, worden de nieuwe instellingen ook op alle
andere radarmodi toegepast (met uitzondering van de instelling
Bereik AIS-weergave). De details en instellingen van de
geprojecteerde koers die zijn geconfigureerd voor één
radarmodus, gelden voor elke andere radarmodus en voor de
radaroverlay.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Overige schepen > Weergave-instelling.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Weerg.bereik en geef de afstand op ten
opzichte van uw locatie waarbinnen AIS-schepen
zichtbaar moeten zijn.
Selecteer Details > Toon om gegevens weer te geven
over de schepen waarvoor AIS is geactiveerd.
Selecteer Geproject. krs om de tijd van de
geprojecteerde koers voor schepen met AIS in te stellen
en voer de tijd in.
Selecteer Sporen om de sporen van schepen met AIS
weer te geven en selecteer de lengte van het spoor dat
moet worden weergegeven.
VRM en EBL
De VRM (variabele afstandsring) en de EBL (elektronische
peillijn) meten de afstand en peiling van uw schip tot een
doelobject. De VRM wordt op het radarscherm als een cirkel
rond de huidige positie van uw schip weergegeven en de EBL is
een lijn die op de huidige positie van uw schip begint en de VRM
snijdt. Het snijpunt is het doel van de VRM en de EBL.
De VRM en de EBL weergeven
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties > Toon
VRM/EBL.
De VRM en de EBL aanpassen
Voordat u de VRM en de EBL kunt aanpassen, moet u deze
eerst weergeven op het radarscherm (De VRM en de EBL
weergeven, pagina 29).
U kunt de diameter van de VRM en de hoek van de EBL
aanpassen, waardoor het snijpunt van de VRM en EBL wordt
verplaatst. De VRM en de EBL die voor één modus zijn
geconfigureerd, gelden ook voor alle andere radarmodi.
Radar 29
De interferentie van nabijgelegen objecten minimaliseren
Grote objecten dichtbij, zoals aanlegsteigers, kunnen zeer
helder op het radarscherm worden weergegeven. Kleinere
objecten in de buurt van dergelijke grote objecten zijn daardoor
vaak minder goed te zien.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
instelling voor de versterking die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de
radaroverlay geldt.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Versterking.
2
Selecteer Omlaag om de versterking zodanig te verminderen
dat de kleinere objecten ook duidelijk op het radarscherm
worden weergegeven.
Door het verminderen van de versterking om interferentie van
dichtbij gelegen grote objecten te elimineren, kunnen verre
objecten op het radarscherm gaan knipperen of van het
scherm verdwijnen.
De interferentie door stralingslobben op het radarscherm
tot een minimum beperken
Interferentie door stralingslobben kan als een halfcirkelvormig
patroon van strepen komend vanuit een object worden
weergegeven. De effecten door stralingslobben kunnen worden
voorkomen door de versterking te verminderen of door het
radarbereik korter te maken.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
instelling voor de versterking die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de
radaroverlay geldt.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Versterking.
2
Selecteer Omlaag om de versterking te verlagen totdat het
halfcirkelvormige streepjespatroon van het radarscherm is
verdwenen.
Door het verminderen van de versterking om interferentie
door stralingslobben te elimineren kunnen kleinere of verre
objecten op het radarscherm gaan knipperen of van het
scherm verdwijnen.
Zeeruis op het radarscherm automatisch aanpassen
U kunt de kaartplotter instellen om de weergave van zeeruis die
wordt veroorzaakt door ruwe omstandigheden op zee,
automatisch aan te passen.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
instelling voor zeeruis die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de
radaroverlay geldt.
OPMERKING: Niet alle opties en instellingen zijn beschikbaar
op alle radar- en kaartplottermodellen.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Zeeruis.
2
Selecteer Voorinstel. of Automatisch.
3
Selecteer een instelling die de huidige toestand van de zee
weergeeft.
Wanneer u een compatibel radarmodel gebruikt, past de
kaartplotter de zeeruis automatisch aan op basis van de
omstandigheden op zee.
Zeeruis op het radarscherm handmatig aanpassen
U kunt de weergave aanpassen van ruis die wordt veroorzaakt
door een ruwe zee. De instelling voor zeeruis heeft meer invloed
op de weergave van ruis en objecten in de buurt van uw schip
dan op de weergave van ruis en objecten op grotere afstand. Bij
een hogere instelling voor zeeruis wordt de ruis die wordt
veroorzaakt door golven rond het schip, minder duidelijk
weergegeven, maar hierdoor kan ook de weergave van objecten
in de buurt van uw schip worden gereduceerd of uitgeschakeld.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
instelling voor zeeruis die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de
radaroverlay geldt.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Zeeruis.
2
Selecteer Omhoog of Omlaag om de weergave van zeeruis
aan te passen totdat andere objecten duidelijk zichtbaar zijn
op het radarscherm.
De ruis die door de zee wordt veroorzaakt, blijft waarschijnlijk
steeds zichtbaar op het scherm.
Regenruis op het radarscherm aanpassen
U kunt de weergave aanpassen van ruis die door regen wordt
veroorzaakt. Als u het radarbereik beperkt, wordt het effect van
regenruis op het scherm waarschijnlijk ook minder (Het
radarscherm in- en uitzoomen, pagina 28).
De instelling voor regenruis heeft meer invloed op de weergave
van ruis en objecten in de buurt van uw schip dan op de
weergave van de ruis en objecten op grote afstand van uw
schip. Een hogere instelling voor regenruis reduceert de
weergave van ruis die wordt veroorzaakt door nabije regen,
maar kan ook de weergave van nabije doelen reduceren of
uitschakelen.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
instellingen voor regenruis die voor één radarmodus worden
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de
radaroverlay gelden.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Regenruis.
2
Selecteer Omhoog of Omlaag om regenruis dichtbij minder
duidelijk of duidelijker weer te geven totdat andere objecten
duidelijk zichtbaar zijn op het radarscherm.
Ruis die door de regen wordt veroorzaakt, blijft mogelijk toch
zichtbaar op het scherm.
Radarstoring op het radarscherm verminderen
U kunt de hoeveelheid storing door interferentie van een andere
nabije radarbron beperken door de optie Onderdrukking
radarstoring in te schakelen.
OPMERKING: Het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de
optie Onderdrukking radarstoring die voor één radarmodus
wordt geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of
de radaroverlay geldt.
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Radar instellen > Rdrst.onderdr..
Radaroptiesmenu
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties.
MotionScope™: Gebruikt het Doppler-effect om bewegende
doelen te detecteren en te markeren, onder andere om
aanvaringen te voorkomen, zwermen vogels te signaleren en
veranderende weersomstandigheden in de gaten te houden.
Pulsuitbreiding: Zendt pulsen gedurende langere tijd uit,
waardoor de energie op doelen wordt geïntensiveerd.
Hierdoor kunnen doelen beter worden gedetecteerd en
geïdentificeerd.
Echosporen: Hiermee kunt u de beweging van schepen op het
radarscherm volgen.
Regenruis: Vermindert de ruis veroorzaakt door regen.
Toon VRM/EBL: Toont de VRM (variabele afstandsring) en de
EBL (elektronische peillijn), zodat u de afstand en peiling van
uw schip tot een doelobject kunt meten.
Bewakingszone inschak.: Stelt een veilige zone in rond uw
boot en geeft een alarmsignaal als een object de zone
binnenkomt.
Radar 31
Gepland uitzenden: Bespaart energie door alleen op bepaalde
tijden radarsignalen uit te zenden.
Radarinstellingenmenu
Selecteer in een radarscherm Menu > Radar instellen.
Bron: Selecteert de radarbron als op het netwerk meerdere
radars zijn aangesloten.
Kaartweergave: Geeft de kaart weer onder het radarbeeld.
Indien ingeschakeld, wordt het Kaartinstelling menu
weergegeven.
Oriëntatie: Hiermee wijzigt u het perspectief van de
radarweergave.
Rdrst.onderdr.: Vermindert de ruis als gevolg van interferentie
afkomstig van een andere radarbron in de buurt.
Draaisnelheid: Stelt de voorkeursdraaisnelheid van de radar in.
De optie Hoge snelheid kan worden gebruikt om de
vernieuwingsfrequentie te verhogen. In sommige situaties
draait de radar automatisch op de normale snelheid om
detectie te verbeteren, bijvoorbeeld als een groter bereik is
gekozen of wanneer MotionScope of Dubbel bereik wordt
gebruikt.
Presentatie: Hiermee stelt u het kleurenschema, de geplande
snelheid en de navigatieweergave in.
Installatie: Hier kunt u de radar configureren voor installatie,
bijvoorbeeld door de voorkant van de boot en de
parkeerstand van de anetenne in te stellen.
Radarweergave-instellingen
Selecteer op een radarscherm Menu > Radar instellen >
Presentatie.
OPMERKING: Deze instellingen zijn niet van toepassing op de
radaroverlay.
Achtergrondklr.: Hiermee stelt u het kleurenschema voor de
achtergrond in.
Voorgrondkleur: Hiermee stelt u het kleurenschema voor de
radarresultaten in.
Geplande snelheid: Als uw snelheid toeneemt, wordt uw
huidige positie automatisch naar de onderkant van het
scherm verplaatst. Voer uw topsnelheid in voor het beste
resultaat.
Koerslijn: Hiermee wordt op het radarscherm een lijn vanaf de
boot weergegeven die de koersrichting aangeeft.
Afstandcirkels: Aan de hand van de afstandcirkels worden
afstanden op het radarscherm zichtbaar gemaakt.
Peilingcirkel: Toont een peiling ten opzichte van uw
voorliggende koers of gebaseerd op een noordreferentie, die
u helpt bij het bepalen van de peiling naar een object dat
zichtbaar is op het radarscherm.
Navigatielijnen: Hiermee geeft u de navigatielijnen weer die de
koers aangeven die u hebt ingesteld met Route naar, Auto
Guid. of Ga naar.
Via-punten: Hiermee geeft u op het radarscherm via-punten
weer.
Instellingen voor installatie van de radar
Voorkant boot: Compenseert de fysieke locatie van de radar
als deze niet op de as van de boot ligt (Boegcorrectie,
pagina 32).
Antenneconfiguratie: Hier kunt u het formaat van de
radarantenne opgeven en instellen in welke positie de radar
stopt (Een aangepaste parkeerstand instellen, pagina 32).
Radarvrijezone inschak.: Stelt de zone in waarin de radar
geen signalen uitzendt (Een radarvrije zone inschakelen en
aanpassen, pagina 28).
Boegcorrectie
De boegcorrectie compenseert de fysieke locatie van de
radarscanner op het schip als de radarscanner niet op één lijn
ligt met de boegas.
De mogelijke boegcorrectie meten
De boegcorrectie compenseert de fysieke locatie van de
radarscanner op het schip als de radarscanner niet op één lijn
ligt met de boegas.
1
Maak met behulp van een magnetisch kompas een optische
peiling van een stilliggend object dat zich binnen het
zichtbare bereik bevindt.
2
Meet de peiling van het object op de radar.
3
Als de afwijking van de peiling meer dan +/- 1° bedraagt, stelt
u de boegcorrectie in.
De boegcorrectie instellen
Om de boegcorrectie te kunnen instellen, moet u eerst de
potentiële boegcorrectie meten.
De instelling van de boegcorrectie die voor één radarmodus
wordt opgegeven, geldt voor alle andere radarmodi en voor de
radaroverlay.
1
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Radar instellen > Installatie > Voorkant boot.
2
Selecteer Omhoog of Omlaag om de correctie in te stellen.
Een aangepaste parkeerstand instellen
Als u meer dan één radar op uw boot hebt, moet u het
radarscherm weergeven voor de radar die u wilt aanpassen.
Standaard wordt de radarantenne loodrecht op het voetstuk
gestopt wanneer de radar niet draait. U kunt deze positie
wijzigen.
1
Selecteer in het radarscherm Menu > Radar instellen >
Installatie > Antenneconfiguratie > Parkeerstand.
2
Gebruik de schuifregelaar om de parkeerstand van de
antenne aan te passen en selecteer Terug.
Een andere radarbron selecteren
1
Selecteer een optie:
Selecteer op een radarscherm of de radaroverlay Menu >
Radar instellen > Bron.
Selecteer Instellingen > Communicatie >
Voorkeursbronnen > Radar.
2
Selecteer de radarbron.
Stuurautomaat
WAARSCHUWING
U kunt de stuurautomaatfunctie alleen gebruiken op een station
dat nabij een roer, gashendel of roerbesturing is geïnstalleerd.
U bent verantwoordelijk voor de veilige en voorzichtige besturing
van uw vaartuig. De stuurautomaat is een hulpmiddel waarmee
u de boot beter kunt besturen. Dit ontheft u echter niet van uw
verantwoordelijkheid om de boot veilig te besturen. Voorkom
gevaarlijke navigatie en zorg ervoor dat het roer nooit
onbemand is.
Wees altijd in staat om snel de handmatige besturing van uw
boot over te nemen.
Oefen de bediening van de stuurautomaat op kalm en open
water dat vrij is van gevaren.
Wees voorzichtig met het bedienen van de stuurautomaat in de
buurt van gevaren op het water, zoals dokken, palen en andere
boten.
De stuurautomaat past voortdurend de besturing van uw boot
aan om een constante koers (vaste voorliggende koers) aan te
houden. Het systeem maakt tevens handmatige besturing en
32 Stuurautomaat
verschillende modi voor automatische stuurfuncties en patronen
mogelijk.
Het stuurautomaatscherm openen
Voordat u het stuurautomaatscherm kunt openen, moet u een
compatibele stuurautomaat installeren en configureren.
Selecteer A/V, meters, bed. > Stuurautomaat.
Het stuurautomaatscherm
À
Werkelijke koers
Á
Gewenste koers (koers waarop de stuurautomaat aan het varen is)
Â
Werkelijke koers (in de stand-bymodus)
Gewenste koers (wanneer ingeschakeld)
Ã
Roerpositieaanduiding (deze functionaliteit is alleen beschikbaar
indien er een roersensor is aangesloten).
De grootte van de koerswijzigingstappen aanpassen
1
Selecteer vanuit het stuurautomaatscherm Menu >
Stuurautomaat instellen > Koerswijzig.stap.
2
Selecteer een optie.
De spaarstand instellen
Het is mogelijk om het niveau van roeractiviteit aan te passen.
1
Selecteer vanuit het stuurautomaatscherm Menu >
Stuurautomaat instellen > Stel energieverbruiksmodus in
> Spaarstand.
2
Selecteer een percentage.
Door een hoger percentage te selecteren, nemen de
roeractiviteit en koersprestaties af. Hoe hoger het
percentage, hoe verder er van koers wordt afgeweken
voordat de stuurautomaat dit corrigeert.
TIP: Als u in onrustig zeewater bij lage snelheden het
percentage voor de Spaarstand verhoogt, neemt de
roeractiviteit af.
Shadow Drive
inschakelen
OPMERKING: De functie Shadow Drive is alleen beschikbaar
op hydraulische stuursystemen.
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Stuurautomaat instellen > Shadow drive > Aan.
De stuurautomaat inschakelen
Wanneer u de stuurautomaat inschakelt, neemt de
stuurautomaat de roerbediening over en houdt de voorliggende
koers van uw boot aan.
Selecteer vanuit een willekeurig scherm Inschakelen.
Uw gewenste koers wordt in het midden van het
stuurautomaatscherm weergegeven.
De koers aanpassen met het roer
OPMERKING: U moet de functie Shadow Drive inschakelen
voordat u de koers kunt aanpassen met het roer (Shadow
Drive
inschakelen, pagina 33).
Bestuur de boot handmatig met de stuurautomaat
ingeschakeld.
De stuurautomaat activeert de modus Shadow Drive.
Wanneer u het roer loslaat en gedurende een paar seconden
handmatig een bepaalde koers aanhoudt, schakelt de
stuurautomaat automatisch een vaste voorliggende koers in
op de nieuwe koers.
De voorliggende koers wijzigen met de kaartplotter in
de koerswijzigingsstapmodus
Voordat u uw boot kunt besturen met de knoppen onder in het
stuurautomaatscherm, moet u de stuurautomaat inschakelen
(De stuurautomaat inschakelen, pagina 33).
Selecteer <1° of 1°> voor een koerswijziging van 1°.
Selecteer <<10° of 10°>> voor een koerswijziging van 10°.
Houd <1° of 1°> ingedrukt voor een snelheidsgestuurde
koerswijziging.
De boot blijft draaien tot u de knop loslaat.
Houd <<10° of 10°>> ingedrukt voor een reeks
koerswijzigingen van 10°.
Koerspatronen
WAARSCHUWING
U bent verantwoordelijk voor de veilige besturing van uw boot.
Begin geen patroon als u niet zeker weet of het water vrij is van
obstakels.
De stuurautomaat kan de boot besturen in vooraf ingestelde
patronen voor vissen, en kan tevens andere speciale
manoeuvres uitvoeren, zoals 180 graden bochten en Williamson
turns.
Het patroon 180 graden bocht volgen
U kunt het patroon 180 graden bocht gebruiken om de boot 180
graden te draaien en de nieuwe koers aan te houden.
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > 180-graden bocht.
2
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Het cirkelpatroon instellen en volgen
U kunt het cirkelpatroon gebruiken om de boot in een
doorlopende cirkel te sturen, in een bepaalde richting en met
een bepaalde tijdinterval.
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Cirkels.
2
Selecteer zo nodig Tijd en selecteer een tijd waarin de
stuurautomaat een volledige cirkel moet hebben afgelegd.
3
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Het zigzagpatroon instellen en volgen
Met het zigzagpatroon kunt u de boot van bakboord naar
stuurboord en weer terug sturen, gedurende een bepaalde tijd
en in een bepaalde hoek, langs de koers die u momenteel
aanhoudt.
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Zigzag.
2
Selecteer zo nodig Amplitude en selecteer het aantal
graden.
3
Selecteer zo nodig Periode en selecteer een bepaalde duur.
4
Selecteer Schakel zigzag in.
Het Williamson turn-patroon volgen
U kunt met het Williamson turn-patroon de boot omdraaien met
de bedoeling om langs de locatie te varen waar het Williamson
turn-patroon werd ingezet. Het Williamson turn-patroon kan
worden gebruikt in man-over-boord-situaties.
Stuurautomaat 33
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Williamson turn.
2
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Een cirkelbaanpatroon volgen
U kunt het cirkelbaanpatroon gebruiken om de boot in een
doorlopende cirkel rondom een actief via-punt te sturen. De
omvang van de cirkel wordt bepaald door uw afstand het actieve
via-punt wanneer het cirkelbaanpatroon wordt ingezet.
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Orbit.
2
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Het patroonsturingspatroon instellen en volgen
U kunt het patroonsturingspatroon gebruiken om de boot
zodanig te sturen dat deze herhaaldelijk over een actief via-punt
vaart. Wanneer u het patroonsturingspatroon start, zet de
stuurautomaat koers naar het actieve via-punt en wordt het
patroonsturingspatroon ingezet.
U kunt de afstand tot het via-punt en de locatie waar de
stuurautomaat de koers draait om weer opnieuw over het via-
punt te varen, aanpassen. Met de standaardinstelling wordt de
boot gedraaid bij een afstand van 300 m (1000 ft.) vanaf het
actieve via-punt.
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Patroonsturing.
2
Selecteer zo nodig Lengte en selecteer een afstand.
3
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Een zoekpatroon instellen en volgen
U kunt met het zoekpatroon de boot in steeds groter worden
cirkels vanaf het via-punt sturen, waarbij een spiraalpatroon
wordt gevormd. Wanneer u het zoekpatroon start, zet de
stuurautomaat koers naar het actieve via-punt en wordt het
patroon ingezet.
U kunt de afstand tussen elke cirkel in de spiraal instellen. De
standaard afstand tussen cirkels is 20 m (50 ft.).
1
Selecteer in het stuurautomaatscherm Menu >
Patroonkoers > Zoek.
2
Selecteer zo nodig Zoekafstand en selecteer een afstand.
3
Selecteer Bakboord insch. of Stuurboord insch..
Een koerspatroon annuleren
Bestuur de boot fysiek.
OPMERKING: Shadow Drive moet zijn ingeschakeld om een
stuurpatroon te annuleren door de boot fysiek te besturen.
Selecteer of om een patroon te annuleren met behulp
van de koerswijzigingsstapmodus.
Selecteer Stand-by.
Digital Selective Calling (DSC)
Netwerkkaartplotter en marifoonfunctionali-
teit
Als een NMEA 0183 marifoon of een NMEA 2000 marifoon is
aangesloten op uw kaartplotter, zijn deze functies ingeschakeld.
De kaartplotter kan uw GPS-positie doorsturen naar uw
marifoon. De GPS-positie-informatie wordt tegelijk met de
DSC-oproepen verzonden als uw marifoon daartoe
ondersteuning biedt.
De kaartplotter kan DSC (Digital Selective Calling)-
noodoproepen en positiegegevens ontvangen van de
marifoon.
De kaartplotter kan de posities bijhouden van schepen die
positierapporten verzenden.
Als een Garmin NMEA 2000 marifoon is aangesloten op uw
kaartplotter, zijn deze functies ook ingeschakeld.
Met de kaartplotter kunt u snel informatie over persoonlijke
standaardoproepen instellen en verzenden naar uw Garmin
marifoon.
Wanneer u een noodoproep voor een man-over-boord
initieert vanaf uw marifoon, wordt op de kaartplotter het
scherm Man-over-boord weergegeven en wordt u gevraagd
naar de positie te navigeren waar de persoon van boord is
gevallen.
Wanneer u een noodoproep vanwege een man-over-boord
initieert vanaf uw kaartplotter, geeft de marifoon de pagina
Noodoproep weer om een noodoproep voor een man-over-
boord uit te voeren.
DSC inschakelen
Selecteer Instellingen > Overige schepen > DSC.
DSC-lijst
De DSC-lijst is een overzicht van de meest recente DSC-
oproepen en andere DSC-contactpersonen die u hebt
ingevoerd. De DSC-lijst kan maximaal 100 vermeldingen
bevatten. De DSC-lijst geeft de meest recente oproepen weer
die vanaf een boot zijn gemaakt. Wanneer een tweede oproep
van dezelfde boot wordt ontvangen, vervangt deze de eerste
oproep van deze boot in de lijst.
De DSC-lijst weergeven
U kunt de DSC-lijst alleen weergeven als de kaartplotter is
aangesloten op een marifoon die ondersteuning biedt voor DSC.
Selecteer Info > DSC-lijst.
Een DSC-contactpersoon toevoegen
U kunt een schip toevoegen aan uw DSC-lijst. U kunt oproepen
naar een DSC-contactpersoon uitvoeren vanaf de kaartplotter.
1
Selecteer Info > DSC-lijst > Voeg contactpersoon toe.
2
Voer het MMSI-nummer (Maritime Mobile Service Identity)
van het schip in.
3
Voer de naam van het schip in.
Inkomende noodoproepen
Als uw compatibele kaartplotter en marifoon via NMEA 0183 of
NMEA 2000 zijn verbonden, ontvangt u een waarschuwing van
de kaartplotter wanneer er een DSC-noodoproep over de
marifoon wordt ontvangen. Als er positiegegevens zijn
verzonden bij de noodoproep, wordt die informatie tegelijk met
de oproep opgenomen en beschikbaar gesteld.
verwijst naar een noodoproep in de DSC-lijst en markeert de
positie van het schip op de navigatiekaart op het moment dat de
DSC-noodoproep werd verzonden.
Naar een schip in nood navigeren
verwijst naar een noodoproep in de DSC-lijst en markeert op
de navigatiekaart de positie van een schip op het moment dat
de DSC-noodoproep werd verzonden.
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk > Navigeren naar.
4
Selecteer Ga naar of Route naar.
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren via een
marifoon
Wanneer uw kaartplotter is verbonden met een marifoon die
compatibel is met NMEA 2000 en u een DSC-noodoproep voor
man-over-boord initieert vanaf uw marifoon, wordt het scherm
Man-over-boord weergegeven op de kaartplotter en wordt u
gevraagd naar het punt te navigeren waar de persoon van boord
is gevallen. Als er een compatibele stuurautomaat is verbonden
34 Digital Selective Calling (DSC)
met het netwerk, vraagt uw kaartplotter u een MOB-manoeuvre
uit te voeren naar dit punt.
Als u de noodoproep voor man-over-boord annuleert via de
marifoon, verdwijnt het kaartplotterscherm waarin u wordt
gevraagd te navigeren naar het punt waarop de persoon van
boord is gevallen.
Man-over boord- en noodoproepen geïnitieerd vanaf
de kaartplotter
Wanneer uw kaartplotter is verbonden met een marifoon die
compatibel is met Garmin NMEA 2000 en u een SOS- of man-
over-boord-locatie markeert, wordt op de marifoon de pagina
Noodoproep weergegeven zodat u snel een noodoproep kunt
doen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bij de marifoon voor
informatie over het uitvoeren van noodoproepen via de
marifoon. Meer informatie over het markeren van een MOB- of
SOS-locatie vindt u in Een SOS-locatie markeren, pagina 13.
Positie bijhouden
Wanneer u de kaartplotter aansluit op een marifoon via NMEA
0183, kunt u de positie bijhouden van schepen die
positiemeldingen verzenden.
Deze functie is ook beschikbaar met NMEA 2000, ervan
uitgaande dat het schip de juiste PGN-gegevens verzendt (PGN
129808; DSC-oproepinformatie).
Elke ontvangen oproep met een positiemelding wordt
opgenomen in de DSC-lijst (DSC-lijst, pagina 34).
Een positiemelding weergeven
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk.
4
Selecteer een optie:
Als u wilt omschakelen naar een navigatiekaart waarop de
locatie is gemarkeerd, selecteert u Volgende pagina.
Als u de details van de positiemelding wilt zien, selecteert
u Vorige pagina.
Naar een schip navigeren waarvan u de positie
bijhoudt
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk > Navigeren naar.
4
Selecteer Ga naar of Route naar.
Een waypoint maken op de positie van een schip
waarvan u de positie bijhoudt
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk > Via-punt maken.
Informatie in een positiemelding bewerken
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk > Wijzig.
Selecteer Naam om de naam van het schip in te voeren.
Selecteer Symbool om een nieuw symbool te selecteren,
indien beschikbaar.
Selecteer Opmerking om een opmerking in te voeren.
Selecteer Sporen om een lijn weer te geven die het spoor
van het schip aangeeft als uw marifoon de positie van het
schip bijhoudt.
Selecteer Lijn van spoor om een kleur voor de lijn van
het spoor te kiezen.
Een oproep met een positiemelding verwijderen
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een oproep met een positiemelding.
3
Selecteer Bekijk > Wis rapport.
Sporen van schepen weergeven op de kaart
U kunt in sommige kaartweergaven de sporen weergeven van
alle schepen waarvan u de positie bijhoudt. Standaard geeft een
zwarte lijn het pad van het schip, een zwarte stip elke eerder
gemelde positie van een schip waarvan u de positie bijhoudt en
een blauwe vlag de laatst gemelde positie van het schip aan.
1
Selecteer vanuit een kaart of 3D-kaartweergave Menu >
Kaartinstelling > Overige schepen > DSC > DSC-sporen.
2
Selecteer het aantal uren dat schepen waarvan u de positie
bijhoudt worden weergegeven op de kaart.
Als u bijvoorbeeld 4 uur selecteert, worden alle punten van
sporen (van minder dan vier uur oud) voor bijgehouden
schepen op de kaart weergegeven.
Persoonlijke standaardoproepen
Wanneer u de kaartplotter aansluit op een Garmin marifoon,
kunt u de interface van de kaartplotter gebruiken voor het
uitvoeren van persoonlijke standaardoproepen.
Wanneer u een persoonlijke standaardoproep uitvoert vanaf de
kaartplotter, kunt u het gewenste DSC-kanaal selecteren voor
de communicatie. De marifoon verzendt dit verzoek tegelijk met
uw oproep.
Een DSC-kanaal selecteren
OPMERKING: De keuze van een DSC-kanaal is beperkt tot de
kanalen die beschikbaar zijn op alle frequentiebanden. Het
standaardkanaal is 72. Als u een ander kanaal selecteert,
gebruikt de kaartplotter dat kanaal voor alle volgende oproepen,
totdat u een oproep uitvoert via een ander kanaal.
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een schip of een station dat u wilt oproepen.
3
Selecteer Bekijk > Oproepen met radio > Kanaal.
4
Selecteer een beschikbaar kanaal.
Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren
OPMERKING: Als u een oproep start vanaf de kaartplotter,
ontvangt de marifoon geen oproepgegevens als er geen MMSI-
nummer in de marifoon is geprogrammeerd.
1
Selecteer Info > DSC-lijst.
2
Selecteer een schip of een station dat u wilt oproepen.
3
Selecteer Bekijk > Oproepen met radio.
4
Selecteer indien nodig Kanaal en selecteer een nieuw
kanaal.
5
Selecteer Verzend.
De kaartplotter verzendt informatie over de oproep naar de
marifoon.
6
Selecteer Oproep op uw Garmin marifoon.
Een individuele routineoproep voor een AIS-doel
1
Kies een AIS-doel in een kaart of 3D-kaartweergave.
2
Selecteer AIS-schip > Oproepen met radio.
3
Selecteer indien nodig Kanaal en selecteer een nieuw
kanaal.
4
Selecteer Verzend.
De kaartplotter verzendt informatie over de oproep naar de
marifoon.
5
Selecteer Oproep op uw Garmin marifoon.
Digital Selective Calling (DSC) 35
Meters en grafieken
De meters en grafieken geven informatie over de motor en de
omgeving. Om de informatie te kunnen bekijken, moet u een
compatibele transducer of sensor op het netwerk hebben
aangesloten.
De meters bekijken
1
Selecteer A/V, meters, bed..
2
Selecteer een meter.
3
Selecteer of om een andere meterpagina te bekijken.
De gegevens op een meter aanpassen
1
Druk in een meterscherm lang op een meter.
2
Selecteer Vervang gegevens.
3
Selecteer een gegevenstype.
4
Selecteer de gegevens die u wilt weergeven.
Meters aanpassen
U kunt de lay-out van de meterpagina's, de weergave van
afzonderlijke meters en de gegevens van elke meter wijzigen.
1
Open een meterpagina.
2
Selecteer Menu > Wijzig meterpagina's.
3
Selecteer een optie:
Als u de op een meter getoonde gegevens wilt wijzigen,
selecteert u de meter.
Als u de lay-out van de meters op de pagina wilt wijzigen,
selecteert u Wijzig lay-out.
Als u een pagina aan deze set meterpagina's wilt
toevoegen, selecteert u Pagina toevoegen.
Als u de volgorde van deze pagina in de set meterpagina's
wilt wijzigen, selecteert u Verplaats pagina naar links of
Verplaats pagina nr rechts.
Als u de oorspronkelijke weergave van deze pagina wilt
herstellen, selecteert u Herstel standaardweergave.
De grenzen van de motormeter en de brandstofmeter
aanpassen
U kunt de onder- en bovenlimiet en het bereik van de gewenste
standaardwerking van een meter instellen.
OPMERKING: Niet alle opties zijn beschikbaar voor alle meters.
1
Selecteer in een geschikt meterscherm Menu > Installatie >
Metergrenzen instellen.
2
Selecteer een meter die u wilt aanpassen.
3
Selecteer een optie:
Als u de minimumwaarde van het standaardbereik wilt
instellen, selecteert u Vastgest. min..
Als u de maximumwaarde van het standaardbereik wilt
instellen, selecteert u Vastgest. max..
Als u de onderlimiet van de meter lager wilt instellen dan
het vastgestelde minimum, selecteert u Schaalmin..
Als u de bovenlimiet van de meter hoger wilt instellen dan
het vastgestelde maximum, selecteert u Schaalmax..
4
Selecteer de grenswaarde.
5
Herhaal stap 4 en 5 om meer grenzen in te stellen.
Motor- en brandstofmeters weergeven
Voordat u motor- en brandstofmeters kunt weergeven, moet u
verbinding hebben met een NMEA 2000 netwerk dat motor- en
brandstofgegevens kan waarnemen. Zie de installatie-instructies
voor meer informatie.
Selecteer A/V, meters, bed. > Motoren.
Het aantal motoren selecteren dat door de meters
wordt weergegeven
U kunt informatie voor maximaal vier motoren weergeven.
1
Selecteer in het motormeterscherm Menu > Installatie >
Motorselectie > Aantal motoren.
2
Selecteer een optie:
Selecteer het aantal motoren.
Selecteer Automatisch configureren om het aantal
motoren automatisch te detecteren.
Instellen welke motoren in de meters worden
weergegeven
Voordat u kunt instellen hoe de motoren worden weergegeven
in de meters, moet u handmatig het aantal motoren selecteren
(Het aantal motoren selecteren dat door de meters wordt
weergegeven, pagina 36).
1
Selecteer in het motormeterscherm Menu > Installatie >
Motorselectie > Wijzig motoren.
2
Selecteer Eerste motor.
3
Selecteer de motor die u in de eerste meter wilt weergeven.
4
Herhaal de stappen voor de overige motormeters.
Statusalarmen voor motormeters inschakelen
U kunt de kaartplotter inschakelen om statusalarmen voor de
motor weer te geven.
Selecteer in het motormeterscherm Menu > Installatie >
Statusalarmen > Aan.
Wanneer een motoralarm wordt geactiveerd, wordt een
statusalarmbericht weergegeven en wordt de meter mogelijk
rood, afhankelijk van het type alarm.
Afzonderlijke statusalarmen voor motormeters
inschakelen
1
Selecteer in het motormeterscherm Menu > Installatie >
Statusalarmen > Aangepast.
2
Selecteer een of meer alarmen voor de motormeters die u
wilt in- of uitschakelen.
Het brandstofalarm instellen
Voordat u een brandstofniveau-alarm kunt instellen, moet een
compatibele brandstofstroomsensor zijn verbonden met de
kaartplotter.
U kunt een alarm laten afgaan wanneer de totale hoeveelheid
resterende brandstof aan boord het door u opgegeven niveau
bereikt.
1
Selecteer Instellingen > Alarmen > Brandstof > Stel tot.
brdstf aan boord in > Aan.
2
Voer de resterende hoeveelheid brandstof in waarbij het
alarm moet afgaan en selecteer OK.
De brandstofcapaciteit van het vaartuig instellen
1
Selecteer Instellingen > Mijn boot > Brandstofcapaciteit.
2
Voer de gecombineerde totale capaciteit van de
brandstoftanks in.
De brandstofgegevens synchroniseren met de actuele
brandstofvoorraad
U kunt de brandstofniveaus op de kaartplotter synchroniseren
met de werkelijke brandstofvoorraad in het vaartuig wanneer u
brandstof tankt.
1
Selecteer A/V, meters, bed. > Motoren > Menu.
2
Selecteer een optie:
Als u alle brandstoftanks van het vaartuig helemaal hebt
gevuld, selecteert u Vul alle tanks. Het brandstofniveau
wordt ingesteld op de maximale capaciteit.
36 Meters en grafieken
Informatie over getijden, stromingen
en zon en maan
Informatie van getijdenstation
Het scherm Getijden verschaft informatie over een
getijdenstation voor een specifieke datum en tijd, zoals de
vloedhoogte en de eb- en vloedtijden. Standaard toont de
kaartplotter informatie voor het laatst weergegeven
getijdenstation en de huidige datum en tijd.
Selecteer Info > Getijden & stromingen > Getijden.
Informatie van stromingenstation
OPMERKING: Er is actuele informatie van stations beschikbaar
bij bepaalde gedetailleerde kaarten.
U kunt informatie van een stromingenstation voor een bepaalde
datum en tijd weergeven, inclusief de huidige stroomsnelheid en
het stroomniveau. Standaard toont de kaartplotter informatie
voor het laatst weergegeven stromingenstation en de huidige
datum en tijd.
Selecteer Info > Getijden & stromingen > Stromen.
Zon- en maanstanden
U kunt informatie over het opkomen/ondergaan van de zon en
de maan en de maanfasen weergeven, en bij benadering de
positie van de zon en de maan. Het midden van het scherm stelt
de hemel boven u voor en de buitenste cirkels stellen de horizon
voor. Standaard geeft de kaartplotter informatie over de zon- en
maanstanden van de huidige dag en tijd weer.
Selecteer Info > Getijden & stromingen > Zon en maan.
Gegevens van getijdenstation, stromingen-
station of zon- en maanstanden voor een
andere datum weergeven
1
Selecteer Info > Getijden & stromingen.
2
Selecteer Getijden, Stromen, of Zon en maan.
3
Selecteer een optie.
Als u informatie voor een andere datum wilt weergeven,
selecteert u Wijzig datum > Handm. en voert u een
datum in.
Als u informatie voor vandaag wilt weergeven, selecteert u
Wijzig datum > Huidig.
Als u, indien beschikbaar, informatie voor de dag na de
weergeven datum wilt bekijken, selecteert u Volgende
dag.
Als u, indien beschikbaar, informatie voor de dag vóór de
weergeven datum wilt bekijken, selecteert u Vorige dag.
Informatie van een ander getijden- of stro-
mingenstation weergeven
1
Selecteer Info > Getijden & stromingen.
2
Selecteer Getijden of Stromen.
3
Selecteer Nabije stations.
4
Selecteer een station.
Almanakgegevens weergeven op de
navigatiekaart
1
Selecteer in een kaart of 3D-kaartweergave een locatie.
2
Selecteer Informatie.
3
Selecteer Getijden, Stromen, of Zon en maan.
Waarschuwingsbeheer
Berichten weergeven
1
Selecteer Info > Waarschuwingsbeheer.
2
Selecteer een bericht.
3
Selecteer Bekijk.
Berichten sorteren en filteren
1
Selecteer Info > Waarschuwingsbeheer > Sorteren/
Filteren.
2
Selecteer een optie om de lijst met berichten te filteren of te
sorteren.
Berichten opslaan op een geheugenkaart
1
Plaats een geheugenkaart in de kaartuitsparing.
2
Selecteer Info > Waarschuwingsbeheer > Opslaan op
kaart.
Alle berichten wissen
Selecteer Info > Waarschuwingsbeheer > Wis
waarschuwingsbeheer.
Mediaspeler
OPMERKING: De mediaspeler is niet compatibel met alle
kaartplottermodellen.
OPMERKING: Niet alle functies zijn beschikbaar op alle
aangesloten mediaspelers.
Als u een compatibele stereo hebt verbonden met het NMEA
2000 netwerk, kunt u de stereo bedienen via de kaartplotter. De
kaartplotter herkent de mediaspeler automatisch wanneer deze
voor het eerst wordt aangesloten.
U kunt media afspelen van bronnen die op de mediaspeler zijn
aangesloten en bronnen die met het NMEA 2000 netwerk zijn
verbonden.
De mediaspeler openen
U moet een compatibel toestel op de kaartplotter aansluiten om
de mediaspeler te kunnen openen.
Selecteer A/V, meters, bed. > Media.
Pictogrammen
OPMERKING: Niet alle toestellen beschikken over deze
pictogrammen.
Pictogram Beschrijving
Hiermee kunt u kanalen als voorkeuze instellen of
verwijderen
Hiermee herhaalt u alle nummers
Hiermee herhaalt u één nummer
Hiermee zoekt u stations of slaat u nummers over
Hiermee schakelt u willekeurige volgorde in
De mediabron selecteren
Als u meerdere mediatoestellen hebt aangesloten op een
netwerk, zoals het NMEA 2000 netwerk, kunt u selecteren welke
mediabron u wilt bedienen vanaf uw kaartplotter.
OPMERKING: U kunt media alleen afspelen vanaf bronnen die
zijn aangesloten op het toestel.
OPMERKING: Niet alle functies zijn beschikbaar op alle
mediabronnen.
1
Selecteer in het mediascherm Bron.
38 Informatie over getijden, stromingen en zon en maan
2
Selecteer Scannen om te zoeken beschikbare DAB-stations.
Als het zoeken is voltooid, wordt het eerste station in de
verzameling afgespeeld.
OPMERKING: Nadat de eerste scan is voltooid, kunt u
Scannen opnieuw selecteren om opnieuw te zoeken naar
DAB-stations. Nadat het opnieuw zoeken is voltooid, speelt
het systeem het eerste station in de verzameling waarnaar u
luisterde voordat u begon met zoeken af.
Een ander DAB-station kiezen
1
Selecteer de DAB bron.
2
Selecteer indien nodig Scannen om te zoeken naar lokale
DAB-stations.
3
Selecteer of om een ander station te kiezen.
Als u het einde van de huidige verzameling bereikt, schakelt
de stereo automatisch over naar het eerste beschikbare
station in de volgende verzameling.
Een DAB-station in een lijst selecteren
1
Selecteer in het DAB-mediascherm Blader > Stations.
2
Selecteer een station in de lijst.
Een DAB-station selecteren in een categorie
1
Selecteer in het DAB-mediascherm Blader > Categorieën.
2
Selecteer een categorie in de lijst.
3
Selecteer een station in de lijst.
DAB-voorkeuzezenders
U kunt uw favoriete DAB-stations instellen als voorkeuzezender.
U kunt maximaal 15 DAB-stations instellen als
voorkeuzezender.
Een DAB-station als voorinstelling instellen
1
Selecteer in het DAB-mediascherm het station die u wilt
opslaan als voorinstelling.
2
Selecteer Blader > Voorinstel. > Sla huidige op.
Een DAB-voorinstelling in een lijst selecteren
1
Selecteer in het DAB-mediascherm Blader > Voorinstel. >
Bekijk voorinstellingen.
2
Selecteer een voorinstelling in de lijst.
DAB-voorkeuzezenders wissen
1
Selecteer in het DAB-mediascherm Blader > Voorinstel..
2
Selecteer een optie:
Als u één voorinstelling wilt verwijderen, selecteert u Wis
voorinstelling en vervolgens de voorinstelling.
Als u alle voorinstellingen wilt verwijderen, selecteert u
Alle voorinstellingen wissen.
SiriusXM Satellite Radio
Als u een FUSION-Link
compatibele stereo hebt en SiriusXM
Connect Tuner hebt geïnstalleerd en aangesloten op de
kaartplotter, hebt u mogelijk toegang tot SiriusXM satellietradio,
afhankelijk van uw abonnement.
Een SiriusXM radio-id zoeken
Voordat u uw SiriusXM abonnement kunt activeren, moet u
weten wat de radio-id van uw SiriusXM Connect Tuner is.
U vindt de SiriusXM Radio-id op de achterzijde van de SiriusXM
Connect Tuner, op de achterkant van de verpakking of door uw
kaartplotter af te stemmen op kanaal 0.
1
Selecteer Media > Bron > SiriusXM.
2
Stem af op kanaal 0.
De SiriusXM radio-id bevat niet de letters I, O, S of F.
Een SiriusXM abonnement activeren
U moet de radio-id hebben om het SiriusXM abonnement te
kunnen activeren (Een SiriusXM radio-id zoeken, pagina 40).
1
Als u de SiriusXM bron hebt geselecteerd, stemt u af op
kanaal 1.
U hoort dan het preview-kanaal. Zo niet, controleer dan de
SiriusXM Connect Tuner, de antenne-installatie en de
aansluitingen en probeer het nogmaals.
2
Stem af op kanaal 0 om de radio-id te zoeken.
3
Neem telefonisch contact op met SiriusXM ondersteuning
voor luisteraars op (866) 635-2349 of ga naar
www.siriusxm.com/activatenow om u te registreren indien u
in de Verenigde Staten woont. Neem telefonisch contact op
met SiriusXM op (877) 438-9677 of ga naar www.siriusxm.ca
/activatexm om u te registreren indien u in Canada woont.
4
Geef de radio-id op.
Activering duurt meestal 10 tot 15 minuten, maar kan soms
wel een uur duren. De SiriusXM Connect Tuner moet zijn
ingeschakeld en het SiriusXM signaal ontvangen om het
activeringsbericht te kunnen ontvangen.
5
Indien de service niet binnen een uur wordt geactiveerd, gaat
u naar http://care.siriusxm.com/refresh of neemt u telefonisch
contact op met SiriusXM op 1-855-MYREFRESH (697-3373).
De kanalengids aanpassen
De kanalen van de SiriusXM radio zijn in categorieën
onderverdeeld. U kunt de categorieën kanalen selecteren die in
de kanalengids staan.
Selecteer een optie:
Als het mediatoestel een FUSION-Link compatibele stereo
is, selecteert u Media > Blader > Kanaal.
Als het mediatoestel een GXM
antenne is, selecteert u
Media > Categorie.
Een SiriusXM kanaal in de voorkeuzelijst opslaan
U kunt uw favoriete kanalen in de voorkeuzelijst opslaan.
1
Selecteer Media.
2
Selecteer het kanaal dat u wilt opslaan als voorinstelling.
3
Selecteer een optie:
Als het mediatoestel een FUSION-Link compatibele stereo
is, selecteert u Blader > Voorinstel..
Als het mediatoestel een GXM antenne is, selecteert u
Menu > Voorinstel. > Voeg huidig kanaal toe.
Ontgrendelen van SiriusXM Ouderlijk toezicht
1
Selecteer in het mediascherm Blader > Toezicht >
Ontgrendel.
2
Voer uw code in.
De standaardcode is 0000.
Ouderlijk toezicht instellen op SiriusXM radiokanalen
Voordat u ouderlijk toezicht kunt instellen, moet u de functie
Ouderlijk toezicht eerst ontgrendelen.
Met de functie Ouderlijk toezicht kunt u de toegang tot SiriusXM
kanalen beperken, waaronder kanalen voor volwassenen. Als
deze functie is ingeschakeld, moet u een code invoeren om af te
kunnen stemmen op een vergrendeld kanaal.
Selecteer Blader > Toezicht > Vergrendel/ontgrendel.
Er wordt een lijst met zoekresultaten weergegeven. Naast
vergrendelde kanalen is een vinkje zichtbaar.
OPMERKING: Na het instellen van het ouderlijk toezicht ziet
het scherm er als volgt uit:
geeft een vergrendeld kanaal aan.
geeft een onvergrendeld kanaal aan.
De code voor ouderlijk toezicht wijzigen op een SiriusXM
Radio
Voordat u de code kunt wijzigen, moet u de functie Ouderlijk
toezicht eerst ontgrendelen.
40 Mediaspeler
1
Selecteer in het mediascherm Blader > Toezicht > Wijzig
PIN.
2
Voer de code in en selecteer OK.
3
Voer een nieuwe code in.
4
Bevestig de nieuwe code.
De standaardinstellingen voor ouderlijk toezicht herstellen
Hierdoor worden alle door u ingevoerde instellingsgegevens
verwijderd. Als u de instellingen voor ouderlijk toezicht herstelt
naar de standaardinstellingen, wordt de code teruggezet naar
0000.
1
Selecteer in het mediamenu Installatie >
Fabrieksinstellingen.
2
Selecteer Ja.
Alle vergrendelde kanalen wissen op een SiriusXM Radio
Voordat u alle vergrendelde kanalen kunt wissen, moet u de
functie Ouderlijk toezicht eerst ontgrendelen.
1
Selecteer in het mediascherm Blader > Toezicht >
Ontgrendel alles.
2
Voer uw code in.
De toestelnaam instellen
1
Selecteer in het mediascherm Menu > Installatie > Kies
toestelnaam.
2
Voer een toestelnaam in.
3
Selecteer Selecteer of OK.
De software van de mediaspeler bijwerken
U kunt de software op compatibele aangesloten stereo's en
accessoires bijwerken.
1
Ga naar www.fusionentertainment.com/marine en download
de software-update op een USB-flashstation.
Software-updates en instructies zijn beschikbaar op de
productpagina van uw toestel.
2
Plaats het USB-flashstation in de USB-poort van de stereo.
3
Selecteer op het kaartplotter-mediascherm Menu >
Installatie > Software bijwerken.
4
Selecteer het toestel dat u wilt bijwerken.
SiriusXM Weather
WAARSCHUWING
De weersinformatieservice die via dit product wordt
aangeboden, kan worden onderbroken en kan fouten,
onnauwkeurigheden of verouderde informatie bevatten en dient
derhalve niet als exclusieve informatiebron te worden gebruikt.
Gebruik altijd uw gezonde verstand tijdens het navigeren, en
controleer alternatieve bronnen van weersinformatie bij het
nemen van beslissingen waarbij de veiligheid in het geding is. U
bevestigt en gaat ermee akkoord dat u als enige
verantwoordelijk bent voor het gebruik van de weersinformatie
en alle beslissingen die u neemt met betrekking tot navigatie op
basis van de weersinformatie. Garmin kan niet aansprakelijk
worden gesteld voor eventuele gevolgen van het gebruik van
SiriusXM weersinformatie.
OPMERKING: SiriusXM gegevens zijn niet beschikbaar in alle
regio's.
Een Garmin SiriusXM satellietweerontvanger met een antenne
ontvangt gegevens van de weersatelliet en kan die gegevens op
diverse Garmin toestellen weergeven, onder meer op de
navigatiekaart op een compatibele kaartplotter. De
weergegevens voor elke functie zijn afkomstig van
meteorologische instituten van naam, zoals de National Weather
Service en het Hydrometeorological Prediction Center. Ga voor
meer informatie naar www.siriusxm.com/sxmmarine.
Vereisten voor SiriusXM uitrusting en -
abonnement
Als u weersinformatie via de satelliet wilt ontvangen, hebt u een
compatibele satellietweerontvanger nodig. Om SiriusXM
Satellite Radio te kunnen gebruiken, hebt u een compatibele
satellietradio-ontvanger nodig. Ga naar www.garmin.com voor
meer informatie. U moet ook beschikken over een abonnement
om weer en radio via de satelliet te kunnen ontvangen.
Raadpleeg voor meer informatie de instructies bij uw uitrusting
voor het ontvangen van weer en radio via de satelliet.
Weersverwachtingen
Weergegevens worden met verschillende tussenpozen
uitgezonden voor elke weerfunctie. Weerradargegevens worden
bijvoorbeeld elke vijf minuten uitgezonden. Wanneer de Garmin
ontvanger wordt ingeschakeld of wanneer er een andere
weerfunctie wordt geselecteerd, worden die nieuwe gegevens
pas weergegeven nadat die door de ontvanger zijn ontvangen.
U merkt waarschijnlijk een korte vertraging op voordat de
weergegevens of andere functies op de kaart worden
weergegeven.
OPMERKING: Elke weerfunctie kan veranderen als de bron
verandert die de informatie aanlevert.
Weerkaart wijzigen
1
Selecteer in een combinatiescherm of SmartMode lay-out
met een weerkaart Menu > Weermenu > Wijzig weer.
2
Selecteer een weerkaart.
Informatie over neerslag weergeven
Neerslag kan hele lichte regen zijn tot aan zeer zware
onweersbuien, wat door middel van allerlei arceringen en
kleuren wordt aangegeven. De neerslag wordt afzonderlijk of in
combinatie met andere informatie over het weer weergegeven.
Selecteer Grafieken > Neerslag.
De tijdstempel linksboven op het scherm geeft aan hoeveel
tijd er is verlopen sinds de informatie voor het laatst door de
provider van de weergegevens is bijgewerkt.
Neerslagweergave
Selecteer op de neerslagkaart Menu.
RADAR-lus: Toont informatie over de neerslag als een
afbeelding van de nieuwste update of als een geanimeerde
lus van de nieuwste updates. De tijdstempel geeft aan
hoeveel tijd er is verlopen sinds de serviceprovider het beeld
heeft gegenereerd van de weerradar dat op het scherm wordt
weergegeven.
Bewolking: Toont gegevens over de bewolking.
Via-punten: Toont via-punten.
Legenda: Toont de weerlegenda.
Informatie over stormkernen en bliksem
Stormkernen worden op de neerslagkaart aangegegeven me .
Ze geven zowel de huidige positie van een storm als het
verwachte pad van de storm in de komende uren aan.
Bij de pictogrammen van een stormkern worden rode kegels
weergegeven. Het breedste gedeelte van elke kern wijst in de
richting van het verwachte pad van de stormkern. De rode lijnen
in elke kern geven aan waar de storm zich hoogstwaarschijnlijk
in de komende uren zal bevinden. Elke lijn staat voor 15
minuten.
Blikseminslagen worden aangegeven met . De bliksem wordt
weergegeven op de neerslagkaart als er in de afgelopen zeven
minuten bliksemflitsen zijn gedetecteerd. Het grondstation voor
het detecteren van bliksemflitsen kan alleen bliksems zien die
vanaf de wolken naar de aarde gaan.
SiriusXM Weather 41
OPMERKING: Deze functies is niet op alle toestellen en in alle
abonnementen beschikbaar.
Informatie over orkanen
Op de neerslagkaart kan de huidige positie van een orkaan ,
een tropische storm of een tropische depressie worden
weergegeven. Een rode lijn vanuit een orkaanpictogram geeft
het verwachte pad van de orkaan aan. Donkere stippen op de
rode lijn geven de verwachte locaties aan waar de orkaan zal
passeren. Deze informatie komt van de provider van de
weergegevens.
Weerwaarschuwingen en weerberichten
Wanneer een weerwaarschuwing voor de scheepvaart, een
weerwaarneming, weeradvies, weerbericht of andere
weervermelding wordt gegeven, geeft arcering het gebied aan
waarvoor de informatie geldt. De waterlijnen op de kaart geven
de grenzen aan van de weersverwachtingen voor de
scheepvaart, voor de kust en voor buitengaats. Weerberichten
kunnen bestaan uit weerwaarnemingen of weeradviezen.
Selecteer het gearceerde gebied voor informatie over de
waarschuwing of het bericht.
Kleur Weergroep voor de scheepvaart
Cyaan Plotselinge overstroming
Blauw Overstroming
Rood Scheepvaart
Geel Zware storm
Rood Tornado
Weersverwachting
Op de kaart voor de weersverwachtingen worden
weersverwachtingen voor steden, voor de scheepvaart,
waarschuwingen, orkaanwaarschuwingen, weerrapporten voor
de luchtvaart, waarschuwingen voor regio's, weerfronten en
drukcentra, oppervlaktedruk en weerboeien weergegeven.
Gegevens over de weersverwachting voor een andere
tijdsperiode weergeven
1
Selecteer Grafieken > Weersverwachting.
2
Selecteer een optie:
Als u de weersverwachting voor de volgende 48 uur wilt
bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Volgende
verwachting meerdere keren.
Als u de weersverwachting voor de vorige 48 uur wilt
bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Vorige
verwachting meerdere keren.
Weerfronten en drukcentra
Weerfronten worden weergegeven als lijnen die de voorste rand
van een luchtmassa aangeven.
Frontsymbool Beschrijving
Koudefront
Warmtefront
Stationair front
Gesloten front
Golfdal
Naast de weerfronten staan vaak drukcentrumsymbolen.
Drukcen-
trumsymbo
ol
Beschrijving
Geeft een lagedrukcentrum aan. Dit is een gebied met
een relatief lage luchtdruk. De luchtdruk wordt hoger
naarmate de afstand tot het lagedrukcentrum groter
wordt. Op het noordelijk halfrond draait de wind tegen de
wijzers van de klok in rond lagedrukcentra.
Geeft een hogedrukcentrum aan. Dit is een gebied met
een relatief hoge luchtdruk. De luchtdruk wordt lager
naarmate de afstand tot het hogedrukcentrum groter
wordt. Op het noordelijk halfrond draait de wind met de
wijzers van de klok mee rond hogedrukcentra.
Een weersverwachting voor de scheepvaart of de
verwachting voor buitengaats bekijken
1
Selecteer Grafieken > Weersverwachting.
2
Schuif de kaart naar een locatie buitengaats op.
De optie Weersverwachting voor de scheepvaart of
Weersverwachting buitengaats wordt weergegeven wanneer
de weersverwachting beschikbaar is.
3
Selecteer Weersverwachting voor de scheepvaart of
Weersverwachting buitengaats.
Verwachtingen voor steden
Verwachtingen voor steden worden als weersymbolen
weergegeven. De verwachting wordt elke 12 uur bijgesteld.
Symbool Weer Symbool Weer
Deels bewolkt Helder (zonnig, heet,
onbewolkt)
Bewolkt Regen (motregen, natte
sneeuw, regenbuien)
Winderig Mistig
Onweersbuien Sneeuw (sneeuwbuien, lichte
sneeuwbuien, sneeuw-
stormen, jachtsneeuw, natte
sneeuw, ijsregen, ijsmotregen)
Rook (stoffig,
nevelig)
Zeegang weergeven
De functie Zeegang geeft informatie weer over de
oppervlaktecondities, waaronder wind, hoogte van de golven,
duur van de golven en richting van de golven.
Selecteer Grafieken > Zeegang.
Oppervlaktewind
Oppervlaktewindvectoren worden op de kaart Zeegang
weergegeven met windcirkels die de richting aangeven van
waaruit de wind waait. Een windcirkel is een cirkeltje met een
lijn. De dwarslijn of vlag bij het uiteinde van de lijn geeft de
windsnelheid aan. Een korte lijn betekent een windsnelheid van
5 knopen, een lange lijn 10 knopen en een driehoekje 50
knopen.
Windcirkel Windsnelheid Windcirkel Windsnelheid
Kalm 20 knopen
5 knopen 50 knopen
10 knopen 65 knopen
15 knopen
Hoogte, duur en richting van de golven
De hoogten van de golven voor een bepaald gebied worden in
verschillende kleuren weergegeven. Elke kleur staat voor een
andere golfhoogte, zoals u kunt zien in de legenda.
De duur van de golven is de tijd (in seconden) tussen elke golf.
Lijnen geven de gebieden met dezelfde golfduur aan.
42 SiriusXM Weather
De richting van de golven wordt op de kaart met rode pijlen
aangegeven. De richting van elke pijl geeft de richting aan
waarin de golf gaat.
Informatie over de verwachte zeegang voor een
andere tijdsperiode weergeven
1
Selecteer Grafieken > Zeegang.
2
Selecteer een optie:
Als u de verwachte zeegang voor de volgende 36 uur wilt
bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Volgende
verwachting meerdere keren.
Als u de verwachte zeegang voor de vorige 36 uur wilt
bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Vorige
verwachting meerdere keren.
Visinformatie weergeven
Op de weerkaart voor vissen worden de huidige temperatuur,
huidige oppervlaktedruk en visverwachtingen weergegeven.
Selecteer Grafieken > Vissen.
Gegevens over de oppervlaktedruk en de watertempe-
ratuur
De gegevens van de oppervlaktedruk worden als drukisobaren
en drukcentra weergegeven. Isobaren verbinden punten van
gelijke druk met elkaar. Aan de hand van drukmetingen kunnen
de weers- en windomstandigheden worden bepaald.
Hogedrukgebieden zijn doorgaans voorbodes van goed weer.
Lagedrukgebieden geven over het algemeen wolken en kans op
regen. Isobaren die dicht op elkaar staan, laten een sterke
drukstijging zien. Sterke drukstijgingen wijzen op gebieden met
meer wind.
Drukeenheden worden weergegeven in millibar (mb), inches
kwik (inHg) of hectopascal (hPa).
Kleurarceringen, zoals gedefinieerd in de legenda linksboven op
het scherm, geven de oppervlaktetemperatuur van het water
aan.
Verwachtingen van vislocaties
U kunt voor bepaalde vissoorten gebieden met optimale
weersomstandigheden weergeven.
OPMERKING: Deze functies is niet op alle toestellen en in alle
abonnementen beschikbaar.
1
Selecteer op de weerkaart voor vissen Menu > Vissoorten.
2
Selecteer een vissoort.
3
Selecteer Aan.
4
Herhaal stap 2 en 3 om voor andere vissoorten gebieden met
optimale weersomstandigheden weer te geven.
Gearceerde gebieden geven optimale visgebieden aan. Als u
meerdere vissoorten hebt geselecteerd, kunt u een
gearceerd gebied kiezen en de vissoorten bekijken die in dat
gebied voorkomen.
Het kleurbereik van de temperatuur van het
zeeoppervlak wijzigen
U kunt het kleurbereik dynamisch instellen als u de
temperatuurwaarden van het zeeoppervlak in een hogere
resolutie wilt weergeven.
1
Selecteer op de weerkaart voor vissen Menu >
Zeetemperatuur.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Automatisch configureren om het bereik
automatisch te laten aanpassen door de kaartplotter.
De kaartplotter vindt automatisch de minimale en
maximale waarde voor het huidige scherm en past de
temperatuurkleurschaal aan.
Als u de minimale en maximale waarde voor het
temperatuurbereik zelf wilt opgeven, selecteert u
Onderlimiet of Bovenlimiet en voert u de minimale of
maximale waarde in.
Zichtgegevens
Zicht is het verwachte, maximale horizontale zicht aan het
oppervlak, zoals wordt aangegeven in de legenda links op het
scherm. Variaties in de zichtarcering geven de verwachte
verandering in het zicht aan de oppervlakte aan.
OPMERKING: Deze functies is niet op alle toestellen en in alle
abonnementen beschikbaar.
Selecteer Grafieken > Zicht.
Gegevens over het verwachte zicht voor een andere
tijdsperiode weergeven
1
Selecteer Grafieken > Zicht.
2
Selecteer een optie:
Als u de verwachte zichtcondities voor de volgende 36 uur
wilt bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Volgende
verwachting meerdere keren.
Als u de verwachte zichtcondities voor de vorige 36 uur
wilt bekijken in stappen van 12 uur, selecteert u Vorige
verwachting meerdere keren.
Boeirapporten weergeven
De metingen in het rapport zijn de meetgegevens van boeien en
observatiestations langs de kust. Deze gegevens worden
gebruikt voor het bepalen van luchttemperatuur, dauwpunt,
watertemperatuur, getijde, hoogte en duur van de golven,
windrichting en -snelheid, zicht en barometerdruk.
1
Selecteer in een weerkaart.
2
Selecteer Boei.
Gegevens over het plaatselijke weer bij de boei
weergeven
U kunt een gebied bij de boei selecteren en de verwachting
bekijken.
1
Selecteer een locatie op de kaart in een weerkaart.
2
Selecteer Lokaal weer.
3
Selecteer een optie:
Selecteer Huidige conditie als u de actuele
weersomstandigheden van een lokaal weerstation wilt
bekijken.
Selecteer Weersverwachting als u de plaatselijke
weersverwachting wilt bekijken.
Selecteer Zeeoppervlak voor informatie over de
oppervlaktewind en barometerdruk.
Selecteer Weerbericht voor de scheepvaart als u de
gegevens over de wind en de golven wilt bekijken.
Een waypoint op een weerkaart maken
1
Selecteer een locatie in een weerkaart.
2
Selecteer Via-punt maken.
Weeroverlay
Bij de weeroverlay worden er weergegevens en informatie die
betrekking heeft op het weer, op de navigatiekaart, de viskaart
en de Perspective 3D-kaartweergave geprojecteerd. Op de
navigatie- en viskaart kunnen de volgende gegevens worden
weergegeven: weerradar, de hoogte van de toppen van de
wolken, bliksem, weerboeien, waarschuwingen voor regio's en
waarschuwingen voor orkanen. Op de Perspective 3D
kaartweergave kan de weerradar worden weergegeven.
De instellingen voor de weeroverlay die voor een bepaalde kaart
worden opgegeven, gelden niet voor andere kaarten. Deze
SiriusXM Weather 43
instellingen moeten voor elke kaart afzonderlijk worden
opgegeven.
OPMERKING: In sommige gebieden is de kaart voor
diepzeevissen beschikbaar bij premiumkaarten.
De weeroverlay inschakelen op een kaart
Selecteer vanuit de water- of viskaart Menu >
Kaartinstelling > Weer > Weer > Aan.
Weeroverlay-instellingen op de navigatiekaart
Selecteer vanuit de navigatiekaart Menu > Kaartinstelling >
Weer.
Weer: Hiermee schakelt u de weeroverlay in en uit.
Neerslag: Toont neerslaggegevens.
Bewolking: Toont gegevens over de bewolking.
Zicht: Toont zichtgegevens.
Boeien: Toont weerboeien.
Legenda: Toont de weerlegenda.
Weeroverlay-instellingen op de viskaart
Selecteer vanuit de viskaart Menu > Kaartinstelling > Weer.
Neerslag: Toont neerslagradar.
Zeetemperatuur: Toont de zeetemperatuurgegevens.
Boeien: Toont weerboeien.
Legenda: Toont de weerlegenda.
Informatie over weerabonnementen
weergeven
U kunt informatie bekijken over weerdiensten waarop u zich
hebt geabonneerd, en zien hoeveel minuten er zijn verstreken
sinds de gegevens voor elke dienst zijn bijgewerkt.
Selecteer op een weerkaart Menu > Weerabonnement.
Video weergeven
Voordat u video kunt weergeven, moet u verbinding maken met
een compatibele bron.
Compatibele toestellen omvatten videotoestellen die zijn
aangesloten op de poorten van de kaartplotter of op het Garmin
Marine Network, maar ook ondersteunde netwerkvideocamera's
(IP-camera's), encoders en thermische camera's.
Selecteer A/V, meters, bed. > Video.
Een videobron selecteren
1
Selecteer in het videoscherm Menu > Bron.
2
Selecteer de bron van de videoweergave.
Wisselen tussen meerdere videobronnen
Als u twee of meer videobronnen hebt, kunt u hiertussen
wisselen met behulp van een specifiek tijdsinterval.
1
Selecteer in het videoscherm Menu > Bron > Wisselen.
2
Selecteer Tijd en selecteer hoelang iedere video wordt
weergegeven.
3
Selecteer Bron en selecteer de videobronnen die u aan de
wisselende reeks wilt toevoegen.
Videotoestellen in het netwerk
LET OP
Een Garmin Power over Ethernet (PoE) Isolation Coupler (P/N
010-10580-10) moet worden gebruikt voor het aansluiten van
een PoE toestel, zoals een FLIR
®
camera, op een Garmin
Marine Network. Een PoE toestel direct aansluiten op een
Garmin Marine Network kaartplotter beschadigt de Garmin
kaartplotter en kan het PoE toestel beschadigen.
Voordat u videotoestellen, zoals IP-camera's, encoders en
thermische camera's, op uw kaartplotter kunt weergeven en
bedienen, moet op uw kaartplotter een compatibel videotoestel
zijn aangesloten en moet u een maritieme netwerkkabel met
Power over Ethernet (PoE) Isolation Coupler hebben
geïnstalleerd. Ga naar www.garmin.com voor een lijst met
compatibele toestellen of om een PoE Isolation Coupler aan te
schaffen.
U kunt meerdere ondersteunde videocamera's en maximaal
twee video-encoders aansluiten op het Garmin Marine Network.
U kunt maximaal vier videobronnen tegelijk selecteren en
weergeven. Kaartplotters met meerdere ingebouwde composite
video-ingangen kunnen maar één ingebouwde videobron
weergeven. Als de camera's zijn aangesloten, worden ze
automatisch door het netwerk gedetecteerd en weergegeven in
de lijst met bronnen.
Videovoorkeuzes gebruiken op videocamera's in het
netwerk
U kunt videovoorkeuzes voor elke videobron in het netwerk
opslaan, een naam geven en activeren.
Videovoorkeuzes opslaan op een videocamera in het
netwerk
1
Tik in een videoscherm op het scherm.
De videoknoppen worden op het scherm weergegeven.
2
Houd een videovoorkeuzeknop ingedrukt.
Een groen lampje geeft aan dat de instelling is opgeslagen.
Videovoorkeuzes een naam geven op een videocamera in
het netwerk
1
Selecteer in het videoscherm Menu > Video-instellingen >
Voorinstel..
2
Selecteer een voorkeuze.
3
Selecteer Wijzig naam.
4
Voer de naam voor de voorkeuze in.
Videovoorkeuzes activeren op een videocamera in het
netwerk
U kunt camera's in het netwerk snel terugzetten op de vooraf
ingestelde waarden.
1
Tik in een videoscherm op het scherm.
De videoknoppen worden op het scherm weergegeven.
2
Selecteer een videovoorkeuze.
De camera herstelt de voor die voorkeuze opgeslagen video-
instellingen.
TIP: U kunt voorkeuzes ook via het videomenu opslaan en
activeren.
Camera-instellingen
Sommige camera's beschikken over aanvullende mogelijkheden
om de cameraweergave te bedienen.
OPMERKING: Niet alle opties zijn op alle camera- en
kaartplottermodellen beschikbaar. Raadpleeg de
camerahandleiding voor een lijst met beschikbare functies. Om
deze functie te kunnen gebruiken, moet de camerasoftware
mogelijk worden bijgewerkt.
Selecteer Menu in het infrarood videoscherm.
IR/Zichtbaar: Hiermee geeft u een infraroodbeeld of zichtbaar
camerabeeld weer.
Scannen: Hiermee bekijkt u het omliggende gebied.
Pauzeer: Pauzeert het camerabeeld.
Wijzig kleuren: Hiermee selecteert u het kleurenschema van
het infraroodbeeld.
Wijzig scène: Hiermee selecteert u de modus voor
infraroodweergave, bijvoorbeeld dag, nacht, MOB of
afmeren.
44 Video weergeven
compatibiliteitsproblemen met oudere NMEA 0183
stuurautomaten worden opgelost.
Standaardinstellingen: Stelt de NMEA 0183 instellingen terug
op de oorspronkelijke fabrieksinstellingen.
Diagnose: Hiermee wordt NMEA 0183 diagnostische informatie
weergegeven.
NMEA 0183-uitvoertelegrammen configureren
U kunt NMEA 0183-uitvoertelegrammen in- en uitschakelen.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > NMEA 0183-
instelling > Uitvoertelegrammen.
2
Selecteer een optie.
3
Selecteer een of meerdere NMEA 0183-uitvoertelegrammen
en selecteer Terug.
4
Herhaal stap 2 en stap 3 voor het in- of uitschakelen van
meer uitvoertelegrammen.
De communicatie-indeling voor elke NMEA 0183-poort
instellen
U kunt de communicatie-indeling voor iedere interne NMEA
0183-poort configureren wanneer u uw kaartplotter op externe
NMEA 0183-toestellen, een computer of andere Garmin
toestellen aansluit.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > NMEA 0183-
instelling > Poorttypen.
2
Selecteer een invoer- of uitvoerpoort.
3
Selecteer een indeling:
Voor ondersteuning van invoer en uitvoer van standaard
NMEA 0183-gegevens en DSC en ondersteuning van
NMEA invoer voor DPT-, MTW- en VHW-telegrammen
voor een echolood, selecteert u NMEA standaard.
Voor ondersteuning van invoer of uitvoer van standaard
NMEA 0183-gegevens voor de meeste AIS-ontvangers,
selecteert u Hoge snelh NMEA.
Voor ondersteuning van invoer of uitvoer van Garmin
gegevens voor communicatie met Garmin software,
selecteert u Garmin.
4
Herhaal stap 2 en stap 3 om meer invoer- en uitvoerpoorten
te configureren.
NMEA 2000 instellingen
Selecteer Instellingen > Communicatie > NMEA 2000-
instelling.
Toestellenlijst: Hier worden de toestellen weergegeven die zijn
verbonden met het netwerk.
Toestellen labelen: Hier kunt u de labels van de beschikbare
verbonden toestellen veranderen.
Toestellen en sensors in het netwerk een naam geven
U kunt een naam geven aan toestellen en sensors die met het
Garmin Marine Network en het NMEA 2000 netwerk zijn
verbonden.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie.
2
Selecteer Marine Network of NMEA 2000-instelling >
Toestellenlijst.
3
Selecteer een toestel in de lijst aan de linkerkant.
4
Selecteer Wijzig naam.
5
Voer de naam in en selecteer OK.
Marine Network
Met het Marine Network kunt u snel en gemakkelijk gegevens
van Garmin randapparatuur delen met de kaartplotters. Als u
een kaartplotter aansluit op een Marine Network, kunt u
gegevens ontvangen van en delen met andere toestellen en
kaartplotters die zijn verbonden met het Marine Network.
Selecteer Instellingen > Communicatie > Marine Network.
Alarmen instellen
Navigatiealarmen
Selecteer Instellingen > Alarmen > Navigatie.
Aankomst: Hiermee stelt u een alarm in voor wanneer u zich
binnen een opgegeven afstand of tijd van een koerswijziging
of bestemming bevindt.
Krabbend anker: Hiermee stelt u een alarm in voor wanneer u
een opgegeven afstand afdrijft terwijl u voor anker ligt.
Koersfout: Hiermee stelt u een waarschuwing in voor wanneer
de boot een opgegeven afstand van koers raakt.
Het krabbend-ankeralarm instellen
U kunt een alarm laten afgaan wanneer de boot zich meer dan
de toegestane afstand heeft verplaatst. Dit is heel handig
wanneer u 's nachts voor anker ligt.
1
Selecteer Instellingen > Alarmen > Navigatie > Krabbend
anker.
2
Selecteer Alarm om het alarm in te schakelen.
3
Selecteer Stel bereik in en selecteer een afstand op de
kaart.
4
Selecteer Terug.
Systeemalarmen
Wekker: Stelt een wekker in.
Voedingspanng: Hiermee stelt u een alarmsignaal in dat afgaat
als de accuspanning is gedaald tot een opgegeven voltage.
GPS-nauwkeurigheid: Hiermee stelt u een alarmsignaal in dat
afgaat als de nauwkeurigheid van de GPS-locatie buiten een
door de gebruiker gedefinieerde waarde valt.
Instellingen voor echoloodwaarschuwingen
OPMERKING: Sommige instellingen vereisen externe
accessoires.
Selecteer Instellingen > Alarmen > Echolood.
Ondiep water: Hiermee stelt u een alarm in dat afgaat als de
diepte onder de opgegeven waarde komt.
Diep water: Hiermee stelt u een alarm in dat afgaat als de
diepte boven de opgegeven waarde komt.
Watertemperatuur: Hiermee stelt u een alarm in dat afgaat als
de transducer een temperatuur doorgeeft die 2°F (1,1°C)
hoger of lager is dan de opgegeven temperatuur.
Contour: Hiermee kunt u opgeven dat er een alarm moet
afgaan als het toestel een zwevend doel detecteert in de
opgegeven diepte vanaf het wateroppervlak en vanaf de
bodem.
Vis: Hiermee kunt u een geluidsalarm instellen voor als het
toestel een zwevend doel detecteert.
laat het alarm afgaan wanneer vissen van elke
grootte worden gedetecteerd.
laat het alarm alleen afgaan wanneer middelgrote of
grote vissen worden gedetecteerd.
laat het alarm alleen afgaan wanneer grote vissen
worden gedetecteerd.
Weeralarmen instellen
Voordat u weeralarmen kunt instellen, moet u een compatibele
kaartplotter aansluiten op een weertoestel, zoals een GXM
toestel, en beschikken over een geldig weerabonnement.
1
Selecteer Instellingen > Alarmen > Weer.
2
Schakel alarmen in voor specifieke weersomstandigheden.
Het brandstofalarm instellen
Voordat u een brandstofniveau-alarm kunt instellen, moet een
compatibele brandstofstroomsensor zijn verbonden met de
kaartplotter.
Toestelconfiguratie 49
Instellingen voor overige schepen
Als uw compatibele kaartplotter is verbonden met een AIS-
toestel of marifoon, kunt u instellen hoe andere vaartuigen op de
kaartplotter worden weergegeven.
Selecteer Instellingen > Overige schepen.
AIS: Schakelt ontvangst van AIS-signalen in en uit.
DSC: Schakelt DSC (Digital Selective Calling) in en uit.
Aanvar.alarm: Hiermee stelt u het aanvaringsalarm in (Een
veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen, pagina 8).
AIS-EPIRB-testuitz.: Hiermee schakelt u testsignalen in van
EPRIB's (Emergency Position Indicating Radio Beacons).
AIS-MOB-testuitz.: Hiermee schakelt u testsignalen in van
MOB-toestellen (Man-over-boord).
AIS-SART-test: Hiermee schakelt u testuitzendingen in van
SART-zenders (Search and Rescue Transponders).
Instellingen die worden gesynchroniseerd
op het Garmin Marine Network
De volgende toestellen synchroniseren bepaalde instellingen
zodra ze zijn verbonden met het Garmin Marine Network.
echoMAP
70 serie
GPSMAP 507 serie (softwareversie 3.0 of hoger)
GPSMAP 701 serie (softwareversie 3.0 of hoger)
GPSMAP 702 serie
GPSMAP 800 serie
GPSMAP 902 serie
GPSMAP 1000 serie
GPSMAP 1002 serie
GPSMAP 1202 serie
GPSMAP 7400/7600 serie
GPSMAP 8400/8600 serie
De volgende instellingen zijn ook op het toestel
gesynchroniseerd, indien van toepassing.
Alarminstellingen (synchroniseert ook alarmbevestiging):
Aankomst
Krabbend anker
Koersfout
GPS-nauwkeurigheid
Ondiep water
Diep water (niet beschikbaar op de GPSMAP 8400/8600
serie)
Watertemperatuur
Contour (niet beschikbaar op de echoMAP 70s en GPSMAP
507/701 serie)
Vis
Aanvar.alarm
Algemene instellingen:
Auto Guid. Voorkeursdiepte
Auto Guid. Vrije doorvaarthoogte
Zoemer
Kleurmodus
Toetsenbordindeling
Taal voor tekst
Kaartdatum
Noordreferentie
Positieweergave
Systeemeenheden
Vaarsnelheid kalibreren
Formaat van de radarantenne
Kaartinstellingen:
Kaartgrenzen
Gevarenkleuren
Koerslijn
Nut.punt. land
Lichtsectoren
Grootte van navigatiekenmerken
Type nav.kenm.
Fotopunten
Voorkeursdiepte
Ondiep-arcering
Servicepunten
Bootpictogram (Kan niet worden gesynchroniseerd tussen
alle modellen)
De fabrieksinstellingen van de kaartplotter
herstellen
OPMERKING: Tijdens deze procedure worden alle gegevens
verwijderd die u hebt ingevoerd.
1
Selecteer Instellingen > Systeem > Systeeminformatie >
Fabrieksinstellingen.
2
Selecteer een optie.
Communicatie met draadloze
toestellen
Met de kaartplotters kunt u een draadloos netwerk opzetten,
waar draadloze toestellen een verbinding mee kunnen maken.
Verbinding met draadloze toestellen biedt u de mogelijkheid om
Garmin apps, zoals BlueChart Mobile en Garmin Helm
te
gebruiken. Zie www.garmin.com voor meer informatie.
WiFi
®
netwerk
Het WiFi draadloos netwerk instellen
Met de kaartplotters kunt u een WiFi netwerk opzetten,
waarmee draadloze toestellen verbinding kunnen maken. Als u
de instellingen voor het draadloze netwerk voor het eerst opent,
wordt u gevraagd om het netwerk in te stellen.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > Wi-Fi® netwerk
> Wi-Fi® > Aan > OK.
2
Voer zo nodig een naam in voor dit draadloze netwerk.
3
Voer een wachtwoord in.
U hebt dit wachtwoord nodig om via een draadloos toestel
toegang te krijgen tot het draadloze netwerk. Het wachtwoord
is hoofdlettergevoelig.
Een draadloos toestel verbinden met de kaartplotter
Voordat u een draadloos toestel kunt verbinden met het
draadloze netwerk van de kaartplotter, moet u het draadloze
netwerk van de kaartplotter configureren (Het Wi
Fi draadloos
netwerk instellen, pagina 51).
U kunt meerdere draadloze toestellen verbinden met de
kaartplotter om gegevens te delen.
1
Schakel op het draadloze toestel de WiFi technologie in en
scan naar draadloze netwerken.
2
Selecteer de naam van het draadloze netwerk van uw
kaartplotter (Het Wi
Fi draadloos netwerk instellen,
pagina 51).
3
Voer het netwerkwachtwoord in.
Communicatie met draadloze toestellen 51
Het draadloze kanaal wijzigen
U kunt het draadloze kanaal wijzigen als u een toestel niet kunt
vinden, verbindingsproblemen hebt, of hinder hebt van
interferentie.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > Wi-Fi® netwerk
> Geavanceerd > Kanaal.
2
Voer een nieuw kanaal in.
U hoeft het draadloze kanaal van met dit netwerk verbonden
toestellen niet te wijzigen.
De WiFi host wijzigen
U kunt wijzigen welke kaartplotter als WiFi host fungeert. Dit
kan van pas komen als u problemen hebt met WiFi
communicatie. De optie om de WiFi host te wijzigen biedt u de
mogelijkheid om een kaartplotter te selecteren die zich dichter
bij uw mobiele toestel bevindt.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > Wi-Fi® netwerk
> Geavanceerd > Wi-Fi® host.
2
Volg de instructies op het scherm.
Draadloze afstandsbediening
De draadloze afstandsbediening koppelen met de
kaartplotter
Om de draadloze afstandsbediening met een kaartplotter te
kunnen gebruiken moet u de afstandsbediening en de
kaartplotter eerst koppelen.
U kunt een afstandsbediening koppelen met meerdere plotters
en vervolgens schakelen tussen de kaartplotters door op de
koppelingsknop te drukken.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > Draadloze
toestellen > Draadloze afstandsbed..
2
Selecteer Nieuwe verbinding.
3
Volg de instructies op het scherm.
De schermverlichting van de afstandsbediening in- en
uitschakelen
Door de schermverlichting van de afstandsbediening uit te
schakelen gaat de batterij langer mee.
1
Selecteer op de kaartplotter Instellingen > Communicatie >
Draadloze toestellen > Draadloze afstandsbed. >
Schermverlichting.
2
Volg de instructies op het scherm.
De afstandsbediening loskoppelen van alle
kaartplotters
1
Selecteer op de kaartplotter Instellingen > Communicatie >
Draadloze toestellen > Draadloze afstandsbed. >
Ontkoppel alle.
2
Volg de instructies op het scherm.
De Garmin Helm toepassing gebruiken met
de kaartplotter
Voordat u de kaartplotter kunt bedienen met de Garmin Helm
toepassing, moet u de toepassing downloaden en installeren en
de kaartplotter verbinden met een WiFi router.
1
Selecteer Instellingen > Communicatie > Draadloze
toestellen > Helm-app.
2
Selecteer een optie.
3
Gebruik de toepassing om de kaartplotter te bekijken of te
bedienen.
Een quatix
®
horloge verbinden met de
kaartplotter
U kunt verbinding maken tussen een compatibel quatix horloge,
zoals het quatix 3 horloge, en een compatibele kaartplotter om
gegevens van de kaartplotter op uw quatix horloge weer te
geven.
1
Breng het quatix horloge binnen bereik (3 m) van de
kaartplotter.
2
Selecteer vanuit het quatix horlogeklokweergavescherm
START > Bootgegevens > START.
OPMERKING: Als u al verbinding hebt gemaakt met een
kaartplotter en u wilt verbinding maken met een andere
kaartplotter, opent u het scherm Bootgegevens, houdt u UP
ingedrukt en selecteert u Koppel nieuwe.
3
Selecteer op de kaartplotter Instellingen > Communicatie >
Draadloze toestellen > Garmin Wearable > Schakel
verbind. in > Nieuwe verbinding.
De kaartplotter begint naar het draagbare toestel te zoeken
en maakt er verbinding mee.
Als de toestellen zijn gekoppeld, maken ze automatisch
verbinding met elkaar als ze worden ingeschakeld en binnen
bereik zijn.
Een Garmin Nautix
toestel verbinden met
de kaartplotter
Koppelen is de totstandbrenging van een verbinding tussen
twee compatibele draadloze toestellen. U maakt bijvoorbeeld
een koppeling als u een Garmin Nautix toestel voor de eerste
keer verbindt met een compatibele kaartplotter. Voor een lijst
van compatibele toestellen gaat u naar de productpagina op
www.garmin.com.
OPMERKING: U kunt een Garmin Nautix toestel koppelen met
meerdere compatibele toestellen voor een betere dekking op
grotere boten.
1
Breng een Garmin Nautix toestel binnen bereik (3 m) van de
kaartplotter.
Het toestel zoekt automatisch naar alle compatibele
toestellen binnen het bereik.
2
Selecteer indien nodig in het menu van het draagbarre
toestel Toestelverbindingen > Koppel nieuw toestel.
3
Selecteer op de kaartplotter Instellingen > Communicatie >
Draadloze toestellen > Garmin Wearable > Schakel
verbind. in > Nieuwe verbinding.
De kaartplotter begint naar het draagbare toestel te zoeken
en maakt er verbinding mee.
Als de toestellen zijn gekoppeld, maken ze automatisch
verbinding met elkaar als ze worden ingeschakeld en binnen
bereik zijn.
Beheer van kaartplottergegevens
Via-punten, routes en sporen vanaf
HomePort naar een kaartplotter kopiëren
Als u gegevens wilt kopiëren naar de kaartplotter, moet de
laatste versie van het softwareprogramma HomePort op uw
computer zijn geïnstalleerd en moet er een geheugenkaart zijn
geplaatst in de kaartplotter.
Kopieer de gegevens van HomePort naar de voorbereide
geheugenkaart.
Zie voor meer informatie het HomePort helpbestand.
Een bestandstype selecteren voor via-
punten en routes van andere leveranciers
U kunt via-punten en routes op toestellen van andere
leveranciers importeren en exporteren.
1
Selecteer Info > Gebruikersgegevens >
Gegevensoverdracht > Bestandstype.
2
Selecteer GPX.
52 Beheer van kaartplottergegevens
Telegram Beschrijving
65263 Vochtniveau of druk motor 1
65270 Inlaat- of uitlaatcondities 1
65271 Elektrisch vermogen voertuig
65279 Water-in-brandstof-indicator
65272 Transmissievloeistoffen 1
65248 Vaartuigafstand
65266 Brandstofverbruik (vloeibaar)
65276 Dashdisplay
65226 Actieve diagnosestoringscodes
56 Appendix
9


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Garmin GPSMAP 7607 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Garmin GPSMAP 7607 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 5,51 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Garmin GPSMAP 7607

Garmin GPSMAP 7607 Installation Guide - English - 8 pages

Garmin GPSMAP 7607 User Manual - English - 62 pages

Garmin GPSMAP 7607 Installation Guide - German - 8 pages

Garmin GPSMAP 7607 User Manual - German - 72 pages

Garmin GPSMAP 7607 Installation Guide - Dutch - 8 pages

Garmin GPSMAP 7607 Installation Guide - French - 8 pages

Garmin GPSMAP 7607 User Manual - French - 70 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info