637545
7
Zoom out
Zoom in
Previous page
1/376
Next page
InstructIeboekje
Het online-instructieboekje
Als de rubriek "MyCITROËN" niet beschikbaar is op de website van Citroën voor uw land, kunt u uw
instructieboekje op het volgende internetadres raadplegen:
http://service.citroen.com/ddb/
Uw instructieboekje is te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCITROËN".
Selecteer:
Kies een van de volgende manieren om uw
instructieboekje online te raadplegen...
Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u
rechtstreeks contact opnemen met het merk.
de taal,
het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering,
de uitgifteperiode van uw gebruiksaanwijzing die overeenkomt met de eerste registratiedatum
van uw auto.
Scan deze code voor directe toegang tot uw instructieboekje.
Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt,
hebt u tevens toegang tot de meest recente
informatie. Deze informatie is gemakkelijk te
herkennen aan de paginamarkering die wordt
weergegeven met dit pictogram:
DS5_nl_Chap00a_sommaire_ed02-2015
Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in de gelegenheid te
stellen onder alle omstandigheden optimaal en in alle veiligheid
gebruik te maken van de mogelijkheden van uw auto.
Wij danken u voor uw keuze voor de DS 5.
Aan de beschrijvingen en afbeeldingen kunnen
geen rechten worden ontleend.
Automobiles CITROËN houdt zich het recht voor de
technische kenmerken, uitrusting en accessoires
te wijzigen zonder verplicht te zijn dit dit boekje bij
te werken.
Dit instructieboekje behoort tot de uitrusting van de
auto. Overhandig het dus bij verkoop van de auto
aan de nieuwe eigenaar.
Neem de tijd om het aandachtig door te lezen.
Goede reis!
In dit instructieboekje worden alle beschikbare
uitrustingen van het gamma van de DS 5 behandeld.
Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau,
het type, de uitvoering en de specifieke kenmerken
voor het land waarvoor uw auto bestemd is,
slechts van een deel van de in dit boekje vermelde
uitrustingen zijn voorzien.
001
DS5_nl_Chap00a_sommaire_ed02-2015
Inhoudsopgave
CONTROLE TIJDENS
HET RIJDEN
Symbolen
veiligheidswaarschuwing
aanvullende informatie
adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu.
18 Instrumentenpaneel
19 Verklikkerlampjes
32 Meters
37 Kilometerteller en dagteller
38 Klokje
39 Monochroom display C
43 Touchscreen
46 Boordcomputer
6
14
308
ECO-RIJDEN
OVERZICHT
TREFWOORDENREGISTER
002 003 004
DS5_nl_Chap00a_sommaire_ed02-2015
COMFORT
TOEGANG TOT
DE AUTO
RIJDEN
72 Voorstoelen
77 Achterbank
80 Spiegels
81 Stuurwielverstelling
82 Voorzieningen voorin
86 Voorzieningen achter
87 Voorzieningen van de
bagageruimte
88 Gevarendriehoek (opbergen)
89 Verwarming en ventilatie
91 Automatische airconditioning
met gescheiden regeling
95 Ontwasemen - Ontdooien
vóór
95 Achterruitverwarming
98 Rijadviezen
100 Starten / afzetten van de
motor
103 Elektrische parkeerrem
109 Hill Start Assist
110 Handgeschakelde
versnellingsbak
111 Automatische
versnellingsbak
115 Schakelindicator
116 Controlesysteem
bandenspanning
118 Stop & Start
122 Lane Departure Warning
System (LDWS)
123 Dodehoekbewaking
126 Head-up display
128 Snelheden opslaan
130 Snelheidsbegrenzer
133 Snelheidsregelaar
136 Parkeerhulp
138 Achteruitrijcamera
52 Elektronische sleutel -
afstandsbediening
54 Keyless entry and start
61 Centrale vergrendeling
62 Achterklep
63 Alarm
66 Elektrisch bedienbare ruiten
68 Cockpit roof
005 006 007 008
DS5_nl_Chap00a_sommaire_ed02-2015
VEILIGHEID PRAKTISCHE
INFORMATIE
VEILIG VERVOEREN
VAN KINDEREN
ZICHT
142 Lichtschakelaar
145 Verlichting overdag /
Parkeerlichten (LED-
verlichting)
146 Automatische verlichting
147 Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht
149 Verlichting zijkant
150 Koplampen in hoogte
verstellen
151 Meedraaiende koplampen
153 Ruitenwisserschakelaar
155 Automatische ruitenwissers
157 Plafonniers
158 Sfeerverlichting
162 Kinderzitjes
164 Uitschakelen van de airbag
vóór aan passagierszijde
170 ISOFIX-bevestigingen
176 Kinderbeveiliging
180 Richtingaanwijzers
181 Noodoproep of Pechhulp
181 Claxon
182 ESP
186 Veiligheidsgordels
189 Airbags
196 Bandenreparatieset
202 Wiel verwisselen
211 Een lamp vervangen
219 Zekeringen vervangen
223 12V-accu
227 Eco-mode
228 Wisserbladen vervangen
229 Slepen
231 Trekken van een aanhanger
232 Allesdragers monteren
233 Onderhoudstips
234 Accessoires
009 010 011
DS5_nl_Chap00a_sommaire_ed02-2015
ONDERHOUD TECHNISCHE
GEGEVENS
AUDIO EN
DATACOMMUNICATIE
239 Brandstoftank
242 Tankbeveiliging (diesel)
243 Openen van de motorkap
244 Onder de motorkap
(benzinemotoren)
245 Onder de motorkap
(dieselmotoren)
246 Brandstoftank leeg (diesel)
247 Niveaus controleren
251 Controles
253 Additief AdBlue
®
en
SCR-systeem
(BlueHDi-dieselmotor)
264 Benzinemotoren
265 Gewichten (benzine)
267 Dieselmotoren
269 Gewichten (diesel)
273 Afmetingen
274 Identicatie
278 Noodoproep of Pechhulp
281 Autoradio / Bluetooth
Raadpleeg bij uitvoeringen
met het navigatiesysteem
en het touchscreen
de bijlage van de
boorddocumentatie.
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Overzicht
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Exterieur
Elektronische sleutel /
Keyless entry and start 52-60, 100-102
- openen / sluiten
- diefstalbeveiliging
- batterij
- starten
Instapverlichting 149
Meedraaiende koplampen 151
Statische bochtverlichting 152
Koplamphoogteverstelling 150
Lampen vervangen 211-215
- koplampen
- mistlampen vóór
- zijknipperlichten
Ruitenwissers 153-156
Ruitenwisserbladen
vervangen 156, 228
Portieren 52-61
- Keyless entry and start
- openen/sluiten
- centrale vergrendeling
- noodbediening
Alarmsysteem 63-65
Cockpit roof 68-69
Allesdragers 232
Accessoires 234-235
ESC (ABS, BAS, ASR, ESP) 182-185
Bandenspanningscontrolesysteem
116-117
Bandenspanning 116, 201, 274
Sneeuwkettingen 210
Wiel verwisselen 202-209
- gereedschap
- demonteren/monteren
Bandenreparatieset 196-201
Bagageruimte 53, 62
- openen / sluiten
- noodbediening
Additief AdBlue,
bijvullen 253-257, 258-261
Lampen vervangen 216-218
- achterlichten
- derde remlicht
- kentekenplaatverlichting
- mistachterlichten
Buitenspiegels 80
Verlichting buitenspiegels 149
Brandstoftank 239-241
Tankbeveiliging (diesel) 242
Parkeerhulp 136-137
Achteruitrijcamera 138
Slepen 229-230
Trekhaak 99, 231
9
Overzicht
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Interieur
Voorzieningen bagageruimte 87
Gevarendriehoek 88
Veiligheidsgordels 186-188
Voorstoelen 72-76
- hoofdsteunen
- handmatig verstelbaar
- elektrisch verstelbaar
- stoelverwarming
- massage
Conventionele
kinderzitjes 162-169, 175
ISOFIX-kinderzitjes 170-175
Elektrische kinderbeveiliging 176
Airbags 189-192
Voorzieningen voorin 82-85
- aansteker / 12V-aansluiting
- matten
- middenarmsteun
- Jack-/USB-aansluiting
Dashboardkastje 82
Uitschakeling frontairbag
passagierszijde 163-166, 190
Voorzieningen achterin 86
- middenarmsteun achter
- skiluik
Achterzitplaatsen 77-79
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Head-up display 126-127
Instrumentenpaneel 18, 37-38
- check / onderhoudsindicator /
dagteller
- dimmer dashboardverlichting /
black panel
Verklikkerlampjes 19-31
Meters 32-36
Elektrische parkeerrem 103-108
Stuurslot / starten/afzetten
van de motor met
de START/STOP-knop 100-102
Klokje 38
Alarmknipperlichten 180
Cockpit
Plafonniers 157-158
Pictogrammendisplay
veiligheidsgordels / frontairbag
passagierszijde 187, 190
Binnenspiegel 81
Verwarming / ventilatie 89-90
Automatische airconditioning met
gescheiden regeling 91-94
Ontwasemen / ontdooien 95
USB-box/ Jack-aansluiting 82, 85
Zekeringen dashboard 219-221
Handgeschakelde
zesversnellingsbak 110
Automatische transmissie 111-114
Schakelindicator 115
Hill Start Assist 109
Autoradio/ Bluetooth 281-307
Monochroom display C 39-42
Datum/tijd instellen 42
Configuratie van de auto 40-41
Touchscreen 43-45
Configuratie van de auto 45
Motorkapontgrendeling 243
Ruitbediening achter 66-67
12V-aansluiting 82, 83
11
Overzicht
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Lichtschakelaar 142-148
Richtingaanwijzers 180
Ruitenwisserschakelaar 153-156
Boordcomputer 46-48
Cockpit
Stuurwiel met bedieningstoetsen
Claxon 181
Snelheidsbegrenzer 130-132
Snelheidsregelaar 133-135
Opslaan van snelheden 128-129
Bediening audiosysteem en telefoon
(Autoradio / Bluetooth) 283
Stuurwiel verstellen 81
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Cockpit
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht 147-148
Lane Departure Warning System 122
Interieurbeveiliging alarmsysteem 63-65
Ruitbediening voor/achter 66-67
Elektrische kinderbeveiliging 176
Centrale vergrendeling 61
Brandstoftankklep openen 239
Achterklep openen 62
Parkeerhulp 136-137
ESP-/ASR-systeem 184-185
Stop & Start 118-121
ou
Dodehoekbewaking 123-125
Rijen drukschakelaars (zijkant)
Urgence-oproep met
lokalisering 181, 278-279
Assistance-oproep met
lokalisering 181, 278-279
Cockpit roof 68-69
Head-up display 126-127
Buitenspiegels 80
Koplamphoogteverstelling 150
Rijen drukschakelaars (midden)
13
Overzicht
DS5_nl_Chap00b_vue-ensemble_ed02-2015
Onderhoud - Gegevens
Niveaus controleren 247-250
- olie
- remvloeistof
- stuurbekrachtigingsvloeistof
- koelvloeistof
- ruitensproeier-/
koplampsproeiervloeistof
Additief AdBlue 253-261
Controle van onderdelen 251-252
- luchtfilter
- interieurfilter
- oliefilter
- elektrische parkeerrem
- remblokken/-schijven
Lampen vervangen 211-218
- voor
- achter
Motorkapontgrendeling 243
Onder de motorkap (benzine) 244
Onder de motorkap (diesel) 245
Afmetingen 273
Identificatie 274
Brandstoftank leeg (diesel) 246
12V-accu 223-226
Spaarfase accu, eco-mode 227
Zekeringen motorruimte 219-220, 222
Benzinemotoren 264
Dieselmotoren 267-268
Gewichten (benzine) 265-266
Gewichten (diesel) 269-272
DS5_nl_Chap00c_eco-conduite_ed02-2015
Eco-rijden
Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO
2
-uitstoot van uw auto verminderen.
Maak optimaal gebruik van de
versnellingsbak
Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak,
rijd dan rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in
en schakel bij het accelereren bij voorkeur relatief snel over naar een
hogere versnelling.
Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie, gebruik dan
bij voorkeur de automatische stand en trap het gaspedaal niet bruusk
of diep in.
De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schakelen die
het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg het op het
instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies zo snel mogelijk op.
Bij auto's met een automatische transmissie wordt de schakelindicator
uitsluitend in de handmatige stand weergegeven.
Kies voor een soepele rijstijl
Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in
plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk
in. Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de
CO
2
-uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt.
Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van
ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig).
Gebruik op slimme wijze de elektrische
voorzieningen
Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is
opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de
airconditioning in te schakelen.
Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de
ventilatieroosters geopend.
Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging
kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak,
zonneschermen, enz.).
Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is
bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning).
Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze
niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd.
Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is.
Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair
warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op
als u rijdt.
Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur (DVD-
speler, MP3-speler, spelcomputer, enz.) op de auto aan om het
elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken.
Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat.
15
Eco-rijden
DS5_nl_Chap00c_eco-conduite_ed02-2015
Beperk de oorzaken van een hoger
brandstofverbruik
Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste
voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank.
Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal,
fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een
dakkoffer.
Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal.
Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door
zomerbanden.
Houd u aan de onderhoudsvoorschriften
Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u
daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de
portiersponning aan bestuurderszijde.
Controleer de bandenspanning met name:
- voor een lange rit,
- bij de wisseling van de seizoenen,
- als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.
Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen
van de aanhanger of de caravan te controleren.
Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter,
luchtfilter en interieurfilter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het
aan uw situatie aangepaste onderhoudsschema van de fabrikant.
Uitvoeringen met een BlueHDi-dieselmotor: bij een storing in het SCR-
systeem stoot de auto schadelijke stoffen uit. Ga zo spoedig mogelijk
naar het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om
de uitstoot van stikstofoxiden terug te brengen tot onder de wettelijke
normen.
Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo
voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt.
U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde
brandstofverbruik zich stabiliseert.
001
Controle van de werking
Instrumentenpaneel benzine-diesel
1. Toerenteller (x 1000 t/min of rpm),
schaalverdeling afhankelijk van de
motoruitvoering (benzine of diesel).
2. Brandstofniveaumeter.
3. Koelvloeistoftemperatuurmeter.
4. Analoge snelheidsmeter (km/h of mph).
5. Aanwijzingen van de snelheidsregelaar of
de snelheidsbegrenzer.
A. Dimmer dashboardverlichting en verlichting
bedieningselementen.
B. - Kort indrukken: weergave
van achtereenvolgend de
onderhoudsinformatie, de actieradius van
het additief AdBlue en het logboek met
waarschuwingsmeldingen.
- Lang indrukken: resetten van de
onderhoudsindicator of de dagteller
(afhankelijk van de context).
6. Schakelindicator of weergave positie
selectiehendel en ingeschakelde
versnelling van de automatische
transmissie.
7. Display van het instrumentenpaneel:
kilometertellers, onderhoudsindicator,
motoroliepeilmeter*, actieradius van het
additief AdBlue van het SCR-systeem*,
waarschuwingsmeldingen, boordcomputer,
geluidsbron waarnaar wordt geluisterd,
navigatie-aanwijzingen*.
8. Digitale snelheidsmeter (km/h of mph).
Meters en displays Bedieningstoetsen
Bij het aan- en afzetten van het contact
slaat de wijzer van de snelheidsmeter
volledig uit en gaan alle segmenten van
de tellers kort branden.
* Volgens uitvoering.
19
Controle tijdens het rijden
Verklikkerlampjes
Zodra de motor wordt gestart, moeten deze
lampjes weer uitgaan.
Als het lampje blijft branden, controleer dan
voordat u gaat rijden welke functie het betreft.
Bijbehorende waarschuwingen
Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan
branden in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Verklikkerlampjes kunnen constant branden of
knipperen.
Sommige verklikkerlampjes kunnen op
twee manieren oplichten: permanent of
knipperend.
Aan de manier van oplichten in
combinatie met de werkingsfase van de
auto valt af te lezen of er sprake is van
een normale situatie of een storing.
Raadpleeg de onderstaande tabellen
voor meer informatie.
De verklikkerlampjes geven de bestuurder
informatie over de werking van een
systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of
waarschuwen de bestuurder in het geval van
een storing (waarschuwingslampje).
Bij het aanzetten van het contact
Als het contact wordt aangezet, gaan
bepaalde waarschuwingslampjes op het
instrumentenpaneel en/of op het display van het
instrumentenpaneel enkele seconden branden.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Richtingaanwijzer
links
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar omlaag
beweegt.
Richtingaanwijzer
rechts
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar omhoog
beweegt.
Parkeerlichten permanent. De lichtschakelaar staat in de stand
"Parkeerlichten".
Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand
"Dimlicht".
Grootlicht permanent. Als u de lichtschakelaar naar u toe
trekt.
Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen
naar dimlicht.
Mistlampen vóór permanent. De mistlampen vóór zijn ingeschakeld
met de ring van de lichtschakelaar.
Draai de ring van de lichtschakelaar twee standen
naar achteren om de mistlampen vóór uit te
schakelen.
Raadpleeg voor meer informatie over de lichtschakelaar de desbetreffende rubriek.
Automatische
schakeling
grootlicht/
dimlicht
permanent. U hebt de lichtschakelaar naar u toe
getrokken en de toets is ingedrukt.
Het controlelampje van de toets
brandt.
De camera op de binnenspiegel geeft al of niet
toestemming voor het overschakelen van het
grootlicht naar het dimlicht, afhankelijk van de
buitenverlichting en de verkeerssituatie.
Trek de lichtschakelaar naar u toe om het dimlicht
weer in te schakelen.
Verklikkerlampjes ingeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel en/of op het display van het instrumentenpaneel geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.
21
Controle tijdens het rijden
Mistachterlichten permanent. De mistachterlichten zijn
ingeschakeld.
Draai de ring naar achteren om de mistachterlichten
uit te schakelen.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Voorgloeien
dieselmotor
permanent. De startknop "START/STOP" is
ingedrukt (Contact).
Wacht met starten tot het controlelampje uitgaat.
Wanneer het lampje uitgaat, wordt de motor
onmiddellijk gestart, op voorwaarde dat het
rempedaal ingetrapt blijft bij auto's met automatische
transmissie of het koppelingspedaal bij auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
De wachttijd is afhankelijk van de
weersomstandigheden (tot ongeveer 30 seconden bij
koud winterweer).
Als de motor niet wil aanslaan, zet dan het contact af.
Zet het contact vervolgens weer aan en wacht opnieuw
tot het lampje uitgaat voordat u de motor start.
Elektrisch
bediende
handrem
permanent. De elektrisch bediende handrem is
aangetrokken.
Zet de elektrisch bediende handrem vrij zodat het
controlelampje uitgaat: trap het rempedaal in en trek
aan de hendel van de elektrisch bediende handrem.
Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de elektrisch bediende handrem.
Uitschakeling
van de
automatische
werking van
de elektrische
parkeerrem
permanent. De functies "automatisch aantrekken"
(bij het afzetten van de motor)
en "automatisch vrijzetten" zijn
uitgeschakeld of werken niet.
Activeer de functie (volgens land van bestemming)
via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
als de parkeerrem niet meer automatisch wordt
aangetrokken of vrijgezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Automatische
ruitenwissers
permanent. De ruitenwisserschakelaar is naar
beneden bewogen.
De automatische stand van de ruitenwissers vóór is
geactiveerd.
Beweeg om de automatische stand van de
ruitenwissers te deactiveren de hendel omlaag of zet
de hendel in een andere stand.
Airbag aan
passagierszijde
permanent op het
display van de
verklikkerlampjes voor
de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar in het dashboardkastje
staat in de stand "ON".
De passagiersairbag vóór is
geactiveerd.
Plaats in dit geval geen kinderzitje
met de rug in de rijrichting op deze
zitplaats.
Zet de schakelaar in de stand "OFF" om de
passagiersairbag vóór uit te schakelen.
U kunt een kinderzitje met de "rug in de rijrichting"
plaatsen, behalve in het geval van een storing in het
airbagsysteem (brandend waarschuwingslampje
Airbags).
Stop & Start permanent. Het Stop & Start-systeem heeft
de motor in de STOP-stand gezet
(verkeerslicht, stopbord, opstopping,
enz.).
Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch
gestart (START-stand) als u wilt wegrijden.
knippert enkele
seconden en gaat
dan uit.
De STOP-stand is nu niet
beschikbaar.
of
De motor wordt automatisch in de
START-stand gezet.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het Stop & Start-systeem.
23
Controle tijdens het rijden
Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld.
Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display van het instrumentenpaneel.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Passagiersairbag permanent, op
het display van de
verklikkerlampjes voor
de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar in het dashboardkastje
staat in de stand "OFF".
De airbag vóór aan passagierszijde is
uitgeschakeld.
U kunt een kinderzitje met de "rug
in de rijrichting" plaatsen, behalve
in het geval van een storing in
het airbagsysteem (brandend
verklikkerlampje Airbags).
Zet de schakelaar in de stand "ON" om de airbag vóór
aan passagierszijde in te schakelen.
Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje
met de "rug in de rijrichting".
Waarschuwingslampjes
Als bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende verklikkerlampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem
en moet de bestuurder actie ondernemen.
Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het display van
het instrumentenpaneel wordt weergegeven.
Raadpleeg indien nodig het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
STOP
permanent, in combinatie
met een ander
waarschuwingslampje,
een geluidssignaal en
een melding op het
display.
Dit waarschuwingslampje gaat branden
bij een ernstige storing met betrekking tot
het remsysteem, de stuurbekrachtiging,
een te lage motoroliedruk, een te hoge
koelvloeistoftemperatuur of bij een
ernstige elektrische storing.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige
plaats, omdat u anders het risico loopt op ernstige
motorschade.
Zet het contact af en raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
25
Controle tijdens het rijden
Service tijdelijk, in combinatie
met een melding.
Er zijn één of meer kleine storingen
gedetecteerd waarbij geen specifiek
verklikkerlampje gaat branden.
Identificeer de oorzaak van de storing met behulp van
de melding op het display.
Bepaalde storingen kunt u zelf verhelpen, zoals een
geopend portier of een roetfilter dat verstopt dreigt te
raken (rijd om het roetfilter te regenereren, zodra de
omstandigheden dit toelaten, met een snelheid van
minimaal 60 km/h totdat het verklikkerlampje dooft).
Raadpleeg in andere gevallen, zoals een storing in
het controlesysteem bandenspanning, het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
permanent, in
combinatie met een
melding.
Er zijn één of meer ernstige storingen
gedetecteerd waarbij geen specifiek
verklikkerlampje gaat branden.
Identificeer de oorzaak van de storing met behulp
van de melding op het display en raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
permanent, in combinatie
met het knipperen en
vervolgens blijven branden
van de onderhoudssleutel.
Het onderhoudsinterval is
overschreden.
Alleen bij uitvoeringen met een BlueHDi-dieselmotor.
Laat het onderhoud aan uw auto zo snel mogelijk
uitvoeren.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Elektrische
parkeerrem
knippert. Het aantrekken van de elektrische
parkeerrem is onderbroken.
Het aantrekken/vrijzetten werkt niet.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Parkeer de auto op een vlakke, horizontale
ondergrond, schakel een versnelling in (auto met
automatische transmissie: zet de selectiehendel
in de stand P), zet het contact af en raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Storing
elektrische
parkeerrem
permanent. Storing in de elektrische parkeerrem. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
Uitschakeling
van de
automatische
werking van
de elektrische
parkeerrem
permanent. De functies "automatisch aantrekken"
(bij het afzetten van de motor)
en "automatisch vrijzetten" zijn
uitgeschakeld of werken niet.
Activeer de functie (volgens land van bestemming)
via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
als de parkeerrem niet meer automatisch wordt
aangetrokken of vrijgezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
27
Controle tijdens het rijden
Remsysteem permanent. Het remvloeistofniveau is te laag.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een artikelnummer
van CITROËN.
Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren
door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
+ permanent, in
combinatie met het
waarschuwingslampje
ABS.
Er is een storing in de elektronische
remdrukregelaar (REF).
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Dynamische
stabiliteitscontrole
(ESP/ASR)
knippert. De ESP-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor
een betere koersstabiliteit als de wielen te weinig grip
hebben of de auto uit de koers dreigt te raken.
permanent. Storing in het ESP-/ASR-systeem. Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Antiblokkeersysteem
(ABS)
permanent. Er is een storing in het
antiblokkeersysteem.
De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg
zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Bandenspanning
te laag
permanent. De bandenspanning van een of
meerdere wielen is te laag.
Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning.
De controle dient bij voorkeur bij koude banden te
worden uitgevoerd.
+
knipperend en
vervolgens permanent,
in combinatie met het
verklikkerlampje Service.
Het controlesysteem voor de
bandenspanning is defect of de
sensor van een van de wielen wordt
niet gedetecteerd.
De bandenspanning wordt niet meer gecontroleerd.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Zelfdiagnose
motor
knippert. Er is een storing in het
motormanagementsysteem.
Kans op beschadiging van de katalysator.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
permanent. Er is een storing in de
emissieregeling.
Het verklikkerlampje moet doven als de motor wordt gestart.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
Laag
brandstofniveau
permanent, terwijl de
2 laatste segmenten
knipperen, in
combinatie met een
melding en een
geluidssignaal.
Als het lampje gaat branden zit er
nog ongeveer 6 liter brandstof in
de tank.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u
met een lege tank strandt.
Dit verklikkerlampje gaat elke keer na het aanzetten
van het contact branden in combinatie met een
melding en een geluidssignaal zolang er niet
voldoende brandstof getankt is.
Dit geluidssignaal en deze melding worden met een
toenemende frequentie herhaald naarmate het niveau
daalt en dichter bij de "0" komt.
Inhoud brandstoftank: 60 liter.
Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,
omdat anders het emissieregelsysteem en het
injectiesysteem beschadigd kunnen raken.
29
Controle tijdens het rijden
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Additief AdBlue
®
(BlueHDi-
dieselmotor)
permanent zodra het contact
is aangezet, in combinatie
met een geluidssignaal en
een melding van het aantal
kilometers dat u nog kunt
rijden.
De actieradius ligt tussen
de 600 en 2400 km.
Laat het AdBlue
®
-reservoir snel bijvullen: neem
contact op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats of vul zelf het reservoir bij.
+
knippert, in combinatie
met het branden van het
verklikkerlampje SERVICE,
een geluidssignaal en een
melding van het aantal
kilometers dat u nog kunt
rijden.
De actieradius ligt tussen de 0 en
600 km.
Laat het AdBlue
®
-reservoir zo snel mogelijk bijvullen
om storingen te voorkomen: neem contact op
met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats of vul zelf het reservoir bij.
knippert, in combinatie
met het branden van
het verklikkerlampje
SERVICE, een
geluidssignaal en een
melding dat starten
niet is toegestaan.
Het AdBlue
®
-reservoir is leeg:
het starten van de motor wordt
geblokkeerd door het wettelijk
verplichte startblokkeringssysteem.
Om de motor te kunnen starten moet u het AdBlue
®
-
reservoir (laten) bijvullen: neem contact op met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
of vul zelf het reservoir bij.
U moet het additiefreservoir bijvullen met minimaal
3,8 liter AdBlue
®
.
Raadpleeg voor het bijvullen of voor meer informatie over het additief AdBlue
®
de desbetreffende rubriek.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
+
+
SCR-
emissieregelsysteem
(BlueHDi-
dieselmotor)
permanent zodra het contact
is aangezet, in combinatie
met het branden van het
verklikkerlampje SERVICE
en het verklikkerlampje
zelfdiagnose motor, een
geluidssignaal en een
melding.
Er is een storing in het SCR-
emissieregelsysteem.
Deze waarschuwing verdwijnt zodra de uitstoot van
uitlaatgassen weer aan de normen voldoet.
knippert zodra het contact
is aangezet, in combinatie
met het branden van
het verklikkerlampje
SERVICE en het
verklikkerlampje
zelfdiagnose motor, een
geluidssignaal en een
melding met betrekking
tot de actieradius.
Na bevestiging van de storing in
het emissieregelsysteem kunt u
maximaal 1100 km afleggen voordat
het systeem het starten van de motor
blokkeert.
Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats om storingen te
voorkomen.
knippert zodra het contact
is aangezet, in combinatie
met het branden van het
verklikkerlampje SERVICE
en het verklikkerlampje
zelfdiagnose motor, een
geluidssignaal en een
melding.
U hebt de actieradius overschreden
die is toegestaan na de
bevestiging van de storing in het
emissieregelsysteem: het starten van
de motor wordt geblokkeerd door het
startblokkeringssysteem.
Neem verplicht contact op met het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om de
motor weer te kunnen starten.
31
Controle tijdens het rijden
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Airbags tijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele
seconden en dooft als het contact
wordt aangezet.
Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
permanent. Er is een storing in een van de
airbags of de pyrotechnische
gordelspanners.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Bochtverlichting knippert. Er is een storing in de
bochtverlichting.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Autogordel(s)
niet vastgemaakt
of weer
losgemaakt
permanent
of knippert in
combinatie met een
geluidssignaal.
Een van de autogordels is niet
vastgemaakt of weer losgemaakt.
Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de
gesphouder.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Bij draaiende motor:
- in zone A, de temperatuur is in orde,
- in zone B, de temperatuur is te hoog. Het
waarschuwingslampje STOP gaat branden,
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Wacht enkele minuten voordat u de motor afzet.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
De temperatuur en de druk in het koelcircuit
beginnen na enkele minuten rijden te stijgen.
Om koelvloeistof bij te vullen:
F wacht tot de motor is afgekoeld,
F draai de dop twee omwentelingen los om
de druk te laten dalen,
F verwijder vervolgens de dop,
F vul bij tot aan het merkteken "MAXI".
Wees voorzichtig bij het bijvullen
van de koelvloeistof: kans op
brandwonden. Vul niet bij tot boven het
maximumniveau (aangegeven op het
reservoir).
33
Controle tijdens het rijden
Onderhoudsindicator
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is meer dan 3000 km
Als het contact wordt aangezet, verschijnt er
geen onderhoudsinformatie op het display van
het instrumentenpaneel.
De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel
kilometer u nog verwijderd bent van de
eerstvolgende onderhoudsbeurt volgens het
onderhoudsschema van de fabrikant.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is 1000 tot 3000 km
Als het contact wordt aangezet, gaat
gedurende enkele seconden de
onderhoudssleutel branden. Een melding
op het display van het instrumentenpaneel
geeft de resterende kilometers of tijd tot de
eerstvolgende onderhoudsbeurt aan.
Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende
onderhoudsbeurt bedraagt 2800 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft het
display van het instrumentenpaneel tijdelijk het
volgende aan:
Enkele seconden na het aanzetten van het
contact verdwijnt de sleutel.
Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste
nulstelling van de onderhoudsindicator, op
basis van het aantal afgelegde kilometers en de
verstreken tijd sinds de laatste onderhoudsbeurt.
Bij de BlueHDi-uitvoeringen met dieselmotor
(volgens land van bestemming) heeft de
mate van vervuiling van de motorolie ook
invloed op de berekening.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is overschreden
Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende enkele seconden de
sleutel knipperen om aan te geven dat de onderhoudswerkzaamheden
zo spoedig mogelijk uitgevoerd moeten worden.
Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt
met 300 km overschreden.
Als het contact wordt aangezet, geeft het display van het
instrumentenpaneel het volgende aan:
Bij de BlueHDi-uitvoeringen met
dieselmotor kan de sleutel afhankelijk
van de mate van vervuiling van de
motorolie ook eerder gaan branden, wat
afhankelijk is van de rijomstandigheden
van de auto.
De sleutel blijft branden naast de kilometerteller
om aan te geven dat er onderhoudswerkzaamheden
uitgevoerd hadden moeten worden.
Bij de BlueHDi-uitvoeringen met dieselmotor
gaat bij het aanzetten van het contact in
combinatie met deze waarschuwing ook het
verklikkerlampje Service branden.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is minder dan 1000 km
Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt
bedraagt 900 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft het display van het
instrumentenpaneel gedurende enkele seconden het volgende aan:
Nadat de melding is verdwenen, blijft de
sleutel branden naast de kilometerteller
om aan te geven dat er binnenkort
onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd
moeten worden.
De sleutel kan gaan branden als het interval
in tijd sinds de laatste onderhoudsbeurt, zoals
vermeld in het onderhoudsschema van de
fabrikant, is overschreden.
35
Controle tijdens het rijden
Als u na deze handeling de accu wilt
loskoppelen, vergrendel dan de auto
en wacht minimaal 5 minuten. Het op
0 zetten van de onderhoudsindicator zal
anders niet worden opgeslagen.
Op 0 zetten van de
onderhoudsindicator
De onderhoudsindicator moet na elke
onderhoudsbeurt op 0 gezet worden.
Als u zelf het onderhoud van uw auto uitvoert:
F zet het contact af,
F druk op de resetknop van de dagteller en
houd deze ingedrukt,
F zet het contact aan; de kilometerteller
begint terug te tellen,
F laat de knop los als het display "=0"
aangeeft; de sleutel verdwijnt.
Opnieuw weergeven van de
onderhoudsinformatie
U kunt op elk moment de onderhoudsinformatie
weergeven.
F Druk op de knop voor nulstelling van de
dagteller.
De onderhoudsinformatie wordt
enkele seconden weergegeven en
verdwijnt vervolgens weer.
Motorolieniveaumeter*
Te weinig olie
Als het motorolieniveau te laag is, wordt
de melding "Te laag olieniveau" op het
instrumentenpaneel weergegeven in
combinatie met het branden van het
verklikkerlampje Service en een geluidssignaal.
Controleer het olieniveau met de peilstok. Als
blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie
worden bijgevuld om te voorkomen dat ernstige
motorschade ontstaat.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het controleren van de niveaus.
Storing van de
motorolieniveaumeter
Als de melding "Ongeldige meting olieniveau"
wordt weergegeven, duidt dit op een storing in
de motorolieniveaumeter.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als de motorolieniveaumeter niet werkt, wordt
het motoroliepeil niet meer gecontroleerd.
Zolang het systeem niet werkt, moet u het
motoroliepeil controleren met de peilstok in de
motorruimte.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het controleren van de
niveaus.
Bij uitvoeringen met een motorolieniveaumeter
wordt bij het aanzetten van het contact eerst
de onderhoudsindicator weergegeven en
vervolgens gedurende enkele seconden het
motorolieniveau.
Een controle van het olieniveau is
alleen betrouwbaar als de auto op een
vlakke, horizontale ondergrond staat
en de motor minstens 30 minuten niet
heeft gedraaid.
Olieniveau correct
* Volgens uitvoering.
37
Controle tijdens het rijden
U kunt bij het rijden in het donker de lichtsterkte
van de dashboardverlichting handmatig
aanpassen.
Dimmer dashboardverlichting
Als de verlichting van de auto is ingeschakeld:
F druk op deze knop om de sterkte van de
dashboardverlichting te variëren,
F laat deze knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.
De ingestelde lichtsterkte wordt bij het afzetten
van het contact in het geheugen opgeslagen.
De dashboardverlichting kan niet met deze knop worden
ingesteld als de verlichting van de auto is uitgeschakeld.
De kilometerteller en dagteller worden gedurende 30 seconden weergegeven bij het afzetten van
het contact, bij het openen van het bestuurdersportier en bij het vergrendelen en ontgrendelen van
de auto.
Kilometerteller en dagteller
Kilometerteller
Deze teller geeft de totale kilometerstand van
de auto aan.
Voor reizen in het buitenland kan
de eenheid van de afstand worden
aangepast: de snelheid moet namelijk
worden weergegeven in de officle
eenheid van het land (km of mijl). De
eenheid kan bij stilstaande auto worden
gewijzigd via het configuratiemenu van
het display.
Dagteller
Deze teller geeft het aantal gereden kilometers
weer sinds de bestuurder de teller op 0 heeft
gezet.
F Druk bij aangezet contact op de knop tot de
dagteller op 0 staat.
Met dit systeem kan de verlichting van
bepaalde delen van het instrumentenpaneel
en de verlichting van het touchscreen (zwart
scherm) worden uitgeschakeld voor een
rustiger beeld tijdens nachtelijke ritten.
Op het instrumentenpaneel blijft de
belangrijkste rijinformatie, zoals de rijsnelheid,
de verklikkerlampjes, de weergave van de
ingeschakelde versnelling van de automatische
transmissie en de gegevens van de
snelheidsregelaar/-begrenzer, verlicht.
Black-panelfunctie
(comfortweergave bij nachtelijke
ritten) met het touchscreen
Klokje
Het analoge klokje is niet voorzien van een
instelknop.
Raadpleeg voor het op tijd zetten de rubriek
over het configuratiemenu van het display
(autoradio).
Het klokje wordt gesynchroniseerd met de
tijd op het display; zodra de tijd op het display
gewijzigd en opgeslagen wordt, verdraaien de
wijzers en worden ze gesynchroniseerd met
de door u ingestelde tijd. Deze synchronisatie
vindt ook plaats elke keer dat het contact wordt
aangezet.
F Druk bij ingeschakelde
verlichting op deze knop om de
functie in te schakelen.
Touchscreen
U kunt op elk gewenst moment de
verlichting van het touchscreen weer
inschakelen door op het zwarte scherm of
op een van de menutoetsen te drukken.
In de stand AUTO van de verlichting
wordt de black-panelfunctie
automatisch uitgeschakeld zodra de
lichtsterkte van het omgevingslicht
voldoende is.
F Druk nogmaals op deze knop om de functie
uit te schakelen of druk op de knop van de
dimmer van de dashboardverlichting.
39
Controle tijdens het rijden
Monochroom display C
Afhankelijk van de context kan de volgende
informatie worden weergegeven:
- de tijd,
- de datum,
- de buitentemperatuur (de temperatuur
knippert bij kans op gladheid),
- de grafische weergave van de parkeerhulp,
- de geluidsbron waarnaar geluisterd wordt,
- de informatie van de telefoon of de
handsfree kit,
- de configuratiemenu's van het display en
de uitrusting van de auto.
Druk op het bedieningspaneel van de Autoradio
op:
F de toets A om te kiezen tussen weergave
van de audio-informatie op een volledig
scherm of de gecombineerde weergave
van de audiogegevens en de tijd,
F de toets "MENU" voor toegang tot het
algemene menu,
F de toets "5" of "6" om door de items op het
display te scrollen,
F de toets "7" of "8" om de waarde van een
instelling te wijzigen,
F de toets "OK" om te bevestigen,
of
F de toets "Terug" om de uitgevoerde
handeling af te breken.
F Druk op de toets "MENU" om het
algemene menu weer te geven:
- "Multimedia",
- "Telefoon",
- "Bluetooth-verbinding".
- "Persoonlijke instellingen - Configuratie".
F Druk op de toets "7" of "8" om het
gewenste menu te selecteren en bevestig
door op de toets "OK" te drukken.
Weergave op het display Toetsen Algemeen menu
Als de radio is ingeschakeld, kunt u via
dit menu de functies van de radio (RDS,
Volgsysteem digitale zender, FM,RadioText
(TXT)) in- of uitschakelen en kunt u kiezen
op welke manier de media moet worden
afgespeeld (Normaal,Willekeurig, Willekeurig
alle media, Herhalen).
Raadpleeg voor meer informatie over de
functie "Multimedia" de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Als de radio is ingeschakeld en dit menu is
geselecteerd, kunt u de adresboeken van de
telefoon opvragen.
Raadpleeg, voor meer informatie over de
functie "Telefoon" de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Als de autoradio is ingeschakeld, kunt u via dit
menu een Bluetooth apparaat aankoppelen
(telefoon, mediaspeler) en de aansluitmodus
ervan instellen (handsfree, audiobestanden
lezen).
Zie voor meer informatie over de
"Bluetooth-verbinding" de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Als dit menu is geselecteerd, hebt u toegang tot
de volgende functies:
- "Parameters van auto definiëren",
- "Taalkeuze",
- "Configuratie beeldscherm".
Parameters van de auto instellen
Via dit menu kunnen verschillende systemen
van de auto in- en uitgeschakeld worden:
- "Toegang tot de auto" (zie de rubriek
"Toegang tot de auto"):
● "Afstandsbed." (Alleen
bestuurdersportier ontgrendelen),
● "Alleen a.klep ontgrendelen" (Alleen
achterklep ontgrendelen).
Menu "Multimedia" Menu "Bluetooth-
verbinding"
Menu "Telefoon"
Menu "Persoonlijke
instellingen -
Configuratie"
41
Controle tijdens het rijden
- "Hulp bij het rijden":
"Automatische handrem" (Elektrische
parkeerrem; zie de rubriek "Rijden"),
● "Auto RW achter" (Achterruitenwisser
gekoppeld aan de achteruit; zie de
rubriek "Zicht"),
● "Opgeslagen snelheden" (Opslaan van
de snelheden; zie de rubriek "Rijden").
- "Verlichting" (Zie de rubriek "Zicht"):
● "Bochtverlichting" (Meedraaiende
koplampen / statische bochtverlichting).
- "Comfortverlichting" (Zie de rubriek
"Zicht"):
● "Follow me home-verlichting"
(Automatische follow me home-
verlichting),
● "Instapverlichting" (Instapverlichting
buitenzijde).
"Sfeerverlichting" (Sfeerverlichting).
Voorbeeld: instellen van de tijdsduur van de
follow me home-verlichting
F Druk op de toets " 7" of "8" om het
menu "Parameters van auto definiëren"
te selecteren en bevestig uw keuze met
"OK".
F Druk op de toets "5" of "6" om het item
"Comfortverlichting" te selecteren, druk
dan op "OK" en herhaal dit om "Follow me
home-verlichting" te selecteren.
F Druk op de toets "7" of "8" om de
gewenste waarde in te stellen (15, 30 of
60 seconden) en druk op de toets "OK" om
te bevestigen.
F Druk op de toets "5" of "6" en vervolgens
op "OK" om "OK" te selecteren en te
bevestigen of op de toets "Terug" om de
uitgevoerde handeling af te breken.
Taalkeuze
Als dit menu is geselecteerd, kan de taal
van de weergave van het display worden
geselecteerd uit een lijst van talen.
Conguratie display
Via dit menu hebt u toegang tot de volgende
parameters:
- "Keuze van eenheden",
- "Datum en tijd instellen",
- "Instellingen display",
- "Lichtsterkte".
Voer deze handelingen omwille van
de veiligheid alleen uit als de auto
helemaal stilstaat.
Datum en tijd instellen
F Druk op de toets "7" of "8" om het menu
"Configuratie beeldscherm" te selecteren
en druk vervolgens op de toets "OK".
F Druk op de toets "5" of "6" om de regel
"Datum en tijd instellen" te selecteren en
druk vervolgens op de toets "OK".
F Druk op de toets "7" of "8" om de in te
stellen parameter te selecteren. Bevestig
uw keuze door op de toets "OK" te
drukken, stel de parameter in en bevestig
nogmaals uw keuze om de wijziging op te
slaan.
F Stel de parameters één voor één in door
uw keuze te bevestigen met de toets "OK".
F Druk op de toets "5" of "6", vervolgens
op de toets "OK" om het vakje "OK" te
selecteren en bevestig uw keuze of druk
op de toets "Terug" om de handeling af te
breken.
Het analoge klokje op het dashboard
loopt synchroon met de tijd op het
display. Bij het bevestigen van de via
het configuratiemenu ingestelde tijd
en elke keer dat het contact wordt
aangezet, wordt het klokje automatisch
gesynchroniseerd.
43
Controle tijdens het rijden
Touchscreen
Dit scherm heeft in combinatie met het
navigatiesysteem de volgende functies:
- toegang tot de configuratiemenu's van de
functies en de systemen van de auto,
- toegang tot de menu's voor de instellingen
van het audiosysteem en de weergave,
- bediening van het audiosysteem, de telefoon
en weergave van de bijbehorende informatie,
- bediening van het navigatiesysteem en
de internetdiensten en weergave van de
bijbehorende informatie.
Daarnaast kan op het scherm het volgende
worden weergegeven:
- de buitentemperatuur (er wordt een blauwe
sneeuwvlok weergegeven bij kans op
bevriezing/ijzel),
- de informatie van de boordcomputer,
- de informatie van de parkeerhulp,
- de beelden van de achteruitrijcamera.
Uit veiligheidsoverwegingen moet
de bestuurder handelingen die veel
aandacht vergen altijd bij stilstaande
auto uitvoeren.
Bepaalde functies zijn niet beschikbaar
als de auto rijdt.
Algemene werking
Adviezen
Het scherm kan bij elke temperatuur
worden gebruikt en werkt ook wanneer u
handschoenen draagt.
Houd geen puntige voorwerpen tegen het
touchscreen.
Raak het touchscreen niet aan met vochtige
vingers.
Gebruik een schone en zachte doek om het
touchscreen te reinigen.
Principes
Druk op de toetsen die op het touchscreen
worden weergegeven.
Elk menu wordt op één pagina of op twee
pagina's (hoofdpagina en secundaire pagina)
weergegeven.
Gebruik de toets " Opties " om de secundaire
pagina te openen.
Als gedurende enkele seconden geen
handelingen op de secundaire pagina
worden uitgevoerd, wordt automatisch
de hoofdpagina weer weergegeven.
Gebruik deze toets om toegang te
krijgen tot extra informatie en de
instellingen van bepaalde functies.
Gebruik deze toets om uw keuze te
bevestigen.
Gebruik deze toets om de actuele
pagina te verlaten of terug te gaan
naar de hoofdpagina.
Raadpleeg bij uitvoeringen met het
navigatiesysteem en het touchscreen
de bijlage van de boorddocumentatie.
Menu's
Druk op een van de toetsen van het
bedieningspaneel om het desbetreffende menu
direct te openen.
Rijden.
Hiermee kunnen bepaalde functies
van de auto worden geconfigureerd.
Zie de desbetreffende rubriek.
Navigatie.
Zie de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Radio Media.
Zie de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Telefoon.
Zie de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Internetdiensten.
De internetdiensten kunnen worden
gebruikt via een Bluetooth-, Wi-Fi-,
MirrorLink™- of CarPlay
®
-verbinding.
Zie de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
Instellingen.
Hiermee kunnen de weergave en het
systeem worden geconfigureerd.
Taal, eenheden, datum en tijd,
thema's enz.
1. Draaiknop voor het instellen van het
geluidsvolume.
2. Aan / uit.
3. Black panel (comfortweergave voor
nachtelijke ritten).
4. Veranderen van geluidsbron.
5. Toegang tot de audio-instellingen.
Zie de rubriek "Audio en datacommunicatie".
45
Controle tijdens het rijden
Menu "Rijden"
De te configureren functies zijn in de volgende tabel weergegeven.
Toets Desbetreffende functie Aanwijzingen
Programmeren van snelheden Opslaan van de snelheden voor de snelheidsbegrenzer en de snelheidsregelaar.
Configuratie van de auto Toegang tot de te configureren functies.
- Elektrische parkeerrem(Zie de rubriek "Rijden"),
- Automatisch inschakelen achterruitenwisser bij inschakelen achteruitversnelling(Zie voor
het inschakelen van deze functie de rubriek "Zicht")
- Follow me home-verlichting(Automatische follow me home-verlichting; zie de rubriek
"Zicht"),
- Instapverlichting(Zie de rubriek "Zicht"),
- Sfeerverlichting(Zie de rubriek "Zicht"),
- Adaptieve verlichting(Meedraaiende koplampen; zie de rubriek "Zicht"),
- Indrukken afstandsbediening bestuurder(Selectieve ontgrendeling van het
bestuurdersportier; zie de rubriek "Toegang tot de auto"),
- Ontgrendeling achterklep (Selectieve ontgrendeling van de achterklep; zie de rubriek
"Toegang tot de auto").
Stop & Start Uitschakelen van de functie.
Functie uitgeschakeld = verklikkerlampje brandt (oranje).
Boordcomputer
De boordcomputer geeft actuele informatie over het rijden (actieradius, brandstofverbruik...).
Display van het
instrumentenpaneel
Weergave van de informatie
F Druk op de toets op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar om
achtereenvolgens de verschillende functies
weer te geven.
- Actuele informatie:
actieradius,
actueel brandstofverbruik,
● de teller van het Stop & Start-
systeem.
- Traject "1":
gemiddelde snelheid,
● gemiddeld brandstofverbruik
voor het eerste traject.
- Traject "2":
gemiddelde snelheid,
● gemiddeld brandstofverbruik
voor het tweede traject.
F Druk zodra het gewenste traject wordt
aangegeven de toets op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar langer dan twee
seconden in.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
- Radio of mediadrager.
- Navigatiesysteem.
Traject resetten
47
Controle tijdens het rijden
Touchscreen
1. " Actueel ".
2. " Traject 1 ".
3. " Traject 2 ".
4. "00.0 / Reset ".
Weergave van de informatie
Actuele informatie:
- actieradius,
- huidig brandstofverbruik,
- de teller van het Stop & Start-systeem.
Traject "1":
- gemiddelde snelheid,
- gemiddeld brandstofverbruik,
voor het eerste traject.
Traject "2":
- gemiddelde snelheid,
- gemiddeld brandstofverbruik,
voor het tweede traject.
F Druk, zodra het gewenste traject
wordt weergegeven, op de toets voor
het resetten of houd het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar enige tijd
ingedrukt.
Traject resetten
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
wordt weergegeven op de hoofdpagina van het
menu.
F Druk op een van de toetsen om het
gewenste tabblad te bekijken.
F Selecteer het menu " Rijden ".
De informatie van de boordcomputer
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats als
tijdens het rijden de streepjes continu
worden weergegeven.
Deze waarde kan variëren door een
gewijzigde rijstijl of het rijden op een
helling, waardoor het momentele
brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen.
Boordcomputer, enkele definities...
Actieradius
(km of miles)
De actieradius geeft aan
hoeveel kilometer u nog met
de resterende hoeveelheid
brandstof kunt rijden, berekend
op basis van het gemiddelde
verbruik over de laatste
afgelegde kilometers.
Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen
streepjes op het display. Na het tanken van minimaal
5 liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en
weergegeven als deze meer dan 100 km bedraagt.
Deze functie wordt alleen weergegeven
bij snelheden vanaf 30 km/h.
Huidig verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde
brandstofverbruik over de laatste
seconden.
Gemiddeld verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde verbruik
sinds de laatste nulstelling van
de boordcomputer.
Gemiddelde snelheid
(km/h of mph)
Dit is de gemiddelde snelheid
sinds de laatste nulstelling van de
boordcomputer (contact aan).
Stop & Start-teller
(minuten/seconden of uren/
minuten)
Als uw auto is uitgerust met het Stop & Start-
systeem, registreert een teller hoelang de
STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd.
De teller wordt elke keer als u het contact
aanzet weer op nul gezet.
49
Controle tijdens het rijden
002
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Elektronische sleutel
afstandsbediening
Ontgrendelen van de auto
Volledig ontgrendelen Selectief ontgrendelen
U kunt om de auto te ontgrendelen of
vergrendelen de centrale vergrendeling
bedienen met de sleutel in het portierslot of
met de afstandsbediening. De sleutel met
afstandsbediening dient tevens voor de
lokalisatie en het starten van de auto en maakt
deel uit van de diefstalbeveiliging.
F Druk om uitsluitend het
bestuurdersportier te
ontgrendelen één keer op de
toets met het geopende hangslot.
Het ontgrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
twee seconden snel knipperen van de
richtingaanwijzers.
Afhankelijk van de uitvoering worden
gelijktijdig de buitenspiegels uitgeklapt.
F Druk nogmaals op de toets met
het geopende hangslot om de
overige portieren te ontgrendelen
en de achterklep te openen.
F Druk op het geopende
hangslot om de auto volledig te
ontgrendelen.
Deze functie kan via het
configuratiemenu van de auto
worden ingesteld.
Standaard is de volledige
ontgrendeling geactiveerd.
53
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Selectief ontgrendelen van
de achterklep
Vergrendelen van de auto
Het vergrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
twee seconden branden van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden, afhankelijk van de
uitvoering, de buitenspiegels ingeklapt.
F Druk op de toets met het
gesloten hangslot om de auto
volledig te vergrendelen.
F Houd deze toets ingedrukt tot de
ruiten volledig gesloten zijn.
F Druk op deze knop tot u hoort dat
de achterklep ontgrendeld wordt.
De portieren blijven vergrendeld.
Zorg er met name voor dat kinderen
zich tijdens het bedienen van de ruiten
niet kunnen bezeren.
Als één van de portieren of de achterklep
niet goed is gesloten, zal de auto niet
vergrendeld worden.
Als de auto per ongeluk wordt ontgrendeld
zonder dat binnen ongeveer 30 seconden
een van de portieren wordt geopend, wordt
de auto automatisch weer vergrendeld.
Als het alarmsysteem al was ingeschakeld,
wordt dit niet automatisch weer
ingeschakeld.
Als de selectieve ontgrendeling van de
achterklep is uitgeschakeld, worden
bij het indrukken van deze knop alle
portieren en de achterklep ontgrendeld.
Via het configuratiemenu van de auto
kan de selectieve ontgrendeling van
de achterklep worden ingesteld.
De selectieve ontgrendeling van de
achterklep is standaard geactiveerd.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Ontgrendelen van de auto
Keyless entry and start
Systeem waarmee de auto geopend, gesloten
en gestart kan worden zonder dat u de
elektronische sleutel tevoorschijn hoeft te
halen.
Volledig ontgrendelen
F Als u de elektronische sleutel op zak hebt
binnen de detectiezone A, kunt u de auto
ontgrendelen door uw hand achter een van
de portiergrepen te leggen.
Ook uw passagiers kunnen de portieren
openen als de elektronische sleutel zich in de
detectiezone bevindt.
Selectief ontgrendelen
F Wanneer u de elektronische sleutel op zak
hebt en u alleen het bestuurdersportier wilt
ontgrendelen, legt u uw hand achter de
portiergreep van het bestuurdersportier.
U kunt dit instellen via het
configuratiemenu van de auto.
Standaard staat de auto ingesteld op
volledig ontgrendelen.
Het ontgrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
2 seconden snel knipperen van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
uitgeklapt.
Wanneer het alarm actief is, zal het
geluidssignaal dat te horen is tijdens
het openen van een van de portieren
met de in de afstandsbediening
geïntegreerde sleutel stoppen zodra het
contact wordt aangezet.
Kan ook worden gebruikt als
afstandsbediening.
Zie voor meer informatie de
rubriek "Elektronische sleutel /
afstandsbediening".
Omwille van de veiligheid en ter
voorkoming van diefstal: laat nooit de
elektronische sleutel in de auto achter, ook
niet wanneer u in de buurt bent.
Het is raadzaam de sleutel bij u te houden.
F Wanneer u met de elektronische sleutel op
zak de volledige auto wilt ontgrendelen, legt
u uw hand achter de portiergreep van een
van de passagiersportieren aan de zijde
waar zich de elektronische sleutel bevindt.
55
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Vergrendelen van de auto
F Druk, met de elektronische sleutel op
zak in het detectiegebied A, met een
vinger op een van de portiergrepen, bij de
merktekens, om de auto te vergrendelen.
F Houd uw vinger op de portiergreep tot de
ruiten volledig gesloten zijn.
Het vergrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
twee seconden branden van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
ingeklapt.
Als een van de portieren of de
achterklep geopend is, als een van
de sleutels van het Keyless entry and
start-systeem zich in de auto bevindt
of als het contact is aangezet, werkt de
centrale vergrendeling niet.
Als de auto is vergrendeld en per
ongeluk wordt ontgrendeld zonder dat
binnen ongeveer 30 seconden een van
de portieren wordt geopend, wordt de
auto automatisch weer vergrendeld.
Als het alarmsysteem al was
ingeschakeld, wordt dit niet automatisch
weer ingeschakeld.
Het in- en uitklappen van
de buitenspiegels met de
afstandsbediening kan worden
uitgeschakeld door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Verlaat om veiligheidsredenen (kinderen
in de auto) de auto nooit, zelfs niet voor
een korte tijd, zonder de sleutel van het
Keyless entry and start-systeem mee te
nemen.
Wees bedacht op diefstal als de sleutel
van het Keyless entry and start-systeem
zich binnen het detectiebereik bevindt
terwijl uw auto ontgrendeld is.
Om te voorkomen dat de batterij van
de elektronische sleutel ontladen raakt,
gaan de "Keyless entry"-functies over
in de waakfase als de auto langer dan
21 dagen niet is gebruikt. Om de functies
weer te activeren, dient u op een van de
knoppen van de afstandsbediening te
drukken of de motor te starten met de
elektronische sleutel in de lezer.
Let erop dat niets of niemand het
correcte sluiten van de ruiten in de weg
staat.
Zorg er met name voor dat kinderen
zich tijdens het bedienen van de ruit
niet kunnen bezeren.
Met deze functie kunt u uw auto
op afstand lokaliseren, wat vooral
praktisch is bij weinig licht. De auto
dient hiervoor wel vergrendeld te zijn.
Lokaliseren van de auto
F Druk op het gesloten hangslot op de
afstandsbediening.
Hierna zullen gedurende ongeveer tien
seconden de plafonniers gaan branden en de
richtingaanwijzers gaan knipperen.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Supervergrendeling
De supervergrendeling blokkeert het van
buitenaf en van binnenuit openen van de
portieren.
Als de supervergrendeling is ingeschakeld,
is ook de knop van de centrale
vergrendeling in het interieur buiten werking.
Schakel daarom nooit de
supervergrendeling in als er zich iemand in
de auto bevindt.
Met de afstandsbediening
F Druk op het gesloten hangslot
om de auto volledig te
vergrendelen.
Houd het hangslot ingedrukt om de
ramen te sluiten.
Met Keyless entry and start
Via de portieren:
F Druk, terwijl u de elektronische sleutel bij
u hebt (deze moet zich in de detectiezone
A bevinden), met een vinger op de
portiergreep, bij de merktekens, om de
auto te vergrendelen.
F Druk binnen vijf seconden nogmaals op de
portiergreep om de supervergrendeling in
te schakelen.
Zorg ervoor dat het sluiten van de ruiten
niet gehinderd wordt door voorwerpen
of personen.
Let met name op in de auto aanwezige
kinderen wanneer u de ruiten sluit.
F Druk binnen vijf seconden nogmaals
op het gesloten hangslot om de
supervergrendeling van de auto in te
schakelen.
57
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Noodsleutel
Ontgrendelen/vergrendelen met de geïntegreerde sleutel
van het Keyless entry and start-systeem
Met de geïntegreerde sleutel kan de auto
vergrendeld en ontgrendeld worden als de
elektronische sleutel niet werkt:
- lege batterij, 12V-accu ontladen of
losgekoppeld, ...
- auto bevindt zich in een omgeving met veel
elektromagnetische straling.
F Trek aan de knop 1 om de geïntegreerde
sleutel 2 te verwijderen.
Als het inbraakalarm is geactiveerd,
zal het geluidssignaal dat klinkt bij
het met de sleutel (geïntegreerd in de
afstandsbediening) openen van een portier,
bij het aanzetten van het contact stoppen.
Vergrendelen van het
bestuurdersportier
F Steek de geïntegreerde sleutel in het
portierslot en draai deze rechtsom.
Ontgrendelen van het
bestuurdersportier
F Steek de geïntegreerde sleutel in het
portierslot en draai deze linksom.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Ontgrendelen van de overige
portieren
F Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde.
Vergrendelen van de overige portieren
F Open de portieren.
F Controleer of de kinderbeveiliging van de
achterportieren niet geactiveerd is.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de kinderbeveiliging.
F Verwijder met behulp van de geïntegreerde
sleutel het zwarte dopje op de smalle zijde van het
portier.
F Steek de geïntegreerde sleutel voorzichtig in de
opening en duw de hendel zonder de sleutel te
verdraaien, naar de binnenzijde van het portier.
F Verwijder de geïntegreerde sleutel en plaats het
dopje terug.
F Sluit de portieren en controleer van buitenaf of de
auto goed is vergrendeld.
59
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg: ze bevatten
metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een speciaal
verzamelpunt.
Batterij vervangen
Batterij ref.: CR2032 / 3 V.
Deze batterij is via het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats verkrijgbaar.
Als de batterij vervangen moet worden, wordt u
gewaarschuwd door een melding op het display
van het instrumentenpaneel.
F Wip het deksel met een kleine
schroevendraaier bij de uitsparing los.
F Verwijder het deksel.
F Verwijder de lege batterij.
F Plaats een nieuwe batterij in de juiste
richting in de houder.
F Druk het deksel vast.
Storing in en resetten van
de afstandsbediening
Na het losnemen en weer aansluiten van de accukabels,
het vervangen van de batterij van de afstandsbediening
of een storing in de afstandsbediening kan de auto
niet meer met de afstandsbediening ontgrendeld,
vergrendeld en gelokaliseerd worden.
F Steek eerst de mechanische sleutel
(ondergebracht in de afstandsbediening) in
het slot om de auto te ontgrendelen.
F Plaats de elektronische sleutel in de lezer.
F Zet het contact aan door op "START/
STOP" te drukken.
De elektronische sleutel werkt nu weer.
Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als
de storing niet is verholpen.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Elektronische sleutel verloren
Ga met het kentekenbewijs van de auto, uw legitimatiebewijs en, indien mogelijk, met het kaartje voorzien van de sleutelcode naar het
CITROËN-netwerk.
Het CITROËN-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en een nieuwe bestellen.
Elektronische sleutel
De radiografische elektronische sleutel is een systeem met een groot bereik. Het is raadzaam om niet met de knoppen van de sleutel te spelen
om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw elektronische sleutel buiten het bereik en het zicht van uw auto. De sleutel kan dan onbruikbaar worden en
moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.
De elektronische sleutel kan niet als afstandsbediening functioneren als de sleutel in de lezer zit of als het contact is aangezet.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de elektronische sleutel mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.
Elektrische storingen
De elektronische sleutel werkt in sommige gevallen niet correct in de nabijheid van elektronische apparatuur: telefoon, laptop, sterke
magnetische velden, ...
Diefstalbeveiliging
Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot storingen leiden.
Bij het aanschaffen van een gebruikte auto
Laat door het CITROËN-netwerk controleren of er een pairing van uw autosleutels heeft plaatsgevonden, zodat u er zeker van kunt zijn dat de
in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.
61
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Centrale vergrendeling
Het rijden met vergrendelde portieren
kan bij een noodgeval de toegang tot de
auto voor de hulpdiensten bemoeilijken.
Als een van de portieren of de achterklep
geopend is, werkt de automatische
centrale vergrendeling niet: u hoort de
sloten dan weer openspringen.
Vervoer van lange of grote
voorwerpen
Mocht u met geopende achterklep en
vergrendelde portieren willen rijden,
druk dan op de toets voor de centrale
vergrendeling om de portieren te
vergrendelen.
Handbediende centrale
vergrendeling
F Druk op deze knop om de centrale
vergrendeling van de auto (portieren en
achterklep) vanuit het interieur te bedienen.
F Druk nogmaals op de knop om de auto
volledig te ontgrendelen.
Bij vergrendeling/supervergrendeling van
buitenaf
Als de auto van buitenaf is vergrendeld of
als de supervergrendeling van buitenaf is
ingeschakeld, is de knop buiten werking.
F Trek na het vergrendelen van de auto aan
de binnenportiergreep van een van de
portieren om de auto te ontgrendelen.
F Als de supervergrendeling is ingeschakeld,
moet u de afstandsbediening, het Keyless
entry and start-systeem of de geïntegreerde
sleutel gebruiken om de auto te ontgrendelen.
Automatische centrale
vergrendeling van de portieren
(beveiliging tegen agressie)
De portieren en de achterklep worden tijdens
het rijden automatisch vergrendeld bij een
snelheid hoger dan 10 km/h.
Om deze functie in of uit te schakelen
(standaard is deze functie geactiveerd):
F Druk met aangezet contact op
deze knop tot er een melding op
het instrumentenpaneel wordt
weergegeven.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Achterklep
F Druk, nadat de achterklep of alle
portieren van de auto zijn ontgrendeld,
op de schakelaar voor het openen van de
achterklep en open de achterklep.
Openen van buitenaf
F Druk op deze knop tot u hoort dat de
achterklep ontgrendeld wordt.
Noodbediening
Ontgrendelen
F Klap de achterbank naar voren om bij het
slot in de bagageruimte te komen.
F Steek een kleine schroevendraaier in de
opening A van het slot om de achterklep te
ontgrendelen.
F Verplaats de nok naar links.
Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele
storing in het systeem van de centrale
vergrendeling de achterklep mechanisch
ontgrendeld worden.
Vergrendeling na het sluiten
Wanneer de achterklep weer wordt gesloten,
wordt deze weer vergrendeld als het probleem
niet is verholpen.
Sluiten
F Trek de achterklep omlaag met behulp van
de handgreep aan de binnenzijde.
Als de achterklep niet goed is gesloten bij
draaiende motor of rijdende auto (snelheid
boven de 10 km/h), verschijnt er gedurende
enkele seconden een melding op het display
van het instumentenpaneel.
Openen vanuit het interieur
63
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en
diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende
typen beveiliging:
Alarm
- Omtrekbeveiliging
Dit systeem houdt de te openen
carrosseriedelen van de auto in de gaten.
Het alarm gaat af als iemand een portier, de
achterklep of de motorkap probeert te openen.
- Interieurbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er
bewegingen in het interieur worden
waargenomen.
Het alarm gaat af als er een ruit wordt
ingeslagen, als iets of iemand de auto
binnendringt of als iets of iemand in de auto
beweegt.
- Wegsleepbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er
veranderingen in de wagenhoogte worden
waargenomen.
Het alarm gaat af als de auto wordt opgetild,
verplaatst of aangestoten.
Automatische
beveiligingsfunctie
Dit systeem treedt in werking als iemand
probeert het alarm te saboteren.
Het alarm gaat af als iemand probeert de
accu, de knop of de kabels van de sirene
uit te schakelen of te beschadigen.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
alvorens wijzigingen aan het
alarmsysteem aan te brengen.
Vergrendelen van de auto met
volledig ingeschakeld alarm
Inschakelen
F Zet het contact af en verlaat de auto.
F Druk op de vergrendelknop
van de afstandsbediening of
vergrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem.
Nadat de auto met de
afstandsbediening of het "Keyless entry
and start"-systeem is vergrendeld,
wordt de omtrekbeveiliging na
5 seconden, de interieurbeveiliging na
45 seconden en de wegsleepbeveiliging
na 90 seconden geactiveerd.
Indien een portier of de achterklep niet
goed is gesloten, wordt de auto niet
vergrendeld, maar wordt de uitwendige
beveiliging na 45 seconden wel
ingeschakeld.
Het alarmsysteem is geactiveerd: het
verklikkerlampje van de knop zal één keer per
seconde knipperen.
OFF
OFF
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Vergrendelen van de auto
met alleen de uitwendige
beveiliging ingeschakeld
Schakel de interieur- en wegsleepbeveiliging uit
om te voorkomen dat het alarm onnodig wordt
ingeschakeld als bijvoorbeeld:
- een ruit op een kier blijft staan,
- een huisdier in de auto achterblijft,
- de auto wordt gewassen,
- een wiel wordt verwisseld,
- de auto wordt gesleept,
- de auto op een boot wordt vervoerd.
Uitschakelen van de interieur- en
wegsleepbeveiliging
F Zet het contact af en druk binnen
10 seconden op deze knop
tot het verklikkerlampje blijft
branden.
F Verlaat de auto.
F Druk onmiddellijk op de
vergrendelknop van de
afstandsbediening of vergrendel
de auto met het "Keyless entry
and start"-systeem.
Alleen de uitwendige beveiliging wordt
ingeschakeld; het verklikkerlampje van de knop
zal één keer per seconde knipperen.
Wanneer de auto automatisch weer
wordt vergrendeld (als niet binnen
30 seconden een portier of de
achterklep wordt geopend), wordt het
alarmsysteem niet automatisch weer
ingeschakeld.
Om het alarmsysteem weer in te
schakelen moet u de auto ontgrendelen
en weer vergrendelen met de
afstandsbediening of met het "Keyless
entry and start"-systeem.
De interieur- en wegsleepbeveiliging
worden uitsluitend uitgeschakeld als
deze procedure elke keer na het afzetten
van het contact wordt uitgevoerd.
F Druk op de ontgrendelknop
van de afstandsbediening of
ontgrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem.
Uitschakelen
Het alarmsysteem wordt
uitgeschakeld; het verklikkerlampje
van de knop gaat uit.
OFF
OFF
65
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Opnieuw inschakelen van de
interieur- en wegsleepbeveiliging
Afgaan van het alarm
Als het alarm afgaat, treedt de sirene in
werking en knipperen de richtingaanwijzers
gedurende dertig seconden.
Als het alarm voor de 11
e
keer afgaat, worden
de alarmsystemen uitgeschakeld.
F Druk op de ontgrendelknop
van de afstandsbediening of
ontgrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem om de omtrekbeveiliging
uit te schakelen.
F Druk op de vergrendelknop
van de afstandsbediening of
vergrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem om alle alarmsystemen
in te schakelen.
Het verklikkerlampje van de knop
zal opnieuw één keer per seconde
knipperen.
Als het verklikkerlampje van de knop
snel knippert bij het ontgrendelen van
de auto met de afstandsbediening of
met het "Keyless entry and start"-
systeem, is het alarm tijdens uw afwezigheid
afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als
het contact wordt aangezet.
Storing afstandsbediening
Voer in dit geval de volgende handelingen uit
om de beveiligingsfuncties uit te schakelen.
F Ontgrendel de auto met de sleutel (in de
afstandsbediening) in het slot van het
bestuurdersportier.
F Open het portier; het alarm gaat af.
F Zet het contact aan, het alarm stopt. Het
verklikkerlampje van de knop gaat uit.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te
schakelen
F Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling in met de sleutel (in
de afstandsbediening) in het slot van het
bestuurdersportier.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het
verklikkerlampje van de knop blijft branden,
duidt dit op een storing in het systeem.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
* Volgens verkoopland.
Automatisch inschakelen*
Het systeem wordt 2 minuten nadat het
laatste portier of de achterklep is gesloten,
automatisch ingeschakeld.
F Om het afgaan van het alarm bij het
openen van een portier of de achterklep
te voorkomen, moet eerst op de
ontgrendelknop van de afstandsbediening
worden gedrukt of moet de auto
ontgrendeld worden met het "Keyless entry
and start"-systeem.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Elektrisch bedienbare ruiten
1. Schakelaar ruitbediening linksvoor.
2. Schakelaar ruitbediening rechtsvoor.
3. Schakelaar ruitbediening rechtsachter.
Werking
Handmatig
Duw of trek de schakelaar tot het zware punt
om de ruit te openen of sluiten. De ruit stopt
zodra de schakelaar wordt losgelaten.
4. Schakelaar ruitbediening linksachter.
5. Blokkeerschakelaar elektrisch
bedienbare ruiten achter,
vergrendeling van de achterportieren
(kinderbeveiliging).
Automatisch
Duw of trek de schakelaar voorbij het zware
punt om de ruit te openen of te sluiten. Als u de
schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de
ruit volledig. Druk opnieuw op de schakelaar
om het openen of sluiten te stoppen.
Tot ongeveer 45 seconden nadat het
contact is afgezet, kunnen de ruiten
worden bediend zolang de portieren
van de auto gesloten blijven.
Zodra een portier wordt geopend of de
45 seconden zijn verstreken, moet u het
contact weer aanzetten om de ruiten te
kunnen bedienen.
67
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Antiklemvoorziening
Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit,
stopt de ruit en gaat deze direct gedeeltelijk
weer open.
Als de ruit niet wil sluiten, druk dan op de
schakelaar om de ruit helemaal te openen en
trek vervolgens de schakelaar omhoog tot de
ruit volledig is gesloten. Houd de schakelaar na
het sluiten nog ongeveer 1 seconde vast.
Tijdens deze handelingen is de
antiklemvoorziening uitgeschakeld.
Blokkering van de
ruitbediening
achter
Resetten van de
ruitbediening
Wanneer tijdens het bedienen van de ruit iets tussen de ruit en de sponning bekneld raakt, moet
de ruit weer worden geopend. Druk daarvoor op de desbetreffende schakelaar.
Wanneer de bestuurder de ruit aan passagierszijde bedient, moet deze ervan verzekerd zijn dat
niets het correcte sluiten van de ruit hindert.
De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de passagiers op de juiste manier gebruik maken
van de elektrische ruitbediening.
Zorg er met name voor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruit niet kunnen bezeren.
Let op inzittenden en personen in de buurt van de auto tijdens het sluiten van de ruiten met de
elektronische sleutel of het "keyless entry and start"-systeem.
Als de accu losgekoppeld is geweest, moet de
ruitbediening gereset worden.
Tijdens deze handelingen is de
antiklemvoorziening uitgeschakeld.
Voer bij elke ruit de volgende procedure uit:
- open de ruit volledig en sluit de ruit.
Telkens als de schakelaar wordt bediend,
sluit de ruit enkele centimeters. Laat de
schakelaar los en bedien hem opnieuw
totdat de ruit volledig is gesloten,
- houd de schakelaar na het sluiten nog
minimaal 1 seconde vast.
Druk, voor de veiligheid van uw
kinderen, op de schakelaar 5 om de
ruitbediening achter, ongeacht de
stand van de ruiten, te blokkeren.
Ter bevestiging gaat het controlelampje van
de knop branden en wordt er een melding
weergegeven. Het lampje blijft branden zolang
de kinderbeveiliging is ingeschakeld.
De binnenportiergrepen van de achterportieren
worden in dat geval ook geblokkeerd.
Het blijft mogelijk om de portieren van buitenaf
te openen en de achterportierruiten via het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier te
bedienen.
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Cockpit roof
De glaspanelen zijn alle drie voorzien van een
elektrisch bedienbaar zonnescherm.
Deze zonneschermen kunnen afzonderlijk of
gelijktijdig worden bediend.
Zowel het openen als het sluiten is op twee
manieren mogelijk:
Elektrische zonneschermen
Automatisch
F Duw of trek de schakelaar tot voorbij het
zware punt (naar voren voor het sluiten,
naar achteren voor het openen).
Bedien de schakelaar één keer om het
scherm volledig te openen of te sluiten.
Nadat u de schakelaar nogmaals hebt
bediend, verplaatst het scherm zich nog
ongeveer 2 cm, waarna het stopt.
Handmatig
F Duw of trek de schakelaar tot aan het
zware punt (naar voren voor het sluiten,
naar achteren voor het openen).
Wanneer de schakelaar wordt losgelaten,
verplaatst het scherm zich nog ongeveer
2 cm, waarna het stopt.
Klembeveiliging
Als het zonnescherm tijdens het automatisch
sluiten bijna volledig is gesloten en op een
obstakel stuit, stopt het scherm en gaat het
gedeeltelijk weer open.
69
Toegang tot de auto
DS5_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2015
Resetten
Wanneer tijdens het bedienen van
het scherm iets bekneld raakt, moet
het scherm weer worden geopend.
Druk daarvoor op de desbetreffende
schakelaar.
Wanneer de bestuurder het scherm
bedient, moet deze ervan verzekerd zijn
dat niets het correcte sluiten van het
scherm verhindert.
De bestuurder moet ervan verzekerd zijn
dat de passagiers op de juiste manier
gebruik maken van het zonnescherm.
Zorg er met name voor dat kinderen zich
tijdens het bedienen van het scherm niet
kunnen bezeren.
Meteen nadat het scherm tijdens het
sluiten op willekeurige wijze stopt en
weer opengaat:
F bedien de schakelaar tot het
scherm volledig is geopend,
F bedien vervolgens de schakelaar
tot het scherm volledig is gesloten.
Tijdens deze handelingen werkt de
klembeveiliging niet.
Bij een storing of het losnemen van de
accukabels tijdens of kort na het bedienen van
het zonnescherm, moet u de klembeveiliging
resetten.
Voer voor elk scherm de volgende procedure uit:
F bedien de schakelaar tot het scherm
volledig is gesloten,
F houd de schakelaar nog minimaal
3 seconden ingedrukt. Er zal dan een lichte
beweging van het scherm waarneembaar
zijn, ter bevestiging van het resetten.
003
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Comfort
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Voorstoelen
Handmatig
1. Hoofdsteun in hoogte verstellen en
kantelen
Trek de hoofdsteun omhoog om deze
hoger te stellen.
Houd de pal ingedrukt en druk gelijktijdig
op de hoofdsteun om de hoofdsteun lager
te stellen.
2. Kantelen van de rugleuning
Draai aan de draaiknop om de rugleuning
in de gewenste hellingshoek te zetten.
3. Instellen van de zithoogte
Beweeg de hendel net zo lang omhoog
of omlaag tot de gewenste instelling is
bereikt.
4. Verstellen van de stoel in lengterichting
Til de beugel op en schuif de stoel naar
voren of naar achteren.
5. Lendensteun bestuurdersstoel verstellen
Draai aan de draaiknop om de gewenste
mate van steun voor de lendenen in te
stellen.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar achteren voor dat het schuiven van de stoel niet
wordt verhinderd door personen of hinderlijke voorwerpen op de vloer achter de stoel om te
voorkomen dat de stoel wordt geblokkeerd. Onderbreek het schuiven van de stoel meteen
als dit het geval is.
73
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Zet het contact aan of start de motor als de eco-mode is ingeschakeld.
Na het openen van het voorportier kan de bediening van de elektrische
verstelling van de bestuurdersstoel nog ongeveer 45 seconden worden
gebruikt. Ongeveer 45 seconden na het afzetten van het contact en in de eco-
mode, wordt de bediening van de elektrische stoelverstelling uitgeschakeld.
Als het contact wordt aangezet, wordt de bediening van de elektrische
stoelverstelling weer ingeschakeld.
Elektrisch
1. Zitting kantelen en in hoogte en in
lengterichting verstellen
F Licht de schakelaar aan de voorzijde op of
druk deze neer om de zitting van de stoel te
kantelen.
F Licht de schakelaar aan de achterzijde op
of druk deze neer om de zitting te verhogen
of te verlagen.
F Beweeg de schakelaar naar voren of naar
achteren om de stoel naar voren of naar
achteren te bewegen.
2. Kantelen van de rugleuning
Beweeg de schakelaar naar voren of
naar achteren om de hellingshoek van de
rugleuning in te stellen.
3. Lendensteun bestuurdersstoel verstellen
Druk op de schakelaars om de gewenste
mate van steun voor de lendenen in te stellen.
4. Handmatig verstellen van de zitting
Trek aan de handgreep om de lengte van
de zitting in te stellen.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar achteren voor
dat het schuiven van de stoel niet wordt verhinderd door
personen of hinderlijke voorwerpen op de vloer achter de
stoel om te voorkomen dat de stoel wordt geblokkeerd.
Onderbreek het schuiven van de stoel meteen als dit het
geval is.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Opslaan van zitposities in
het geheugen
Dit systeem slaat de elektrische instellingen
van de bestuurdersstoel en het head-up display
op. U kunt twee standen opslaan met de
toetsen aan de zijkant van de bestuurdersstoel.
Opslaan van een zitpositie met
de toetsen M / 1 / 2
F Zet het contact aan.
F Zet uw stoel en de head-up display in de
gewenste stand.
F Druk op de toets M en vervolgens binnen
4 seconden op de toets 1 of 2.
Een geluidssignaal geeft aan dat de
zitpositie is opgeslagen.
Het opslaan van een andere stand annuleert de
vorige, in het geheugen opgeslagen stand.
Oproepen van een opgeslagen zitpositie
F Druk kort op de toets 1 of 2 om de
desbetreffende zitpositie op te roepen.
Een geluidssignaal geeft aan dat de
opgeslagen zitpositie is ingenomen.
U kunt de beweging onderbreken door
op de toets M, 1 of 2 te drukken of
door een van de schakelaars van de
stoelverstelling te bedienen.
U kunt een zitpositie niet oproepen
tijdens het rijden.
Het opvragen van een opgeslagen
zitpositie is tot 45 s na het afzetten van
het contact mogelijk.
75
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Voor de veiligheid is het frame van de
hoofdsteun gekarteld om te voorkomen
dat de hoofdsteun zakt in het geval van
een aanrijding.
De juiste stand van de hoofdsteun is
als de bovenzijde van de hoofdsteun
zich ter hoogte van de bovenzijde
van het hoofd bevindt.
Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn
verwijderd. De hoofdsteunen moeten
zijn geplaatst en correct zijn afgesteld.
Hoogte- en hoekverstelling
hoofdsteun
F Trek de hoofdsteun omhoog om hem hoger
te zetten.
F Druk op de pal A en trek de hoofdsteun
omhoog om hem te verwijderen.
F Steek om de hoofdsteun terug te zetten
de pennen van de hoofdsteun recht in
de openingen van de rugleuning tot de
hoofdsteun op zijn plaats blijft.
F Druk gelijktijdig op de pal A en op de
hoofdsteun om deze lager te zetten.
F Beweeg om de hoek van de hoofdsteun te
verstellen de onderzijde van de hoofdsteun
naar voren of naar achteren.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Massagefunctie
Deze functie zorgt voor een massage ter
hoogte van de lendenen en werkt alleen bij
draaiende motor en als de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem is geactiveerd.
Inschakelen
F Druk op deze knop.
Het controlelampje van de functie gaat branden
en de massagefunctie wordt voor een tijdsduur
van 1 uur ingeschakeld.
Gedurende deze tijdsduur wordt de massage
in 6 cycli van 10 minuten uitgevoerd (6 minuten
massage worden gevolgd door 4 minuten rust).
Na een uur wordt de functie uitgeschakeld, het
controlelampje gaat dan uit.
Uitschakelen
U kunt de massagefunctie op elk
gewenst moment uitschakelen
door op deze knop te drukken, het
controlelampje gaat dan uit.
Bediening stoelverwarming
F Met de draaiknop kan de stoelverwarming
ingeschakeld worden en kan een
verwarmingsstand worden geselecteerd:
0: Uit.
1: Laag.
2: Gemiddeld.
3: Hoog.
Bij draaiende motor is de stoelverwarming voor
beide voorstoelen afzonderlijk regelbaar.
77
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Achterbank
F Schuif de desbetreffende voorstoel indien
nodig naar voren.
F Zet de hoofdsteunen in de laagste stand of
verwijder ze.
F Trek de gordel uit de geleider.
Neerklappen van het
zitgedeelte en de rugleuning
F Zet het zitgedeelte 1 via de achterkant
rechtop.
F Kantel het zitgedeelte 1 helemaal tegen de
voorstoel.
F Houd de gordelgeleider 2 tegen de zijwand
van de auto.
F Trek de hendel 3 naar voren om de
rugleuning 4 te ontgrendelen.
F Kantel de rugleuning 4.
U kunt het linkerdeel (2/3) en/of het rechterdeel (1/3) van de rugleuning van de achterbank neerklappen om de bagageruimte te vergroten.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Terugplaatsen van de
rugleuning en het zitgedeelte
F Houd de gordelgeleider 2 tegen de zijwand
om te voorkomen dat de gordel beklemd
raakt tijdens het terugplaatsen van het
zitgedeelte.
F Zet de rugleuning 4 rechtop, plaats de
hoofdsteunen terug en vergrendel de
rugleuning.
F Controleer of de rode markering bij de
hendel 3 niet meer zichtbaar is.
F Plaats het zitgedeelte 1 terug.
F Laat de geleider van de gordel 2 los.
F Plaats de veiligheidsgordel terug in de
geleider.
Let erop dat bij het terugplaatsen van
de rugleuning van de achterbank de
veiligheidsgordels niet klem komen te
zitten.
79
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
De hoofdsteunen hebben een gebruiksstand
(hoog) en een ingeklapte stand (laag).
De hoofdsteunen kunnen ook worden verwijderd.
Verwijderen van een hoofdsteun:
F ontgrendel de rugleuning met de hendel 1,
F kantel de rugleuning 2 enigszins naar
voren,
F trek de hoofdsteun omhoog tot aan de
aanslag,
F druk vervolgens de pal A in.
Hoofdsteunen achter
Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn
verwijderd; de hoofdsteunen moeten zijn
geplaatst en correct zijn afgesteld.
F Verwijder de zitting 1 uit de bevestigingen
door de zitting omhoog te trekken.
Verwijderen van de zitting
Terugplaatsen van de zitting
F Plaats de zitting 1 in verticale richting in de
bevestigingen.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Spiegels
Uit veiligheidsoverwegingen moeten de
buitenspiegels zo worden afgesteld dat
de "dode hoek" zo klein mogelijk is.
Buitenspiegels
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp
van de schakelaar A, worden ze niet automatisch
uitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld.
Het automatisch in- en uitklappen van
de buitenspiegels met behulp van
de elektronische sleutel kan worden
gedeactiveerd door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Klap de buitenspiegels in als u uw auto
in een automatische autowasstraat laat
wassen.
De waargenomen objecten in de buitenspiegels
lijken verder af dan ze in werkelijkheid zijn.
Houd hier rekening mee bij het inschatten van
de afstand ten opzichte van achteropkomend
verkeer.
Ontwaseming - ontdooiing
Verstellen
F Draai de knop A naar links of rechts om de
desbetreffende spiegel te selecteren.
F Duw de knop A in de vier richtingen om de
spiegel af te stellen.
F Zet de knop A weer in het midden.
Inklappen
Automatisch: vergrendel de auto met behulp
van de elektronische sleutel.
Uitklappen
Automatisch: ontgrendel de auto met de
elektronische sleutel.
Handmatig: draai bij aangezet contact
de schakelaar A naar beneden.
Handmatig: draai bij aangezet
contact de schakelaar A naar boven.
Deze functie kunt u inschakelen
door op de toets van de
achterruitverwarming te drukken.
De achterruitverwarming werkt
uitsluitend bij draaiende motor.
Indien nodig kunnen de buitenspiegels
handmatig worden ingeklapt.
Voor meer informatie, zie de rubriek
"Ontwaseming - Ontdooiing achterruit".
81
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Automatisch dimmende binnenspiegel
Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die
vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel
valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en
automatisch over van de dag- in de nachtstand.
Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter
de auto.
De binnenspiegel is voorzien van een
antiverblindingsstand waardoor de spiegel
donkerder wordt en de bestuurder minder hinder
ondervindt van bijvoorbeeld de zon en van de
koplampen van achteropkomend verkeer.
Binnenspiegel
Zodra de achteruitversnelling wordt
ingeschakeld, wordt de spiegel in de
dagstand gezet voor een maximaal
zicht naar achteren.
Stuurwielverstelling
F Zorg dat de auto stilstaat en trek aan de
hendel om het stuurwiel te ontgrendelen.
F Verstel het stuurwiel in hoogte en diepte
voor een optimale zithouding.
F Druk de hendel goed vast om het stuurwiel
te vergrendelen.
Voer deze handelingen om
veiligheidsredenen uitsluitend uit bij
stilstaande auto.
Zicht
Stel voor een beter zicht naar achteren de
binnenspiegel zo af dat onder in de spiegel het
onderste deel van de achterruit zichtbaar is.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Voorzieningen voorin
1. Dashboardkastje
2. Opbergvak
3. Opbergvakken (volgens uitvoering)
4. Kaartenvak (volgens uitvoering)
5. Uitneembare asbak / 12V-aansluiting
(120 W)
Druk op het deksel om de asbak te openen.
Asbak legen: trek de asbak omhoog om
deze te verwijderen.
6. Middenarmsteun met opbergvakken
Deze is verlicht, gekoeld en voorzien van
opbergvakken (fles van 1,5 liter, ...).
7. USB-box
8. 12V-aansluiting (120 W)
Houd u aan het maximaal toegestane
vermogen om schade aan uw apparatuur
te voorkomen.
9. Portiervakken met bekerhouder
83
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
F Druk wanneer u de aansteker wilt gebruiken,
deze in en wacht enkele seconden tot de
aansteker uit zichzelf naar buiten springt.
F Verwijder de aansteker en sluit een
geschikte adapter aan als u een
12V-accessoire (maximaal vermogen:
120 W) wilt aansluiten.
Aansteker / 12V-aansluiting
Het aansluiten van elektrische
apparatuur die niet door CITROËN is
goedgekeurd, zoals een lader met USB-
aansluitingen, kan leiden tot storingen
in de werking van de elektrische
componenten van de auto, zoals een
slechte radio-ontvangst of storingen in
de weergave van de displays.
U kunt bijvoorbeeld een telefoonlader of een
flessenwarmer op deze aansluiting aansluiten.
Plaats na het gebruik direct de aansteker terug.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Matten
Bevestigen
Plaatsen van de mat aan de bestuurderszijde:
F zet de stoel in de achterste stand,
F plaats de mat,
F maak de bevestigingen vast door er op te
drukken.
Verwijderen
Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde:
F zet de stoel in de achterste stand,
F maak de bevestigingen los; houd daarbij
de bevestigingspluggen die op de
vloerbedekking zijn gemonteerd vast,
F verwijder de mat.
Terugplaatsen
Terugpaatsen van de mat aan de
bestuurderszijde:
F leg de mat goed op zijn plaats,
F druk de bevestigingen vast,
F controleer of de mat goed vastzit.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- gebruik uitsluitend matten die op de
bevestigingen van de auto passen;
het gebruik van deze bevestigingen
is verplicht.
- gebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
Bij gebruik van niet door CITROËN
goedgekeurde matten kan de bediening
van de pedalen worden gehinderd en kan
de werking van de snelheidsregelaar/-
begrenzer negatief worden beïnvloed.
85
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
USB-box
Deze aansluitmodule bestaat uit een USB-
aansluiting en een Jack-aansluiting.
Jack-aansluiting
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een digitale muziekspeler. U kunt de
audiobestanden op de draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van de
autoradio.
U kunt deze bestanden beheren via het
draagbare apparaat.
De middenarmsteun bevat twee opbergvakken.
Middenarmsteun
Opbergvakken
F Toegang tot het grote opbergvak: druk op
de knop 1 en til het deksel op.
F Toegang tot het kleine opbergvak (onder de
klep van de armsteun): druk op de
knop 2 en til de klep op.
In het grote opbergvak zijn een USB- en een
Jack-aansluiting aangebracht. Bovendien
is dit vak voorzien van een regelbare
ventilatieopening zodat gekoelde lucht het vak
in kan stromen.
Raadpleeg voor meer informatie het
desbetreffende audiogedeelte van de
rubriek "Audio en datacommunicatie".
USB-aansluiting
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod
®
of een USB-stick.
Dankzij de aansluitmodule kunt u de
audiobestanden op uw draagbare apparaat
beluisteren via de luidsprekers van uw
autoradio.
U kunt deze bestanden beheren met de toetsen
op het stuurwiel of het bedieningspaneel van
de autoradio.
Als de draagbare apparatuur op de
USB-aansluiting is aangesloten, kan de
apparatuur automatisch worden opgeladen.
Tijdens het opladen wordt een melding
weergegeven als het stroomverbruik van
het apparaat hoger is dan de door de auto
geleverde stroomsterkte.
De USB-aansluiting kan ook worden gebruikt
om een telefoon via MirrorLink™ of CarPlay
te verbinden, zodat u bepaalde apps van uw
telefoon op het touchscreen kunt weergeven.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Skiluik
Openen
F Klap de middenarmsteun omlaag.
F Druk op de ontgrendelingsknop van het
luik.
F Laat het skiluik zakken.
F Steek voorwerpen vanuit de bagageruimte
door het skiluik.
F Klap de middenarmsteun achter omlaag
voor een optimaal zitcomfort.
De armsteun is bij bepaalde uitvoeringen
voorzien van bekerhouders. Tevens hebt u, als
de armsteun is neergeklapt, toegang tot het
skiluik.
Middenarmsteun achter
Sluit het luik wanneer u het niet meer
gebruikt.
Het skiluik kan worden gebruikt voor het
vervoeren van lange voorwerpen.
Voorzieningen achter
87
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Voorzieningen van de bagageruimte
1. Hoedenplank
Deze kan worden verwijderd zodat grotere
voorwerpen vervoerd kunnen worden.
2. Haken (voor tassen)
3. Sjorogen
4. Riemen voor de gevarendriehoek
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Gevarendriehoek (opbergen)
Gebruik de op de binnenbekleding van de
achterklep gemonteerde riemen om een
opgevouwen gevarendriehoek, al dan niet in
een koker, op te bergen.
Op de weg plaatsen van de
gevarendriehoek
Plaats de gevarendriehoek achter de auto en
houd u aan de ter plaatse geldende wettelijke
voorschriften.
89
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Verwarming en ventilatie
Bedieningspaneel
De lucht kan afhankelijk van de instellingen
van de bestuurder, voorpassagier of
achterpassagiers via verschillende circuits
worden toegevoerd.
Stel de temperatuurregeling in: de lucht van de
verschillende circuits wordt gemengd om het
gewenste comfortniveau te bereiken.
Stel de luchtverdeling in met de desbetreffende
(combinatie van) toetsen: de lucht wordt via de
gewenste uitstroomopeningen verdeeld.
Stel de luchtopbrengst in: de aanjagersnelheid
wordt verhoogd of verlaagd.
De bedieningsschakelaars bevinden zich op
het paneel A van de middenconsole.
1. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorruit.
2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorste zijruiten en de
voorportierruiten.
3. Afsluitbare en verstelbare zijventilatieroosters.
4. Afsluitbare en verstelbare middelste
ventilatieroosters.
De ventilatie zorgt voor een optimaal comfort
en zicht in het interieur.
5. Uitstroomopeningen beenruimte
bestuurder en voorpassagier.
6. Afsluitbare en verstelbare ventilatieroosters
voor de achterpassagiers.
7. Uitstroomopeningen beenruimte
achterpassagiers.
Luchtverdeling
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditioning de
volgende gebruiksadviezen in acht:
F Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de
uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, luchtroosters en
overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatieopening in de bagageruimte vrij
blijven.
F Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze sensor dient
voor de regeling van de automatische airconditioning.
F Zet de airconditioning minstens één tot twee keer per maand vijf tot tien minuten aan
om het systeem in perfecte staat te houden.
F Controleer regelmatig de staat van het interieurfilter en laat de filterelementen periodiek
vervangen (zie de rubriek "Controles").
Wij raden u een gecombineerd interieurfilter aan. Dankzij het toegevoegde speciale
actieve middel draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de inzittenden en een schoon
interieur (vermindering van allergische reacties, stank en vetaanslag).
F Laat de airconditioning regelmatig controleren zoals voorgeschreven in het garantie- en
onderhoudsboekje, om het systeem in perfecte staat te houden.
F Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Om het brandstofverbruik te verminderen kunt u de airconditioning uitschakelen (toets A/C)
terwijl de automatische stand ingeschakeld blijft. Als in deze stand de ruiten beginnen te
beslaan, kunt u de airconditioning tijdelijk inschakelen om de ruiten te ontwasemen.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een steile helling bij
een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk worden uitgeschakeld voor een
optimale trekkracht van de motor.
Gebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning
Als de auto lange tijd in de zon heeft
gestaan en de temperatuur in het
interieur hoog is opgelopen, zet dan de
ruiten enige tijd open.
Zorg ervoor dat de aanjagersnelheid
voldoende hoog is ingesteld, zodat de
lucht in het interieur goed ververst wordt.
Het airconditioningssysteem is chloorvrij
en is niet schadelijk voor de ozonlaag.
Condensvorming door de
airconditioning kan ertoe leiden dat zich
een klein plasje water onder de auto
vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
Als u geen concessies wilt doen aan het
thermische comfort, start dan de motor
of laat deze permanent draaien door op
de toets ECO OFF te drukken.
91
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
Automatische airconditioning met gescheiden regeling
1. Automatisch programma "comfort"
Wij raden aan om een van de drie
AUTO-standen te gebruiken: het
systeem zorgt voor een aangenaam
klimaat in de auto op basis van de
F Druk herhaaldelijk op de toets "AUTO".
- één lampje brandt; milde instelling,
- twee lampjes branden; gemiddelde
instelling,
- drie lampjes branden; hoge instelling.
Gebruik bij voorkeur de instellingen
"gemiddeld" en "hoog" voor het behoud
van een aangename temperatuur voor de
achterzitplaatsen.
Om bij koude motor te voorkomen dat
er koude wind in uw gezicht geblazen
wordt, wordt de aanjagersnelheid in
dergelijke situaties geleidelijk verhoogd
tot het gewenste niveau is bereikt.
Als de temperatuur in de auto bij het
instappen veel lager of hoger is dan
de ingestelde waarde, heeft het geen
zin om voor het gewenste comfort de
ingestelde waarde te wijzigen. Het
systeem compenseert bij gesloten
ramen en ongeacht het seizoen
automatisch en zo snel mogelijk het
temperatuurverschil.
Het systeem kan in alle jaargetijden effectief
gebruikt worden, mits de ruiten zijn gesloten.
Automatische werking
door u ingestelde waarde.
In alle drie de standen regelt het systeem zelf
de comforttemperatuur om zo snel mogelijk het
door u gewenste klimaat te verkrijgen.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
4. Automatisch programma
"zicht"
Om het interieur maximaal te verkoelen
of te verwarmen is het mogelijk de
minimale waarde 14 of de maximale
waarde 28 te overschrijden.
F Draai de knop 2 of 3 naar links
totdat "LO" verschijnt of naar
rechts totdat "HI" verschijnt.
Zie voor meer informatie over het
automatische programma "zicht"
het desbetreffende gedeelte in de
rubriek "Voorruitontwaseming -
Ontdooien".
2-3. Regeling bestuurder-
passagier
De bestuurder en de voorpassagier
kunnen de temperatuur afzonderlijk
naar wens instellen.
F Draai de knop 2 of 3 naar links of naar
rechts om deze waarde te verlagen of te
verhogen.
Voor een optimaal comfort wordt de waarde
21 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk
van uw wensen een afstelling tussen 18 en
24 gebruikelijk.
Voor een optimaal comfort is het raadzaam
dat het verschil in instelling links en rechts niet
meer dan 3 bedraagt.
Handmatig verstellen
Als u dat wenst, kunt u de automatische
bediening van het systeem handmatig
aanpassen. De controlelampjes in de toets
"AUTO" gaan uit; de overige functies blijven
automatisch geregeld, met uitzondering van de
airconditioning.
F Druk op de toets "AUTO" om het systeem
weer volledig automatisch te laten
functioneren.
Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de
voorruitontwaseming in werking is,
de STOP-functie niet beschikbaar is.
De op het display weergegeven waarde heeft
betrekking op een bepaald comfortniveau en
niet op de werkelijke temperatuur in graden
Celsius of Fahrenheit.
93
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
5. Airconditioning aan/uit
F Druk op deze toets om de
airconditioning uit te schakelen.
Als de airconditioning wordt uitgeschakeld,
wordt het thermische comfort niet meer
geregeld (vocht, beslagen ruiten).
F Druk de toets nogmaals in zodra dit
mogelijk is om de automatische werking
van de airconditioning te hervatten. Het
lampje van de toets "A/C" gaat branden.
Om het interieur sneller te verkoelen kunt u
korte tijd de recirculatiestand inschakelen.
Schakel vervolgens weer over op de stand
"Buitenlucht".
6. Regeling luchtverdeling
F Druk op één of meer toetsen
om de luchtstroom te verdelen
naar:
- de voorruit en de zijruiten,
- de centrale en
zijventilatieroosters,
- de beenruimte van de
passagiers.
U kunt de drie luchtstromen ook naar eigen
wens combineren.
7. Regeling luchtopbrengst
F Draai deze knop naar links
om de luchtopbrengst te
verminderen of naar rechts om
deze te verhogen.
De lampjes van de luchtopbrengst, tussen
de twee propellers, gaan afhankelijk van de
ingestelde waarde geleidelijk branden.
8. Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie
De recirculatie van interieurlucht dient om de
toevoer van buitenlucht bij stank en stofoverlast
af te sluiten: in geval van detectie van vervuiling
van de buitenlucht.
Deze treedt in werking bij activering van de
ruitensproeier.
De werking stopt wanneer de
buitentemperatuur beneden de 5°C komt, om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
- Het branden van het lampje
met de "A" duidt erop dat de
luchtrecirculatie automatisch
wordt geregeld.
- Het branden van het lampje
zonder de "A" duidt erop dat de
luchtrecirculatie handmatig in
werking is gesteld.
- Wanneer de lampjes uit
zijn, betekent dat dat de
luchtrecirculatie automatisch
wordt geregeld onafhankelijk van
de detectie van luchtvervuiling.
Vermijd het te lang rijden met
ingeschakelde luchtrecirculatie of
een uitgeschakeld systeem, om te
voorkomen dat de ruiten beslaan of de
luchtkwaliteit vermindert.
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
9. "REST"-functie: maximale
airconditioning
F Als u de interieurlucht snel wilt
koelen, druk dan op deze toets:
"LO" wordt weergegeven.
Om vorige instellingen te hervatten, drukt u
opnieuw op deze toets.
F Draai de knop van de
luchtopbrengst naar links tot
alle lampjes uitgaan.
Uitschakelen van het systeem
Alle functies van de airconditioning en het
ventilatiesysteem worden dan uitgeschakeld.
De temperatuur wordt dan niet meer
geregeld, maar er blijft een kleine luchtstroom
gehandhaafd.
F Wijzig de instellingen (temperatuur,
luchthoeveelheid en luchtverdeling) of druk
op de toets "AUTO" om het systeem weer
met de laatst ingestelde waarden in te
schakelen.
95
Comfor t
DS5_nl_Chap03_confort_ed02-2015
F Schakel, zodra de omstandigheden
het toelaten, de achterruit- en
buitenspiegelverwarming uit,
omdat een geringer stroomverbruik
leidt tot een verlaging van het
brandstofverbruik.
Ontwasemen -
Ontdooien vóór
Achterruit- en buitenspiegelverwarming
F U kunt de achterruitverwarming
ook eerder uitschakelen
door nogmaals op de toets te
drukken. Het controlelampje
van de toets gaat uit.
Automatisch programma
"Zicht"
Aan
Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de
voorruitontwaseming in werking is,
de STOP-functie niet beschikbaar is.
UIT
De achterruitverwarming wordt automatisch
uitgeschakeld om onnodig stroomverbruik te voorkomen.
F Selecteer dit programma om
de voorruit en de zijruiten snel
te ontwasemen of te ontdooien.
Het systeem werkt volledig automatisch
en regelt de luchttemperatuur, de
aanjagersnelheid en de luchttoevoer; het stelt
de luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en
de zijruiten zo snel mogelijk schoon worden.
F Druk nogmaals op de toets "Zicht" of op
"AUTO" om deze functie uit te schakelen;
het controlelampje in de toets gaat uit en
dat van de toets "AUTO" gaat branden.
Het systeem keert terug naar dezelfde
instellingen als die van vóór het uitschakelen.
F Druk op deze toets
(op het bedieningspaneel
van de airconditioning) om de
achterruit en de buitenspiegels
te ontwasemen. Het
controlelampje van de toets
gaat branden.
De achterruitverwarming werkt
uitsluitend bij draaiende motor.
004
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Rijadviezen
Houd u altijd aan de verkeersregels en let onder alle omstandigheden goed op.
Richt uw aandacht op het verkeer en houd uw handen op het stuurwiel, zodat u snel kunt reageren
op onverwachte situaties.
Las tijdens een lange rit om de twee uur een pauze in.
Rijd bij slecht weer defensief, rem eerder af en houd meer afstand tot uw voorligger.
Rijden op een overstroomde weg
Probeer het rijden over overstroomde wegen zo
veel mogelijk te vermijden, want het water kan
de motor, versnellingsbak en het elektrische
systeem van uw auto ernstig beschadigen.
- kijk of het water niet meer dan 15 cm
diep is, houd daarbij rekening met golven
die door andere weggebruikers kunnen
worden veroorzaakt,
- schakel het Stop & Start-systeem uit,
- rijd zo langzaam mogelijk zonder de motor
te laten afslaan. Rijd in elk geval niet
sneller dan 10 km/h,
- zet de auto niet stil en zet de motor niet af.
Belangrijk!
Rijd nooit met aangetrokken handrem -
Kans op oververhitting en beschadiging
van het remsysteem!
Parkeer uw auto niet en zet uw auto
niet met draaiende motor stil op een
plaats waar brandbaar materiaal (droog
gras, afgevallen blad, ...) in contact kan
komen met het warme uitlaatsysteem -
Kans op brand!
Laat de auto nooit onbewaakt met
draaiende motor achter. Als u uw auto
met draaiende motor moet verlaten,
trek dan de handrem aan en zet de
versnellingsbak in de neutraalstand of
in de stand N of P, afhankelijk van het
type versnellingsbak.
Bent u genoodzaakt over een overstroomd
weggedeelte te rijden, doe dan het volgende:
Als u het overstroomde weggedeelte
achter u hebt gelaten, rem dan, zodra de
verkeerssituatie dat toelaat, meerdere keren
licht af om de remschijven en remblokken te
drogen.
Als u twijfels hebt over de staat van uw auto,
neem dan contact op met het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
99
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Bij het trekken van een
aanhanger
Gewichtsverdeling
F Verdeel het gewicht in de caravan/
aanhanger gelijkmatig, plaats zware
voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as en
houd u aan de toegestane kogeldruk.
Door een geringere luchtdichtheid nemen
de prestaties van de motor af als men op
grotere hoogte boven de zeespiegel komt.
Trek boven de 1000 m 10% van het maximale
aanhangergewicht af en herhaal dit voor elke
volgende 1000 m.
Zijwind
F Houd er rekening mee dat de
zijwindgevoeligheid van de auto groter is.
Koeling
Het trekken van een aanhanger op
een helling veroorzaakt een hogere
koelvloeistoftemperatuur.
De koelventilator wordt elektrisch bediend en is
niet afhankelijk van het motortoerental.
F Pas uw snelheid aan om het toerental te
beperken.
Het maximale aanhangergewicht is
afhankelijk van het hellingspercentage en de
buitentemperatuur.
Let in elk geval goed op de aanwijzing van de
koelvloeistoftemperatuurmeter.
F Als het waarschuwingslampje
van de koelvloeistoftemperatuur
gaat branden in combinatie met
het waarschuwingslampje STOP,
stop dan zo snel mogelijk en zet
de motor af.
Remmen
Het trekken van een aanhanger verlengt de
remweg.
Vermijd langdurig gebruik van de remmen om
te voorkomen dat de remmen oververhit raken.
In dat geval is het raadzaam om op de motor af
te remmen.
Banden
F Controleer de bandenspanning van de auto
en de aanhanger en breng deze indien
nodig op de juiste waarde.
Verlichting
F Controleer de verlichting van de aanhanger
en de hoogteverstelling van de koplampen
van uw auto.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de hoogteverstelling van
de koplampen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de gewichten van uw auto
(en aanhangergewichten indien van toepassing
voor uw auto).
De parkeerhulp wordt automatisch
uitgeschakeld als bij het aankoppelen
van een aanhanger een originele
CITROËN-trekhaak wordt gebruikt.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Starten / afzetten van de motor
F Steek de elektronische sleutel in de lezer.
F Houd het rempedaal ingetrapt (auto's met
automatische transmissie) of houd het
koppelingspedaal volledig ingetrapt (auto's
met handgeschakelde versnellingsbak).
Starten met de
elektronische sleutel
Starten met Keyless entry
and start
Als aan een van de voorwaarden voor
het starten niet wordt voldaan, wordt ter
herinnering een melding op het display van
het instrumentenpaneel weergegeven. In
sommige gevallen moet het stuurwiel heen
en weer worden bewogen terwijl de knop
" START/STOP " wordt ingedrukt om het
stuurslot te ontgrendelen; u wordt hiervan
via een melding op de hoogte gebracht.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak: zet de versnellingshendel in de neutraalstand.
Auto's met automatische transmissie: zet de selectiehendel in de stand P of N.
Auto's met een
dieselmotor
De elektronische sleutel hoeft niet in de lezer te
worden gestoken.
F Houd, als de elektronische sleutel zich in
de auto bevindt, het rempedaal ingetrapt bij
auto's met automatische transmissie of houd
het koppelingspedaal volledig ingetrapt bij
auto's met handgeschakelde versnellingsbak.
F Druk op de knop " START/
STOP "; houd daarbij het
pedaal ingetrapt tot de motor is
aangeslagen.
F Druk op de knop " START/STOP ";
houd het pedaal ingetrapt tot de
motor is aangeslagen.
De elektronische sleutel van het
Keyless entry and start-systeem moet
zich binnen de detectiezone bevinden.
Verlaat om veiligheidsredenen deze
zone niet terwijl de motor nog draait.
Als de elektronische sleutel niet meer in de
detectiezone wordt gedetecteerd, wordt er
een melding weergegeven. Om de motor
te kunnen starten moet de elektronische
sleutel zich weer binnen de zone bevinden.
De stuurkolom wordt ontgrendeld en de motor
wordt bijna onmiddellijk gestart.
Zie voor auto's met een dieselmotor de
desbetreffende waarschuwing in het vervolg
van de tekst.
De stuurkolom wordt ontgrendeld en de motor
wordt bijna onmiddellijk gestart.
Zie voor auto's met een dieselmotor de desbetreffende
waarschuwing in het vervolg van de tekst.
Bij temperaturen onder 0 graden wordt
de motor pas na het doven van het
verklikkerlampje "Voorgloeien" gestart.
Als dit lampje gaat branden nadat u op
" START/STOP "-knop hebt gedrukt,
moet u het rem- of koppelingspedaal
ingetrapt houden tot dit lampje uitgaat
en niet opnieuw op de " START/
STOP "-knop drukken, tot de motor is
aangeslagen.
101
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Afzetten met de
elektronische sleutel
F Zet de auto stil.
Als u de elektronische
sleutel vergeet
Als u de elektronische sleutel in de lezer laat zitten,
wordt u bij het openen van het bestuurdersportier
gewaarschuwd door een melding.
Afzetten met Keyless entry
and start
F Zet de auto stil.
Als de auto niet stilstaat, wordt de motor
niet afgezet.
Laat nooit de elektronische sleutel in de
auto achter als u de auto verlaat.
Aanzetten van het contact
(zonder te starten)
F Druk terwijl de elektronische
sleutel zich in de auto bevindt op
de knop " START/STOP ".
De motor wordt afgezet en het
stuurslot wordt vergrendeld.
F Druk op de knop " START/STOP ".
De motor wordt afgezet en het
stuurslot wordt vergrendeld.
Diefstalbeveiliging
Elektronische startbeveiliging
In de sleutels is een chip aangebracht die over
een geheime code beschikt. Om te kunnen
starten, moet bij het aanzetten van het contact
de code van de sleutel worden herkend door de
startbeveiliging.
Deze elektronische startbeveiliging blokkeert
het motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
Bij een storing in het systeem wordt u
gewaarschuwd door een melding op het display
van het instrumentenpaneel.
De auto kan dan niet gestart worden.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
CITROËN-netwerk.
Druk, met de elektronische sleutel van het
keyless entry and start-systeem in de lezer of
in het interieur van de auto, zonder een pedaal
in te trappen op de "START/STOP"-knop om
het contact aan te zetten.
F Verwijder de elektronische sleutel uit de
lezer.
F Druk op de "START/STOP"-knop:
de verlichting en lampjes van het
instrumentenpaneel gaan branden
zonder dat de motor wordt gestart.
F Druk nogmaals op de knop om
het contact af te zetten en de
auto te kunnen vergrendelen.
Als het contact is aangezet, gaat
het systeem vanaf een bepaalde
laadtoestand van de accu automatisch
over op de eco-mode.
Bij het afzetten van de motor is de
rembekrachtiging niet meer actief.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Noodprocedure voor het starten
met het Keyless entry and start-
systeem
Als de elektronische sleutel zich in het
detectiegebied bevindt en uw auto niet start als
u op de knop " START/STOP " drukt:
F Steek de elektronische sleutel in de lezer.
F Houd bij auto's met automatische
transmissie het rempedaal ingetrapt of
houd bij auto's met handgeschakelde
versnellingsbak het koppelingspedaal
volledig ingetrapt.
F Druk op de knop " START/STOP ".
De motor wordt gestart.
In noodgevallen kan de motor geforceerd
worden afgezet.
Doe dit door de knop "START/STOP"
ongeveer drie seconden ingedrukt te houden.
In dat geval wordt het stuurslot ingeschakeld
zodra de auto stilstaat.
Als de elektronische sleutel zich niet meer in
het detectiegebied bevindt tijdens het rijden of
wanneer u (op een later moment) de motor wilt
afzetten, wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
Noodprocedure voor het afzetten
van de motor
Als de elektronische sleutel niet
wordt herkend door het Keyless
entry and start-systeem
F Houd de knop " START/STOP " ongeveer
drie seconden ingedrukt als u de motor
geforceerd wilt afzetten.
Let op: zonder de sleutel kan de motor
niet meer gestart worden.
103
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Bij zeer lage temperaturen
of bij het trekken van een
aanhanger
Wij raden u aan de parkeerrem in deze
situaties niet aan te trekken.
Zet in dat geval bij aangezet contact de
parkeerrem handmatig vrij en voer, voordat u
het contact afzet, de volgende handeling uit:
F Handgeschakelde versnellingsbak:
schakel de eerste versnelling of de
achteruitversnelling in.
F Automatische transmissie: zet de
selectiehendel in de stand P.
De elektrische parkeerrem kan op twee
manieren worden bediend:
- Automatisch aantrekken/vrijzetten
De parkeerrem wordt automatisch
aangetrokken bij het afzetten van de motor
en automatisch vrijgezet bij het wegrijden
(standaard geactiveerde functies).
- Handmatig aantrekken/vrijzetten
De parkeerrem kan handmatig worden
aangetrokken door aan de hendel A te trekken.
U kunt de parkeerrem handmatig weer
vrijzetten door het rempedaal ingetrapt
te houden en gelijktijdig aan de hendel te
trekken en deze vervolgens los te laten.
Programmeren van de
automatische werking
Afhankelijk van het land van bestemming kan
de automatische werking van de parkeerrem
worden uitgeschakeld.
De functie wordt in dat
geval uitgeschakeld via het
configuratiemenu van de auto.
Elektrische parkeerrem
Als de automatische werking is
uitgeschakeld, moet de parkeerrem
handmatig worden bediend.
Als dit verklikkerlampje brandt
op het instrumentenpaneel, is de
automatische werking uitgeschakeld.
Verlaat de auto nooit zonder dat u
zich ervan hebt verzekerd dat de
parkeerrem is aangetrokken.
Dit verklikkerlampje blijft
permanent branden.
Sticker op het portierpaneel
Bij een lege accu
Als de accu onvoldoende stroom levert,
werkt de elektrische parkeerrem niet.
Volg om veiligheidsredenen bovenstaande
voorschriften op om te voorkomen dat
de auto in beweging komt of plaats een
wielblok tegen een van de wielen.
Neem contact op met het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Als de parkeerrem nog niet is
aangetrokken en het bestuurdersportier
wordt geopend, klinkt er een
geluidssignaal en verschijnt er een
melding op het display.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Om bij aangezet contact of draaiende motor
de parkeerrem vrij te zetten, trapt u het
rempedaal in, trekt u aan de hendel A in en
laat u deze vervolgens weer los.
De vrijgezette toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
Handmatig vrijzetten
- het uitgaan van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A,
- de melding "Parkeerrem
vrijgezet".
Als u aan de hendel A trekt zonder het
rempedaal in te trappen, wordt de parkeerrem
niet vrijgezet en verschijnt een melding op het
instrumentenpaneel.
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Wanneer de auto stilstaat en u bij draaiende of
afgezette motor de parkeerrem wilt aantrekken,
trekt u aan de hendel A.
Handmatig aantrekken
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A,
- de melding "Parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer u bij draaiende motor het
bestuurdersportier opent terwijl de
parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt er
een geluidssignaal en wordt er een melding
weergegeven, behalve als de selectiehendel
van de automatische transmissie in de stand P
(Park) staat.
Het extra stevig aantrekken van de
parkeerrem is noodzakelijk in de volgende
omstandigheden:
- wanneer een caravan of aanhanger aan
de auto is gekoppeld en de automatische
bediening is geactiveerd, terwijl u de
parkeerrem handmatig bedient,
- wanneer de hellingcondities vermoedelijk
zullen varren terwijl de auto stilstaat
(bijvoorbeeld wanneer de auto vervoerd
wordt op een boot of trailer, of bij slepen).
U kunt, indien nodig, de parkeerrem extra
stevig aantrekken. Dit gebeurt door de
hendel A langer te bedienen, tot de melding
"Parkeerrem maximaal aangetrokken" op het
display verschijnt en er een geluidsignaal klinkt.
In het geval van een aangekoppelde
aanhanger, wanneer de auto beladen is of op
een steile helling staat, dient u de parkeerrem
extra stevig aan te trekken, bij het parkeren
de voorwielen naar de stoeprand te sturen en
een versnelling in te schakelen.
Na het extra stevig aantrekken van de
parkeerrem duurt het langer voordat de
parkeerrem weer is vrijgezet.
Extra stevig aantrekken
105
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Laat kinderen nooit alleen in de auto
wanneer het contact is aangezet:
ze zouden de parkeerrem kunnen
vrijzetten.
Automatisch aantrekken,
motor afgezet
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A,
- de melding "Parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer de auto stilstaat en u de motor
afzet, wordt de parkeerrem automatisch
aangetrokken.
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
Automatisch vrijzetten
De elektrische parkeerrem wordt automatisch
geleidelijk vrijgezet bij het wegrijden:
F Handgeschakelde versnellingsbak:
trap het koppelingspedaal volledig in
en schakel de eerste versnelling of de
achteruitversnelling in; geef gas en laat
het koppelingspedaal opkomen tot de
parkeerrem wordt vrijgezet.
F Automatische transmissie: selecteer de
stand D, M of R en geef gas.
- het doven van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A,
- de melding "Parkeerrem
vrijgezet".
Geef, wanneer de auto stilstaat met
draaiende motor, niet onnodig gas,
omdat u dan het risico loopt dat de
parkeerrem wordt vrijgezet.
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Wanneer de auto stilstaat met draaiende motor,
dient u de auto tegen wegrollen te beveiligen
door de parkeerrem handmatig aan te trekken.
Trek daarvoor aan de hendel A.
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A,
- de melding "parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer u bij draaiende motor het
bestuurdersportier opent terwijl de
parkeerrem niet is aangetrokken, klinkt er
een geluidssignaal en wordt er een melding
weergegeven, behalve als de selectiehendel
van de automatische transmissie in de stand P
(Park) staat.
Stilzetten van de auto,
draaiende motor
De vrijgezette toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Noodremfunctie
De noodremfunctie mag uitsluitend in
uitzonderlijke gevallen worden gebruikt.
Bij een storing aan het ESP,
aangegeven door het branden van dit
verklikkerlampje, kan de stabiliteit bij het
remmen niet worden gegarandeerd.
In dat geval moet de bestuurder er zelf
voor zorgen dat de auto stabiel blijft
door afwisselend aan de hendel A te
trekken en deze weer los te laten.
Wanneer het rempedaal niet werkt
of bij uitzonderlijke situaties (bijv.
wanneer de bestuurder onwel wordt),
kan de auto worden gestopt door aan
de hendel A te trekken en deze vast
te houden.
Het ESP-systeem zorgt ervoor dat de auto
stabiel blijft wanneer de noodremfunctie actief
is.
In geval van een storing aan het systeem
van de noodremfunctie verschijnt de melding
"Parkeerrem defect".
Bijzondere omstandigheden
Om een goede werking en dus uw
veiligheid te waarborgen, kan de
parkeerrem maximaal acht keer achter
elkaar worden aangetrokken en vrijgezet.
Bij overmatig gebruik wordt u
gewaarschuwd door de melding
"Storing parkeerrem" en een knipperend
verklikkerlampje.
Onder bepaalde omstandigheden (starten
van de motor...) kan de kracht waarmee de
parkeerrem is aangetrokken automatisch
worden aangepast. Dit is normaal.
Trap wanneer u de auto enkele centimeters
wilt verplaatsen zonder de motor te starten
bij aangezet contact het rempedaal in
en zet de parkeerrem vrij door aan de
hendel A te trekken en deze vervolgens
weer los te laten. Als de parkeerrem
volledig is vrijgezet, gaan het lampje op de
hendel A en het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel uit en wordt de melding
"Parkeerrem vrijgezet" weergegeven.
107
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Storingen
Als het storingslampje van de elektrische parkeerrem gaat branden in combinatie met één of meer verklikkerlampjes uit de onderstaande tabel, zet de
auto dan stil op een vlakke en horizontale ondergrond, schakel een versnelling in, plaats indien nodig een wielblok en zet het contact af.
Neem zo snel mogelijk contact op met het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Waarschuwingsmeldingen Gevolgen
Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van deze
verklikkerlampjes.
- De automatische bediening is uitgeschakeld.
- De Hill Start Assist is niet beschikbaar.
- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden bediend.
Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van deze
verklikkerlampjes.
- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden vrijgezet
door het rempedaal in te trappen en aan de hendel te trekken.
- De Hill Start Assist is niet beschikbaar.
- De automatische bediening en het handmatig aantrekken van de
parkeerrem blijven mogelijk.
Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van deze
verklikkerlampjes.
- De automatische bediening is uitgeschakeld.
- De Hill Start Assist is niet beschikbaar.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Waarschuwingsmeldingen Gevolgen
Om de elektrische parkeerrem aan te trekken:
F parkeer de auto en zet het contact uit,
F
trek de hendel ten minste 5 seconden uit tot de parkeerrem is aangetrokken,
F zet het contact aan en controleer of de verklikkerlampjes van de
elektrische parkeerrem gaan branden.
Het aantrekken van de parkeerrem duurt langer dan normaal.
Om de elektrische parkeerrem vrij te zetten:
F zet het contact aan,
F houd de hendel ongeveer 3 seconden aangetrokken en laat de
hendel weer los.
Als het controlelampje van de elektrische parkeerrem knippert of als
de verklikkerlampjes niet gaan branden als het contact wordt aangezet,
werken deze procedures niet. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond
en laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
en/of
knipperend.
Weergave van de melding "Storing parkeerrem" en branden van deze
verklikkerlampjes.
- Alleen de functies automatisch aantrekken bij het afzetten van de
motor en automatisch vrijzetten bij het wegrijden zijn beschikbaar.
- Het handmatig aantrekken/vrijzetten van de elektrische parkeerrem
is niet mogelijk en de dynamische noodremfunctie is niet
beschikbaar.
en/of
knipperend.
Weergave van de melding "Storing accu". - Zet de auto zo snel mogelijk stil (rekening houdend met het overige
verkeer) en beveilig de auto tegen wegrollen (plaats indien nodig een
wielblok achter een wiel).
- Trek de elektrische parkeerrem aan alvorens de motor af te zetten.
109
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Hill Start Assist
Dit systeem houdt bij het wegrijden op een
helling uw auto ongeveer 2 seconden op
zijn plaats. In die tijd kunt u uw voet van het
rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen.
Deze functie is alleen actief:
- als de auto volledig stilstaat met het
rempedaal ingedrukt,
- als aan bepaalde hellingcondities wordt
voldaan,
- als het bestuurdersportier is gesloten.
De Hill Start Assist kan niet worden
uitgeschakeld.
Als de auto bergopwaarts stilstaat, wordt
deze even op zijn plaats gehouden wanneer
u het rempedaal loslaat:
- als bij de handgeschakelde versnellingsbak
de eerste versnelling of de neutraalstand is
ingeschakeld,
- als bij de automatische transmissie de
stand D of M is ingeschakeld.
Werking
Als de auto bergafwaarts stilstaat en de
achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt
de auto even op zijn plaats gehouden
wanneer u het rempedaal loslaat.
Verlaat de auto niet in de korte periode
dat u de Hill Start Assist gebruikt.
Als u de auto moet verlaten terwijl de
motor draait, trek de parkeerrem dan
handmatig aan en controleer of het
verklikkerlampje van de parkeerrem en
het lampje P op de hendel permanent
branden.
Storing
Bij een storing in de Hill Start Assist gaan
deze verklikkerlampjes branden. Raadpleeg
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten
controleren.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat en de motor stationair draait.
Voor uw veiligheid en om het starten van
de motor te vergemakkelijken: zorg dat
de versnellingshendel altijd in de vrijstand
staat en trap het koppelingspedaal in.
Handgeschakelde 6-versnellingsbak
F Beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar rechts om de 5
e
of de
6
e
versnelling in te schakelen.
Inschakelen van de 5
e
of de
6
e
versnelling
Inschakelen van de
achteruitversnelling
F Trek de ring onder de pookknop omhoog
en beweeg de versnellingshendel eerst
naar links en dan naar voren.
Doet u dit niet, dan kan de
versnellingsbak zwaar beschadigd
raken (per ongeluk inschakelen van
de 3
e
of 4
e
versnelling).
111
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Weergave op het instrumentenpaneel
Wanneer u de selectiehendel door het
schakelpatroon beweegt, verschijnt
het desbetreffende pictogram op het
instrumentenpaneel.
P Parking (parkeerstand)
R Reverse (achteruitversnelling)
N Neutral (neutraalstand)
D Drive (automatisch schakelen)
S Programma Sport
T Programma Sneeuw
1 t/m 6 Ingeschakelde versnelling bij
handmatig schakelen
- Ongeldige waarde bij handmatig schakelen
Bij de automatische 6-versnellingsbak kunt u
kiezen uit het comfort van de automatische
bediening, aangevuld met de programma's
Sport en Sneeuw, of het plezier van het
handmatig schakelen.
Deze versnellingsbak heeft twee
gebruiksmogelijkheden:
- automatisch schakelen: het schakelen
wordt elektronisch aangestuurd, aangevuld
met het programma Sport voor een meer
dynamische rijstijl of het programma
Sneeuw voor gemakkelijker rijden op een
ondergrond met weinig grip,
- handmatig schakelen: in deze stand kan
de bestuurder zelf schakelen.
Automatische versnellingsbak
1. Selectiehendel.
2. Toets "T" (Sneeuw).
3. Toets "S" (Sport).
4. Schema met de standen van de
selectiehendel.
Schakelpatroon
Standen van de
selectiehendel
P. Parkeerstand.
- Stilzetten van de auto, met of zonder
aangetrokken parkeerrem.
- Starten van de motor.
R. Achteruitversnelling.
- Achteruitrijden, stilstaande auto, stationair
toerental.
N. Neutraalstand.
- Stilzetten van de auto, met aangetrokken
parkeerrem.
- Starten van de motor.
D. Automatische werking.
M.+ / - Zelf schakelen tussen de zes
versnellingen.
F Beweeg de selectiehendel kort naar voren
om op te schakelen.
of
F Beweeg de selectiehendel kort naar
achteren om terug te schakelen.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
F Trap het rempedaal in en selecteer de
stand P of N.
F Start de motor.
Als niet aan de bovenstaande voorwaarden
wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
F Trap bij draaiende motor het rempedaal in.
F Selecteer de stand R, D of M.
Wegrijden
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en de stand R,
D of M is geselecteerd, zet de auto zich
zelfs al in beweging als het gaspedaal
niet is ingetrapt.
Laat bij draaiende motor daarom geen
kinderen alleen in de auto achter.
Trek de parkeerrem aan en
selecteer de stand P indien er
onderhoudswerkzaamheden moeten
worden uitgevoerd bij draaiende motor.
Als de parkeerrem niet automatisch
wordt vrijgezet, controleer dan of de
voorportieren correct zijn gesloten.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand N als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand P of R als de auto niet volledig
stilstaat.
Automatisch
schakelprogramma
F Selecteer de stand D om automatisch
te laten schakelen tussen de zes
versnellingen.
De versnellingsbak werkt dan in de auto-adaptieve
stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de rijstijl, het
profiel van de weg en de belading van de auto.
Voor een maximale acceleratie zonder de stand
van de selectiehendel te wijzigen, moet het
gaspedaal volledig worden ingetrapt (kickdown).
De versnellingsbak schakelt automatisch terug of
handhaaft de ingeschakelde versnelling totdat de
motor het maximum toerental bereikt.
Bij het remmen schakelt de versnellingsbak
automatisch terug om sterker op de motor af te
remmen.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt de
versnellingbak niet naar een hogere versnelling als
u het gaspedaal plotseling loslaat.
Als tijdens het rijden per ongeluk de
stand N wordt geselecteerd, laat het
motortoerental dan zakken tot stationair
toerental, zet de selectiehendel in de
stand D en trap het gaspedaal weer in.
Als u de selectiehendel uit de stand P
haalt zonder het rempedaal ingetrapt te
houden, zal op het instrumentenpaneel
dit verklikkerlampje gaan branden of dit
pictogram verschijnen in combinatie met
het knipperen van de P, een melding en
een geluidssignaal.
F Controleer of de op het instrumentenpaneel
weergegeven stand overeenkomt met de
stand van de selectiehendel.
F Laat het rempedaal geleidelijk los.
Als de parkeerrem handmatig wordt vrijgezet,
begint de auto direct te rijden.
Als de parkeerrem is aangetrokken en de
automatische stand is geactiveerd, geef dan
geleidelijk gas.
113
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Handmatig schakelen
F Selecteer de stand M om sequentieel te
schakelen in de zes versnellingen.
F Duw de selectiehendel naar het symbool +
om één versnelling op te schakelen.
F Trek de selectiehendel naar het symbool -
om één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnelling
kan alleen als de snelheid van de auto en
het toerental van de motor dit toestaan,
anders wordt er tijdelijk overgegaan op de
automatische bediening.
Op het instrumentenpaneel verdwijnt
de aanduiding D en verschijnen
achtereenvolgens de ingeschakelde
versnellingen.
Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de
automatische versnellingsbak automatisch de
1
e
versnelling.
Tijdens het schakelen hoeft u het gaspedaal
niet los te laten.
Er kan elk moment van de stand D (rijden in de
automatische stand) naar de stand M (rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
De programma's Sport en Sneeuw kunnen niet
worden ingeschakeld in de handbediende stand.
Programma's Sport en Sneeuw
Programma Sport "S"
F Druk op de toets "S" als de motor is
gestart.
Het schakelprogramma maakt dan automatisch
een dynamische rijstijl mogelijk.
Op het instrumentenpaneel verschijnt
de aanduiding S.
Programma Sneeuw "T"
F Druk op de toets "T" als de motor is
gestart.
De versnellingsbak past zich aan voor het
rijden op gladde wegen.
Het schakelprogramma zorgt ervoor dat u
gemakkelijker kunt rijden op een ondergrond
met weinig grip.
Op het instrumentenpaneel verschijnt
de aanduiding T.
Terugkeren naar de
auto-adaptieve stand
F Om terug te keren naar het auto-adaptieve
stand kunt u het programma op elk
gewenst moment uitschakelen door
opnieuw op de desbetreffende toets te
drukken.
Deze twee specifieke programma's vullen de
automatische werking aan onder bijzondere
rijomstandigheden.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een versnelling
niet goed is ingeschakeld (de selectiehendel
bevindt zich tussen twee standen in).
Parkeren van de auto
Zet, voordat u de motor afzet, de
selectiehendel in de stand P of N om de
neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de parkeerrem aan om
de auto te blokkeren (als de parkeerrem niet in
de automatische stand staat).
Als de selectiehendel niet in de stand P
staat, klinkt bij het openen van het
bestuurdersportier of na ongeveer
45 seconden een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display.
F Zet de selectiehendel in de stand P;
het geluidssignaal stopt en de
melding verdwijnt.
Storing
Bij aangezet contact wordt een melding
op het display van het instrumentenpaneel
weergegeven die duidt op een storing in de
versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak met een
noodprogramma en blijft de 3
e
versnelling
ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok
waarnemen bij het selecteren van R vanuit
de stand P, of R vanuit de stand N. Dit is niet
schadelijk voor de versnellingsbak.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
De automatische versnellingsbak kan
beschadigd raken:
- als u het gaspedaal en het
rempedaal gelijktijdig intrapt,
- als u, indien de accu geen stroom
levert, de selectiehendel vanuit
de stand P geforceerd naar een
andere stand schakelt.
Zet, om het brandstofverbruik tijdens
langdurig stilstaan met draaiende motor
(file...) te beperken, de selectiehendel in
de stand N en trek de parkeerrem aan,
behalve als deze in de automatische
stand staat.
115
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Schakelindicator*
Bij auto's met handgeschakelde
versnellingsbak kan naast de pijl ook
de geadviseerde versnelling worden
weergegeven.
Het systeem past het schakeladvies
aan de rijomstandigheden (helling,
belading van de auto, ...) en de rijstijl
van de bestuurder (veel vermogen
nodig, accelereren, remmen, ...) aan.
Het systeem zal u nooit adviseren om:
- de eerste versnelling in te schakelen,
- de achteruitversnelling in te
schakelen.
Bij uitvoeringen met automatische
transmissie werkt dit systeem alleen in
de handbediende stand.
* Volgens motoruitvoering.
Bij de dieseluitvoeringen BlueHDi 135 en 150 met
handgeschakelde versnellingsbak kan het
systeem u onder bepaalde rijomstandigheden
verzoeken om de versnellingsbak in de
neutraalstand te zetten, om het tijdelijk afzetten
van de motor mogelijk te maken (STOP-stand van
het Stop & Start-systeem). In dat geval wordt de
letter N weergegeven op het instrumentenpaneel.
Dit systeem geeft aan welke versnelling moet worden ingeschakeld om het brandstofverbruik te reduceren.
Werking
Afhankelijk van de rijomstandigheden en de
uitrusting van uw auto kan het systeem u
adviseren één of meer versnellingen op te
schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen
zonder de tussenliggende versnellingen in te
hoeven schakelen.
Het is niet verplicht om de aanbevolen
versnellingen ook daadwerkelijk in te schakelen.
De keuze van de optimale versnelling hangt
namelijk altijd af van de situatie op de weg, de
verkeersdrukte en de veiligheid. De bestuurder
blijft derhalve altijd zelf verantwoordelijk voor het
al dan niet opvolgen van een schakeladvies van
het systeem.
De functie kan niet worden uitgeschakeld.
Voorbeeld:
- U rijdt in de derde versnelling.
- U trapt het gaspedaal in.
- Het systeem kan u in dit geval adviseren
een hogere versnelling in te schakelen.
De informatie wordt in de vorm van een pijl op
het instrumentenpaneel weergegeven.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Controlesysteem bandenspanning
Dit systeem controleert automatisch de
bandenspanning tijdens het rijden.
Zodra de auto rijdt, controleert het systeem
permanent de spanning van de vier banden.
In het ventiel van elke band (met uitzondering
van het reservewiel) is een druksensor
gemonteerd.
Het systeem waarschuwt de bestuurder zodra
het een daling van de spanning van een of
meer banden detecteert.
Ondanks de aanwezigheid van dit
systeem dient u maandelijks en voor
elke lange reis de bandenspanning (ook
die van het reservewiel) handmatig te
controleren.
Een te lage bandenspanning heeft
een negatief effect op de wegligging,
verlengt de remweg en versnelt de
bandenslijtage, met name onder zware
omstandigheden (zware belading, hoge
snelheid, lange rit).
Een te lage bandenspanning leidt ook
tot een hoger brandstofverbruik.
De door de fabrikant voor uw auto
aanbevolen bandenspanning staat
vermeld op de bandenspanningssticker.
De bandenspanning moet bij "koude"
banden worden gecontroleerd (auto
die langer dan 1 uur heeft stilgestaan
of na een traject van maximaal 10 km
met gematigde snelheid). Is dit niet het
geval, verhoog dan de op de sticker
vermelde waarden met 0,3 bar.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over de
identificatie-elementen, waaronder de
bandenspanningssticker.
Het controlesysteem van de
bandenspanning is een hulpsysteem;
de bestuurder moet waakzaam blijven.
117
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Waarschuwing te lage
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning brandt
dit verklikkerlampje in combinatie met
een geluidssignaal en, afhankelijk van
de uitrusting, in combinatie met de
weergave van een melding.
Als er een afwijking in de bandenspanning
van één band wordt geconstateerd, kan deze
band worden herkend aan het pictogram of,
afhankelijk van de uitvoering, de weergegeven
melding.
F Verlaag onmiddellijk de snelheid, maak
geen bruuske stuurbewegingen en rem niet
plotseling hard af.
F Zet uw auto stil zodra de verkeerssituatie
dit toelaat.
De waarschuwing wordt weergegeven
zolang de desbetreffende band(en) niet
op spanning is (zijn) gebracht, is (zijn)
gerepareerd of is (zijn) vervangen.
Het reservewiel (noodreservewiel of
wiel met stalen velg) is niet voorzien
van een sensor.
Een lagere bandenspanning is niet altijd
zichtbaar aan een vervorming van de
band.
Beperk u daarom niet alleen tot een
visuele controle.
Storing
Als het verklikkerlampje "te lage
bandenspanning" knippert en vervolgens
permanent brandt in combinatie met het
verklikkerlampje "service", duidt dit op
een storing in het systeem.
Deze waarschuwing wordt ook
weergegeven als een of meerdere
wielen niet zijn voorzien van een sensor
(bijvoorbeeld een noodreservewiel of
een reservewiel met stalen velg).
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten
controleren of monteer na een lekke band het wiel
met de originele velg, dat is voorzien van een sensor.
In dat geval wordt de bandenspanning niet
meer gecontroleerd.
F Controleer de spanning van de vier
banden (bij koude banden) als u over een
compressor beschikt, bijvoorbeeld die van
de bandenreparatieset.
Rijd voorzichtig met lage snelheid verder
als u niet direct de bandenspanning kunt
controleren.
of
F Gebruik in geval van een lekke band
de noodreparatieset of het reservewiel
(volgens uitrusting).
Alle reparaties aan een wiel dat met dit systeem
is uitgerust en het vervangen van een band
moeten worden uitgevoerd door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Wanneer bij het verwisselen een wiel is
gemonteerd dat niet door uw auto wordt
gedetecteerd (voorbeeld: montage van
winterbanden), dient het systeem door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats opnieuw geïnitialiseerd te worden.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Stop & Start
Werking
Overgang naar de STOP-stand
Het verklikkerlampje "ECO" op het
instrumentenpaneel gaat branden
en de motor wordt automatisch in de
STOP-stand gezet:
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak, bij een snelheid lager
dan 20 km/h of bij stilstaande auto bij
de benzine-uitvoering THP 210 en de
dieseluitvoeringen BlueHDi 115 en 120, de
versnellingshendel in de neutraalstand zet
en het koppelingspedaal loslaat,
- als u, bij een automatische transmissie,
bij stilstaande auto het rempedaal intrapt of
de selectiehendel in de stand N zet.
Als uw auto is uitgerust met
een teller, wordt de duur van de
momenten dat de motor afgezet is,
opgeteld en weergegeven. Elke keer
als u het contact opnieuw aanzet met
de knop " START/STOP ", wordt deze
teller op 0 gezet.
Tank nooit als de motor door het Stop
& Start-systeem in de STOP-stand is
gezet. Zet in dat geval altijd het contact
af met de knop " START/STOP ".
Het systeem werkt de eerste
10 seconden na het inschakelen van de
achteruitversnelling niet.
Het Stop & Start-systeem heeft geen
invloed op de werking van andere
componenten van de auto zoals de
remmen en de stuurbekrachtiging.
Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestart
(START-stand) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil.
Het Stop & Start-systeem is perfect afgestemd op stadsgebruik en zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en
een aangename rust in het interieur tijdens het wachten.
119
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Bijzonderheden: STOP-stand niet
beschikbaar
De STOP-stand wordt niet geactiveerd als:
- de auto op een steile helling staat
(bergopwaarts of bergafwaarts),
- het bestuurderportier geopend is,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder
losgemaakt is,
- de auto sinds de laatste start met de knop
" START/STOP " niet sneller dan 10 km/h
heeft gereden,
- de elektrische parkeerrem wordt/is
aangetrokken,
- de klimaatregeling in het interieur dat niet
toelaat,
- de voorruitontwaseming is ingeschakeld,
- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, buitentemperatuur...).
In dit geval knippert het
verklikkerlampje "ECO" een paar
seconden, waarna het uitgaat.
Deze werking van het systeem is volkomen
normaal.
Overgang naar de START-stand
Het verklikkerlampje "ECO" gaat
uit en de motor wordt automatisch
gestart:
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak, het koppelingspedaal
volledig intrapt,
- bij een automatische transmissie:
● als u, met de selectiehendel in de stand
D of M, het rempedaal loslaat,
● of als u, met de selectiehendel in de
stand N en het rempedaal losgelaten, de
selectiehendel in de stand D of M zet,
● of als u de achteruitversnelling
inschakelt.
De START-stand wordt om veiligheids- of
comfortredenen automatisch geactiveerd als:
- het bestuurderportier wordt geopend,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder
wordt losgemaakt,
- de snelheid van de auto hoger is dan
25 km/h bij een handgeschakelde
versnellingsbak (3 km/h bij de
benzine-uitvoering THP 210 en de
dieseluitvoeringen BlueHDi 115 en 120) of
hoger is dan 3 km/h bij een automatische
transmissie,
- de elektrische parkeerrem wordt
aangetrokken,
- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, instelling
airconditioning...).
Bijzonderheden: automatisch
activeren van de START-stand
Het verklikkerlampje "ECO" knippert
een paar seconden en gaat dan uit.
Dat onder deze omstandigheden de START-
stand wordt geactiveerd, is volkomen
normaal.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Uitschakelen / weer
inschakelen
Met de toets van het touchscreenMet de toets op het dashboard
F Selecteer het menu "Rijden".
F Druk op de desbetreffende
pagina op deze toets.
Ter bevestiging van de uitschakeling gaat het
verklikkerlampje van de toets branden en wordt
er een melding weergegeven.
Als u nogmaals op de toets drukt, wordt de
functie weer ingeschakeld.
Het verklikkerlampje van de toets dooft en er
wordt een melding weergegeven.
F Druk op deze toets.
Ter bevestiging van de uitschakeling brandt het
verklikkerlampje van de toets en wordt er een
melding weergegeven.
Als u nogmaals op deze toets drukt, wordt de
functie weer ingeschakeld.
Het verklikkerlampje van de toets dooft en er
wordt een melding weergegeven.
Openen van de motorkap
Rijden op een overstroomde weg
Schakel het Stop & Start-systeem uit
wanneer u over een overstroomde weg
moet rijden.
Raadpleeg voor meer adviezen over
met name het rijden op overstroomde
wegen de desbetreffende rubriek.
In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld om het thermische
comfort in het interieur op peil te houden, kan het
nuttig zijn het Stop & Start-systeem uit te schakelen.
Het systeem kan bij aangezet contact op elk gewenst
moment worden uitgeschakeld.
Als het systeem in de STOP-stand wordt
uitgeschakeld, dan wordt de motor direct weer gestart.
Het Stop & Start-systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld als het contact wordt aangezet.
Schakel omwille van uw veiligheid het Stop &
Start-systeem altijd uit alvorens werkzaamheden
onder de motorkap uit te voeren om verwondingen
als gevolg van het automatisch inschakelen van
de START-stand te voorkomen.
121
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Storing
Als er in de STOP-stand een storing zou
optreden, kan het zijn dat de motor niet meer
wil aanslaan of direct afslaat.
Alle verklikkerlampjes gaan branden.
In dat geval moet u het contact uitzetten en
opnieuw starten door op de START/STOP
-knop te drukken.
Bij een storing in het systeem knippert het
verklikkerlampje van de toets "ECO OFF"
enige tijd en gaat het vervolgens permanent
branden.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Auto's met het Stop & Start-systeem
zijn voorzien van een speciale
12V-accu.
Laat werkzaamheden aan dit type accu
alleen door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
uitvoeren.
Raadpleeg voor meer informatie over
de 12V-accu de desbetreffende rubriek.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Lane Departure Warning System (LDWS)
Dit systeem signaleert, met behulp van een
camera die doorgetrokken of onderbroken
strepen herkent, het onvrijwillig overschrijden
van een rijstrookmarkering.
Om de actieve veiligheid te verhogen analyseert de
camera de beelden en activeert een waarschuwing,
wanneer de aandacht van de bestuurder verslapt
en de auto de markering overschrijdt (bij een
wagensnelheid hoger dan 80 km/h).
Dit systeem werkt optimaal op snelwegen en
autowegen.
Activering
F Druk, bij aangezet contact of bij
draaiende motor, op deze knop
om de functie te activeren; het
lampje gaat branden.
Het Lane Departure Warning System is
een hulpmiddel voor de bestuurder, die
desondanks waakzaam moet blijven.
Uitschakelen
U wordt gewaarschuwd door het trillen van de
zitting van de bestuurdersstoel:
- rechts: als de rechter rijstrookmarkering
wordt overschreden,
- links: als de linker rijstrookmarkering wordt
overschreden.
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld,
en ongeveer 20 seconden nadat deze
is uitgeschakeld, wordt er geen enkele
waarschuwing gegeven.
Signalering - waarschuwing
Storing
Er kunnen storingen in de signalering
optreden:
- als de rijstrookmarkeringen
weggesleten zijn,
- als er weinig contrast is tussen het
wegdek en de markeringen,
- als de voorruit vuil is,
- onder bepaalde extreme
weersomstandigheden: mist,
zware neerslag, sneeuw, sterke
zonnestraling of bij direct zonlicht
(zeer laagstaande zon, uitrijden van
een tunnel, ...) en schaduw.
F Druk opnieuw op de knop: het
lampje gaat uit.
In het geval van een storing knippert het lampje
van de knop.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
De status van het systeem blijft na het afzetten
van het contact in het geheugen opgeslagen.
Zorg ervoor dat u de verkeersregels
in acht neemt en iedere twee uur een
pauze neemt.
123
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Dodehoekbewaking
Deze rijhulp waarschuwt de bestuurder
wanneer zich een ander voertuig in de dode
hoek van zijn auto bevindt, dat een potentieel
gevaar betekent.
Het systeem dient als hulp voor de bestuurder maar kan nooit een vervanging zijn voor de
spiegels. De bestuurder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het op tijd waarnemen wat
er zich achter hem bevindt, het inschatten van de snelheid en afstand van achteropkomend
verkeer en de beslissing of hij al dan niet veilig van rijstrook kan wisselen.
Het systeem dient als een hulp voor de bestuurder en geeft alleen waarschuwingen.
Inschakelen
In de buitenspiegel aan de zijde waar zich dat
voertuig bevindt, brandt dan permanent een
lampje:
- direct, wanneer u wordt ingehaald,
- na circa een seconde, wanneer u te traag
een andere auto inhaalt.
F Druk op deze knop: het verklikkerlampje
gaat branden.
Sensoren in de voor- en achterbumper
controleren de dode hoek van de auto.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Indien een persoon, een fietser of een voertuig
zich in de dode hoek van het voertuig bevindt,
zal er een waarschuwingslampje gaan
branden in de linker- of rechterbuitenspiegel
(afhankelijk van de situatie) onder de volgende
voorwaarden:
Dit gebeurt als aan de volgende voorwaarden
is voldaan:
- alle voertuigen gaan dezelfde kant op,
- de snelheid van uw auto ligt tussen
12 km/h en 140 km/h,
- het snelheidsverschil met de auto die u aan
het inhalen bent, is kleiner dan 10 km/h,
- het snelheidsverschil met de auto waardoor
u wordt ingehaald, is kleiner dan 25 km/h,
- de verkeersstroom is vloeiend,
- de inhaalmanoeuvre duurt langer dan
normaal en het ingehaalde voertuig blijft
zich ophouden in de dode hoek,
- u rijdt in een rechte lijn of flauwe bocht,
- uw auto trekt geen aanhanger of caravan...
Er wordt geen waarschuwingssignaal
afgegeven in de volgende situaties:
- nabij stilstaande objecten (geparkeerde
auto's, veiligheidsrails, lantaarnpalen,
borden...),
- bij tegemoetkomende voertuigen,
- bij rijden over bochtige wegen of in zeer
scherpe bochten,
- bij het inhalen van of ingehaald worden
door een extreem lang voertuig
(vrachtauto, autobus...) die én in de dode
hoek achter wordt gedetecteerd én zich in
het gezichtsveld van de bestuurder bevindt,
- bij erg druk verkeer: de voertuigen die voor
en achter worden gedetecteerd worden
aangezien voor een vrachtwagen of een
stilstaand object,
- bij snelle inhaalmanoeuvres.
125
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
F Om deze functie uit te schakelen
drukt u nog een keer op de knop: het
verklikkerlampje gaat uit.
Bij het afzetten van het contact wordt de status
van het systeem opgeslagen.
Bij een storing in het systeem gaat het
verklikkerlampje in de schakelaar enkele
seconden knipperen; vervolgens gaat het uit.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Bij slechte weersomstandigheden
(zware regen, hagel enz.) kan het
systeem tijdelijk minder nauwkeurig
werken.
Vooral het rijden op een nat wegdek
of van een droog wegdek op een nat
wegdek terechtkomen kan tot een
vals alarm leiden (zo kan een wolk
waterdruppels in de dode hoek worden
aangezien voor een voertuig).
Let er bij slecht weer en in de winter
altijd op dat de sensoren niet met
modder, sneeuw of ijs bedekt zijn.
Plak geen stickers of andere zaken op
het gedeelte onder de buitenspiegels
waar de waarschuwingslampjes zitten,
omdat de de dodehoekbewaking dan
mogelijk niet goed werkt. Dit geldt ook
voor de detectiezones op de voor- en
achterbumper.
De dodehoekbewaking wordt
automatisch uitgeschakeld als u een
aanhanger trekt met een door het
CITROËN-netwerk gehomologeeerde
trekhaak.
Storingen
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Head-up display
Systeem dat bepaalde informatie op een
doorzichtig scherm projecteert, in het directe
gezichtsveld van de bestuurder, zodat deze zijn
ogen niet van de weg hoeft af te wenden.
Dit systeem werkt bij draaiende motor en de
instellingen worden opgeslagen bij het afzetten
van het contact.
1. Inschakelen/uitschakelen head-up display.
2. Hoogteverstelling weergave.
3. Regeling lichtsterkte.
Als de head-up display is ingeschakeld, geeft
deze de volgende informatie weer:
A. De snelheid van uw auto.
B. De informatie van de snelheidsregelaar/-
begrenzer.
C. De informatie van het navigatiesysteem
(volgens uitvoering).
Informatie op het head-up
display
Zie voor meer informatie over het
navigatiesysteem de rubriek "Audio en
datacommunicatie".
127
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
F Druk bij draaiende motor op de knop 1.
De head-up display blijft ingeschakeld/
uitgeschakeld als de motor na het afzetten
weer wordt gestart.
Het scherm wordt automatisch ongeveer
3 seconden na het uitzetten van de motor
ingeklapt, behalve in de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem.
Inschakelen / uitschakelen
F Stel bij draaiende motor de lichtsterkte van
de head-up display in met de knop 3:
- naar achteren om de lichtsterkte te
verhogen,
- naar voren om de lichtsterkte te
verlagen.
Regelen van de lichtsterkte
Het is raadzaam de knoppen uitsluitend
bij stilstaande auto te bedienen.
Leg nooit voorwerpen rondom het
projectiescherm (of op de afdekking)
zodat het uitklappen en de goede
werking van het scherm niet verhinderd
wordt.
Bij bepaalde weersomstandigheden
(regen en/of sneeuw, zeer zonnig, ...)
kan de informatie op het head-up display
tijdelijk minder goed leesbaar zijn.
Sommige zonnebrillen kunnen het lezen
van de informatie hinderen.
Gebruik een schone en zachte doek
(bijvoorbeeld een brillendoekje of
microfiber doekje) om het projectiescherm
te reinigen. Gebruik nooit een droge
doek, een schuurspons, schoonmaak- of
oplosmiddel om te voorkomen dat er
krassen ontstaan op het scherm of de anti-
reflecterende functie beschadigd raakt.
Hoogteverstelling
F Stel de head-up display bij draaiende
motor op de gewenste hoogte af met de
knop 2:
- naar achteren om de head-up display
hoger af te stellen,
- naar voren om de head-up display lager
af te stellen.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Snelheden opslaan
Activeren van de functie
Wijzigen van een
geprogrammeerde snelheid
Via uw Autoradio
Toets "MEM"
F Druk op deze toets om de lijst van
geprogrammeerde snelheden weer te
geven.
In dit systeem zijn meerdere snelheden reeds geprogrammeerd. Dit vergemakkelijkt het instellen van een snelheid bij het gebruik van de
snelheidsbegrenzer of de snelheidsregelaar.
In het geheugen zijn, afhankelijk van de uitvoering, vijf of zes snelheden geprogrammeerd. U kunt deze snelheden wijzigen.
Om veiligheidsredenen mogen de
geprogrammeerde snelheden alleen
worden gewijzigd als de auto stilstaat.
F Druk op de toets "MENU" om naar het
algemene menu te gaan.
F Selecteer het menu "Persoonlijke instelling -
configuratie" en bevestig uw keuze.
F Selecteer het menu "Parameters auto" en
bevestig uw keuze.
F Selecteer "Hulp bij het rijden" en bevestig
uw keuze.
F Selecteer "Geprogrammeerde snelheden"
en bevestig uw keuze.
F Selecteer "Activeren" om de functie te
activeren.
F Selecteer de te wijzigen geprogrammeerde
snelheid en bevestig uw keuze.
F Wijzig de snelheid en bevestig uw keuze.
F Selecteer "OK" en bevestig dit om de
wijzigingen op te slaan.
129
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Via het touchscreen
F Druk op deze toets om het menu
" Rijden " te selecteren.
F Druk op " Inst. snelheden ".
F Selecteer de functie waarvoor u nieuwe
snelheden wilt programmeren:
F Kies de snelheid die u wilt wijzigen.
F Voer de nieuwe waarde in met de
nummertoetsen en bevestig.
F Bevestig om de wijzigingen op te slaan en
sluit het menu af.
Toets "MEM"
Met deze toets kunt u een geprogrammeerde
snelheid selecteren die u wilt gebruiken voor de
snelheidsbegrenzer of de snelheidsregelaar.
Zie de desbetreffende rubriek.
Wijzigen van een
geprogrammeerde snelheid
snelheidsbegrenzer
of
snelheidsregelaar
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
6. Snelheidsbegrenzing ingeschakeld /
onderbroken.
7. Snelheidsbegrenzer geselecteerd.
8. Ingestelde snelheid.
9. Selectie van een geprogrammeerde
snelheid.
Weergave op het
instrumentenpaneel
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer is een
rijhulpsysteem; de bestuurder moet te
allen tijde de snelheidslimieten in acht
nemen en zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen.
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer.
2. Toets voor het verlagen van de ingestelde
snelheid.
3. Toets voor het verhogen van de ingestelde
snelheid.
4. Toets voor het inschakelen / onderbreken
van de snelheidsbegrenzing.
5. Toets voor het weergeven van de
geprogrammeerde snelheden.
Bediening op het stuurwiel
Deze informatie wordt tevens
weergegeven op het head-up display.
Zie voor meer informatie de rubriek
"Head-up display".
Dit systeem voorkomt dat de auto de door de bestuurder ingestelde snelheid overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer moet handmatig
worden ingeschakeld.
De ingestelde snelheid moet minimaal
30 km/h bedragen.
De ingestelde snelheid blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in
het geheugen.
131
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
F Draai de knop 1 in de stand "LIMIT": de
snelheidsbegrenzer is geselecteerd, maar
nog niet ingeschakeld (Pause).
F Als de ingestelde snelheid (laatste in het
systeem opgeslagen snelheid) de door u
gewenste snelheidslimiet is, druk dan op
de toets 4 om de snelheidsbegrenzer in te
schakelen.
Inschakelen Instellen van de
snelheidslimiet (ingestelde
snelheid)
F Druk nogmaals op de toets 4 om
de werking van de functie tijdelijk te
onderbreken (Pause).
Er kan een snelheid worden ingesteld zonder
de begrenzer in te schakelen.
Wijzigen van de ingestelde snelheidslimiet,
uitgaande van de actuele wagensnelheid:
F in stappen van +/- 1 km/h: druk meerdere
keren kort op de toets 2 of 3,
F continu, in stappen van +/- 5 km/h: houd de
toets 2 of 3 ingedrukt.
Wijzigen van de snelheidslimiet met behulp
van de geprogrammeerde snelheden via uw
Autoradio:
F activeer eerst de functie.
Raadpleeg voor meer informatie over
het programmeren van snelheden de
desbetreffende rubriek.
F houd de toets 2 of 3 ingedrukt, het systeem
geeft de geprogrammeerde snelheid
weer die het dichtste bij de actuele
wagensnelheid ligt; deze snelheid wordt de
nieuwe snelheidslimiet.
F druk nogmaals op de toets 2 of 3 om een
andere snelheid te selecteren.
Wijzigen van de snelheidslimiet met behulp
van de geprogrammeerde snelheden via het
touchscreen:
F druk op de toets 5 voor weergave van de
zes geprogrammeerde snelheden,
F druk op de toets van de door u gewenste
snelheid.
Deze snelheid wordt de nieuwe snelheidslimiet.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Tijdelijk overschrijden van
de ingestelde snelheid
Uitschakelen Storing
Het gebruik van matten die niet door
CITROËN zijn goedgekeurd, kan de werking
van de snelheidsbegrenzer hinderen.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- controleer of de mat goed op zijn
plaats ligt,
- gebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
F Als u de ingestelde snelheid tijdelijk wilt
overschrijden, trap dan het gaspedaal
stevig in, tot voorbij het zware punt.
De snelheidsbegrenzer wordt tijdelijk
uitgeschakeld en de weergegeven ingestelde
snelheid knippert.
F Draai de knop 1 in de stand "0": de
informatie over de snelheidsbegrenzer
wordt niet meer weergegeven.
Het knipperen van de streepjes wijst op een
storing in de snelheidsbegrenzer.
Bij een steile afdaling of bij snel
accelereren kan de snelheidsbegrenzer
niet voorkomen dat de ingestelde
snelheid wordt overschreden.
Als het overschrijden van de ingestelde
snelheid niet wordt veroorzaakt door het stevig
intrappen van het gaspedaal, klinkt bovendien
een geluidssignaal.
Zodra de wagensnelheid de ingestelde snelheid
weer heeft bereikt, wordt de snelheidsbegrenzer
ingeschakeld: de weergegeven ingestelde
snelheid knippert niet meer.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
133
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
De snelheidsregelaar is een
rijhulpsysteem; de bestuurder moet te
allen tijde de snelheidslimieten in acht
nemen en zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen.
Snelheidsregelaar
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar.
2. Toets voor het opslaan van de actuele
snelheid als de ingestelde snelheid of voor
het verlagen van de ingestelde snelheid.
3. Toets voor het opslaan van de actuele
snelheid als de ingestelde snelheid of voor
het verhogen van de ingestelde snelheid.
4. Toets voor het onderbreken / hervatten van
de snelheidsregeling.
5. Toets voor het weergeven van de
geprogrammeerde snelheden.
Bediening op het stuurwiel
6. Snelheidsregeling onderbroken / hervat.
7. Snelheidsregelaar geselecteerd.
8. Ingestelde snelheid.
9. Selectie van een geprogrammeerde
snelheid.
Weergave op het
instrumentenpaneel
De snelheidsregelaar moet handmatig
worden ingeschakeld.
De auto moet met een snelheid van
minimaal 40 km/h rijden en:
- bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak moet minimaal
de vierde versnelling zijn
ingeschakeld,
- bij auto's met een automatische
versnellingsbak moet de
selectiehendel in de stand D staan
of moet, in de handbediende stand,
minimaal de tweede versnelling zijn
ingeschakeld.
Deze informatie wordt tevens
weergegeven op het head-up display.
Zie voor meer informatie de rubriek
"Head-up display".
Met behulp van de snelheidsregelaar kan de bestuurder met een ingestelde constante snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist.
De werking van de snelheidsregelaar kan
tijdelijk worden onderbroken (Pause):
- door op de toets 4 te drukken of door het
rem- of koppelingspedaal in te trappen,
- automatisch, als de dynamische
stabiliteitscontrole in werking treedt.
Houd om veiligheidsredenen uw voeten
altijd in de buurt van de pedalen.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
F Draai de knop 1 in de stand "CRUISE": de
snelheidsregelaar is geselecteerd, maar
nog niet ingeschakeld (Pause).
F Druk, wanneer de gewenste snelheid
is bereikt, op de toets 2 of 3 om de
snelheidsregelaar te activeren en een
ingestelde snelheid op te slaan. De actuele
wagensnelheid wordt de ingestelde
snelheid.
U kunt het gaspedaal nu loslaten.
Inschakelen
F Druk op de toets 4 om de werking van de
functie tijdelijk te onderbreken (Pause).
F Druk nogmaals op de toets 4 om de
snelheidsregelaar weer in te schakelen
(ON).
Wijzigen van de ingestelde
snelheid
De snelheidsregelaar moet zijn ingeschakeld.
Stel om veiligheidsredenen een
snelheid in die niet al te veel afwijkt
van de actuele wagensnelheid. Zo
voorkomt u dat de auto onverwacht gaat
accelereren of vaart minderen.
Wijzigen van de actuele ingestelde snelheid:
F in stappen van +/- 1 km/h: druk meerdere
keren kort op de toets 2 of 3,
F continu, in stappen van +/- 5 km/h: houd de
toets 2 of 3 ingedrukt.
Let op: tijdens het ingedrukt houden van
de toets 2 of 3 kan de wagensnelheid
zeer snel veranderen.
De ingestelde snelheid wijzigen met behulp
van de geprogrammeerde snelheden via uw
Autoradio:
F schakel eerst de functie in.
Raadpleeg voor meer informatie over
het programmeren van de snelheden de
desbetreffende rubriek.
F houd de toets 2 of 3 ingedrukt, het systeem
geeft de geprogrammeerde snelheid
weer die het dichtste bij de actuele
wagensnelheid ligt; deze snelheid wordt de
nieuwe ingestelde snelheid.
F druk nogmaals op de toets 2 of 3 om een
andere snelheid te selecteren.
De ingestelde snelheid wijzigen met behulp
van de geprogrammeerde snelheden via het
touchscreen:
F druk op de toets 5 om de zes
geprogrammeerde snelheden weer te
geven,
F druk op de toets van de snelheid die u wilt
instellen.
Deze snelheid wordt nu de nieuwe ingestelde
snelheid.
135
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Gebruik de snelheidsregelaar
uitsluitend als u gedurende een zekere
tijd met een constante snelheid en met
een veilige afstand tot uw voorligger
kunt rijden.
Gebruik de snelheidsregelaar niet
in de stad, bij druk verkeer, op
bochtige of steile wegen, op gladde of
ondergelopen wegen of bij slecht zicht
(zware regenval, mist, sneeuw enz.).
De ingestelde snelheid kan in sommige
gevallen niet worden aangehouden of
zelfs niet worden bereikt: bij het trekken
van een aanhanger, als de auto zwaar
beladen is, op een steile helling enz.
Uitschakelen
Als u het rempedaal intrapt om de
wagensnelheid te beperken, wordt de werking
van de snelheidsregelaar automatisch
onderbroken.
Druk op de toets 4 om de functie weer in te
schakelen.
Tijdelijk overschrijden van
de ingestelde snelheid
F Draai de knop 1 in de stand "0": de
informatie over de snelheidsregelaar wordt
niet meer weergegeven.
Indien noodzakelijk (inhaalmanoeuvre enz.) kan
de ingestelde snelheid worden overschreden
door het gaspedaal in te trappen.
De snelheidsregelaar wordt tijdelijk
uitgeschakeld en de weergegeven ingestelde
snelheid knippert.
Als het gaspedaal wordt losgelaten, wordt de
ingestelde snelheid weer aangehouden.
Zodra de auto de ingestelde snelheid heeft
bereikt, schakelt de snelheidsregelaar in: de
weergegeven ingestelde snelheid knippert niet
meer.
Op een steile afdaling kan de
snelheidsregelaar niet voorkomen
dat de auto de ingestelde snelheid
overschrijdt.
Storing
Het knipperen van de streepjes wijst op een
storing in de snelheidsregelaar. Laat het
systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van matten die niet door
CITROËN zijn goedgekeurd kan de
werking van de snelheidsregelaar
hinderen.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- controleer of de mat goed op zijn
plaats ligt,
- leg nooit meerdere matten op
elkaar.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Deze functie signaleert met behulp van
sensoren in de bumper obstakels in de
nabijheid van de auto (personen, auto's,
bomen, slagbomen, enz.) die binnen het
detectiebereik vallen.
Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.)
die aanvankelijk wel worden gedetecteerd,
worden mogelijk niet meer gedetecteerd als ze
zich in de dode hoek van het detectiebereik van
de sensoren bevinden.
Parkeerhulp
Deze functie is een hulpsysteem: de
bestuurder dient altijd alert te blijven.
Parkeerhulp achter
Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbroken
geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van
obstakels. De frequentie van het geluidssignaal
neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert.
Aan de weergave van het geluidssignaal via de
luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan
welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt.
Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel
kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het
geluidssignaal ononderbroken.
Grasche weergave
De grafische weergave is een aanvulling op het
geluidssignaal. Op het scherm worden blokken
weergegeven die het pictogram van de auto
steeds dichter naderen.
Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is,
verschijnt het symbool "Gevaar" op het scherm.
De functie wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
Dit wordt bevestigd door een geluidssignaal.
Zodra de achteruitversnelling wordt
uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.
137
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Controleer bij slecht weer of in winterse
omstandigheden of de sensoren
soms bedekt zijn met modder, ijs
of sneeuw. Bij het inschakelen van
de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat
de sensoren vuil kunnen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).
Als er een storing optreedt, gaat bij het
inschakelen van de achteruitversnelling dit
verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
branden en/of wordt er een bericht op het
display weergegeven, in combinatie met een
geluidssignaal (korte pieptoon).
Storing
De parkeerhulp vóór is een aanvulling op
de parkeerhulp achter en wordt geactiveerd
zodra er bij een wagensnelheid van maximaal
10 km/h vóór de auto een obstakel wordt
gedetecteerd.
De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra
de auto langer dan drie seconden stilstaat met
een ingeschakelde versnelling vooruit, als er
geen obstakel meer wordt gedetecteerd of
wanneer de wagensnelheid hoger wordt dan
10 km/h.
Parkeerhulp vóór
De functie wordt automatisch
uitgeschakeld zodra een aanhanger
wordt aangekoppeld of een
fietsendrager wordt gemonteerd (auto's
voorzien van een door CITROËN
aanbevolen trekhaak of fietsendrager).
Uitschakelen/activeren van de
parkeerhulp vóór en achter
De functie kan worden uitgeschakeld door deze
knop in te drukken. Het controlelampje in de
knop gaat branden.
Door de knop opnieuw in te drukken wordt de
functie weer geactiveerd. Het controlelampje
dooft.
Aan de hand van het geluid dat via
de luidspreker (voor of achter) wordt
weergegeven, is te herkennen of het
obstakel zich voor of achter de auto bevindt.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
Achteruitrijcamera
De achteruitrijcamera wordt automatisch
geactiveerd wanneer de achteruitversnelling
wordt ingeschakeld.
De beelden van de camera worden
weergegeven op het touchscreen.
De achteruitrijcamera wordt bij bepaalde
uitvoeringen gecombineerd met de
parkeerhulp.
De blauwe strepen geven de rijrichting van de
auto weer.
De gebogen blauwe strepen geven de
maximale draaicirkel weer.
De groene strepen geven een afstand van
ongeveer 1 en 2 meter achter de achterbumper
van uw auto weer.
De rode streep geeft een afstand van ongeveer
30 cm achter de achterbumper van uw auto
weer.
Aan de hand van de weergegeven
strepen kan niet de plaats van de auto
ten opzichte van hoge voorwerpen
(zoals auto's in de nabijheid) worden
bepaald.
Een zekere vervorming van het beeld is
normaal.
Dit systeem is een hulpsysteem; de
bestuurder moet waakzaam blijven en
te allen tijde de controle over zijn auto
bewaren.
Wassen met een hogedrukspuit
Houd bij het wassen van de auto het
uiteinde van de spuit op een afstand
van ten minste 30 cm van de lens van
de camera.
Maak de lens van de camera regelmatig
schoon met een zachte doek.
139
Rijden
DS5_nl_Chap04_conduite_ed02-2015
005
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Lichtschakelaar
Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting en signalering van de auto selecteren en inschakelen.
Hoofdverlichting
Uw auto is voorzien van verschillende
verlichtingsfuncties:
- parkeerlicht: om gezien te worden,
- dimlicht: voor een optimaal zicht zonder
medeweggebruikers te verblinden,
- grootlicht: voor een optimaal zicht op
wegen zonder ander verkeer,
- meedraaiende koplampen: voor een
optimaal zicht in bochten.
Aanvullende verlichting
Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting
voor specifieke rijomstandigheden:
- mistachterlicht: voor een betere
zichtbaarheid van achteren bij mist,
- mistlampen vóór: voor extra zicht bij mist
en voor een optimale verlichting van
kruispunten en tijdens parkeermanoeuvres,
- dagrijverlichting: voor een betere
zichtbaarheid van uw auto overdag.
Instelbare functies
U kunt de volgende verlichtingsfuncties
activeren en deactiveren:
- follow me home-verlichting,
- aanvullende verlichting vóór,
- statische bochtverlichting,
- instapverlichting,
- automatische verlichting,
- "Automatische schakeling grootlicht/
dimlicht".
143
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Ring voor de selectie van de
stand van de hoofdverlichting
Lichten uit (afgezet contact) /
dagrijverlichting (draaiende motor).
Automatische verlichting.
Alleen parkeerlicht.
Dimlicht of grootlicht.
Grootlichtschakelaar
Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer
alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt
u een lichtsignaal geven door de hendel naar u
toe te trekken.
Verklikkerlampjes
Een verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel geeft aan dat de
geselecteerde verlichting is ingeschakeld.
Trek de hendel naar u toe om over te schakelen
van dim- naar grootlicht en terug.
Draai aan de ring om het symbool van de gewenste
stand tegenover het merkteken te zetten.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Ring voor de selectie van de mistverlichting
De mistverlichting werkt in combinatie met het dimlicht en het grootlicht.
Verdraai de ring:
F één stand naar voren om de mistlampen
vóór in te schakelen,
F twee standen naar voren om de
mistachterlichten in te schakelen,
F één stand naar achteren om de
mistachterlichten uit te schakelen,
F twee standen naar achteren om de
mistlampen vóór uit te schakelen.
Als de verlichting automatisch wordt uitgeschakeld
(uitvoeringen met automatische verlichting) of als
het dimlicht handmatig wordt uitgeschakeld, blijven
de mistverlichting en de parkeerlichten branden.
F Draai de ring naar achteren om de
mistverlichting uit te schakelen.
De parkeerlichten worden dan ook
uitgeschakeld.
Bij helder of regenachtig weer,
zowel overdag als 's nachts,
zijn de mistlampen vóór en de
mistachterlichten verblindend voor
medeweggebruikers en daarom niet
toegestaan.
U moet zelf inschatten wanneer u de
mistlampen moet inschakelen, omdat
mogelijk de lichtsterktesensor van
de automatische verlichting ondanks
eventueel aanwezige mist toch
voldoende licht kan constateren.
Vergeet niet de mistlampen uit te zetten
zodra ze niet meer nodig zijn.
Mistlampen vóór en
mistachterlichten
145
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Uitschakelen van de verlichting
bij afzetten van het contact
Als u het contact afzet, worden alle
lichten automatisch uitgeschakeld,
behalve als de automatische "follow me
home"-verlichting is geactiveerd.
Onder bepaalde weersomstandigheden
(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich
een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
vormen; dit verdwijnt enkele minuten na
het ontsteken van de koplampen.
Aanzetten van de verlichting
na afzetten van het contact
Om de verlichting weer aan te zetten,
draait u de ring A in de stand "0"- lichten
gedoofd, en kiest u vervolgens de door u
gewenste stand.
Als het bestuurdersportier wordt geopend,
klinkt er een geluidssignaal om aan te
geven dat de verlichting nog brandt.
De verlichting gaat vanzelf na enige tijd
uit; hoe lang dit duurt is afhankelijk van de
laadtoestand van de accu (overgang naar
eco-modus).
Verlichting overdag /
Parkeerlichten
(LED-verlichting)
De leds worden automatisch ingeschakeld als
de motor wordt gestart.
De verlichting doet dienst als:
- Verlichting overdag (lichtschakelaar in de
stand "0" of "AUTO" als er voldoende licht
in de omgeving is).
- Parkeerlicht (lichtschakelaar in de
stand "AUTO" als er weinig licht in
de omgeving is of in de stand "alleen
parkeerlicht" of "dim-/grootlicht").
Bij de verlichting overdag hebben de leds een
grotere lichtsterkte.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Met behulp van een lichtsterktesensor worden
de kentekenplaatverlichting, het parkeerlicht en
het dimlicht automatisch ingeschakeld als de
lichtsterkte van de omgeving onvoldoende is.
De verlichting kan ook, in geval van neerslag,
gelijktijdig met het automatisch inschakelen van
de ruitenwissers vóór worden ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als de
lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is
of nadat het wissen is gestopt.
Inschakelen
F Draai de ring in de stand "AUTO". Het
activeren van de functie wordt bevestigd
door een melding op het display.
Uitschakelen
F Draai de ring in een andere stand.
Het uitschakelen van de functie wordt
bevestigd door een melding op het display.
Als de functie automatische verlichting is
geactiveerd (lichtschakelaar in de stand
"AUTO"), blijft onder donkere omstandigheden
het dimlicht branden bij het afzetten van het
contact.
Storing
Bij een storing in de
lichtsterktesensor gaat de
verlichting branden, wordt dit
pictogram weergegeven op het
instrumentenpaneel en/of verschijnt
een melding op het display, in
combinatie met een geluidssignaal.
Bij mist of sneeuw kan de
lichtsterktesensor ten onrechte
voldoende licht waarnemen; de
verlichting wordt dan niet automatisch
ingeschakeld.
Dek de met de regensensor
gecombineerde lichtsterktesensor,
die zich in het midden van de voorruit
achter de binnenspiegel bevindt, niet af.
De aan de sensor gekoppelde functies
worden dan niet meer bediend.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Programmeren
Automatische follow me
home-verlichting
Het inschakelen of uitschakelen en
de tijdsduur van de follow me home-
verlichting zijn in te stellen via het
configuratiemenu van de auto.
Automatische verlichting
147
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Automatische schakeling grootlicht/dimlicht
Inschakelen
Dit systeem zorgt ervoor dat, afhankelijk van
de hoeveelheid licht in de omgeving en de
verkeerssituatie, automatisch wordt overgeschakeld
van grootlicht naar dimlicht en omgekeerd. Hiertoe
bevindt zich een camera op de binnenspiegel.
F Zet de ring van de
lichtschakelaar in de stand
"AUTO".
Het automatische omschakelsysteem
is een hulpsysteem bij het rijden. De
bestuurder blijft zelf verantwoordelijk
voor de verlichting van zijn auto, voor
de aanpassing van de verlichting aan
de lichtsterkte van de omgeving, het
zicht en het verkeer en voor het naleven
van de verkeersregels.
F
Geef een lichtsignaal
(beweeg de lichtschakelaar
tot voorbij het zware punt)
om de functie te activeren.
Op het
instrumentenpaneel
gaat dit verklikkerlampje
branden om het activeren
te bevestigen.
F Druk op de toets; het lampje van
de toets gaat branden.
Uitschakelen
F Druk op de toets; het lampje van
de toets gaat uit. De verlichting
schakelt over op de stand
"automatische verlichting".
Onderbreken
F Geef nogmaals een
lichtsignaal om de
functie tijdelijk uit te
schakelen. De verlichting
schakelt over op de
stand "automatische
verlichting".
F Geef nogmaals een
lichtsignaal om de functie
weer te activeren.
Het systeem wordt geactiveerd vanaf
25 km/h.
Als de snelheid lager dan 15 km/h
wordt, is de functie niet meer actief.
Werking
De bestuurder kan indien nodig op elk moment
zelf de verlichting omschakelen.
Als de functie is geactiveerd, werkt het systeem
als volgt:
- als er voldoende omgevingslicht is en/of
de verkeersomstandigheden het gebruik
van grootlicht niet toestaan, blijven de
dimlichten branden,
- als de omgeving erg donker is en de
verkeersomstandigheden het gebruik van
grootlicht toestaan, wordt automatisch
overgeschakeld op grootlicht.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Parkeerlichten
De zijkant van de auto wordt gemarkeerd door
het inschakelen van de parkeerlichten aan de
kant van het verkeer.
F Duw de lichtschakelaar binnen één
minuut na het afzetten van het contact
omhoog of omlaag om de parkeerlichten
aan de kant van het verkeer in te
schakelen (voorbeeld: rechts van de weg
parkeren: lichtschakelaar omlaag duwen;
parkeerlichten links gaan branden).
Het inschakelen wordt bevestigd door
een geluidssignaal en het branden van
het controlelampje van de desbetreffende
richtingaanwijzer op het instrumentenpaneel.
Zet om de parkeerlichten uit te schakelen de
lichtschakelaar in de middenstand of zet het
contact aan.
Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten
van het contact de dimlichten nog even blijven
branden om het uitstappen in het donker te
vergemakkelijken.
Handbediende follow me
home-verlichting
Inschakelen
F Geef binnen 1 minuut na het afzetten
van het contact een "lichtsignaal" met de
lichtschakelaar.
F Geef nogmaals een "lichtsignaal" om de
functie uit te schakelen.
Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto wordt de
handbediende follow me home-verlichting
na een bepaalde tijd (deze tijd kan worden
geprogrammeerd in het configuratiemenu)
automatisch uitgeschakeld.
Er kunnen storingen in de werking van
het systeem optreden:
- als het zicht slecht is (bijvoorbeeld
bij sneeuwval, zware regenval of
dichte mist, ...),
- als het gedeelte van de voorruit voor
de camera vuil, beslagen of bedekt
is (bijvoorbeeld met een sticker),
- als de verlichting van uw auto wordt
weerkaatst door spiegelende of
reflecterende panelen (bijvoorbeeld
verkeersborden).
Het systeem signaleert geen:
- weggebruikers die geen verlichting
voeren, zoals voetgangers,
- weggebruikers van wie de
verlichting wordt afgeschermd
(bijvoorbeeld door een vangrail op
de snelweg),
- weggebruikers die zich aan de top
of de voet van een steile helling,
in een bocht of op een zijweg
bevinden.
149
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Instapverlichting buitenzijde
Inschakelen
Uitschakelen
De instapverlichting buitenzijde gaat na een
bepaalde tijd automatisch uit of gaat uit na het
afzetten van het contact of het vergrendelen
van de auto.
F Druk op het geopende hangslot
van de afstandsbediening of op
de portierhandgreep met het
Keyless entry and start-systeem.
Verlichting
buitenspiegels
Inschakelen
De instapverlichting wordt ingeschakeld:
- bij het ontgrendelen,
- bij het afzetten van het contact,
- bij het openen van een portier,
- bij het lokaliseren van de auto via de
afstandsbediening.
Uitschakelen
De verlichting dooft na een bepaalde tijd
automatisch.
Om de toegang tot de auto te vergemakkelijken,
worden de volgende delen verlicht:
- het oppervlak naast het bestuurders- en
het passagiersportier,
- het oppervlak voor de buitenspiegels en
achter de voorportieren.
Het dimlicht en het parkeerlicht gaan branden
en uw auto wordt gelijktijdig ontgrendeld.
De instapverlichting wordt afhankelijk van de door de lichtsensor gesignaleerde hoeveelheid
licht geactiveerd om op donkere plaatsen het lokaliseren van de auto en het instappen te
vergemakkelijken.
De duur van het branden van de
instapverlichting is gekoppeld en gelijk
aan die van de automatische follow me
home verlichting.
Programmeren
De duur van het branden
van de instapverlichting kan
worden geselecteerd via het
configuratiemenu van de auto.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Halogeen koplampen
handmatig verstellen
Automatische
koplamphoogteverstelling
bij xenonlampen
Verstel de koplampen met halogeenlampen
afhankelijk van de belading van uw auto
om verblinding van medeweggebruikers te
voorkomen.
0. 1 of 2 personen op de voorstoelen.
-. Tussenstand.
1. 5 personen + maximaal toegestane
belading.
-. Tussenstand.
2. Bestuurder + maximaal toegestane
belading.
-. Tussenstand.
3. 5 personen + maximaal toegestane
belading in de koffer.
In het geval van een storing
verschijnt dit pictogram op het
instrumentenpaneel, in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Om verblinding van andere weggebruikers
te voorkomen corrigeert dit systeem bij
stilstaande auto automatisch de hoogte van de
lichtbundel van de xenonlampen, afhankelijk
van de belading van de auto.
Raak in het geval van een storing de
xenonlampen niet aan.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Het systeem zet in dat geval de koplampen in
de lage stand.
Koplampen in hoogte verstellen
Stand "0": basisinstelling.
151
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld,
volgen de lichtbundels van de meedraaiende
koplampen de richting van de weg.
Deze functie is alleen mogelijk in combinatie
met xenonlampen en zorgt voor een aanzienlijk
beter zicht in bochten.
Meedraaiende koplampen
met meedraaiende koplampen
zonder meedraaiende koplampen
Programmeren
Storing
U kunt deze functie
desgewenst uitschakelen via
het configuratiemenu op het
multifunctionele display.
Standaard is deze functie ingeschakeld.
Bij het afzetten van het contact
blijven de instellingen gehandhaafd.
Deze functie werkt niet:
- bij stilstand of zeer lage snelheden,
- als de achteruit is ingeschakeld.
In het geval van een storing knippert
dit pictogram op het display in
combinatie met een melding op het
multifunctionele display.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Statische bochtverlichting
Tijdens het rijden met dim- of grootlicht wordt de
mistlamp vóór ingeschakeld om de binnenkant
van de bocht extra te verlichten bij snelheden tot
40 km/h (handig in de stad, op bochtige wegen,
kruispunten, parkeergarages enz.).
met statische bochtverlichting
zonder statische bochtverlichting
Statische bochtverlichting
ingeschakeld
De bochtverlichting wordt in de volgende
gevallen ingeschakeld:
- bij het inschakelen van een
richtingaanwijzer,
of
- als het stuurwiel ver genoeg wordt verdraaid.
Statische bochtverlichting werkt
niet
De verlichting werkt in de volgende gevallen niet:
- bij een geringe stuuruitslag,
- bij snelheden boven 40 km/h,
- als de achteruit is ingeschakeld.
Programmeren
U kunt de statische bochtverlichting
desgewenst uitschakelen via het
configuratiemenu van de auto.
Standaard is de statische
bochtverlichting ingeschakeld.
153
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Ruitenwisserschakelaar
Instellen
Afhankelijk van de uitvoering zijn de volgende
automatische functies van de ruitenwissers
mogelijk:
- automatische werking van de
ruitenwissers vóór,
- automatisch inschakelen van de
ruitenwisser achter bij het inschakelen
van de achteruitversnelling.
Handmatige functies
De bestuurder schakelt de ruitenwissers
handmatig in.
De ruitenwissers voor en achter zorgen
voor een optimaal zicht voor de bestuurder,
ongeacht de weersomstandigheden.
Ruitenwissers vóór
Wissnelheid:
hoge snelheid (hevige neerslag),
normale snelheid (matige regenval),
interval (wissnelheid aangepast aan
de wagensnelheid),
uit,
automatisch (omlaag duwen en
loslaten),
één wisslag (de hendel even
naar u toe trekken).
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Ruitenwisser achter
Schakel de automatische werking van
de ruitenwisser achter uit bij sneeuwval
of strenge vorst en bij montage van een
fietsendrager op de achterklep. Dit kan
worden uitgevoerd via het configuratiemenu.
uit,
interval,
wissen en sproeien
(gedurende enige tijd).
Achteruitversnelling
Als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld
op het moment dat u de achteruitversnelling
inschakelt, wordt automatisch de ruitenwisser
achter ingeschakeld.
Deze functie kan worden geactiveerd
of gedeactiveerd via het
configuratiemenu.
Deze functie is standaard
geactiveerd.
Instellen
F Trek de ruitenwisserschakelaar naar u
toe. De ruitensproeiers treden in werking,
waarna enige tijd de ruitenwissers worden
ingeschakeld om de ruit schoon te wissen.
De koplampsproeiers worden alleen
geactiveerd als het dimlicht of het grootlicht
brandt en de auto rijdt.
Ruitensproeiers vóór en
koplampsproeiers
Ring voor de selectie van de ruitenwisser achter:
Om het verbruik van koplampsproeiervloeistof
te beperken werken de koplampsproeiers
tijdens één en hetzelfde traject slechts elke
zevende keer dat de ruitensproeiers worden
gebruikt of elke 40 km.
155
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Automatische ruitenwissers
ór
De ruitenwissers worden automatisch
ingeschakeld als de sensor achter de
binnenspiegel regen detecteert. De snelheid
van de ruitenwissers wordt aangepast aan de
hoeveelheid neerslag.
Inschakelen
Duw de hendel één keer omlaag.
De ruitenwissers maken één slag om
het inschakelen te bevestigen.
Duw de hendel nog een keer omlaag
of zet de hendel in een andere stand
(Int., 1 of 2).
Uitschakelen
Elke keer als het contact meer
dan 1 minuut is afgezet, moet u
de automatische werking van de
ruitenwissers opnieuw activeren door
de hendel één keer omlaag te duwen.
Dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
gaat uit en er verschijnt een melding.
Dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
gaat branden en er verschijnt een melding.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Dek de regensensor, die zich
gecombineerd met de lichtsensor in
het midden van de voorruit achter de
binnenspiegel bevindt, niet af.
Schakel de automatische werking van
de ruitenwissers uit als de auto wordt
gewassen in een wasstraat.
Wacht 's winters met het inschakelen
van de automatische ruitenwissers tot
de voorruit ontdooid is.
Storing
In het geval van een storing in de automatische
werking van de ruitenwissers werken deze in de
intervalstand.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Speciale stand van de
ruitenwissers voor
Deze stand maakt het mogelijk de
ruitenwissers los te zetten van de voorruit.
In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen
worden gereinigd of de ruitenwissers worden
vervangen. In de winter kan deze stand tevens
worden gebruikt om de ruitenwissers los te
zetten van de voorruit.
Om een goede werking van de
ruitenwissers te behouden adviseren wij u:
- voorzichtig met de ruitenwissers
om te gaan,
- de ruitenwissers regelmatig te
reinigen met zeepsop,
- de ruitenwissers niet te gebruiken
om een stuk karton tegen de
voorruit te houden,
- de ruitenwissers te vervangen
zodra ze tekenen van slijtage
vertonen.
F Als de ruitenwisserschakelaar binnen een
minuut nadat het contact is afgezet wordt
bediend, worden de ruitenwissers in de
verticale stand gezet.
F Zet het contact aan en bedien de
ruitenwisserschakelaar om de
ruitenwissers na de werkzaamheden weer
in de ruststand te zetten.
157
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
1. Plafonnier vóór - achter
2. Kaartleeslampjes vóór
3. Kaartleeslampjes achter
4. Sfeerverlichting
Plafonniers
In deze stand gaat de
interieurverlichting geleidelijk branden:
Plafonnier vóór - achter
Zorg ervoor dat er geen voorwerpen in
contact zijn met de plafonniers.
In de stand "interieurverlichting permanent
ingeschakeld", blijft de interieurverlichting
afhankelijk van de omstandigheden
gedurende een bepaalde tijd branden:
-
bij afgezet contact: ongeveer
10 minuten,
-
in de eco-mode: ongeveer 30 seconden,
-
bij draaiende motor: onbeperkt.
- als de auto wordt ontgrendeld,
- als de elektronische sleutel uit de lezer
wordt verwijderd,
- als een portier wordt geopend,
- als op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening wordt gedrukt om de
auto te lokaliseren.
De interieurverlichting gaat geleidelijk uit:
- als de auto wordt vergrendeld,
- als het contact wordt aangezet,
- 30 seconden na het sluiten van het laatste
portier.
Permanent uit.
Permanent aan.
Kaartleeslampjes vóór -
achter
F Druk bij aangezet contact op de
desbetreffende schakelaar.
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
Sfeerverlichting
De gedempte interieurverlichting verbetert het zicht in de auto als deze zich in een donkere
omgeving bevindt.
Als het buiten donker is, gaat de
sfeerverlichting automatisch branden als de
parkeerlichten worden ingeschakeld (zo wordt
de middenconsole bijvoorbeeld verlicht door
een lichtbundel waarvan de lichtbron in de
dakconsole is ondergebracht).
De sfeerverlichting gaat automatisch uit als de
parkeerlichten worden uitgeschakeld.
Verlichting ingeschakeld: u kunt kiezen uit
7 standen voor de lichtsterkte.
De lichtsterkte wordt elke keer dat op de knop
wordt gedrukt trapsgewijs verhoogd en keert
weer terug naar de laagste stand nadat de
hoogste stand is bereikt.
Houd de knop ingedrukt om direct de maximale
lichtsterkte te verkrijgen.
Met deze knop regelt u de lichtsterkte
van de plafonnier, de verlichting van de
binnenportiergrepen en de verlichting van de
portiervakken (volgens uitvoering).
Verlichting
beenruimte
Inschakelen
De werking is gelijk aan die van de plafonniers.
De lampen gaan branden zodra één van de
portieren wordt geopend.
De gedempte verlichting van de beenruimte
verbetert het zicht in de auto als deze zich in
een donkere omgeving bevindt.
Inschakelen Instellen van de lichtsterkte
van de plafonnier
Programmeren
De functie kan worden in-
en uitgeschakeld via het
configuratiemenu van de auto.
159
Zicht
DS5_nl_Chap05_visibilite_ed02-2015
006
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Algemene informatie met betrekking tot kinderzitjes
Volg voor een optimale veiligheid de volgende
adviezen op:
- conform de Europese wetgeving dienen
kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner
dan 1,50 m in gehomologeerde, aan
het lichaamsgewicht aangepaste
kinderzitjes op met veiligheidsgordels of
ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen
te worden vervoerd*,
- de veiligste plaats voor het vervoeren
van een kind is volgens de statistieken
een plaats op de achterbank van uw
auto,
- kinderen tot 9 kg moeten zowel voor-
als achterin met de rug in de rijrichting
worden vervoerd.
CITROËN beveelt u aan kinderen op
de buitenste achterzitplaatsen van
uw auto te vervoeren:
- met de rug in de rijrichting tot 3 jaar,
- met het gezicht in de rijrichting
vanaf 3 jaar.
Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan
veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.
* De regelgeving met betrekking tot het vervoer
van kinderen zijn per land verschillend.
Raadpleeg de in uw land geldende regels.
163
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Kinderzitje op de passagiersstoel voor*
"Met de rug in de rijrichting"
"Met het gezicht in de rijrichting"
Let erop dat de veiligheidsgordel goed
aansgespannen is.
Zorg er bij kinderzitjes met een steun
voor dat de steun goed contact maakt
met de vloer. Verstel de passagiersstoel
als dit niet het geval is.
Passagiersstoel in de hoogste stand en zo
ver mogelijk naar achteren.
Wanneer een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de passagiersstoel voor wordt
geplaatst, moet de stoel zo ver mogelijk naar
achteren worden geschoven, en in de hoogste
stand en met de rugleuning rechtop worden
gezet.
De frontairbag aan passagierszijde moet
zijn uitgeschakeld. Gebeurt dit niet, dan
kan het kind bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken.
Wanneer een kinderzitje met het gezicht in
de rijrichting op de passagiersstoel voor
wordt geplaatst, moet de stoel zo ver mogelijk
naar achteren worden geschoven, en in de
hoogste stand en met de rugleuning rechtop
worden gezet en mag de frontairbag aan
passagierszijde niet worden uitgeschakeld.
* Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens
u een kinderzitje op deze zitplaats bevestigt.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Uitschakelen van de airbag vóór aan passagierszijde
Raadpleeg de rubriek "Airbags" voor
meer informatie over het uitschakelen
van de airbag vóór aan passagierszijde.
Airbag aan passagierszijde OFF
Plaats nooit een kind in een kinderzitje
"met de rug in de rijrichting" op de
voorpassagiersstoel als de airbag vóór
aan passagierszijde is ingeschakeld. Het
kind kan in dat geval bij een aanrijding
ernstig en zelfs dodelijk gewond raken.
Dit voorschrift wordt tevens vermeld op de
waarschuwingssticker aan beide zijden van de
zonneklep aan passagierszijde. Conform de
wettelijke voorschriften vindt u op de volgende
tabellen deze waarschuwing in alle benodigde
talen.
AR
BG
НИКОГА НЕ инсталирайте детско столче на седалка с АКТИВИРАНА предна ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА. Това може да причини
СМЪРТ или СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на детето.
CS
NIKDY neumisťujte dětské zádržné zařízení orientované směrem dozadu na sedadlo chráné AKTIVOVANÝM čelním AIRBAGEM. Hrozí
nebezpí SMRTI DÍTĚTE nebo VÁŽNÉHO ZRANÍ.
DA
Brug ALDRIG en bagudvendt barnestol på et sæde, der er beskyttet af en AKTIV AIRBAG. BARNET risikerer at blive ALVORLIGT
KVÆSTET eller DRÆBT.
DE
Montieren Sie auf einem Sitz mit AKTIVIERTEM Front-Airbag NIEMALS einen Kindersitz oder eine Babyschale entgegen der Fahrtrichtung,
das Kind könnte schwere oder sogar tödliche Verletzungen erleiden.
EL
Μη χρησιμοποιείτε ΠΟΤΕ παιδικό κάθισμα με την πλάτη του προς το εμπρός μέρος του αυτοκινήτου, σε μια θέση που προστατεύεται από
ΜΕΤΩΠΙΚΟ αερόσακο που είναι ΕΝΕΡΓΟΣ. Αυτό μπορεί να έχει σαν συνέπεια το ΘΑΝΑΤΟ ή το ΣΟΒΑΡΟ ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ του ΠΑΙΔΙΟΥ
EN
NEVER use a rearward facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it, DEATH or SERIOUS INJURY to the
CHILD can occur
ES
NO INSTALAR NUNCA un sistema de retención para niños de espaldas al sentido de la marcha en un asiento protegido mediante un
AIRBAG frontal ACTIVADO, ya que podría causar lesiones GRAVES o incluso la MUERTE del niño.
ET
Ärge MITTE KUNAGI paigaldage "seljaga sõidusuunas" lapseistet juhi kõrvalistmele, mille ESITURVAPADI on AKTIVEERITUD. Turvapadja
avanemine võib last TÕSISELT või ELUOHTLIKULT vigastada.
FI
ÄLÄ KOSKAAN aseta lapsen turvaistuinta selkä ajosuuntaan istuimelle, jonka edessä suojana on käyttöön aktivoitu TURVATYYNY. Sen
laukeaminen voi aiheuttaa LAPSEN KUOLEMAN tai VAKAVAN LOUKKAANTUMISEN.
FR
NE JAMAIS installer de système de retenue pour enfants faisant face vers larrre sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLABLE
frontal ACTIVÉ.
Cela peut provoquer la MORT de l’ENFANT ou le BLESSER GRAVEMENT
HR
NIKADA ne postavljati dječju sjedalicu leđima u smjeru vožnje na sjedalo ztićeno UKLJENIM prednjim ZRNIM JASTUKOM. To bi
moglo uzrokovati SMRT ili TEŠKU OZLJEDU djeteta.
HU
SOHA ne használjon menetinynak háttal beszerelt gyermekülést AKTIVÁLT (BEKAPCSOLT) FRONTLÉGZSÁKKAL védett ülésen. Ez a
gyermek HALÁLÁT vagy SÚLYOS SÉRÜLÉSÉT okozhatja.
IT
NON installare MAI seggiolini per bambini posizionati in senso contrario a quello di marcia su un sedile protetto da un AIRBAG frontale
ATTIVATO. Ciò potrebbe provocare la MORTE o FERITE GRAVI al bambino.
LT
NIEKADA neįrenkite vaiko prilaikymo priemos su atgal atgręžtu vaiku ant sėdynės, kuri saugoma VEIKIANČIOS priekis ORO
PAGALVĖS. Išsiskleidus oro pagalvei vaikas gali būti MIRTINAI arba SUNKIAI TRAUMUOTAS.
165
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
LV
NEKAD NEuzstādiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēdeklīti priekšējā pasiera sēdvietā, kurā ir AKTIVIZĒTS priekšējais DROŠĪBAS GAISA
SPILVENS.
Tas var izraisīt BĒRNA NĀVI vai radīt NOPIETNUS IEVAINOJUMUS.
MT
Qatt m’ghandek thalli tifel/tifla marbut fsiggu dahru lejn l-Airbag attiva, ghaliex tista’ tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/tifla
NL
Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD. Bij het afgaan van de
airbag kan het KIND LEVENSGEVAARLIJK GEWOND RAKEN
NO
Installer ALDRI et barnesete med ryggen mot kjøreretningen i et sete som er beskyttet med en frontal AKTIVERT KOLLISJONSPUTE,
BARNET risikerer å bli DREPT eller HARDT SKADET.
PL
NIGDY nie instalować fotelika dziecięcego w pozycji "tyłem do kierunku jazdy" na siedzeniu wyposonym w CZOŁOWĄ PODUSZKĘ
POWIETRZNĄ w stanie AKTYWNYM. Może to doprowadzić do ŚMIERCI DZIECKA lub spowodować u niego POWAŻNE OBRAŻENIA
CIAŁA.
PT
NUNCA instale um sistema de reteão para crianças de costas para a estrada num banco protegido por um AIRBAG frontal ACTIVADO.
Esta instalação poderá provocar FERIMENTOS GRAVES ou a MORTE da CRIANÇA.
RO
Nu instalati NICIODATA un sistem de retinere pentru copii, dispus cu spatele in directia de mers, pe un loc din vehicul protejat cu AIRBAG
frontal ACTIVAT. Aceasta ar putea provoca MOARTEA COPILULUI sau RANIREA lui GRAVA.
RU
ВО ВСЕХ СЛУЧАЯХ ЗАПРЕЩАЕТСЯ использовать обращенное назад детское удерживающее устройство на сиденье,
защищенном ФУНКЦИОНИРУЮЩЕЙ ПОДУШКОЙ БЕЗОПАСНОСТИ, установленной перед этим сиденьем.
Это может привести к ГИБЕЛИ РЕБЕНКА или НАНЕСЕНИЮ ЕМУ СЕРЬЕЗНЫХ ТЕЛЕСНЫХ ПОВРЕЖДЕНИЙ
SK
NIKDY neinštalujte detské zádržné zariadenie orientované smerom dozadu na sedadlo chránené AKTIVOVANÝM čelným AIRBAGOM.
Mohlo by dôjsť k SMRTEĽNÉMU alebo VÁŽNEMU PORANENIU DIEŤAŤA.
SL
NIKOLI ne nameščajte otroškega sedeža s hrbtom v smeri vožnje, če je VARNOSTNA BLAZINA pred sprednjim sopotnikovim sedežem
AKTIVIRANA. Takšna namestitev lahko povzroči SMRT OTROKA ali HUDE POŠKODBE.
SR
NIKADA ne koristite dečje sedište koje se okreće unazad na sedištu ztićenim AKTIVNIM VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred njega, jer
mogu nastupiti SMRT ili OZBILJNA POVREDA DETETA.
SV
Passagerarkrockkudden fram MÅSTE vara avaktiverad om en bakåtvänd bilbarnstol installeras på denna plats. Annars riskerar barnet att
DAS eller SKADAS ALLVARLIGT.
TR
KESİNLKLE HAVA YASTIĞI AKF olan ön koltuğa yüzü arkaya dönük bir çocuk koltuğu yerltirmeyiniz. Bu ÇOCUĞUN ÖLMESİNE veya
ÇOK AĞIR YARALANMASINA sebep olabilir.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
167
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Kinderzitje achterin
"Rug in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar
voren en zet de rugleuning van de voorstoel
rechtop, zodat het kinderzitje de voorstoel niet
raakt.
"Gezicht in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met het gezicht
in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel
naar voren en zet de rugleuning van de
voorstoel rechtop, zodat de benen van het kind
de voorstoel niet raken.
Middelste zitplaats achter
Controleer of de veiligheidsgordel goed
is aangetrokken.
Controleer bij kinderzitjes met een
steun of deze steun stabiel op de vloer
staat. Verzet indien nodig de voorstoel
van de auto.
Een kinderzitje met steun mag nooit op de
middelste zitplaats achter worden bevestigd.
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is
de bescherming van het kind bij een
aanrijding niet meer gewaarborgd.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
L1
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L4
"KLIPPAN Optima"
Vanaf 22 kg (vanaf ongeveer 6 jaar): gebruik alleen de zitverhoging.
L5
"RÖMER KIDFIX"
Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd.
Het kind wordt beschermd door de veiligheidsgordel.
Door CITROËN aanbevolen kinderzitjes
CITROËN levert een reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepunts
veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
169
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Bevestiging kinderzitjes met de veiligheidsgordel
Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een
universeel gehomologeerd kinderzitje (a), gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto:
Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie
Plaats
Minder dan 13 kg
(Categorie 0 (b) en 0+)
Tot ongeveer 1 jaar
Van 9 tot 18 kg
(Categorie 1)
Van 1 tot ongeveer 3 jaar
Van 15 tot 25 kg
(Categorie 2)
Van 3 tot ongeveer 6 jaar
Van 22 tot 36 kg
(Categorie 3)
Van 6 tot ongeveer 10 jaar
Passagiersstoel vóór (c) met
hoogteverstelling
U (R) U (R) U (R) U (R)
Buitenste zitplaatsen
achter (d)
U U U U
Middelste zitplaats achter X X X X
(a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto's bevestigd kan worden met behulp van de
veiligheidsgordel.
(b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. Reiswiegen en autobedjes mogen niet op de
passagiersplaats voor worden vervoerd.
Als deze op de 2e zitrij worden bevestigd, is het mogelijk dat andere zitplaatsen niet gebruikt
kunnen worden.
(c) Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen.
(d) Schuif wanneer u een kinderzitje achterin plaatst "met de rug in de rijrichting" of "met het gezicht
in de rijrichting" de voorstoel naar voren en zet de rugleuning rechtop, zodat er voldoende
ruimte is voor het het kinderzitje en de benen van het kind.
U: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een
veiligheidsgordel, zowel met de "rug in de rijrichting" als met het "gezicht in de rijrichting".
U (R): als U, waarbij de passagiersstoel in de hoogste stand en zo ver mogelijk naar achteren moet staan.
X: zitplaats die niet geschikt is voor een kinderzitje voor de aangegeven gewichtscategorie.
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje met
een rugleuning te bevestigen op een
passagiersstoel. Plaats de hoofdsteun
terug zodra het kinderzitje is verwijderd.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIX-normen.
De hieronder aangegeven zitplaatsen zijn uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen:
ISOFIX-bevestigingen
- twee bevestigingsringen A, die zich tussen
de rugleuning en de zitting van de zitplaats
bevinden, aangegeven met een merkteken,
De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige,
degelijke en snelle montage van het kinderzitje in uw auto.
De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten
die eenvoudig aan de twee bevestigingsringen A kunnen
worden verankerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van
een bovenste bevestigingsriem die kan worden
vastgemaakt aan de bevestigingsring B.
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is
de bescherming van het kind bij een
aanrijding niet meer gewaarborgd.
Volg nauwkeurig de
montagevoorschriften in de handleiding
die bij het kinderzitje is geleverd.
-
één bevestigingsring B onder een afdekkapje boven
aan de achterzijde van de rugleuning, TOP TETHER
genoemd, voor de bevestiging van de bovenste riem.
De plaats hiervan wordt aangegeven met een merkteken.
Kinderzitje vastmaken aan de TOP TETHER:
- verwijder de hoofdsteun en berg deze op
alvorens het kinderzitje op deze plaats te
bevestigen (vergeet niet de hoofdsteun
weer aan te brengen nadat u het kinderzitje
weer hebt verwijderd),
- trek het afdekkapje van de TOP TETHER
los,
- haal de riem van het kinderzitje naar de
achterzijde van de rugleuning van de stoel
en zorg dat deze precies tussen de gaten
voor de hoofdsteunpennen ligt,
- maak de haak van de bovenste riem vast
aan de ring B,
- trek de bovenste riem strak.
Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:
Aan de top tether, die aan de achterzijde van de
rugleuning is gemonteerd, kan de bovenste riem
van een kinderzitje (indien aanwezig) worden
vastgemaakt. Dit systeem beperkt het naar voren
kantelen van het kinderzitje bij een frontale aanrijding.
Raadpleeg het schema voor meer
informatie over de mogelijkheden van
het plaatsen van ISOFIX-kinderzitjes in
uw auto.
171
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Door CITROËN aanbevolen ISOFIX-kinderzitjes
Het CITROËN-netwerk levert een gamma ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes, die zijn voorzien van een onderdeelnummer, zijn goedgekeurd voor gebruik in uw auto.
Raadpleeg ook de montagehandleiding van de fabrikant van het kinderzitje voor meer informatie over het plaatsen en verwijderen van het zitje.
"Baby P2C Mini" met ISOFIX-basis
(lengtecategorie: C, D, E)
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
Dit zitje dient te worden geplaatst met de rug in de rijrichting met behulp van een ISOFIX-basis,
die wordt bevestigd aan de ringen A.
De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust.
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd met een veiligheidsgordel.
In dat geval wordt het zitje zonder basis gebruikt.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
"RÖMER Duo Plus ISOFIX"
(gewichtsgroep B1)
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Dit wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst.
Wordt bevestigd aan de ogen A en, met behulp van de bovenste riem, aan het oog B, genaamd TOP TETHER.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats
van de auto te bevestigen.
"Baby P2C Midi" met ISOFIX -basis
(gewichtsgroepen: D, C, A, B, B1)
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Dit kinderzitje wordt met de rug in de rijrichting geplaatst met behulp van een ISOFIX-basis die
aan de ogen A wordt bevestigd.
De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust.
Dit kinderzitje kan ook met het gezicht in de rijrichting worden geplaatst.
Dit kinderzitje kan niet met een veiligheidsgordel worden vastgezet.
Wij adviseren u het zitje met de rug in de rijrichting te plaatsen voor kinderen tot en met 3 jaar oud.
173
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Overzicht bevestiging ISOFIX-kinderzitjes
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de
auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter
(A t/m G).
Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot ca.
6 maanden
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot 13 kg
(categorie 0+)
Tot ca. 1 jaar
Van 9 tot 18 kg (categorie 1)
Van ca. 1 tot ca. 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg* "rug in de rijrichting"
"rug in de rijrichting"
"gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1
Passagiersstoel voor X
Buitenste zitplaatsen achter IL-SU** IL-SU IL-SU
IUF
IL-SU
Middelste zitplaats achter X
* Reiswiegen en babyautostoeltjes kunnen niet op de passagiersstoel vóór worden geplaatst.
** De ISOFIX reiswieg die aan de onderste ringen van een ISOFIX-plaats wordt bevestigd, neemt de totale ruimte van de achterbank in beslag.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
IUF: zitplaats geschikt voor de bevestiging van
een universeel gehomologeerd ISOFIX-
kinderzitje met het gezicht in de rijrichting
en een bovenste riem aan de bovenste
ring van de ISOFIX-plaatsen.
IL-SU: zitplaats geschikt voor de
bevestiging van een semi-universeel
gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje:
- rug in de rijrichting voorzien van een
bovenste riem of een steun,
- gezicht in de rijrichting voorzien van een
steun,
- reiswieg voorzien van een bovenste riem of
een steun.
Raadpleeg de rubriek "Isofix-bevestigingen"
voor meer informatie over de bevestiging van
de bovenste riem.
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje met
een rugleuning te bevestigen op een
passagiersstoel. Plaats de hoofdsteun
terug zodra het kinderzitje is verwijderd.
X: zitplaats niet geschikt voor de bevestiging
van een kinderzitje of een reiswieg uit de
aangegeven gewichtsklasse.
175
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
De onjuiste bevestiging van een kinderzitje
brengt de veiligheid van het kind in gevaar bij
een aanrijding.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het
tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten,
worden vastgemaakt waarbij de speling ten
opzichte van het lichaam van het kind zoveel
mogelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het
kinderzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen het
kinderzitje is gespannen en dat de gordel het
kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif
de passagiersstoel, wanneer deze versteld
kan worden, indien nodig naar voren.
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
- het kinderzitje "met de rug in de
rijrichting",
- de voeten van het kind in het kinderzitje
"met het gezicht in de rijrichting".
Schuif daartoe de voorstoel naar voren
en zet de rugleuning ervan, indien nodig,
rechter op.
Adviezen
Zorg er voor een optimale bevestiging
van het kinderzitje "met het gezicht in de
rijrichting" voor dat de rugleuning van het
zitje zo dicht mogelijk tegen de rugleuning
van de stoel van de auto aan zit of er zelfs
tegenaan drukt.
Verwijder de hoofdsteun alvorens een
kinderzitje met een rugleuning te plaatsen op
een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de auto
vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kinderzitje is
verwijderd.
Kinderen voorin
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen op de passagiersstoel
vóór is per land verschillend. Raadpleeg de
in uw land geldende regelgeving.
Schakel de airbag vóór aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorpassagiersstoel wordt
geplaatst.
Het kind kan anders bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht achter in
een auto,
- nooit een kind of een dier in een auto
achter wanneer alle ruiten gesloten zijn
en de auto in de zon staat,
- de sleutels nooit binnen bereik van de
kinderen achter in de auto.
Gebruik de kindersloten om te voorkomen
dat de portieren en de portierruiten achter
per ongeluk geopend worden.
Zorg er voor dat de portierruiten achter niet
verder dan voor 1/3 deel geopend worden.
Plaats zonneschermen om uw jonge
kinderen tegen de zon te beschermen.
Plaatsen van een stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de
veiligheidsgordel moet over de schouder van
het kind liggen zonder de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de
bovenbenen van het kind ligt.
CITROËN beveelt aan een stoelverhoger
met rugleuning te gebruiken voorzien
van een gordelgeleider ter hoogte van de
schouder.
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
Elektrische kinderbeveiliging
De elektrische kinderbeveiliging voorkomt dat beide achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend en blokkeert de bediening van de achterportierruiten.
Inschakelen Uitschakelen
Als het lampje een ander signaal geeft,
wijst dit op een storing in de elektrische
kinderbeveiliging.
Laat het systeem controleren door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Dit systeem werkt onafhankelijk van de
centrale vergrendeling; gebruik het nooit in
plaats daarvan.
Controleer bij het aanzetten van het contact
altijd de stand van de kinderbeveiliging.
Neem vóór het verlaten van de auto altijd
de sleutel uit het contact, zelfs voor korte
periodes.
Bij een ernstige aanrijding wordt de
elektrische kinderbeveiliging automatisch
uitgeschakeld, zodat de achterpassagiers
de auto ongehinderd kunnen verlaten.
F Druk bij ingeschakeld contact op
deze knop.
F Druk nogmaals bij ingeschakeld
contact op deze knop.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
branden in combinatie met een melding die het
inschakelen bevestigt.
Het lampje blijft branden zolang de elektrische
kinderbeveiliging is ingeschakeld.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
uit in combinatie met een melding die het
uitschakelen bevestigt.
Het lampje blijft uit zolang de elektrische
kinderbeveiliging is uitgeschakeld.
Het blijft mogelijk de portieren van
buitenaf te openen en de elektrisch
bedienbare achterste zijruiten te
bedienen vanaf de bestuurdersstoel.
177
Veilig vervoeren van kinderen
DS5_nl_Chap06_securite-enfants_ed02-2015
007
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
Richtingaanwijzers
F Links: duw de hendel helemaal omlaag.
F Rechts: duw de hendel helemaal omhoog.
Drie keer knipperen
Beweeg de hendel iets omhoog of omlaag,
zonder het zware punt te passeren; de
desbetreffende richtingaanwijzers knipperen
vervolgens drie keer.
Wanneer de richtingaanwijzers na
meer dan 20 seconden nog niet zijn
uitgeschakeld, wordt bij een snelheid
van meer dan 60 km/h automatisch het
knippergeluid versterkt.
Alarmknipperlichten
Druk de knop in, de richtingaanwijzers
knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het
contact is afgezet.
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Bij een noodstop - afhankelijk van de mate van
remvertraging, als het ABS ingrijpt, maar ook als
er een aanrijding wordt gesignaleerd, worden de
alarmknipperlichten automatisch ingeschakeld.
Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de
alarmknipperlichten uit.
F U kunt de alarmknipperlichten echter ook
uitschakelen door de knop in te drukken.
Deze functie kunt u bij elke snelheid
gebruiken, maar komt vooral van pas bij
het wisselen van rijstrook op wegen met
meerdere rijstroken per rijbaan.
Bij uitvoeringen met richtingaanwijzers met
LED-verlichting, wordt het branden van de
LED-verlichting afgewisseld.
De sterkte van de dagrijverlichting wordt minder
tijdens het knipperen van de richtingaanwijzers.
181
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
ClaxonNoodoproep of
Pechhulp
Hiermee kunt u een noodoproep of hulpoproep
verzenden naar de hulpdiensten of de speciale
helpdesk (deze dienst wordt uitgevoerd door de
Assistance-helpdesk van CITROËN).
Systeem om uw medeweggebruikers met een
geluidssignaal te waarschuwen voor direct
gevaar.
F Druk op het middelste gedeelte van het
stuurwiel met bedieningstoetsen.
Maak geen overmatig gebruik van de
claxon en houd u bij het gebruik aan de
ter plaatse geldende wetten en regels.
Raadpleeg de rubriek "Audio en
datacommunicatie" voor meer
informatie over het gebruik van deze
voorziening.
Elektronisch stabiliteitsprogramma dat de
volgende systemen omvat:
- het antiblokkeersysteem (ABS) en de
elektronische remdrukregelaar (EBD),
- de noodremassistentie (AFU),
- de antislipregeling (ASR),
- de dynamische stabiliteitscontrole (ESP).
Elektronisch stabiliteitsprogramma
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen
voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid
van uw auto en voor een betere controle in
bochten, vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen
in het geval van een noodstop.
De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (AFU)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen
de optimale remdruk sneller wordt bereikt,
zodat de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor
dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Antislipregeling (ASR)
Dit systeem past de aandrijfkracht aan om
het doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. De ASR zorgt ook voor meer
koersstabiliteit bij het accelereren.
Dynamische stabiliteitscontrole
(ESP)
Dit systeem houdt de vier wielen in de gaten
en grijpt, als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting,
automatisch in via de remmen van een of
meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.
183
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
Intelligente Tractiecontrole Werking
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(REF)
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het
niet los.
Zorg er bij vervanging van de wielen
(banden en velgen) voor dat wielen
worden gemonteerd die voor uw auto
zijn gehomologeerd.
De normale werking van het
antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn
door het trillen van het rempedaal.
Als dit lampje gaat branden in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
op het display, duidt dit op een storing in
het ABS-systeem, waardoor u tijdens het
remmen de controle over uw auto zou
kunnen verliezen.
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met het lampje STOP, een
geluidssignaal en een melding op het
display, duidt dit op een storing in de
elektronische remdrukregelaar waardoor
u tijdens het remmen de controle over
uw auto zou kunnen verliezen.
Onder gladde omstandigheden is het
raadzaam te rijden op winterbanden.
Afhankelijk van de uitvoering is uw auto uitgerust
met een systeem dat zorgt voor extra tractie op
besneeuwde wegen: intelligente tractiecontrole.
Deze functie signaleert situaties met weinig grip,
zoals wegrijden en voortbewegen van de auto
in verse en diepe sneeuw of over platgereden
sneeuw.
In dergelijke omstandigheden regelt de intelligente
tractiecontrole het doorslippen van de voorwielen
om voor een optimale grip te zorgen. Zo wordt de
aandrijving en de bestuurbaarheid verbeterd.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische stabiliteitscontrole
(ESP) en antispinregeling (ASR)
Inschakelen
Deze systemen worden automatisch ingeschakeld
zodra de motor wordt gestart.
Zodra deze systemen signaleren dat de wielen te
weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting, grijpen ze in
op de werking van de motor en het remsysteem.
In dat geval gaat dit verklikkerlampje
op het instrumentenpaneel
knipperen.
Uitschakelen
Storing
Als dit verklikkerlampje en het lampje
van de uitschakelknop gaan branden
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding, duidt dit op een
storing in het systeem.
Opnieuw inschakelen
F Druk op deze knop.
Het lampje van de knop gaat
branden.
De systemen ESP en ASR grijpen niet meer in
op de werking van de motor en het remsysteem
als de auto uit de koers raakt.
F Druk nogmaals op deze knop.
Het lampje van de knop gaat uit.
Schakel deze systemen weer in zodra er weer
voldoende grip is.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...)
kan het nuttig zijn de systemen ESP en ASR uit
te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen
en weer grip kunnen krijgen.
Deze systemen worden automatisch weer
ingeschakeld als het contact opnieuw wordt
aangezet of vanaf snelheden boven 50 km/h.
Bij snelheden tot 50 km/h kunt u de systemen
handmatig weer inschakelen:
185
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
ESP/ASR
Laat het systeem na een aanrijding
controleren door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats.
De systemen ESP en ASR zorgen voor
meer veiligheid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich echter nooit laten
verleiden tot het nemen van meer risico's of
te hard rijden.
In situaties die tot gladheid kunnen leiden
(regen, sneeuw, ijzel) wordt de kans dat
de wielen hun grip verliezen groter. Het
is voor uw veiligheid dus van het grootste
belang dat de systemen ESP en ASR
altijd ingeschakeld zijn, zeker als de
omstandigheden gevaarlijker worden.
De goede werking van deze systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de fabrikant met
betrekking tot de wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen alsmede de
montageprocedure en het uitvoeren van
werkzaamheden door het CITROËN-
netwerk.
Voor een doeltreffende werking van de
systemen ESP en ASR onder winterse
omstandigheden is het noodzakelijk de
auto te voorzien van winterbanden voor en
achter die ervoor zorgen dat de wegligging
zo neutraal mogelijk is.
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels vóór Veiligheidsgordels achter
De achterzitplaatsen zijn voorzien van een
driepuntsveiligheidsgordel met oprolautomaat
en spankrachtbegrenzer (met uitzondering van
de middelste zitplaats achter).
Omdoen
F Trek aan de gordel en steek de gesp in de
gordelsluiting.
F Controleer of de gordel goed is vastgemaakt
door even aan de riem te trekken.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de
gordelsluiting.
F Houd de gordel vast terwijl deze zich oprolt.
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van
een pyrotechnische gordelspanner en een
spankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra bescherming van
de bestuurder en passagier bij frontale en zijdelingse
aanrijdingen. Bij een krachtige aanrijding zorgen
de pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de
veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen van de
inzittenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief zodra
het contact wordt aangezet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee
de gordel tegen het lichaam van de inzittenden
getrokken wordt en bevordert daarmee de veiligheid.
187
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
Hoogteverstelling vóór
F Knijp, om het bevestigingspunt te vinden,
de knop in en schuif deze in één van de
standen.
Als de wagensnelheid hoger is
dan 20 km/h, knippert (knipperen)
het pictogram (de pictogrammen)
gedurende twee minuten in combinatie
met een geluidssignaal. Na deze 2 minuten blijft
(blijven) het pictogram (de pictogrammen) branden
zolang de bestuurder of passagier(s) zijn gordel
(hun gordels) niet heeft (hebben) vastgemaakt.
Pictogram(men) veiligheidsgordel(s)
losgemaakt/niet vastgemaakt*
1. Pictogram veiligheidsgordels voor en/of
achter losgemaakt/niet vastgemaakt, op
het instrumentenpaneel.
2. Pictogram veiligheidsgordel linksvoor.
3. Pictogram veiligheidsgordel rechtsvoor.
4. Pictogram veiligheidsgordel rechtsachter.
5. Pictogram veiligheidsgordel middenachter.
6. Pictogram veiligheidsgordel linksachter.
Pictogram(men) veiligheidsgordel(s) vóór
Bij het aanzetten van het contact
gaat het pictogram 1 op het
instrumentenpaneel en de
pictogrammen 2 en/of 3 op het
pictogrammendisplay van de veiligheidsgordels
en passagiersairbag rood branden als de
desbetreffende veiligheidsgordel niet is
vastgemaakt of weer is losgemaakt.
Pictogram(men)
veiligheidsgordel(s) achter
Bij het aanzetten van het
contact gaan de desbetreffende
pictogrammen 4, 5 en 6 gedurende
ongeveer 30 seconden rood branden
als de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt.
Bij een snelheid hoger dan ongeveer 20 km/h
brandt het desbetreffende pictogram 4, 5 of
6 rood, in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel, als een achterpassagier
zijn veiligheidsgordel heeft losgemaakt.
* Volgens uitvoering en/of verkoopland.
Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder
te controleren of alle passagiers hun
veiligheidsgordel goed hebben omgedaan
en vastgemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het
rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al
betreft het een korte rit.
Draai de gespen van de veiligheidsgordels
niet om; de gordels zijn dan niet voldoende
effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een
oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte
van de gordel automatisch wordt aangepast
aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De
gordel wordt automatisch opgerold als deze
niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van
de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het
bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het holle
gedeelte van de schouder worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien van
een automatische blokkeerinrichting die
in werking treedt bij een aanrijding, een
noodstop of het over de kop slaan van
de auto. U kunt de blokkeerinrichting
deblokkeren door stevig aan de riem te
trekken en deze weer los te laten, zodat de
riem weer een stukje wordt opgerold.
Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan
1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer dan
één persoon gedragen worden.
Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens
het rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over kinderzitjes.
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam te
worden gedragen,
- moet deze in een vloeiende beweging
naar voren worden getrokken, zonder
dat de gordel gedraaid raakt,
- mag deze door niet meer dan één
persoon worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of rafels
vertonen,
- mag er om te voorkomen dat de gordel niet
goed werkt, niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften
moeten werkzaamheden en controles aan de
veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats, die tevens voor de garantie
zorgt en de werkzaamheden volgens de
voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw auto
regelmatig controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,
vooral als de gordels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop
of een reinigingsmiddel voor textiel,
verkrijgbaar bij het CITROËN-netwerk.
Controleer na het neerklappen of verstellen
van een stoel of de achterbank of de gordel
zich op de juiste plaats bevindt en goed is
opgerold.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van
de aard en de kracht van de aanrijding,
vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan.
Het activeren van de gordelspanners gaat
gepaard met wat onschadelijke rook en een
knal, als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het systeem is
geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van
de airbag branden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren en eventueel vervangen door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Adviezen
189
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
Airbags
Algemeen
De airbags zijn speciaal ontworpen om de veiligheid
van de inzittenden (uitgezonderd de middelste
passagier achter) bij ernstige aanrijdingen te
verbeteren. De airbags vormen een aanvulling op de
werking van de veiligheidsgordels met spanbegrenzers
(behalve bij de middelste passagier achter).
De elektronische schoksensoren registreren de frontale
en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones
voor een aanrijding worden blootgesteld:
- bij een ernstige aanrijding gaan de airbags
onmiddellijk af om de inzittenden van de auto
(uitgezonderd de middelste passagier achter)
te helpen beschermen. Direct na de aanrijding
ontsnapt het gas snel uit de airbags, zodat het
zicht niet wordt belemmerd en de inzittenden
de auto eventueel kunnen verlaten,
- bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding
van achteren en in bepaalde gevallen waarbij de
auto over de kop slaat, treden de airbags niet in
werking. De veiligheidsgordels helpen u in deze
situaties voldoende te beschermen.
De airbags werken alleen als het
contact aan is.
Het activeren van (een van) de airbags
gaat gepaard met wat rook en een
knal, als gevolg van de activering van
de pyrotechnische lading die in het
systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan
voor personen die hier gevoelig voor
zijn, irriterend zijn.
De knal die bij het afgaan wordt
geproduceerd, kan het gehoor
gedurende een korte periode enigszins
verminderen.
Registratiezones voor een
aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Frontairbags
Activering
De airbags worden opgeblazen, met
uitzondering van de airbag aan passagierszijde
als deze is uitgeschakeld, bij een ernstige
frontale aanrijding binnen (een gedeelte van)
de impactzone vóór (A), in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde richting
de achterzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De frontairbag wordt opgeblazen tussen de
bestuurder en het stuur of tussen de passagier
voorin en het dashboard om te verhinderen dat
deze naar voren wordt geslingerd.
De frontairbags beschermen de bestuurder
en voorpassagier bij een ernstige frontale
aanrijding, om de kans op hoofd- en borstletsel
te verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd in
het stuurwiel en de passagiersairbag in het
dashboard boven het dashboardkastje.
De airbags werken slechts eenmaal.
Als er een tweede aanrijding plaatsvindt
(tijdens hetzelfde of een volgend
ongeval), worden de airbags niet meer
opgeblazen.
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde kan
worden uitgeschakeld:
F steek de sleutel in de schakelaar
voor uitschakelen van de airbag aan
passagierszijde,
F draai deze in de stand "OFF",
F verwijder de sleutel zonder de stand van
de schakelaar te veranderen.
Afhankelijk van de uitvoering van uw
auto brandt dit waarschuwingslampje
hetzij op het instrumentenpaneel,
hetzij op het display voor de
waarschuwingslampjes van de
autogordels en de airbag aan
passagierszijde, bij aangezet contact en
zolang de airbag is uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind
de airbag aan passagierszijde altijd uit
als u een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorstoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan
van de airbag levensgevaarlijk gewond
raken.
Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan
met afgezet contact de schakelaar weer op
"ON" om de airbag opnieuw in te schakelen
en zo de veiligheid van uw passagier te
garanderen.
Als het contact is aangezet en
de airbag aan passagierszijde
opnieuw wordt ingeschakeld, gaat dit
waarschuwingslampje op het display
van de waarschuwingslampjes van
de autogordels en de airbag aan
passagierszijde gedurende ongeveer
1 minuut branden.
Storing
Als dit lampje op het
instrumentenpaneel gaat branden in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display
van het instrumentenpaneel, laat
het systeem dan controleren door
het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats. De
kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden
geactiveerd.
191
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
Zijairbags
Activering
De zijairbags worden aan de desbetreffende
zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone opzij (B), loodrecht op de lengteas
van de auto en vanaf de buitenzijde richting de
binnenzijde van de auto.
De zijairbag wordt opgeblazen tussen de
inzittende voorin en het desbetreffende
portierpaneel.
De zijairbags beschermen de bestuurder en
de voorpassagier bij een ernstige zijdelingse
aanrijding om de kans op letsel te verkleinen.
De zijairbags zijn aangebracht in het frame van
de rugleuning, aan de portierzijde.
Detectiezones voor een
aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Windowairbags
De windowairbags beschermen de bestuurder
en passagiers (uitgezonderd de middelste
passagier achter) bij een ernstige zijdelingse
aanrijding, om de kans op letsel aan de zijkant
van het hoofd te verkleinen.
De windowairbags zijn aangebracht in de stijlen
en in de hemelbekleding.
Bij een lichte zijdelingse aanrijding of
bij over de kop slaan kan het zijn dat de
airbag niet wordt geactiveerd.
Bij een aanrijding van achteren of
een frontale aanrijding worden de
zij-airbags en windowairbags niet
geactiveerd.
Activering
De windowairbag wordt gelijktijdig met
de zijairbag aan de desbetreffende zijde
opgeblazen bij een ernstige zijdelingse
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone opzij (B), waarbij de krachten
loodrecht op de lengterichting van de auto en
vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van
de auto worden uitgeoefend.
De windowairbag wordt opgeblazen tussen de
inzittenden vóór en achter en de ruiten.
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display van het instrumentenpaneel,
raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats om het
systeem te laten controleren. De kans
bestaat dat de airbags bij een ernstige
aanrijding niet worden geactiveerd.
Storing
Maak er een gewoonte van om normaal
rechtop in de voorstoelen te zitten.
Draag altijd een correct afgestelde
veiligheidsgordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...) en bevestig niets in
de buurt van de airbags of in het gebied waar
de airbags afgaan. Dit kan de inzittende bij
het afgaan van de airbag verwonden.
Verander niets aan de oorspronkelijke
uitvoering van uw auto, voer met name geen
wijzigingen door aan de onderdelen in de
directe nabijheid van de airbags.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw
auto de airbagsystemen controleren.
Werkzaamheden aan airbagsystemen
mogen uitsluitend door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats worden uitgevoerd.
Zelfs als alle bovenstaande voorschriften
worden nageleefd, blijft de kans bestaan op
letsel of lichte brandwonden aan het hoofd,
de borst of de armen als de airbag wordt
geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer
snel opgeblazen (binnen enkele milliseconden)
en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij
de warme gassen via de daarvoor bestemde
openingen naar buiten stromen.
Zijairbags
Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor
goedgekeurde stoelhoezen, die in
combinatie met actieve zijairbags gebruikt
kunnen worden. Voor informatie over de
stoelhoezen die geschikt zijn voor uw auto
kunt u zich wenden tot het CITROËN-
netwerk.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de accessoires.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de
stoelen (kleding...): dit zou bij het afgaan van
de airbags kunnen leiden tot verwondingen
aan armen of borstkas.
Ga niet onnodig dicht tegen het
portierpaneel zitten.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken
vast en laat uw handen niet op het
stuurwielkussen rusten.
De voorpassagier mag zijn voeten niet op
het dashboard laten rusten.
Rook niet in de auto. Als de airbag afgaat,
kunnen brandende sigaretten of een pijp
brandwonden of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen
gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet
op.
Bevestig geen voorwerpen of stickers op
het stuurwiel of op het dashboard. Deze
kunnen bij het afgaan van de airbags letsel
veroorzaken.
Adviezen
Window-airbags
Bevestig nooit iets op de hemelbekleding;
dit zou bij het afgaan van de window-airbags
kunnen leiden tot hoofdletsel.
Demonteer nooit de handgrepen van het dak
(indien aanwezig); deze maken deel uit van
de bevestiging van de window-airbags.
Houd u aan de onderstaande veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:
193
Veiligheid
DS5_nl_Chap07_securite_ed02-2015
008
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Deze set bevindt zich in de opbergbak onder de
vloerplaat van de bagageruimte.
Deze set bestaat uit een compressor en een
flacon met afdichtmiddel.
Hiermee kunt u de band tijdelijk repareren.
U kunt vervolgens naar de dichtstbijzijnde
garage rijden.
Met deze reparatieset kunnen de meeste lekke
banden worden gerepareerd, als het lek zich in
het loopvlak of de hiel van de band bevindt.
Met de compressor kunt u de bandenspanning
controleren en aanpassen.
Bandenreparatieset
Toegang tot de set
Overzicht gereedschap*
Al het gereedschap is specifiek bestemd voor
uw auto. Van welk gereedschap uw auto is
voorzien, is afhankelijk van de uitvoering van
de auto.
Gebruik het gereedschap niet voor andere
doeleinden.
1. 12V-compressor.
De compressor bevat een afdichtingsproduct
voor het tijdelijk repareren van een band.
Bovendien kan hiermee de bandenspanning
worden aangepast.
2. Wielblok.
Voor het blokkeren van de wielen, zodat de
auto niet weg kan rollen.
3. Gereedschap voor het verwijderen van
beschermdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen
de beschermdoppen van de wielbouten
worden verwijderd.
4. Wieldopsleutel.
Voor het verwijderen van de wieldoppen
van lichtmetalen velgen.
5. Afneembaar sleepoog.
* Volgens verkoopland.
Zie voor meer informatie over het slepen de
desbetreffende rubriek.
197
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
A. Schakelaar stand "Reparatie" of "Op
spanning brengen".
B. Aan/uit schakelaar "I/O".
C. Knop voor leeg laten lopen.
D. Manometer (bar en psi).
E. Opbergvak met:
- kabel + adapter voor 12V-aansluiting,
- diverse opblaasnippels voor accessoires
als ballonnen, fietsbanden, ...
Beschrijving van de set
F. Flacon met afdichtmiddel.
G. Witte slang met dop voor de reparatie.
H. Zwarte slang voor het op spanning
brengen.
I. Sticker met snelheidslimiet.
De sticker met snelheidslimiet I moet
op het stuurwiel worden geplakt om u
te herinneren aan het feit dat de band
tijdelijk is gerepareerd.
Rijd na het repareren met behulp van
de bandenreparatieset niet sneller dan
80 km/h.
Op deze sticker staat de bandenspanning
aangegeven.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Reparatiemethode
F Zet het contact af.
F Rol de witte slang G volledig uit.
F Draai de dop van de witte slang los.
F Sluit de witte slang aan op het ventiel van
de lekke band.
F Sluit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting in de auto.
F Start de motor en laat deze draaien.
Let op: dit product is schadelijk
(ethyleenglycol, colofonium...) bij
inname en irriterend voor de ogen.
Houd het middel buiten het bereik van
kinderen.
Verwijder het voorwerp dat de lekkage
heeft veroorzaakt niet uit de band.
1. Afdichting van het lek
F Zet de schakelaar A in de stand
"Reparatie".
F Controleer of de schakelaar B in
de stand "O" staat.
De elektrische installatie van de auto
biedt de mogelijkheid een compressor
aan te sluiten en te gebruiken voor de
duur die nodig is om een gerepareerde
lekke band op spanning te brengen of om
een klein opblaasartikel op te blazen.
199
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Schakel de compressor niet in voordat
de witte slang is aangesloten op het
ventiel van de band: het afdichtmiddel
wordt anders buiten de band gespoten.
F Activeer de compressor door de
schakelaar B in de stand "I" te zetten, tot
de bandenspanning 2,0 bar bedraagt.
Het afdichtmiddel wordt onder druk in
de band gespoten; neem gedurende
deze handeling de slang niet los van de
aansluiting (kans op spatten).
F Verwijder de set en draai de dop van de
witte slang vast.
Zorg ervoor dat restanten van de vloeistof
niet op of in de auto terecht kunnen komen.
Houd de set binnen handbereik.
F Maak direct een rit van ongeveer vijf
kilometer met matige snelheid (tussen
20 en 60 km/h), zodat het afdichtmiddel het
lek kan dichten.
F Zet de auto stil en controleer de reparatie
en de bandenspanning met de set.
Controlesysteem bandenspanning
Als uw auto is uitgerust met een controlesysteem
voor de bandenspanning, zal het
verklikkerlampje voor te lage bandenspanning
na het repareren van een wiel blijven branden tot
u het systeem laat resetten door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Als na vijf tot zeven minuten de
gewenste bandenspanning niet is
bereikt, is de band niet te repareren met
de bandenreparatieset; neem contact
op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om u verder
te helpen.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
F Zet de schakelaar A in de stand
"Bandenspanning".
F Rol de zwarte slang H volledig
uit.
F Sluit de zwarte slang aan op het ventiel van
de gerepareerde band.
F Sluit de stekker van de compressor weer
aan op de 12V-aansluiting in de auto.
F Start de motor opnieuw en laat de motor
draaien.
F Breng de band met behulp van de
compressor op de voorgeschreven
spanning (spanning verhogen:
schakelaar B in stand "I"; spanning
verlagen: schakelaar B in stand "O"
en knop C indrukken), zoals vermeld
op de bandenspanningssticker in de
portieropening aan bestuurderszijde.
Als de bandenspanning sterk daalt, is
het lek niet goed gedicht; neem contact
op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om u verder te
helpen.
F Verwijder de set en berg deze op.
F Rijd niet harder dan 80 km/h en niet verder
dan 200 km.
Ga zo snel mogelijk naar een
servicepunt van het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Vergeet niet de technicus te vertellen
dat u de set hebt gebruikt. Na nadere
inspectie kan de technicus u vertellen
of de band gerepareerd kan worden of
moet worden vervangen.
2. Op spanning brengen
201
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Uitnemen van de flacon
F Berg de zwarte slang op.
F Neem het gebogen aansluitstuk van de
witte slang los.
F Houd de compressor rechtop.
F Draai de flacon aan de onderzijde los.
Let op dat er geen afdichtmiddel uit de
flacon stroomt.
De uiterste gebruiksdatum staat op de
patroon vermeld.
De patroon met afdichtmiddel kan
slechts één keer gebruikt worden en
moet daarna worden vervangen, ook
als hij niet leeg is.
Werp de patroon na gebruik niet weg,
maar lever deze in bij het CITROËN-
netwerk of een officieel inzamelpunt.
Vergeet niet om bij het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats een nieuwe patroon met
afdichtmiddel te kopen.
Controle / aanpassen
bandenspanning
U kunt de compressor, zonder inspuiting van
het afdichtmiddel, ook gebruiken om:
- uw bandenspanning te controleren of uw
banden op spanning te brengen,
- andere opblaasbare voorwerpen op te
pompen (ballen, fietsbanden...).
F Draai de schakelaar A in de
stand "Op spanning brengen".
F Rol de zwarte slang H volledig
uit.
F Sluit de zwarte slang aan op het ventiel van
de band of van de accessoire.
Breng indien nodig eerst een van de
meegeleverde verloopstukken aan.
F Sluit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting van de auto.
F Start de auto en laat de motor draaien.
F Breng de band op spanning met behulp
van de compressor (op spanning brengen:
schakelaar B in stand "I"; leeg laten lopen:
schakelaar B in stand "O" en druk op de
knop C), zoals staat aangegeven op de
bandenspanningssticker van de auto of het
opblaasbare voorwerp.
F Verwijder de set en berg deze op.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Wiel verwisselen
De krik is opgeborgen in een doos die is
bevestigd aan het reservewiel.
Het reservewiel is samen met deze doos
met een lier aan de onderzijde van de auto
bevestigd.
Zie de rubriek "Toegang tot het reservewiel".
Openen van de doos met gereedschap:
F druk op de lip, schuif het deksel half open
en verwijder het vervolgens.
Toegang tot het gereedschap
In het geval van een lekke band kunt u het wiel met het bij de auto geleverde gereedschap verwisselen volgens de onderstaande procedure.
Het overige gereedschap bevindt zich
in een opbergbak onder de vloer van de
bagageruimte.
De krik mag uitsluitend worden gebruikt
voor het verwisselen van een wiel met
een beschadigde band.
Gebruik niet een andere krik dan de
door de fabrikant geleverde krik.
Als de auto niet is voorzien van de
originele krik, neem dan contact op met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats, om de door de fabrikant
voorgeschreven krik aan te schaffen.
De krik is onderhoudsvrij.
203
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Beschikbaar gereedschap*
Toegang tot het reservewiel
Het reservewiel wordt met een lier tegen de
bodem van de bagageruimte vastgeklemd.
Bandenspanningscontrolesysteem
Het reservewiel is niet voorzien van een
bandenspanningssensor. Laat het repareren van
de lekke band uitvoeren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
1. Wielsleutel.
Hiermee kan de wieldop worden verwijderd
en kunnen de wielbouten worden losgedraaid.
2. Krik met geïntegreerde slinger.
Hiermee kan de auto worden opgekrikt.
3. Gereedschap voor het verwijderen van
beschermdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen
de beschermdoppen van de wielbouten
worden verwijderd.
4. Gereedschap voor het verwijderen van
wieldoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen de
wieldoppen worden verwijderd.
5. Dop voor het verwijderen van slotbouten
(in het dashboardkastje).
Hiermee kunnen met behulp van de
wielsleutel de speciale slotbouten worden
verwijderd.
6. Wielblok.
Hiermee kan het wegrollen van de auto
worden voorkomen.
7. Verlengstuk van de wielsleutel.
Hiermee kunt u de moer van de lierkabel
los- of vastdraaien.
8. Afneembaar sleepoog.
* Volgens verkoopland.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over slepen.
Dit gereedschap is specifiek voor
uw auto en kan, afhankelijk van de
uitvoering van uw auto, verschillen.
Gebruik het niet voor andere
doeleinden.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Verwijderen van het reservewiel
F Til de vloerplaat op om de moer van de lier
te kunnen bereiken.
F Draai de moer tot de aanslag rechtsom met
de wielsleutel 1 en het verlengstuk 7 en
draai zo de kabel van de lier los tot het
reservewiel plat op de grond ligt. Rol de
kabel ver genoeg uit om het wiel uit de
houder te kunnen halen.
F Verwijder het reservewiel met de doos via
de achterzijde van de auto.
F Zet het reservewiel rechtop om bij de doos
met gereedschap te kunnen komen.
F Maak het verbindingsstuk los van het
deksel van de doos.
F Haal de verbindingsstuk door de naaf van
het wiel om het wiel te kunnen verwijderen.
Na het monteren van het reservewiel
in de plaats van het wiel met de lekke
band moet de lier en de doos met
gereedschap onder de auto worden
teruggeplaatst voordat weggereden kan
worden.
Zie de rubriek "Terugplaatsen van de
lier en het reservewiel".
205
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Terugplaatsen van de lier en het
reservewiel
Deze procedure moet worden uitgevoerd met
of zonder het reservewiel. Voer zonder het
reservewiel de stappen A en D uit.
Alleen een noodreservewiel kan met de lier
onder de auto worden bevestigd.
F Berg de krik op in de doos en breng het
deksel weer aan.
F Plaats de gesloten doos plat op de grond,
bij de achterzijde van de auto.
F Zet het reservewiel rechtop en haal het
verbindingsstuk door de naaf van het wiel.
F Steek het verbindingsstuk in de opening
van het deksel van de doos.
F Centreer het reservewiel op de doos met
gereedschap.
F Plaats het wiel met de doos onder het
achterste gedeelte van de auto.
F Monteer het wiel met de doos onder de
auto door de moer van de lier linksom
te draaien met de wielsleutel 1 en het
verlengstuk 7.
F Draai de bout tot de aanslag en controleer
of het wiel goed vlak tegen de bodem
aan ligt.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Demonteren van het wiel
Stilzetten van de auto
Zet de auto op een plaats waar het
verkeer niet gehinderd wordt en zorg
ervoor dat de auto op een horizontale,
stabiele en stroeve ondergrond staat.
Trek de parkeerrem aan (tenzij deze
geprogrammeerd is in de automatische
stand), zet het contact af en schakel de
eerste versnelling* in om de wielen te
blokkeren.
Controleer of het verklikkerlampje
remsysteem en het controlelampje P op
de parkeerremhendel branden.
Plaats indien nodig een wielblok tegen het
wiel tegenover het te verwisselen wiel.
Controleer of de inzittenden de auto
hebben verlaten en zich op een veilige
plaats bevinden.
Werkwijze
F Verwijder de beschermdop van de wielbouten met het gereedschap 3 (volgens uitvoering) of
verwijder de naafdop met behulp van gereedschap 4.
F Bevestig de dop 5 op de wielsleutel 1 en draai de slotbout een omwenteling los (volgens
uitvoering).
F Draai de overige wielbouten niet meer dan een kwartslag los met alleen de wielsleutel 1.
* Stand P van de automatische transmissie.
Ga nooit onder een auto liggen die
alleen op de krik steunt; gebruik een
bok.
207
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
F Plaats de voet van de krik 2 op de
grond, loodrecht onder een van de
twee steunpunten aan de voorzijde A of
achterzijde B. Gebruik het steunpunt dat
zich het dichtste bij het te verwisselen wiel
bevindt.
F Krik de auto op tot er voldoende ruimte
tussen het wiel en de grond is om het (niet
lekke) reservewiel te monteren.
F Verwijder de wielbouten en leg ze op een
schone plaats weg.
F Verwijder het wiel.
F Draai de krik 2 uit tot de kop van de krik
het gebruikte steunpunt A of B raakt. Het
middelste deel van de kop moet goed in het
steunpunt A of B steken.
Zorg ervoor dat de krik stabiel staat. Op een gladde of zachte ondergrond kan de krik
wegschuiven of wegzakken - Kans op letsel!
Plaats de krik uitsluitend onder de steunpunten A of B onder de auto en zorg ervoor dat de
kop van de krik goed tegen het midden van het steunpunt drukt. Zo niet, dan kan de auto
beschadigd raken en/of de krik wegzakken - Kans op letsel!
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Monteren van het wiel
Bevestiging van het
noodreservewiel
Indien uw auto is voorzien van
lichtmetalen velgen is het normaal dat bij
het monteren van het noodreservewiel
de ringen van de bouten de velg
niet raken. Als de bouten volledig
zijn aangedraaid, zorgt het conische
draagvlak van de bouten voor de
bevestiging van het reservewiel.
Na het verwisselen van het
wiel
Het wiel met de lekke band kan niet
onder de auto worden bevestigd. Het
wiel moet liggend in de bagageruimte
worden opgeborgen; gebruik een hoes
om de bagageruimte te beschermen.
Rijd met een noodreservewiel niet
sneller dan 80 km/h.
Laat zo snel mogelijk het
aanhaalmoment van de wielbouten en
de bandenspanning van het reservewiel
controleren door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Laat de lekke band zo spoedig mogelijk
repareren en verwissel hem met het
reservewiel.
Procedure
F Plaats het wiel op de naaf.
F Draai de wielbouten met de hand vast.
F Draai de slotbout met de wielsleutel 1 en
de dop 5 enigszins vast.
F Draai de overige wielbouten enigszins vast
met alleen de wielsleutel 1.
209
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
F Laat de krik zakken.
F Vouw de krik 2 op en verwijder hem.
F Draai de slotbout vast met de wielsleutel 1 en
de dop 5.
F Draai de overige wielbouten vast met
alleen de wielsleutel 1.
F Bevestig de beschermdoppen op de
wielbouten of bevestig de naafdop (volgens
uitvoering).
F Berg het gereedschap op in de houder.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Sneeuwkettingen
Onder winterse omstandigheden verbeteren sneeuwkettingen de tractie en het remgedrag van de auto.
Uitsluitend de voorwielen mogen van
sneeuwkettingen worden voorzien.
Een noodreservewiel mag niet worden
voorzien van een sneeuwketting.
Houd u altijd aan de ter plekke
geldende regelgeving over het gebruik
van sneeuwkettingen en de maximaal
toegestane snelheid.
Montagetips
F Als u onderweg sneeuwkettingen moet
monteren, zet de auto dan langs de kant
van de weg stil op een vlakke ondergrond.
F Trek de handrem aan en plaats eventueel
wielblokken voor of achter de wielen om te
voorkomen dat de auto wegglijdt.
F Monteer de sneeuwkettingen, volg daarbij
de aanwijzingen van de fabrikant.
F Rijd langzaam weg en rijd een klein stukje
met een snelheid van maximaal 50 km/h.
F Zet de auto stil en controleer of de
kettingen correct gespannen zijn.
Rijd niet met sneeuwkettingen op een
sneeuwvrij gemaakte weg om schade
aan de banden en het wegdek te
voorkomen. Als uw auto is voorzien van
lichtmetalen velgen, controleer dan of
de ketting en de bevestigingen de velg
niet raken.
Gebruik uitsluitend kettingen die geschikt zijn
voor het type velg van uw auto:
Maat van de af
fabriek gemonteerde
banden
Maximale afmeting
van de schakels
215/60 R16
9 mm
225/50 R17
235/45 R18
sneeuwkettingen niet
mogelijk
235/40 R19
Neem voor meer informatie over
sneeuwkettingen contact op met het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het is bijzonder raadzaam voor vertrek
het monteren van de sneeuwkettingen
te oefenen; doe dit op een vlakke en
droge ondergrond.
211
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Een lamp vervangen
Verlichting vóór
Uitvoering met meedraaiende
xenonlampen
1. Dagrijverlichting/parkeerlicht en (LED).
2. Meedraaiend dim-/grootlicht (D1S).
3. Richtingaanwijzers (LED).
4. Mistlampen/bochtverlichting (LED).
Uitvoering met halogeenlampen
1. Grootlicht (H1).
2. Dimlicht (H7).
3. Dagrijverlichting/parkeerlichten (LED)*.
4. Richtingaanwijzers (HY21).
5. Mistlampen/bochtverlichting (H11).
Let er bij het monteren van onder andere
H7-lampen met nokjes op dat deze
nokjes goed in de uitsparingen komen,
zodat het licht in de juiste richting schijnt.
Onder bepaalde weersomstandigheden
(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich
een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
vormen; dit verdwijnt enkele minuten na
het ontsteken van de koplampen.
Elektrocutiegevaar
Het vervangen van een xenonlamp (D1S) moet
worden uitgevoerd door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats.
Verlichting met leds
(light-emitting diodes)
Neem voor het vervangen van dit type lampen
contact op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Het CITROËN-netwerk biedt vervangingssets
aan voor leds (light-emitting diodes).
* Led: light-emitting diode.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
De koplampunits zijn voorzien van glas
van polycarbonaat met een speciale
vernislaag:
F reinig de koplampen nooit met
een droge of schurende doek en
gebruik geen oplosmiddelen,
F gebruik een spons met zeepwater
of een pH-neutraal product,
F wanneer u met een
hogedrukreiniger hardnekkig vuil
probeert te verwijderen, houd
de straal dan nooit langdurig op
de koplampen, de achterlichten
en de randen ervan gericht, om
beschadiging van de vernislaag en
de afdichtrubbers te voorkomen.
Bij het vervangen van lampen moet de
verlichting minstens enkele minuten
uitgeschakeld zijn (risico van ernstige
verbranding).
F Raak de lamp niet met de vingers
aan, maar gebruik een niet-pluizende
doek.
In verband met het behoud van de
kwaliteit van de koplampen mogen
uitsluitend anti-UV-lampen worden
gebruikt.
Vervang een kapotte lamp altijd door een
nieuwe lamp met dezelfde specificaties.
Verlichting overdag / parkeerlicht
Neem voor het vervangen van dit type lamp
met LED’s en lichtgeleiders contact op met
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Het CITROËN-netwerk kan u voor de LED's
een vervangingsset leveren.
213
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Dimlicht
(uitvoering met halogeenlampen)
Grootlicht
(uitvoering met halogeenlampen)
F Duw op de bovenzijde van de stekker en
kantel het geheel vervolgens omlaag.
F Verwijder de stekker met de lamp.
F Trek aan de lamp om deze te vervangen.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde, maar begin bij het aanbrengen bij het
onderste deel van de lamp.
F Trek aan de borglip om de plastic
beschermkap te verwijderen.
F Trek aan de borglip om de plastic
beschermkap te verwijderen.
F Verwijder de stekker met de lamp door op
de pal aan de onderkant te drukken.
F Trek aan de lamp om deze te vervangen.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Mistlampen
F Verwijder de spatplaat aan de onderzijde
van de carrosserie.
F Neem de stekker van de lamp los.
F Draai de lamp een kwart omwenteling en
vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Voor het vervangen van deze lampen
kunt u ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
Richtingaanwijzers
Als een controlelampje (rechts of
links) van de richtingaanwijzers sneller
knippert, is een van de lampen aan de
desbetreffende zijde defect.
De lamp van de richtingaanwijzers bevindt zich
onder de koplamp.
F Draai de lamphouder een kwart
omwenteling links- of rechtsom en
verwijder deze.
F Vervang de defecte lamp.
Voer voor de montage dezelfde handelingen in
omgekeerde volgorde uit.
U kunt voor het vervangen van deze
lampen ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
215
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Geïntegreerde
zijknipperlichten
Instapverlichting in de
buitenspiegels
Voor het vervangen van de LED dient u het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te raadplegen.
Voor het vervangen van deze lampen dient u
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te raadplegen.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
1. Parkeerlichten
(LED).
2. Richtingaanwijzers (PY21W
amberkleurig).
3. Achteruitrijlichten (P21W).
4. Remlichten (P21W).
5. Mistachterlichten (P21W).
Achterlichten
Richtingaanwijzers en remlichten
(op de schermen)
F Open de achterklep en verwijder
vervolgens het afdekplaatje.
F Neem de stekker van de lamp los.
F Draai de twee bevestigingsmoeren van de
lamp los.
F Verwijder de lamp voorzichtig via de
buitenzijde van de auto.
De bevestigingsklemmen gaan
automatisch los.
F Draai de lamphouder een kwart
omwenteling en vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
LEDs
Neem voor het vervangen van leds
contact op met het CITROËN-netwerk
of met een gekwalificeerde werkplaats.
217
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Achteruitrijlichten (achterklep)
F Verwijder de lamp voorzichtig via
de buitenzijde van de auto. De
bevestigingsklemmen worden automatisch
losgemaakt.
F Draai de lamphouder een kwart
omwenteling en vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Mistlamp
F Open de achterklep.
F Maak de achterlichtlijst los.
F Verwijder het deksel en draai de
bevestigingsmoer van de lamp los.
De mistlamp is vanaf de onderzijde van de
bumper bereikbaar.
F Draai de fitting een kwart omwenteling en
verwijder het geheel.
F Vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Voor het vervangen van deze lampen
kunt u ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Kentekenplaatverlichting
F Steek een kleine schroevendraaier in de
spleet van het lampglas.
F Duw de schroevendraaier naar buiten om
het lampglas los te maken.
F Verwijder het lampglas.
F Trek de lamp uit de lamphouder en vervang
de lamp.
Derde remlicht (LED's)
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
219
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Zekeringen vervangen
De tang voor het verwijderen van zekeringen is
bevestigd aan de binnenzijde van de klep van
het zekeringkastje in het dashboard.
Toegang:
F verwijder de klep en draai hem om,
F trek de tang los.
Toegang tot het gereedschap
Voordat u een zekering vervangt, dient u:
F de oorzaak van de storing op te sporen en
te (laten) verhelpen,
F alle stroomverbruikers uit te schakelen,
F de auto stil te zetten en het contact af te
zetten,
F de defecte zekering te achterhalen met
behulp van de zekeringtabellen en de
schema's op de volgende bladzijden.
Vervangen van een zekering
Goed Defect
Bij het vervangen van een zekering moet u:
F de speciale tang gebruiken om de zekering
uit de zekeringkast te verwijderen en
vervolgens de staat van de gloeidraad
controleren,
F de defecte zekering altijd vervangen door
een zekering met dezelfde stroomsterkte
(zelfde kleur); een afwijkende
stroomsterkte kan storingen veroorzaken
(kans op brand).
Het vervangen van een zekering die
niet in een van de volgende tabellen is
opgenomen, kan tot ernstige storingen
aan uw auto leiden. Raadpleeg
het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als de storing zich kort na het vervangen
van de zekering opnieuw voordoet, laat dan
het elektrische systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Tang
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Montage van elektrische
accessoires
Bij het ontwerp van het elektrische
circuit van uw auto is reeds rekening
gehouden met de montage van zowel de
standaarduitrusting als eventuele opties.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats voordat u andere
elektrische voorzieningen of accessoires in
de auto monteert of laat monteren.
CITROËNis niet aansprakelijk voor
kosten die voortvloeien uit storingen
veroorzaakt door het monteren van
extra accessoires die door CITROËN
noch aanbevolen noch geleverd worden
en die bovendien niet volgens haar
voorschriften zijn gemonteerd. Dit
geldt met name als het gezamenlijke
stroomverbruik van de extra
accessoires meer dan 10 milliampère
bedraagt.
221
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Zekeringen dashboard
De zekeringkast bevindt zich aan de onderzijde
van het dashboard (linkerzijde).
Toegang tot de zekeringen
F Zie de paragraaf "Toegang tot het
gereedschap".
Zekeringtabel
Zekering
nr.
Stroomsterkte
(A)
Functies
F6 A of B 15 Autoradio.
F8 3 Inbraakalarm.
F13 10 Aansteker vóór, 12V-aansluiting vóór.
F14 10 12V-aansluiting achter.
F16 3 Kaartleeslampen achter.
F17 3 Make-upspiegel.
F28 A of B 15 Autoradio.
F30 20 Ruitenwisser achter.
F32 10 Audioversterker.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Zekeringen motorruimte
De zekeringkast bevindt zich onder de
motorkap, naast de accu.
Toegang tot de zekeringen
F Maak het deksel los.
F Vervang de zekering.
Ga naar het begin van deze rubriek
voor de bijzonderheden en de te nemen
voorzorgsmaatregelen bij het vervangen van
een zekering.
F Sluit na het vervangen van de zekering
zorgvuldig het deksel voor een goede
afdichting van de zekeringkast.
Zekering
Ampère
(A)
Functies
F20 15 Ruitensproeierpomp voor en achter.
F21 20 Koplampsproeierpomp.
F22 15 Claxon.
F23 15 Grootlicht rechts.
F24 15 Grootlicht links.
F27 5 Afschermklep koplamp links.
F28 5 Afschermklep koplamp rechts.
Zekeringtabel
223
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
12V-accu
De accu bevindt zich in de motorruimte.
Toegang tot de accu:
F open de motorkap via de hendel in
het interieur en gebruik vervolgens de
veiligheidshaak aan de buitenzijde,
F beweeg de kunststof afdekkap omhoog
voor toegang tot de pluspool (+).
Toegang tot de accu
Bescherm uw ogen en gezicht voordat
u handelingen aan de accu uitvoert.
Voer ingrepen aan de accu uitsluitend
uit in een goed geventileerde ruimte, ver
van open vuur of vonken veroorzakende
bronnen, om elk risico van brand- of
explosiegevaar uit te sluiten.
Was uw handen als de werkzaamheden
beëindigd zijn.
Procedure voor het gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels en voor het laden van een lege accu.
Algemeen
12V-loodaccu
Accu's bevatten giftige stoffen zoals
zwavelzuur en lood.
Ze moeten worden verwerkt conform
de regelgeving en mogen in geen geval
met het huishoudelijke afval worden
weggegooid.
Breng de gebruikte batterijen en accu's
naar een speciaal inzamelpunt.
Het aanduwen om de motor te starten
is bij een auto met een automatische
transmissie niet toegestaan.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12V-loodaccu.
Deze accu mag uitsluitend worden
vervangen door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats.
De minpool (-) van de accu is niet bereikbaar.
Aan de voorzijde van de auto is een
afzonderlijk massapunt aangebracht.
Dit punt is bereikbaar door:
F de kunststof afdekking, naast de linker
koplamp, los te maken.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Starten van de motor
met een hulpaccu en
startkabels
Start de motor nooit door een acculader
aan te sluiten.
Gebruik nooit een startbooster van 24 V
of hoger.
Controleer eerst of de nominale
spanning van de hulpaccu 12 V
bedraagt en of de capaciteit van de
hulpaccu minimaal gelijk is aan die van
de ontladen accu.
De twee auto's mogen elkaar niet raken.
Schakel alle stroomverbruikers
(autoradio, ruitenwissers, verlichting
enz.) van beide auto's uit.
Zorg ervoor dat de startkabels zich
niet in de buurt van bewegende delen
van de motor (ventilateur, riem enz.)
bevinden.
Koppel de pluspool (+) van de accu niet
los terwijl de motor draait.
F Start de motor van de auto met de
hulpaccu en laat deze gedurende enkele
minuten draaien.
F Stel de startmotor in werking van de auto
met de lege accu en laat de motor draaien.
Als de motor niet direct start, zet dan het
contact af en wacht even alvorens een
nieuwe poging te doen.
Als de accu van uw auto ontladen is, kan
de motor worden gestart met een hulpaccu
(externe accu of een accu van een andere
auto) en startkabels of een startbooster.
F Wacht tot de motor stationair draait en
neem dan de kabels in omgekeerde
volgorde los.
F Breng, indien uw auto hiermee is uitgerust,
het kunststof kapje aan op de pluspool (+).
F Laat de motor minimaal 30 minuten
draaien, rijdend of stilstaand, om het
laadniveau van de accu op een correct peil
te krijgen.
F Beweeg, indien uw auto hiermee is
uitgerust, het kunststof kapje van de
pluspool (+) omhoog.
F Sluit de rode kabel aan op de pluspool (+) van
de ontladen accu A (bij het gebogen metalen
gedeelte) en vervolgens op de pluspool (+)
van de hulpaccu B of de startbooster.
F Sluit de groene of zwarte kabel aan op
de minpool (-) van de hulpaccu B of de
startbooster (of op het massapunt van de
auto met de hulpaccu).
Een aantal functies, waaronder
het Stop & Start-systeem, is niet
beschikbaar als de laadtoestand van
de accu onvoldoende is.
F Sluit het andere uiteinde van de groene of
zwarte kabel aan op het massapunt C van
de auto met de lege accu.
225
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Voor een optimale levensduur van de accu
is het noodzakelijk om het laadniveau van de
accu op een voldoende peil te houden.
In sommige gevallen kan het dan ook nodig zijn
om de accu op te laden:
- als u voornamelijk korte ritten maakt,
- voordat de auto meerdere weken niet wordt
gebruikt.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
12V-accu opladen met een
acculader
Probeer niet een bevroren accu op te
laden. Risico van explosie!
Als de accu bevroren is geweest, laat
deze dan door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats
controleren op beschadigingen van de
inwendige delen en op scheuren in de
behuizing (kans op lekkage van giftig
en corrosief zuur).
Als u zelf de accu van uw auto gaat
opladen, gebruik dan uitsluitend een
lader die geschikt is voor loodaccu's en
die een nominale spanning van 12 V
heeft.
Volg de door de fabrikant van de lader
geleverde instructies.
Sluit de kabels nooit aan op de
verkeerde polen.
De accu hoeft niet te worden
losgekoppeld.
F Zet het contact uit.
F Schakel alle stroomverbruikers (autoradio,
verlichting, ruitenwissers enz.) uit.
F Schakel om gevaarlijke vonken te
voorkomen de lader B uit alvorens de
kabels op de accu aan te sluiten.
F Controleer of de kabels van de lader in
goede staat zijn.
F Sluit de kabels van de lader B als volgt
aan:
- de rode pluskabel (+) op de pluspool (+)
van de accu A,
- de zwarte minkabel (-) op het massapunt
C van de auto.
F Schakel na het laden de lader B uit
alvorens de kabels los te maken van de
accu A.
Als deze sticker is aangebracht, mag
uitsluitend een 12V-lader worden
gebruikt. Anders kan de elektrische
uitrusting van het Stop & Start-systeem
ernstig beschadigd raken.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Loskoppelen van de accu
Als u de auto gedurende langere tijd niet gaat
gebruiken, koppel dan de 12V-accu los. Op
deze manier blijft het laadniveau van de accu
voldoende om de motor weer te starten.
Voer de volgende handelingen uit alvorens de
accu los te koppelen:
F sluit alle te openen carrosseriedelen
(portieren, achterklep, ruiten, dak),
F schakel alle stroomverbruikers (autoradio,
ruitenwissers, verlichting enz.) uit,
F zet het contact uit en wacht vier minuten.
U hoeft slechts de klem van de pluspool (+) los
te nemen.
Accupoolklem met snelsluiting
De (+) klem loskoppelen
F Trek de hendel A zo ver mogelijk omhoog
om de accupoolklem B te ontgrendelen.
Na het weer aansluiten van de
accukabels
Weer aansluiten van de (+) klem
F Plaats de geopende accupoolklem B op de
pluspool (+) van de accu.
F Druk verticaal op de accupoolklem om
deze goed tegen de accu aan te drukken.
F Zet de accupoolklem vast door de hendel A
omlaag te bewegen.
Forceer de hendel niet door erop te
duwen, aangezien de accupoolklem
niet kan worden vergrendeld als deze
niet correct is geplaatst; herhaal de
procedure.
Tijdens de rit die volgt op het de eerste
keer starten van de motor, werkt het
Stop & Start-systeem mogelijk niet.
In dat geval werkt de functie pas
weer als de auto gedurende een
bepaalde periode, die afhankelijk is
van de omgevingstemperatuur en de
laadtoestand van de accu (maximaal
8 uur), niet is gebruikt.
Zet na het weer aansluiten van de accu het
contact aan en wacht 1 minuut alvorens de
motor te starten, zodat de elektronische
systemen geïnitialiseerd kunnen worden.
Mochten er zich na deze handeling kleine storingen
blijven voordoen, raadpleeg dan het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor het
zelf opnieuw initialiseren van de elektronische
systemen zoals:
- de sleutel met afstandsbediening of de
elektronische sleutel (volgens uitvoering),
- het elektrische zonnescherm/de
elektrische zonneschermen,
- de elektrische ruitbediening,
- de datum en de tijd,
- de voorkeuzezenders.
227
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Spaarfase
De spaarfase stuurt de elektrische functies van
de auto aan om het ontladen van de accu te
voorkomen.
Tijdens het rijden kunnen in verband met de
laadtoestand van de accu enkele functies
(airconditioning, achterruitverwarming, ...)
tijdelijk worden uitgeschakeld.
Deze functies worden automatisch
ingeschakeld zodra de laadtoestand van de
accu dit toelaat.
De eco-mode bepaalt de maximale
gebruiksduur van een aantal functies om te
voorkomen dat de accu ontladen raakt.
Nadat de motor is afgezet, kunt u een
aantal elektrische functies zoals het audio-
en telematicasysteem, de ruitenwissers,
dimlichten, plafonniers, ... nog in totaal
maximaal 40 minuten gebruiken.
Eco-mode
Inschakelen van de
eco-mode
Vervolgens geeft een melding op het display
van het instrumentenpaneel aan dat de eco-
mode is ingeschakeld en worden de actieve
functies in de ruststand gezet.
Als u op het moment dat de eco-mode wordt
ingeschakeld aan het telefoneren bent, kan het
gesprek nog gedurende ongeveer 10 minuten
worden voortgezet via de handsfree set van uw
autoradio.
Uitschakelen van
de eco-mode
De functies worden automatisch weer
ingeschakeld als de motor gestart wordt.
Start om de functies direct weer te kunnen
gebruiken de motor en laat deze draaien:
- minder dan tien minuten om de functies
ongeveer vijf minuten te kunnen gebruiken,
- meer dan tien minuten om de functies
ongeveer dertig minuten te kunnen
gebruiken.
Neem de tijd die nodig is voor het starten van
de motor in acht om een juiste lading van de
accu te garanderen.
Vermijd het herhaaldelijk en continu starten van
de motor om de accu bij te laden.
Als de accu ontladen is, kan de motor
niet gestart worden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de accu.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Wisserbladen vervangen
Voordat u een wisserblad
demonteert
F Bedien de ruitenwisserschakelaar binnen
één minuut na het afzetten van het contact
om de ruitenwissers naar het midden van
de voorruit te verplaatsen.
Demonteren
F Til de desbetreffende ruitenwisserarm op.
F Maak het wisserblad los en verwijder het.
Monteren
F Breng het nieuwe wisserblad aan en klik
het vast.
F Zet de ruitenwisserarm voorzichtig terug.
Na het monteren van een
wisserblad vóór
F Zet het contact aan.
F Bedien nogmaals de
ruitenwisserschakelaar om de
ruitenwissers in de ruststand te zetten.
229
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Algemene aanwijzingen
Volg de huidige wetgeving in uw land op.
Controleer of het gewicht van de trekkende auto hoger is dan van de auto die wordt gesleept.
Er moet iemand achter het stuur van de gesleepte auto blijven zitten. Deze persoon moet
beschikken over een geldig rijbewijs.
Gebruik bij het slepen met 4 wielen op de grond altijd een goedgekeurde sleepstang; touwen
en riemen zijn verboden.
De bestuurder van de slepende auto moet voorzichtig wegrijden.
Bij het slepen van de auto met stilstaande motor zijn de rem- en stuurbekrachtiging
uitgeschakeld.
Laat uw auto in de volgende gevallen slepen door een professioneel bergingsbedrijf:
- als de auto is gestrand op de autosnelweg,
- bij auto's met vierwielaandrijving,
- als het niet mogelijk is de versnellingsbak in de neutraalstand te zetten, het stuurslot te
ontgrendelen of de handrem los te zetten,
- bij takelen met slechts twee wielen op de grond,
- bij het ontbreken van een goedgekeurde sleepstang...
Slepen
Toegang tot het gereedschap
Het sleepoog is opgeborgen onder de
vloerplaat van de bagageruimte:
F open de achterklep,
F til de vloerplaat van de bagageruimte op,
F pak het sleepoog uit de opbergdoos.
U kunt uw auto laten slepen door een andere auto of een andere auto slepen met behulp van het sleepoog.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Slepen van uw auto Slepen van een andere
auto
F Maak het klepje in de voorbumper los door
op de bovenkant ervan te drukken.
F Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
F Bevestig de sleepstang.
F Trek het klepje in de achterbumper aan de
linkerkant los via de punt van de ring.
F Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
F Bevestig de sleepstang.
F Schakel de alarmknipperlichten van beide
auto's in.
F Rijd rustig weg. Rijd vervolgens met een
lage snelheid en leg geen lange
afstanden af.
F Zet de versnellingshendel in de
neutraalstand (stand N bij de
automatische transmissie).
Het niet opvolgen van deze aanwijzing
kan er toe leiden dat bepaalde
onderdelen van het remsysteem of
de aandrijving beschadigd raken en
dat de rembekrachtiger na het starten
mogelijk niet meer werkt.
F Ontgrendel het stuurwiel en zet de
parkeerrem vrij.
F Schakel de alarmknipperlichten van beide
auto's in.
F Rijd rustig weg. Rijd vervolgens met een
lage snelheid en leg geen lange
afstanden af.
231
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Trekken van een aanhanger
Wij raden u aan gebruik te maken van
een speciaal door CITROËN geteste
en goedgekeurde trekhaak inclusief
bedrading en deze door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te laten monteren.
Als de trekhaak wordt gemonteerd door
een bedrijf dat niet tot het CITROËN-
netwerk behoort, moet de montage
altijd volgens de voorschriften van de
fabrikant worden uitgevoerd.
Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het
vervoer van personen en bagage, maar is
tevens geschikt voor het trekken van een
aanhanger.
Ga wanneer geen aanhanger is
aangekoppeld niet rijden zonder dat de
afneembare kogel is verwijderd, omdat
deze anders voor het mistachterlicht zit.
Het rijden met een aanhanger heeft
veel invloed op het rijgedrag van de
auto en vergt daarom extra aandacht
van de bestuurder.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer rijtips voor het trekken van
een aanhanger.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de gewichten
(en aanhangergewichten indien van
toepassing voor uw auto).
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Allesdragers monteren
Maximale belasting van de dakstangen,
bij een maximale laadhoogte van 40 cm
(m.u.v. fietsendrager): 70 kg.
Pas bij een belading hoger dan
40 cm de rijsnelheid aan aan de
rijomstandigheden om schade aan de
allesdragers en de bevestigingsplaatsen
op het dak te voorkomen.
Houd u bij het monteren van de dwarsdragers
aan hun montageplaats:
Gebruik door CITROËN goedgekeurde
accessoires en houd u aan de
aanwijzingen en instructies in de
montagehandleiding van de fabrikant
om beschadiging van de carrosserie
(vervorming, krassen, ...) te voorkomen.
F Verwijder de dop met behulp van een
inbussleutel.
F Zet de dwarsdragers in de juiste stand en
draai de bevestigingsbouten vast.
Raadpleeg de wetgeving van uw land
met betrekking tot het vervoeren van
voorwerpen die langer zijn dan de auto.
233
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Onderhoudstips
Stickersets voor
persoonlijke styling
Deze stickersets zijn voorzien van een
speciale behandeling tegen veroudering en
losscheuren.
De stickers zijn ontworpen om de carrosserie
van de auto een persoonlijke tint te geven.
Het is raadzaam de stickersets, die ook
leverbaar zijn als accessoire, te laten
aanbrengen door het CITROËN-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Als u bij het wassen van de auto gebruikmaakt
van een hogedrukspuit, houd dan het uiteinde
van de spuit op een afstand van ten minste
30 cm van de stickers.
Was uw auto niet in een wasbox of
wasstraat met een hogedrukinstallatie.
Koplampen en achterlichten
De koplampen zijn uitgerust met glazen van
polycarbonaat voorzien van een beschermlaag.
Gebruik voor het schoonmaken van de
koplampen nooit een droge doek of een
schuur-, schoonmaak- of oplosmiddel.
Gebruik een spons en zeepwater.
Om te voorkomen dat de vernislaag en de
afdichtrubbers beschadigd raken, is het
raadzaam de koplampen, de achterlichten
en omgeving niet te reinigen met een
hogedrukreiniger.
Houd u bij het gebruik van een
hogedrukreiniger aan de voorschriften met
betrekking tot de druk en de spuitafstand.
Verwijder eerst hardnekkig vuil met behulp van
een spons en lauw zeepwater.
In het garantie- en onderhoudsboekje van uw auto vindt u de algemene adviezen met betrekking tot het onderhouden van uw auto.
Leder
Leder is een natuurproduct. Om de
duurzaamheid ervan te garanderen moet
het leder geregeld op de juiste wijze worden
onderhouden.
In het garantie- en onderhoudsboekje
van uw auto vindt u alle specifieke
voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het
onderhouden van het leder.
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Accessoires
Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het CITROËN-netwerk.
Deze accessoires en onderdelen zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de garantie van CITROËN.
"Comfort":
windgeleiders, rolgordijnen zijruiten, rolgordijn
achter, koelbox, kleerhanger aan hoofdsteun,
leeslamp, caravanspiegels, parkeerhulp,
parfumeur, aansteker, enz.
"Transportmiddelen":
mat bagageruimte, bagagebak, bagagenet,
stutten, allesdrager, fietsendrager, skidrager,
dakkoffer, trekhaak, trekhaakbedrading, enz.
"Styling":
aluminium pedalen, aluminium voetensteun,
lichtmetalen velgen, verchroomde
spiegelhuizen, enz.
* Om te voorkomen dat pedalen blijven
hangen:
- let erop dat vloermatten op de juiste
plaats liggen en goed zijn vastgemaakt,
- leg nooit meerdere matten op elkaar.
"Veiligheid":
alarminstallatie, anti-takelmodule, car tracking
system, zitverhogingen en kinderzitjes,
hondenrek, alcoholtester, verbanddoos,
brandblusser, gordelsnijder/noodhamer,
gevarendriehoek, veiligheidsvest, wielbouten
met slot, sneeuwkettingen, sneeuwsokken, enz.
"Bescherming":
vloermatten*, spatlappen, stootstrips,
dorpelbeschermer voor de bagageruimte,
beschermhoes voor de auto, enz.
Bij montage van een trekhaak en bedrading
door een andere dan een dealer van het
CITROËN-netwerk, moeten de voorschriften
van de fabrikant worden opgevolgd en moet de
bedrading aangesloten worden op de daarvoor
bestemde aansluitingen van de auto.
De carosseriedelen van de achterzijde van de auto
zijn zo ontworpen dat het opspatten van water of
steenslag zo veel mogelijk wordt voorkomen.
235
Praktische informatie
DS5_nl_Chap08_info-pratiques_ed02-2015
Het monteren van elektrische apparatuur of
accessoires die niet onder een artikelnummer in het
assortiment van CITROËN voorkomen, kan leiden tot
storingen in het elektronisch systeem van uw auto en
een verhoogd stroomverbruik veroorzaken.
Houd hier rekening mee en neem contact op met een
vertegenwoordiger van het merk CITROËN om u te
laten informeren over het assortiment uitrustingen en
accessoires voorzien van een artikelnummer.
Installeren van
radiocommunicatiezenders
Voordat u radiozenders met
buitenantenne als uitrusting
achteraf monteert, kunt u bij het
CITROËN-netwerk de technische
gegevens (frequentieband, maximaal
uitgangsvermogen, positie antenne,
specifieke installatievoorschriften) van
de voor montage geschikte zenders
opvragen, conform de Richtlijn
Elektromagnetische
Compatibiliteit (2004/104/EG).
Afhankelijk van de lokale wetgeving
kan de aanwezigheid van bepaalde
veiligheidsuitrusting verplicht zijn:
veiligheidsvesten, gevarendriehoeken,
alcoholtests, een set reservelampen,
reservezekeringen, een brandblusser,
een verbandtrommel, spatlappen aan
de achterzijde van de auto.
In het CITROËN-netwerk kunt u ook reinigings-
en onderhoudsproducten kopen (interieur en
buitenkant) - waaronder milieuvriendelijke
producten uit de serie "TECHNATURE" -
bijvulmiddelen (ruitensproeiervloeistof...),
stiften en spuitbussen voor het bijwerken
van lakschades in de exacte kleur van de
carrosserie van uw auto, vulpatronen voor
bandenreparatieset, enz.
"Multimedia":
Bluetooth handsfree set, portable
navigatiesystemen, CD met update voor de
kaartgegevens, rijhulpsystemen, portable
videoscherm met steun, steun voor multimedia-
apparaat, 230V/50Hz-aansluiting, adapter
230 V/12 V, lader voor mobiele telefoon
(iPhone
®
-compatible), telefoonhouder, Wifi, enz.
009
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Controles
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Al meer dan 45 jaar delen TOTAL en DS dezelfde
waarden: topprestaties, creativiteit en technische
innovatie.
In het kader hiervan heeft TOTAL een serie TOTAL
QUARTZ smeermiddelen ontwikkeld die geschikt zijn
voor motoren van het merk DS.
Deze smeermiddelen dragen er toe bij dat het
brandstofverbruik wordt verminderd en het milieu zo
min mogelijk wordt belast.
De keuze voor TOTAL QUARTZ
smeermiddelen voor het onderhoud
van uw auto,
zorgt voor een optimale levensduur
en uitstekende prestaties van uw
motor.
DYNAMISCHE PARTNERS,
GERICHT OP DE TOEKOMST.
239
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Brandstoftank
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 60 liter.
Als er minder dan 5 liter brandstof getankt wordt,
wordt deze stijging van het brandstofniveau niet
weergegeven op de brandstofmeter.
Tijdens het openen van de tankdop kan een
geluid van aangezogen lucht hoorbaar zijn.
Dit wordt veroorzaakt door de onderdruk
die ontstaat door de afdichting van het
brandstofcircuit. Dit geluid is normaal.
F
Kies bij het tankstation de juiste brandstof (deze
staat vermeld op de sticker aan de binnenzijde
van de brandstofvulklep van uw auto).
F Open de vuldop door deze een kwart
omwenteling linksom te draaien.
F Verwijder de vuldop en plaats deze op de
steun (aan de klep).
Openen
Indien u per vergissing de verkeerde
brandstof voor uw auto tankt, moet
de tank beslist worden afgetapt
voordat de motor kan worden
gestart.
Tank nooit als de motor door het Stop &
Start-systeem in de STOP-stand is
geschakeld; zet in dat geval altijd het
contact af met "START/STOP"-knop.
Tanken
F Steek bij een benzine-uitvoering het
vulpistool zo ver mogelijk in de vulopening
en druk hierbij de metalen klep A in.
F Vul de brandstoftank. Laat het vulpistool
maximaal drie keer afslaan, aangezien er
anders storingen kunnen optreden.
F Plaats de vuldop terug en sluit deze door
de dop een kwart omwenteling rechtsom te
draaien.
F Druk de klep van de tankdop dicht.
Uw auto is voorzien van een katalysator, die de
schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen
vermindert.
Door de vernauwde vulpijp kan alleen benzine
worden getankt.
Bij benzinemotoren mag uitsluitend
loodvrije benzine worden gebruikt.
F Druk op de toets.
Na afzetten van het contact is deze toets
nog enkele minuten actief. Zet eventueel
opnieuw het contact aan om deze toets weer te
activeren.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Minimumbrandstofniveau
Als het minimumbrandstofniveau is
bereikt, gaat dit waarschuwingslampje
branden, in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display van het instrumentenpaneel.
Onderbreking
brandstoftoevoer
Brandstof voor
benzinemotoren
Auto's met benzinemotoren kunnen rijden
op biobrandstoffen van het type E10 (deze
bevatten 10% ethanol) die voldoen aan de
Europese richtlijnen EN 228 en EN 15376.
Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten
tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor
auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type
brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de
ethanol moet voldoen aan de Europese
richtlijn EN 15293.
Als dit lampje gaat branden, zit er nog
ongeveer 6 liter brandstof in de tank.
Zolang er niet voldoende brandstof is
bijgetankt, gaat dit lampje elke keer dat het
contact wordt aangezet opnieuw branden in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding. Dit geluidssignaal en deze melding
worden met een toenemende frequentie
herhaald naarmate het niveau daalt en dichter
bij de "0" komt.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen
dat u zonder brandstof komt te staan.
Uw auto is voorzien van een beveiliging die bij
een aanrijding onmiddellijk de brandstoftoevoer
afsluit.
DIESEL
241
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Brandstof voor
dieselmotoren
De dieselmotoren zijn geschikt voor
biobrandstoffen die aan de huidige en
toekomstige Europese richtlijnen voldoen en
die aan de pomp getankt kunnen worden:
- Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN590 gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214,
- Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN16734 gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214 (met een
gehalte aan methyl-estervetzuren van 0 tot
10%),
- Paraffinehoudende diesel die voldoet
aan de richtlijn EN15940 gemengd met
biobrandstof die voldoet aan de richtlijn
EN14214 (met een gehalte aan methyl-
estervetzuren van 0 tot 7%).
De brandstof B20 of B30 die voldoet aan
de richtlijn EN16709 is ook geschikt voor
de dieselmotor van uw auto. Maar als deze
brandstof, ook al is het slechts incidenteel,
wordt gebruikt, moeten de bijzondere
onderhoudsvoorschriften (voor "Zware
rijomstandigheden") strikt worden nageleefd.
Raadpleeg voor meer informatie het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof
(zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke
olie, stookolie ...) is nadrukkelijk verboden
(kans op schade aan de motor en het
brandstofcircuit).
Alleen het gebruik van dieseladditieven die
voldoen aan de norm B715000 is toegestaan.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Het vullen van de brandstoftank met
behulp van een jerrycan is wel mogelijk.
Houd de tuit van de jerrycan recht,
druk deze niet tegen de klep van de
tankbeveiliging en giet voorzichtig om
ervoor te zorgen dat de brandstof netjes
in de vulopening stroomt.
Tankbeveiliging (diesel)*
Dit mechanisme is aangebracht in auto's met een dieselmotor, waardoor het onmogelijk is om
benzine te tanken. Hiermee wordt schade aan motoren, ontstaan door het tanken van de verkeerde
brandstof, voorkomen.
Deze voorziening, die in de tankopening is ingebouwd, is zichtbaar zodra u de brandstoftankdop verwijdert.
Wanneer u bij een dieseluitvoering een
benzinetankpistool in de tankopening plaatst,
wordt dit tegengehouden door een klep,
waardoor het vergrendeld blijft en er dus niet
getankt kan worden.
Probeer in dat geval niet toch te tanken
maar kies een dieseltankpistool.
Werking
Reizen naar het buitenland
Omdat de tankpistolen voor het tanken
van Diesel per land kunnen verschillen,
kan de aanwezigheid van een
tankbeveiliging op de auto er toe leiden
dat tanken niet mogelijk is.
Niet alle auto's met een dieselmotor
zijn voorzien van een tankbeveiliging.
Daarom adviseren wij u voordat u naar
het buitenland afreist bij het CITROËN-
netwerk te informeren of uw auto
geschikt is om in het desbetreffende
land te kunnen tanken.
* Volgens land van verkoop.
243
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Motorkap
Openen
Schakel het Stop & Start-systeem
altijd uit als u handelingen onder de
motorkap wilt uitvoeren, om letsel door
het automatisch activeren van de
START-stand te voorkomen.
Sluiten
F Laat de motorkap voorzichtig zakken en
laat deze aan het einde van de slag in het
slot vallen.
F Controleer of de motorkap goed
vergrendeld is.
F Aan de buitenzijde: beweeg de hendel
omhoog en til de motorkap op.
Een gasdemper opent de motorkap en houdt
deze omhoog.
In verband met de aanwezigheid
van elektrische uitrustingen in de
motorruimte wordt geadviseerd om
blootstelling aan water (regen,
wassen, ...) te beperken.
De koelventilator kan ook nog gaan
draaien nadat de motor is afgezet:
houd daarom voorwerpen en kleding
uit de buurt van de ventilator.
F In het interieur: trek de handgreep links
onder het dashboard naar u toe.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
1. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof.
2. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiervloeistof.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu/zekeringen.
6. Zekeringkast.
7. Afzonderlijk massapunt (-).
8. Luchtfilter.
9. Oliepeilstok.
10. Motorolie (bij)vullen.
Benzinemotoren
245
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
1. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof.
2. Reservoir ruiten- en
koplampsproeiervloeistof.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu/zekeringen.
6. Zekeringkast.
7. Afzonderlijk massapunt (-).
8. Luchtfilter.
9. Oliepeilstok.
10. Motorolie (bij)vullen.
Dieselmotoren
Het brandstofcircuit staat onder hoge druk:
- Voer nooit werkzaamheden aan dit
circuit uit.
- In de HDi-motoren is veel
hoogwaardige technologie toegepast.
Laat werkzaamheden aan deze motoren
daarom altijd over aan het personeel van
het CITROËN-netwerk, dat daar speciaal
voor is opgeleid.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Bij auto's met dieselmotor is het in het geval
van een lege brandstoftank noodzakelijk om
het brandstofsysteem te ontluchten.
Brandstoftank leeg (diesel)
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over de
dieseltankbeveiliging.
Als de motor niet direct aanslaat,
beëindig dan uw startpoging en herhaal
de procedure.
BlueHDi-motoren
F Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter
diesel.
F Zet het contact aan (zonder de motor te
starten).
F Wacht ongeveer 6 seconden en zet het
contact af.
F Herhaal de handelingen 10 keer.
F Bedien de startmotor om de motor te
starten.
247
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Niveaus controleren
Let bij werkzaamheden onder de motorkap goed op, want bepaalde delen van de motor kunnen zeer heet zijn (kans op brandwonden) en de
motorventilateur kan ieder moment aanslaan (zelfs bij afgezet contact).
Motorolieniveau
Het motorolieniveau kan bij aangezet
contact worden gecontroleerd
via de motorolieniveaumeter op
het instrumentenpaneel (volgens
uitvoering) of met de oliepeilstok.
Het is normaal dat u tussen twee
onderhoudsbeurten door olie moet bijvullen.
CITROËN adviseert u om elke 5000 km het
olieniveau te controleren en, indien nodig, olie
bij te vullen.
De controle van het motorolieniveau is
alleen betrouwbaar als de auto op een
horizontale ondergrond staat en de motor
ten minste 30 minuten niet heeft gedraaid.
Controleer deze niveaus regelmatig en respecteer de voorwaarden zoals vermeld in het onderhoudsschema van de fabrikant. Vul indien nodig bij, tenzij anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende circuit controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Controle met de oliepeilstok
De plaats van de oliepeilstok is aangegeven
op de desbetreffende afbeelding van de
motorruimte.
F Trek aan het gekleurde uiteinde om de
oliepeilstok volledig uit de schacht te
trekken.
F Veeg de peilstok af met een schone, niet
pluizende doek.
F Steek de oliepeilstok weer volledig in de
schacht en trek hem er weer uit om het
oliepeil te controleren: het oliepeil is correct
als het tussen de merktekens A en B ligt.
A = MAXI
B = MINI
Als u ziet dat het oliepeil boven het merkteken
A of onder het merkteken B ligt, start de
motor dan niet.
- Als het oliepeil boven het merkteken MAXI
ligt (kans op motorschade), neem dan
contact op met het CITROËN-netwerk of
met een gekwalificeerde werkplaats.
- Als het oliepeil lager is dan het merkteken
MINI, vul dan altijd motorolie bij.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
dient zich zo dicht mogelijk bij het
merkteken "MAXI" te bevinden. Draai
bij koude motor de dop open om het
niveau te controleren.
Het remvloeistofniveau dient zich zo dicht
mogelijk bij het merkteken "MAXI" te
bevinden. Controleer indien dit niet het geval is
of de remblokken van uw auto zijn versleten.
Remvloeistofniveau
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het onderhoudsschema van
de fabrikant voor het voorgeschreven
verversingsinterval.
Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven
remvloeistof.
Eigenschappen van de olie
Controleer voordat u olie bijvult of ververst of
de motorolie die u wilt gebruiken overeenkomt
met de door de fabrikant aanbevolen motorolie
voor uw auto en motoruitvoering.
Motorolie bijvullen
De plaats van de vulopening voor de motorolie
is aangegeven op de desbetreffende
afbeelding van de motorruimte.
F Draai de dop van de vulopening.
F Giet de olie voorzichtig in de opening om
morsen op motoronderdelen te voorkomen
(dit kan brand veroorzaken).
F Wacht enkele minuten en controleer
vervolgens nogmaals het oliepeil met de
peilstok.
F Vul indien nodig nog olie bij.
F Draai nadat u het oliepeil nogmaals hebt
gecontroleerd de dop zorgvuldig op de
vulopening en steek de peilstok weer in de
schacht.
Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op het
dashboard bij het aanzetten van het contact na
30 minuten de juiste waarde aangeven.
Olie verversen
Raadpleeg het onderhoudsschema van de
fabrikant voor het verversingsinterval voor uw
auto.
Maak om een verminderde
betrouwbaarheid van de motor en de
emissieregeling te voorkomen nooit
gebruik van additieven in de motorolie.
249
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Koelvloeistofniveau
Het koelvloeistofniveau dient zich zo dicht
mogelijk bij het merkteken "MAXI" te
bevinden, maar mag beslist niet hoger zijn.
Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven
koelvloeistof.
Wacht bovendien alvorens werkzaamheden
aan het koelsysteem uit te voeren ten minste
1 uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat
het koelsysteem onder druk staat.
Draai om brandwonden te voorkomen
de dop eerst 2 omwentelingen los om
de druk te laten dalen. Verwijder, als de
druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.
Als de motor warm is, wordt de temperatuur van
de koelvloeistof geregeld door de koelventilator.
De koelventilator kan ook nog gaan draaien
nadat de motor is afgezet: houd daarom
voorwerpen en kleding uit de buurt van de
ventilator.
Gegevens van de vloeistof
Voor een optimale reiniging en om bevriezing
te voorkomen, mag nimmer water worden
gebruikt voor het verversen of bijvullen van de
vloeistof.
Onder winterse omstandigheden is het
raadzaam ruitensproeiervloeistof op basis van
ethanol of methanol te gebruiken.
Niveau vloeistof ruitensproeiers/
koplampsproeiers
Als uw auto voozien is van koplampsproeiers
en u wilt het niveau controleren of bijvullen,
parkeert u de auto en zet u de motor af.
F Controleer of de motor geheel is afgezet
voordat u de motorkap opent.
F Verwijder de dop van het
ruitensproeiervloeistofreservoir.
F Knijp de pipet af om te voorkomen dat er
lucht inkomt.
F Verwijder de pipet uit het reservoir en lees
via de doorzichtige buitenkant het niveau af.
F Vul indien nodig het niveau bij.
F Plaats de dop terug op het reservoir en
sluit de motorkap.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie en andere vloeistoffen.
De meeste van deze vloeistoffen zijn
bijtend en schadelijk voor de gezondheid.
Gooi afgewerkte olie en andere vloeistoffen
niet in het riool, in het water of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de daarvoor
bestemde containers bij het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Afgewerkte producten
Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren
door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Niveau brandstofadditief
(diesel met roetfilter)
Een te laag additiefniveau
wordt aangegeven door dit
verklikkerlampje in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het display van het
instrumentenpaneel.
251
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Laat de filters periodiek vervangen
volgens de in het onderhoudsschema
van de fabrikant aangegeven
intervallen.
Luchtfilter en interieurfilter
Als de omgeving (veel stof...) en het gebruik
(veel stadsverkeer...) daartoe aanleiding
geven, moeten de filters twee keer zo vaak
worden vervangen.
Een verstopt interieurfilter kan de prestaties
van de airconditioning verstoren en
onaangename geuren veroorzaken.
Controles
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om
regelmatig te controleren of de
accupoolklemmen goed vastzitten en
of de aansluitingen schoon zijn.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12V-loodaccu.
Deze accu mag uitsluitend worden
vervangen door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, het onderhoudsschema van de fabrikant dat betrekking heeft op de motoruitvoering van uw auto voor het
controleren van bepaalde onderdelen.
Laat de controles eventueel uitvoeren door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg voordat u werkzaamheden uitvoert
aan de 12V-accu de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de te nemen
voorzorgsmaatregelen.
Laat bij het olie verversen tevens het
oliefilter vervangen.
Raadpleeg het onderhoudsschema
van de fabrikant voor het
vervangingsinterval van dit
onderdeel.
Oliefilter
Roetfilter (diesel)
Als het roetfilter vervuild is, wordt
u hierop geattendeerd door het
tijdelijk branden van dit lampje in
combinatie met een melding op het
multifunctionele display.
Ga om het roetfilter te regenereren,
zodra de omstandigheden het toelaten,
met een snelheid van minimaal 60 km/h
rijden tot het lampje dooft.
Als het lampje blijft branden, is het
minimum brandstofadditiefniveau bereikt.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
controleren van niveaus.
Bij een nieuwe auto kunt u de
eerste paar keer dat het roetfilter
geregenereerd wordt een brandlucht
ruiken; dit is volkomen normaal.
Als langdurig met zeer lage snelheid
wordt gereden of de motor langdurig
stationair draait, kan bij gasgeven
soms rook uit de uitlaat waargenomen
worden. Dit heeft geen invloed op de
prestaties en heeft geen gevolgen voor
het milieu.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te laten
controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt
een te laag remvloeistofniveau erop dat de
remblokken versleten zijn.
Remblokken
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats voor
informatie over het controleren van
de slijtage van de remschijven.
Staat van remschijven
Elektrische parkeerrem
Dit systeem hoeft niet apart
gecontroleerd te worden. Als er
zich toch een probleem voordoet,
laat het systeem dan controleren
door het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Gebruik uitsluitend door CITROËN
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke organen
als het remsysteem te optimaliseren,
selecteert en biedt CITROËN specifieke
producten aan.
Na het wassen kan er zich een
laagje vocht of onder winterse
omstandigheden ijs vormen op de
remschijven en remblokken: de
remwerking kan daardoor afnemen.
Rem een paar keer lichtjes om de
remmen vocht- en ijsvrij te maken.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem.
Handgeschakelde versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Raadpleeg het onderhoudsschema
van de fabrikant voor de periodieke
onderhoudscontrole.
Automatische transmissie
De automatische transmissie is
onderhoudsvrij (olie verversen niet
noodzakelijk).
Raadpleeg het onderhoudsschema
van de fabrikant voor het interval van
de niveaucontrole.
253
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Additief AdBlue
®
en SCR-systeem
voor BlueHDi-dieselmotoren
Om het milieu zo min mogelijk te belasten en
om aan de nieuwe Euro 6-norm te voldoen,
heeft CITROËN ervoor gekozen zijn auto's
met dieselmotor te voorzien van een systeem
waarbij het roetfilter (FAP) wordt gecombineerd
met een SCR-systeem (Selective Catalytic
Reduction) voor de behandeling van de
uitlaatgassen zonder dat de prestaties
veranderen of het brandstofverbruik toeneemt.
SCR-systeem
Met behulp van het additief AdBlue
®
, dat ureum bevat,
zet een katalysator tot 85% van de stikstofoxides
(NOx) om in stikstof en water, stoffen die onschadelijk
zijn voor de gezondheid en het milieu.
Het additief AdBlue
®
bevindt zich in een
specifiek reservoir onder de bagageruimte,
aan de achterzijde van de auto. Het reservoir
heeft een inhoud van 17 liter, goed voor een
actieradius van ongeveer 20.000 km voordat
een waarschuwingssysteem u meldt dat u
met de resterende hoeveelheid additief nog
maximaal 2400 km kunt rijden.
Om ervoor te zorgen dat het SCR-systeem
goed blijft werken, wordt bij elke periodieke
onderhoudscontrole aan uw auto in het
CITROËN-netwerk of bij een gekwalificeerde
werkplaats het reservoir van het additief
AdBlue
®
bijgevuld.
Als u verwacht tussen twee periodieke
onderhoudscontroles meer dan 20.000 km te
rijden, raden wij u aan het reservoir tussentijds
te laten bijvullen door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Als het AdBlue
®
-reservoir leeg is, zorgt
een wettelijk verplicht systeem ervoor
dat de motor niet opnieuw kan worden
gestart.
Als het SCR-systeem niet goed werkt,
stoot uw auto te veel schadelijke
stoffen uit, waardoor hij niet meer aan
de Euro 6-emissienorm voldoet.
Neem bij een storing in het SCR-
systeem zo snel mogelijk contact op
met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats: na
1100 km wordt een systeem
geactiveerd dat het opnieuw starten
van de motor blokkeert.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Actieradiusindicatoren
Zodra de reservevoorraad van het AdBlue
®
-
reservoir is aangesproken of een storing in het
SCR-systeem is gesignaleerd, verschijnt bij
het aanzetten van het contact een indicator die
aangeeft hoeveel kilometer u nog ongeveer
kunt rijden voordat het opnieuw starten van de
motor automatisch wordt geblokkeerd.
Als gelijktijdig een storing wordt gesignaleerd
en het AdBlue
®
-niveau laag is, wordt de laagste
actieradius weergegeven.
Als de motor mogelijk niet opnieuw kan worden gestart door een te
laag AdBlue
®
-niveau
Het wettelijk verplichte
startblokkeringssysteem wordt
automatisch geactiveerd zodra het
AdBlue
®
-reservoir leeg is.
Actieradius groter dan 2400 km
Als het contact wordt aangezet, wordt er niet
automatisch een melding over de actieradius
weergegeven op het instrumentenpaneel.
Druk op deze knop om de actieradius tijdelijk
weer te geven.
Bij een actieradius van meer dan 5000 km is de
waarde minder nauwkeurig.
255
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Zodra het contact wordt aangezet, gaat het
verklikkerlampje UREA branden in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
(bijvoorbeeld "Vul brandstofadditief bij: Starten
geblokkeerd binnen 1500 km") die aangeeft
hoeveel kilometer of mijl u nog kunt rijden met
de resterende hoeveelheid additief.
Tijdens het rijden wordt de melding elke
300 km weergegeven zolang er geen additief
is bijgevuld.
Neem contact op met het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats om het additief
AdBlue
®
te laten bijvullen.
U kunt het bijvullen ook zelf uitvoeren.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het bijvullen van het
additief AdBlue
®
.
Actieradius tussen 600 en 2400 km
Zodra het contact wordt aangezet, gaat het
verklikkerlampje SERVICE branden en knippert
het verklikkerlampje UREA in combinatie met een
geluidssignaal en een melding (bijvoorbeeld "Vul
brandstofadditief bij: Starten geblokkeerd binnen
600 km") die aangeeft hoeveel kilometer of mijl u nog
kunt rijden met de resterende hoeveelheid additief.
Tijdens het rijden wordt de melding elke
30 seconden weergegeven zolang er geen additief
is bijgevuld.
Neem contact op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het additief AdBlue
®
te laten bijvullen.
U kunt het bijvullen ook zelf uitvoeren.
Als niet op tijd additief wordt bijgevuld, kan de motor
niet meer worden gestart.
Actieradius tussen 0 en 600 km
Als het contact wordt aangezet, gaat het
verklikkerlampje SERVICE branden en knippert
het verklikkerlampje UREA in combinatie
met een geluidssignaal en de melding "Vul
brandstofadditief bij: Starten geblokkeerd".
Het AdBlue
®
-reservoir is leeg: het wettelijk
verplichte startblokkeringssysteem voorkomt
dat de motor opnieuw wordt gestart.
Storing in verband met een te laag
AdBlue
®
-niveau
Om de motor weer opnieuw te kunnen
starten, raden wij u aan contact op te
nemen met het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats om de
benodigde hoeveelheid additief te laten
bijvullen.
Als u zelf additief bijvult, moet het
reservoir met minimaal 3,8 liter
AdBlue
®
worden gevuld.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het bijvullen van het
additief AdBlue
®
.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
In het geval van een tijdelijke storing
verdwijnt de waarschuwing tijdens
de volgende rit na controle van de
zelfdiagnose van het SCR-systeem.
Er wordt automatisch een
startblokkeringssysteem geactiveerd
als meer dan 1100 km is gereden
nadat de storing in het SCR-systeem
is gesignaleerd. Laat het systeem
zo snel mogelijk controleren door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
De verklikkerlampjes UREA, SERVICE en
zelfdiagnose motor gaan branden in combinatie
met een geluidssignaal en de melding "Storing
emissieregeling".
De waarschuwing wordt tijdens het rijden
gegeven als de storing voor de eerste keer
wordt gesignaleerd en vervolgens steeds bij
het aanzetten van het contact zolang de storing
niet is verholpen.
Als een storing wordt gesignaleerd
Als een storing in het SCR-systeem is bevestigd
(nadat 50 km is gereden terwijl de melding van de
storing permanent wordt weergegeven), gaan de
verklikkerlampjes SERVICE en zelfdiagnose motor
branden en knippert het verklikkerlampje UREA
in combinatie met een geluidssignaal en een
melding (bijvoorbeeld "Storing emissieregeling:
Starten geblokkeerd binnen 300 km") die aangeeft
hoeveel kilometer of mijl u nog met de resterende
hoeveelheid additief kunt rijden.
Tijdens het rijden wordt de melding elke
30 seconden weergegeven zolang de storing in
het SCR-systeem niet is verholpen.
De waarschuwing wordt opnieuw weergegeven
zodra het contact wordt aangezet.
Neem zo snel mogelijk contact op met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Als u dit niet doet, kan de motor niet meer worden
gestart.
Tijdens de geautoriseerde rijfase
(tussen 1100 km en 0 km)
Als een storing in het SCR-systeem wordt gesignaleerd
257
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Elke keer dat het contact wordt aangezet, gaan
de verklikkerlampjes SERVICE en zelfdiagnose
motor branden en knippert het verklikkerlampje
UREA in combinatie met een geluidssignaal en
de melding "Storing emissieregeling: Starten
geblokkeerd".
Starten geblokkeerd
Om de motor weer te kunnen starten, is het
noodzakelijk dat u contact opneemt met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
U hebt de limiet van de geautoriseerde rijfase
overschreden: het startblokkerringssysteem
voorkomt dat de motor opnieuw wordt gestart.
Bevriezing van het additief AdBlue
®
Het additief AdBlue
®
bevriest bij
temperaturen lager dan ongeveer -11°C.
Het SCR-systeem is voorzien van een
voorverwarmingssysteem voor het
AdBlue
®
-reservoir waardoor u ook
in zeer koude omstandigheden kunt
blijven rijden.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Bijvullen van het additief AdBlue
®
Het AdBlue
®
-reservoir moet bij elke periodieke
onderhoudscontrole worden gevuld door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Vanwege de inhoud van het reservoir kan
het echter noodzakelijk zijn om het reservoir
tussentijds bij te vullen, zeker als u hier door
een waarschuwing (verklikkerlampjes en
melding) op wordt geattendeerd.
Dit kunt u laten uitvoeren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Als u zelf het reservoir wilt bijvullen, lees dan
eerst aandachtig de volgende waarschuwingen.
Gebruiksvoorschriften
Het additief AdBlue
®
is een oplossing op
ureumbasis. Deze vloeistof is onontvlambaar,
kleurloos en geurloos (indien koel bewaard).
Als het additief in contact komt met de huid,
moet u de huid wassen met kraanwater en met
zeep. Als additief in de ogen komt, spoel de
ogen dan onmiddellijk en grondig gedurende
ten minste 15 minuten met kraanwater of met
een oogspoelmiddel. Raadpleeg een arts bij
een branderig gevoel of blijvende irritatie.
Als additief AdBlue wordt ingeslikt, spoel
de mond dan met schoon water en drink
vervolgens een ruime hoeveelheid water.
Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld
bij een hoge omgevingstemperatuur) kan het
risico van het vrijkomen van ammoniakdampen
niet worden uitgesloten: adem deze niet in.
Deze ammoniakdampen werken irriterend op
de slijmvliezen (ogen, neus en keel).
Bewaar AdBlue
®
buiten het bereik van
kinderen, in de originele flacon.
Als het AdBlue
®
niet in de originele
flacon wordt bewaard, verliest het zijn
zuiverheid.
Gebruik uitsluitend additief AdBlue
®
dat aan de
norm ISO 22241 voldoet.
Verdun het additief nooit met water.
Giet nooit additief in de brandstoftank.
Vul nooit AdBlue
®
bij vanuit een
vulsysteem dat is bedoeld voor
vrachtwagens.
De verpakking in flacons met een
antidruppelsysteem vergemakkelijkt het
bijvullen. De flacons met een inhoud van
1,89 liter (1/2 gallon) zijn verkrijgbaar bij het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
259
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
Bewaar de flacons AdBlue
®
niet in uw
auto.
Controleer voor het bijvullen of de auto op een
vlakke en horizontale ondergrond staat.
Controleer 's winters of de
omgevingstemperatuur van de auto hoger
is dan -11°C. Als het kouder is, bevriest het
AdBlue
®
waardoor u het niet in het reservoir
kunt gieten. Laat uw auto enkele uren op een
warmere plaats staan en vul vervolgens het
reservoir bij.
Procedure voor bijvullen
F Druk op de START/STOP-knop om de
motor af te zetten.
F Til de vloerplaat van de bagageruimte op
voor toegang tot het AdBlue
®
-reservoir.
Houd het linkergedeelte omhoog met
bijvoorbeeld een tas.
Voorschriften voor opslag
AdBlue
®
bevriest bij temperaturen lager dan
ongeveer -11°C en verliest zijn kwaliteit bij
temperaturen vanaf 25°C. Het is raadzaam de
flacons koel en buiten direct zonlicht te bewaren.
Onder deze omstandigheden is het additief ten
minste één jaar houdbaar.
Additief dat bevroren is geweest, kan
weer worden gebruikt nadat het bij
kamertemperatuur volledig is ontdooid.
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
F Maak de zwarte plastic dop los met behulp
van de borglip.
F Steek uw vingers in de opening en draai
de blauwe dop een zesde omwenteling
linksom.
F Trek de dop om hem te verwijderen
voorzichtig omhoog, zonder hem los te
laten.
F Pak een flacon AdBlue
®
. Controleer de
houdbaarheidsdatum en lees vervolgens
aandachtig de gebruiksaanwijzing op het
etiket voordat u de inhoud van de flacon in
het AdBlue
®
-reservoir van uw auto giet.
261
Onderhoud
DS5_nl_Chap09_verifications_ed02-2015
F Veeg nadat u de flacon leeg hebt gegoten
met behulp van een vochtige doek
eventuele vloeistofsporen van de rand van
de vulopening van het reservoir.
F Breng de blauwe dop aan op de vulopening
van het reservoir en draai de dop een
zesde omwenteling rechtsom tot hij stuit.
F Breng de zwarte dop aan door hem op de
opening vast te klikken.
F Laat de vloerplaat van de bagageruimte
zakken en sluit de achterklep.
Belangrijk: als het AdBlue
®
-
reservoir van uw auto helemaal leeg
is - dit wordt aangegeven door de
waarschuwingsmeldingen en u kunt in
dat geval de motor niet meer opnieuw
starten -, moet u het reservoir vullen met
minimaal 3,8 liter additief. Daarvoor hebt
u twee flacons van 1,89 liter nodig.
Spoel gemorst additief onmiddellijk weg
met koud water of veeg het weg met een
vochtige doek.
Als het additief is gekristalliseerd, verwijder
het dan met een spons en warm water.
Belangrijk: als u additief hebt bijgevuld
nadat het reservoir leeg is geraakt,
aangegeven door de melding "Vul
additief bij: Starten verboden", dient u
ongeveer 5 minuten te wachten voordat
u het contact weer aanzet, zonder het
bestuurdersportier te openen, de auto
te ontgrendelen, de sleutel van het
"Keyless entry and start"-systeem in
het interieur terecht te laten komen of
de elektronische sleutel in de lezer te
steken.
Zet vervolgens het contact aan en start
na 10 seconden wachten de motor.
Voer de lege AdBlue
®
-flacons niet als
huisvuil af, maar deponeer ze in de
daartoe bestemde containers of breng
de flacons naar uw verkooppunt.
010
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Benzinemotoren THP 150 THP 160 THP 165 S&S THP 210 S&S
Versnellingsbakken
BVA6
(automaat
6 versnellingen)
BVA6
(automaat
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5FEA 5FMA - Y - A/D 5GZT/S - T/1S - T/2S 5GMM/S
Cilinderinhoud (cm
3
) 1598 1598 1598 1598
Boring x slag (mm) 77 x 85,8 77 x 85,8 77 x 85,8 77 x 85,8
Max.vermogen*: ECE-norm (kW) 110 120 121 155
Toerental bij max.vermogen (t/min) 6050 6000 6000 6000
Max.koppel: ECE-norm (Nm) 240 240 240 285
Toerental bij max.koppel (t/min) 1400 1400 1400 1750
Brandstof Loodvrij Loodvrij Loodvrij Loodvrij
Katalysator Ja Ja Ja Ja
Hoeveelheid motorolie
(met vervangen filter) (in liters)
4,25 4,25 4,25 4,25
Motoren en versnellingsbakken benzine-uitvoeringen
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
.../S: uitvoering met Stop & Start.
.../1: uitvoering met banden met lage rolweerstand.
.../2: uitvoering met banden met zeer lage rolweerstand.
265
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) benzine-uitvoeringen
Benzinemotoren THP 150 THP 160 THP 165 S&S THP 210 S&S
Versnellingsbakken
BVA6
(automaat
6 versnellingen)
BVA6
(automaat
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5FEA 5FMA - Y - A/D 5GZT/S - T/1S - T/2S 5GMM/S
- Ledig gewicht 1495 1495 1429 1430
- Gewicht rijklaar* 1570 1570 1504 1505
- Maximum technisch toegestane massa totaal 2030 2030 2017 2010
- Maximum toegestaan treingewicht
helling max. 12%
2830 2830 3117 2760
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan
treingewicht)
helling max. 10% of 12%
800 800 1100 750
- Aanhanger geremd** (met verminderde
belading auto, binnen max. toegestaan
treingewicht)
800 800 1400 1050
- Aanhanger ongeremd 745 745 750 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75 75
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger geldt een lagere maximumsnelheid (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Benzinemotoren THP 165 S&S THP 210 S&S
Versnellingsbakken
EAT6
(automaat 6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5GZT/S - T/1S - T/2S 5GMM/S
- Ledig gewicht 1539 1539
- Gewicht rijklaar* 1614 1614
- Maximum technisch toegestane massa totaal 2225 2160
- Maximum toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3225 2910
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1000 750
- Aanhanger ongeremd 750 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger geldt een lagere maximumsnelheid (in Nederland 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) benzine-uitvoeringen - N1-uitvoeringen.
267
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Motoren en versnellingsbakken dieseluitvoeringen
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
Dieselmotor BlueHDi 115 S&S BlueHDi 120 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering BHXM/S - M1/S - M2/S BHXT/S -T/1S -T/2S BHZM/S - M/1S - M/2S BHZT/S -T/1S -T/2S
Cilinderinhoud (cm
3
) 1560 1560
Boring x slag (mm) 75 x 88,3 75 x 88,3
Max. vermogen*: ECE-norm (kW) 85 88
Toerental bij max. vermogen (t/min) 3750 3750
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 300 300
Toerental bij max. koppel (t/min) 1750 1750
Brandstof Diesel Diesel
Katalysator Ja Ja
Roetfilter Ja Ja
Hoeveelheid motorolie (met vervangen filter) (in liters)
3,75 3,75
.../S: uitvoering met Stop & Start.
.../1: uitvoering met banden met lage rolweerstand.
.../2: uitvoering met banden met zeer lage rolweerstand.
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
Dieselmotor BlueHDi 135 S&S BlueHDi 150 S&S BlueHDi 180 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
EAT6
(automaat 6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering AHV AHSM/S - M/1S - M/2S AHX AHRM/S - M/1S - M/2S AHWT/S -T/1S -T/2S
Cilinderinhoud (cm
3
) 1997 1997 1997
Boring x slag (mm) 85 x 88 85 x 88 85 x 88
Max. vermogen*: ECE-norm (kW) 100 110 132
Toerental bij max. vermogen (t/min) 4000 4000 3750
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 320 370 400
Toerental bij max. koppel (t/min) 2000 2000 2000
Brandstof Diesel Diesel Diesel
Katalysator Ja Ja Ja
Roetfilter Ja Ja Ja
Hoeveelheid motorolie
(met vervangen filter) (in liters)
6,1 6,1 5,1
Motoren en versnellingsbakken dieseluitvoeringen
.../S: uitvoering met Stop & Start.
.../1: uitvoering met banden met lage rolweerstand.
.../2: uitvoering met banden met zeer lage rolweerstand.
269
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger geldt een lagere maximumsnelheid (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Dieselmotoren BlueHDi 115 S&S BlueHDi 120 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering BHXM/S - M/1S - M/2S BHXT/S -T/1S -T/2S BHZM/S - M/1S - M/2S BHZT/S -T/1S -T/2S
- Ledig gewicht 1428 1434 1428 1434
- Gewicht rijklaar* 1503 1509 1503 1509
- Maximaal technisch toegestane massa totaal 2020 2025 2020 2025
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3120 2775 3120 2775
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1100 745 1100 745
- Aanhanger geremd** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1400 1050 1400 1050
- Aanhanger ongeremd 745 740 745 740
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger geldt een lagere maximumsnelheid (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Dieselmotoren BlueHDi 135 S&S BlueHDi 150 S&S BlueHDi 180 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
EAT6
(automaat 6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering AHV AHSM/S - M/1S - M/2S AHX AHRM/S - M/1S - M/2S AHWT/S -T/1S -T/2S
- Ledig gewicht 1537 1537 1540
- Gewicht rijklaar* 1612 1612 1615
- Maximaal technisch toegestane massa totaal 2130 2130 2125
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3330 3330 3325
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1200 1200 1200
- Aanhanger geremd** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1500 1500 1500
- Aanhanger ongeremd 750 750 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) Diesel
271
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger gedlt een lagere maximumsnelheid (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Dieselmotoren BlueHDi 115 S&S BlueHDi 120 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld
6 versnellingen)
EAT6
(automaat
6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering BHXM/S -M/1S -M/2S BHXT/S - T/1S -T/2S BHZM/S - M/1S - M/2S BHZT/S - T/1S -T/2S
- Ledig gewicht 1528 1605 1528 1605
- Gewicht rijklaar* 1603 1680 1603 1680
- Maximaal technisch toegestane massa totaal 2150 2225 2150 2225
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3150 2800 3150 2800
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1000 575 1000 575
- Aanhanger ongeremd 745 575 745 575
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen - N1-uitvoeringen
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger geldt een lagere maximumsnelheid (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Dieselmotoren BlueHDi 135 S&S BlueHDi 150 S&S BlueHDi 180 S&S
Versnellingsbakken
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
BVM6
(handgeschakeld 6 versnellingen)
EAT6
(automaat 6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering AHV AHSM/S -M/1S -M/2S AHX AHRM/S - M/1S - M/2S AHWT/S - T/1S - T/2S
- Ledig gewicht 1635 1635 1634
- Gewicht rijklaar* 1710 1710 1709
- Maximaal technisch toegestane massa totaal 2255 2255 2255
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3305 3305 3305
- Aanhanger geremd (binnen max.
toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1050 1050 1050
- Aanhanger ongeremd 750 750 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen - N1-uitvoeringen
273
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Afmetingen (in mm)
Deze afmetingen zijn gemeten met een niet beladen auto.
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
Identicatie
De auto is voorzien van verschillende zichtbare merktekens voor de identificatie en registratie van de auto.
A. Serienummer onder de motorkap.
Dit nummer is ingeslagen in de carrosserie,
bij de schokdempersteun.
Controleer de bandenspanning
minimaal één keer per maand, bij koude
banden.
Een te lage bandenspanning
veroorzaakt een hoger
brandstofverbruik.
B. Serienummer op de onderste
voorruittraverse.
Dit nummer staat op een sticker en is
zichtbaar door de voorruit.
C. Constructeurssticker.
Dit nummer staat op een eenmalige
sticker op de portiersponning, aan
passagierszijde.
D.
Sticker bandenspanning/kleurcode van de lak.
Deze sticker is op de middenstijl aan
bestuurderszijde bevestigd,
en bevat de volgende informatie:
- bandenspanning zonder en met volle
belading,
- bandenmaat,
- bandenspanning van het reservewiel,
- kleurcode van de lak.
De achterste zijruit is van
polycarbonaat en kan daardoor niet
worden gegraveerd.
275
Technische gegevens
DS5_nl_Chap10_caracteristiques_ed02-2015
011
DS5_nl_Chap11a_audio_ed02-2015
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11b_BTA_ed02-2015
Noodoproep of Pechhulp
Wanneer de elektronische
eenheid airbags een botsing heeft
gedetecteerd, wordt onafhankelijk van
het eventueel afgaan van de airbags,
automatisch een noodoproep gedaan.
Noodoproep met lokalisatiefunctie
Druk in geval van nood langer
dan 2 seconden op deze toets.
Het knipperen van het groene LED-
lampje en een gesproken bericht
bevestigen dat de oproep naar de
helpdesk van "Noodoproep met
lokalisatiefunctie" is verstuurd*.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken,
wordt de oproep geannuleerd.
Het groene LED-lampje dooft.
De oproep wordt ook geannuleerd door, op
ieder willekeurig moment, de toets langer dan
8 seconden in te drukken.
Het groene LED-lampje blijft branden (zonder
te knipperen) wanneer de verbinding tot stand
is gebracht.
Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit.
Deze oproep wordt beheerd door de helpdesk
van "Noodoproep met lokalisatiefunctie" die
de informatie over de lokalisatie van de auto
ontvangt en een waarschuwing kan zenden
naar de gekwalificeerde hulpdiensten.
In landen waar de helpdesk niet operationeel
is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk
is geweigerd, wordt de oproep meteen
doorgestuurd naar de hulpdiensten (112),
zonder lokalisatie.
* Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde
voorwaarden en beschikbaarheid.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk.
Indien u gebruik maakt van de dienst
DS Connect BOX met SOS-pakket,
beschikt u ook over aanvullende
diensten via uw persoonlijke pagina
MyCITROËN op de CITROËN-
internetsite voor uw land. Ga hiervoor
naar www.citroen.com.
279
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11b_BTA_ed02-2015
* Deze dienst is afhankelijk van bepaalde
voorwaarden en beschikbaarheid.
Het CITROËN netwerk raadplegen.
Pechhulp met lokalisatiefunctie
Wanneer u uw auto buiten het
CITROËN-netwerk hebt gekocht,
raden wij u aan de aanwezigheid van
deze diensten bij het netwerk te laten
controleren en eventueel configureren.
In een meertalig land kunt u het
systeem laten configureren in de
officle landstaal van uw voorkeur.
Om technische redenenen, zoals het
verbeteren van de telematicadiensten
aan de klant, behoudt de fabrikant zich
het recht voor om op elk willekeurig
moment het telematicasysteem in de
auto te wijzigen.
Druk langer dan 2 seconden op
deze toets voor het aanvragen van
hulp bij het stranden van de auto.
Een gesproken bericht bevestigt
dat de oproep is verstuurd*.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken,
wordt de aanvraag geannuleerd.
Dit wordt bevestigd door een gesproken
bericht.
Werking van het systeem
Bij het aanzetten van het
contact gaat het groene lampje
3 seconden branden. Dit duidt
op een goede werking van het
systeem.
Als het oranje lampje blijft branden, moet de
noodbatterij worden vervangen.
In beide gevallen kan er mogelijk geen
noodoproep of pechhulpoproep worden
verstuurd.
Raadpleeg zo snel mogelijk een erkend
reparateur.
Het knipperen en vervolgens
doven van het oranje lampje duidt
op een storing in het systeem.
Bij een storing in het systeem kan er
wel met de auto worden gereden.
DS5_nl_Chap11b_BTA_ed02-2015
281
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Autoradio / Bluetooth
®
Inhoud
Basisfuncties 282
Stuurkolomschakelaars 283
Menu's 284
Audio 285
Telefoneren 292
Audio-instellingen 300
Menustructuur/menustructuren display(s) 301
Veelgestelde vragen 303
Het systeem is zodanig gecodeerd dat het alleen in uw auto
werkt.
Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen die zijn
volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto.
Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de autoradio
zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de accu ontladen raakt.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Basisfuncties
Aan/uit.
Volumeregeling.
Selecteren van een opgeslagen
voorkeuzezender.
Lang indrukken: opslaan van een zender als
voorkeuzezender.
Weergave van de lijst met ontvangen
radiozenders, nummers of CD/MP3-
speellijsten.
Lang indrukken: ordenen van MP3-/
WMA-bestanden / bijwerken van de
lijst met ontvangen radiozenders.
Instellen van de audio-opties:
klankkleur, hoge tonen, bassen,
loudness, geluidsverdeling,
balans links/rechts, voor/achter,
snelheidsafhankelijke volumeregeling.
Functie TA (verkeersinformatie) aan/
uit.
Lang indrukken: toegang tot de soort
informatie.
Automatisch zoeken naar zenders in
aflopende/oplopende volgorde.
Selecteren van het vorige/volgende
nummer van de CD, USB, Streaming audio.
Navigeren in een lijst.
Toegang tot het hoofdmenu.
Annuleren van de bewerking.
Omhoog in de menustructuur (menu
of afspeellijst).
Bevestigen of weergave van het
snelmenu.
Stapsgewijs zoeken naar een radiozender
met een lagere/hogere frequentie.
Selecteren van de vorige/volgende
MP3-afspeellijst.
Selecteren van de vorige/volgende map/
muziekstijl/artiest/playlist van het USB-
apparaat.
Navigeren in een lijst.
Selecteren van het golfbereik AM/FM.Selecteren van de geluidsbron:
Radio, CD, AUX, USB, Streaming.
Aannemen van een inkomende oproep.
Selecteren van de weergave op het
display:
Volledig scherm: Audio
(of telefoon als er een gesprek gaande is)/
Verkleind scherm: Audio (of telefoon
als er een gesprek gaande is) - Tijd of
Boordcomputer.
Lang indrukken: scherm uit (DARK).
283
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Stuurkolomschakelaars
Media: veranderen van
multimediabron.
Telefoon: gesprek aannemen.
Tijdens telefoongesprek: toegang
tot het menu Telefoon (gesprek
beëindigen, privacy-modus,
handsfree-modus).
Telefoon, ingedrukt houden:
inkomend gesprek weigeren, gesprek
beëindigen; als de telefoon niet
wordt gebruikt: toegang tot het menu
Telefoon.
Verlagen van het volume.
Radio, draaien: automatisch zoeken
naar vorige/volgende zender.
Media, draaien: vorige/volgende
track.
Drukken: bevestigen van een
selectie.
Radio: weergeven van de zenderlijst.
Media: weergeven van de track list.
Radio, ingedrukt houden: bijwerken
van de zenderlijst.
Verhogen van het volume.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Menu's
Display C
"Multimedia": Parameters media,
Radio-instellingen.
"Bluetooth-verbinding":
Verbindingen beheren, Extern
apparaat zoeken.
"Telefoon": Bellen, Beheer
adresboek, Beheer telefoon,
Ophangen
"Persoonlijke instellingen -
Configuratie": Parameters van auto
definiëren, Taalkeuze, Configuratie
display, Keuze van eenheden, Datum
en tijd instellen.
Raadpleeg voor een compleet
overzicht van de beschikbare menu's
de rubriek "Menustructuur display".
285
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Selecteren van een zender
De omgeving waarin u rijdt (bergen,
hoge gebouwen, bruggen, tunnels
enz.) kan leiden tot een slechte
ontvangst, ook als de RDS-functie
is ingeschakeld. Dit is een normaal
verschijnsel en heeft niets te maken
met een storing in de radio.
Druk een paar keer achter elkaar op
SOURCE of SRC om de radiofunctie
te selecteren.
Druk op BAND om het golfbereik te
selecteren.
Druk op LIST voor een overzicht
van de opgeslagen zenders in
alfabetische volgorde.
Selecteer de gewenste zender en
bevestig uw keuze door op OK te
drukken.
Druk een keer om naar de volgende
of vorige letter te gaan (bijv.: A, B, D,
F, G, J, K, ...).
Audio
Houd LIST even ingedrukt om een
nieuwe lijst met voorkeuzezenders te
maken; de radio-ontvangst wordt dan
tijdelijk onderbroken.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
RDS
Selecteer "RDS" en bevestig uw
keuze.
Op het scherm verschijnt "RDS".
Druk als de radiogegevens op het
scherm worden weergegeven op OK
om naar het contextmenu te gaan.
Selecteer één of meerdere
categorieën of maak een selectie
ongedaan om de ontvangst van de
desbetreffende berichten in of uit te
schakelen.
Houd de toets TA INFO even
ingedrukt voor een overzicht van
categorieën.
Druk op TA INFO om de weergave
van verkeersinformatie in- of uit te
schakelen.
Als de RDS-functie is ingeschakeld,
zoekt de radio steeds naar de sterkste
frequentie van een zender, zodat u ernaar
kunt blijven luisteren. Sommige RDS-
zenders zijn echter niet in het hele land
te ontvangen, omdat de frequenties van
de zender niet het hele land dekken. Dit
verklaart dat de zender tijdens het rijden
kan wegvallen.
Verkeersinformatie beluisteren TA
De functie TA (Traffic Announcement)
geeft voorrang aan het luisteren naar
verkeersberichten. Om te worden geactiveerd
moet deze functie een radiozender die deze
berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen.
Zodra een verkeersbericht wordt uitgezonden,
wordt de geluidsbron die op dat moment wordt
weergegeven (Radio, CD, USB, ...) automatisch
onderbroken en wordt het verkeersbericht
weergegeven. Zodra het verkeersbericht
is afgelopen, wordt de weergave van de
oorspronkelijke geluidsbron hervat.
De functie INFO geeft voorrang aan
de verkeersinformatie. Om te kunnen
functioneren moet er op een zender
die dit soort informatie meestuurt,
afgestemd zijn en moet het signaal
sterk genoeg zijn. Zodra er een bericht
verschijnt, wordt de weergave van
de geluidsbron (Radio, CD, USB...)
automatisch onderbroken om het
bericht weer te geven. Na afloop van
het bericht wordt de geluidsweergave
weer hervat.
Berichten beluisteren
287
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Tekstberichten weergeven
Tekstberichten worden door een
radiozender tijdens het luisteren naar
de muziek meegestuurd.
Audio-CD
Druk als de radiogegevens op het
scherm worden weergegeven op OK
om naar het contextmenu te gaan.
Selecteer "RadioText (TXT)" en
bevestig uw keuze met OK.
Houd een van de toetsen ingedrukt
om versneld vooruit of terug te
spoelen.
Druk op de toets LIST om de lijst met
nummers van de CD weer te geven.
Druk op een van de toetsen om een
nummer van de CD te selecteren.
Als er in de CD-speler al een CD is
geplaatst die u wilt beluisteren, druk
dan herhaalde malen op de toets
SOURCE of SRC en selecteer "CD".
Display C
Een CD afspelen
Gebruik alleen ronde CD's met een
diameter van 12 cm.
Bepaalde beveiligingssystemen op
de originele CD of zelfgebrande
CD's kunnen storingen veroorzaken,
ongeacht de kwaliteit van de CD-speler.
Plaats zonder op de toets EJECT te
drukken een CD in de CD-speler; deze
zal de CD automatisch afspelen.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
CD, USB
Informatie en tips
De autoradio speelt uitsluitend bestanden
met de extensie ".mp3" of "wma" met een
vaste of variabele compressie van 32 Kbps tot
320 Kbps.
Gebruik voor bestandsnamen maximaal
20 karakters en gebruik geen speciale tekens
(bijv.: ", ?, ù) om problemen met het afspelen of
de weergave te voorkomen.
Gebruik uitsluitend USB-sticks met de
bestandsindeling FAT32 (File Allocation Table).
Playlists moeten van het type .m3u of .pls zijn.
Het maximum aantal bestanden bedraagt
5.000 verdeeld over 500 afspeellijsten op
maximaal 8 verschillende niveaus.
Selecteer voor het branden van een CD-R of
CD-RW de standaard ISO 9660 niveau 1, 2 of
bij voorkeur Joliet om deze te kunnen afspelen.
Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan
het zijn dat deze niet goed wordt afgespeeld.
Het is raadzaam voor één CD niet meer dan
één standaard voor het branden te gebruiken.
Stel de laagst mogelijke snelheid (maximaal 4x)
in voor een optimale geluidskwaliteit.
Voor het branden van een multisessie-CD is
het raadzaam de standaard Joliet te gebruiken.
Sluit geen externe harde schijf of USB-
apparaten die niet bestemd zijn voor
audioweergave aan op de USB-poort;
hierdoor zou namelijk de audio-
installatie beschadigd kunnen raken.
Op deze schijf kunt u ook 255 MP3-
bestanden zetten, verdeeld over
8 niveaus. Wij raden echter aan om
ze over hooguit 2 niveau's te verdelen
om de duur van het lezen van de CD
beperkt te houden.
Bij het lezen van de CD wordt de
menustructuur genegeerd.
289
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
CD, USB
Een playlist afspelen
Druk op een van de toetsen om
het vorige of volgende nummer te
selecteren.
Druk op LIST om de menustructuur
van de bestanden weer te geven.
Houd een van de toetsen ingedrukt
om snel vooruit of terug te spelen.
Druk op een van de toetsen om de
vorige of volgende afspeellijst te
kiezen.
Als er al een CD in het apparaat zit
of een USB-stick is aangesloten die
u wilt beluisteren, druk dan een paar
keer op SOURCE of SRC en kies dan
"CD" of "USB".
Plaats een MP3-CD in de speler of
sluit een USB-apparaat rechtstreeks
of met een kabeltje aan op de USB-
aansluiting.
Het systeem leest alle afspeellijsten en slaat
ze op in het tijdelijke geheugen; dit kan enkele
seconden tot enkele minuten duren.
Elke keer als het contact wordt aangezet en
als er een nieuwe verbinding via de USB-
stick wordt gemaakt, worden de afspeellijsten
bijgewerkt.
Het afspelen begint vanzelf na enige tijd; hoe
lang dit duurt is afhankelijk van de capaciteit
van de USB-stick.
De eerste keer dat er verbinding wordt
gemaakt, wordt voorgesteld om een indeling
per bestand te maken. Als er later opnieuw
verbinding wordt gemaakt, blijft de bestaande
indeling behouden.
Selecteer een regel uit de lijst.
Selecteer een nummer of een
bestand.
Omhoog in de menustructuur.
Naar het volgende/vorige
muziekstuk.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
USB-stick - Afspeellijsten
indelen
Druk even op LIST of op MENU,
selecteer "Multimedia", dan
"Parameters media" en ten slotte
"Indeling afspeellijst kiezen" om de
indelingen weer te geven.
Druk na het kiezen van de indeling
("Per map"/"Per artiest"/"Per
genre"/"Per playlist") op OK.
Druk vervolgens nogmaals op OK om
de wijzigingen op te slaan.
- Per map: alle mappen met
audio-bestanden worden
in een algemeen overzicht
en alfabetisch geordend
weergegeven, zonder dat daarbij
rekening is gehouden met de
mappenstructuur.
- Per artiest: alle artiestennamen
worden weergegeven in ID3 Tag
en in alfabetische volgorde.
- Per genre: alle genres worden
weergegeven in ID3 Tag.
- Per playlist: zoals weergegeven
in de playlist.
USB-spelers
Het bedienen van de randapparatuur
gebeurt via de audio-installatie in de auto.
* Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw speler.
U kunt audio-bestanden op een Mass Storage Device*
via de luidsprekers van de audio-installatie in de auto
beluisteren door het apparaat met een geschikte kabel
(niet meegeleverd) op de USB-aansluiting aan te sluiten.
Als de speler bij het aansluiten op de USB-
aansluiting niet wordt herkend, sluit deze dan
aan op de Jack-aansluiting.
Zorg voor een regelmatige update van de
software van de Apple
®
-speler om zeker te zijn
van een goede verbinding.
De afspeellijsten zijn dezelfde als die op de
Apple
®
-speler.
De Apple
®
-speler moet er een van de vijfde
generatie of een recentere versie zijn.
291
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Druk een paar keer op SOURCE of
SRC en selecteer "AUX".
Stel eerst het geluidsvolume op het externe
apparaat in.
Stel dan het geluidsvolume van de
autoradio van de auto in.
In sommige gevallen moet het afspelen
van audiobestanden via het toetsenbord
van de telefoon gestart worden.
Sluit eenzelfde extern apparaat
niet tegelijkertijd aan via de USB-
aansluiting en de Jack-aansluiting.
AUX-aansluiting
De Jack AUX-aansluiting is bedoeld om een
extern (Non Mass Storage) apparaat of een
Apple
®
-speler aan te sluiten als die niet via de
USB-poort herkend wordt.
Sluit het externe apparaat met behulp van een
adapterkabel (niet meegeleverd) op de Jack-
aansluiting aan.
De weergave van de informatie en de
bediening gebeurt via het externe apparaat.
Kies "streaming-audio" als geluidsbron
door op de toets SOURCE of SRC
te drukken. Via de toetsen van de
radio kunt u op de gebruikelijke wijze
de muziekstukken aansturen. De
informatie over de muziekstukken kan
op het display worden weergegeven.
De telefoon koppelen: zie het
hoofdstuk TELEFOON.
Streaming - Audio via
Bluetooth
Afhankelijk van de technische
specicaties van de telefoon
Met streaming-audio kunt u muziekbestanden
op uw telefoon via de luidsprekers van de
audio-installatie in de auto beluisteren.
De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-
profielen (A2DP/AVRCP) ondersteunen.
De kwaliteit van de weergave is afhankelijk van
de kwaliteit van het signaal van de telefoon.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon
aan het Bluetooth-systeem van uw
autoradio mag om veiligheidsredenen
en vanwege het feit dat deze handeling
de volledige aandacht van de
bestuurder vraagt, uitsluitend worden
uitgevoerd bij stilstaande auto en met
aangezet contact.
Ga voor meer informatie
(compatibiliteit, extra hulp enz.) naar
www.citroen.nl.
Er zijn verschillende afspeelmethodes:
- Normaal: de tracks worden in
de normale volgorde volgens de
afspeellijst afgespeeld.
- Shuffle: de tracks van een
album of een map worden in een
willekeurige volgorde afgespeeld.
- Shuffle uitgebreid: alle tracks van
alle mediaspelers worden in een
willekeurige volgorde afgespeeld.
- Herhaling: alleen de tracks van
dit album of deze map worden
afgespeeld.
Selecteer "Multimedia" en bevestig
uw keuze.
Selecteer "Parameters media" en
bevestig uw keuze.
Selecteer "Afspeelmodus" en
bevestig uw keuze.
Kies de gewenste afspeelmethode
en bevestig uw keuze met OK om de
instellingen op te slaan.
Druk op MENU.
Druk op OK om naar het
contextmenu te gaan.
of
Druk op MENU.
Afspeelmethode
Telefoneren
Een telefoon koppelen
Eerste koppeling
De beschikbare functies zijn afhankelijk van het
netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van
de gebruikte Bluetooth apparaten. Raadpleeg
de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of
neem contact op met uw provider voor meer
informatie over de beschikbare functies.
Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon
en controleer of uw telefoon "voor elk apparaat
zichtbaar" is (zie de gebruiksaanwijzing van uw
telefoon).
293
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
U kunt ook via de telefoon de
koppeling tot stand brengen door naar
gedetecteerde Bluetooth apparatuur te
zoeken.
Het adresboek en de gesprekkenlijst zijn
na de synchronisatie beschikbaar (mits
de telefoon compatibel is).
De automatische verbinding moet in
de telefoon ingesteld worden om elke
keer bij het aanzetten van het contact
automatisch verbinding te kunnen maken
met de telefoon.
Op het scherm van de telefoon wordt een
bericht weergegeven: voer dezelfde code in en
bevestig uw invoer.
Selecteer " Bluetooth-verbinding "
en bevestig uw keuze.
Op het scherm wordt een
toetsenbord weergegeven: voer een
code van minimaal 4 cijfers in en
bevestig uw invoer met OK.
Selecteer " Extern apparaat zoeken ".
Selecteer in de lijst de te koppelen
telefoon en bevestig uw keuze. U
kunt slechts één telefoon per keer
koppelen.
Er wordt een venster weergegeven met de tekst
"Bezig met zoeken…".
Soms verschijnt de referentie van de telefoon
of het Bluetooth-adres in plaats van de naam
van de telefoon.
Mocht de koppeling niet gelukt zijn dan kunt u het,
een onbeperkt aantal keren, nogmaals proberen.
Accepteer de koppeling op de telefoon.
Op het scherm verschijnt een bericht ter
bevestiging van de koppeling.
Streaming - Audio via
Bluetooth
De telefoon koppelen en vervolgens
muziekbestanden afspelen: zie de rubriek
"Koppelen".
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
De verbinding met de telefoon is
automatisch ook geschikt voor
Bleutooth en Streaming audio.
De mogelijkheid van het systeem om
één profiel te koppelen hangt af van de
telefoon. Het is mogelijk dat standaard
beide profielen worden gekoppeld.
Geeft aan dat een apparaat is
verbonden.
Geeft aan dat er een geschikte
verbinding voor Streaming audio is.
Geeft aan dat er een geschikte
verbinding voor een handsfree
telefoon is.
Druk op MENU.
Verbindingen beheren
Selecteer "Bluetooth-verbinding"
en bevestig uw keuze.
Selecteer "Verbindingen
beheren" en bevestig uw keuze. Er
verschijnt nu een overzichtje van de
gekoppelde telefoons.
Vervolgens selecteert en bevestigt u:
- "Aansluiten telefoon"/"Telefoon
afsluiten": voor het maken of
verbreken van de verbinding met
een telefoon of de handsfree set.
- "Aansluiten mediaspeler"/
"Mediaspeler afsluiten": voor
het maken of verbreken van een
verbinding voor Streaming audio.
- "Aansluiten telefoon en
mediaspeler"/"Telefoon +
mediaspeler afsluiten": voor
het maken of verbreken van de
verbinding met de telefoon én
Streaming audio.
- "Verbinding verwijderen":
de koppeling met de telefoon
verbreken.
Selecteer een telefoon en bevestig
uw keuze.
295
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Naar het menu "TELEFOON":
- Houd SOURCE of SRC even
ingedrukt.
- Of druk op OK om naar het
contextmenu te gaan. Selecteer
"Bellen" en bevestig uw keuze.
- Of druk op MENU, selecteer en
bevestig "Telefoon", selecteer
dan "Bellen" en bevestig uw
keuze.
Selecteer "Nummer kiezen" en
bevestig uw keuze om een nummer
op te kunnen geven.
Selecteer OK en bevestig uw keuze
om het bellen te starten.
Selecteer de cijfers één voor één met
behulp van de toetsen 7 en 8 en
bevestig uw invoer.
Bellen - nummer kiezen
Als u een fout maakt, kunt u de nummers één
voor één wissen.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
In de gesprekkenlijst zijn de nummers van alle
binnenkomende en uitgaande gesprekken
opgeslagen sinds de laatste keer dat de auto met
de desbetreffende telefoon werd verbonden.
U kunt ook rechtstreeks met de
telefoon bellen. Zet in dat geval uit
veiligheidsoverwegingen de auto stil.
Om het menu "TELEFOON" weer te
geven:
- Houd SRC/TEL lang ingedrukt.
- Of druk op de rolknop om
het snelmenu weer te geven.
Selecteer "Bellen" en bevestig
uw keuze.
- Of druk op MENU, selecteer
"Telefoon" en bevestig uw
keuze. Selecteer "Bellen" en
bevestig uw keuze.
Om het menu "TELEFOON" weer te
geven:
- Houd SRC/TEL lang ingedrukt.
- Of druk op de rolknop om
het snelmenu weer te geven.
Selecteer "Bellen" en bevestig
uw keuze.
- Of druk op MENU, selecteer
"Telefoon" en bevestig uw
keuze. Selecteer "Bellen" en
bevestig uw keuze.
Selecteer "Gesprekkenlijst" en
bevestig uw keuze.
Selecteer "Adresboek" en bevestig
uw keuze.
Selecteer het gewenste nummer en
bevestig dit om het bellen te starten.
* Afhankelijk van de specificaties van de telefoon.
Bellen - laatst gekozen
nummers*
Bellen - Vanuit het
adresboek
297
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Druk tijdens het gesprek op OK om
naar het contextmenu te gaan.
U kunt een gesprek ook weigeren
door ESC, TEL, SOURCE of SRC
even ingedrukt te houden.
Selecteer een adres en bevestig uw keuze.
Selecteer het nummer en bevestig
uw keuze.
Standaard is het systeem ingesteld
op "JA" om het gesprek aan te
nemen.
Druk op OK om het gesprek aan te
nemen.
Selecteer "NEE" en bevestig uw
keuze om het gesprek te weigeren.
of
Druk op een van deze toetsen om het
gesprek aan te nemen.
Selecteer in het contextmenu
"Gespr. beëindigen" om het gesprek
te beëindigen.
U kunt ook een van deze toetsen
even ingedrukt houden om het
gesprek te beëindigen.
Thuis
Een gesprek aannemen
Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en
verschijnt een pop-upvenster op het display
van het instrumentenpaneel.
Werk
GSM
(afhankelijk van de
beschikbare gegevens in het
geheugen van de telefoon).
Gesprekken beheren
Ophangen
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
(de gesprekspartner kan niet
meeluisteren)
In het contextmenu:
- vink "Micro OFF" aan om de
microfoon uit te schakelen.
- vink "Micro OFF" uit om de
microfoon weer in te schakelen.
In het contextmenu:
- vink "Doorschakelfunctie" aan
om het gesprek via de telefoon
voort te zetten.
- vink "Doorschakelfunctie" uit
om het gesprek via de auto voort
te zetten.
Selecteer in het contextmenu
"DTMF-tonen" en bevestig uw
keuze om het digitale toetsenbord te
kunnen gebruiken om door het menu
van de interactieve spraakserver te
surfen.
Selecteer in het contextmenu
"Wisselgesprek" en bevestig uw
keuze om een in de wacht gezet
gesprek weer voort te zetten.
Privé-gesprek Doorschakelfunctie
(om de auto te kunnen verlaten zonder het gesprek
te onderbreken)
Spraakserver
Wisselgesprek
In sommige gevallen moet u deze
doorschakelfunctie via de telefoon kiezen.
Als het contact is afgezet, wordt de Bluetooth-
verbinding automatisch weer tot stand gebracht
als u in de auto stapt (afhankelijk van de
specificaties van de telefoon).
299
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Druk op MENU als u gegevens van
contacten wilt veranderen, selecteer
dan "Telefoon" en bevestig uw
keuze.
Selecteer "Beheer contacten" en
bevestig uw keuze.
U kunt kiezen uit:
- "Item raadplegen",
- "Item verwijderen",
- "Alle items verwijderen".
Houd SOURCE of SRC even ingedrukt
om de contactenlijst op te vragen
of druk op OK, selecteer "Bellen" en
bevestig uw keuze.
Het systeem heeft, afhankelijk van
de compatibiliteit van de telefoon en
gedurende de Bluetooth-verbinding,
toegang tot de contactenlijst van de
telefoon.
Vanaf bepaalde typen gekoppelde
Bluetooth-telefoons kunt u contacten
vanuit de telefoon opslaan in het
geheugen van de autoradio.
De op deze manier geïmporteerde
contacten worden opgeslagen in
een contactenlijst die, ongeacht
welke telefoon is gekoppeld, vrij
toegankelijk is.
Het menu van de contactenlijst is
niet beschikbaar als de contactenlijst
leeg is.
Selecteer "Contacten" voor een
overzicht van alle contacten.
Contactenlijst
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Audio-instellingen
Display C
De audio-instellingen Klankkleur, Hoge
tonen en Bass zijn andere instellingen, die u
voor elke geluidsbron apart kunt verrichten.
Geïntegreerd audiosysteem: het Sound
Staging-systeem van Arkamys
©
zorgt voor
een betere geluidsverdeling in het interieur.
De verdeling (of de ruimtelijke verdeling
dankzij het Arkamys
©
-systeem) van het
geluid is een audio-instelling die zorgt
voor een optimale geluidsweergave
afgestemd op het aantal inzittenden in
de auto.
Druk op ¯ om het menu met de
audio-instellingen op te vragen.
De volgende instellingen zijn mogelijk:
- Klankkleur,
- Bass,
- Hoge tonen,
- Loudness,
- Verdeling: Persoonlijk of Bestuurder,
- Balans,
- Fader (balans voor/achter),
- Autom. volumeregeling
Selecteer en bevestig "Overige
instellingen…" voor nog meer
instellingen.
301
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Menustructuur/menustructuren display(s)
Keuze A
Keuze A11
Keuze B...
Parameters media
MEDIA
TELEFOON
Afspeelmodus kiezen
Indeling afspeellijst kiezen
Keuze A1
Normaal
Per map
Shuffle uitgebreid
Per genre
Shuffle
Per artiest
Herhaling
Per playlist
3
3
3
3
3
3
3
3
3
1
1
2
1
2
2
Basisfunctie
Bellen
Radio-instellingen
Telefoonboek
Logboek
Voicemail
Nummer kiezen
Beheer index
Beheer telefoon
Gespr. beëindigen
Beheer aansluitingen
BLUETOOTH-VERBINDING
Extern apparaat zoeken
Een bestand verwijderen
Alle bestanden verwijderen
Een bestand raadplegen
Telefoonstatus
1
1
1
1
1
2
2
2
2
1
1
2
2
2
2
Display C
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
Taalkeuze
Parameters van de auto
deniëren
PERSOONLIJKE INSTELLING -
CONFIGURATIE*
Conguratie beeldscherm
* De parameters zijn afhankelijk van het
uitrustingsniveau van uw auto.
Keuze van eenheden
Instellingen display
Datum en tijd instellen
Lichtsterkte
1
1 1
2
2
2
2
303
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Er is een verschil in
geluidskwaliteit tussen
de verschillende
geluidsbronnen (radio,
CD...).
Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) voor elke geluidsbron
afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een
andere geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit
hoorbaar zijn.
Controleer of de audio-instellingen (volume, bassen,
hoge tonen, klankkleur, loudness) zijn afgestemd op
de verschillende geluidsbronnen. Het is raadzaam
de AUDIO-functies (bassen, hoge tonen, balans
V-A, balans L-R) in de middelste stand te zetten,
de klankkleur "Geen" te selecteren en de functie
Loudness in de stand "Actief" te zetten als de CD-
speler is geselecteerd en in de stand "Inactief" te
zetten als de radio is geselecteerd.
Bij het veranderen van de
instellingen voor de bassen en
hoge tonen wordt de gekozen
klankkleur uitgeschakeld.
Bij een klankkleur hoort een specifieke instelling voor de bassen en
hoge tonen.
Om de gewenste geluidsweergave te verkrijgen
moeten de instellingen van de bassen en hoge
tonen worden gewijzigd of moet een klankkleur
worden geselecteerd.
Bij het veranderen van de
klankkleur worden de gekozen
instellingen voor de bassen en
hoge tonen uitgeschakeld.
Bij het veranderen van de
geluidsverdeling "Bestuurder" / "Alle
inzittenden" worden de instellingen
van de balans uitgeschakeld.
Bij een instelling voor de geluidsverdeling hoort een specifieke
instelling voor de balans. Het is niet mogelijk dit afzonderlijk van
elkaar in te stellen.
Om de gewenste geluidsweergave te verkrijgen
moeten de instellingen voor de balans of de
geluidsverdeling worden gewijzigd.
Bij het veranderen van de
instellingen voor de balans wordt
de geluidsverdeling "Bestuurder" of
"Alle inzittenden" uitgeschakeld.
Veelgestelde vragen
In de volgende tabellen vindt u een antwoord op veelgestelde vragen.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
De ontvangstkwaliteit van
de beluisterde radiozender
neemt geleidelijk af of de
voorkeuzezenders kunnen
niet worden ontvangen
(geen geluid, 87,5 Mhz
wordt weergegeven...).
De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde
radiostation of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de
auto zich bevindt.
Activeer de functie RDS om het systeem te laten
controleren of er een sterkere zender in het
gebied aanwezig is.
De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.)
veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is
ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te
maken met een storing in de autoradio.
De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een
wasstraat of parkeergarage).
Laat de antenne controleren door het CITROËN-
netwerk.
Het geluid van de radio
valt 1 tot 2 seconden weg.
Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid
naar een andere frequentie voor een betere ontvangst van de
radiozender.
Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel
zich te vaak en steeds op hetzelfde traject
voordoet.
De functie TA
(verkeersinformatie) is
ingeschakeld, maar ik krijg geen
verkeersinformatie te horen.
De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het
regionale netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden.
Stem af op een zender die wel verkeersinformatie
uitzendt.
De voorkeuzezenders kunnen
niet worden ontvangen
(geen geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND om het golfbereik
te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn
opgeslagen.
305
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
De CD wordt steeds
uitgeworpen of kan niet
worden afgespeeld door
de CD-speler.
De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden
gelezen, bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die
niet door de autoradio gelezen kunnen worden.
De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de
autoradio wordt herkend.
-
Controleer of de CD met de juiste zijde boven in de
speler is geplaatst.
-
Controleer de staat van de CD: de CD kan niet
worden gelezen als deze te veel is beschadigd.
-
Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is
gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio.
-
De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's
afspelen.
-
De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is
onvoldoende om deze door de autoradio te laten
afspelen.
De CD-speler levert een
slechte geluidskwaliteit.
De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg
ze zorgvuldig op.
De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, klankkleur) zijn niet op
de CD-speler afgestemd.
Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen
op 0, zonder een klankkleurte selecteren.
Het lukt niet om mijn
Bluetooth-telefoon te
koppelen.
Mogelijk is de Bluetooth-functie van de telefoon uitgeschakeld of is
het toestel niet zichtbaar voor andere apparatuur.
- Controleer of de Bluetooth-functie van uw
telefoon is ingeschakeld.
- Controleer in de instellingen van de telefoon
of deze zichtbaar is voor alle apparaten.
De Bluetooth-telefoon is niet compatibel met het systeem. U kunt controleren of uw telefoon compatibel is
op www.citroen.nl (Services).
De Bluetooth-verbinding
wordt onderbroken.
De batterijspanning van de randapparatuur is misschien te laag. Laad de batterij van de randapparatuur op.
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Op het display wordt
de melding "Storing
USB-randapparatuur"
of "Randapparatuur niet
herkend" weergegeven.
De USB-stick wordt niet herkend.
De stick is misschien defect.
Formateer de stick opnieuw (FAT 32).
Een telefoon wordt
automatisch aangesloten
als een verbinding met
een andere telefoon wordt
verbroken.
Automatisch verbinding maken heeft voorrang op handmatig
verbinding maken.
Verander de instellingen van de telefoon om het
automatisch verbinding maken uit te schakelen.
De Apple
®
-speler wordt bij
het aansluiten op de USB-
aansluiting niet herkend.
De Apple
®
-speler is niet compatibel met een USB-aansluiting. Sluit de Apple
®
-speler met een geschikte kabel
(niet meegeleverd) via de AUX-ingang aan.
De harde schijf of andere
randapparatuur wordt bij
het aansluiten op de USB-
aansluiting niet herkend.
Sommige schijven en randapparatuur hebben meer stroom nodig
dan de voeding die de radio levert.
Sluit de randapparatuur op het 230V-
stopcontact, de 12V-aansluiting of een externe
voedingsbron aan.
Let op: controleer of de randapparatuur zelf
geen signaal van meer dan 5 V afgeeft (kans op
schade).
Tijdens streaming audio
wordt het geluid tijdelijk
onderbroken.
Sommige telefoonmodellen geven voorrang aan de handsfree-
verbinding.
Schakel de "handsfree"-verbinding uit voor een
betere weergave van de streaming-audio.
307
Audio en telematica
DS5_nl_Chap11d_RD5_ed02-2015
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Bij het lezen tijdens
"Shuffle uitgebreid"
worden sommige
nummers overgeslagen.
De "Shuffle uitgebreid" kan maximaal 999 nummers lezen.
Na het afzetten
van de motor wordt
de radio na enkele
minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de
laadtoestand van de accu dat toestaat.
Het uitschakelen is normaal: de eco-mode wordt automatisch
geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto zo ver
ontladen raakt dat de motor niet meer gestart kan worden (zie de
rubriek "Eco-mode").
Start de motor om de accu op te laden.
De melding "het
audiosysteem is
oververhit" verschijnt op
het display.
Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge
omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een
thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-
speler uitschakelt.
Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om
het systeem te laten afkoelen.
Index
A
Aanhanger...............................................99, 231
Aanhangergewichten ............................265, 269
Aansluiting 12V .........................................82, 83
Aansteker ........................................................ 83
Accessoires...........................................101, 234
Accessoirestand ........................................... 101
Accu ...............................................223-227, 251
Accu laden ....................................................225
Achterbank ................................................ 77, 79
Achterlichten .................................................233
Achterruitverwarming ...............................80, 95
Achteruitrijcamera .........................................138
Achteruitrijlicht .............................................. 216
Actieradius AdBlue ...............................254, 255
AdBlue
®
...........................................29, 253, 258
AdBlue
®
-niveau ............................................. 253
AdBlue
®
-reservoir .................................253, 258
Additief AdBlue ...................... 29, 253, 254, 258
Afmetingen .................................................... 273
Afstandsbediening .............................. 52-55, 60
Afstandsbediening, batterij ....................... 59, 60
Afstandsbediening, batterij vervangen ...........59
Afstandsbediening synchroniseren ................59
Afstellen van de koplamphoogte ..................150
Airbags .................................................... 31, 189
Airbags vóór ..........................................189, 192
Airconditioning ................................................ 14
Airconditioning, automatische ..................90, 91
Airconditioning (handbediend) .......................90
Alarmknipperlichten ................................88, 180
Alarmsysteem .................................................63
Algemeen menu ............................................ 284
Allesdragers .................................................. 232
Allesdragers monteren .................................232
Antiblokkeersysteem (ABS) ..........................182
Antislipregeling ....................................... 27, 182
Armleuning ......................................................82
Armleuning achter ...........................................86
Armleuning vóór ..............................................85
Asbak (uitneembaar) .......................................82
Audio-aansluitingen ........................85, 290, 291
Automatische ruitenwissers ..................153, 155
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht .................................20, 147
Automatisch inschakelen
alarmknipperlichten .................................... 180
Automatisch inschakelen verlichting ....143, 146
Autoradio .................................................39, 281
Autoradio, bedieningen aan stuurkolom .......283
AUX-aansluiting ............................................291
Aux-aansluitingen ...........................................85
Aux-ingang .................................................... 291
Bagageruimte ..................................................62
Bagageruimte, indeling ...................................87
Bagageruimte ontgrendelen ........................... 53
Bagageruimte (openen) ..................................53
Bagageruimte openen ........................ 52-54, 62
Banden ............................................................14
Banden, noodreparatie ................................. 196
Bandenreparatieset ......................................196
Bandenspanning ..............................14, 197, 274
Bandenspanning, detectie ............................ 116
Bandenspanningscontrole (met set) .............196
Bandenspanning te laag (detectie) ............... 116
Bandreparatieset ..........................................196
Bekerhouder ...................................................82
Beladen ................................................... 14, 232
Benzine .........................................................240
CD .................................................................287
CD MP3 ................................................. 288, 289
CD-/MP3 -speler ...................................288, 289
Centrale vergrendeling .............................53, 55
Citroën Noodoproep gelocaliseerd ..............278
Claxon ........................................................... 181
Cockpit Roof ...................................................68
B
C
Benzinemotor ................................240, 244, 264
Bestuurdersplaats (instellingen) ..................... 74
Bijvullen additief AdBlue
®
.............................258
Binnenspiegel ................................................. 81
Black panel......................................................38
BlueHDi .........................................246, 253, 254
Bluetooth (handsfree set) .............................292
Bochtverlichting .............................151, 152, 211
Boordcomputer ......................................... 46-48
Brake Assist System (BAS) ..........................182
Brandstof ......................................... 14, 240, 241
Brandstofadditief ...................................250, 251
Brandstofaddititiefniveau ...................... 250, 251
Brandstofniveau ............................................ 239
Brandstofniveaumeter ...................................239
Brandstofsysteem ontluchten .......................246
Brandstoftank ........................................239, 242
Brandstoftankdop ..........................................239
Brandstof tanken ....................................239-242
Brandstoftank (inhoud) .................................239
Brandstoftankklep ................................. 239, 242
Brandstoftank leeg (diesel) ...........................246
Brandstofverbruik ...........................................14
Buitenspiegels.........................................80, 123
Buitenspiegels, in- en uitklappen ...................80
311
Trefwoordenregister
Configuratie van de auto ..........................39, 45
Contact ..........................................................101
Contact aangezet .......................................... 101
Controlelampjes .................................. 19, 23, 24
Controlelampjes (status) .................................21
Controles ...............................244, 245, 251, 252
Eco-modus ....................................................227
Eco-rijden (adviezen) ...................................... 14
Electronic Brake Force Distribution (EBD) ...182
Electronic Stability Program (ESC) 27, 182, 184
Elektronische sleutel ............................52-55, 57
ESP uitschakelen ..........................................184
Follow-me-home verlichting .........................146
Follow-me-home-verlichting .................146, 148
Functie snelweg (richtingaanwijzers) ...........180
D
E
F
Dagrijverlichting .............................145, 211, 212
Dagteller ..........................................................37
Dagteller resetten ...........................................37
Dashboardverlichting ......................................37
Dashboardverlichting (dimmer) ......................37
Datum (instellen) ............................................. 39
Datum instellen ...............................................39
Derde remlicht ...............................................218
Diesel ...................................................... 21, 241
Dieselmotor ...........................241, 245, 246, 267
Dimlicht ........................................... 20, 142, 211
Display instrumentenpaneel ................... 46, 115
Dodehoekdetectie .........................................123
Dynamische noodrem ...........................103, 107
Halogeenlampen ........................................... 211
Handrem .......................................................252
Handrem, elektrisch bediend .........26, 103, 107
Handsfree set ................................................292
Head-up display ............................ 126, 130, 133
Het opslaan van de snelheid ........................ 128
Hill Start Assist ..............................................109
Hoofdsteunen achter ......................................79
Hoofdsteunen verstellen ...........................72, 75
Hoofdsteunen vóór....................................72, 75
Hulpoproep ........................................... 181, 278
Hulpoproep gelokaliseerd .............................278
H
Geheugen instellingen bestuurder ................. 74
Gereedschap ........................................202, 203
Gevarendriehoek ............................................88
Gewichten .............................................265, 269
Gewichten, overzicht ............................265, 269
Gordelverstelling ...........................................187
Grootlicht ..................................20, 142, 211, 213
G
Identificatie auto............................................ 274
Identificatiegegevens .................................... 274
Identificatieplaatjes constructeur ................. 274
Identificatie (stickers) .................................... 274
Indeling achter ................................................86
Instapverlichting ............................................149
Instellen van de uitrustingen ..................... 39, 45
Instrumentenpanelen ......................................18
Intelligente tractiecontrole ............................183
Interieurfilter .................................................. 251
Interieurfilter (vervangen) .............................251
Interieurindeling ..............................................82
Interieur ontgrendelen ....................................61
Interieurverlichting ................................ 157, 158
ISOFIX ..........................................................172
ISOFIX (bevestigingen).................................170
ISOFIX bevestigingen ...................................170
ISOFIX kinderzitjes ................................170-173
I
JACK-aansluiting ....................................85, 291
J
Kaartleeslampjes .......................................... 157
Kentekenplaatverlichting ..............................218
Keyless entry and start ............................. 54, 60
Kilometerteller .................................................37
Kinderbeveiliging ..................................169, 176
Kinderen ......................................... 169, 171-173
Kinderen (veiligheidsvoorzieningen) ...162, 163,
167, 169, 171-173, 189
K
M
L
Lampen (vervangen) ......................211, 216, 218
Lampen vervangen ........................211, 216, 218
Lane Departure Warning
System (LDWS) .......................................... 122
Lange voorwerpen vervoeren ........................86
Leder (onderhoud) ........................................233
LED's .............................................................216
LED-verlichting .....................................145, 216
Lekke band ....................................................196
Lendensteun ...................................................76
Lichtschakelaar .....................................142, 148
Lokaliseren van de auto ..................................55
Luchtfilter ...................................................... 251
Luchtfilter (vervangen) .................................. 251
Massagefunctie ...............................................76
Matten .............................................................84
Mat verwijderen ..............................................84
Menustructuren display ........................301, 302
Milieu .........................................................14, 59
Milieubewust rijden ......................................... 14
Mistachterlicht .......................................144, 216
Mistlampen .................................................... 211
Mistlampen vóór .............144, 152, 211, 214, 217
Monochroom display .......................39, 284, 301
Motoren .................................................264, 267
Motorenoverzicht ..................................264, 267
Motorolie ....................................................... 247
Motorolieniveau, controle ...............................36
Motorolieniveaumeter .....................................36
Motorruimte ........................................... 244, 245
MP3 (CD) ..............................................288, 289
Multifunctioneel display
(met autoradio) ......................................39, 284
Niveaus controleren ...............................247-250
Niveaus en controles .............244, 245, 247-250
Noodbediening achterklep ..............................62
Noodbediening portieren ................................ 57
Noodprocedure starten .................................224
Oliefilter ......................................................... 251
Oliefilter (vervangen) ....................................251
Olieniveau ...............................................36, 247
O
N
P
Parkeerhulp achter .......................................136
Parkeerhulp vóór ........................................... 137
Parkeerlichten ........142, 145, 148, 211-213, 216
Passagiersairbag uitschakelen ....................189
Plafonniers .................................................... 157
Portieren ontgrendelen ...................................61
Portieren openen ......................................52, 54
Portieren sluiten ........................................ 53, 55
Portieren vergrendelen ...................................61
Pyrotechnische gordelspanners ...................188
R
Radio ............................................................. 285
Regelmatig onderhoud ...................................14
Regeneratie roetfilter .................................... 251
Kinderzitjes ........... 162, 163, 167, 168, 175, 188
Kinderzitjes (conventioneel) .................168, 169
Klembeveiliging ...............................................68
Kleurcode lak ................................................ 274
Klokje ........................................................38, 42
Klokje (instellen) ........................................38, 39
Koelvloeistofniveau .................................32, 249
Koelvloeistoftemperatuur ................................32
Koelvloeistoftemperatuurmeter ......................32
Kofferdeksel sluiten ........................................62
Koplampen ....................................................233
Koplampsproeiers .................................154, 249
Koplampsproeiervloeistofniveau .................. 249
Koplampverstelling .......................................150
Krik ........................................................202, 203
Oliepeilstok .............................................36, 247
Olieverbruik ...................................................247
Onderhoud (adviezen) ..................................233
Onderhoudsadviezen ...................................233
Onderhoudscontroles ..................................... 14
Onderhoudsintervalindicator .......................... 33
Onderhoudsintervalindicator resetten ............35
Ontdooien..................................................80, 95
Ontgrendelen ............................................52, 54
Ontwasemen ...................................................95
Ontwasemen achter ........................................95
Ontwasemen voor ...........................................95
Opbergvakken ..................................... 82, 85-87
Opschakelindicator ....................................... 115
313
Trefwoordenregister
S
Schakelen automatische versnellingsbak .....111
Schakelen elektronisch bediende
versnellingsbak .......................................... 110
SCR (Selective Catalytic Reduction) ............253
SCR-systeem .......................................... 30, 253
Serienummer auto ........................................ 274
Sfeerverlichting .............................................158
Sjorogen ..........................................................87
Reinigen (adviezen) ......................................233
Rembekrachtigingsysteem ........................... 182
Remblokken .................................................. 252
Remlampje ...................................................... 27
Remlichten .................................................... 216
Remmen .................................................. 27, 252
Remschijven..................................................252
Remvloeistofniveau ......................................248
Reservewiel ..........................................202, 203
Resetten van het traject ............................46, 47
Richtingaanwijzers ......... 148, 180, 211, 214-216
Riem ................................................................ 87
Rijadviezen ...............................................98, 99
Rijstrookcontrolesystemen ...........................182
Roetfilter ................................................250, 251
Ruitbediening .................................................. 66
Ruitensproeier achter ...................................154
Ruitensproeiers .............................................249
Ruitensproeiers vóór.....................................154
Ruitensproeiervloeistofniveau ...................... 249
Ruitenwisser achter ......................................154
Ruitenwisserbladen (vervangen) .......... 156, 228
Ruitenwisserbladen vervangen ............156, 228
Ruitenwissers ..................................22, 153, 155
Ruitenwisserschakelaar .........................153-155
T
Tankbeveiliging ............................................. 242
Technische gegevens ...........264, 265, 267, 269
Tijd instellen ........................................38, 39, 42
Touchscreen .................................38, 43, 45, 47
Trekhaak .................................................99, 231
Skiluik .............................................................. 86
Slepen van een auto ..................................... 229
Sleutel .................................... 52, 54, 55, 59, 60
Sleutel met afstandsbediening ..................... 101
Sneeuwkettingen .......................................... 210
Snelheidsbegrenzer ..............................128, 130
Snelheidsregelaar .................................128, 133
Spaarfase ......................................................227
Startblokkering, elektronische ................60, 101
Starten...........................................................224
Starten van de auto....................... 100, 102, 111
Stickers .........................................................233
Stickerset ......................................................233
Stilzetten van de auto ................... 100, 102, 111
Stoelen verstellen .....................................72, 73
Stoelverwarming .............................................76
Stoelverwarming, schakelaars .......................76
Stop Start .................................... 22, 48, 92, 95,
118, 223, 226, 239, 243, 251
Streaming audio Bluetooth ...................291, 293
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau .............248
Stuurslot ........................................................ 101
Stuurverstelling ............................................... 81
Stuurwiel (verstellen) ...................................... 81
Supervergrendeling ........................................56
Synchroniseren afstandsbediening ................ 59
U
UREA ....................................................253, 254
Urgence-oproep .................................... 181, 278
USB-aansluiting ......................................85, 290
USB-box ..........................................................85
Veiligheidsgordels ..........................168, 186-188
Veiligheidsvoorzieningen
voor kinderen ........162, 163, 167, 171-173, 189
Ventilatie .............................................14, 89, 90
Ventilatieroosters ............................................ 89
Vergrendeling van binnenuit ........................... 61
Verkeersinformatie (TA) ................................ 286
Verklikkerlampjes ..........................20, 21, 23, 26
Verklikkerlampje SCR-systeem ...................... 30
Verklikkerlampje service .................................25
Verklikkerlampje voorgloeien (diesel) ............21
Verlichting .....................................................158
Versnellingsbak,
automatische .........14, 109, 111, 118, 223, 252
Versnellingsbak, handgeschakeld ......................
14, 109, 110, 118, 252
Versnellingshendel .........................................14
Verversen ......................................................247
Vervuiling van het roetfilter (diesel) .............. 251
Verwarming ..................................................... 14
Voorstoelen ................................................72-74
V
Waarschuwingslampjes ......................21, 24, 26
Wassen (adviezen)................................138, 233
Wiel demonteren ...........................................206
Wiel monteren ............................................... 206
Wiel verwisselen ...................................202, 203
Window-airbags .................................... 191, 192
Zekeringen .................................................... 219
Zekeringentabel ............................................ 219
Zekeringen vervangen ..................................219
Zekeringkast dashboard ............................... 219
Zekeringkast motorruimte .............................219
Zicht.................................................................95
Zij-airbags ............................................. 191, 192
Zijknipperlicht ................................................215
Zijspots ..................................................149, 215
Zijverlichting ..................................................149
Zuinig rijden ....................................................14
Xenonlampen ................................................ 211
W
Z
X
4Dconcept
Diadeis
Interak
08-15
Op verschillende plaatsen in uw auto zijn stickers
aangebracht. Ze bevatten veiligheidswaarschuwingen en
informatie over de identicatie van uw auto. Verwijder ze
niet: ze horen namelijk bij de auto.
Automobiles CITROËN verklaart dat, door toepassing
van de voorschriften in de Europese regelgeving
(Richtlijn 2000/53) met betrekking tot autowrakken,
wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde doelen
en dat recycleerbare materialen worden gebruikt voor de
fabricage van producten die door haar worden verkocht.
Gedrukt in de EU
Néerlandais
Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op
met een gekwaliceerde werkplaats die beschikt over de
juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het
CITROËN-netwerk is in staat u dit te bieden.
Reproductie of vertaling van dit document, zelfs
gedeeltelijk, is verboden zonder schriftelijke toestemming
van Automobiles CITROËN.
Belangrijke informatie:
- Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires
die niet onder een artikelnummer in het assortiment van
Automobiles CITROËN voorkomen, kan storingen in het
elektronische systeem van uw auto veroorzaken. Ga
naar het CITROËN-netwerk voor meer informatie over
het aanbod aan accessoires met een artikelnummer.
- Uit veiligheidsoverwegingen is toegang tot de diagnose-
aansluiting, die is gekoppeld aan de elektronische systemen
in de auto, uitsluitend voorbehouden aan het CITROËN-
netwerk of een gekwaliceerde werkplaats waar de
beschikking is over geschikt gereedschap (kans op storingen
in de elektronische systemen die kunnen leiden tot pech
of ernstige ongevallen). De fabrikant kan niet aansprakelijk
worden gesteld als deze aanwijzing niet wordt opgevolgd.
- Wijzigingen of aanpassingen die niet door Automobiles
CITROËN zijn voorzien of toegestaan, of die niet
volgens de technische voorschriften van de fabrikant zijn
uitgevoerd, leiden tot het vervallen van de wettelijke en
contractuele garanties.
15DS5.0071
Néerlandais
AANVULLING
Het online-instructieboekje
Als de rubriek "MyCITROËN" niet beschikbaar is op de website van Citroën voor uw land, kunt u uw
instructieboekje op het volgende internetadres raadplegen:
http://service.citroen.com/ddb/
Uw instructieboekje is te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCITROËN".
Selecteer:
Kies een van de volgende manieren om uw
instructieboekje online te raadplegen...
Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u
rechtstreeks contact opnemen met het merk.
de taal,
het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering,
de uitgifteperiode van uw gebruiksaanwijzing die overeenkomt met de eerste registratiedatum van
uw auto.
Scan deze code voor directe toegang tot uw instructieboekje.
Als u de gebruiksaanwijzing online raadpleegt,
hebt u tevens toegang tot de meest recente
informatie. Deze informatie is gemakkelijk te
herkennen aan de paginamarkering die wordt
weergegeven met dit pictogram:
In dit document wordt de werking van het Hybrid4-
systeem beschreven. Bovendien bevat het
adviezen voor het gebruik van het systeem.
Wij danken u voor uw keuze voor de DS 5 Hybrid 4x4.
Aan de beschrijvingen en afbeeldingen kunnen
geen rechten worden ontleend.
Automobiles CITROËN houdt zich het recht voor de
technische kenmerken, uitrusting en accessoires
te wijzigen zonder verplicht te zijn dit document bij
te werken.
Dit instructieboekje behoort tot de uitrusting van de
auto. Overhandig het dus bij verkoop van de auto
aan de nieuwe eigenaar.
Raadpleeg het instructieboekje van de DS 5 voor de beschrijving
van alle andere systemen en voorzieningen, en voor alle
andere gegevens van de auto. Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor de onderhoudsvoorschriften van uw auto.
Goede reis!
Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau,
het type, de uitvoering en de specifieke kenmerken
voor het land waarvoor uw auto bestemd is,
slechts van een deel van de in dit boekje vermelde
uitrustingen zijn voorzien.
Neem de tijd om deze documenten aandachtig door te lezen.
008
003
004
010
TREFWOORDENREGISTER
45
4 Presentatie
8 Instrumentenpaneel
9 Verklikkerlampje READY
9 Vermogensmeter
10 Weergave van de energiestromen
12 Overzicht van het brandstofverbruik
13 Boordcomputer
15 Starten / afzetten
19 Keuzeschakelaar
22 Functie "ECO OFF"
23 Rijadviezen
24 Eco-rijden
25 Bijzonderheden van de stand ZEV
27 Tractiebatterij
30 Motorruimte
HYBRID4-SYSTEEM
PRAKTISCHE INFORMATIE
COMFORT
RIJDEN
36 Autowasstraat
37 Bandenreparatieset
38 Slepen - bergen met een bergingsauto
38 Sneeuwkettingen
TECHNISCHE GEGEVENS
39 Elektromotor
40 Dieselmotor
41 Gewichten
VEELGESTELDE VRAGEN
42
31 Voorzieningen in de bagageruimte
32 Elektronisch gestuurde versnellingsbak
Presentatie van het Hybrid4-systeem
De Hybrid4-technologie combineert twee
aandrijfconcepten: een HDi-dieselmotor die de
voorwielen aandrijft en een elektromotor die
zorgt voor de aandrijving van de achterwielen.
Deze twee motoren kunnen afzonderlijk
of gelijktijdig werken, afhankelijk van de
geselecteerde stand van het Hybrid4-systeem
en de rijomstandigheden.
De auto wordt door alleen de elektromotor
aangedreven in de stand ZEV (Zero Emission
Vehicle) en, bij lage snelheden en wanneer
weinig vermogen wordt gevraagd, in de stand
AUTO . Bij wegrijden vanuit stilstand, bij
accelereren en tijdens het schakelen assisteert
de elektromotor de HDi-dieselmotor.
De tractiebatterij die voor de voeding van
de elektromotor zorgt, wordt tijdens het
decelereren en, tot een bepaalde limiet, door
de HDi-dieselmotor weer bijgeladen.
1. HDi-dieselmotor (aandrijving van de
voorwielen).
2. Elektromotor (aandrijving van de
achterwielen).
3. Tractiebatterij (200 V).
4. Elektronische controle-eenheid vermogen.
5. Dynamo/startmotor (Stop & Start-systeem).
6. Elektronisch gestuurde versnellingsbak
(ETG6).
7. Elektrische stromen.
8. Keuzeschakelaar.
5
Hybrid4-systeem
Belangrijkste onderdelen van het Hybrid4-systeem
De voorin geplaatste HDi-dieselmotor (1)
zorgt in de meeste rijsituaties voor de
aandrijving van de auto door het vermogen
over te brengen op de voorwielen.
Afhankelijk van de geselecteerde stand van
het Hybrid4-systeem en de rijomstandigheden
zorgt de achterin geplaatste elektromotor (2)
voor de aandrijving van alleen de achterwielen
of ondersteunt hij de HDi-dieselmotor.
Deze elektromotor zorgt ook voor het
terugwinnen van energie en het opladen van de
tractiebatterij tijdens het snelheid minderen. De
motor wordt boven een snelheid van 120 km/h
uitgeschakeld.
In de 200V-tractiebatterij (3) van het type
NI-MH wordt de energie opgeslagen voor de
achterin geplaatste elektromotor.
De laadtoestand wordt automatisch op peil
gehouden door de elektromotor wanneer de
auto snelheid mindert. Wordt het laadniveau
te laag, dan wordt de tractiebatterij tot
een bepaald niveau opgeladen door de
verbrandingsmotor.
De tractiebatterij bevindt zich in een
compartiment van de bagageruimte dat alleen
toegankelijk is voor technici van het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De laadtoestand van de tractiebatterij wordt
aangegeven aan de hand van segmenten.
Zie de rubriek "Weergave van de
energiestromen".
Uw Hybrid4-auto is voorzien van
geperfectioneerde emissieregelsystemen,
waaronder het roetfilter (FAP) .
Tijdens de regeneratiefases van het roetfilter is
de HDi-dieselmotor nodig om de temperatuur
van het roetfilter zodanig te verhogen dat de
roetdeeltjes verbrand kunnen worden.
Het is dan niet mogelijk volledig elektrisch te
rijden. Dit wordt aangegeven door de melding
"Elektrische stand niet beschikbaar:
Regeneratie roetfilter bezig" .
De elektronische controle-eenheid
vermogen (4) stuurt de verschillende
werkingsfasen van de twee motoren (HDi-
dieselmotor en elektromotor) aan om een zo
laag mogelijk brandstofverbruik mogelijk te
maken.
De dynamo/startmotor (5) voert de Stop &
Start -functie uit zodat de HDi-dieselmotor
wordt uitgeschakeld als de auto tot stilstand
komt (bijvoorbeeld voor een verkeerslicht
of in een file) of als volledig elektrisch wordt
gereden.
Het stoppen en starten van de HDi-dieselmotor
gebeurt automatisch en onmiddellijk zonder dat
de bestuurder iets hoeft te doen.
Deze dynamo/startmotor zorgt ook voor het
bijladen van de tractiebatterij door de HDi-
dieselmotor als bijvoorbeeld de laadtoestand
van de tractiebatterij te laag is geworden of als
in de stand 4WD wordt gereden.
De 12V-accu , die zich in de motorruimte
bevindt, zorgt voor de voeding van de
conventionele elektrische installatie van de
auto. Deze accu zorgt ervoor dat de HDi-
dieselmotor kan worden gestart en dat de
uitrusting van de auto, zoals de verlichting, de
ruitenwissers en het audiosysteem, werkt.
Deze 12V-accu wordt automatisch bijgeladen
door het hoogspanningsnetwerk.
7
Hybrid4-systeem
Vergeleken met een conventionele
handgeschakelde versnellingsbak zorgt
de elektronisch gestuurde ETG6-
versnellingsbak (6) in de automatische
stand, dankzij het elektronisch geregelde
schakelprogramma, voor een aanzienlijk lager
brandstofverbruik.
Met de keuzeschakelaar (8) kan een van
de vier rijstanden van het Hybrid4-systeem
worden geselecteerd:
- de stand AUTO , voor een zo laag mogelijk
brandstofverbruik doordat automatisch
wordt geregeld of één motor of beide
motoren tegelijkertijd worden ingezet,
- de stand ZEV (Zero Emission Vehicle),
voor 100% elektrisch rijden, als de
rijomstandigheden en de laadtoestand van
de tractiebatterij dit toestaan,
- de stand SPORT , voor een dynamischer
rijkarakter en nog hogere prestaties,
- de stand 4WD (4 Wheel Drive), voor extra
tractie op lage snelheden in situaties met
weinig grip (sneeuw, modder, zand enz.).
Instrumentenpaneel
* Door meerdere keren achter elkaar op het
uiteinde van de ruitenwisserschakelaar te
drukken.
1. Vermogensmeter (%).
Weergave van het actuele totale vermogen
dat door het Hybrid4-systeem wordt
geleverd of van de actuele hoeveelheid
teruggewonnen energie.
2. Stand van de selectiehendel en
ingeschakelde versnelling van de
elektronisch gestuurde versnellingsbak of
schakelindicator.
3. Aanwijzingen van de snelheidsbegrenzer
of de snelheidsregelaar.
4. Verklikkerlampje READY: geeft aan of de
auto klaar is om te rijden.
Bedieningstoetsen Meters en displays
A. Dimmer dashboardverlichting.
B. - Kort indrukken: weergave
van achtereenvolgend de
onderhoudsinformatie en het logboek
waarschuwingsmeldingen.
- Lang indrukken: resetten van de
onderhoudsindicator of de dagteller
(afhankelijk van de context).
5. Koelvloeistoftemperatuurmeter (°Celsius).
6. Analoge snelheidsmeter (km/h of mph).
7. Digitale snelheidsmeter (km/h of mph).
8. Brandstofniveaumeter.
9. Display van het instrumentenpaneel:
- permanente weergave van de
kilometer- en dagteller en, naar keuze * :
boordcomputer, energiestromen,
geluidsbron waarnaar wordt geluisterd of
navigatie-aanwijzingen,
- tijdelijke weergave: onderhoudsindicator,
motoroliepeilmeter en
waarschuwingsmeldingen.
9
Hybrid4-systeem
Als het Hybrid4-systeem
is ingeschakeld, gaat dit
verklikkerlampje branden zodra
de auto klaar is om te rijden.
Het verklikkerlampje zal gewoonlijk vrijwel
direct gaan branden, maar onder bepaalde
omstandigheden (bijvoorbeeld wanneer bij koud
weer de HDi-dieselmotor moet voorgloeien of
wanneer de eco-mode is ingeschakeld) kan het
voorkomen dat u enkele seconden moet wachten.
Verklikkerlampje READY
Laat het Hybrid4-systeem nooit
ingeschakeld wanneer u de auto
verlaat, als u de motorkap wilt openen,
als u gaat tanken enzovoort.
Controleer alvorens de auto te verlaten
of het verklikkerlampje READY is
gedoofd.
Hierbij wordt de tractiebatterij bijgeladen met
"gratis" energie , die kan worden hergebruikt
zodra weer energie nodig is.
Zone CHARGE
Zone POWER
Deze zone geeft aan dat extra vermogen
wordt gevraagd van het hybridesysteem,
waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt
van het gekoppelde vermogen van de HDi-
dieselmotor en de elektromotor.
Vermogensmeter
Op de meter worden het actuele totale vermogen van de elektromotor en de HDi-dieselmotor
weergegeven.
De energiemeter bevat drie werkingszones.
Deze zone geeft aan dat wordt gereden
met een optimaal brandstofverbruik ,
ongeacht of elektrisch, met alleen de
HDi-dieselmotor of met een combinatie
van beide wordt gereden.
Zone ECO
Deze zone is eenvoudig te bereiken door
uw rijstijl aan te passen (met behulp van het
zogenaamde "Nieuwe Rijden"), waardoor
het verbruik van de elektromotor of de HDi-
dieselmotor zo laag mogelijk is.
Deze zone geeft aan dat
elektrische energie wordt
teruggewonnen : bij het
remmen (gedeeltelijk) en
vooral door het loslaten van het
gaspedaal.
Weergave van de energiestromen
Weergave van de energiestromen op het instrumentenpaneel
Standen Hybrid4-systeem
1. Geselecteerde stand van het Hybrid4-systeem: AUTO , ZEV , SPORT
of 4WD .
2. Melding " Zero Emission " als de HDi-dieselmotor is uitgeschakeld
(0 g/km CO
2
).
Weergave van de energiestromen op het touchscreen
De actuele informatie met betrekking tot de geselecteerde stand van het Hybrid4-systeem ( 1, 2 ), de pijlen van de energiestromen ( 6 - 9 ) en de
laadtoestand van de tractiebatterij ( 4 ) worden weergegeven op het display van het instrumentenpaneel of het touchscreen.
Zie de rubriek "Boordcomputer".
Infrastructuur van de auto
3. HDi-dieselmotor.
4. Laadtoestand van de tractiebatterij.
5. Elektromotor/generator.
Werking/energiestromen
6. De HDi-dieselmotor voedt de tractiebatterij (indien nodig).
7. Pijl van links naar rechts: de tractiebatterij voedt de elektromotor (als
de elektromotor in werking is).
Pijl van rechts naar links: de elektromotor/generator laadt de
tractiebatterij op (terugwinnen van energie).
8. De HDi-dieselmotor drijft de voorwielen aan.
9. De elektromotor drijft de achterwielen aan.
11
Hybrid4-systeem
Bij het starten en stoppen
Er zijn geen energiestromen; de dynamo/startmotor (Stop &
Start-systeem) stopt en start de HDi-dieselmotor automatisch,
ongeacht de gekozen stand.
Terugwinnen van energie
Tijdens deze fase (snelheid minderen, remmen, loslaten
van het gaspedaal, in alle standen) wordt de tractiebatterij
opgeladen door de elektromotor/generator die wordt
aangedreven door de achterwielen.
Het terugwinnen van energie werkt optimaal wanneer u het
gaspedaal snel loslaat om op de motor af te remmen. De auto
zal dan sneller vertragen dan een conventionele auto.
100% elektrisch
Tijdens het volledig elektrisch rijden (stand AUTO of ZEV )
werkt alleen de elektromotor die wordt gevoed door de
tractiebatterij. De elektromotor drijft de achterwielen aan.
De aanduiding " Zero Emission " wijst erop dat de HDi-
dieselmotor is afgezet en de auto geen CO
2
uitstoot.
Overzicht van het brandstofverbruik
(uitsluitend bij uitvoeringen met het touchscreen)
Dit diagram geeft een overzicht van het gemiddelde
brandstofverbruik.
Het diagram kan worden weergegeven via het menu
" Rijden " van het touchscreen.
Het betreft het verbruik over de laatste 30 minuten, per
periode van 5 minuten.
"60% Hybrid Use " betekent dat 60% van de tijd met
assistentie van het Hybrid4-systeem en 40% met alleen
de HDi-dieselmotor is gereden.
Zie de desbetreffende rubriek voor meer informatie over de
boordcomputer.
Brandstofverbruik
13
Hybrid4-systeem
Boordcomputer
De boordcomputer geeft actuele informatie over het rijden (actieradius, brandstofverbruik...).
Display van het instrumentenpaneel
Weergave van de informatie
) Druk op het uiteinde van de
ruitenwisserschakelaar om
achtereenvolgens de verschillende functies
weer te geven.
- Actuele informatie:
actieradius,
actueel brandstofverbruik.
- Traject "1" :
gemiddelde snelheid,
gemiddeld brandstofverbruik,
voor het eerste traject.
- Traject "2" :
gemiddelde snelheid,
gemiddeld brandstofverbruik,
voor het tweede traject.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
- Energiestromen.
Traject resetten
) Druk zodra het gewenste traject wordt
aangegeven langer dan twee seconden op
het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar.
Overzicht brandstofverbruik
resetten
(Uitsluitend uitvoeringen met het
touchscreen)
) Druk als traject "2" wordt weergegeven
langer dan twee seconden op het uiteinde
van de ruitenwisserschakelaar om het
overzicht van het brandstofverbruik te
resetten.
- Radiozender of geluidsbron
waarnaar wordt geluisterd.
- Navigatie-aanwijzingen.
Touchscreen
Weergave van de informatie
Actuele informatie:
- actieradius,
- huidig brandstofverbruik.
Traject "1" :
- gemiddelde snelheid,
- gemiddeld brandstofverbruik,
voor het eerste traject.
Traject "2" :
- gemiddelde snelheid,
- gemiddeld brandstofverbruik,
voor het tweede traject.
Energiestromen.
Overzicht van het brandstofverbruik.
Traject resetten
) Selecteer het menu " Rijden " .
De informatie van de boordcomputer wordt
weergegeven op de hoofdpagina van het menu.
) Druk op een van de toetsen om het
gewenste tabblad te bekijken.
) Druk zodra het gewenste traject
wordt weergegeven op de toets
voor het resetten.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
Overzicht brandstofverbruik
resetten
) Druk als het traject "2" wordt weergegeven
op de toets voor het resetten om ook het
overzicht van het brandstofverbruik te
resetten.
1. "Actueel".
2. "Traject 1".
3. "Traject 2".
4. "Hybride".
5. "Staafdiagram".
6. "00.0 / Reset".
15
Hybrid4-systeem
Starten van het Hybrid4-systeem
Inschakelen van het Hybrid4-systeem
Als het Hybrid4-systeem is ingeschakeld,
brandt de verlichting van het
instrumentenpaneel en staat de wijzer van de
vermogensmeter in de stand " 0 ". Het stuurslot
wordt automatisch ontgrendeld (er is een geluid
hoorbaar en het stuurwiel beweegt lichtjes).
Afhankelijk van bepaalde parameters, zoals
de laadtoestand van de tractiebatterij en
de buitentemperatuur, bepaalt het Hybrid4-
systeem zelf of de HDi-dieselmotor moet
worden gestart.
De keuzeschakelaar staat in de stand AUTO .
Onder winterse omstandigheden en bij
koude motor kan het verklikkerlampje
van het voorgloeien enkele seconden
blijven branden; wacht tot het
verklikkerlampje is gedoofd en laat dan
het rempedaal los.
Starten / afzetten van het Hybrid4-systeem
Laat nooit kinderen alleen in de auto
achter als het Hybrid4-systeem is
ingeschakeld.
) Zet de selectiehendel in de stand N .
) Plaats de elektronische sleutel in de lezer.
of
) Als uw auto is voorzien van het keyless
entry and start-systeem, hoeft de
elektronische sleutel zich slechts in de auto
te bevinden.
) Trap het rempedaal volledig in.
) Druk één keer kort (ongeveer één seconde)
op de knop " START/STOP ".
) Houd het rempedaal ingetrapt tot het
verklikkerlampje READY gaat branden om
aan te geven dat het Hybrid4-systeem is
ingeschakeld; dit wordt bevestigd met een
geluidssignaal.
Als het Hybrid4-systeem niet wordt
ingeschakeld:
) En N knippert op het
instrumentenpaneel, zet dan de
selectiehendel in de stand A en
vervolgens in de stand N .
) En de melding " Voet op het
rempedaal " wordt weergegeven,
trap het rempedaal dan steviger in.
Als de eco-mode van de auto is
geactiveerd, kan het enkele seconden
duren voordat het verklikkerlampje
READY gaat branden wanneer het
Hybrid4-systeem wordt ingeschakeld.
Wegrijden
Zie voor meer informatie over
de elektrische parkeerrem de
desbetreffende rubriek in het
instructieboekje van de auto.
U kunt op elk gewenst moment de rijstand van
het Hybrid4-systeem met de keuzeschakelaar
wijzigen.
Om in de stand ZEV te kunnen rijden moet aan
bijzondere voorwaarden zijn voldaan.
Wanneer u wegrijdt in de elektrische
stand, maakt uw auto geen geluid.
Let dus extra goed op voetgangers
en fietsers die u mogelijk niet horen
aankomen.
Head-up display
De kleur waarin de snelheid wordt
weergegeven is afhankelijk van de rijmodus:
- weergave in wit: verbrandingsmotor
in werking,
- weergave in blauw:
verbrandingsmotor uitgeschakeld.
In de automatische stand schakelt de
elektronisch gestuurde versnellingsbak
op de optimale momenten zodat
de auto zo min mogelijk brandstof
verbruikt.
) Als de automatische werking van de
elektrische parkeerrem is uitgeschakeld,
trek dan aan de hendel en laat deze
vervolgens los om de parkeerrem
handmatig vrij te zetten.
) Laat het rempedaal geleidelijk los.
) Als de parkeerrem is vrijgezet, zet de auto
zich onmiddellijk in beweging.
Als de parkeerrem is aangetrokken en de
automatische werking is ingeschakeld, geef
dan geleidelijk gas.
) Zet de selectiehendel in de stand A
(automatische bediening), M (handmatige
bediening) of R (achteruitversnelling).
17
Hybrid4-systeem
Uitschakelen van het Hybrid4-systeem
) Zet de auto stil.
) Zet de selectiehendel in de stand N .
) Druk kort (ongeveer één seconde) op de
knop " START/STOP ".
Het Hybrid4-systeem wordt uitgeschakeld:
- het verklikkerlampje READY gaat uit,
- het stuurslot wordt vergrendeld,
- de elektrische parkeerrem wordt
automatisch aangetrokken, behalve als de
automatische werking is uitgeschakeld.
) Controleer of de verklikkerlampjes van de
elektrische parkeerrem branden.
) Verwijder de elektronische sleutel uit de
lezer.
Schakel altijd het Hybrid4-systeem uit
(verklikkerlampje READY uit) en trek de
elektrische parkeerrem aan alvorens
werkzaamheden in de motorruimte uit
te voeren.
Controleer voordat u de auto verlaat of het
verklikkerlampje READY is uitgegaan.
Laat uw elektronische sleutel nooit
achter in de auto.
Omwille van de veiligheid en ter
voorkoming van diefstal: laat nooit de
elektronische sleutel in de auto achter,
ook niet wanneer u in de buurt bent.
Het is raadzaam de sleutel bij u te
houden.
Aanzetten van het contact
Druk, met de elektronische sleutel in de lezer
of de sleutel van het keyless entry and start-
systeem in het interieur van de auto, zonder
het rempedaal in te trappen op de knop
" START/STOP " om het contact aan te zetten.
)
Druk op de knop " START/STOP ":
de verlichting en lampjes van het
instrumentenpaneel gaan branden zonder
dat het Hybrid4-systeem wordt ingeschakeld
.
Als het contact is aangezet, gaat
het systeem vanaf een bepaalde
laadtoestand van de accu automatisch
over op de eco-mode.
) Druk nogmaals op deze knop om het
contact af te zetten en de auto te kunnen
vergrendelen.
Noodprocedure voor starten / afzetten
Noodprocedure voor het starten
met het keyless entry and start-
systeem
Als de elektronische sleutel zich in het
detectiegebied bevindt en het Hybrid4-systeem
niet wordt ingeschakeld als u op de knop
" START/STOP " drukt:
) Steek de elektronische sleutel in de lezer.
) Zet de selectiehendel in de stand N .
) Trap het rempedaal volledig in.
) Druk op de knop " START/STOP ".
Het Hybrid4-systeem wordt ingeschakeld; het
verklikkerlampje READY brandt.
Als de elektronische sleutel niet
wordt herkend door het keyless
entry and start-systeem
Als de elektronische sleutel zich niet meer in het
detectiebereik bevindt tijdens het rijden of wanneer
u (op een later moment) het Hybrid4-systeem wilt
uitschakelen, wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
) Houd de knop " START/STOP " ongeveer
drie seconden ingedrukt als u het Hybrid4-
systeem geforceerd wilt uitschakelen.
In noodgevallen kan de motor geforceerd
worden afgezet.
) Houd de knop " START/STOP " ongeveer
drie seconden ingedrukt.
In dat geval wordt het stuurslot vergrendeld
zodra de auto stilstaat.
Tijdens het gebruik van de auto moet
de elektronische sleutel in de auto
blijven.
Noodprocedure voor het afzetten van de motor
Let op: zonder de elektronische sleutel
in het detectiebereik kan het systeem
niet meer ingeschakeld worden.
19
Hybrid4-systeem
Keuzeschakelaar
Met de keuzeschakelaar kan de bestuurder een keuze maken uit de vier rijstanden van het
Hybrid4-systeem.
) Draai de knop naar rechts of links: de geselecteerde stand wordt aangegeven door het branden
van het desbetreffende verklikkerlampje.
Stand ZEV : voor 100% elektrisch rijden.
Stand SPORT : voor maximale prestaties.
Stand 4WD : voor vierwielaandrijving, als de
wielen weinig grip hebben.
Stand AUTO : voor normale rijomstandigheden
en een zo laag mogelijk brandstofverbruik.
De keuzeschakelaar staat bij het inschakelen van het Hybrid4-systeem standaard in de stand
AUTO , ongeacht de stand waarin de schakelaar bij het afzetten van het contact stond.
Stand AUTO
In deze stand is het brandstofverbruik van
de auto zo laag mogelijk. Het systeem
bepaalt wanneer de twee motoren, alleen of
gezamenlijk, functioneren, afhankelijk van
de rijomstandigheden en de rijstijl van de
bestuurder.
Als de omstandigheden het toelaten, de
laadtoestand van de tractiebatterij voldoende
is en de bestuurder het gaspedaal niet te diep
intrapt, zet de dynamo/startmotor de HDi-
dieselmotor af en rijdt de auto 100% elektrisch.
Stand ZEV
(100% elektrisch)
De werking als "Zero Emission Vehicle" wordt
voor 100% verzorgd door de elektrische
aandrijving van de achterwielen.
Wanneer u deze stand kiest, kunt u geruisloos
en schoon rijden met een lage snelheid.
Deze stand is beschikbaar
als de omstandigheden het
toelaten. Het is vooral van
belang dat de laadtoestand van
de tractiebatterij voldoende is
(minimaal 4 segmenten).
In de stand AUTO geldt voor de elektromotor
het volgende:
- de elektromotor kan, afhankelijk van de
laadtoestand van de tractiebatterij, de
auto volledig elektrisch aandrijven (zero
emission) als aan de desbetreffende
voorwaarden wordt voldaan en het
gaspedaal niet te diep wordt ingetrapt,
- de elektromotor assisteert de HDi-
dieselmotor bij het wegrijden, bij het
schakelen, tijdens het accelereren of
wanneer de voorwielen onvoldoende grip
hebben (de elektromotor zorgt zo tijdelijk
voor vierwielaandrijving).
Tot een snelheid van 85 km/h kan de
elektromotor alleen functioneren. Boven
snelheden van 120 km/h wordt de elektromotor
uitgeschakeld.
Zie de bijzondere werkingsvoorwaarden van de
stand ZEV .
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de bijzondere
werkingsvoorwaarden van de stand
ZEV .
Als niet aan de voorwaarden voor het activeren
of het geactiveerd houden van de stand ZEV
wordt voldaan, wordt de melding " Elektrische
stand momenteel niet beschikbaar " op het
display weergegeven. Het verklikkerlampje
ZEV zal enkele seconden knipperen en
vervolgens uitgaan en het verklikkerlampje
AUTO van de keuzeschakelaar gaat branden.
In de stand ZEV :
- zijn de actieradius en de prestaties
beperkt; de maximumsnelheid in deze
stand is ongeveer 60 km/h,
- wanneer veel vermogen wordt gevraagd
of de omstandigheden het starten van de
HDi-dieselmotor vereisen, schakelt het
systeem automatisch over op de stand
AUTO .
21
Hybrid4-systeem
Deze stand komt optimaal tot zijn recht
als de auto is voorzien van geschikte
banden, zoals winterbanden.
Stand SPORT
(diesel en
elektrisch)
Stand 4WD
(vierwielaandrijving)
Deze stand maakt een sportievere rijstijl
mogelijk doordat de auto nog betere
prestaties levert.
Het vermogen van de HDi-dieselmotor
wordt aangevuld met de capaciteit van de
elektromotor zodat de auto nog sneller
accelereert.
In deze stand worden de respons op het
gaspedaal, de aansturing van de elektronisch
gestuurde versnellingsbak en het door de
elektromotor geleverde vermogen aangepast.
In de stand SPORT :
- assisteert de elektromotor de HDi-
dieselmotor tot 120 km/h.
In deze stand "4 Wheel Drive" is bij lage snelheden
extra tractie beschikbaar dankzij de permanente
aandrijving van de vier wielen van de auto: de HDi-
dieselmotor (aandrijving van de voorwielen) en
de elektromotor (aandrijving van de achterwielen)
werken gelijktijdig en permanent.
De dieselmotor en de elektromotor worden
elektronisch op elkaar afgestemd, zodat de
tractie van de auto op een wegdek met weinig
grip wordt verbeterd.
In de stand 4WD :
- werkt de HDi-dieselmotor permanent;
indien nodig zorgt hij voor de elektrische
voeding van de elektromotor,
- assisteert de elektromotor de HDi-
dieselmotor tot 120 km/h.
Deze stand dient gekozen te worden
wanneer u op gladde wegen of op
onverhard terrein (bijvoorbeeld modder
en zand) rijdt en bij het langzaam
doorwaden van overstroomde
weggedeelten.
In deze stand is het raadzaam om
onder zware omstandigheden, als de
wegconditie het toelaat, veel gas te geven
om weg te kunnen rijden en het risico dat
de auto vast komt te zitten te verkleinen.
Deze stand is beschikbaar ongeacht:
- het laadniveau van de tractiebatterij,
- de hoogte waarop de auto zich
bevindt.
Functie "ECO OFF"
Deze functie voorkomt dat de HDi-dieselmotor wordt afgezet
en geeft voorrang aan het thermische comfort in de auto.
De airconditioning of de verwarming blijft dan namelijk
permanent werken.
Afhankelijk van de uitvoering kan deze functie
met een schakelaar die is opgenomen in de rij
drukschakelaars naast het stuurwiel of via het menu
" Rijden " van het touchscreen worden geactiveerd.
Als de schakelaar ECO OFF wordt ingedrukt, wordt
de HDi-dieselmotor onmiddellijk gestart en blijft deze
permanent draaien.
Het verklikkerlampje van de schakelaar gaat branden.
Druk nogmaals op deze schakelaar om de
functie te deactiveren.
Het verklikkerlampje van de schakelaar gaat uit.
Het Hybrid4-systeem gaat automatisch over op
de normale werking.
* Behalve in de stand ZEV . In deze stand wordt
voorrang gegeven aan elektrisch rijden, ten
koste van een optimaal thermisch comfort.
De functie wordt gedeactiveerd bij het
afzetten van het contact.
Tijdens elektrisch rijden en in de STOP-
stand van het Stop & Start-systeem
zorgt het Hybrid4-systeem ervoor dat
automatisch de motor weer wordt gestart
als dat nodig is om het thermisch comfort
in het interieur op een voldoende niveau
te houden * .
Bij zeer hoge buitentemperaturen is het
echter mogelijk dat temperatuurverschillen
waarneembaar zijn.
Activeer in dat geval de functie ECO OFF .
Met de toets op het dashboard
) Druk op deze toets.
Ter bevestiging van de uitschakeling brandt het
verklikkerlampje van de toets en wordt er een
melding weergegeven.
Als u nogmaals op de toets drukt, wordt de
functie weer ingeschakeld.
Het verklikkerlampje van de toets dooft en er
wordt een melding weergegeven.
Met de toets van het touchscreen
Als u nogmaals op deze toets drukt, wordt de
functie weer ingeschakeld.
Het verklikkerlampje van de toets dooft en er
wordt een melding weergegeven.
) Selecteer het menu "Rijden" .
Ter bevestiging van de uitschakeling gaat het
verklikkerlampje van de toets branden en wordt
er een melding weergegeven.
) Druk op de desbetreffende
pagina op deze toets.
23
Hybrid4-systeem
Rijadviezen
Houd u aan de verkeersregels en let onder alle
omstandigheden goed op.
Richt uw aandacht op het verkeer en houd
uw handen op het stuurwiel, zodat u snel kunt
reageren op onverwachte situaties.
Las tijdens een lange rit om de twee uur een
pauze in.
Rijd bij slecht weer defensief, rem eerder af en
houd meer afstand tot uw voorligger.
Rijden op een
overstroomde weg
Probeer het rijden over overstroomde wegen
zo veel mogelijk te vermijden, want het water
kan de verbrandingsmotor, de elektromotor,
de elektronisch gestuurde versnellingsbak en
het elektrische systeem van uw auto ernstig
beschadigen.
Bent u genoodzaakt over een overstroomd
weggedeelte te rijden, doe dan het volgende:
- kijk of het water niet dieper is dan 15 cm,
houd daarbij rekening met golven die door
andere weggebruikers kunnen worden
veroorzaakt,
- zet de keuzeschakelaar in de stand 4WD ,
- rijd zo langzaam mogelijk zonder de motor
te laten afslaan. Rijd in elk geval niet
sneller dan 10 km/h,
- zet de auto niet stil en zet de motor niet af.
Als u het overstroomde weggedeelte
achter u hebt gelaten, rem dan, zodra de
verkeerssituatie dat toelaat, meerdere keren
licht af om de remschijven en remblokken te
drogen.
Als u twijfels hebt over de staat van uw auto,
neem dan contact op met het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Belangrijk!
Rijd nooit met aangetrokken
parkeerrem - Kans op oververhitting en
beschadiging van het remsysteem!
Parkeer uw auto niet en zet uw auto
niet met draaiende motor stil op een
plaats waar brandbaar materiaal (droog
gras, afgevallen blad, ...) in contact kan
komen met het warme uitlaatsysteem
of bepaalde onderdelen van het
Hybrid4-systeem die zeer warm kunnen
worden - Kans op brand!
Laat de auto nooit onbewaakt met
draaiende motor achter. Als u uw auto
met draaiende motor moet verlaten,
trek dan de parkeerrem aan en zet de
elektronisch gestuurde versnellingsbak
in de stand N .
Eco-rijden
Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het
brandstofverbruik en de CO
2
-uitstoot van uw auto verminderen.
Aangepast aan uw Hybrid4-auto
Gebruik de stand A van de selectiehendel, zodat afhankelijk van de omstandigheden
de optimale versnelling wordt ingeschakeld, en de stand AUTO van de keuzeschakelaar
Hybrid4.
Accelereer op de normale manier tot de auto de gewenste snelheid heeft (zone POWER
tussen 20 en 40%).
Rijd eenmaal op snelheid zo soepel mogelijk door voorzichtig te doseren met het gaspedaal
(zone ECO of CHARGE ), zodat bij lage snelheden zoveel mogelijk elektrisch wordt
gereden.
Wanneer u snelheid moet minderen, is het raadzaam hierop te anticiperen door gas te
minderen om af te remmen op de motor (zone CHARGE ) in plaats van met het rempedaal.
U profiteert dan maximaal van de "gratis" energie die hierbij wordt teruggewonnen.
Zie de desbetreffende rubriek in het instructieboekje van de auto voor meer tips over eco-
rijden.
25
Hybrid4-systeem
Bijzondere werkingsvoorwaarden van de stand ZEV
De stand ZEV kan worden geactiveerd als
aan de voorwaarden voor het 100% elektrisch
rijden is voldaan, met name voor wat betreft de
laadtoestand van de tractiebatterij (minimaal
50%).
In de volgende situaties moet de HDi-
dieselmotor zijn ingeschakeld; de stand
ZEV kan dan niet worden geactiveerd
of wordt automatisch gedeactiveerd. De
keuzeschakelaar blijft of komt terug in de stand
AUTO zodat de HDi-dieselmotor kan worden
gestart.
- Schakelen met de schakelflippers achter
het stuurwiel terwijl de stand Automatische
bediening van de elektronisch gestuurde
versnellingsbak is geselecteerd.
Stand ZEV niet beschikbaar of stand AUTO wordt
automatisch weer geactiveerd
- Selecteren van de stand Handmatige
bediening door de keuzeschakelaar van de
elektronisch gestuurde versnellingsbak in
de stand M te zetten.
- Langdurig en krachtig accelereren.
- Inschakelen van de ruitontwaseming/-
ontdooiing.
- Intensief gebruik van de airconditioning.
Actie van de bestuurder:
Ongunstige omstandigheden
- Als de laadtoestand van de tractiebatterij
lager is dan 4 segmenten (laadtoestand
van 50%). In de stand AUTO kan er bij
een lagere laadtoestand elektrisch worden
gereden.
- Zodra de wagensnelheid hoger is dan
30 km/h, als de verbrandingsmotor sinds
het inschakelen van het Hybrid4-systeem
nog niet één keer is gestart.
- Als het brandstofniveau het reserveniveau
bereikt (branden van het verklikkerlampje
minimumbrandstofniveau). Als een groot
deel van de reserve wordt verbruikt, kan
het voorkomen dat de stand ZEV na het
tanken nog enige tijd niet beschikbaar is.
- Tijdens de regeneratie van het
roetfilter (FAP) die elke ongeveer
500 km automatisch plaatsvindt en
ongeveer10 minuten duurt. Tijdens
de regeneratie van het roetfilter
worden de deeltjes met behulp van de
verbrandingsmotor verhit; de volgende
melding wordt dan weergegeven:
" Elektrische stand niet beschikbaar:
Regeneratie roetfilter bezig ".
Behoud van de prestaties van het
systeem:
- Als niet is voldaan aan bepaalde
voorwaarden of limieten op
temperatuurgebied die voor de HDi-
dieselmotor zijn vereist (bijvoorbeeld onder
winterse omstandigheden).
- Als de auto langdurig in de zon heeft
gestaan.
- Als de tractiebatterij bijna volledig is
geladen (bijvoorbeeld bij het afdalen van
een lange helling door het afremmen op
de motor), is het terugwinnen van energie
niet meer mogelijk. De verbrandingsmotor
wordt dan automatisch weer gestart zodat
kan worden afgeremd op de motor.
- Als de auto een steile helling op rijdt.
- Bij het rijden op grote hoogte.
27
Hybrid4-systeem
200V-tractiebatterij
De Ni-MH-technologie (nikkel-metaalhydride)
van de tractiebatterij is bestand tegen het
herhaaldelijk en snel gedeeltelijk opladen en
ontladen zoals bij een hybrideauto.
De tractiebatterij bevindt zich vlak bij de
elektromotor, achter de opbergbak onder de
bekleding van de bagageruimte.
Laden
De tractiebatterij wordt tijdens het rijden
automatisch opgeladen.
De tractiebatterij wordt opgeladen als de auto
snelheid mindert of afremt op de motor. De
elektromotor fungeert dan als generator en zet
kinetische energie om in elektrische energie
(niet bij snelheden hoger dan 120 km/h).
Door op deze manier energie terug te winnen
wordt "gratis" energie verkregen.
De tractiebatterij kan ook gedeeltelijk, tot
een gemiddeld niveau van 4 of 5 segmenten,
worden opgeladen door de dynamo/startmotor
(Stop & Start-systeem) van de HDi-dieselmotor.
De tractiebatterij heeft een laadtoestand van
gemiddeld 4 à 5 segmenten, zodat er een
marge overblijft voor het terugwinnen van
energie bij het snelheid minderen of in een
afdaling ("gratis" energie).
Om een lange levensduur van de
tractiebatterij mogelijk te maken komt
de laadtoestand nooit onder de 20%
uit, ook niet als na het rijden in de stand
ZEV geen segmenten meer op de meter
worden weergegeven.
Als de tractiebatterij bijna volledig is
geladen, kan het zijn dat de auto bij
het loslaten van het gaspedaal minder
vertraagt.
De tractiebatterij wordt uiterst snel opgeladen.
Als de batterij is ontladen, bijvoorbeeld na
het rijden in de stand ZEV of onder zware
gebruiksomstandigheden, bereikt de batterij
na ongeveer tien minuten weer zijn optimale
laadtoestand.
Het is niet mogelijk om de tractiebatterij
via het lichtnet op te laden.
Veiligheidswaarschuwingen in verband met de hoogspanning
De elektromotor werkt met een spanning
van 150 tot 270 V.
Raak de onderdelen van het
hoogspanningscircuit (herkenbaar aan de
oranje kleur) niet aan: kans op elektrocutie
en brandwonden!
Een aantal hoogspanningskabels zijn aan
de onderzijde van de auto bevestigd; zorg
ervoor dat deze niet beschadigd raken bij
het rijden op slecht begaanbaar terrein.
Zet alvorens
werkzaamheden uit te
voeren altijd het contact
af (verklikkerlampje
READY gedoofd).
Breng hefsystemen (krik,
tweekolomsbrug, ...) aan onder de
daarvoor bestemde steunpunten
om beschadiging van de kabels te
voorkomen.
Raak onderdelen, oranje kabels en
stekkers van het hoogspanningscircuit
nooit aan, ook niet na een aanrijding.
Om het milieu te ontzien, dient de
tractiebatterij aan het einde van de
levenscyclus op de voorgeschreven
wijze te worden afgevoerd.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Let op de waarschuwingsstickers die op de
auto zijn aangebracht.
De elektrolyt van de accu is een zeer
bijtende vloeistof: kans op brandwonden.
Uit de buurt houden van vonken en open vuur.
Niet verbranden.
Buiten het bereik van kinderen houden.
Niet in aanraking brengen met vloeistoffen,
om beschadiging van de accu te voorkomen.
Noodonderbreker
In het geval van een ongeval zorgt
een veiligheidssysteem ervoor dat het
hoogspanningscircuit en de brandstoftoevoer
van de auto automatisch worden onderbroken.
Het Hybrid4-systeem kan dan niet meer
worden gestart.
In dat geval moet altijd contact worden
opgenomen met het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Werkzaamheden aan
de tractiebatterij
De tractiebatterij mag nooit door middel
van een extern apparaat worden
opgeladen. Laat werkzaamheden
aan de tractiebatterij uitsluitend over
aan een gekwalificeerde technicus
van het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Een verkeerde handeling kan leiden tot
ernstige brandwonden en elektrische
schokken die levensgevaarlijk letsel
kunnen veroorzaken.
29
Hybrid4-systeem
Dit ventilatiesysteem werkt niet continu. Het
past permanent de mate van ventilatie aan de
koelbehoefte van de tractiebatterij aan.
De werking van het systeem kan hoorbaar zijn,
met name als de auto stilstaat en het Hybrid4-
systeem is uitgeschakeld (nakoeling).
Ventilatie van de tractiebatterij
Veiligheidsvoorschriften
Houd de aanzuigopening vrij van
voorwerpen, zoals kleding of bagage,
zodat de tractiebatterij niet oververhit
kan raken waardoor de prestaties van
het Hybrid4-systeem afnemen of de
batterij zelfs beschadigd wordt.
Mors geen vloeistof, de tractiebatterij
zou hierdoor beschadigd kunnen raken
en kortsluiting kunnen veroorzaken.
De tractiebatterij is voorzien van een
luchtkoelingssysteem.
Dit systeem bestaat uit een aanzuigopening
(aan de zijkant van de linker achterstoel) en een
ventilator (achter de bagageruimtebekleding
links).
Toegang tot de motorruimte
Ook de dynamo/startmotor van uw Hybrid4-
auto wordt met hoogspanning gevoed.
Wanneer u de motorkap opent zonder eerst het
contact af te zetten, kan het voorkomen dat de
motor plotseling door de dynamo/startmotor
weer wordt gestart.
Zet, voordat u de motorkap
opent, altijd het contact af
(verklikkerlampje READY
uit).
Zet altijd het contact af en controleer
of het verklikkerlampje READY op het
instrumentenpaneel is gedoofd alvorens
werkzaamheden in de motorruimte uit
te voeren - Kans op ernstig letsel!
Aanbevelingen
31
Comfort
Voorzieningen in de bagageruimte
1. Hoedenplank
Deze kan worden verwijderd zodat grotere
voorwerpen vervoerd kunnen worden.
2. Haken (voor tassen)
3. Riemen
Deze zijn bedoeld voor het bevestigen van
een gevarendriehoek.
4. Uitneembare vloerplaat in de
bagageruimte
Trek de vloerplaat aan de handgreep
omhoog en beweeg deze langs de
geleiders.
Selecteer wanneer u de auto met
ingeschakeld Hybrid4-systeem stilzet
altijd de neutraalstand N .
Controleer voordat u werkzaamheden
onder de motorkap uitvoert altijd of de
selectiehendel in de stand N staat, de
parkeerrem is aangetrokken en het
verklikkerlampje READY is gedoofd
nadat u het Hybrid4-systeem hebt
uitgeschakeld.
Deze elektronisch gestuurde versnellingsbak
met 6 versnellingen kan op twee manieren
worden bediend:
- automatische bediening, waarbij het op-
en terugschakelen volledig automatisch
wordt geregeld,
- handmatige bediening, waarbij de
bestuurder zelf sequentieel kan schakelen.
Bij de automatische bediening blijft het mogelijk
om zelf te schakelen met behulp van de flippers
achter het stuurwiel, bijvoorbeeld om even snel
in te halen.
Elektronisch gestuurde versnellingsbak (ETG6)
R. Achteruit.
) Trap het rempedaal in, trek de selectiehendel
omhoog en beweeg deze naar voren.
N. Neutraalstand.
) Trap het rempedaal in en selecteer deze
stand om de motor te kunnen starten.
A. Automatische bediening.
) Beweeg de selectiehendel naar achteren
om deze stand te selecteren.
M. Handmatig, sequentieel schakelen.
) Trek de selectiehendel omhoog en beweeg
deze naar achteren om deze stand te
selecteren en schakel vervolgens met
behulp van de flippers achter het stuurwiel.
Selectiehendel
+. Opschakelen (rechts van het stuurwiel).
) Trek de flipper aan de rechterzijde achter
het stuurwiel "+" een keer naar u toe om
op te schakelen.
-. Terugschakelen (links van het stuurwiel).
) Trek de flipper aan de linkerzijde achter het
stuurwiel "-" een keer naar u toe om terug
te schakelen.
Flippers achter het stuurwiel
Bij het inschakelen van de
achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal.
Met de flippers is het niet mogelijk de
neutraalstand of de achteruitversnelling
in te schakelen of uit de
achteruitversnelling te schakelen.
33
Rijden
N Neutral (neutraalstand).
R Reverse (achteruitversnelling).
1, 2, 3, 4, 5, 6. Versnellingen bij handmatig
schakelen.
A Gaat branden als u kiest voor automatische
bediening en gaat uit als u kiest voor
handmatige bediening.
Weergave op het instrumentenpaneel
Starten van de auto
) Zet om te starten de
selectiehendel in de stand N .
) Zet de parkeerrem vrij door aan de hendel
te trekken wanneer de automatische
werking van de parkeerrem is
uitgeschakeld.
) Laat het rempedaal geleidelijk los.
Zet voordat u de auto verlaat de
selectiehendel in de stand N en schakel
het Hybrid4-systeem uit door het
contact uit te zetten (verklikkerlampje
Ready gedoofd).
) Trap het rempedaal in als een
melding wordt weergegeven
op het display van het
instrumentenpaneel.
) Houd het rempedaal ingetrapt.
) Start het Hybrid4-systeem.
Als het Hybrid4-systeem niet wordt geactiveerd:
- Als de aanduiding N op het
instrumentenpaneel knippert, zet de
selectiehendel dan eerst in de stand
A en vervolgens in de stand N .
- Als de melding "Voet op het
rempedaal" wordt weergegeven,
trap het rempedaal dan steviger in.
) Selecteer een stand ( A of M ) of de
achteruitversnelling (stand R ).
Trap om krachtig te accelereren
(bijvoorbeeld voor een
inhaalmanoeuvre) het gaspedaal met
kracht in, tot voorbij het zware punt.
) Start de auto en selecteer de stand A om
de stand automatische bediening in te
schakelen.
Automatische bediening
Op het display van het
instrumentenpaneel verschijnt de
aanduiding A .
De versnellingsbak werkt dan automatisch,
zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de
volgende parameters:
- de rijstijl,
- het profiel van de weg.
Op het display van het
instrumentenpaneel verschijnt de
aanduiding A , M1 of R .
) Als de parkeerrem wordt vrijgezet, zet de
auto zich direct in beweging.
Als de parkeerrem is aangetrokken en de
automatische werking van de parkeerrem
is ingeschakeld, geef dan geleidelijk gas.
In de handbediende stand wordt bij
krachtig accelereren niet opgeschakeld
als de bestuurder de flippers achter het
stuurwiel niet bedient.
Selecteer de neutraalstand N nooit
tijdens het rijden.
Als bij stapvoets rijden de
achteruitversnelling wordt geselecteerd,
wordt deze pas ingeschakeld als de auto
volledig tot stilstand is gekomen. Op het
display van het instrumentenpaneel wordt
een pictogram weergegeven.
Selecteer de achteruitversnelling (stand R )
uitsluitend als de auto volledig stilstaat en
de voet op het rempedaal wordt gehouden.
Bij de automatische bediening blijft het altijd mogelijk
om zelf te schakelen met behulp van de flippers achter
het stuurwiel, bijvoorbeeld om even snel in te halen
.
) Bedien de flippers "+" of "-" achter het stuur.
De versnellingsbak wordt dan in de desbetreffende
versnelling geschakeld, mits de snelheid van
de auto en het motortoerental dit toestaan. De
aanduiding A blijft op het display staan.
Handmatig schakelen
) Zet na het starten de selectiehendel in de
stand M om de handbediende stand in te
schakelen.
) Bedien de flippers + of - .
Het schakelen naar een andere versnelling
is alleen mogelijk als de snelheid van de
auto en het motortoerental dit toestaan. De
verbrandingsmotor blijft altijd draaien.
Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen het
gaspedaal los te laten.
Bij het remmen of het verminderen van de
snelheid schakelt de versnellingsbak automatisch
terug, zodat de juiste versnelling is geselecteerd
op het moment dat u het gaspedaal weer intrapt.
Handmatig schakelen
De aanduiding A verdwijnt
en de achtereenvolgens
ingeschakelde versnellingen,
M1... M6 , worden
weergegeven op het display
van het instrumentenpaneel.
Als de stuurbediening enige tijd niet meer
gebruikt wordt, gaat de versnellingsbak weer
over op de automatische stand.
35
Rijden
Stilzetten van de auto Storing
Controleer voordat u de auto verlaat
of de verklikkerlampjes van de
parkeerrem op het instrumentenpaneel
en op de hendel van de parkeerrem
permanent branden.
Als u de auto wilt stilzetten zonder
de parkeerrem aan te trekken, moet
u, voordat u het contact afzet, de
selectiehendel in de stand A of R
zetten.
Wanneer de accu defect is, moet u
een wielblok tegen een van de wielen
plaatsen om de auto tegen wegrollen te
beschermen.
Zet voordat u het Hybrid4-systeem uitschakelt
de selectiehendel in de stand N .
Wanneer het Hybrid4-systeem wordt
uitgeschakeld, wordt de elektrische parkeerrem
automatisch aangetrokken.
Als de automatische werking van de
parkeerrem is uitgeschakeld, trek dan de
parkeerrem handmatig aan om de auto volledig
stil te zetten.
Laat als het Hybrid4-systeem is
ingeschakeld nooit kinderen alleen in
de auto achter.
Uit veiligheidsoverwegingen wordt deze
functie alleen geactiveerd als u het
rempedaal intrapt tijdens het inschakelen
van een versnelling vooruit of de
achteruitversnelling.
Deze functie wordt uitgeschakeld zodra het
bestuurdersportier wordt geopend. Sluit om
de functie weer in te schakelen het portier
en trap het rempedaal of gaspedaal in.
Kruipfunctie
Dankzij deze functie verloopt het rijden op lage
snelheid soepeler (inparkeren, file rijden, ...).
Doe het volgende terwijl het Hybrid4-systeem
is ingeschakeld, de auto stilstaat en de
parkeerrem is vrijgezet:
) trap het rempedaal in,
) zet de selectiehendel in de stand A , R of
M ,
) laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto zet zich direct in beweging en bereikt
geleidelijk een snelheid van ongeveer 10 km/h,
zonder dat u het gaspedaal hoeft in te trappen.
Als dit waarschuwingslampje
bij het aanzetten van het
contact gaat knipperen,
in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het display
van het instrumentenpaneel, duidt dit op een
storing in de versnellingsbak.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Autowasstraat
Bij sommige autowasstraten (waar de auto op een transportband doorheen wordt gevoerd) mag de parkeerrem tijdens het autowassen niet zijn
aangetrokken.
Als het Hybrid4-systeem is ingeschakeld, het verklikkerlampje
R EADY brandt en de parkeerrem is vrijgezet:
) Zet de selectiehendel in de stand N .
) Schakel het Hybrid4-systeem uit (druk op de knop
" START/STOP "). Het verklikkerlampje READY op
het instrumentenpaneel dooft en de parkeerrem wordt
automatisch aangetrokken.
) Zet het contact weer aan (druk op de knop " START/STOP ")
zonder het rempedaal in te trappen. Het verklikkerlampje
READY gaat niet branden.
) Zet de parkeerrem vrij met de hendel op de middenconsole,
terwijl u het rempedaal ingetrapt houdt.
) Zet het contact af (druk op de knop " START/STOP " zonder
het rempedaal in te trappen) na gecontroleerd te hebben of
de parkeerrem vrijgezet blijft.
Als de HDi-dieselmotor op dat moment niet draait, wordt hij
onmiddellijk gestart.
Als de HDi-dieselmotor op dat moment draait, blijft hij onbeperkt
draaien.
Als het Hybrid4-systeem is ingeschakeld, het verklikkerlampje
READY brandt en de parkeerrem is vrijgezet:
) Zet de selectiehendel in de stand N (stand AUTO ).
) Houd het rempedaal ingetrapt en druk vervolgens op de toets
" ECO OFF ".
Autowasstraten waarin de HDi-dieselmotor moet
zijn afgezet.
Autowasstraten waarin de HDi-dieselmotor niet
mag worden afgezet.
Schakel, indien mogelijk, de automatische werking van de parkeerrem uit via het menu voor het configureren van de uitrusting van de auto.
37
Praktische informatie
Bandenreparatieset
Deze set bestaat uit een compressor en een flacon met afdichtmiddel.
Hiermee kunt u de band tijdelijk repareren .
U kunt vervolgens naar de dichtstbijzijnde garage rijden.
Met deze set kunnen de meeste lekke
banden worden gerepareerd, als het
lek zich in het loopvlak of de hiel van de
band bevindt.
Met de compressor kunt u de
bandenspanning controleren en
aanpassen.
Zie voor meer informatie over het
gebruik van deze bandenreparatieset
de desbetreffende rubriek in het
instructieboekje van de auto.
Al het gereedschap is specifiek
bestemd voor uw auto.
Gebruik het niet voor andere
doeleinden.
Toegang tot de set
Overzicht gereedschap
1. 12V-compressor.
De compressor bevat een afdichtingsproduct
voor het tijdelijk repareren van een band.
Bovendien kan hiermee de bandenspanning
worden aangepast.
2. Wielblok.
Voor het blokkeren van de wielen, zodat de
auto niet weg kan rollen.
3. Sleutel voor doppen van wielbouten.
Voor het verwijderen van de
beschermdoppen van de wielbouten van
lichtmetalen velgen.
4. Wieldopsleutel.
Voor het verwijderen van de wieldoppen van
lichtmetalen velgen.
5. Afneembaar sleepoog.
Deze set bevindt zich in de opbergbak onder de
vloerplaat van de bagageruimte.
Slepen - bergen van de auto met een bergingsauto
Sleep de auto nooit met twee of vier wielen op de grond: kans op beschadiging van de aandrijving.
Maar als de auto moeilijk bereikbaar is, kan de auto over een afstand van enkele tientallen meters
met een snelheid van minder dan 10 km/h met de wielen op de grond worden verplaatst.
Gebruik het sleepoog uitsluitend om de auto wanneer deze
moeilijk bereikbaar is over enkele meters te verplaatsen of
om de auto op een bergingsauto te vervoeren.
Voordat u werkzaamheden uitvoert: trap het rempedaal in terwijl het contact aanstaat, zet de
selectiehendel in de stand N en schakel vervolgens het Hybrid4-systeem uit (verklikkerlampje READY uit).
Roep altijd de hulp in van een professioneel bergingsbedrijf om uw auto met een bergingsauto of trailer te
bergen.
Sneeuwkettingen
Voorschriften
Er mogen alleen sneeuwkettingen op de
voorwielen worden gemonteerd.
De keuzeschakelaar moet in de stand 4WD
staan.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek in
het instructieboekje van de auto om te
zien of de banden van uw auto geschikt
zijn voor sneeuwkettingen. Hier vindt u
ook montageadviezen.
39
Technische gegevens
Elektromotor -
Techniek Synchroon met permanente magneten
Max. vermogen: ECE-norm (kW) * 27
Toerental bij max. vermogen (t/min) 2000 - 7500
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 200
Toerental bij max.koppel (t/min) 800 - 1290
Rendement (%) 80 - 90
Tractiebatterij
Ni-MH
(Nikkel-metaalhydride)
Spanning (V~) 200
Energieopslagcapaciteit (kWh / Ah) 1,1 / 5,5
Actieradius (km) 2 (ongeveer)
Elektromotor en tractiebatterij
De actieradius is afhankelijk van de weersomstandigheden, de rijstijl van de bestuurder, het gebruik van de elektrische uitrustingen van de auto en de
leeftijd van de batterij.
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
Dieselmotor en versnellingsbak
Dieselmotor HDi 160
Versnellingsbak
ETG6
Elektronisch gestuurd (6 versnellingen)
Cilinderinhoud (cm
3
) 1997
Boring x slag (mm) 85 x 88
Max. vermogen: ECE-norm (kW) * 120
Toerental bij max. vermogen (t/min) 3850
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 300
Toerental bij max. koppel (t/min) 1750
Brandstof Diesel
Katalysator Ja
Roetfilter Ja
Hoeveelheid motorolie met vervangen filter
(in liters)
5,0
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de
Europese regelgeving (richtlijn1999/99/CE).
41
Technische gegevens
Gewichten en aanhangergewichten (in kg)
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Het totale gewicht van de aanhanger mag alleen met 300 kg worden verhoogd als er geen passagiers of bagage in de auto aanwezig zijn.
Uitvoering Hybrid 4x4 Diesel
Versnellingsbak
ETG6
Elektronisch gestuurd (6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering: KF...
RHCM/1PS
RHCM/PS
- Ledig gewicht 1660
- Gewicht rijklaar * 1735
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
2265
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
2765
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan
treingewicht) helling max. 10% of 12%
500
-
Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
800
- Aanhanger ongeremd 500
- Aanbevolen kogeldruk 75
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger gelden lagere snelheidslimieten (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Veelgestelde vragen
100% elektrisch rijden (zero emission)
Vraag Antwoord
Waarom kan ik niet altijd overschakelen naar de stand
ZEV (Zero Emission Vehicle) terwijl de tractiebatterij
voldoende geladen lijkt te zijn?
Dit is een tijdelijke situatie.
Als de stand ZEV , ondanks dat de laadtoestand van de tractiebatterij voldoende is, niet kan
worden ingeschakeld, kan dit worden veroorzaakt door tijdelijke omstandigheden zoals koud
weer, het rijden op een grote hoogte, een ingeschakelde achterruitverwarming, benodigd
extra vermogen voor de airconditioning of verwarming, of de regeneratie van het roetfilter.
Waarom wordt af en toe de waarschuwing " Elektrische
stand niet beschikbaar: Regeneratie roetfilter
bezig " weergegeven?
Dit is een melding die verschijnt bij de regeneratie van het roetfilter. Dit is een volstrekt
normaal proces dat elke 400 tot 500 km (of zelfs minder bij veel stadsverkeer) plaatsvindt,
net als bij een auto met HDi-dieselmotor zonder hybridetechnologie.
Bij deze auto's merkt de bestuurder niets van dit proces.
Bij een Hybrid4-auto kunt u hier echter wel iets van merken, doordat (in stadsverkeer)
de HDi-dieselmotor tijdelijk niet wordt uitgeschakeld en doordat deze melding tijdens de
regeneratie wordt weergegeven.
Waarom kan ik de stand ZEV niet inschakelen, terwijl
de auto elektrisch rijdt in de stand AUTO ?
De aansturing van de stand ZEV verschilt van die van de stand AUTO .
Het inschakelen van de stand ZEV is alleen mogelijk als de laadtoestand van de
tractiebatterij minimaal 4 segmenten is, zodat de actieradius in deze stand voldoende is.
In de stand AUTO wordt uitsluitend tijdelijk en voor kortere periodes overgeschakeld op
elektrisch rijden, zodat dit ook bij een lagere laadtoestand van de tractiebatterij mogelijk
is.
Waarom is de actieradius in de stand ZEV korter bij het
oprijden van een helling?
Het nemen van een helling kost een auto meer energie dan het rijden op een vlakke weg.
In dat geval is het raadzaam de stand AUTO te gebruiken, zodat de HDi-dieselmotor voor
het benodigde vermogen kan zorgen.
Waarom wordt, nadat de stand ZEV door het systeem is
uitgeschakeld, niet automatisch teruggekeerd naar de stand
ZEV zodra weer aan de voorwaarden wordt voldaan?
De stand ZEV is niet onder alle omstandigheden de zuinigste stand.
Daarom schakelt het systeem automatisch over naar de stand AUTO .
43
Veelgestelde vragen
Zuinig rijden
Vraag Antwoord
Hoe rijd ik het zuinigst? Het is raadzaam zoveel mogelijk gebruik te maken van de stand AUTO , waarin automatisch
de wijze van aandrijving wordt geselecteerd die optimaal is voor een zo laag mogelijk
brandstofverbruik.
Daarnaast kunt u het brandstofverbruik nog verder verlagen door uw rijstijl aan te passen aan
de werking van de hybridetechnologie, door bijvoorbeeld snelheid te minderen door gas los
te laten in plaats van te remmen (bij het naderen van de bebouwde kom, verkeerslichten, een
stopbord...) zodat "gratis" energie kan worden teruggewonnen om de tractiebatterij op te laden.
Waarom gaat het brandstofverbruik van mijn auto niet
omlaag terwijl ik veel gebruikmaak van de stand ZEV
(Zero Emission Vehicle)?
Niet de stand ZEV , maar de stand AUTO is de meest geschikte stand om het brandstofverbruik
te verlagen, omdat in deze stand de optimale wijze van aandrijving wordt geselecteerd.
In de stand ZEV (100% elektrisch rijden) kan onder sommige omstandigheden het
brandstofverbruik worden verlaagd. Het bijladen van de tractiebatterij kost echter weer energie.
Daarom adviseren wij u zoveel mogelijk te rijden in de stand AUTO .
Waarom wordt bij het rijden in stadsverkeer op het
overzicht van het brandstofverbruik soms een verbruik
van 10 l/100 km weergegeven?
Tijdens filerijden kunnen op het overzicht van het brandstofverbruik soms hoge waarden
worden weergegeven. Aangezien de afgelegde afstand gering is, heeft dit echter weinig
invloed op het gemiddelde verbruik.
In stadsverkeer verbruikt uw Hybrid4-auto minder brandstof dan een auto zonder
hybridetechnologie.
Waarom is de tractiebatterij bijna nooit maximaal
opgeladen?
Het is normaal dat de tractiebatterij niet volledig wordt geladen (gemiddeld 4 tot
5 segmenten in de stand AUTO ).
Daardoor blijft er ruimte over om de tractiebatterij nog verder op te laden met de "gratis"
energie die wordt teruggewonnen bij het decelereren.
Waarom worden er zoveel waarschuwingsmeldingen weergegeven
als de minimumvoorraad in de brandstoftank is bereikt?
Om u erop te attenderen dat u zo snel mogelijk moet tanken om te voorkomen dat de auto
niet meer 100% elektrisch kan rijden.
Airconditioning/verwarming
Vraag Antwoord
Het lijkt erop dat de auto minder vaak elektrisch rijdt als
de airconditioning of verwarming in werking is. Klopt
dat?
Afhankelijk van de benodigde werking van de airconditioning of verwarming kan het nodig
zijn dat de HDi-dieselmotor wordt gestart tot het gewenste comfortniveau is bereikt.
De normale werking van het Hybrid4-systeem wordt in dat geval simpelweg uitgesteld. Dit
kan langer duren bij een zeer lage of zeer hoge buitentemperatuur.
Het lijkt net alsof wanneer bij warm weer de
airconditioning in werking is, de auto minder lang
elektrisch rijdt. Klopt dit?
Bij warm weer is het mogelijk dat de HDi-dieselmotor minder lang uitgeschakeld blijft
en dat er minder elektrisch wordt gereden om te voorkomen dat de temperatuur in het
interieur te veel gaat afwijken van de ingestelde temperatuur.
Bij zeer warm weer kunt u ook de schakelaar " ECO OFF " indrukken (zodat de stand ZEV
wordt gedeactiveerd, de auto niet meer elektrisch rijdt en de HDi-dieselmotor niet meer
wordt afgezet) voor een optimaal thermisch comfort (de airconditioning blijft werken).
Overige
Vraag Antwoord
Kan ik met mijn Hybrid4-auto een aanhangwagen
trekken?
Zie het gedeelte "Gewichten" van de rubriek "Technische gegevens" voor de
aanhangergewichten van uw Hybrid4-auto.
Dit biedt u de mogelijkheid om bijvoorbeeld een jetski of een motorfiets te vervoeren.
De beperking van het aanhangergewicht heeft te maken met de capaciteit van de koeling
van de HDi-dieselmotor en van de componenten van het Hybrid4-systeem die ook worden
gekoeld door de koelvloeistof van de HDi-dieselmotor.
Waarom remt de auto zo sterk af op de motor? Zolang de tractiebatterij niet volledig is geladen, is het afremmen op de motor
hoofdzakelijk het gevolg van het terugwinnen van energie door de elektromotor. Hierdoor
remt de auto sterker af op de motor dan een auto met uitsluitend een verbrandingsmotor.
45
Trefwoordenregister
12V-accu ........................................................... 5
Aanhangergewichten ...................................... 41
Afzetten van het Hybrid4-systeem .......... 15, 18
Airconditioning ..........................................22, 25
Autowasstraat .................................................36
Banden ............................................................ 37
Bandreparatieset ............................................ 37
Bergingsauto of trailer (slepen) ......................38
Boordcomputer .......................................... 12-14
Boordgereedschap ......................................... 37
Brands tof ......................................................... 24
Brandstofverbruik ................................. 9, 12, 24
Co ntact ............................................................ 17
Contact aangezet ............................................ 17
Handrem, elektrisch bediend .............15, 23, 36
Head-up display .............................................. 15
Ho ogsp annin g ........................................... 27, 28
Hoogspanningskabel ...................................... 28
Laadtoestand van de tractiebatterij ....5, 10, 25, 27
Lekke band ...................................................... 37
ECO OFF (schakelaar) ...................................22
Elektrisch rijden (ZEV) ............ 11, 19, 22, 24, 25
Elektromotor ..........................................5, 19, 39
Gewichten ....................................................... 41
Gewichten, overzicht ...................................... 41
Dieselmotor .........................5, 19, 22, 25, 36, 40
Display instrumentenpaneel ................. 8, 10, 13
Milieu ............................................................... 24
Milieubewust rijden ......................................... 24
Motoren .....................................................39, 40
Motorenoverzicht ......................................39, 40
Motorkap, openen ...........................................30
Motor ruimte ..................................................... 3 0
Noodprocedure afzetten van de motor ........... 18
Noodprocedure starten ................................... 18
READY (verklikkerlampje) ................8, 9, 28, 30
Regeneratie roetfilter ..................................5, 25
Resetten van het overzicht van het verbruik .... 14
Resetten van het traject ............................ 13, 14
Rijadviezen ..................................................... 23
Roetfilter ......................................................5, 25
Keuzeschakelaar .................................. 5, 19
, 24
Keyless entry and start ........................15, 17, 18
Koeling tractiebatterij ......................................29
Instrumentenpaneel .......................................... 8
Ontdooien........................................................ 25
Ont wasemen ................................................... 25
Overzicht van het verbruik .............................. 12
A
B
C
H
I
K
L
D
E
G
M
N
O
R
Elektronische sleutel ............................15, 17, 18
Elektronisch gestuurde
ver snel ling sba k ....................... 5 , 15, 23-25, 32
Energiestromen......................................... 10, 11
Wassen (adviezen)..........................................36
Ventilatie tractiebatterij ................................... 29
Vermo ge n .......................................................... 9
Vermo gens indic ator ...................................... 8 , 9
Verwarming ............................................... 22, 25
Vierwielaandrijving (4WD) ..................19, 23, 38
Technische gegevens ................................39-41
Teller .................................................................. 8
Terugwinnen van energie ..................... 9, 11, 24
Touchscreen ....................................... 10, 12, 14
Tractiebatterij ...................................5, 27-29, 39
Selectiehendel ..........................................32, 36
Selectiehendel elektronisch gestuurde
ver snel ling sbak ............................................. 32
Sleepoog ......................................................... 37
Slepen van de auto ......................................... 38
Sleutel niet herkend ........................................ 18
Sneeuwkettingen ............................................ 38
Starten van de auto............................. 15, 18, 32
Starten van het Hybrid4-systeem ................... 15
Stilzetten van de auto ......................... 15, 18, 32
Stop Start ....................................................5, 22
W
Z
V
T
S
Zuinig rijden .................................................... 24
4Dconcept
Diadeis
Interak
08-15
Op verschillende plaatsen in uw auto zijn stickers
aangebracht. Ze bevatten veiligheidswaarschuwingen en
informatie over de identi catie van uw auto. Verwijder ze
niet: ze horen namelijk bij de auto.
Automobiles CITROËN verklaart dat, door toepassing
van de voorschriften in de Europese regelgeving
(Richtlijn 2000/53) met betrekking tot autowrakken,
wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde doelen
en dat recycleerbare materialen worden gebruikt voor de
fabricage van producten die door haar worden verkocht.
Gedrukt in de EU
Néerlandais
Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op
met een gekwali ceerde werkplaats die beschikt over de
juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het
CITROËN-netwerk is in staat u dit te bieden.
Reproductie of vertaling van dit document, zelfs
gedeeltelijk, is verboden zonder schriftelijke toestemming
van Automobiles CITROËN.
Belangrijke informatie:
- Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires
die niet onder een artikelnummer in het assortiment van
Automobiles CITROËN voorkomen, kan storingen in het
elektronische systeem van uw auto veroorzaken. Ga
naar het CITROËN-netwerk voor meer informatie over
het aanbod aan accessoires met een artikelnummer.
-
Uit veiligheidsoverwegingen is toegang tot de diagnose-
aansluiting, die is gekoppeld aan de elektronische systemen
in de auto, uitsluitend voorbehouden aan het CITROËN-
netwerk of een gekwali ceerde werkplaats waar de
beschikking is over geschikt gereedschap (kans op storingen
in de elektronische systemen die kunnen leiden tot pech
of ernstige ongevallen). De fabrikant kan niet aansprakelijk
worden gesteld als deze aanwijzing niet wordt opgevolgd.
-
Wijzigingen of aanpassingen die niet door Automobiles
CITROËN zijn voorzien of toegestaan, of die niet volgens de
technische voorschriften van de fabrikant zijn uitgevoerd, leiden
tot het vervallen van de wettelijke en contractuele garanties.
15DS5H0071
Néerlandais
7


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Citroen DS5 HYbrid - 2015 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Citroen DS5 HYbrid - 2015 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 12,96 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

Others manual(s) of Citroen DS5 HYbrid - 2015

Citroen DS5 HYbrid - 2015 Additional guide - Dutch - 52 pages


The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info